Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Justitie en VeiligheidStaatsblad 2019, 85AMvB

Besluit van 6 februari 2019, houdende bepalingen inzake de overeenkomstige toepassing van de Wet politiegegevens op de verwerking van persoonsgegevens door personen die als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn belast met de opsporing van strafbare feiten (Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie, van 10 oktober 2018, nr. 2382477, directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 6, zesde lid, 11, derde lid, 15, tweede lid, 18, eerste lid, en 46, eerste lid, van de Wet politiegegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 december 2018, nr. W16.18.0311/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming, mede namens Onze Minister van Defensie, van 1 februari 2019, nr.2473765, directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1. Definitiebepaling

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet:

Wet politiegegevens;

b. buitengewoon opsporingsambtenaar:

de personen, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Wetboek van Strafvordering;

c. verwerkingsverantwoordelijke:

de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar;

d. de opsporingstaak:

de opsporing van de strafbare feiten, bedoeld in de akte of aanwijzing van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

e. ambtenaar van politie:

de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de wet;

f. bevoegde functionaris:

functionaris, bedoeld in artikel 2:10, eerste lid, van het Besluit politiegegevens of een andere daartoe aangewezen buitengewoon opsporingsambtenaar die beschikt over voldoende kennis en vaardigheden;

g. politiegegevens over toezicht:

politiegegevens die betrekking hebben op het toezicht op de naleving van wetgeving of de uitvoering van wettelijke voorschriften;

h. domein:

het in de akte vermelde maatschappelijke deelterrein waarop de buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam is, als aangewezen in de domeinlijsten I tot en met VI van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar.

Artikel 2. Van overeenkomstige toepassing verklaring

  • 1. Onverminderd artikel 46, eerste lid, van de wet is het bij die wet bepaalde met betrekking tot de verwerking van politiegegevens van overeenkomstige toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door een buitengewoon opsporingsambtenaar, met uitzondering van de artikelen 10, 11, tweede lid, 12, 16, eerste lid, onderdeel b, eerste indent, 34 en 36a tot en met 45.

  • 2. Onverminderd artikel 46, eerste lid, van de wet is het in het Besluit politiegegevens bepaalde met betrekking tot de verwerking van politiegegevens van overeenkomstige toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door een buitengewoon opsporingsambtenaar, met uitzondering van de artikelen 2:2, tweede en derde lid, 2:3 tot en met 2:7, 2:10, tweede lid, 2:13, tweede lid, 3:1, 3:2, 4:1, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, 4:2, eerste lid, de onderdelen a, c, d, e, i, j, k, o, q en y, tweede en derde lid, 6:1, 6:6, en 6a:1 tot en met 6a:7 van het Besluit politiegegevens.

Artikel 3. Verwerking door niet-buitengewoon opsporingsambtenaar

  • 1. De verwerkingsverantwoordelijke kan voor specifieke vormen van de verwerking van politiegegevens een beroep doen op een persoon die onder zijn beheer valt en die geen buitengewoon opsporingsambtenaar is.

  • 2. In de autorisatie worden vastgelegd het onderwerp en de duur van de verwerking, de aard en het doel van de verwerking, het soort persoonsgegevens en de categorieën van betrokkenen.

Artikel 4. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 2:13, eerste lid, van het Besluit politiegegevens kan de verwerkingsverantwoordelijke het ter beschikking stellen van politiegegevens over toezicht aan ambtenaren van politie of buitengewoon opsporingsambtenaren die onder een andere verwerkingsverantwoordelijke ressorteren, weigeren of aan beperkende voorwaarden onderwerpen, indien dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de opsporingstaak.

Artikel 5. Codering

Onverminderd artikel 2:12 van het Besluit politiegegevens kan de bevoegde functionaris politiegegevens over toezicht voorzien van de code vertrouwelijke verwerking, op zodanige wijze dat de overeenkomende gegevens gedeeltelijk zichtbaar zijn en de andere gerelateerde gegevens zichtbaar zijn na instemming van de daartoe bevoegde functionaris.

Artikel 6. Verstrekking politiegegevens aan derden structureel

  • 1. De verwerkingsverantwoordelijke kan, voor zover verenigbaar met de opsporingstaak en in overeenstemming met het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, beslissen tot de verstrekking van politiegegevens die door een buitengewoon opsporingsambtenaar zijn verzameld en worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9 en 13 van de wet, aan personen of instanties, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak.

  • 2. De verstrekking van politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 9 van de wet vindt uitsluitend plaats indien dit strikt noodzakelijk is voor het doel van de verstrekking, na overleg met een bevoegde functionaris.

  • 3. In de beslissing, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgelegd ten behoeve van welk zwaarwegend algemeen belang de verstrekking noodzakelijk is, de persoon of instantie aan wie de gegevens worden verstrekt, de taak ter uitvoering waarvan de gegevens worden verstrekt, de gegevens die worden verstrekt, de voorwaarden waaronder de gegevens worden verstrekt en, indien van toepassing, de motivering van de strikte noodzaak, bedoeld in het tweede lid. De beslissing wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

Artikel 7. Verstrekking politiegegevens ten behoeve van toezicht en uitvoering

  • 1. De verwerkingsverantwoordelijke kan, in overeenstemming met het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering beslissen tot de verstrekking van politiegegevens die door een buitengewoon opsporingsambtenaar zijn verzameld en worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9 en 13 van de wet, aan een bestuursorgaan dat of aan personen die bij of krachtens wetgeving is of zijn belast met het houden van toezicht op de naleving dan wel de uitvoering van wetgeving op het betreffende domein, voor zover dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van zijn of hun taak.

  • 2. De verstrekking van politiegegevens overeenkomstig het eerste lid vindt, voor zover die gegevens worden verwerkt overeenkomstig artikel 9 van de wet, uitsluitend plaats indien dit strikt noodzakelijk is voor het doel van de verstrekking, na overleg met een bevoegde functionaris.

  • 3. In bijzondere gevallen kan de verwerkingsverantwoordelijke beslissen tot de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in het eerste lid, aan een bestuursorgaan dat of aan personen die bij of krachtens wetgeving is of zijn belast met het houden van toezicht op de naleving dan wel de uitvoering van wetgeving op een ander domein, voor zover dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het toezicht. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. In de beslissing wordt vastgelegd ten behoeve van welk zwaarwegend algemeen belang de verstrekking noodzakelijk is, de persoon of instantie aan wie de gegevens worden verstrekt, de taak ter uitvoering waarvan de gegevens worden verstrekt, de gegevens die worden verstrekt, de voorwaarden waaronder de gegevens worden verstrekt en, indien van toepassing, de motivering van de strikte noodzaak, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 8. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 9. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 6 februari 2019

Willem-Alexander

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker

De Minister van Defensie, A.Th.B. Bijleveld-Schouten

Uitgegeven de achtste maart 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

I. Inleiding

De Wet politiegegevens (Wpg) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de politietaak, als bedoeld in de artikelen 3 en 4, eerste lid, van de Politiewet 2012 (Pw 2012). Onder de reikwijdte van deze wet valt de verwerking van persoonsgegevens door ambtenaren van de politie, de rijksrecherche, de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten. De verwerking van persoonsgegevens door de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) valt tot nu toe niet onder de Wpg maar onder de (voormalige) Wet bescherming persoonsgegevens, die met ingang van 25 mei 2018 is vervangen door de algemene verordening gegevensbescherming (AVG)1. Met de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging komt hierin verandering2. Ter implementatie van deze richtlijn is de gegevensverwerking door de boa’s die niet in dienst zijn van de politie, de rijksrecherche, de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst onder de reikwijdte van de Wpg gebracht3. De regeling van de Wpg voorziet er in dat bij algemene maatregel van bestuur onderdelen van de Wpg van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de verwerking van persoonsgegevens door een boa (art. 46 Wpg). Met het voorliggende besluit wordt dit nader geregeld. Daarbij is aangesloten bij de regeling voor de ambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten (Bod’en), in het Besluit politiegegevens Bod’en4 (BpgBod’en).

Mede namens de Minister van Defensie licht ik het Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren (BpgBoa’s) in deze nota van toelichting toe.

II. Organisatie en taken van de buitengewoon opsporingsambtenaren

De ambtenaren van de politie en van de rijksrecherche, militairen van de Koninklijke marechaussee, opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten en officieren van justitie zijn belast met de opsporing van strafbare feiten (art. 141 Sv). Daartoe beschikken deze ambtenaren over algemene opsporingsbevoegdheid. De andere boa’s, die in dienst zijn van een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie, zijn eveneens belast met het opsporen van strafbare feiten (art. 142 Sv). De boa’s hebben in de regel echter beperkte opsporingsbevoegdheid die is gerelateerd aan hun functie en taakomschrijving. Een boa wordt ingezet daar waar opsporing door de politie niet gewenst, vanwege prioritering, of niet mogelijk is vanwege onvoldoende deskundigheid of capaciteit bij de politie. Indien de noodzaak zich voordoet dat een organisatie dient te beschikken over werknemers die bevoegd zijn tot het opsporen van strafbare feiten, kan de Minister van Justitie en Veiligheid aan werknemers van deze organisatie opsporingsbevoegdheid toekennen. Aldus is de uitvoering en de handhaving van met name bijzondere wetgeving en verordeningen van provincies, gemeenten en waterschappen opgedragen aan een scala aan publiekrechtelijke organisaties en aan een beperkt aantal privaatrechtelijke organisaties. In Nederland zijn naar schatting 26.000 boa’s werkzaam bij ruim 850 werkgevers. De meeste boa’s zijn in dienst van (decentrale) overheidsorganisaties, waarvan een groot deel bij de politie (ca. 8.000). De boa’s bij de politie, de rijksrecherche, de Koninklijke marechaussee en een bijzondere opsporingsdienst zijn tevens aan te merken als ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wpg. Daarmee is de Wpg rechtstreeks van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door deze ambtenaren, deze situatie blijft met de inwerkingtreding van het onderhavige besluit ongewijzigd. Er zijn echter ook boa’s in dienst van privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals openbaar vervoermaatschappijen en natuurbeschermingsorganisaties. De verschillende functies en opsporingsbevoegdheden die boa’s kunnen hebben, zijn ondergebracht in zes domeinen.

Een boa heeft op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) opsporingsbevoegdheid als hem een zogenaamde akte van opsporingsbevoegdheid is verleend, als hij behoort tot een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen categorie of eenheid, of als hij bij bijzondere wet met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten wordt belast. De eerste groep bestaat uit ambtenaren aan wie door de Minister van Justitie en Veiligheid of het College van procureurs-generaal op individuele basis een akte van opsporingsbevoegdheid is verleend. Hierbij kan worden gedacht aan jachtopzieners of milieu-inspecteurs. De tweede groep bestaat uit personen die door de Minister van Justitie en Veiligheid niet individueel, maar als categorie als boa zijn aangewezen (categoriale beschikking), bijvoorbeeld werknemers van de Belastingdienst. De bevoegdheid wordt beperkt tot de in de akte of aanwijzing aangeduide strafbare feiten. De derde groep bestaat uit de personen die bij of krachtens bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten worden belast (zoals ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport krachtens artikel 44 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen), en de personen die bij of krachtens decentrale verordeningen zijn belast met het toezicht op de naleving daarvan.

Een boa wordt aangesteld voor de opsporing van bepaalde strafbare feiten binnen een bepaald domein. De domeinlijst bevat vijf inhoudelijke domeinen en een «restdomein»; dit betreft de domeinen Openbare ruimte (I), Milieu, welzijn en infrastructuur (II), Onderwijs (III), Openbaar vervoer (IV), Werk, inkomen en zorg (V) en Generieke opsporing (VI)5. Met het oog op nut en noodzaak wordt er van uit gegaan dat de boa-werkgever het pakket aan opsporingsbevoegdheden koppelt aan de taakomschrijving van zijn boa’s. Per domein wordt geïnvesteerd in opsporingsvaardigheden en -competenties, gericht op de specifieke behoeften binnen een domein.

Het toezicht op de boa’s is in handen van een hoofdofficier van justitie als toezichthouder, dat wil zeggen de hoofdofficieren van justitie van de arrondissementsparketten, het Functioneel Parket (FP), de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) en het Landelijk Parket (LP). Het toezicht heeft betrekking op de taakvervulling en de uitoefening van opsporingsbevoegdheden door de boa. De toezichthouder ziet eveneens toe op de samenwerking met de politie. Het directe toezicht wordt uitgeoefend door de korpschef van de politie of de Commandant van de Koninklijke marechaussee of, in een aantal gevallen, het hoofd van een Rijksdienst met boa’s. Dit betreft het dagelijks toezicht op de boa met betrekking tot een juiste uitoefening van opsporingsbevoegdheden, een goede samenwerking met de politie, de naleving van de instructie en deels ook het onderricht. De direct toezichthouder draagt zorg voor een goede uitvoering van de afspraken ter borging en verbetering van de kwaliteit van de opsporing door de boa’s.

De regels over de uitoefening van opsporingsbevoegdheid door de boa’s zijn opgenomen in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Bbo)6. Dit betreft aspecten als de bekwaamheid en betrouwbaarheid, beëdiging en instructie van, alsmede het toezicht op buitengewoon opsporingsambtenaren, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt en de beëindiging van de opsporingsbevoegdheid. Dit is verder uitgewerkt in de Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar7.

III. Het regime van de Wpg en de taakuitvoering door de boa’s

De Wpg is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de politietaak, als bedoeld in de artikelen 3 en 4, eerste lid, Pw 2012. De politietaak omvat voor de politie de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven (art. 3 Pw 2012). De daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde heeft zowel betrekking op de handhaving van de openbare orde als op strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (art. 12 PW 2012). De Koninklijke marechaussee zijn (ook) andere politietaken opgedragen, bijvoorbeeld beveiliging van de burgerluchtvaart (art. 4 Pw 2012). Voor de beschrijving van de Wpg op hoofdlijnen wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het BpgBod’en (Stb 2009, 305, blz. 6 ev.). Voor de toelichting op het voorliggende besluit is van belang dat in de Wpg is aangesloten bij de systematiek en de uitgangspunten van de voormalige Wet bescherming persoonsgegevens. Het beginsel van doelbinding is uitgewerkt doordat binnen de politietaak de doelen zijn beschreven, met het oog waarop politiegegevens kunnen worden verwerkt. Binnen de uitvoering van de politietaak wordt onderscheid gemaakt tussen de uitvoering van de dagelijkse politietaak en de gerichte verwerking van politiegegevens. De verwerking ten behoeve van de uitvoering van de dagelijkse politietaak heeft betrekking op het zogenaamde basispolitiewerk (art. 8 Wpg). Dit omvat de opsporing van eenvoudige strafbare feiten (lichte opsporing). De Wpg maakt onderscheid tussen twee vormen van gerichte verwerking. De verwerking ten behoeve van een onderzoek in verband met de handhaving van de rechtsorde in een bepaald geval is aan de orde bij een meer omvangrijk opsporingsonderzoek (art. 9 Wpg). De verwerking ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen is mogelijk bij bepaalde ernstige bedreigingen van de rechtsorde (art. 10 Wpg). Er gelden afzonderlijke verwerkingstermijnen voor de verschillende doelen. De verwerkingsverantwoordelijke is gehouden om de toegang tot de gegevens binnen de politie te reguleren door middel van autorisaties. Nadere regels daarover worden gegeven in het Besluit politiegegevens (Bpg).

De taak van de boa’s heeft betrekking op de opsporing van bepaald aangewezen (categorieën van) strafbare feiten. De strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde vormt onderdeel van de politietaak, bedoeld in de artikelen 3 en 4, eerste lid, Pw 2012. De Wpg is van toepassing op de verwerking van politiegegevens, dit betreft ieder persoonsgegeven dat wordt verwerkt in het kader van de uitoefening van de politietaak, als bedoeld in de artikelen 3 en 4, eerste lid, Pw 2012 (art. 1, onderdeel a, Wpg). De Wpg kan echter niet zonder meer van toepassing worden verklaard op de gegevensverwerking door de boa’s. In de eerste plaats geldt dat de boa’s niet zijn belast met de uitvoering van alle onderdelen van de politietaak. Bovendien is de wet toegesneden op de organisatie van de Nederlandse politie en de ontwikkeling van de landelijke informatiehuishouding voor de politie. De Wpg biedt de mogelijkheid om onderdelen van die wet van overeenkomstige toepassing te verklaren op de gegevensverwerking door de boa’s (art. 46 Wpg). Met het voorliggende besluit wordt hieraan invulling gegeven. Vanwege de overeenkomstige toepassing van het begrippenkader van de Wpg en het feit dat de verwerking van persoonsgegevens door de boa’s plaatsvindt ter uitvoering van het bij of krachtens de Wpg bepaalde, wordt in dit besluit voor de verwerking van persoonsgegevens door boa’s eveneens gesproken van de verwerking van «politiegegevens».

Een belangrijke beperking betreft de doelen binnen de politietaak, met het oog waarop politiegegevens worden verwerkt. Vanwege de beperkte reikwijdte van de opsporingsbevoegdheid van de boa’s is doorgaans sprake van een ongerichte gegevensverwerking. Dit betekent dat de verwerking plaatsvindt overeenkomstig het regime van artikel 8 Wpg. Niet uitgesloten is dat er sprake kan zijn van gerichte gegevensverwerking. Dit kan aan de orde zijn bij grootschalig opsporingsonderzoek waarbij bijzondere opsporingsbevoegdheden worden toegepast. De gegevensverwerking vindt dan plaats overeenkomstig het regime van artikel 9 Wpg. Anders dan de politie, de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten is er geen sprake van gegevensverwerking ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij bepaalde ernstige bedreigingen van de rechtsorde. Dit betekent dat het regime van artikel 10 Wpg, evenals de andere artikelen in de wet en het Bpg die op dit regime van toepassing zijn, niet van overeenkomstige toepassing is. Artikel 13 van de wet, dat de mogelijkheid biedt politiegegevens op landelijk niveau raadpleegbaar te stellen ten behoeve van de ondersteuning van de politietaak, is wel van overeenkomstige toepassing. Dit artikel is van belang voor de grote inspectiediensten met een landelijke organisatiestructuur, zoals de Inspectie SZW.

IV. De verantwoordelijkheden rond de verwerking van politiegegevens en de gegevensstromen binnen en buiten het toepassingsgebied van de Wpg.

De verantwoordelijkheid met betrekking tot de verwerking van politiegegevens heeft verschillende facetten. In de eerste plaats is er de verantwoordelijkheid die samenhangt met de hiërarchie binnen het dienstverband. De ambtenaar van politie verricht zijn werkzaamheden in dienst van de werkgever. Dit is de korpschef (politie) of de Minister van Defensie (Koninklijke marechaussee). Voor de gegevensverwerking door een boa is dit de betreffende werkgever. De aard en omvang van de verwerking van politiegegevens door een boa kan worden beïnvloed door de hiërarchische lijn van het dienstverband.

In de tweede plaats is er de verantwoordelijkheid die samenhangt met het gezag over de taakuitvoering van de ambtenaren van de politie en de militairen van de Koninklijke marechaussee. Politiegegevens worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de politietaak. Deze taak omvat de opsporing van strafbare feiten en de handhaving van de openbare orde. Op grond van de Politiewet 2012 en het Wetboek van Strafvordering vindt de opsporing van strafbare feiten plaats onder het gezag van de officier van justitie. Op grond van de Politiewet 2012 vindt de handhaving van de openbare orde plaats onder het gezag van de burgemeester. De gezagsrol van de burgemeester en de officier van justitie impliceert dat deze gezagsdragers aan de ambtenaren van de politie en de militairen van de Koninklijke marechaussee aanwijzingen kunnen geven over hun taakuitvoering. Deze aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de kwaliteit van de taakuitoefening en de prioriteitsstelling. De boa’s zijn belast met de opsporing van bepaalde strafbare feiten, en hebben voor de uitvoering van die taak uitsluitend te maken met de officier van justitie. De gezagsrol staat in beginsel los van de regels rond de bescherming van persoonsgegevens. Voor een goede uitvoering van de gezagsrol is het echter noodzakelijk dat de gezagsdrager kan beschikken over de daarvoor benodigde persoonsgegevens. Voor een boa impliceert dit een verstrekkingsplicht aan de officier van justitie, voor zover deze de gegevens behoeft in verband met zijn gezag of zeggenschap over de boa. Tevens is het van belang dat de officier van justitie vanwege zijn gezagsrol invloed kan uitoefenen op de aard en omvang van de gegevensverwerking met het oog op de opsporing van bepaalde strafbare feiten door een boa Dit mede in het licht van de verwevenheid tussen opsporing en toezicht en de noodzaak van een goede afstemming tussen de verschillende handhavingsmodaliteiten. Dit komt verderop, in pararaaf VII, nader aan de orde. De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de feitelijke juistheid van de gegevens en de naleving van de wettelijke verplichtingen rond het wissen en vernietigen van de gegevens, en dient zodanige maatregelen te treffen dat aan de wettelijke verplichtingen terzake kan worden voldaan. Op het snijvlak van deze verantwoordelijkheden kan afstemming noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld als een persoon verzoekt om het wissen van zijn persoonsgegevens omdat hij ten onrechte als verdachte zou zijn aangemerkt. De officier van justitie en de verwerkingsverantwoordelijke (werkgever) dienen dan in goed overleg invulling te geven aan hun eigen verantwoordelijkheden.

In de derde plaats voorziet de privacywetgeving in een verplichting tot het aanwijzen van een zogenoemde verwerkingsverantwoordelijke. De verwerkingsverantwoordelijke is degene die het doel en de middelen voor de gegevensverwerking vaststelt, en die verantwoordelijk is voor de naleving van het bij of krachtens de Wpg bepaalde. Deze verantwoordelijkheid komt tot uitdrukking in de voorschriften rond de beantwoording van verzoeken van de betrokkene om inzage in de persoonsgegevens, het bewaken van de (feitelijke) juistheid van de gegevens, de naleving van verwerkingstermijnen en de beveiliging van de gegevens. Dit betreft een meer beheersmatige rol, in het artikelsgewijs deel komt dit nader aan de orde (artikel 1, onderdeel c). Om deze verantwoordelijkheid waar te kunnen maken heeft de verwerkingsverantwoordelijke toegang tot politiegegevens die onder zijn beheer worden verwerkt ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Wpg bepaalde (art. 4, vierde lid, Wpg).

De privacywetgeving gaat uit van het beginsel van doelbinding, dat wil zeggen dat persoonsgegevens uitsluitend worden verwerkt voor een welbepaald, nauwkeurig omschreven doel. Dit doel is in de Wpg vastgelegd, en betreft de uitvoering van de politietaak. Persoonsgegevens kunnen voor dat doel vrijelijk worden uitgewisseld tussen de ambtenaren die zijn belast met de uitvoering van de politietaak. Dit komt hieronder, in paragraaf V, nader aan de orde. Er is dan sprake van het «ter beschikking» stellen van politiegegevens aan die ambtenaren met het oog op de uitvoering van de politietaak. Niettemin is het noodzakelijk dat politiegegevens, die zijn verzameld voor de uitvoering van de politietaak, ook kunnen worden verwerkt voor andere doeleinden. Vanwege de uitzondering op het beginsel van doelbinding gelden hiervoor strikte voorwaarden, de verzamelde gegevens worden immers verder verwerkt voor een doel dat buiten het toepassingsgebied van de Wpg ligt. De Wpg voorziet in de mogelijkheid politiegegevens voor een ander doel te verwerken dan waarvoor zij zijn verkregen mits die wet daarin uitdrukkelijk voorziet, deze verwerking niet onverenigbaar is met het doel waarvoor deze gegevens zijn verkregen en de verwerking voor dat andere doel overigens noodzakelijk is en in verhouding staat tot dat doel (art. 3, derde lid, Wpg). De verdere verwerking is alleen mogelijk door personen en instanties die bij of krachtens de wet met het oog op een zwaarwegend algemeen belang zijn aangewezen (art. 18, eerste lid, Wpg). Er is dan sprake van het «verstrekken» van politiegegevens aan belanghebbende derden. De verwerking van de verstrekte politiegegevens door de derde valt onder het regime van de privacywetgeving die op de derde van toepassing is. Doorgaans zal dit de AVG zijn.

V. De uitwisseling van politiegegevens ten behoeve van de politietaak, inclusief de opsporing van strafbare feiten

De wet gaat uit van een systeem van «free flow of information» binnen de organisaties die onder de reikwijdte van de wet vallen (politie, de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten). Dat wil zeggen dat de verwerkingsverantwoordelijke politiegegevens, die worden verwerkt ten behoeve van de in paragraaf 2 van de wet beschreven doelen, ter beschikking stelt aan personen die door hemzelf dan wel door een andere verwerkingsverantwoordelijke zijn geautoriseerd voor de verwerking van politiegegevens, voor zover zij deze gegevens nodig hebben voor een goede uitvoering van hun taak (art. 15, eerste lid, Wpg). Slechts in bijzondere gevallen kan de ter beschikkingstelling van politiegegevens worden geweigerd of aan voorwaarden worden gebonden; dit is uitgewerkt in het Besluit politiegegevens (art. 2:13 Bpg).

Nu de gegevensverwerking door de boa’s onder de reikwijdte van de Wpg valt, dienen de politiegegevens aan de boa’s ter beschikking te worden gesteld, voor zover zij deze behoeven voor hun taak. Dit betreft de opsporing van de in de akte of aanwijzing aangeduide strafbare feiten. Andersom dienen de boa’s de politiegegevens ter beschikking te stellen aan de ambtenaren van politie, voor zover zij deze behoeven voor hun taak. Dit betreft de uitvoering van de politietaak (politie, rijksrecherche en Koninklijke marechaussee) respectievelijk de opsporing van strafbare feiten (bijzondere opsporingsdiensten).

De gegevensuitwisseling kan langs geautomatiseerde weg plaatsvinden. Omdat de verplichting tot ter beschikkingstelling van politiegegevens aan de boa’s beperkt is tot bepaalde strafbare feiten, impliceert dit dat de betreffende politiegegevens IT-technisch worden geoormerkt. Dit betreft een technisch complexe operatie, waaraan naar verwachting aanzienlijke kosten zullen zijn verbonden. De beslissing rond automatisering van de gegevensuitwisseling zal mede afhankelijk zijn van de aard en intensiteit daarvan. In afwachting van een dergelijke beslissing zal de uitwisseling op meer traditionele wijze kunnen plaatsvinden, door tussenkomst van de daartoe geautoriseerde contactpersonen. Voor de politie, de Koninklijke marechaussee, de rijksrecherche en de bijzondere opsporingsdiensten betreft dit de medewerkers van de zogenaamde infodesks.

VI. De verstrekking van politiegegevens aan derden

De Wpg voorziet in een «semi-gesloten» regime voor de verstrekking van politiegegevens aan derden. Dit wil zeggen dat politiegegevens vanwege een zwaarwegend algemeen belang kunnen worden verstrekt aan de belanghebbende personen en instanties die in de wet of het Bpg zijn aangewezen (paragraaf 4 Bpg). De aanwijzing van de belanghebbende personen en instanties in paragraaf 4 Bpg is bedoeld voor de structurele verstrekking van politiegegevens op landelijk niveau. Dit betreft verstrekkingen binnen de strafrechtsketen en aan andere instanties waarmee de politie standaard samenwerkt, zoals de raad voor de kinderbescherming, reclasseringswerkers, de stichting slachtofferhulp Nederland en de Dienst Wegverkeer. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de politiegegevens die worden verwerkt op grond van artikel 13, eerste lid, onder a en d, Wpg, de artikelen 8 en 13, eerste lid, Wpg en de artikelen 8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c, en 13 Wpg.

Het criterium van het zwaarwegend algemeen belang is ontleend aan artikel 8, vierde lid, van de voormalige Richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de AVG. Voor een nadere toelichting op de inhoud van dit begrip kan worden verwezen naar de nota naar aanleiding van het verslag inzake de wijziging van de Wet justitiële gegevens en de memorie van toelichting bij de Wpg. Een gegevensverwerking is vanuit het oogpunt van een zwaarwegend algemeen belang gerechtvaardigd indien die voor de samenleving van meer dan gewone betekenis is (Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, blz. 73/74). Toepassing van het criterium van het zwaarwegend algemeen belang impliceert een belangenafweging. Het belang dat gediend wordt met de verstrekking van de gegevens wordt afgewogen tegen het belang van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de politiegegevens betrekking hebben. Bij deze belangenafweging moeten ook de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit worden betrokken. Hieruit vloeit voort dat gegevens die minder ingrijpend zijn voor de persoonlijke levenssfeer eerder mogen worden verstrekt dan gegevens die meer ingrijpend zijn voor de persoonlijke levenssfeer. Bij de aanwijzing van personen en instanties op grond van dit besluit wordt telkens afgewogen of een zwaarwegend algemeen belang de verstrekking van politiegegevens nodig maakt. In dit licht vereist de verstrekking van politiegegevens, die op grond van artikel 9 Wpg worden verwerkt met het oog op de handhaving van de rechtsorde in een bepaald geval, een bijzondere afweging.

Ten behoeve van de flexibiliteit op regionaal of lokaal niveau biedt de Wpg de verwerkingsverantwoordelijke aanvullend de mogelijkheid te beslissen tot het verstrekken van gegevens aan andere personen of instanties. In de eerste plaats kan de verwerkingsverantwoordelijke in bijzondere gevallen beslissen tot het verstrekken van politiegegevens aan andere personen en instanties (art. 19 Wpg). Dit betreft incidentele verstrekkingen. Gedacht kan worden aan het doen van een mededeling over vermoedens van kindermishandeling aan een arts of aan een school. In de tweede plaats kan de verwerkingsverantwoordelijke besluiten tot het op structurele basis verstrekken van politiegegevens aan bepaalde partijen in het kader van een samenwerkingsverband (art. 20 Wpg). Deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld uitkomst bieden als op regionaal niveau gedurende langere tijd intensief wordt samengewerkt met andere personen of instanties, bijvoorbeeld bij de aanpak van winkelcriminaliteit of bij de aanpak van de jeugdcriminaliteit. Als de verwerkingsverantwoordelijke op basis van deze artikelen beslist tot de verstrekking van politiegegevens, dan is de verstrekking in beginsel beperkt tot de politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 8 Wpg. De mogelijkheid tot verstrekking is gekoppeld aan bepaalde doelen, namelijk het opsporen van strafbare feiten, het handhaven van de openbare orde, de hulpverlening en het uitoefenen van toezicht op de naleving van wetgeving. Dit betekent dat gegevens verstrekt kunnen worden aan derden, zoals andere overheidsdiensten of instanties buiten de overheid, indien het doel van de verstrekking overeenstemt of verenigbaar is met de politietaak. Verder geldt het criterium van het zwaarwegend algemeen belang, dat ook geldt voor de verstrekking op landelijk niveau. Tenslotte kan de verwerkingsverantwoordelijke slechts beslissen tot verstrekking in overeenstemming met het bevoegde gezag. Met het vereiste dat de verstrekking plaatsvindt in overeenstemming met het bevoegde gezag kan het openbaar ministerie sturing uitoefenen op de gegevensverstrekking, zowel in afzonderlijke gevallen als in het algemeen, met het oog op een eenduidige toepassing (zowel geografisch als door de verschillende opsporingsorganisaties). Daartoe kan het College van procureurs-generaal algemene of bijzondere aanwijzingen geven.

Een bijzondere variant betreft de verstrekking van politiegegevens ten behoeve van toezichthoudende taken. Dit wordt in de volgende subparagraaf nader toegelicht.

De regeling van paragraaf 4 Bpg is toegesneden op de politie en de Koninklijke marechaussee, in het licht van de uitvoering van de politietaak. Met het van overeenkomstige toepassing verklaren van paragraaf 4 worden de mogelijkheden of verplichtingen tot de verstrekking van politiegegevens ook van toepassing op de boa’s. De extra mogelijkheden voor de verwerkingsverantwoordelijke om te beslissen tot de verstrekking van gegevens in incidentele gevallen of in het kader van samenwerkingsverbanden, is eveneens van overeenkomstige toepassing op de boa’s. De verstrekking kan dan betrekking hebben op zowel de politiegegevens die een boa zelf heeft verzameld als de politiegegevens, die op grond van het beginsel van de «free flow of information» door de ambtenaren van de politie, de Koninklijke marechaussee of, voor zover van toepassing, een bijzondere opsporingsdienst aan een boa ter beschikking zijn gesteld. Omdat de boa de politiegegevens verwerkt ten behoeve van de opsporingstaak, vloeit uit de doelbinding voort dat het doel van de verstrekking overeenstemt of verenigbaar is met de voorkoming of opsporing van strafbare feiten waartoe de boa bevoegd is. Het vereiste dat de beslissing tot verstrekking wordt genomen in overeenstemming met het op grond van de Politiewet 2012 bevoegde gezag dient zo te worden begrepen dat de boa, omdat deze optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, daarbij onder het gezag staat van de officier van justitie.

Het is niet bij voorbaat gegeven dat de bestaande regeling voor de verstrekking van politiegegevens op landelijk niveau, in paragraaf 4 Bpg, correspondeert met de behoefte van de boa’s. Voor de ambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten geldt bijvoorbeeld dat de mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens aan instanties op het gebied van reclassering of slachtofferhulp niet nodig is. In het Besluit politiegegevens Bod’en is deze mogelijkheid dan ook uitgesloten (art. 2, tweede lid, BpgBod’en). Daarom zijn in het Besluit politiegegevens Bod’en bepaalde onderdelen van paragraaf 4 van het Bpg uitgezonderd. Voor de boa’s geldt hetzelfde, zodat ook in dit besluit bepaalde onderdelen van paragraaf 4 van het Bpg worden uitgezonderd. Hier staat echter tegenover dat bij de boa’s de behoefte kan bestaan aan een eigenstandige mogelijkheid tot structurele verstrekking van politiegegevens. Dit hangt samen met het specifieke beleidsterrein waarop een boa werkzaam is, dat kan nopen tot het verstrekken van politiegegevens aan personen en instanties waarmee door de politie en de Koninklijke marechaussee in het kader van de uitvoering van de politietaak geen contacten worden onderhouden. Zelfs tussen de boa’s onderling kan sprake zijn van een verschillende behoefte, vanwege de verschillende maatschappelijke sectoren waarin de boa’s actief zijn en de diversiteit van de opsporingstaak. Daarom wordt in het voorliggende besluit, in aanvulling op de regeling van de Wpg en het Bpg die geldt voor de politie, de rijksrecherche, de Koninklijke marechaussee en in beginsel ook de bijzondere opsporingsdiensten, voorzien in een specifieke regeling voor de verstrekking van politiegegevens door boa’s aan derden. Deze regeling is uitsluitend van toepassing op de gegevens die door een boa zelf zijn verzameld. Van deze regeling zijn uitgesloten de politiegegevens die op grond van het beginsel van de «free flow of information» door de ambtenaren van de politie, de Koninklijke marechaussee of, voor zover van toepassing, een bijzondere opsporingsdienst aan een boa ter beschikking zijn gesteld. Zou dit wel zo zijn, dan zouden politiegegevens van deze opsporingsinstanties door de boa’s kunnen worden verstrekt aan derden in gevallen waarin deze instanties zelf deze gegevens niet kunnen verstrekken. De aanvullende regeling biedt de mogelijkheid de verstrekking van politiegegevens aan derden toe te snijden op de specifieke behoefte van de boa’s. Dit wordt in het artikelsgewijze deel nader toegelicht.

Resumerend geldt dat er op grond van de Wpg verschillende mogelijkheden zijn tot verstrekking van politiegegevens aan derden. Vereist is een zwaarwegend algemeen belang. Gaat het om structurele verstrekking op landelijk niveau dan is regeling in de wet of het Bpg aangewezen. In de regeling van het Bpg wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende categorieën van politiegegevens. Door de van overeenkomstige toepassing verklaring van de betreffende bepalingen van het Bpg kan een boa politiegegevens verstrekken aan de betreffende personen of instanties, ongeacht of deze gegevens door hemzelf zijn verzameld dan wel in het kader van de «free flow of information» zijn verkregen van ambtenaren van de politie, de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst. Gaat het om verstrekking op regionaal of lokaal niveau dan biedt de Wpg aanvullend de mogelijkheid tot verstrekking in incidentele gevallen dan wel in het kader van samenwerkingsverbanden. Door de van overeenkomstige toepassing verklaring van de artikelen 19 en 20 van de Wpg kan de werkgever beslissen tot verstrekking van politiegegevens in dat kader, ongeacht of deze gegevens door de boa zelf zijn verzameld dan wel in het kader van de «free flow of information» zijn verkregen van een ambtenaar van de politie, de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst. De verstrekking dient verenigbaar te zijn met de doelen, genoemd in de artikelen 19 en 20 Wpg. In aanvulling op deze mogelijkheden wordt in dit besluit voorzien in een specifieke regeling voor de structurele verstrekking van politiegegevens door een boa aan derden. Deze regeling is echter uitsluitend van toepassing op de gegevens die door een boa zelf zijn verzameld. Hiervoor is nauw aangesloten bij de bestaande voorzieningen voor de verstrekking van politiegegevens aan derden, op basis van de Wpg.

VII. De verhouding tussen opsporing en toezicht

De rechtshandhaving omvat zowel de strafrechtelijke handhaving als de administratiefrechtelijke handhaving. De bevoegdheid tot de opsporing van strafbare feiten is voorbehouden aan de personen die daartoe in het Wetboek van Strafvordering zijn aangewezen (art. 141 en 142 Sv). Voor de opsporing van strafbare feiten dient een concrete aanleiding te bestaan; naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek kan het openbaar ministerie beslissen tot het instellen van strafvervolging (art. 167, eerste lid, Sv). De zaak wordt dan voorgelegd aan de strafrechter, die kan beslissen tot het opleggen van een straf of maatregel, als voorzien in het Wetboek van Strafrecht of in een bijzondere wet. De bevoegdheid tot het uitoefenen van toezicht op de naleving van wetgeving is voorbehouden aan de ambtenaren die op basis van die wetgeving met dat toezicht zijn belast. Het toezicht is een controlemiddel: er hoeft geen concrete aanleiding te bestaan voor het uitoefenen van het toezicht. Een toezichthouder kan de bevoegdheden uitoefenen op basis van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de betreffende bijzondere wet. Dit kan leiden tot het opleggen van een sanctie door de bestuursrechter.

Aldus is er een fundamenteel onderscheid tussen opsporing en toezicht, evenals de bevoegdheden die op basis van die taken kunnen worden uitgeoefend. Dit onderscheid komt eveneens tot uitdrukking in het toepasselijke privacyregime. Persoonsgegevens met betrekking tot de opsporing van strafbare feiten vallen voortaan onder het regime van de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging en daarmee onder dat van de Wpg. Persoonsgegevens met betrekking tot het toezicht vallen voortaan onder het regime van de AVG en de Uitvoeringswet algemene verordening gegevensbescherming.

Niettegenstaande dat de verwerking van de persoonsgegevens die zijn verkregen in het kader van het toezicht op de naleving van bijzondere wetten onder een ander privacyregime valt dan de persoonsgegevens die zijn verkregen in het kader van de politietaak, moet worden onderkend dat in de praktijk toezicht en opsporing nauw met elkaar kunnen zijn verweven. Die verwevenheid komt onder meer tot uitdrukking doordat de personen die beschikken over een akte of aanwijzing van opsporingsbevoegdheid met betrekking tot een bepaald beleidsterrein dikwijls ook zijn belast met het toezicht op de naleving van wetgeving op dat beleidsterrein. Verschillende bevoegdheden, namelijk opsporing en toezicht, zijn dan in dezelfde persoon verenigd («twee petten»). Het is voor een rechtmatige uitoefening van de verschillende bevoegdheden van essentieel belang dat de betrokken ambtenaren zich voortdurend rekenschap geven van de grondslag van hun optreden. Gaat het om toezicht dan moeten de regels van de Awb en de betreffende bijzondere wet worden nageleefd, gaat het om strafrechtelijke handhaving dan moeten de regels van het Wetboek van Strafvordering en de bijzondere wet worden nageleefd. Het onderscheid tussen opsporing en toezicht impliceert dat de persoonsgegevens die voor deze doelen worden verwerkt, van elkaar worden onderscheiden. Dit kan worden gerealiseerd door de opslag of vastlegging van de gegevens in verschillende gegevensbestanden. Een alternatief is om de gegevens in een enkel gegevensbestand te verwerken maar deze zodanig te «oormerken» dat het specifieke doel van de verwerking – opsporing of toezicht – kenbaar is. Mede omdat de verwerking van persoonsgegevens door de boa’s ten behoeve van bovengenoemde taken tot nu toe onder het regime van de voormalige Wet bescherming persoonsgegevens viel, is het onderscheid tussen opsporing en toezicht niet altijd ICT-matig geborgd. Nu de gegevensverwerking ten behoeve van opsporing en toezicht voortaan onder verschillende privacyregimes zal vallen, is de noodzaak tot aanpassing van de ICT-systemen manifest. Dit kan aanzienlijke financiële gevolgen hebben. Hierop wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan.

Enerzijds is een zekere scheiding tussen de beide vormen van handhaving van belang ter voorkoming van ongewenste vermenging van taken en van onverenigbaar gebruik van gegevens. Anderzijds is voor een goede wisselwerking tussen toezicht en opsporing vereist dat de gegevens die in het kader van de ene taak zijn verkregen – in de gevallen waarin dat verenigbaar is – kunnen worden gebruikt voor een goede uitvoering van de andere taak. In het belang van een effectieve handhaving op het betreffende domein is het noodzakelijk dat gegevens die zijn verkregen in het kader van de opsporing kunnen worden gebruikt ten behoeve van het toezicht op de naleving van wetgeving en vice versa. De verstrekking van opsporingsgegevens ten behoeve van toezichthoudende taken wordt bestreken door de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging, de verstrekking van toezichtsgegevens ten behoeve van de opsporing wordt bestreken door de AVG. Daarbij is het vereiste van de verenigbaarheid van de verdere verwerking met het doel van de oorspronkelijke verwerking relevant. Aangenomen kan worden dat er doorgaans verenigbaarheid zal zijn wanneer zowel het toezicht als de opsporing plaatsvindt in het kader van de handhaving van dezelfde wet en derhalve betrekking heeft op hetzelfde te beschermen belang.

In het Bpg is reeds voorzien in de structurele verstrekking van politiegegevens aan ambtenaren van politie op landelijk niveau, ten behoeve van het toezicht op de naleving van bepaald aangewezen wet- of regelgeving. Dit betreft in de eerste plaats de gegevensverstrekking ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bij ministeriële regeling aangewezen wetgeving, voor zover het betreft gegevens over de naleving van die wetgeving. Voorwaarde is dat tussen de verwerkingsverantwoordelijke en de betreffende ambtenaren afspraken zijn gemaakt over welke gegevens worden verstrekt, in welke gevallen en onder welke voorwaarden (art. 4:2, tweede lid, Bpg). Daarnaast is voorzien in de mogelijkheid van verstrekking van politiegegevens aan ambtenaren, die zijn belast met het toezicht op de naleving van bepaalde wetgeving, ten behoeve van de inschatting van de veiligheidsrisico’s met betrekking tot de uitoefening van het toezicht. Dit betreft de gegevensverstrekking aan de door de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Financiën aangewezen ambtenaren die zijn belast met toezicht op de Wet arbeid vreemdelingen, de Invorderingswet 1990, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Algemene douanewet (art. 4:2, derde lid, Bpg). Deze verstrekkingsgrondslagen worden vooralsnog gehandhaafd.

In het voorliggende besluit worden specifieke regels gegeven voor de verstrekking van politiegegevens door boa’s ten behoeve van toezichthoudende taken. Deze regeling is gebaseerd op het model van de regeling van het BpgBod’en. Anders dan bij de Bod’en is de regeling echter beperkt tot de gegevens die door een boa zelf zijn verzameld ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten, bedoeld in de akte of aanwijzing van opsporingsbevoegdheid. De specifieke regels voorzien dus niet in de mogelijkheid tot verstrekking van gegevens die in het kader van de «free flow of information» zijn verkregen van opsporingsambtenaren die onder een andere verwerkingsverantwoordelijke ressorteren, zoals die van de politie, de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de verstrekking ten behoeve van het toezicht op hetzelfde domein of het toezicht op een ander domein (artikel 7). Dit naar het model van de regeling in het BpgBod’en (art. 6 BpgBod’en).

Omwille van een goede afstemming tussen strafrechtelijk en bestuurlijk handelen is de betrokkenheid van de officier van justitie bij de verstrekking van politiegegevens essentieel. Vanwege de toename van het aantal boa’s en de intensivering van de gegevensuitwisseling tussen opsporing en toezicht bestaat het risico dat een strafrechtelijk onderzoek wordt geschaad, niet alleen doordat politiegegevens worden gedeeld binnen een te grote kring van personen maar ook doordat het bestuurlijk optreden het strafrechtelijk onderzoek kan doorkruisen. Van meer principiële aard is het risico dat op basis van de verzamelde informatie, die deels kan bestaan uit gegevens uit het strafrechtelijk traject, wordt gekozen voor bestuurlijke afdoening ook in situaties waar strafrechtelijke afdoening aangewezen is. Dit kan aan de orde zijn in situaties waarbij sprake is van zowel strafbare feiten als van normschendingen die betrekking hebben op de leefbaarheid in meer algemene zin (overtredingen Leerplichtwet, Omgevingswet). Het vereiste dat de verstrekking van politiegegevens ten behoeve van toezichthoudende taken kan plaatsvindt in overeenstemming met het bevoegd gezag, heeft tevens ten doel een goede afstemming tussen de strafrechtelijke en de bestuurlijke afdoening te verzekeren.

Andersom is het mogelijk dat ambtenaren van de inspectiediensten persoonsgegevens over het toezicht op de naleving van wetgeving verstrekken aan de boa’s, ten behoeve van de opsporingstaak. De verstrekking van persoonsgegevens door ambtenaren van de inspectiediensten wordt in dit besluit niet geregeld, omdat een dergelijke verstrekking onder de reikwijdte van de AVG valt.

Hiervoor is aangegeven dat bij het overeenkomstig van toepassing verklaren van de Wpg op de gegevensverwerking door boa’s op het punt van verstrekkingen aan derden is getracht zo goed mogelijke keuzes te maken naar de huidige inzichten. Het betreft evenwel een divers en lastig vooraf in te schatten materie. Voor de betrokken boa’s gaat een geheel nieuw verstrekkingenregime gelden. Daarom zal na vijf jaar, nadat voldoende ervaring met de nieuwe regelgeving is opgedaan, worden geïnventariseerd in hoeverre het nieuwe verstrekkingenregime tegemoet komt aan de behoeften in de praktijk dan wel dat daarbij nieuwe beleidskeuzes dienen te worden gemaakt. Dit geldt in ieder geval voor de boa’s van de Belastingdienst nu deze op dit moment gegevens verstrekken aan derden op basis van de voor de Belastingdienst geldende regels.

VIII. Consequenties voor de praktijk en financiële gevolgen

In de memorie van toelichting bij de wet is reeds ingegaan op de impact van de wet en de financiële gevolgen van de implementatie van de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging voor de organisaties die onder de reikwijdte van de richtlijn vallen en die persoonsgegevens verwerken onder het regime van de Wpg en de Wjsg: de politie, de rijksrecherche, de Koninklijke marechaussee, het openbaar ministerie, de rechtspraak en de Minister van Justitie en Veiligheid (JustID, CJIB en DJI). Daarbij is aangegeven dat, hoewel de richtlijn ook van toepassing is op de boa’s, niet in dat wetsvoorstel maar in een algemene maatregel van bestuur wordt geregeld aan welke verplichtingen de boa’s moeten voldoen en dat in de toelichting bij deze algemene maatregel van bestuur de impact van de richtlijn op de boa’s zal worden beschreven.

Gezien de omvang en diversiteit van de boa-werkgevers is het in beeld brengen van de financiële gevolgen van het besluit complex. Een aantal landelijke organisaties, waaronder de Inspectie SZW, heeft de kosten in beeld gebracht. Andere werkgevers hebben aangegeven geen capaciteit voor de gevraagde analyse beschikbaar te hebben, of in ieder geval de beschikbare capaciteit eerder te willen besteden aan daadwerkelijke implementatie van de richtlijn. Ook wordt wel aangegeven dat de implementatie van de richtlijn organisatorisch en technisch wordt ondergebracht in de bredere inspanningen inzake de AVG, en om die reden beperkte meerkosten worden verwacht.

Duidelijk lijkt dat de kosten met name verband zullen houden met het aanbrengen van onderscheid tussen persoonsgegevens die worden verwerkt met het oog op toezicht en persoonsgegevens die worden verwerkt met het oog op opsporing. Deze verwerkingen vielen voorheen onder het regime van de voormalige Wet bescherming persoonsgegevens maar vallen inmiddels onder het regime van de AVG respectievelijk de richtlijn/Wpg. In de vorige paragraaf is reeds aangegeven dat dit aspect aanzienlijke financiële consequenties kan hebben. Het beeld is echter niet eenduidig. Voor organisaties die nu bij hun verwerkingen reeds het genoemde onderscheid maken zullen de kosten lager zijn dan voor organisaties waarbij dat nog niet het geval is. Ook het aantal systemen waar boa’s mee werken en daarom zal moeten worden aangepast, zal hierin meewegen. Ook daarin is sprake van een grote diversiteit, waardoor het niet goed mogelijk is om deze kosten – die uitsluitend zullen worden gemaakt voor de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de opsporing – in beeld te brengen.

Ook voor de decentrale overheden geldt dat de financiële consequenties zullen verschillen. De kosten zijn onder meer afhankelijk van het aantal boa’s dat men in dienst heeft en het systeem voor gegevensverwerking dat men reeds hanteert. Daarbij geldt dat het aantal systemen waar boa’s bij de decentrale overheden mee werken over het algemeen beperkt is. Uit de informatie die is verkregen van de leverancier van een registratiesysteem dat door een aantal gemeenten reeds wordt gebruikt kan worden afgeleid dat de implementatie van dit besluit zal leiden tot een beperkte verhoging (naar verwachting enkele tientallen euro’s) van de per aangesloten boa te betalen abonnementskosten. Aannemelijk lijkt, dat dit ook voor andere leveranciers zal gelden. Voor alle organisaties, ook voor de decentrale overheden, zal gelden dat de implementatie van het besluit de nodige aandacht zal vragen.

In de memorie van toelichting bij de wet is aangegeven dat de kosten voor de organisaties die worden geraakt door deze wet, uit de budgetten van de betreffende organisaties dienen te worden gedekt.

IX. Advies van de Autoriteit persoonsgegevens

In beginsel wordt bij een implementatieregeling geen advies gevraagd. De uitvoeringsinstanties zijn betrokken bij de voorbereiding van het ontwerpbesluit. De Autoriteit persoonsgegevens (AP) is wel om advies gevraagd. Bij brief van 8 mei 2018 heeft de Autoriteit persoonsgegevens (AP) advies uitgebracht. De AP merkt op dat uit de nota van toelichting onvoldoende naar voren komt dat het besluit zich niet zozeer richt op de boa’s die bij de politie, de Koninklijke marechaussee en bijzondere opsporingsdiensten werkzaam zijn maar juist op de boa’s die bij publiekrechtelijke organisaties (gemeenten, provincies en waterschappen) of privaatrechtelijke organisaties (NS of Staatsbosbeheer) werkzaam zijn en die zijn belast met de opsporing van strafbare feiten binnen een bepaald domein. Naar aanleiding van dit advies is de toelichting op dit punt verhelderd.

Verder merkt de AP op dat uit de toelichting niet duidelijk genoeg naar voren komt dat de werkgever verwerkingsverantwoordelijke is, als bedoeld in de Wpg, uitsluitend voor het specifieke deel van de verwerking dat onder de reikwijdte valt van de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (en niet onder de AVG). Naar aanleiding van dit advies is dit in de toelichting op dit punt verhelderd (artikel 1, onderdeel c).

Tenslotte spreekt de AP haar zorgen uit over de vermenging van gegevens tussen toezicht en opsporing, de zogenaamde twee-petten-problematiek. De nota van toelichting signaleert dit probleem terecht, maar laat een en ander verder in het midden. De AP adviseert hier meer aandacht aan te besteden. Naar aanleiding van dit advies wordt opgemerkt dat het voorliggende besluit betrekking heeft op de bescherming van persoonsgegevens die door boa’s worden verwerkt ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten. Het onderscheid tussen de bevoegdheden van ambtenaren op het gebied van het toezicht op de naleving van regelgeving en opsporing van strafbare feiten, en de daarmee samenhangende twee-petten-problematiek, houdt hiermee zijdelings verband. Met inachtneming hiervan is in de toelichting nader ingegaan op het onderscheid tussen opsporing en toezicht (paragraaf VII).

Artikelsgewijs

Artikel 1 Definitiebepaling

Onderdeel a

In de artikelen 2, 6 en 7 van dit besluit wordt verwezen naar de wet. Dit betreft de Wet politiegegevens.

Onderdeel b

Voor de omschrijving van het begrip buitengewoon opsporingsambtenaar wordt aangesloten bij artikel 142, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Wetboek van Strafvordering. In dit artikel is geregeld dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn belast (a) de personen aan wie door Onze Minister van Justitie en Veiligheid, onderscheidenlijk het College van procureurs-generaal een akte van opsporingsbevoegdheid is verleend, (b) de meerderjarige personen, behorend tot door Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen categorieën of eenheden, en (c) de personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten worden belast, met uitzondering van de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, of die bij verordeningen zijn belast met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten betreft en de personen zijn beëdigd (art. 142, eerste lid, Sv). De Minister van Justitie en Veiligheid kan bepalen dat voor door hem aan te wijzen categorieën of eenheden van deze boa’s, de opsporingsbevoegdheid zich mede uitstrekt over andere strafbare feiten (art. 142, derde lid, Sv). De opsporingsbevoegdheid strekt zich uit tot de in de akte of aanwijzing aangeduide strafbare feiten; de akte of aanwijzing kan bepalen dat de opsporingsbevoegdheid alle strafbare feiten omvat (art. 142, tweede lid, Sv). Alle boa’s zijn in de praktijk ook bevoegd tot opsporing van economische delicten, in hun hoedanigheid van ambtenaar als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder 2° of 3°, van de Wet op de economische delicten.

Onderdeel c

Zoals eerder opgemerkt valt de verwerking van persoonsgegevens door de boa’s, met uitzondering van de boa’s die werkzaam zijn bij de politie, de rijksrecherche, de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst, tot nu toe niet onder de Wpg maar onder de voormalige Wet bescherming persoonsgegevens. De werkgever is de verantwoordelijke, als bedoeld in die wet, voor de verwerking van persoonsgegevens door een boa.

In de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging is het begrip «verwerkingsverantwoordelijke» gedefinieerd als de bevoegde autoriteit die, alleen of samen met andere, de doeleinden van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer de doeleinden van en de middelen voor die verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen (art. 3, onderdeel 8, Rl). Voor de vraag wie verwerkingsverantwoordelijke is vooraleerst bepalend wie de formeel juridische bevoegdheid heeft om doeleinden en middelen van de gegevensverwerking vast te stellen. Het gaat dus niet om degene die feitelijk de beslissingen neemt, maar om de rechtspersoon, de natuurlijke persoon, het bestuursorgaan of ieder ander die formeel bevoegd is te bepalen welke gegevens worden verwerkt, voor hoe lang, met welke middelen, voor welk doel en wie er (eventueel) toegang mogen hebben tot de gegevens. De rol van de verwerkingsverantwoordelijke heeft betrekking op de beschikbaarstelling van de middelen voor een adequate gegevensverwerking. Dit raakt aan de bedrijfsvoering van de betreffende opsporingsdienst. Daarbij ligt de nadruk meer op de middelen dan op het doel van de verwerking. Vanwege de wettelijke taken van de politie of van een bijzondere opsporingsdienst is het doel van de verwerking bij voorbaat gegeven, te weten de opsporing van strafbare feiten. Het begrip verwerkingsverantwoordelijke dient dan ook vooral beheersmatig (onder wiens beheer vallen de boa’s) en niet gezagsmatig (wie heeft het juridisch gezag) te worden begrepen. Indien niet duidelijk is wie formeel-juridische de bevoegdheid heeft om de doeleinden en middelen van gegevensverwerking vast te stellen, dient te worden gekeken naar de functionele inhoud van het toenmalige begrip «verantwoordelijke», aldus de memorie van toelichting bij de voormalige Wet bescherming persoonsgegevens8. Dit betekent dat aan de hand van algemeen in het maatschappelijk verkeer aanvaarde maatstaven wordt bezien aan wie een bepaalde gegevensverstrekking moet worden toegerekend. Voor de verwerking van politiegegevens door de politie is de korpschef als verwerkingsverantwoordelijke aangewezen. Voor de verwerking van politiegegevens door de Koninklijke marechaussee is de Minister van Defensie verwerkingsverantwoordelijke. Voor de verwerking van persoonsgegevens door een bijzondere opsporingsdienst is de betreffende vakminister verwerkingsverantwoordelijke9. De korpschef en de betreffende minister hebben zowel beheersmatig als hiërarchisch zeggenschap over de bedrijfsvoering door respectievelijk de politie, de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdienst, zodat het aanwijzen van deze ministers als verwerkingsverantwoordelijke voor de hand ligt.

De boa’s zijn niet formeel bevoegd te bepalen welke gegevens worden verwerkt, voor hoe lang, met welke middelen en voor welk doel. Bovendien is een individuele boa ook niet degene aan wie de verwerking naar de maatstaven die in het maatschappelijk verkeer gelden moet worden toegerekend. De boa’s kunnen dus niet als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de richtlijn worden aangemerkt.

De politie is één van de grootste werkgevers van de boa’s en heeft een toezichtstaak over de opsporing van strafbare feiten door de boa’s. De politie is echter niet bevoegd om te bepalen welke gegevens worden verwerkt, voor hoe lang, met welke middelen en voor welk doel, als het gaat om boa’s die geen politie-boa’s zijn. De politie heeft geen hiërarchische relatie met de boa’s, noch beheersbevoegdheden ten aanzien van boa’s die niet onder de politie vallen. Bovendien kan de verwerking van persoonsgegevens door boa’s die geen politie-boa’s zijn aan de hand van algemeen in het maatschappelijk verkeer aanvaarde maatstaven niet gemakkelijk worden toegerekend aan de politie. Het ligt dan ook niet voor de hand de politie als verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens door boa’s aan te merken.

Zoals in het algemeen deel aan de orde is gekomen, heeft de officier van justitie op grond van de wet het gezag over de opsporing van strafbare feiten. De officier van justitie heeft hiërarchisch en beheersmatig echter geen zeggenschap over de gegevensverwerking door de boa’s. Aan de hand van de algemeen in het maatschappelijk verkeer aanvaarde maatstaven zou de gegevensverwerking wellicht aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend, voor zover het betreft het gezag over de opsporing. Echter, voor het openbaar ministerie is dit een ongebruikelijke taak, die het openbaar ministerie ook niet heeft ten aanzien van de gegevensverwerking door de politie. Het openbaar ministerie heeft ook beheersmatig niets over de boa’s te zeggen. Het ligt daarom niet voor de hand om het openbaar ministerie als verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens door boa’s aan te merken. Indien de gezagslijn op basis van de Politiewet 2012 (mede)bepalend zou zijn voor de toedeling van de verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerking, dan zou iedere officier van justitie slechts verantwoordelijk zijn voor een beperkt onderdeel van de gegevensverwerking, namelijk de verwerking die onder zijn gezag plaatsvindt. De verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerking van de boa’s past niet goed in de taak van de officier van justitie, is vanuit het perspectief van de uitvoerbaarheid niet wenselijk en zal de mogelijkheden voor burgers om hun rechten uit te oefenen aanzienlijk compliceren.

Gelet op de verplichtingen van de verantwoordelijke krachtens de voormalige Wbp terzake de gegevensverwerkingen vinden deze in de regel plaats via een systeem dat onder beheer van de verwerkingsverantwoordelijke zelf staat. Voor de boa’s zijn er nu al diverse systemen in gebruik bij diverse Boa-werkgevers. De werkgevers gelden als (mede) verantwoordelijke in de zin van de voormalige Wbp voor persoonsgegevens die door boa’s in dienst bij deze werkgevers worden verwerkt. Veelal zal een burger zich met vragen over een sanctie en daaraan gerelateerde persoonsgegevens wenden door de instantie van wie de sanctie is uitgegaan en is de werkgever bij burgers een bekende instantie. Aldus stellen de werkgevers het doel en de middelen voor gegevensverwerking vast, als bedoeld in de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging. Gelet op het voorgaande verdient het de voorkeur dat als verwerkingsverantwoordelijke wordt aangewezen de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.

Op grond van artikel 1, onderdeel f, onder 4, Wpg kunnen de werkgevers, die deelnemen aan een samenwerkingsverband, één verwerkingsverantwoordelijke aanwijzen die namens hen het doel en de middelen vast stelt voor de gegevensverwerking. Dit kan aan de orde zijn bij de vorming van een gemeenschappelijke opsporingsteam.

Uit het feit dat de werkgever wordt aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke vloeit voort dat de bevoegdheden en verplichtingen van de werkgever terzake onder de reikwijdte vallen van de Wpg. Voor zover de werkgever betrokken is bij de verwerking van persoonsgegevens voor andere doelen dan de opsporing van strafbare feiten door een boa, valt de gegevensverwerking onder de reikwijdte van de AVG.

Onderdeel d

Een boa is niet belast met de uitvoering van de politietaak, als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Politiewet 2012, maar met een (belangrijk) onderdeel daarvan, te weten de opsporing van de strafbare feiten die in de akte of aanwijzing van opsporingsbevoegdheid zijn aangewezen, bedoeld in artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Deze taak wordt in dit besluit aangeduid als de opsporingstaak.

Onderdeel e

In artikel 4 wordt verwezen naar het begrip ambtenaar van politie. Dit begrip is reeds omschreven in artikel 1, onderdeel k, Wpg.

Onderdeel f

In de wet is de verplichting van de verwerkingsverantwoordelijke opgenomen voor het aanwijzen van een onder zijn beheer ressorterende functionaris die bevoegd is tot het verlenen van toestemming voor de verdere verwerking van politiegegevens voor een ander doel binnen de politietaak (art. 6, zevende lid, Wpg). Dit toestemmingsvereiste is op enkele plaatsen in de wet opgenomen teneinde het belang van de verdere verwerking van politiegegevens in het concrete geval te toetsen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het zogenaamde afbreukrisico kan hierbij ook een rol spelen. Het vereiste van toestemming van een daartoe aangewezen functionaris is aan de orde bij het ter beschikking stellen van politiegegevens voor de verdere verwerking voor een ander doel binnen de politietaak (art. 9, derde lid, 10, vijfde lid en 13, derde lid, Wpg) en het rechtstreeks geautomatiseerd zoeken van gegevens (art. 11, eerste en vierde lid, Wpg). Daarnaast is dit vereiste in het voorliggende besluit aan de orde bij het zichtbaar maken van gecodeerde gegevens (art. 5) en de verstrekking van politiegegevens ten behoeve van het toezicht (art. 7, tweede lid).

Het doel van de instemming van de bevoegde functionaris voor de verdere verwerking binnen de politietaak is om te toetsen of er een zodanige discrepantie bestaat tussen het oorspronkelijke doel en het doel waarvoor de gegevens verder kunnen worden verwerkt, dat terbeschikkingstelling – mede gelet op de tactische belangen van de opsporing en de inbreuk op de privacy van betrokkenen – niet proportioneel zou zijn. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien het gegevens betreft van een omvangrijk opsporingsonderzoek en dat onderzoek ernstig geschaad zou kunnen worden bij het (vroegtijdig) gebruik van de gegevens voor een ander onderzoek. Daarbij kunnen ook de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de gegevens een rol spelen, maar bedacht moet worden dat het hier in essentie gaat om een toetsing van de noodzaak van de verstrekking in het licht van het belang van verdere verwerking van de gegevens voor een ander doel binnen de politietaak. Het College van procureurs-generaal heeft nadere richtsnoeren gegeven over het afwegingskader voor de bevoegde functionaris10.

Bij de verstrekking van politiegegevens aan derden ligt dit echter anders. De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de beslissing omtrent de verstrekking van politiegegevens. Ingeval van een wettelijke verplichting tot verstrekking is er geen ruimte voor eigen afweging. Als er echter geen sprake is van een dergelijke verplichting, dan is de beleidsruimte voor de verwerkingsverantwoordelijke niet beperkt. Vanwege zijn expertise kan de bevoegde functionaris de verwerkingsverantwoordelijke adviseren over de verstrekking vanuit het perspectief van het opsporingsbelang. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om hiermee rekening te houden bij de beslissing over de verstrekking. Het staat de verwerkingsverantwoordelijke als werkgever overigens vrij om de positie en rol van de bevoegde functionaris op dit punt nader in te vullen.

De aanwijzing van de bevoegde functionaris is in het Bpg nader geregeld. De regeling is toegesneden op de politie, de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten. Voor de boa’s kan de leider van het betreffende onderzoek of zijn plaatsvervanger als bevoegde functionaris worden aangewezen (art. 2:13, eerste lid, Bpg). Ook kan worden gedacht aan een coördinator of een andere contactpersoon binnen de organisatie die als aanspreekpunt kan fungeren. Vanwege de diversiteit in de organisatorische inbedding van de boa’s zal het op grond van dit criterium echter niet altijd mogelijk zijn om een bevoegde functionaris aan te wijzen. Daarom wordt aanvullend de mogelijkheid geboden om een andere boa als bevoegde functionaris aan te wijzen, die beschikt over voldoende kennis en vaardigheden (vergl. het opleidingsprogramma van de Politieacademie).

Onderdeel g

In de artikelen 4 en 5 van dit besluit worden regels gegeven over de verwerking van persoonsgegevens die betrekking hebben op het toezicht op de naleving van wetgeving of de uitvoering van wettelijke voorschriften, die door de boa verder worden verwerkt ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten. In dit onderdeel worden deze gegevens kortheidshalve aangeduid als politiegegevens over toezicht, overeenkomstig het BpgBod’en (art. 1, onderdeel f, BpgBod’en).

Onderdeel h

Zoals in het algemeen deel aan de orde is gekomen wordt een boa aangesteld voor de opsporing van strafbare feiten binnen een bepaald domein. Op deze wijze kan per domein worden geïnvesteerd in opsporingsbevoegdheden en competenties gericht op de specifieke behoeften binnen een domein. Dit is uitgewerkt in de eerdergenoemde Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar. De domeinlijst bevat vijf inhoudelijke domeinen en een «restdomein», dit betreft de domeinen Openbare ruimte (Domein I), Milieu, welzijn en infrastructuur (Domein II), Onderwijs (Domein III), Openbaar vervoer (Domein IV), Werk, inkomen en zorg (Domein V) en Generieke opsporing (Domein VI). Een boa kan in beginsel binnen één domein werkzaam zijn.

Artikel 2 Van overeenkomstige toepassing verklaring

In de Wpg is bepaald dat, op voordracht van Onze Ministers en Onze Minister wie het mede aangaat bij algemene maatregel van bestuur onderdelen van het bij of krachtens deze wet bepaalde van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de verwerking van persoonsgegevens door een buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (art. 46, eerste lid, Wpg). Met dit artikel wordt nadere uitwerking gegeven aan het in artikel 46 van de wet bepaalde.

Eerste lid

Met dit lid zijn vrijwel alle artikelen van de wet van overeenkomstige toepassing op de gegevensverwerking door de bijzondere opsporingsdiensten. Dit met uitzondering van de gegevensverwerking op grond van de artikelen 10, 11, tweede lid, 12, 16, eerste lid, onderdeel b, eerste indent, 34 en 36a tot en met 45 Wpg.

Artikel 10 Wpg is niet van toepassing. Dit artikel betreft de gegevensverwerking teneinde inzicht te verwerven in de betrokkenheid van bepaalde personen bij bepaalde ernstige strafbare feiten of bij handelingen die kunnen wijzen op het beramen of plegen van bepaalde categorieën van misdrijven die ernstige bedreigingen voor de rechtsorde opleveren of bij handelingen die een ernstige schending van de openbare orde vormen. Anders dan bij artikel 9 staat niet zozeer de gebeurtenis of situatie centraal als wel de opbouw van de informatiepositie, in verband met de aard van de misdrijven of handelingen die in het geding zijn. Het eerste lid, onderdeel a, betreft de verwerking van politiegegevens door de criminele inlichtingeneenheden (CIE-verwerking). De CIE-structuur is beperkt tot de politie, de rijksrecherche, de Koninklijke marechaussee en enkele bijzondere opsporingsdiensten. De boa’s nemen daaraan geen deel. Het eerste lid, onderdeel b, betreft de zogenaamde themaverwerking, waarbij gegevens worden verzameld en verwerkt ten einde inzicht te verkrijgen in de betrokkenheid van personen bij handelingen die kunnen wijzen op het beramen of plegen van zeer ernstige misdrijven. Deze misdrijven zijn in het Bpg aangewezen (art. 3:2 Bpg). De boa’s houden zich niet bezig met een dergelijke verstrekkende gerichte verwerking van persoonsgegevens. Het eerste lid, onderdeel c, betreft de verwerking van persoonsgegevens door de regionale inlichtingen diensten (RID’en) in verband met het voorkomen van ernstige schendingen van de openbare orde. De boa’s zijn niet belast met de handhaving van de openbare orde, als onderdeel van de politietaak (bedoeld in de artikelen 3 en 4, eerste lid, Pw 2012).

Artikel 11, tweede lid, Wpg is niet van toepassing, omdat deze bepaling betrekking heeft op de verwerking van politiegegevens op grond van artikel 10 Wpg.

Artikel 12 Wpg is niet van toepassing. Dit betreft de verwerking van politiegegevens met het oog op de controle op en het beheer van informanten. De bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie over een verdachte is voorbehouden aan een ambtenaar van politie (art. 126j, eerste lid, Sv). De boa’s zijn hiertoe niet bevoegd.

Artikel 16, eerste lid, onderdeel b, eerste indent, Wpg is niet van toepassing omdat de burgemeester geen gezag of zeggenschap heeft over de taakuitoefening van een boa, voor zover het gaat om de uitvoering van taken in het kader van opsporing. De burgemeester heeft als werkgever wel zeggenschap over de toezichthoudende taken die een gemeentelijke boa uitvoert.

Artikel 34 Wpg is niet van toepassing. Dit betreft de verplichting tot het benoemen van een privacyfunctionaris. De privacyfunctionaris ziet namens de verwerkingsverantwoordelijke toe op de verwerking van politiegegevens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en dient de verwerkingsverantwoordelijke van advies. De richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging voorziet niet in een verplichting tot benoeming van een dergelijke functionaris. In plaats daarvan verplicht de richtlijn tot het aanwijzen van een functionaris voor gegevensbescherming (art. 32 Rl). Deze functionaris heeft, anders dan de privacyfunctionaris, een meer onafhankelijke positie ten opzichte van de verwerkingsverantwoordelijke, omdat deze functionaris in staat dient te zijn zijn taken en verplichtingen onafhankelijk in overeenstemming met het lidstatelijke recht uit te voeren (Overweging 63). De functionaris gegevensbescherming kan een lid van het bestaande personeel van de verwerkingsverantwoordelijke zijn die een speciale opleiding inzake gegevensbeschermingswetgeving en -praktijk heeft genoten om deskundigheid op dat gebied te verwerven. De aangewezen persoon kan zijn taken op deeltijdse of voltijdse basis uitvoeren, binnen de structuur van de verwerkingsverantwoordelijken in kwestie kunnen aan deze persoon ook verschillende functies worden toegewezen (Overweging 63).

Vanwege de soms beperkte omvang van de organisatie van de verwerkingsverantwoordelijke van een boa, zal een verplichting tot het benoemen van een privacyfunctionaris, in aanvulling op het aanwijzen van een functionaris gegevensbescherming, een te zware belasting kunnen vormen. Dit neemt niet weg dat het voor organisaties van een zekere omvang nuttig kan zijn om, naast de functionaris gegevensbescherming, ook één of meerdere privacyfunctionarissen aan te stellen. De verplichting tot het aanwijzen van een functionaris gegevensbescherming staat daaraan niet in de weg.

De artikelen 36a tot en met 36g Wpg zijn niet van toepassing omdat deze bepalingen betrekking hebben op de verwerking van politiegegevens in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES).

De artikelen 37 tot en met 45 Wpg zijn niet van toepassing omdat dit overgangsbepalingen zijn.

Tweede lid

De van overeenkomstige toepassing van vrijwel alle artikelen van de wet brengt met zich mee dat vrijwel alle artikelen van het Besluit politiegegevens eveneens van overeenkomstige toepassing zijn op de gegevensverwerking door de boa’s. De uitzondering van bepaalde artikelen van de Wpg heeft echter gevolgen voor de artikelen in het Bpg die aan die wettelijke bepalingen uitvoering geven. Dit betreft de volgende artikelen of artikelleden:

  • De artikelen 2:2, tweede en derde lid, 2:3, 2:4, 2:5, 2:6, 2:10, tweede lid, 3:1 en 3:2 Bpg, omdat deze bepalingen uitwerking geven aan artikel 10 van de wet;

  • De artikelen 2:7, 2:13, tweede lid, en 6:6 Bpg, omdat deze bepalingen betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens door de Financiële inlichtingen eenheid (artikel 12, eerste lid, Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme);

  • De artikelen 4:1 eerste lid, onderdeel b, 4:2, eerste lid, onderdelen a, c, d, e, i, j, k, o, q en y, tweede en derde lid, Bpg, omdat deze onderdelen betrekking hebben op verstrekkingen die voor de boa’s niet aan de orde zijn;

  • Artikel 6:1 Bpg, omdat dit artikel uitwerking geeft aan artikel 12 van de wet;

  • De artikelen 6a:1 tot en met 6a:7 Bpg, omdat deze artikelen uitwerking geven aan de artikelen 36a tot en met 36g van de wet.

Artikel 3 Autorisaties

Op grond van artikel 46 van de wet is de verwerking van de politiegegevens beperkt tot een boa. Deze beperking is echter niet goed werkbaar, omdat het voor sommige verwerkingen noodzakelijk is te kunnen beschikken over de ondersteuning door personen die eveneens onder het beheer van de verwerkingsverantwoordelijke als werkgever vallen, maar die niet beschikken over buitengewone opsporingsbevoegdheid. Dit kunnen ook tijdelijke krachten zijn, die op uitleenbasis werkzaamheden verrichten in opdracht van de verwerkingsverantwoordelijke als werkgever. De Wpg verplicht de verwerkingsverantwoordelijke tot het onderhouden van een systeem van autorisaties (art. 6, eerste lid, Wpg). Hiermee wordt beoogd te waarborgen dat politiegegevens uitsluitend worden verwerkt voor zover dat noodzakelijk is ten behoeve van de uitvoering van de politietaak. Door middel van het systeem van autorisaties is de verwerkingsverantwoordelijke in staat de verwerking van politiegegevens bewust toe te delen aan de personen die onder zijn beheer vallen en voor wie de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van hun taken, zijnde onderdelen van de politietaak. Voor specifieke vormen van gegevensverwerking kan de verwerkingsverantwoordelijke personen die geen boa zijn en die onder zijn beheer vallen, autoriseren voor de verwerking van politiegegevens ter uitvoering van de onderdelen van de politietaak waarmee zij zijn belast (art. 6, vierde lid, Wpg). Voor dergelijke vormen van gegevensverwerking kan worden gedacht aan het afhandelen van verzoeken om inzage door de betrokkene, het behandelen van bezwaar- of beroepschriften, het verrichten van administratieve werkzaamheden met betrekking tot processen-verbaal van boa’s – zoals de verzending van gegevens aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) – of het verrichten van analyses op opsporingsgegevens. Met de voorgestelde regeling wordt nauw aangesloten bij de regels voor de verwerking van persoonsgegevens door een verwerker, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (art. 22 Rl) en geïmplementeerd in de wet en het Bpg (art. 6c Wpg en 6:1b Bpg), en materieel invulling gegeven aan de bijzondere gevallen voor de autorisatie, als bedoeld in artikel 6, vierde lid, Wpg. In de autorisatie worden vastgelegd het onderwerp en de duur van de verwerking, de aard en het doel van de verwerking, het soort persoonsgegevens en de categorieën van betrokkenen (verdachten, veroordeelden, slachtoffers, getuigen en andere personen die in relatie staan tot het strafbare feit). Met het vereiste van vastlegging van deze gegevens in de autorisatie wordt invulling gegeven aan het vereiste van artikel 22, derde lid, Rl (wordt tevens geïmplementeerd d.m.v. nieuw artikel 6:1b Bpg).

Artikel 4 Weigeringsgronden

Voor de toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting op artikel 4 van het BpgBod’en, in de nota van toelichting bij dat besluit (blz. 24). Laatstgenoemde toelichting is onverkort van toepassing met dien verstande dat daar waar wordt verwezen naar de bijzondere opsporingsdiensten, moet worden gelezen: de boa’s.

Artikel 5 Codering

Voor de toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3 van het BpgBod’en, in de nota van toelichting bij dat besluit (blz. 25). Laatstgenoemde toelichting is onverkort van toepassing met dien verstande dat daar waar wordt verwezen naar de ambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, moet worden gelezen: de boa’s.

Artikel 6 Verstrekking politiegegevens aan derden structureel

Zoals in het algemeen deel van de toelichting aan de orde is gekomen is in de wet een uitgebreide regeling opgenomen voor de verstrekking van politiegegevens aan derden. De regeling van paragraaf 4 van het Bpg is van toepassing op de structurele verstrekking van politiegegevens op landelijk niveau. Dit betreft politiegegevens die door de politie, de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst worden verwerkt. De verstrekking van politiegegevens aan de in deze paragraaf aangewezen personen en instanties is deels van toepassing op de boa’s. Daarnaast kunnen op lokaal of regionaal niveau door de verwerkingsverantwoordelijke politiegegevens worden verstrekt in incidentele gevallen en in het kader van samenwerkingsverbanden, op basis van de artikelen 19 en 20 Wpg. Specifiek voor de boa’s geldt echter dat er een eigenstandige behoefte bestaat aan de mogelijkheid op landelijk niveau op structurele basis politiegegevens aan derden te kunnen verstrekken. Zelfs tussen de boa’s onderling kan sprake zijn van een verschillende behoefte, vanwege de diversiteit in taken, organisatie en werkwijze van de instanties waar de boa in dienst zijn en de omgeving die daarmee raakvlakken heeft. Daardoor is het aanwijzen van de betreffende personen en instanties in een lijst, naar het model van paragraaf 4 van het Bpg, minder goed werkbaar. Vanwege het aantal boa’s dat in Nederland op de diverse beleidsterreinen actief is en de verscheidenheid in de behoefte op het gebied van de verstrekking van politiegegevens aan derden die hieruit voortvloeit, is een flexibele regeling wenselijk die eenvoudig aan de veranderende omstandigheden kan worden aangepast.

Het voorliggende artikel vormt een aanvulling op de regeling in de Wpg en de op die wet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur waarmee wordt beoogd binnen de kaders van de wet te voorzien in een specifieke regeling die is toegesneden op de behoefte van de boa’s. Naar het model van paragraaf 4 Bpg wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen de verschillende categorieën van politiegegevens, in dit geval betreft dit de artikelen 8, 9 en 13 Wpg.

Eerste lid

In dit lid is vastgelegd dat de verwerkingsverantwoordelijke kan beslissen tot de verstrekking van politiegegevens aan derden, voor zover zij deze gegevens behoeven voor een goede uitvoering van hun taak. De gegevensverstrekking is beperkt tot de gegevens die door een boa zelf zijn verzameld. Zoals in het algemeen deel aan de orde is gekomen, is de verstrekking van politiegegevens die zijn verzameld door een ambtenaar van de politie, de rijksrecherche, de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst en die aan een boa ter beschikking zijn gesteld, uitgezonderd omdat anders politiegegevens via een boa aan derden kunnen worden verstrekt in gevallen waarin de opsporingsambtenaar die de betreffende gegevens heeft verzameld en vervolgens aan een boa ter beschikking gesteld, die gegevens zelf niet aan die derde kan verstrekken. In dergelijke gevallen kan de verstrekking van de betreffende politiegegevens aan derden uitsluitend plaatsvinden door de ambtenaren van deze opsporingsinstanties.

Verder gelden er enkele andere voorwaarden. In de eerste plaats geldt dat de verstrekking slechts mogelijk is voor zover verenigbaar met de opsporingstaak, dus het opsporen van de in de akte of aanwijzing opgenomen strafbare feiten. Dit doel kan met zich meebrengen dat politiegegevens worden verstrekt aan derden, indien het doel van de verstrekking verenigbaar is met het doel waarvoor de boa de gegevens zelf verwerkt, te weten de goede uitvoering van de opsporingstaak. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen andere overheidsdiensten of instanties buiten de overheid. Dit betreft in de tweede plaats het criterium van het zwaarwegend algemeen belang, op grond van artikel 18, eerste lid, van de wet. In het algemeen deel is nader ingegaan op dit criterium. Ingevolge de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit dient dit belang dermate zwaarwegend te zijn dat het belang van verstrekking aan derden zwaarder dient te wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de politiegegevens betrekking hebben. Tenslotte geldt dat de beslissing van de verwerkingsverantwoordelijke tot verstrekking van politiegegevens wordt genomen in overeenstemming met het op grond van de Politiewet 2012 bevoegde gezag. Het optreden van een boa ter uitvoering van de opsporingstaak vindt plaats onder het gezag van de officier van justitie (artikel 148, tweede lid, Sv). Met dit criterium wordt tot uitdrukking gebracht dat de officier van justitie, op basis van zijn gezag over de opsporing van strafbare feiten, wordt betrokken en in de gelegenheid is zeggenschap uit te oefenen over de gegevensverstrekking met het oog op de opsporing van strafbare feiten, de afstemming tussen de strafrechtelijke en de bestuurlijke afdoening en de afstemming met de verstrekking van strafvorderlijke gegevens, op basis van de Wjsg. Dit betekent niet bij voorbaat dat de officier van justitie in iedere afzonderlijke verstrekking op basis van dit lid moet worden betrokken, het is aan het Openbaar Ministerie zelf om hierin beleid te ontwikkelen en nadere kaders te stellen. Het College van procureurs-generaal kan hierover richtlijnen geven door middel van een OM-Aanwijzing.

De verstrekking van politiegegevens aan derden is gekoppeld aan een specifiek omschreven doel of taak. De ontvanger is uitsluitend bevoegd tot de verwerking van de verstrekte politiegegevens voor dat doel of die taak. Verdere doorgifte van de ontvangen gegevens is uitsluitend mogelijk binnen de kaders van artikel 7 Wpg.

Tweede lid

Aan de verstrekking van politiegegevens die worden verwerkt op grond van de artikelen 8, 9 en 13 Wpg zijn extra risico’s verbonden vanwege de mogelijke inbreuk op de privacy en het afbreukrisico. Deze risico’s zijn in hoge mate afhankelijk van de aard en inhoud van de verstrekken gegevens. Een zorgvuldige afweging is dan ook van essentieel belang. Dit komt tot uitdrukking in het criterium van de strikte noodzaak voor het doel van de verstrekking. Hiermee wordt aangesloten bij de regeling van artikel 4:5, tweede lid, Bpg, dat een soortgelijk criterium bevat voor de verstrekking van gegevens aan derden op grond van de artikelen 19 en 20 Wpg. Verder is, eveneens in aansluiting op de regeling van artikel 4:5, tweede lid, Bpg, overleg vereist met een bevoegde functionaris. Voor de positie en rol van de bevoegde functionaris wordt verwezen naar de toelichting op artikel 1, onderdeel f.

Derde lid

Met het oog op de transparantie voor de betrokkene en de controle op de beslissing tot verstrekking van politiegegevens aan derden en de onderbouwing daarvan is het van belang dat de beslissing schriftelijk wordt vastgelegd, en openbaar gemaakt door middel van publicatie in de Staatscourant. In de beslissing moet een aantal elementen worden vastgelegd. Dit betreft in de eerste plaats ten behoeve van welk zwaarwegend algemeen belang de verstrekking noodzakelijk is. Verder worden vastgelegd de belanghebbende persoon of instantie, de taak ter uitvoering waarvan de gegevens worden verstrekt, de gegevens die worden verstrekt en, eventueel, de voorwaarden waaronder de gegevens worden verstrekt. Tenslotte wordt, als de verstrekking politiegegevens betreft die worden verwerkt op grond van artikel 9 Wpg, de strikte noodzaak voor het doel van de verstrekking gemotiveerd.

Artikel 7 Verstrekking politiegegevens ten behoeve van toezicht en uitvoering

De werkzaamheden van de boa’s hebben nauwe raakvlakken met de uitoefening van toezicht op de naleving van wet- en regelgeving. De verwerking van persoonsgegevens door een boa met het oog op de opsporing van strafbare feiten op een bepaald domein kan tevens van belang zijn voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van regelgeving op dat terrein. Andersom kunnen persoonsgegevens die worden verwerkt met het oog op het toezicht op de naleving van regelgeving van belang zijn voor de opsporingstaak op dat betreffende domein. In het algemeen deel is erop gewezen op dat een persoon die beschikt over een boa-akte of aanwijzing van opsporingsbevoegdheid dikwijls niet alleen bevoegd is tot de opsporing van bepaalde categorieën van strafbare feiten op een bepaald domein maar tevens als toezichthouder is belast met het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving op dat terrein («twee petten»).

Thans is in het BpgBod’en voorzien in de mogelijkheid van verstrekking van politiegegevens over de naleving of uitvoering van wetgeving op een bepaald beleidsterrein, die worden verwerkt op grond van de artikelen 8, 9 en 13 van de wet, aan personen of instanties die zijn belast met het houden van toezicht op hetzelfde beleidsterrein, voorzover dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van zijn of hun taak (art. 6, eerste lid, Bpg Bod’en). Voor wat betreft de verstrekking aan personen of instanties die zijn belast met het houden van toezicht op het beleidsterrein van een andere Minister is toestemming van de officier van justitie vereist (art. 6, derde lid, Bpg Bod’en). Bij de bijzondere opsporingsdiensten is de verstrekking van politiegegevens ten behoeve van toezichthoudende taken aan de orde ten behoeve van de voorbereiding van gemeenschappelijke projecten en het nemen van beslissingen over de wijze van handhaving. In het kader van zogenaamde thematische onderzoeken wordt informatie over een risicovolle branche verzameld en geanalyseerd, teneinde de activiteiten op het gebied van de handhaving beter te kunnen afstemmen. Doorgaans worden de gegevens over het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving door de toezichthoudende instanties aan de bijzondere opsporingsdiensten ter beschikking gesteld. De analyse vindt dan plaats in een beveiligde omgeving, onder het regime van de Wpg. De regeling in het BpgBod’en biedt echter de mogelijkheid de relevante politiegegevens te verstrekken aan een toezichthoudende instantie, met het oog op het verrichten van de analyse. Het samenvoegen van de informatie die is verkregen in het kader van de uitoefening van toezichthoudende taken en bepaalde gegevens van strafrechtelijke onderzoeken kan leiden tot meer inzicht in de te ontplooien activiteiten op het gebied van de handhaving, inclusief het intensiveren van het toezicht op bepaalde terreinen of het aanvangen van strafrechtelijk onderzoek. De analyse van de samengevoegde gegevens wordt verricht door ambtenaren die zowel bevoegd zijn op het gebied van opsporing als toezicht.

Deze regeling betreft een bijzondere variant van de regeling voor de verstrekking van politiegegevens door boa’s aan derden (artikel 6). Conform die regeling is de verstrekking beperkt tot de politiegegevens die door een boa zelf zijn verzameld, omdat anders politiegegevens via een boa aan derden kunnen worden verstrekt in gevallen waarin de opsporingsambtenaar van de politie, de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst die de betreffende gegevens heeft verzameld en vervolgens aan die boa ter beschikking heeft gesteld, die gegevens zelf niet aan die derde kan verstrekken.

Eerste lid

In dit lid wordt, naar het model van de regeling in het Besluit BpgBod’en, voor de boa’s voorzien in de mogelijkheid van verstrekking van politiegegevens, die door een boa zijn verzameld en worden verwerkt op grond van artikel 8, 9 en 13 Wpg en die van belang kunnen zijn voor het toezicht op de naleving of uitvoering van wetgeving op een bepaald domein, aan personen of instanties die zijn belast met het houden van toezicht op hetzelfde domein. Een voorbeeld betreft de verstrekking van informatie omtrent kankerverwekkende stoffen, die zijn aangetroffen in het kader van een opsporingsonderzoek bij een bedrijf, aan de betreffende Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD). De verstrekking van politiegegevens kan slechts plaatsvinden voor zover de betrokken personen deze gegevens behoeven voor een goede uitvoering van hun taak. Dit kan handelingen betreffen als het intensiveren van het toezicht binnen bepaalde sectoren, het opleggen van boetes, het terugvorderen van uitkeringen of het intrekken van vergunningen. Voor de doelbinding wordt aangesloten bij de aanstelling van een boa voor een bepaald domein. Op basis van dit lid kunnen de politiegegevens binnen een bepaald domein worden verstrekt aan een toezichthouder. Voor de verstrekking van politiegegevens voor het toezicht op de naleving of uitvoering van wetgeving op een ander domein geldt de regeling van het derde lid. Voor de betrokkenheid van de officier van justitie wordt verwezen naar de toelichting op artikel 6, eerste lid.

Tweede lid

In dit lid is vastgelegd dat de verstrekking van politiegegevens, die worden verwerkt op grond van artikel 9 van de wet, uitsluitend mogelijk is indien dit strikt noodzakelijk belang is voor het doel van de verstrekking. Verder is overleg vereist met de bevoegde functionaris. Voor de toelichting op deze beide aspecten wordt verwezen naar de toelichting op artikel 6, tweede lid.

Derde lid

Bij de boa’s bestaat behoefte aan de mogelijkheid van verstrekking aan politiegegevens aan personen of instanties die zijn belast met het houden van toezicht op een ander domein. Dit kan aan de orde zijn bij gezamenlijke handhavingsacties door meerdere inspecties. Voor deze situaties geldt echter dat het verband tussen het belang van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op het betreffende domein en het toezicht op het andere domein, en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot uitwisseling van gegevens met de betrokken toezichthouder minder manifest is. Het doel waartoe de boa de gegevens verwerkt betreft de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op een bepaald domein, waarvoor de eigen vakminister verantwoordelijkheid draagt. De gegevensverstrekking heeft betrekking op zowel een andere taak als een ander domein dan dat waarop de boa zijn werkzaamheden uitoefent. Met een dergelijke verstrekking kan echter een zwaarwegend algemeen belang zijn gediend, niet zozeer in het licht vanwege de handhaving van de ordeningswetgeving op een bepaald beleidsterrein als wel vanwege het meer algemene belang van de rechtshandhaving in ruimere zin. Met het oog op het toezicht op de toepassing van deze regeling in de praktijk is het van belang dat wordt vastgelegd ten behoeve van welk zwaarwegend algemeen belang de verstrekking noodzakelijk is, de belanghebbende persoon of instantie, de taak ter uitvoering waarvan de gegevens worden verstrekt, de gegevens die worden verstrekt en, eventueel, de voorwaarden waaronder de gegevens worden verstrekt. Tenslotte wordt, als de verstrekking politiegegevens betreft die worden verwerkt op grond van artikel 9 Wpg, de strikte noodzaak voor het doel van de verstrekking gemotiveerd.

Artikel 8 Inwerkingtreding

De uiterste datum voor de implementatie van de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging is 6 mei 2018. Nu de Wet tot wijziging van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen van 17 oktober 2018 (Stb. 2018, 401) inmiddels in werking is getreden (Stb. 2018, 496), is het van belang dat dit besluit zo spoedig mogelijk in werking treedt. De vaste verandermomenten zijn niet van toepassing op de implementatie van bindende EU-rechtshandelingen (artikel 4.17, vijfde lid, onderdeel d, Ar). Daarom treedt dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PbEU 2016, L 119).

X Noot
2

Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PbEU 2016, L 119).

X Noot
3

Ten aanzien van de politie en de Koninklijke marechaussee geldt dat de boa’s die daar werkzaam zijn, daar ook in dienst zijn en als ambtenaar van politie als bedoeld in art. 2 van de Politiewet 2012 kunnen worden aangemerkt. Daarmee vallen zij al rechtstreeks onder de Wpg. Dit besluit is niet op hen van toepassing.

X Noot
4

Stb. 2009, 305.

X Noot
5

Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar, paragrafen 3.1 en 4, en Bijlage I (Stcrt. 2015, Nr. 16504).

X Noot
6

Stb. 1994, 825.

X Noot
8

Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 55 ev.

X Noot
9

de Minister van Financiën voor de Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen-en Opsporingsdienst-Economische Controledienst (FIOD-ECD), de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD), de Minister van Landbouw voor de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA-IOD) en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de Directie Opsporing van de Inspectie SZW.

X Noot
10

Aanwijzing Wet politiegegevens en de rol van de officier van justitie (2013A013).

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.