Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2020, 20AMvB

Besluit van 20 januari 2020 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 houdende met name de maximering van het verlaagd wettelijk collegegeld voor eerstejaars studenten voor opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 23 september 2019, nr. WJZ/16619682 (10286), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 2.6, eerste lid, 7.45, vijfde lid, en 7.48, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 oktober 2019, nr. W05.19.0299/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 januari 2020, nr. WJZ/17702445 (10286), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING UITVOERINGSBESLUIT WHW 2008

Het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2.3, zevende lid, vervalt «wordt» en wordt «Een student» vervangen door «Met uitzondering van een student die gelijktijdig wordt ingeschreven voor de twee opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt een student».

B

Artikel 2.4b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «6.7, eerste lid,».

2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd luidende:

  • 2. Het verlaagd wettelijk collegegeld voor een opleiding als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, van de wet, bedraagt het door het instellingsbestuur vastgestelde collegegeld, minus 50 procent van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid.

C

In artikel 4.10, derde lid, wordt «de bekostigingsniveaus» vervangen door «het bekostigingsniveau voor het onderwijsdeel».

D

Artikel 4.20, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het aantal te bekostigen graden in een opleiding is gelijk aan het product van:

    • a. het aantal graden, verleend in die opleiding;

    • b. vermenigvuldigd met de factor 2 voor zover het een graad Master betreft; en

    • c. vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling vast te stellen factor behorend bij het bekostigingsniveau voor het onderzoeksdeel van de desbetreffende opleiding.

E

In artikel 4.21, eerste lid, wordt «zijn verleend» vervangen door «zijn verleend aan een opleiding als bedoeld in de bijlage bij dit besluit».

F

Na artikel 7.1b wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 7.1c. Overgangsbepaling verlaagd wettelijk collegegeld voor kleinschalige en intensieve opleidingen

  • 1. In afwijking van artikel 2.4b, tweede lid, blijft artikel 2.4b, zoals dat luidde op 31 augustus 2020, van toepassing op een student die al voor 31 augustus 2020 was ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, van de wet, en voor wie de periode van twaalf maanden, bedoeld in artikel 2.4c, tweede lid, nog niet is verstreken.

  • 2. Dit artikel vervalt met ingang van 1 september 2021.

G

In het opschrift van de bijlage wordt «4.21, derde lid» vervangen door «4.21, eerste lid».

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2020.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 20 januari 2020

Willem-Alexander

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

Uitgegeven de dertigste januari 2020

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Algemeen

In deze algemene maatregel van bestuur (amvb) zijn drie soorten wijzigingen opgenomen. Ten eerste een beleidsinhoudelijke wijziging van het verlaagd wettelijk collegegeld voor opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs1 in verband met de aangenomen motie Van der Molen en Tielen.2

Ten tweede wordt een wijziging doorgevoerd in het collegegeldregime voor studenten die nog geen graad in het onderwijs hebben en die, na eerder afgestudeerd te zijn in het hoger onderwijs, als tweede studieloopbaan de academische pabo volgen. Omdat de academische pabo bestaat uit twee opleidingen – een hbo-opleiding leraar basisonderwijs in combinatie met een wo-opleiding onderwijskunde, onderwijswetenschappen of pedagogische wetenschappen, betalen zij nu twee keer het wettelijke collegegeld, terwijl aan dezelfde doelgroep aan de reguliere pabo één keer het wettelijke collegegeld in rekening wordt gebracht. De gevolgen van deze wijziging van het collegegeldregime voor de academische pabo worden verder in de paragrafen 3, 4 en 5 beschreven. Met de correctie wordt dit gelijkgetrokken.3

Tot slot wordt een aantal technische correcties doorgevoerd in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (UWHW 2008).

2. Verlaagd wettelijk collegegeld bij opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs

Op 1 september 2018 is de Wet verlaagd wettelijk collegegeld in werking getreden.4 Met invoering van de wet en bijhorende amvb is geregeld dat vanaf studiejaar 2018–2019 nieuwe eerstejaarsstudenten een halvering van het collegegeld krijgen. Dat geldt voor alle studenten die wettelijk collegegeld verschuldigd zijn voor voltijd, deeltijd of duaal onderwijs. Tijdens de wetsbehandeling van de Wet verlaagd wettelijk collegegeld is er gedebatteerd over de noodzaak van halvering collegegeld voor studenten die een hoger wettelijk collegegeld betalen aan opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs.5 Zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer zijn vragen gesteld over de noodzaak ook voor die opleidingen 50% korting te geven van het hoge collegegeld in plaats van 50% van het wettelijk collegegeld. Daarbij is in de Tweede Kamer gevraagd om extra middelen beschikbaar te stellen voor een groep leraren die een tweede onderwijsopleiding willen volgen en door hun specifieke situatie instellingscollegegeld moeten betalen. De minister heeft er in het debat met de Tweede Kamer aangegeven dat het verzoek om extra middelen bezien zou moeten worden tijdens de begrotingsbehandeling 2019.6

Het verlaagd wettelijk collegegeld is met een zeer korte doorlooptijd ingevoerd.7 De regering heeft destijds gekozen voor een generieke maatregel: halvering van het collegegeld voor eerstejaarsstudenten. Het doel daarvan was de algemene toegankelijkheid van het hoger onderwijs verder te versterken. Door klip en klaar te kiezen voor een halvering bij opleidingen met (deeltijd, volledig en verhoogd) wettelijk collegegeld werd de korte termijn van invoering ondersteund. Ook is tijdens het wetstraject aangegeven dat de halvering van het wettelijk collegegeld bij opleidingen met een verhoogd wettelijk collegegeld is doorgevoerd om te zorgen dat het relatieve verschil tussen deze opleidingen en opleidingen met een regulier collegegeld niet groter zou worden. De toegankelijkheid van de opleidingen met deze tarieven zou daardoor gelijk blijven.8

De regering heeft destijds de keuze om ook het hogere wettelijk collegegeld te halveren aldus inhoudelijk verdedigd. In diezelfde parlementaire behandeling is echter ook aangegeven dat er begrip is voor de wens om iets te doen voor een heel specifieke groep studenten die een tweede studie op het gebied van onderwijs wil volgen, en die buiten alle andere regelingen valt waarmee we het lerarentekort beogen te bestrijden. Op dat moment was de regering er echter nog niet van overtuigd dat er voor die groep vooral een financieel probleem was en dat er dus voor deze groep een financiële regeling nodig was.9 De betreffende leden van de Tweede Kamer is dan ook verzocht er bij de begrotingsbehandeling op terug te komen en dan te kijken of, en zo ja waar, we voor deze doelgroep middelen zouden kunnen vrijmaken. Bij die begrotingsbehandeling is de genoemde motie Van der Molen en Tielen aangenomen, waarin ook de financiële dekking is voorzien. Onderhavig ontwerpbesluit dient ter uitvoering van die motie.

Door de indieners van genoemde motie wordt geconstateerd, dat er door deze keuze om het verhoogd wettelijke collegegeld ook te halveren een kleine groep van circa 3.100 studenten die absoluut gezien een veel hogere verlaging krijgt dan het gros van de studenten.10 De verlaging van het collegegeld kan daardoor bij het huidige verhoogde collegegeld oplopen tot circa € 2.250 euro. Dat is fors meer dan de € 1.042 waarmee het wettelijk collegegeld voor andere eerstejaarsstudenten is verlaagd.11 De opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs kennen een stabiele of een groeiende instroom van studenten. Het zijn opleidingen met selectie en studenten die zich voor deze opleidingen aanmelden, accepteren ook vier jaar lang de hogere kosten voor het aangeboden intensieve onderwijsconcept. Het lijkt daardoor gerechtvaardigd niet langer vast te houden aan deze extra hoge korting, zoals door de motie wordt verzocht. Er zou volstaan kunnen worden met een verlaging ter hoogte van de helft van het volledig wettelijk collegegeld. Hoewel de studenten aan een opleiding met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs hiermee dus relatief een lagere korting krijgen dan studenten aan de reguliere opleidingen, blijft er nog altijd een betekenisvolle korting over van € 1.071,50.12

Vanuit de Tweede Kamer is tijdens de wetsbehandeling van het verlaagd wettelijk collegegeld de wens geuit om in verband met het lerarentekort een regeling te maken die voorziet in meer financiële ondersteuning van studenten die al een graad onderwijs bezitten (in een niet-tekortvak) en die nog een graad in het onderwijs willen behalen (in een tekortvak).13 Het gaat dan om studenten die instellingscollegegeld betalen en geen recht hebben op andere voorzieningen zoals de lerarenbeurs of zij-instroom subsidie; bijvoorbeeld omdat zij thans geen aanstelling hebben op een school.

Zoals hierboven beschreven, was het bij de invoering van het verlaagd wettelijk collegegeld gezien de korte doorlooptijd niet mogelijk om deze wens te honoreren. Er is bij de invoering een afweging gemaakt tussen de inzet van de middelen in verband met het verder versterken van de toegankelijkheid in brede zin en een maatregel bij de lerarenopleidingen in verband met het lerarentekort. Daarbij speelde ook de uitvoeringsmogelijkheden per studiejaar 2018–2019 een grote rol. De keuze om nu vanuit herprioritering alsnog een wijziging door te voeren, is verdedigbaar gelet op de noodzaak van de aanpak van het lerarentekort en het feit dat er binnen de begroting van OCW geen ruimte is om op andere wijze structureel € 2,5 miljoen per jaar vrij te maken. Onder de huidige omstandigheden is dus een andere conclusie getrokken dan ten tijde van de wetsbehandeling.

Met de onderhavige amvb wordt de halvering van het collegegeld van eerstejaarsstudenten bij opleidingen met kleinschalig en intensief onderwijs omgezet in een korting ter hoogte van maximaal 50% van het volledig wettelijk collegegeld. Het daarmee vrijgevallen budget van € 2,5 miljoen wordt ingezet voor een aanvullende financiële tegemoetkoming van eerder genoemde studenten die een tweede onderwijsgraad willen behalen. De daartoe beoogde subsidieregeling wordt uitgewerkt conform de contouren die zijn geschetst in een Kamerbrief14 en het AO Leraren van 9 oktober 2019.15

3. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Verlaging collegegeld

Het aanpassing van het verlaagd collegegeld bij opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs heeft geen gevolgen voor de processen van DUO en Studielink. Aan de systeemaanpassing en het proces dat is doorgevoerd bij invoering van de Wet verlaagd wettelijk collegegeld verandert niets.

Alleen instellingen moeten hun proces en mogelijk het studenteninformatiesysteem (SIS) aanpassen. Het gaat om een aanpassing bij acht universiteiten en vijf hogescholen. Dit zijn de instellingen die opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs aanbieden. Op de gevolgen voor instellingen wordt verder ingegaan in paragraaf 4 en 5.

Academische pabo

De aanpassing van het collegegeld voor de academische pabo heeft geen gevolgen voor DUO of Studielink. Het netwerk van de academische pabo’s geeft aan dat de wijziging de instellingen uitvoerbaar en handhaafbaar is. De doelgroep van de wijziging loopt mee in de administratie en organisatie die voor de academische pabo voor initiële studenten (eerste studie) is opgezet. Door de beperkte aantallen van tweede studieloopbaan studenten, de door de pabo en universiteit gezamenlijke studiebegeleiding en de nauwgezette administratie van studieresultaten is er goed zicht op eventuele poging tot misbruik.

4. Financiële gevolgen

4.1. Gevolgen voor de Rijksbegroting
Verlaging collegegeld

Met deze wijziging wordt geregeld dat eerstejaarsstudenten aan opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs geen halvering, maar een verlaging van het collegegeld krijgen ter hoogte van de helft van het wettelijk collegegeld. Zo wordt het collegegeld van alle studenten verlaagd met maximaal de helft van het wettelijk collegegeld.

Bij de raming van de compensatie voor instellingen als gevolg van de invoering van het verlaagd wettelijk collegegeld is uitgegaan van circa 3.100 eerstejaarsstudenten aan opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs. De instellingen die deze opleidingen aanbieden zijn in de bekostiging gecompenseerd voor de halvering die zij moeten bieden aan eerstejaars studenten.

Gemiddeld betaalden deze studenten in studiejaar 2018/2019 een verhoogd collegegeld van gemiddeld € 3.654 (laagste tarief is € 2.566 en het hoogste tarief is € 4.345). De halvering betreft dan een bedrag van gemiddeld € 1.827. Wanneer het collegegeld was verlaagd met de helft van het volledig wettelijk collegegeld dan hadden studenten een verlaging gekregen van € 1.030. Het verschil bedraagt gemiddeld € 797 per student (met een spreiding van € 253 in geval van het laagste tarief en € 1.142 in geval van het hoogste tarief).

Gemiddeld € 797 maal 3.100 studenten is jaarlijks circa € 2,5 miljoen. Vanwege inwerkingtreding per studiejaar 2020–2021 komt de € 2,5 miljoen voor een kwart (€ 0,6 miljoen) beschikbaar in 2020 (sept-dec) en is het bedrag van € 2,5 miljoen volledig beschikbaar van vanaf 2021.

Schematisch weergegeven:

Sector

Gemiddeld verhoogd wettelijk collegegeld studiejaar 18/19

Halvering gemiddeld verhoogd wettelijk collegegeld 18/19

Helft volledig wettelijk collegegeld 18/19

Verschil per student

Algemeen

€ 3.654

€ 1.827

€ 1.030

– € 797

HBO

€ 2.950

€ 1.475

€ 1.030

– € 445

WO

€ 4.096

€ 2.048

€ 1.030

– € 1.018

Academische pabo

De aanpassing van het collegegeldregime voor academische pabo’s heeft geen financiële gevolgen voor de overheid. De student wordt, zoals onder paragraaf 1 vermeld, gelijktijdig ingeschreven voor twee opleidingen. Voor de tweede gelijktijdige inschrijving wordt geen bekostiging gegeven. In het geval van de academische pabo komt alleen de pabo-inschrijving in aanmerking voor bekostiging. De betrokken universiteit en hogeschool verdelen de bekostiging en het betaalde collegegeld voor het in gezamenlijkheid verzorgde onderwijs. Het schrappen van de verplichting om een tweede keer wettelijk collegegeld te betalen, wordt dus opgevangen door de betrokken instellingen. Daar staat tegenover dat dit de opleiding naar verwachting aantrekkelijker zal maken.

4.2. Financiële gevolgen instellingen
Verlaging collegegeld

Voor de instellingen die opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs aanbieden, betekent de onderhavige amvb dat de bekostiging in 2020 wordt verlaagd met € 0,6 miljoen en vanaf 2021 met € 2,5 miljoen per jaar. Omdat de instellingen daartegenover hogere inkomsten ontvangen van studenten is het financiële effect voor de instellingen nihil. Instellingen kunnen wel incidenteel kosten hebben voor aanpassingen van processen en het systeem.

Uit de impactanalyse die gemaakt is bij invoering van de Wet verlaagd wettelijk collegegeld bleek dat de kosten voor instellingen als gevolg van een wijziging bij de halvering collegegeld liggen tussen de € 5.000 en € 20.000 per instelling.16 Gemiddeld is dat € 12.500. Er zijn dertien instellingen die aanpassingen moeten verrichten. De kosten worden daarom geschat op circa € 162.500 met een bandbreedte van € 65.000 tot € 260.000. De wijzigingen als gevolg van nieuwe wet- en regelgeving vormen onderdeel van de lumpsum die instellingen ontvangen. De kosten voor deze wijziging komen daarom voor rekening van de instelling.

Academische pabo

De aanpassing van collegegeld voor de academische pabo heeft voor de instellingen weinig gevolgen. Net als voor de initiële studenten (eerste studie) worden voor de doelgroep van de wijziging de inkomsten tussen de partners van academische pabo’s gedeeld (collegegelden 50-50, bekostiging op basis van behaalde studiepunten). De groep tweede loopbaan studenten aan de academische pabo is tot nu toe beperkt tot circa 5% van de totale inschrijvingen.

4.3. Financiële gevolgen student
Verlaging collegegeld

Nieuwe eerstejaarsstudenten aan opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs betalen vanaf studiejaar 2020–2021 niet de helft van het collegegeld maar het tarief van de instelling minus een verlaging ter hoogte van de helft het volledig wettelijk collegegeld. Voor een student scheelt dat gemiddeld € 797 op basis van het tarief van studiejaar 2018/2019.

Voor studenten kan dit verschil variëren tussen € 253 minder korting (bij het laagste tarief van € 2.566 bij een hbo-opleiding) tot € 1.142 minder korting (bij het hoogste tarief van € 4.343 bij een wo-opleiding).

De studenten aan deze opleidingen krijgen daarmee gelijk aan alle studenten die het volledig wettelijk collegegeld betalen een verlaging van het collegegeld van € 1.042 in het eerste studiejaar.

Academische pabo

Nu met deze amvb de studenten aan de academische pabo nog slechts één keer het wettelijke collegegeld hoeven te betalen, scheelt dat de student jaarlijks een bedrag gelijk aan het wettelijke collegegeld; € 2.083. Over de vier jaar die de studie duurt bespaart de student € 8.332.

5. Gevolgen voor de regeldruk

5.1. Instellingen
Verlaging collegegeld

In de impactanalyse die is gemaakt bij de invoering van het wetsvoorstel verlaagd wettelijk collegegeld zijn alle stappen in de bepaling van het collegegeld tussen aanmelding en incasso van het collegegeld in kaart gebracht. Uit die impactanalyse kan worden afgeleid dat de impact van deze amvb relatief klein is. Door deze wijziging is alleen een aanpassing benodigd bij de betreffende instellingen. De dertien instellingen (of hun softwareleveranciers) moeten de berekening van het collegegeld in hun Student Informatie Systeem (SIS) aanpassen. Daarnaast moeten deze instellingen voor de betreffende opleidingen het collegegeldbesluit op de instelling aanpassen. Ook moet de communicatie aan studenten worden aangepast. Instellingen communiceren structureel over de collegegeldtarieven via digitale middelen als webpagina’s, FAQ’s en collegegeldmeters. De bedragen die daarin vermeld staan, veranderen elk jaar. De impact op dit soort structurele communicatie-uitingen is dus gering; instellingen hebben de communicatie vaak zo ingericht dat de bedragen snel aan te passen zijn.

Academische pabo

Er is nauwelijks sprake van toename van de regeldruk voor instellingen voor de aanpassing van collegegeld voor de academische pabo. De tweede loopbaan studenten lopen mee in de administratie en organisatie die bij de pabo’s en universiteiten voor initiële studenten (eerste studie) aan de academische pabo is opgezet.

5.2. Student

Vanuit het perspectief van administratieve lasten verandert er voor de student niets. De student betaalt het collegegeld (net als in de huidige situatie) aan de instelling. Alleen het bedrag verandert. Omdat het gaat om nieuwe studenten is de aanname dat zij geen extra tijd kwijt zijn aan het zoeken van informatie over het geldende collegegeld.

6. Gevoerd overleg en advies

De eerdergenoemde motie Van der Molen en Tielen over korting collegegeld is aangenomen op 1 november 2018. Deze maatregel is de uitwerking van de motie. De maatregel is in mei 2019 aangeboden ter internetconsultatie en voor advies aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR).

De ATR geeft in haar advies aan dat nut en noodzaak van de amvb zijn onderbouwd en dat zij geen opmerkingen heeft hierbij. De ATR geeft aan dat de regeldruk is onderbouwd voor de wijziging bij opleidingen van het collegegeld voor opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs. De ATR geeft het advies de regeldruk voor de wijziging bij de academische pabo te onderbouwen. In paragraaf 4.1 en 5.1 is de regeldruk van deze wijziging beschreven. De ATR verzoekt verder de regeling die nog nader wordt uitgewerkt te mogen ontvangen voor advies. Deze regeling zal worden voorgelegd aan de ATR.

Internetconsultatie

Er zijn zes reacties gekomen op de internetconsultatie. Er is gereageerd door enkele instellingen, de Vereniging Hogescholen en de Landelijke Studenten Vakbond.

Uit de reacties blijkt dat niet helemaal duidelijk was welke maatregel precies wordt genomen en wanneer deze in werking treedt. De toelichting bij deze amvb is op basis van de opmerkingen bij de internetconsultatie aangepast.

In sommige reacties wordt aangegeven dat de maatregel opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs minder toegankelijk en minder aantrekkelijk maakt omdat de kosten voor studenten van het eerste collegejaar aan deze opleidingen nu hoger worden.

Zoals ook aangegeven in paragraaf 2 van deze nota van toelichting verwacht het Kabinet geen vermindering van de instroom bij deze opleidingen. De effecten van de maatregel worden meegenomen in de evaluatie van de wet verlaagd wettelijk collegegeld.

Voorhangprocedure bij beide Kamers der Staten-Generaal

Vanwege de wettelijk vereiste parlementaire betrokkenheid bij het opstellen van een amvb over verlaagd wettelijk collegegeld, is het ontwerpbesluit voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal. De Eerste Kamer17 en de Tweede Kamer18 hebben het ontwerpbesluit voor kennisgeving aangenomen.

7. Communicatie

Instellingen zijn voor het eerst over onderhavige amvb geïnformeerd in april 2019. Daarnaast worden instellingen gedurende het proces geïnformeerd over de voortgang. Studenten worden in eerste instantie geïnformeerd via de instellingen over het te betalen tarief. Daarnaast is de communicatie op de website rijksoverheid uitgebreid met de voorgenomen maatregel zodat studenten daarvan ook nu al kennis kunnen nemen.

8. Monitoring

De effecten bij de opleidingen kleinschalig en intensief onderwijs worden gemonitord als onderdeel van de bij de invoering van de Wet verlaagd wettelijk collegegeld eerder toegezegde jaarlijkse monitoring van de effecten van de halvering collegegeld. Ook zal deze wijziging worden meegenomen bij de evaluatie in 2021 van de halvering collegegeld.

9. Inwerkingtreding

Deze amvb zal in werking treden per studiejaar 2020–2021 (1 september 2020). Op basis van de ervaringen met de invoering van de halvering collegegeld moet voor tariefwijzigingen circa drie maanden worden gerekend voor aanpassingen in systemen van instellingen en het collegegeldbesluit op de instelling. Instellingen versturen in mei 2020 de machtigingen voor het collegegeld voor studiejaar 2020–2021. Daar moeten de juiste bedragen op staan. Dat betekent dat instellingen de periode januari-april 2020 nodig hebben voor aanpassingen en testen van systemen.

Met deze amvb wordt afgeweken van het principe achter artikel 2.4b, tweede lid, van het UWHW 2008. Voor studenten aan een opleiding met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs wordt het collegegeldregime eenmalig later dan per 1 november van het voorafgaande jaar bekendgemaakt. De uiteindelijke toepassing van de gemaximeerde korting op het collegegeld gebeurt binnen de betreffende onderwijsinstellingen. Door middel van een wijziging van artikel 9 van de Regeling financiën hoger onderwijs zal worden bekendgemaakt welke gevolgen deze amvb heeft voor het maximumbedrag voor het verlaagd hoger collegegeld. Dat bedraagt nu vijf maal het volledig wettelijk collegegeld minus een korting van 50% van het volledig wettelijk collegegeld. Voor 2020–2021 gaat het dan om een maximumbedrag van € 9.643.19

II. Artikelsgewijs

Grondslag en voorhang

  • Artikel 2.6, eerste lid, WHW, is de grondslag voor het bij of krachtens amvb vaststellen van de algemene berekeningswijze voor de bekostiging, waar de wijzigingen van de artikelen 4.10, 4.20 en 4.21 van het UWHW 2008 op zijn gebaseerd.

  • Artikel 7.45, vijfde lid, WHW, is de grondslag voor het (gedifferentieerd naar soort opleiding en naar cohort) vaststellen van de hoogte van het verlaagd wettelijk collegegeld.

  • Artikel 7.48, eerste lid, laatste volzin, WHW, is de grondslag om bij amvb te bepalen of een student ook voor een tweede inschrijving is vrijgesteld van de betaling van het wettelijk collegegeld.

  • De artikelen 2.6, zevende lid, en 7.50a WHW bepalen dat een voordracht voor (wijziging) van de berekeningswijze van de bekostiging respectievelijk het verlaagd wettelijk collegegeld pas mag worden gedaan nadat het ontwerpbesluit aan Tweede en Eerste Kamer is voorgelegd.

Artikel I, onderdeel A (artikel 2.3 UWHW 2008)

In het zevende lid wordt geregeld dat studenten die een tweede studieloopbaan20 beginnen en zich in laten schrijven voor de academische pabo (en daarmee voor twee opleidingen tegelijkertijd)21 vrijgesteld zijn van de betaling van een tweede keer wettelijk collegegeld. Zij hoeven dus slechts één keer wettelijk collegegeld te betalen en kunnen bij de andere instelling het bewijs betaald collegegeld overleggen.

Artikel I, onderdeel B (artikel 2.4b UWHW 2008)

Met de wijziging van artikel 2.4b wordt de systematiek voor het verlaagd wettelijk collegegeld gewijzigd voor opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs (opleidingen in de zin van artikel 6.7 en verder van de WHW). Voor die opleidingen bedraagt de korting niet langer 50 procent van het hogere collegegeld dat door het instellingsbestuur wordt vastgesteld, maar 50 procent van het volledig wettelijk collegegeld. De korting wordt daarmee gemaximeerd. Jaarlijkse indexaties van het collegegeld werken wel nog altijd door in de korting.

Artikel I, onderdelen C en D (artikelen 4.10 en 4.20 UWHW 2008)

Deze wijziging betreft het opnemen van een grondslag in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 om bij ministeriële regeling de bekostigingsfactoren voor het onderzoeksdeel vast te stellen. Voor de uniformiteit wordt in artikel 4.10 vermeld dat het daar om de bekostigingsfactoren voor het onderwijsdeel gaat.

Artikel I, onderdelen E en G (artikel 4.21 en de bijlage bij het UWHW 2008)

In artikel 4.21 wordt een verwijzing naar de bijlage «onderwijs met een ontwerperscertificaat» teruggeplaatst. In die bijlage wordt vervolgens verwezen naar het eerste lid van artikel 4.21. De aanleiding is dat er bij eerdere aanpassingen in het UWHW 2008 ten onrechte een verwijzing naar artikel 4.21 en de bijlage zijn weggevallen.

Artikel I, onderdeel F (artikel 7.1c UWHW 2008)

Eerste lid. In artikel 7.1c wordt geregeld dat studenten die zich vóór de inwerkingtreding van deze wijziging al hadden laten inschrijven voor een opleiding in studiejaar 2019–2020 de verlaging, bestaande uit de halvering van het hogere wettelijk collegegeld, behouden zoals die aan het begin van het studiejaar voor hen van kracht was. De overgangsbepaling werkt gedurende de aaneengesloten periode van 12 maanden waarin een student recht heeft op verlaagd collegegeld. Een februari-instromer behoudt dus de halvering van het hogere wettelijk collegegeld gedurende de periode februari 2020 tot en met januari 2021. Voor nieuwe studenten die instromen per studiejaar 2020–2021 geldt het gemaximeerde verlaagd wettelijk collegegeld.

Tweede lid. De overgangsbepaling is na een jaar volledig uitgewerkt en kan daarom per 1 september 2022 vervallen.

Artikel II (Inwerkingtreding)

Zie paragraaf 9 van het algemeen deel van deze toelichting.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Opleidingen of programma’s met kleinschalig en intensief onderwijs zijn gericht op een bovengemiddeld onderwijsrendement en de activiteiten binnen en buiten het curriculum zijn met elkaar verbonden. De criteria hiervoor zijn opgenomen in de Nadere uitwerking Criteria bijzonder kenmerk Kleinschalig en intensief onderwijs. Het kenmerk wordt toegekend na advies van de NVAO. Zie verder: https://www.nvao.net/nl/procedures/nederland/bijzonder-kenmerk-kleinschalig-en-intensief-onderwijs

X Noot
2

Kamerstukken II 2018/19, 35000-VIII, nr.54.

X Noot
3

De wijziging van het collegegeldregime voor de academische pabo wordt verder in de artikelsgewijze toelichting beschreven.

X Noot
4

Stb 2018, 225, 226 en 227.

X Noot
5

Wetsbehandeling Tweede Kamer op 24 april 2018 (Handelingen II 2017/18, nr. 77, item 38) en de wetsbehandeling in de Eerste Kamer op 10 en 11 juli 2018 (Handelingen I 2017/18, nr. 37, item 4. Handelingen I 2017/18, nr. 38, item 15).

X Noot
6

Handelingen II 2017/18, nr. 77, item 38, p.14–15.

X Noot
7

Regeerakkoord 17 oktober 2017 – stemming Eerste Kamer in juli 2018.

X Noot
8

Onder meer in het plenaire debat met de Tweede Kamer, Handelingen II 2017/18, nr. 77, item 38, p.14.

X Noot
9

Handelingen 2017/18, nr. 77, item 38, p.15.

X Noot
10

Kamerstukken II 2018/19, 35000-VIII, nr.54.

X Noot
11

Met ingang van studiejaar 2019–2020 bedraagt het volledig wettelijk collegegeld € 2.083.

X Noot
12

50% van het wettelijk collegegeld voor studiejaar 2020–2021.

X Noot
13

Zie onder meer de in de Handelingen II 2017/18, nr. 77, item 38, p.2–3.

X Noot
14

Brief van 12 juli 2019, Kamerstukken II 2017/18, 31 293, nr. 476, p.12.

X Noot
15

Verslag van een algemeen overleg, Vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Tweede Kamer, dd. 9 oktober 2019.

X Noot
16

Andersson Elffers Felix, Eindrapportage Een goed begin is het halve werk, Impactanalyse van de maatregel Collegegeldverlaging in het hoger onderwijs, 18 december 2017.

X Noot
17

Korte aantekeningen van de vergadering van de commissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Eerste Kamer van 10 september 2019, agendapunt 2.

X Noot
18

Besluitenlijst van de procedurevergadering van donderdag 12 september 2019 van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Tweede Kamer, agendapunt 35.

X Noot
19

Vijf maal het volledig wettelijk collegegeld bedraagt in 2020–2021: € 10.714. 50 procent van het volledig wettelijk collegegeld bedraagt in 2020–2021: € 1.071.

X Noot
20

Met een tweede studieloopbaan wordt bedoeld dat deze studenten al eerder een bachelorgraad hebben behaald en als gevolg daarvan volgens de hoofdregels in het collegegeldregime, het instellingscollegegeld verschuldigd zouden zijn. De academische pabo is reeds uitgezonderd van het instellingscollegegeld in geval van een tweede studieloopbaan, maar nog niet van de algemene regel dat een gelijktijdige tweede inschrijving in de tweede studieloopbaan niet leidt tot een vrijstelling van collegegeldbetaling bij de tweede gelijktijdige inschrijving (artikel 2.3, zevende lid, UWHW 2008).

X Noot
21

De hbo-opleiding leraar basisonderwijs en de wo-bacheloropleiding onderwijskunde, onderwijswetenschappen of pedagogische wetenschappen.