Besluit van 21 maart 2018, houdende regels inzake het medegebruik van antenne-opstelpunten, antennesystemen en antennes bestemd voor omroepzendernetwerken en medegebruik van fysieke infrastructuur ter bevordering van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid (Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke infrastructuur)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 8 december 2017, nr. WJZ / 17196656;

Gelet op richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid (PbEU 2014, L 155) en de artikelen 5a.3, tweede lid, 5a.14 en 5a.15 van de Telecommunicatiewet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 december 2017, No.W18.17.0389/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 15 maart 2018, nr. WJZ/18013189;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

houder:

houder van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die is bestemd voor het verspreiden van programma’s alsmede degene die in opdracht van die houder door middel van zijn openbaar elektronisch communicatienetwerk dat bestaat uit radioapparaten die geschikt zijn voor het verspreiden van programma's een programma verspreidt;

ontvanger:

houder of netwerkexploitant, die een verzoek tot medegebruik heeft ontvangen;

verzoeker:

houder, die een verzoek tot medegebruik bij een andere houder heeft ingediend of aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, die een schriftelijk verzoek tot medegebruik bij een netwerkexploitant heeft ingediend;

verzoek tot medegebruik:

schriftelijk verzoek tot medegebruik van fysieke infrastructuur als bedoeld in artikel 5a.3, eerste lid, van de wet of tot medegebruik van omroepzendernetwerken als bedoeld in artikel 5a.3, derde lid, van de wet;

wet:

Telecommunicatiewet.

Artikel 2

  • 1. Een ontvanger beslist of aan een verzoek tot medegebruik kan worden voldaan binnen:

    • a. vier weken na de datum van ontvangst van dat verzoek, indien het betrekking heeft op medegebruik van zijn fysieke infrastructuur;

    • b. twee weken na de datum van ontvangst van dat verzoek, indien het betrekking heeft op medegebruik van zijn omroepzendernetwerk.

  • 2. De ontvanger kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal verlengen en doet daarvan schriftelijk mededeling aan de verzoeker.

  • 3. De verlenging van de termijn bedraagt ten hoogste:

    • a. vier weken, indien het een verzoek om medegebruik van fysieke infrastructuur betreft;

    • b. een week, indien het een verzoek om medegebruik van een omroepzendernetwerk betreft.

Artikel 3

  • 1. Indien onvoldoende gegevens zijn verstrekt voor de beoordeling van het verzoek tot medegebruik, brengt de ontvanger binnen een week na ontvangst van het verzoek de verzoeker hiervan schriftelijk op de hoogte. De ontvanger geeft daarbij aan welke gegevens ontbreken en geeft daarbij een deugdelijke motivering waarom de ontbrekende gegevens noodzakelijk zijn voor de beslissing op het verzoek tot medegebruik.

  • 2. De verzoeker verstrekt de ontbrekende gegevens, bedoeld in het eerste lid, binnen twee weken aan de ontvanger. De termijnen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden opgeschort met ingang van de dag na de datum waarop de ontvanger de verzoeker schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van het ontbreken van gegevens tot de dag waarop de ontvanger de ontbrekende gegevens heeft ontvangen.

  • 3. Indien de ontbrekende gegevens niet zijn verstrekt binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, kan de ontvanger besluiten het verzoek tot medegebruik niet verder te behandelen.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de door de verzoeker te overleggen gegevens bij de indiening van een verzoek tot medegebruik.

Artikel 4

  • 1. Een houder verstrekt op verzoek van een andere houder, teneinde deze in staat te stellen met betrekking tot zijn omroepzendernetwerk een verzoek tot medegebruik in te dienen, binnen twee weken na ontvangst van dat verzoek, de daartoe benodigde gegevens. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de te verstrekken gegevens.

  • 2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid wordt, gelet op de aanwezige behoefte tot medegebruik, beperkt tot een bepaald antenne-opstelpunt dan wel de antenne-opstelpunten in een nader aangeduid deel van het land. Daarbij wordt, indien dit reeds mogelijk is, aangegeven wat voor soort medegebruik met betrekking tot het desbetreffende antenne-opstelpunt dan wel de desbetreffende antenne-opstelpunten wordt gewenst.

  • 3. In het geval, bedoeld in artikel 3, eerste lid, waarbij een ontvanger van een verzoek tot medegebruik van zijn omroepzendernetwerk aan de verzoeker heeft medegedeeld dat deze onvoldoende gegevens heeft verstrekt om een beslissing op het verzoek tot medegebruik te nemen, verstrekt de ontvanger aan de verzoeker die informatie betreffende het antenne-opstelpunt, het antennesysteem of de antenne waarop het verzoek tot medegebruik betrekking heeft, die noodzakelijk is voor de verzoeker om op redelijke wijze aan het verzoek tot het verstrekken van de ontbrekende gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid, te kunnen voldoen. De gegevens worden gelijktijdig verstrekt met de mededeling, bedoeld in artikel 3, eerste lid, eerste volzin.

  • 4. Tot de informatie, bedoeld in het derde lid, behoort in ieder geval:

    • a. een overzicht van de beschikbare ruimte op de desbetreffende antenne-opstelpunten en het frequentiebereik van de desbetreffende antennesystemen of antennes, waarbij in elk geval wordt aangegeven of de ruimte, respectievelijk het gehele frequentiebereik daadwerkelijk in gebruik dan wel gereserveerd is;

    • b. de noodzakelijke technische gegevens van de desbetreffende antenne-opstelpunten en de daarop aanwezige antennesystemen en antennes.

  • 5. Voor de verstrekking van gegevens als bedoeld in het eerste lid kan een vergoeding op basis van werkelijk gemaakte kosten in rekening worden gebracht bij de houder die het verzoek heeft ingediend.

  • 6. Indien een houder niet voldoet aan een verzoek tot gegevensverstrekking als bedoeld in het eerste lid of de ontvanger niet voldoet aan de verplichting tot het verstrekken van de informatie, bedoeld in het derde lid, neemt de Autoriteit Consument en Markt op aanvraag van de houder die het verzoek tot gegevensverstrekking heeft gedaan onderscheidenlijk de verzoeker, bedoeld in het vierde lid, een besluit inzake de plicht tot het verstrekken van de desbetreffende gegevens. Voor zover het gaat om de verstrekking van gegevens als bedoeld in het vierde lid, wordt met ingang van de dag na de datum waarop aan de Autoriteit Consument en Markt is verzocht een besluit als bedoeld in de eerste volzin te nemen, de termijn, bedoeld in artikel 3, tweede lid, eerste volzin, opgeschort tot de dag waarop door de Autoriteit Consument en Markt een besluit is genomen. De Autoriteit Consument en Markt kan bij haar besluit in afwijking van het bepaalde in artikel 3 termijnen stellen waarbinnen:

    • a. de gegevens, bedoeld in het derde lid, door de ontvanger worden verstrekt;

    • b. de ontbrekende gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid, door de verzoeker aan de ontvanger worden verstrekt.

  • 7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

    • a. de beperking van het verzoek, bedoeld in het tweede lid;

    • b. de gegevens, bedoeld in het derde lid;

    • c. de vergoeding, bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 5

De gegevens die worden verstrekt om met betrekking tot een omroepzendernetwerk een verzoek tot medegebruik te kunnen indienen en de gegevens die worden verstrekt in het kader van een dergelijk verzoek, worden door degene aan wie de gegevens zijn verstrekt slechts gebruikt voor het doel waarvoor de gegevens zijn verstrekt. Alle informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

Artikel 6

Artikel 27 van het Frequentiebesluit 2013 wordt als volgt gewijzigd:

A

In het eerste lid wordt «artikel 3.24, eerste lid» vervangen door: artikel 5a.3, tweede lid.

B

In het tweede lid wordt «artikel 3.25» vervangen door: artikel 5a.14, eerste lid, en 5a.15.

Artikel 7

Het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken wordt ingetrokken.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken in werking treedt.

Artikel 9

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke infrastructuur.

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 21 maart 2018

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer

Uitgegeven de dertigste maart 2018

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

1. Inleiding

Met dit besluit wordt het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken vervangen waarin nadere regels zijn gesteld voor de procedure voor medegebruik van omroepzendernetwerken. In het onderhavige besluit zijn nu naast de nadere regels voor medegebruik van omroepzendernetwerken ook nadere regels voor medegebruik van fysieke infrastructuur opgenomen. De regels worden gesteld ter uitvoering van hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet en ter uitvoering van de verplichting tot medegebruik in richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatiewerken met hoge snelheid (hierna: richtlijn breedband). Met deze richtlijn wordt een verdere bijdrage geleverd aan het verwezenlijken van een van de doelstellingen uit de mededeling van de Commissie met als titel «Digitale agenda voor Europa: digitale impulsen voor de Europese groei» (hierna: Digitale Agenda), namelijk dat alle Europeanen in 2020 toegang hebben tot sneller internet (30 Mbps of meer). De richtlijn breedband beoogt de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid te bevorderen. Met het oog op reductie van de daarmee gepaard gaande kosten wordt voorzien in maatregelen om sectoroverstijgend medegebruik en coördinatie van civiele werken te bevorderen. Daarnaast voorziet de richtlijn breedband in een aantal transparantieverplichtingen die waarborgen dat aanbieders die openbare communicatienetwerken aanbieden, toegang hebben tot bepaalde minimuminformatie wanneer zij een breedbandnetwerk willen aanleggen. Deze toegang tot minimuminformatie moet ervoor zorgen dat bij de aanleg van breedbandige netwerken de mogelijkheden voor medegebruik van netwerken en coördineren van civiele werken goed ingeschat kunnen worden en daar desgewenst gebruik van kan worden gemaakt zodat de aanleg doelmatig en kostenefficiënt kan worden gerealiseerd. Voor een nadere toelichting op de inhoud van de richtlijn breedband wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (hierna: WIBON)(Kamerstukken II 2016/17, 34 739, nr. 3, blz. 1 tot en met 3).

De Telecommunicatiewet kende in de artikelen 3.24 en 5.12, eerste lid, al een aantal voorzieningen ter bevordering van medegebruik van fysieke infrastructuur van openbare communicatienetwerken door aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten die netwerken willen aanleggen of uitbreiden. Dit betrof het medegebruik van antenne-opstelpunten voor mobiele netwerken, van antenne-opstelpunten, antennesystemen en antennes voor omroepzendernetwerken en van voorzieningen waarop de zogenoemde gedoogplicht van toepassing is. Met het nieuwe hoofdstuk 5a van de Telecommunicatiewet is de inhoud van de al bestaande bepalingen geïntegreerd in het regime voor medegebruik van fysieke infrastructuur dat strekt tot implementatie van de richtlijn en zijn de afzonderlijke bepalingen geschrapt. Alle verplichtingen omtrent medegebruik van de passieve en actieve onderdelen van een openbaar elektronisch telecommunicatienetwerk staan zo bij elkaar in één overzichtelijk regime. Hierop is nader ingegaan in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de WIBON (Kamerstukken II 2016/17, 34 739, nr. 3, blz. 6 tot en met 8).

Op vergelijkbare wijze voorziet het onderhavige besluit in vervanging van het op artikel 3.24 van de Telecommunicatiewet gebaseerde Besluit medegebruik omroepzendernetwerken. De bepalingen van dat besluit zijn inhoudelijk ongewijzigd opgenomen in het onderhavige besluit en de bepalingen die nodig zijn ter implementatie van de richtlijn breedband zijn ingevoegd in de systematiek van het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken. Zoals hierboven gemeld bevat het onderhavige besluit nu dus zowel voor medegebruik van omroepzendernetwerken als voor medegebruik van fysieke infrastructuur van netten en netwerken nadere regels. Het betreft primair enkele regels om het proces rond de behandeling van verzoeken tot medegebruik te faciliteren. Deze regels dienen door de betrokken partijen onderling in acht te worden genomen bij de behandeling van verzoeken tot medegebruik.

De in de richtlijn breedband opgenomen implementatietermijnen zijn inmiddels verstreken. Hierover is de Tweede Kamer verschillende keren geïnformeerd (zie onder meer de brief van de Minister van Economische Zaken van 14 november 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 33 613, nr. 7) en de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 20 oktober 2017 (Kamerstukken II 2016/17, 21 109, nr. 230)). De gevolgen van de termijnoverschrijding zijn evenwel relatief beperkt. Hierop is nader ingegaan in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de WIBON (Kamerstukken II 2016/17, 34 739, nr. 3, blz. 6).

In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de belangrijkste onderwerpen. Daarbij wordt voornamelijk aandacht besteed aan de bepalingen die gewijzigd zijn ten opzichte van die in het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken.

2. Belangrijkste onderwerpen

Termijnen

Verzoeken tot medegebruik dienen voortvarend en met de nodige zorgvuldigheid te worden behandeld. De artikelen 2 en 3 van het besluit bevatten daartoe termijnen die bij de behandeling van een verzoek tot medegebruik in acht dienen te worden genomen.

Het op artikel 5a.14 van de Telecommunicatiewet gebaseerde artikel 2 van het besluit stelt de termijnen vast die gelden voor een verzoek tot medegebruik van fysieke infrastructuur als bedoeld in artikel 5a.3, eerste lid, van de Telecommunicatiewet. Dit artikel strekt tot implementatie van artikel 3, derde lid, laatste volzin, van de richtlijn breedband. In dat artikel worden lidstaten verplicht tot het stellen van een termijn van maximaal twee maanden vanaf de datum van ontvangst van een verzoek tot medegebruik voor de netwerkexploitant om redenen op te geven om het medegebruik te weigeren. Voor de beslissing op een verzoek tot medegebruik van antenne-opstelpunten blijft de termijn van twee weken gelden zoals die in artikel 2 van het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken was opgenomen (artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het besluit). Naar verwachting is de beoordeling van een verzoek tot medegebruik van fysieke infrastructuur ingewikkelder en vergt dat meer tijd, onder meer omdat het medegebruik betrekking kan hebben op uiteenlopende soorten netwerken. Voor de beslissing op een verzoek tot medegebruik van fysieke infrastructuur geldt daarom een termijn van vier weken (artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het besluit). In beide gevallen kan de termijn worden verlengd als die onvoldoende blijkt voor de netwerkexploitant om bijvoorbeeld de technische mogelijkheid tot medegebruik of veiligheidsaspecten te beoordelen (artikel 2, tweede en derde lid).

Om het verzoek tot medegebruik te kunnen beoordelen en hierop te kunnen beslissen heeft de ontvanger van de verzoeker gegevens nodig over het medegebruik. De ontvanger kan van de verzoeker aanvullende gegevens verlangen, indien de eerder verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor een dergelijke beoordeling en beslissing. De in artikel 3 van het onderhavige besluit hiervoor opgenomen procedure is overgenomen uit artikel 3 van het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken.

Deugdelijke motivering weigering medegebruik

Artikel 5a.3, eerste en derde lid, van de Telecommunicatiewet bepaalt dat een verzoek tot medegebruik moet worden gehonoreerd, voor zover het een redelijk verzoek betreft. De ontvanger van een verzoek tot medegebruik mag bij de beoordeling van het verzoek tot medegebruik bijvoorbeeld ervan uitgaan dat de verzoeker tot het medegebruik de kosten draagt die gepaard gaan met het voldoen aan een verzoek tot medegebruik. Dit heeft tot gevolg dat de beoordeling of een verzoek al dan niet redelijk is in vergaande mate afhankelijk is van de investeringsbereidheid van de verzoeker. Uiteraard spelen ook andere zaken een rol bij de beoordeling van een verzoek op de redelijkheid. Artikel 5a.4 van de Telecommunicatiewet bepaalt dat het verzoek tot medegebruik uitsluitend kan worden geweigerd op objectieve, transparante en evenredige gronden. In het tweede lid van dat artikel worden verscheidene redenen genoemd die tot een weigering kunnen leiden. Deze gronden zijn niet uitputtend. De ontvanger van het verzoek tot medegebruik kan andere redenen aandragen, mits deze voldoende gemotiveerd zijn. In alle gevallen dient de ontvanger de verzoeker gemotiveerd en schriftelijk te informeren over de redenen van zijn weigering. Hiermee wordt de bewijslast voor het oordeel of er al dan niet sprake is van een redelijk verzoek gelegd bij degene die het verzoek tot medegebruik ontvangt. Dit volgt uit artikel 5a.8 van de Telecommunicatiewet. Gelet hierop is in artikel 2 van het onderhavige besluit, anders dan in artikel 2 van het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken het geval was, thans niet opgenomen dat de beslissing schriftelijk en gemotiveerd moet zijn.

Gegevensbescherming

De bescherming van de gegevens die worden verstrekt ten behoeve van een verzoek tot medegebruik van fysieke infrastructuur is geregeld in artikel 5a.12 van de Telecommunicatiewet. Artikel 5 van dit besluit ziet daarom alleen op bescherming van gegevens die worden verstrekt in het kader van een verzoek tot medegebruik voor zover dat betrekking heeft op een omroepzendernetwerk. Voor de formulering is aangesloten bij het voormalige artikel 4 van het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en artikel 5a.12 van de Telecommunicatiewet.

3. Regeldruk

Dit besluit heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten en een beperkt effect op de nalevingskosten. Naar verwachting zal de stijging van het aantal verzoeken om medegebruik als gevolg van de WIBON nihil zijn. Voor een uitgebreide toelichting hierop wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de WIBON (Kamerstukken II 2016/17, 34 739, nr. 3, blz. 33 tot en met 36). Het Adviescollege Toetsing Regeldruk heeft in zijn advies van 21 november 2017 (kenmerk MvH/RvZ/PO/bs/ATR0089/2017-U060) geadviseerd inzichtelijk te maken wat de regeldrukgevolgen zijn van dit besluit.

Het besluit stelt nadere regels over de wijze van indiening en van behandeling van een verzoek tot medegebruik. Hieruit vloeien lasten voort voor zowel de indiener als de ontvanger van een verzoek. Bij het verzoek tot medegebruik dient de verzoeker aan de ontvanger een aantal gegevens te verstrekken teneinde beoordeling en beslissing op het verzoek mogelijk te maken. Daarnaast dient de ontvanger het verzoek in behandeling te nemen en te beoordelen en is hij verplicht tot verstrekking van gegevens aan de indiener indien die hierom verzoekt. De meeste verzoeken tot medegebruik zullen naar verwachting betrekking hebben op medegebruik van antenne-opstelpunten. Dit kwam in de praktijk al veelvuldig voor. Daarbij wordt opgemerkt dat een groot deel van de antenne-opstelpunten in beheer is van partijen die geen aanbieder zijn van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Deze partijen exploiteren deze antenne-opstelpunten en verhuren deze infrastructuur aan aanbieders. De verplichtingen die uit het besluit voortvloeien gelden derhalve niet voor deze partijen. De inschatting is dat de verzoeken die betrekking hebben op fysieke infrastructuur (zoals de passieve elementen van een energie- of gasnetwerk) gering zullen zijn.

Met betrekking tot het indienen van het verzoek wordt het volgende opgemerkt. Een kwantificering van de uit dit besluit voortvloeiende lasten als gevolg van de genoemde informatieverplichting is lastig vanwege het feit dat er verschillende onzekere factoren een rol spelen, zoals de onbekendheid met het aantal te verwachten verzoeken en daarmee samenhangend de soort en omvang van de aan te leveren informatie. Het is lastig om een (voor meerdere jaren) representatief gemiddelde te geven van het aantal gevallen waarin een verzoek tot medegebruik zal worden ingediend. Het aantal verzoeken is bijvoorbeeld afhankelijk van het aantal frequenties dat gepland is op de diverse antenne-opstelpunten. Naar de huidige inzichten kan een voorzichtige inschatting worden gemaakt. Wat betreft het medegebruik van antenne-opstelpunten wordt geschat dat het per jaar gaat om in totaal tussen de 500 tot 1.000 verzoeken. Zoals hierboven vermeld valt alleen een deel van de partijen onder de toepassing van dit besluit, omdat zij niet zijn aan te merken als een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Geschat wordt dat 100 tot 300 verzoeken onder de werking van dit besluit zullen vallen. De hieronder opgenomen berekeningen gaan uit van deze aantallen. Uitgaande van een gemiddelde duur per verzoek om de gegevens te verzamelen van 4 uur en een standaarduurtarief van € 60, worden de regeldrukkosten geschat tussen de € 24.000 en € 72.000. Het aantal verzoeken dat betrekking heeft op medegebruik van fysieke infrastructuur wordt geschat op 10 tot 20 verzoeken. Ervan uitgaande dat de gemiddelde duur per verzoek om de gegevens te verzamelen 6 uur bedraagt met daarbij een standaarduurtarief van € 60, worden de regeldrukkosten geschat tussen de € 3.600 en € 7.200.

Ten aanzien van de beoordeling van het verzoek tot medegebruik geldt dat deze op een deugdelijke afweging dient te berusten. Ook hier is het lastig om op voorhand een goede kwantificering van de regeldruk te geven. Voor een deel is dat immers mede afhankelijk van de aard van het verzoek om medegebruik en de gegevens die de verzoeker zelf in het kader van diens verzoek heeft verstrekt. Wel kan een voorzichtige inschatting worden gemaakt. Ervan uitgaande dat de gemiddelde duur om een verzoek te beoordelen 6 uur bedraagt en een standaarduurtarief van € 60, worden de regeldrukkosten voor het beoordelen van een verzoek tot medegebruik van antenne-opstelpunten geschat tussen de € 36.000 en € 108.000. Voor het beoordelen van verzoeken tot medegebruik van fysieke infrastructuur wordt de gemiddelde duur ingeschat op 8 uur. Met een standaarduurtarief van € 60 worden de regeldrukkosten geschat tussen de € 4.800 en € 9.600.

Voor het verstrekken van gegevens aan de verzoeker is artikel 4, vijfde lid, van het besluit van belang. Op basis hiervan kan degene die de gegevens dient te verstrekken, voor het verstrekken van die gegevens een vergoeding op basis van de werkelijk gemaakt kosten in rekening brengen bij degene die het verzoek heeft ingediend. Dat betekent dat de regeldrukkosten in de praktijk nihil (kunnen) zijn.

4. Uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft op 30 mei 2016 (kenmerk ACM/DTVP/2016/202618) over een ontwerp van het besluit een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets uitgebracht. Zij acht de voorstellen uitvoerbaar en handhaafbaar.

5. Consultatie

Het ontwerpbesluit is tezamen met de overige uitvoeringsregelgeving ter implementatie van de richtlijn breedband geconsulteerd door middel van een internetconsultatie op Overheid.nl in de periode van 13 juli tot en met 31 augustus 2016. Er zijn met betrekking tot het ontwerpbesluit twee openbare reacties ontvangen (zie https://www.internetconsultatie.nl/kostenreductie).

Een partij vond dat uit 4, eerste lid, van het besluit (artikel 5, eerste lid, van de geconsulteerde versie van het ontwerpbesluit) zou moeten blijken dat het moet gaan om een voldoende gespecificeerd verzoek tot medegebruik. Het is anders lastig om aan deze verplichting te voldoen, ook vanwege de termijnen die hieraan zijn verbonden. In reactie hierop wordt opgemerkt dat artikel 4 uitgaat van inkadering van het verzoek. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het besluit dient het verzoek namelijk beperkt te worden tot een bepaald antenne-opstelpunt dan wel tot de antenne-opstelpunten in een nader aangeduid deel van het land. In het derde en vierde lid wordt nader geconcretiseerd welke gegevens in ieder geval verstrekt moeten worden, indien de ontvanger van mening is dat er onvoldoende gegevens zijn verstrekt. Gelet hierop vind ik dat de in artikel 4 opgenomen informatieverplichting voldoende is geconcretiseerd.

Door een andere partij werd gevraagd of mede-belanghebbenden bezwaar kunnen indienen en op basis van welke criteria een verzoek tot medegebruik wordt gehonoreerd. In reactie hierop wordt opgemerkt dat de in dit ontwerpbesluit opgenomen regels zich beperken tot degene die een verzoek tot medegebruik indient (verzoeker) en degene die een verzoek tot medegebruik ontvangt (ontvanger). Zij zien derhalve niet op andere belanghebbenden. Op grond van artikel 5a.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet kan een verzoek tot medegebruik uitsluitend worden geweigerd op objectieve, transparante en evenredige gronden. In het tweede lid van dat artikel is opgesomd wat hieronder in ieder geval wordt verstaan. Hierop is nader ingegaan in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de WIBON (Kamerstukken II 2016/17, 34 739, nr. 3, blz. 61 tot en met 64).

Ten slotte vroeg die partij of het ontwerpbesluit de mogelijkheid biedt om een verzoek tot medegebruik in te dienen voor tijdelijk capaciteit gebruik en of niet-exploitanten de mogelijkheid hebben om een verzoek tot medegebruik in te dienen. In reactie hierop wordt opgemerkt dat het verzoek tot medegebruik betrekking dient te hebben op fysieke infrastructuur in de zin van artikel 5a.1, onderdeel b, van de Telecommunicatiewet. Het betreft dan de passieve elementen van een netwerk, zoals mantelbuizen, straatkasten, gebouwen, torens en palen. De actieve elementen, waaronder de kabels, worden in de Telecommunicatiewet niet aangemerkt als fysieke infrastructuur. Hierop kan een verzoek tot medegebruik dan ook geen betrekking hebben. De aanbieder en de netwerkexploitant kunnen nadere afspraken maken over de voorwaarden waaronder het medegebruik plaatsvindt, zoals de duur van het medegebruik. Houders in de zin van artikel 1 van het onderhavige besluit en aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken kunnen een verzoek tot medegebruik indienen.

6. Notificatie

Het besluit strekt uitsluitend tot omzetting van de richtlijn breedband. Notificatie van het ontwerpbesluit op grond van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEG 2006, L 376) en Richtlijn 2015/1535/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015 L 241), is derhalve niet vereist.

7. Artikelen

Artikel 1

Dit artikel bevat een aantal begripsomschrijvingen. Deze zijn overgenomen uit artikel 1 van het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en voor zover nodig aangevuld vanwege de uitbreiding van het regime voor medegebruik.

Artikelen 2 tot en met 4

Deze artikelen betreffen nadere regels over de te volgen procedure bij medegebruik. Hierbij is de procedure in de artikelen 2 tot en met 4 van het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken voor het medegebruik voor omroepzendernetwerken inhoudelijk ongewijzigd overgenomen en waar nodig aangevuld in verband met het medegebruik van fysieke infrastructuur. Hierop is nader ingegaan in paragraaf 2, onder de kopjes Termijnen en Deugdelijke motivering weigering medegebruik, van deze nota van toelichting en in de paragrafen 4 tot en met 6 van de nota van toelichting bij het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken (Stb. 2003, 232).

Artikel 5

Dit artikel bevat een bepaling over bescherming van gegevens. Het artikel heeft enkel betrekking op gegevens met betrekking tot een verzoek tot medegebruik voor zover dit omroepzendernetwerken betreft. Het artikel komt overeen met artikel 5a.12 van de Telecommunicatiewet, waarin regels zijn gesteld voor gegevens met betrekking tot een verzoek tot medegebruik voor zover dit fysieke infrastructuur betreft. Op het artikel is nader ingegaan in paragraaf 2, onder het kopje Gegevensbescherming, van deze nota van toelichting en in de nota van toelichting bij het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken (Stb. 2003, 232, blz. 12 en 13).

Artikel 6

Dit artikel bevat een wijziging van het Frequentiebesluit 2013. Deze wijziging hangt samen met het vervangen van de artikelen 3.24 en 3.25 van de Telecommunicatiewet door de artikelen 5a.3, 5a.14 en 5a.15 van de Telecommunicatiewet.

Artikel 7

In dit artikel is de intrekking van het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken geregeld. Hierop is nader ingegaan in paragraaf 1 van deze nota van toelichting.

Artikel 8

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het besluit. Het besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse in werking treedt. Gelet op de implementatietermijn van de richtlijn breedband van 1 juli 2016 kan het beleid inzake vaste verandermomenten niet worden gevolgd. Dit geldt voor zowel het moment van inwerkingtreding als het moment van publicatie.

8. Transponeringstabel

In de onderstaande tabel is opgenomen welke artikelen van de richtlijn breedband worden geïmplementeerd met het onderhavige besluit. Voor een uitgebreid overzicht van de implementatie van de artikelen van de richtlijn breedband wordt verwezen naar de transponeringstabel die is opgenomen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de WIBON (Kamerstukken II 2016/17, 34 739, nr. 3, blz. 78 tot en met 84).

Bepaling van Richtlijn 2014/61/EU aanleg elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid

Bepaling in implementatieregeling of in bestaande regelgeving: toelichting indien niet geïmplementeerd of uit zijn aard geen implementatie behoeft

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting van keuze(n) bij de invulling van beleidsruimte

Artikel 3, tweede lid, tweede volzin

Artikelen 2 en 4 Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke infrastructuur

Geen

 

derde lid, laatste volzin

Artikelen 2 en 4 Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke infrastructuur

Uiterlijk twee maanden reactietermijn (korter mag)

 

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven