Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2017
Nr. 373

Gepubliceerd op 12 oktober 2017 09:00



Besluit van 4 oktober 2017, houdende regels inzake het brandveilig gebruik van overige plaatsen en de basishulpverlening op die plaatsen (Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 30 mei 2017, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2081202;

Gelet op artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s,

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 juli 2017, nr. WO3.17.0152/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 2 oktober 2017, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2131557;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt verstaan onder:

    plaats:

    ruimtelijk begrensde oppervlakte, bestaande uit ten minste een gebied of bouwsel of een samenstelling daarvan;

    gebied:

    deel van de plaats dat geen bouwsel of bouwwerk is;

    bouwsel:

    bijeenkomsttent, tribune, podium of elke andere constructie die naar een plaats is gebracht of ter plaatse is geconstrueerd om daar kortstondig te functioneren;

    ruimte:

    voor personen toegankelijk bouwsel of deel van een bouwsel;

    besloten ruimte:

    een ruimte die door scheidingsconstructies omsloten is.

    verblijfsruimte:

    ruimte voor het verblijven van personen.

  • 2. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:

    ADR-klasse:

    classificatie als bedoeld in de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171);

    bevoegd gezag:

    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de plaats geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen;

    bezwijken:

    het overschrijden van een uiterste grenstoestand;

    bijeenkomsttent:

    tent met een bijeenkomstfunctie;

    brandcompartiment:

    gedeelte van een of meer bouwsels, bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand;

    brandgevaarlijke stof:

    vaste, vloeibare of gasvormige stof die brandbaar of brandbevorderend is, of bij brand gevaar oplevert, in de zin van de ADR-klassen twee tot en met vijf;

    brandklasse:

    Europese brandklasse als bedoeld in NEN-EN 13501-1, onderdeel Classification criteria for construction products;

    brandweeringang:

    ingang die door de brandweer gebruikt wordt om een plaats of een bouwsel te betreden bij een brandmelding.

    doorgang:

    toegang, uitgang of doorlaatopening voor personen;

    gasfles:

    een verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van niet meer dan 150 liter;

    gebruiksoppervlakte:

    de oppervlakte van een plaats of deel van een plaats, die geschikt is voor het beoogde gebruik;

    installatie:

    voor het functioneren van een plaats of een gedeelte van een plaats noodzakelijke voorziening van niet-bouwkundige aard;

    jachthaven:

    haven met de daarbij behorende grond, waar overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van pleziervaartuigen;

    kampeermiddel:

    tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, en voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

    kampeertent:

    kampeermiddel dat overwegend bestaat uit textiel materiaal;

    kampeerterrein:

    plaats of gedeelte van een plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht voor het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen;

    klimlijn:

    denkbeeldige, vloeiend verlopende lijn die de voorkanten van de treden van een trap met elkaar verbindt;

    loopafstand:

    afstand, gemeten langs een denkbeeldige, kortst realiseerbare lijn tussen twee punten, waarover op een afstand van ten minste 0,3 m van constructieonderdelen kan worden gelopen en waarbij de loopafstand over een trap samenvalt met de klimlijn;

    meetniveau:

    hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het bouwsel;

    milieugevaarlijke stoffen:

    gevaarlijke stoffen als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

    NEN:

    door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm;

    NEN-EN:

    norm die door de Europese Commissie voor Normalisatie is geharmoniseerd;

    NPR:

    door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse Praktijkrichtlijn;

    opslagtank:

    een vormvaste opslagvoorziening voor gas met een inhoud van ten minste 150 liter of een vormvaste opslagvoorziening voor vloeistof met een inhoud van ten minste 300 liter, uitgezonderd een intermediate bulk container die voldoet aan hoofdstuk 6.5 van het ADR;

    plaatsperceel:

    perceel dat als uitgangspunt dient bij het toetsen van een plaats aan de regels van dit besluit;

    PGS:

    Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

    pleziervaartuig:

    schip, bestemd of gebruikt voor sport of vrijetijdsbesteding, ongeacht het type en de wijze van voortstuwing;

    recreatieligplaats:

    plek voor het afgemeerd houden van een pleziervaartuig;

    rookklasse:

    Europese brandklasse als bedoeld in NEN-EN 13501-1, onderdeel Additional classifications for smoke production;

    standplaats:

    het gedeelte van een plaats dat is bestemd voor het plaatsen of geplaatst houden van een of meer bouwsels;

    tentenkamp:

    kampeerterrein of deel daarvan waar nachtverblijf uitsluitend plaatsvindt in kampeertenten;

    toestel:

    voor het functioneren van een plaats of een gedeelte van een plaats benodigd voorwerp van niet-bouwkundige aard;

    veilige plaats:

    plek buiten het bedreigde gedeelte van een plaats;

    verbrandingstoestel:

    een toestel dat gebruik maakt van verbranding voor het opwekken van warmte;

    verkeerstent:

    verplaatsbare, tijdelijke overkapping van een verkeersroute;

    verkeersroute:

    route die begint bij een doorgang van een ruimte, alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt bij de doorgang van een andere ruimte;

    vluchtroute:

    route die begint in een voor personen bestemde plek, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift;

    vuurbelasting:

    hoeveelheid warmte die vrijkomt per eenheid vloeroppervlakte bij verbranding van alle op een plek aanwezige brandbare materialen;

    weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag:

    kortste tijd die een brand nodig heeft om zich uit te breiden van een plek naar een andere plek.

  • 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt voorts verstaan onder:

    gebruiksfunctie:

    gedeelten van een plaats die eenzelfde gebruiksbestemming hebben en die samen een gebruikseenheid vormen;

    bijeenkomstfunctie:

    gebruiksfunctie voor het samenkomen van personen voor kunst, cultuur, godsdienst, communicatie, kinderopvang, het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse, ontspanning of het aanschouwen van sport;

    kantoorfunctie:

    gebruiksfunctie voor administratie;

    lichte industriefunctie:

    industriefunctie waarin activiteiten plaatsvinden, waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt;

    logiesfunctie:

    gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen;

    overige gebruiksfunctie:

    niet in dit onderdeel benoemde gebruiksfunctie voor activiteiten waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt;

    sportfunctie:

    gebruiksfunctie voor het beoefenen van sport;

    winkelfunctie:

    gebruiksfunctie voor het verhandelen van materialen, goederen of diensten.

Artikel 1.2 Reikwijdte

  • 1. Dit besluit is van toepassing op plaatsen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

  • 2. De in hoofdstuk 2 tot en met 5 opgenomen voorschriften zijn van toepassing op plaatsen die in georganiseerd verband worden gebruikt.

Artikel 1.3 Aantal personen

Op een plaats of gedeelte van een plaats zijn niet meer personen tegelijk aanwezig dan het aantal personen waarvoor die plaats of dat gedeelte overeenkomstig dit besluit is bestemd.

Artikel 1.4 Gelijkwaardigheid

  • 1. Aan een in hoofdstuk 3 tot en met 5 gegeven concreet voorschrift behoeft niet te worden voldaan indien de plaats of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van brandveiligheid biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gegeven voorschriften.

  • 2. Een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in het eerste lid wordt bij het gebruik van de plaats in stand gehouden.

Artikel 1.5 Toepassing normen

Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven over de toepassing van de in dit besluit genoemde normen.

Artikel 1.6 Toepassing kwaliteitsverklaringen

Indien een product of proces aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat de plaats waar het wordt toegepast voldoet aan een bij of krachtens dit besluit gestelde eis, is aan die eis voldaan indien het product of proces is toegepast overeenkomstig een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring.

Artikel 1.7 Wederzijdse erkenning

Met een kwaliteitsverklaring of keuring als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een kwaliteitsverklaring of keuring, afgegeven of uitgevoerd door een daartoe bevoegde onafhankelijke instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, met een beschermingsniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 1.8 Naleving voorschriften

  • 1. Het is verboden een plaats in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van die plaats van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in dit besluit.

  • 2. Het is verboden een plaats in gebruik te nemen, te gebruiken of te laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op die ingebruikneming of dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in dit besluit.

  • 3. Gedurende het gebruik van een plaats waarvoor een gebruiksmelding is ingediend, is ten behoeve van de naleving van de voorschriften op die plaats een verantwoordelijk persoon aanwezig of oproepbaar die de aanwijzingen van de met de controle belaste ambtenaren op eerste aanzegging uitvoert of doet uitvoeren.

HOOFDSTUK 2 MELDING BRANDVEILIG GEBRUIK

Artikel 2.1 Gebruiksmelding

  • 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksmelding bij het bevoegd gezag een plaats of een gedeelte van een plaats in gebruik te nemen of te gebruiken indien:

    • a. in een verblijfsruimte op die plaats bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf wordt verschaft aan meer dan 10 personen;

    • b. in een verblijfsruimte op die plaats verzorging wordt geboden aan:

      • 1°. meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of

      • 2°. meer dan 10 lichamelijk of verstandelijk gehandicapte personen.

    • c. een verblijfsruimte op die plaats is bestemd voor meer dan 150 personen tegelijk, of

    • d. toepassing is gegeven aan artikel 1.4 in verband met een in hoofdstuk 3 tot en met 5 gegeven voorschrift.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien voor de betreffende activiteit een vergunning voor brandveilig gebruik is vereist.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het in gebruik nemen of gebruiken van een plaats of gedeelte van een plaats indien daarvoor een evenementenvergunning is vereist, en in het kader daarvan de gegevens als bedoeld in artikel 2.3 moeten worden aangeleverd.

Artikel 2.2 Indiening gebruiksmelding

  • 1. Een gebruiksmelding wordt ten minste vier weken voor de voorgenomen aanvang van het gebruik ingediend bij het bevoegd gezag, tenzij het bevoegd gezag een kortere periode hanteert.

  • 2. Een gebruiksmelding wordt ingediend op een door het bevoegd gezag beschikbaar gesteld formulier, waarvan het model is vastgesteld bij ministeriële regeling.

  • 3. Bij toepassing van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.4, eerste lid, verstrekt de melder indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is, tevens de gegevens en bescheiden waarmee de gelijkwaardigheid voldoende aannemelijk wordt gemaakt.

  • 4. Bij een gebruiksmelding voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik van een plaats wordt door de melder aangegeven voor welke periode of voor welke tijdvakken in een kalenderjaar het gebruik is beoogd.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de wijze van melden.

Artikel 2.3 Indieningsvereisten gebruiksmelding

  • 1. Bij een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, verstrekt de melder:

    • a. een situatieschets met noordpijl;

    • b. een plattegrond met een maat- of schaalaanduiding, die de objecten, groter dan 25m2, op die plaats bevat.

  • 2. Bij een bouwsel met een verblijfsruimte die is bestemd voor meer dan 150 personen tegelijk, wordt de hoogste bezetting van die verblijfsruimte opgegeven, en bevat de plattegrond per verblijfsruimte:

    • a. de voor personen beschikbare oppervlakte;

    • b. de gebruiksbestemming;

    • c. de opstelling van inventaris en van de in artikel 5.5 bedoelde inrichtingselementen, met aanduiding van de situering van, voor zover deze aanwezig zijn:

      • 1°. brand- en rookwerende scheidingsconstructies;

      • 2°. vluchtroutes;

      • 3°. draairichting van doorgangen als bedoeld in artikel 4.16;

      • 4°. nooduitgangen en vluchtroutes, met aanduiding van de breedte daarvan;

      • 5°. vluchtrouteaanduidingen als bedoeld in artikel 4.15;

      • 6°. noodverlichting als bedoeld in artikel 4.3;

      • 7°. brandblusvoorzieningen als bedoeld in artikel 4.20, en

      • 8°. brandweeringang als bedoeld in artikel 4.24.

    De aanduidingen zijn conform NEN 1413, indien deze norm daarin voorziet.

Artikel 2.4 Afhandeling gebruiksmelding

  • 1. De melder krijgt door of namens het bevoegd gezag een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.

  • 2. De melder verstrekt aanvullende informatie voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is om aannemelijk te maken dat het gebruik voldoet aan de bij of krachtens de Wet veiligheidsregio’s geldende eisen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan na een melding van een gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, nadere voorwaarden opleggen aan het gebruik indien deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand.

  • 4. Het is verboden in strijd te handelen met de nadere voorwaarden, bedoeld in het derde lid.

Artikel 2.5 Wijzigen nadere voorwaarden gebruiksmelding

  • 1. Het bevoegd gezag kan de nadere voorwaarden, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, wijzigen:

    • a. indien een verandering van inzichten of van omstandigheden gelegen buiten een plaats die bij de beoordeling van de melding een rol hebben gespeeld dit noodzakelijk maakt, of

    • b. op verzoek van de melder.

  • 2. Het bevoegd gezag gaat niet over tot wijziging van de nadere voorwaarden, bedoeld in artikel 2.4, dan nadat het de melder in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

HOOFDSTUK 3 BOUWTECHNISCHE VOORSCHRIFTEN IN VERBAND MET BRAND

§ 3.1 Sterkte bij brand

Artikel 3.1 Aansturingsartikel
  • 1. Een verblijfsruimte stort bij brand zodanig lang niet in dat daaruit veilig kan worden gevlucht.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 3.2 Tijdsduur bezwijken
  • 1. Een vloer, trap of hellingbaan, waarover of waaronder een vluchtroute voert, bezwijkt niet binnen 20 minuten bij brand in een brandcompartiment waarin die vluchtroute niet ligt.

  • 2. Een dragende constructie van een vloer, trap of hellingbaan hoger dan 5 m boven het meetniveau, bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de dragende constructie niet ligt, niet binnen 30 minuten door het bezwijken van een constructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

§ 3.2 Afscheiding van vloer, trap en hellingbaan

Artikel 3.3 Aansturingsartikel
  • 1. Een plaats bevat voorzieningen waardoor het vallen van een vloer, een trap of een hellingbaan bij ontvluchting redelijkerwijs wordt voorkomen.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 3.4 Aanwezigheid
  • 1. Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

  • 2. Een trap heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.

  • 3. Een hellingbaan heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.

  • 4. Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

    • a. een trap, of

    • b. een hellingbaan.

  • 5. Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:

    • a. een rand van een podium;

    • b. een rand van een vloer die aan een bassin grenst;

    • c. een rand van een laadvloer;

    • d. een rand van een perron, en

    • e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d gelijk te stellen rand van een vloer.

Artikel 3.5 Hoogte
  • 1. Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 3.5 eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 0,9 m, gemeten vanaf de vloer.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, ter plaatse van een beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de vloer.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m, indien de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1 m is.

  • 4. Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.5, tweede en derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.

Artikel 3.6 Openingen

De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 3.5 is niet groter dan 0,1 m.

§ 3.3 Veilig overbruggen van hoogteverschillen

Artikel 3.7 Aansturingsartikel
  • 1. Een plaats heeft in een vluchtroute voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 3.8 Voorziening bij hoogteverschil
  • 1. Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert, wordt overbrugd door een trap of een hellingbaan.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor de vluchtroute van een vaartuig naar de wal.

§ 3.4 Trap

Artikel 3.9 Aansturingsartikel
  • 1. Een trap in een vluchtroute die een hoogteverschil als bedoeld in artikel 3.8 overbrugt, kan veilig worden gebruikt.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 3.10 Afmetingen trap
  • 1. Een trap als bedoeld in artikel 3.8 heeft afmetingen die voldoen aan tabel 3.10.

  • 2. Een trap overbrugt een hoogteverschil van niet meer dan 4 m.

    Tabel 3.10

    Afmetingen van een trap (in meters)

     

    Minimum breedte van de trap

    0,6

    Minimum vrije hoogte boven de trap

    2,0

    Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede

    0,13

    Maximum hoogte van een optrede

    0,22

    Minimum afstand van klimlijn tot zijkanten trap

    0,2

Artikel 3.11 Trapbordes

Een trap als bedoeld in artikel 3.8 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,6 m x 0,6 m.

Artikel 3.12 Leuning

Een trap als bedoeld in artikel 3.8 waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn groter is dan 2:3 heeft, voor zover een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m.

§ 3.5 Hellingbaan

Artikel 3.13 Aansturingsartikel
  • 1. Een hellingbaan in een vluchtroute die een hoogteverschil als bedoeld in artikel 3.8 overbrugt, kan veilig worden gebruikt.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 3.14 Afmetingen hellingbaan

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.8 heeft een breedte van ten minste 0,7 m en een helling van ten hoogste 1:10.

Artikel 3.15 Hellingbaanbordes

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.9 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.

§ 3.6 Beperking van het ontwikkelen van brand en rook

Artikel 3.16 Aansturingsartikel
  • 1. Een verblijfsruimte als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

  • 3. Bij een bijeenkomsttent wordt aan het eerste lid voldaan door toepassing van NEN 8020-41.

Artikel 3.17 Oppervlak
  • 1. Een zijde van een constructieonderdeel in een besloten ruimte voldoet aan brandklasse B en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

  • 2. Materiaal ter plaatse van of nabij toestellen en installaties die warmte ontwikkelen voldoet aan brandklasse A1, als bedoeld in NEN-EN 13501-1 of is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, indien:

    • a. op het materiaal een intensiteit van de warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2, of

    • b. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.

Artikel 3.18 Beloopbaar vlak

In afwijking van artikel 3.17 geldt voor de bovenzijde van een voor personen bestemde vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht, brandklasse Cfl en rookklasse s1fl, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 3.19 Vrijgesteld

Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke besloten ruimte, waarvoor volgens de artikelen 3.17 en 3.18 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

Artikel 3.20 Dakoppervlak

De bovenzijde van een dak van een ruimte met een voor personen bestemde vloer die hoger ligt dan 5 m boven meetniveau, is niet brandgevaarlijk, bepaald volgens NEN 6063.

§ 3.7 Beperking van uitbreiding van brand

Artikel 3.21 Aansturingsartikel
  • 1. Een plaats is zodanig dat de kans op een snelle uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

  • 3. Bij een bijeenkomsttent wordt aan het eerste lid voldaan door toepassing van NEN 8020-41.

Artikel 3.22 Ligging in brandcompartiment
  • 1. Een bouwsel of een gedeelte van een of meer bouwsels ligt in een brandcompartiment.

  • 2. Onverminderd het eerste lid liggen in een brandcompartiment:

    • a. een besloten ruimte waarin een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW worden opgesteld, of

    • b. een of meer gezamenlijk bovengronds opgestelde afvalcontainers met brandbare materialen met een totale inhoud van meer dan 10 m3.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een verkeerstent, op een jachthaven of op een tentenkamp.

Artikel 3.23 Omvang brandcompartiment
  • 1. Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan

    • a. 1.000 m2 voor een logiesfunctie,

    • b. 2.000 m2 voor een bijeenkomstfunctie, een kantoorfunctie en een winkelfunctie, en

    • c. 3.000 m2 voor een industriefunctie, een sportfunctie en overige gebruiksfuncties.

  • 2. In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier standplaatsen voor kampeermiddelen en bijbehorende bouwsels met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de recreatieligplaatsen in een jachthaven of op een tentenkamp.

  • 4. In afwijking van het eerste lid is een besloten ruimte als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, of zijn een of meer afvalcontainers als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, een afzonderlijk brandcompartiment.

  • 5. In afwijking van het eerste lid mag de gebruiksoppervlakte van het brandcompartiment groter zijn indien:

    • a. de gemiddelde overeenkomstig NEN 6090 bepaalde vuurbelasting niet meer bedraagt dan 8 kg vurenhout/m2, of

    • b. de gemiddelde overeenkomstig NEN 6090 bepaalde vuurbelasting niet meer bedraagt dan 30 kg vurenhout/m2 en de afstand tussen een opstelplaats voor brandweervoertuigen en ieder punt in het brandcompartiment niet groter is dan 60 m.

  • 6. Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een plaatsperceel.

  • 7. Het zesde lid is niet van toepassing indien er sprake is van een tijdelijk brandcompartiment.

Artikel 3.24 Afmeren pleziervaartuig
  • 1. Een aan een of meer andere pleziervaartuigen afgemeerd pleziervaartuig ligt niet meer dan 20 m van de walkant of steiger.

  • 2. Een afgemeerd pleziervaartuig waarop personen verblijven kan in geval van brand zodanig worden vrijgegeven dat er ten minste 5 m afstand kan worden genomen van de brandhaard.

Artikel 3.25 Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag
  • 1. De overeenkomstig NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 30 minuten.

  • 2. Aan de in het eerste lid vereiste weerstand wordt voldaan indien de afstand van een brandcompartiment tot een ander brandcompartiment ten minste 5 m is.

  • 3. In afwijking van het eerste lid is de overeenkomstig NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een cluster kampeermiddelen naar een ander cluster kampeermiddelen op een andere standplaats ten minste 20 minuten.

  • 4. Aan de in het derde lid vereiste weerstand wordt voldaan indien de afstand van enig bouwsel tot een kampeermiddel op een andere standplaats ten minste 3 m is.

  • 5. Indien een afstand als bedoeld in het tweede of vierde lid wordt gehanteerd, is de tussenliggende oppervlakte vrij van materialen, anders dan levende natuur of vervoermiddelen, die brandoverslag kunnen bevorderen.

  • 6. Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend plaatsperceel gelegen bouwsel wordt voor het op het andere plaatsperceel gelegen bouwsel uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de plaatsperceelsgrens gelegen bouwsel. Indien het plaatsperceel grenst aan een openbare weg, aan openbaar water of openbaar groen, of aan een plaatsperceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen, vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat plaatsperceel.

  • 7. Het zesde lid is niet van toepassing indien er gedurende de periode waarin het bouwsel gebruikt wordt geen sprake is van een bouwsel of bouwwerk op het aangrenzend plaatsperceel.

§ 3.8 Opslag van brandgevaarlijke stoffen

Artikel 3.26 Aansturingsartikel
  • 1. Een voorziening voor het opslaan van brandgevaarlijke stoffen is veilig.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 3.27 Gasopslag

Een gasflessenopslag voldoet aan de eisen die zijn opgenomen in PGS 15.

Artikel 3.28 Opslagtank vloeibare brandstof

Een opslagtank voor vloeibare brandstof voldoet aan de eisen die zijn opgenomen in PGS 30.

§ 3.9 Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas

Artikel 3.29 Aansturingsartikel
  • 1. Een opstelplaats voor een verbrandingstoestel is veilig.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 3.30 Aanwezigheid toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas

Een besloten ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas. Een opstelplaats voor een kooktoestel met een nominale belasting van niet meer dan 15 kW, gelegen in een verblijfsruimte, blijft hierbij buiten beschouwing.

§ 3.10 Vluchtroutes

Artikel 3.31 Aansturingsartikel
  • 1. Een plaats heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

  • 3. Bij een bijeenkomsttent wordt aan het eerste lid voldaan door toepassing van NEN 8020-41.

Artikel 3.32 Lengte vluchtroute
  • 1. Op elk punt in een verblijfsruimte begint een vluchtroute die leidt naar een veilige plaats.

  • 2. De loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en een punt buiten het brandcompartiment waarin die verblijfsruimte ligt, is niet groter dan 60 m.

  • 3. De in het tweede lid genoemde loopafstand kan worden verlengd indien gedurende de tijd dat binnen het compartiment wordt gevlucht:

    • a. de stralingsflux niet groter is dan 1 kW/m3;

    • b. de temperatuur niet hoger is dan 45 °C, en

    • c. de zichtlengte niet kleiner is dan 100 m.

Artikel 3.33 Aantal vluchtroutes
  • 1. Een verblijfsruimte, bestemd voor meer dan 225 personen, of een gebied, bestemd voor meer dan 225 personen, heeft ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt, met een onderlinge afstand van ten minste 5 m.

  • 2. Buiten het brandcompartiment waarin een in het eerste lid bedoelde andere vluchtroute begint, voeren twee vluchtroutes niet over dezelfde route.

  • 3. In afwijking van het eerste lid heeft een recreatieligplaats ten minste een vluchtroute.

Artikel 3.34 Inrichting vluchtroute
  • 1. De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen de twee vluchtroutes als bedoeld in artikel 3.36, eerste lid, is ten minste 30 minuten.

  • 2. In een vluchtroute heeft elke vrije doorgang een breedte van ten minste 0,50 m, heeft minimaal één doorgang een breedte van ten minste 0,85 m en heeft elke doorgang een hoogte van ten minste 2 m.

Artikel 3.35 Capaciteit van een vluchtroute
  • 1. De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute, uitgedrukt in personen, is ten minste het aantal personen dat op dat gedeelte is aangewezen. Bij de bepaling van de doorstroomcapaciteit wordt uitgegaan van:

    • a. 45 personen per minuut per meter breedte van een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 meter en 90 personen per meter vrije breedte bij een hoogteverschil van ten hoogste 1 meter, indien de aantrede van de trap ten minste 0,17 m bedraagt;

    • b. 90 personen per minuut per meter vrije breedte van een ruimte,

    • c. 90 personen per minuut per meter vrije breedte van een doorgang, indien zich in de doorgang een dubbele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden;

    • d. 110 personen per minuut per meter vrije breedte van een doorgang, indien zich in de doorgang een enkele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden, en

    • e. 135 personen per minuut per meter vrije breedte van een andere doorgang.

  • 2. De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute is zodanig, dat de op dat gedeelte aangewezen personen veilig kunnen vluchten.

HOOFDSTUK 4 VOORSCHRIFTEN INZAKE INSTALLATIES EN ORGANISATIE

§ 4.1 Verlichting

Artikel 4.1 Aansturingsartikel
  • 1. Een verblijfsruimte is zodanig verlicht dat deze veilig kan worden gebruikt en verlaten.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 4.2 Verlichting
  • 1. Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op de vloer gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 2. Een vluchtroute die leidt uit een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op de vloer en het tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de verblijfsruimte of de vluchtroute wordt gebruikt bij een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.

Artikel 4.3 Noodverlichting
  • 1. Een verblijfsruimte, bestemd voor meer dan 75 personen, en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting.

  • 2. Noodverlichting als bedoeld in het eerste lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op een vloer, een tredevlak of en hellingbaan gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de vluchtroute of ruimte wordt gebruikt bij een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.

Artikel 4.4 Aansluiting op voorziening voor elektriciteit

Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 4.2 en 4.3 is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit als bedoeld in artikel 4.7.

Artikel 4.5 Verduisterde ruimten

Een verblijfsruimte, bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen, heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is.

§ 4.2 Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie

Artikel 4.6 Aansturingsartikel
  • 1. Een voorziening voor het afnemen van energie is veilig.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 4.7 Voorziening voor elektriciteit

Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan NEN 1010.

Artikel 4.8 Toestellen en installaties voor bakken en braden
  • 1. Een frituurtoestel is thermisch zodanig beveiligd dat de temperatuur van het bakmiddel niet hoger wordt dan 200 °C.

  • 2. Een bakinstallatie is zodanig geconstrueerd dat bij overbruisen, over de rand of door kieren om de rand, olie of vet niet in de verbrandingsruimte kan komen.

§ 4.3 Installatievoorzieningen voor gas

Artikel 4.9 Aansturingartikel
  • 1. Een gasinstallatie is veilig.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 4.10 Gasinstallatie
  • 1. Voor een gasverbruikstoestel met toebehoren gelden de volgende voorschriften:

    • a. de in het gasverbruikstoestel en toebehoren toegepaste brandstof is overeenkomstig de technische specificaties van de leverancier van het toestel;

    • b. de verbinding tussen een gastank of gasfles en gasverbruikstoestel bestaat uit een deugdelijke samenstelling van slang of leiding, een drukreduceersysteem en aansluitingen en afsluitkranen;

    • c. de verbinding tussen een gastank of gasfles en gasverbruikstoestel verkeert in goede staat van onderhoud, is niet uitgedroogd, vertoont geen andere beschadigingen en is niet ouder dan 10 jaar of dan het aantal jaren dat volgens de productspecificatie als levensduur kan worden aangehouden;

    • d. een gasverbruikstoestel en toebehoren verkeren in goede staat van onderhoud en zijn niet beschadigd;

    • e. een gastank of gasfles en een gasverbruikstoestel zijn stabiel opgesteld, en

    • f. een gastank of gasfles en een gasverbruikstoestel staan niet in een vluchtroute.

  • 2. Het toegepaste drukreduceersysteem is op een van de volgende wijzen gemonteerd:

    • a. direct op de kraan van de gastank of gasfles;

    • b. door gebruik van een geschikte flexibele hogedrukslang tussen gasfles en drukreduceersysteem, die niet langer is dan 0,4 m, of dan 0,75 m indien een uitschuiflade wordt toegepast voor het plaatsen van de flessen.

  • 3. Het toegepaste drukreduceersysteem bezit voldoende doorlaatcapaciteit voor een ongestoorde en gelijktijdige nominale belasting van alle tot de installatie behorende verbruikstoestellen.

  • 4. Het toegepaste drukreduceersysteem is zodanig, dat de druk waaronder het gas aan een verbruikstoestel wordt toegevoerd, niet hoger is dan de werkdruk die door de fabrikant van het verbruikstoestel is voorgeschreven.

  • 5. Bij gelijktijdige aansluiting van meer gasflessen behoort de installatie te zijn voorzien van een voorziening die het ontsnappen van onverbrand gas voorkomt indien een van de flessen is afgekoppeld.

  • 6. De gasslang of gasleiding tussen het drukreduceersysteem en het gasverbruikstoestel is niet langer dan 10 m, tenzij door branchegebruik, in de betreffende gebruiksaanwijzing of door toestemming van de brandweer een grotere lengte is toegestaan.

  • 7. Bij een gasverbruikstoestel zijn de toepasselijke specificaties voor het installeren vanwege de leverancier aanwezig.

  • 8. De lpg-installaties voor gebruik anders dan voor de aandrijving van motorvoertuigen voldoen aan NEN-NPR 2577.

  • 9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gesteld aan LPG-installaties, anders dan voor de aandrijving van motorvoertuigen, en de kwaliteitsborging daarvan.

§ 4.4 Vaststellen van brand

Artikel 4.11 Aansturingsartikel
  • 1. In een verblijfsruimte kan een brand zo tijdig worden ontdekt dat veilig kan worden gevlucht.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 4.12 Tijdig vaststellen van brand
  • 1. Degene die het gebruik van een plaats als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, organiseert, treft maatregelen voor het tijdig ontdekken van brand in een verblijfsruimte op die plaats.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de ligplaatsen voor pleziervaartuigen in een jachthaven of op een tentenkamp.

§ 4.5 Vluchten bij brand

Artikel 4.13 Aansturingsartikel
  • 1. Een plaats heeft zodanige voorzieningen dat het ontvluchten goed kan verlopen.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 4.14 Alarmering
  • 1. Degene die het gebruik van een plaats met een of meer verblijfsruimten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, organiseert, treft maatregelen voor het tijdig alarmeren.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde maatregelen zijn geschikt om personen in het bedreigde gedeelte van de plaats te waarschuwen.

Artikel 4.15 Vluchtrouteaanduidingen
  • 1. Een verblijfsruimte, bestemd voor meer dan 50 personen, en een ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, heeft een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN-EN-ISO-7010 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838.

  • 2. Een plaats als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, heeft voldoende vluchtrouteaanduidingen waarmee personen naar een veilige plaats worden verwezen.

  • 3. Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste en tweede lid is aangebracht op een duidelijk waarneembare plek.

  • 4. Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste of tweede lid voldoet binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, gedurende een periode van ten minste 60 minuten, aan de zichtbaarheidseisen bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838.

  • 5. Bij een bijeenkomsttent wordt aan dit artikel voldaan door toepassing van de NEN 8020-41.

Artikel 4.16 Doorgangen in vluchtroutes
  • 1. Een beweegbaar deel in een doorgang in een vluchtroute opent niet tegen de vluchtrichting in indien meer dan 60 personen op die doorgang zijn aangewezen.

  • 2. Een beweegbaar deel in een doorgang in een vluchtroute waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen, kan worden geopend door:

    • a. een lichte druk tegen de doorgang, of

    • b. een lichte druk tegen een op circa 1 m boven de vloer aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125.

  • 3. Aan de aan de buitenlucht grenzende zijde van een nooddeur of nooduitgang is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor aanvullende tekens in NEN 3011.

  • 4. De doorgang in een vluchtroute van een bijeenkomsttent voldoet aan NEN 8020-41.

Artikel 4.17 Zelfsluitend constructieonderdeel

Een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, is zelfsluitend.

§ 4.6 Bestrijden van brand

Artikel 4.18 Aansturingsartikel
  • 1. Een plaats heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 4.19 Bluswatervoorziening
  • 1. Een niet-openbare plaats heeft een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van de plaats dat niet vereist.

  • 2. Een bluswatervoorziening als bedoeld in het eerste lid is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 4.20 Brandblusvoorzieningen
  • 1. Op een plaats met een verblijfsruimte, bestemd voor meer dan 50 personen, is een adequate brandblusvoorziening aanwezig om een beginnende brand te bestrijden.

  • 2. In de directe nabijheid van een opslag voor brandbare goederen of een toestel of installatie voor koken, bakken, braden of frituren is een adequate brandblusvoorziening aanwezig.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 4.27, wordt ten minste eenmaal per twee jaar overeenkomstig NEN 2559, NEN 2659 en NEN-EN 671-3 op adequate wijze het nodige onderhoud aan een bij of krachtens de Wet veiligheidsregio’s voorgeschreven draagbaar blustoestel, verrijdbaar blustoestel of brandslangsysteem verricht en de goede werking van die brandblusvoorziening gecontroleerd.

Artikel 4.21 Zichtbaarheid brandblusvoorzieningen

Een voorziening voor het bestrijden van brand als bedoeld in artikel 4.20 is duidelijk zichtbaar of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.

§ 4.7 Basishulpverlening en ontruimingsplan

Artikel 4.22 Basishulpverlening en ontruimingsplan
  • 1. Degene die het gebruik van een plaats als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, organiseert, treft tevens maatregelen gericht op:

    • a. het verlenen van eerste hulp;

    • b. het ontruimen;

    • c. het bestrijden van een beginnende brand, en

    • d. het alarmeren, opvangen en informeren van de hulpverleningsdiensten.

  • 2. Het alarmeren van de hulpverleningsdiensten komt tot stand via een deugdelijke verbinding.

  • 3. Voor een plaats als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, bestaat een ontruimingsplan.

  • 4. Degene die het gebruik van een plaats als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, organiseert, draagt er zorg voor dat er voldoende personen aangewezen en aanwezig zijn die de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitvoeren, en dat het ontruimingsplan bij hen bekend is.

§ 4.8 Bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten

Artikel 4.23 Aansturingsartikel
  • 1. Een plaats is zodanig bereikbaar voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulp kan worden geboden.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 4.24 Brandweeringang
  • 1. Een bouwsel met een verblijfsruimte heeft een brandweeringang, tenzij het bevoegd gezag kenbaar heeft gemaakt dat, gelet op de aard, de ligging of het gebruik van de plaats, dit niet is vereist

  • 2. Indien het bouwsel als bedoeld in het eerste lid meer dan één toegang heeft, worden in overleg met de brandweer een of meer van die toegangen als brandweeringang aangewezen.

  • 3. Indien in het bouwsel wordt geslapen, kan de brandweeringang door de brandweer worden ontsloten met een systeem dat in overeenstemming met de brandweer is bepaald.

Artikel 4.25 Bereikbaarheid bouwsels voor hulpverleningsdiensten
  • 1. Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwsel met een verblijfsruimte ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 2.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b. op een of meer bouwsels met elk een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c. indien de toegang tot het bouwsel op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt, of

    • d. indien het bevoegd gezag kenbaar heeft gemaakt dat, gelet op de aard, de ligging of het gebruik van het bouwsel, geen verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid is vereist.

  • 3. Tenzij het bestemmingsplan of een gemeentelijke verordening anderszins bepaalt, heeft een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid:

    • a. een breedte van ten minste 4,5 m;

    • b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;

    • c. een vrije hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m, en

    • d. een doeltreffende afwatering.

  • 4. Een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid is over de in het derde lid voorgeschreven hoogte en breedte vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 5. Hekwerken die een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid afsluiten, kunnen door hulpverleningsdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Artikel 4.26 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  • 1. Bij een bouwsel met een verblijfsruimte zijn zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en een bluswatervoorziening kan worden gelegd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 2.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b. op een bouwsel met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2, of

    • c. indien het bevoegd gezag kenbaar heeft gemaakt dat, gelet op de aard, de ligging of het gebruik van het bouwsel geen opstelplaatsen als bedoeld in het eerste lid zijn vereist.

  • 3. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen als bedoeld in het eerste lid is over de voorgeschreven hoogte en breedte als bedoeld in artikel 4.25, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  • 4. Hekwerken die een opstelplaats als bedoeld in het eerste lid afsluiten, kunnen door hulpverleningsdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

  • 5. Tenzij in overleg met de brandweer anders is bepaald, is de afstand tussen een opstelplaats als bedoeld in het eerste lid en een brandweeringang als bedoeld in artikel 4.24 ten hoogste 40 m.

§ 4.9 Zorgplicht installaties

Artikel 4.27 Zorgplicht installaties
  • 1. Een bij of krachtens dit besluit aanwezige installatie als bedoeld in dit hoofdstuk:

    • a. functioneert overeenkomstig de op die installatie van toepassing zijnde voorschriften;

    • b. wordt adequaat beheerd, onderhouden en gecontroleerd, en

    • c. wordt zodanig gebruikt dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

  • 2. Een aangebrachte of gewijzigde kabel-, leiding- of andere doorvoer in of door een scheidingsconstructie waarvoor op grond van dit besluit een eis met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, doet geen afbreuk aan de vereiste weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag.

HOOFDSTUK 5 VOORSCHRIFTEN INZAKE GEBRUIK

§ 5.1 Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand

Artikel 5.1 Aansturingsartikel
  • 1. Het gebruik van een plaats is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand wordt voorkomen.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 5.2 Roken en open vuur
  • 1. Het is verboden te roken of open vuur te hebben:

    • a. in een ruimte, bestemd voor de opslag van een brandgevaarlijke stof;

    • b. bij het verrichten van een handeling die het uitstromen van een brandgevaarlijke stof kan veroorzaken;

    • c. bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandgevaarlijke stof, of

    • d. op andere gedeelten van de plaats waarvoor dit is aangegeven.

  • 2. Open vuur wordt op een veilige manier toegepast.

  • 3. Het in het eerste lid bedoelde verbod wordt goed zichtbaar aangegeven door het aanbrengen van een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig NEN 3011.

Artikel 5.3 Vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel

Een zelfsluitend constructieonderdeel als bedoeld in artikel 4.17 wordt niet in geopende stand vastgezet, tenzij het constructieonderdeel bij brand en bij rook door brand automatisch wordt losgelaten.

Artikel 5.4 Aankleding
  • 1. Aankleding in een besloten ruimte levert geen brandgevaar op.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan indien de aankleding:

    • a. een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert;

    • b. onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;

    • c. voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1;

    • d. voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen als bedoeld in paragraaf 3.6, of

    • e. een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder e, levert aankleding in een besloten ruimte voor het verblijven van meer dan 50 personen brandgevaar op indien:

    • a. de aankleding zich bevindt boven een gedeelte van de vloer waar personen aanwezig kunnen zijn;

    • b. de verticale vrije ruimte tussen de vloer en de aankleding minder dan 2,5 m is, en

    • c. de aankleding niet direct op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht.

  • 4. Materiaal ter plaatse van of nabij apparatuur en installaties die warmte ontwikkelen, voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1 of is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, indien:

    • a. op het materiaal een intensiteit van de warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2, of

    • b. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 ºC.

  • 5. In een besloten ruimte zijn geen met brandbaar gas gevulde ballonnen aanwezig.

Artikel 5.5 Brandveiligheid inrichtingselementen
  • 1. In een besloten ruimte opgestelde stands, kramen, schappen, podia en daarmee vergelijkbare inrichtingselementen zijn brandveilig.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan indien een naar de lucht gekeerd onderdeel van het inrichtingselement:

    • a. onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;

    • b. voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1;

    • c. een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan brandklasse D als bedoeld in NEN-EN 13501-1;

    • d. een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan klasse 4 als bedoeld in NEN 6065, of

    • e. een dikte heeft van minder dan 3,5 mm en over de volle oppervlakte is verlijmd met een onderdeel als bedoeld onder c of d.

Artikel 5.6 Brandgevaarlijke stoffen
  • 1. In, op of nabij een bouwsel is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 5.6 aanwezig.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    • a. de in tabel 5.6 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, met dien verstande dat de totale toegestane gezamenlijk opgestelde hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is;

    • b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

      • 1°. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;

      • 2°. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding, en

      • 3°. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen, en

    • c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;

    • b. brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmteontwikkelend toestel;

    • c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;

    • d. gezamenlijk opgestelde gasflessen tot een totale waterinhoud van 125 liter;

    • e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een gezamenlijk opgestelde totale hoeveelheid van 1.000 liter, en

    • f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is toegestaan.

  • 4. Bij het berekenen van een toegestane hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

  • 5. In afwijking van het derde lid, onderdeel e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een in dat onderdeel bedoelde oliesoort toegestaan indien de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen.

    Tabel 5.6

    ADR-klasse

    Omschrijving

    Verpakkingsgroep

    Toegestane maximum gezamenlijk opgestelde hoeveelheid1 in kg of l

    2

    UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas

    gassen zoals propaan, zuurstof, acyteleen, aerosolen (spuitbussen)

    n.v.t.

    50

    3

    brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton

    II

    25

    3

    excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61 °C en 100 °C

    brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten

    III

    50

    4.1

    brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders

    II en III

    50

    4.2

    voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink

    II en III

    50

    4.3

    stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

    II en III

    50

    5.1

    brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide

    II en III

    50

    5.2

    organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en dipropionyl peroxide

    n.v.t.

    1

    X Noot
    1

    Eenheid bepaald overeenkomstig bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht.

Artikel 5.7 Opstelling gebruikshoeveelheid gasflessen
  • 1. De ruimte waarin een of meer gasflessen voor gebruik opgesteld staan, is, tenzij het een kampeertent betreft, op de buitenlucht geventileerd door middel van een of meer, niet afsluitbare ventilatieopeningen, waarvan de grootte en de positie zijn afgestemd op de hoeveelheid en de eigenschappen van het gebruikte gas.

  • 2. De plek waarin een of meer gasflessen voor gebruik opgesteld staan in pleziervaartuigen en in andere kampeermiddelen dan kampeertenten, is gescheiden van de verblijfsruimte.

  • 3. De voor het gebruik noodzakelijke werkvoorraad en dagvoorraad voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in PGS 15.

Artikel 5.8 Brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen
  • 1. Opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen is zodanig dat bij brand geen onveilige situatie kan ontstaan voor een op een aangrenzend perceel gelegen gebouw dat op grond van hoofdstuk 3 een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment is, of voor een speeltuin, kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen.

  • 2. Aan het eerste lid wordt bij opslag van hout voldaan indien:

    • a. de opslag bij brand gedurende een periode van ten minste 60 minuten, gerekend vanaf het ontstaan van de brand, geen grotere stralingsbelasting veroorzaakt dan 15 kW/m2;

    • b. de bereikbaarheid van de opslag vanaf twee tegenover elkaar liggende zijden is gewaarborgd, waarbij in een derde zijde ook een toegangsmogelijkheid aanwezig is indien die zijde langer is dan 40 m, en

    • c. bij de opslag een bluswatervoorziening met gedurende ten minste vier uren een toevoercapaciteit van ten minste 90 m3 per uur aanwezig is.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde stralingsbelasting wordt gemeten op:

    • a. de plaatsperceelsgrens, indien het aangrenzend perceel een kampeerterrein, een speeltuin of een opslag van brandgevaarlijke stoffen is, en

    • b. enig naar de opslag gericht punt van de uitwendige scheidingsconstructie van een op het aangrenzend perceel gelegen gebouw.

Artikel 5.9 Opslag in stookruimte

In een besloten ruimte met een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW zijn geen brandbare goederen opgeslagen of opgesteld.

Artikel 5.10 Veilig gebruik verbrandingstoestel
  • 1. Een verbrandingstoestel wordt uitsluitend gebruikt indien:

    • a. de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht en de voorziening voor afvoer van rookgas, als bedoeld in artikel 3.33, niet zijn afgesloten;

    • b. de capaciteit van de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht, van de voorziening voor afvoer van rookgas, als bedoeld in artikel 3.33, en van de daarop aangesloten aansluitleidingen, niet kleiner zijn dan de voor het adequaat functioneren van het verbrandingstoestel noodzakelijke capaciteit;

    • c. de opstelling van het verbrandingstoestel met inbegrip van een aansluitleiding tussen het toestel en de voorziening voor de afvoer van rookgas brandveilig is;

    • d. de voorziening voor afvoer van rookgas doeltreffend is gereinigd, en

    • e. het verbrandingstoestel met een aansluitmogelijkheid op een voorziening voor afvoer van rookgas adequaat op de voorziening aangesloten is.

  • 2. Van een brandveilige opstelling als bedoeld in het eerste lid, onder c, is sprake indien de opstelling brandveilig is, bepaald volgens NEN 3028.

Artikel 5.11 Veilig gebruik installaties
  • 1. Een toestel of een installatie wordt uitsluitend door een deskundig persoon gerepareerd of veranderd.

  • 2. Een gasfles of een gastank wordt tot niet meer dan 80% gevuld. Een lege gasfles wordt met gesloten afsluiter bewaard.

  • 3. Bij een verbruikstoestel zijn de toepasselijke specificaties voor gebruik en onderhoud vanwege de leverancier aanwezig.

  • 4. De in het derde lid bedoelde specificaties worden overeenkomstig nageleefd.

  • 5. Een voorziening voor elektriciteit als bedoeld in artikel 4.7 wordt niet gebruikt op een wijze die gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.

  • 6. Een voorziening voor de afvoer van rook wordt na brand uitsluitend gebruikt indien die voorziening is gereinigd en hersteld.

  • 7. Binnen handbereik van een baktoestel is voor iedere bak een passend deksel of een blusdeken aanwezig waarmee de bakken ingeval van brand kunnen worden afgedekt.

Artikel 5.12 Stalling voertuigen of pleziervaartuigen

Tijdens de stalling van voertuigen of pleziervaartuigen is het niet toegestaan om:

  • a. gasflessen en losse brandstoftanks in het voer- of pleziervaartuig achter te laten;

  • b. de verwarming van het voer- of pleziervaartuig te gebruiken zonder direct toezicht, en

  • c. brandgevaarlijke werkzaamheden aan, op of in het voer- of pleziervaartuig te verrichten of te laten verrichten buiten de daartoe door de beheerder aangewezen plek.

§ 5.2 Veilig gebruik van bakkramen en bakwagens

Artikel 5.13 Aansturingsartikel
  • 1. De opstelling van een voorziening ten behoeve van kook-, bak-, braad- of frituuractiviteiten is veilig.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

Artikel 5.14 Bakkramen en bakwagens
  • 1. De afstand tussen een bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie en een gebouw bedraagt ten minste 2 m, of ten minste 5 m indien in die kraam of wagen wordt gefrituurd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    • a. het aangestraalde vlak van het bouwsel, gebouw of ander object een overeenkomstig NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag heeft van ten minste 60 minuten, of

    • b. de bakkraam of bakwagen is uitgerust met een automatische brandblusinstallatie.

  • 3. De afstand tussen een bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie en een andere bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie of een ander bouwsel bedraagt ten minste 2 m.

  • 4. De afstand tussen een bakkraam of bakwagen met een elektrische installatie waarin wordt gefrituurd, en een andere bakkraam of bakwagen of een ander bouwsel bedraagt ten minste 2 m.

  • 5. Bij het bepalen van de afstand als bedoeld in dit artikel wordt de buitenzijde van de bakkraam of bakwagen als meetpunt bedoeld.

§ 5.3 Veilig vluchten bij brand

Artikel 5.15 Aansturingsartikel
  • 1. Het gebruik van een plaats is zodanig dat bij brand veilig kan worden gevlucht.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.

  • 3. Bij een bijeenkomsttent wordt aan het eerste lid voldaan door toepassing van NEN 8020-41.

Artikel 5.16 Doorgangen in vluchtroutes
  • 1. Een doorgang op een vluchtroute is bij aanwezigheid van personen op de plaats uitsluitend gesloten indien die doorgang tijdens het vluchten, zonder gebruik te maken van een sleutel onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte kan worden geopend.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een doorgang op een vluchtroute als bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, op slot zijn, mits de inrichting, het gebruik en de organisatie zodanig zijn dat de doorgang tijdens het vluchten onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte kan worden geopend.

  • 3. Het eerste lid geldt niet voor een niet-gemeenschappelijke vluchtroute.

  • 4. Het eerste lid geldt niet voor een vluchtroute in een logiesfunctie.

Artikel 5.17 Opstelling zitplaatsen en verdere inrichting
  • 1. De inrichting van een besloten ruimte is zodanig dat:

    • a. voor elke persoon zonder zitplaats ten minste 0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is;

    • b. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,3 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is, indien geen inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang;

    • c. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,5 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is, indien inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang.

    Bij de berekening van de per persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaan van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte na aftrek van de oppervlakte van de inventaris.

  • 2. Indien op een plaats meer dan 100 zitplaatsen gezamenlijk zijn opgesteld, zijn de zitplaatsen gekoppeld of aan de vloer bevestigd, zodanig dat deze niet kunnen verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang, indien die zitplaatsen in een cluster van meer dan 4 rijen van meer dan 4 stoelen zijn opgesteld.

  • 3. Bij in rijen opgestelde zitplaatsen is tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig met een breedte van ten minste 0,4 m, gemeten tussen de loodlijnen op de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen.

  • 4. Indien in een rij als bedoeld in het derde lid tussen de zitplaatsen een tafel is geplaatst, bevindt deze zich niet in de vrije ruimte, bedoeld in dat lid.

  • 5. Een rij zitplaatsen die slechts aan een einde op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft niet meer dan 8 zitplaatsen.

  • 6. Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft ten hoogste:

    • a. 16 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, niet groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;

    • b. 32 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;

    • c. 50 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 1,1 m is.

Artikel 5.18 Gangpaden
  • 1. Een gangpad tussen stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen in een plaats is ten minste 1,1 m breed.

  • 2. Voor een uitgang in een plaats als bedoeld in het eerste lid is een vrije vloeroppervlakte met een lengte en een breedte van ten minste de breedte van deze uitgang.

Artikel 5.19 Beperking van gevaar voor letsel
  • 1. Tegen of onder het plafond aangebracht glas is veiligheidsglas of glas voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 0,016 m.

  • 2. Textiel, folie of papier in horizontale toepassing is onderspannen met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 m, of metaaldraad in twee richtingen met een maximale maaswijdte van 0,7 m.

  • 3. Aankleding in een besloten ruimte geeft bij brand geen druppelvorming boven een gedeelte van een vloer, bestemd voor gebruik door personen.

  • 4. In afwijking van het tweede en derde lid hoeven materiaal en ophanging van plafonds, en horizontale en verticale afscheidingen niet te worden onderspannen indien die ten minste voldoen aan klasse B van NEN-EN 13501-1.

Artikel 5.20 Voorkomen van hinder bij vluchten

Een kabel, slang of leiding in een vluchtroute is zodanig opgehangen, afgeplakt of onder matten weggeborgen dat personen er tijdens het vluchten niet door gehinderd worden.

HOOFDSTUK 6 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 6.1 Belemmeringen en hinder

Onverminderd het bij of krachtens dit besluit bepaalde is het verboden in, op, aan of nabij een plaats voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor:

  • a. brandgevaar wordt veroorzaakt;

  • b. bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt;

  • c. melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd;

  • d. het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd, of

  • e. het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd.

Artikel 6.2 Melden van brand en broei

Eenieder in een natuurgebied die brand of broei ontdekt of vermoedt, meldt dit onmiddellijk aan de centrale voor de hulpverleningsdiensten, tenzij hij weet dat een dergelijke melding reeds door een ander is gedaan.

Artikel 6.3 Natuurbranden

Eenieder in een natuurgebied is verplicht de voorschriften op te volgen, die het bevoegd gezag in geval van extreme droogte geeft tot het voorkomen van natuurbranden en het beperken van de gevolgen van natuurbranden.

HOOFDSTUK 7 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 7.1 Overgangsbepalingen

  • 1. Indien een gebruiksvergunning op grond van de verordening, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s, voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is verleend voor gebruik waarvoor op grond van artikel 2.1 van dit besluit een melding is vereist, blijft artikel 2.1 buiten toepassing.

  • 2. Indien de gebruiksvergunning, bedoeld in het eerste lid, onder voorwaarden is verleend, blijven deze voorwaarden van kracht, tenzij deze niet als nadere voorwaarden in de zin van artikel 2.4, derde lid, opgelegd zouden kunnen worden.

  • 3. Een aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in het eerste lid, ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, wordt beschouwd als melding, bedoeld in artikel 2.1 van dit besluit, indien op grond van laatstgenoemd artikel een melding is vereist.

  • 4. Indien een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanhangig bezwaar of beroep tegen de verlening van een gebruiksvergunning op grond van de verordening, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio's, is gericht tegen een aan de vergunning verbonden voorwaarde, wordt het bezwaar of beroep aangemerkt als een bezwaar of beroep dat is gericht tegen een voorwaarde die op grond van artikel 2.4, derde lid, opgelegd zou kunnen worden na een melding.

Artikel 7.2 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen ervan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 7.3 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 4 oktober 2017

Willem-Alexander

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

Uitgegeven de twaalfde oktober 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1.1 Inleiding

Dit besluit geeft regels over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke plaatsen, voor zover daarin niet bij of krachtens enige andere wet is voorzien. Tevens bevat dit besluit regels over de basishulpverlening op die plaatsen. De grondslag voor dit besluit is artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

De toevoeging overige is gekozen om kernachtig het aanvullende karakter van dit besluit tot uitdrukking te brengen. In de wet is dat verwoord als: voor zover daarin niet bij of krachtens enige andere wet is voorzien (artikel 3, derde lid van de Wet veiligheidsregio’s). Daarbij moet dan vooral gedacht worden aan de bouwregelgeving (Woningwet en Bouwbesluit 2012), maar ook aan het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarin regels zijn opgenomen over het opslaan van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. waarin de brandveiligheid voor gebouwen en andere bouwwerken is geregeld. Dit besluit ziet vooral op het gebruik van plaatsen in de open lucht, en op de constructies die met het oog het gebruik van die plaatsen daar tijdelijk aanwezig zijn.

Veel van de regels in dit besluit hebben betrekking op plaatsen waar groepen mensen in georganiseerd verband bij elkaar zijn, zoals openluchtfestivals. Daar kunnen immers risico’s ontstaan, onder meer wat betreft de brandveiligheid. Als algemeen uitgangspunt geldt dat burgers verantwoordelijk zijn voor hun eigen veiligheid, en in de praktijk zijn de meeste burgers zelfredzaam.1 Maar ook de overheid heeft verplichtingen. Als er op dergelijke plaatsen brand zou uitbreken, dan vormt die omstandigheid een extra veiligheidsrisico en daarmee een rechtvaardiging om ten aanzien van het brandveilig gebruik van dergelijke plaatsen regels te stellen.

De Wet veiligheidsregio’s bepaalt in artikel 2 onder meer dat het college van burgemeester en wethouders is belast met de organisatie van de brandweerzorg. Tot de brandweerzorg behoort onder meer het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt. Regels daarover worden door de gemeenteraad gesteld in de zogeheten brandbeveiligingsverordening. Daarnaast bepaalt de Wet veiligheidsregio’s in artikel 3, derde lid, dat er bij of krachtens maatregel van bestuur regels worden gesteld over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke plaatsen, voor zover daarin niet bij of krachtens enige andere wet is voorzien, en dat er regels worden gesteld over de basishulpverlening op die plaatsen.

Doelstelling

Dit besluit vormt in de eerste plaats de uitwerking van de grondslag met betrekking tot het brandveilig gebruik, die in de wet is opgenomen om te komen tot een landelijke uniforme regeling. Het besluit bevat regels die voorheen te vinden waren in de gemeentelijke brandbeveiligingsverordeningen, die veelal zijn geschoeid op de leest van de desbetreffende modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De modelverordening bracht weliswaar enige stroomlijning, maar er bleef lokaal een veelheid aan verschillende bepalingen bestaan – inherent aan een decentrale aanpak waarbij nu een kleine 400 gemeenten eigen regels kunnen formuleren. Bovendien werden in de modelverordening, en dus ook in de gemeentelijke verordeningen, ruimhartig aanzienlijke delen van het Bouwbesluit 2012 van overeenkomstige toepassing verklaard, waardoor niet altijd duidelijk was welke regels precies van toepassing waren. En als de regels van toepassing waren, werd miskend dat de (zware) regels uit de bouwregelgeving niet zonder meer passend waren voor de situaties waarop de lokale brandbeveiligingsverordeningen zagen, zoals zeer tijdelijke bouwwerken, ook wel aangeduid als: niet-bouwwerken. Juist bij een zo essentieel aspect als brandveiligheid is, zowel voor de overheid als voor het bedrijfsleven, gewenst dat de regels uniform, duidelijk, specifiek en beperkt zijn. Dit besluit beoogt dan ook:

  • a. een eind te maken aan onnodige lokale verschillen en zo de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid te bevorderen,

  • b. helderheid te bieden door uit te schrijven welke regels voor welke situatie gelden,

  • c. toegespitste regels te geven die niet zwaarder zijn dan nodig, en

  • d. de administratieve lasten voor bedrijven te beperken.

Ook biedt dit besluit kansen voor centraal geregisseerde voorlichting en ondersteunende ICT-toepassingen.

Met name de wens om te uniformeren is al in 2007 verwoord in de memorie van toelichting bij de Wet veiligheidsregio’s. Daarbij werd gewezen op een gelijksoortige beweging binnen de bouwregelgeving: een vooruitwijzing naar het Bouwbesluit 2012. Voorts werd onderstreept dat de Wet veiligheidsregio’s slechts voor aanvullende regels een grondslag zou gaan bevatten. Dat sloot aan bij de Brandweerwet 1985, een voorloper van de Wet veiligheidsregio's, waarin het aanvullende karakter (en de samenhang met de bouwregelgeving) expliciet tot uitdrukking was gebracht. Ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) stond in artikel 3, derde lid, van die wet dat er regels moesten komen voor het brandveilig gebruik van ruimten, niet zijnde bouwwerken. Bij het ontwerpen van het onderhavige besluit bleek die formulering evenwel minder gelukkig. Om die reden is artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s inmiddels gewijzigd in: voor mensen toegankelijke plaatsen, voor zover daarin niet bij of krachtens enige andere wet is voorzien.

Bij diezelfde wijziging is aan artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidregio’s toegevoegd dat er regels gesteld worden over de basishulpverlening op die plaatsen. Dit besluit vormt in de tweede plaats tevens van die opdracht de uitwerking.

Leidend beginsel

Het besluit bevat een aantal algemene bepalingen over veiligheid, maar is verder gebaseerd op de gedachte dat er alleen regeling nodig is voor situaties waarin een reëel risico bestaat. Dan geldt een meldingsplicht. Vervolgens wordt bezien waar het risico van vuur, warmte en rook het grootst is: bij een bepaald aantal mensen in een besloten ruimte; daarvoor bevat het besluit de strengste eisen. In de open lucht zijn die risico’s aanmerkelijk kleiner of afwezig.

Bouwbesluit 2012

Bij het opstellen van het onderhavige besluit is, zowel qua inhoud als qua terminologie, dikwijls aansluiting gezocht bij het Bouwbesluit 2012. Zoals gesteld, bleef de modelverordening dicht bij de bouwregelgeving, dus van een forse breuk met de bestaande praktijk kan dan ook niet gesproken worden. Vanwege de overeenkomsten was het soms zelfs mogelijk passages uit de toelichting over te nemen. Niettemin zijn er aanzienlijke verschillen, vooral omdat de bouwregelgeving primair ziet op bouwwerken, waarbij vooral veel constructie- en inrichtingseisen worden gesteld; regels over het brandveilig gebruik vormen daarvan slechts een beperkt onderdeel. Van het onderhavige besluit daarentegen vormen zij de kern, en zijn constructie-eisen, zo ze al worden gesteld, direct gerelateerd aan brandveiligheid, bijvoorbeeld het veilig kunnen vluchten in geval van brand.

Veel waarden die in dit besluit zijn opgenomen, komen overeen met de waarden die in het Bouwbesluit 2012 worden gebruikt in bepalingen over bestaande bouw. Waar deze te streng zijn voor het onderhavige besluit, is gekozen voor aangepaste waarden, in lijn met de risicobenadering.

Omgevingswet

De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving, ter vervulling van maatschappelijke functies. Met het oog op deze doelstellingen zijn onder meer de regels uit de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) over het brandveilig gebruik van bouwwerken opgenomen in de Omgevingswet. Deze wet is in april 2016 gepubliceerd2, maar nog niet in werking getreden.

De Omgevingswet wordt verder uitgewerkt in vier besluiten, waaronder het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dat algemene rijksregels stelt voor activiteiten als het in stand houden, bouwen en slopen van bouwwerken. Op een later moment wordt bezien of en hoe bepalingen uit dit besluit kunnen worden opgenomen in het stelsel van de Omgevingswet en het Bbl. Tot die tijd geldt dit besluit.

Basishulpverlening

Mede naar aanleiding van de brand in het cellencomplex bij Schiphol bleek er onduidelijk te bestaan wie verantwoordelijk is voor de veiligheid van personen op plaatsen. Er waren regels in het kader van de Arbeidsomstandigheden wet – vooral betrekking hebbend op de zorg van werkgevers voor werknemers, bekend onder de afkorting BHV (bedrijfshulpverlening). Er waren regels met eisen voor gebouwen en andere bouwwerken in het kader van de bouwregelgeving – vooral betrekking hebbend op bouwtechnische aspecten van brand en vluchten. Maar voor bijvoorbeeld voor bezoekers van bepaalde plaatsen was dit onderwerp niet helder geregeld. Oorspronkelijk bestond het voornemen om dit onderwerp te regelen in één algemene maatregel van bestuur, te baseren op de Arbeidsomstandighedenwet, de Woningwet en de Wet veiligheidsregio’s. Daarbij zou worden gekozen voor de aanduiding basishulpverlening, om de afkorting BHV, die ingeburgerd is, te kunnen blijven gebruiken. Dat begrip is met het oog daarop ook opgenomen in de Wet veiligheidsregio's. Het begrip drukt uit dat het om de eerste, basale activiteiten gaat, in afwachting van de komst van professionele hulpverleners. Uit internetconsultatie bleek dat er geen draagvlak was voor een gezamenlijk besluit. Er zou, aldus de reacties, te veel worden geregeld en toezicht en handhaving op basis van drie verschillende wetten en structuren zou niet voor de beoogde vermindering van regeldruk leiden, maar juist voor vermeerdering. Daarom is afgezien van een gezamenlijk besluit, maar wordt dit onderwerp in elk domein toegespitst gereguleerd.3 In dit besluit bevat artikel 4.22 regels over de basishulpverlening.

Gemeentelijke brandbeveiligingsverordeningen

Dit besluit regelt de onderwerpen die tot de inwerkingtreding van dit besluit hun regeling vinden in de gemeentelijke brandbeveiligingsverordeningen, die voornamelijk betrekking hebben op voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaatsen voor zover die die geen bouwwerken zijn (in de verordening aangeduid als inrichtingen, en in het veld ook als niet-bouwwerken). Voor zover een gemeentelijke verordening bepalingen bevat over onderwerpen die niet geregeld worden door dit besluit, dan behouden die bepalingen hun rechtskracht. Waar sprake is van een overlap, zijn de bepalingen van de gemeentelijke verordening onverbindend, vanwege het uitgangspunt dat er geen ruimte is voor lokale regeling van een onderwerp dat nationaal uitputtend is geregeld. De verplichting om als gemeente een brandbeveiligingsverordening te hebben, staat nog in de Wet veiligheidsregio’s. Mogelijk kan deze vervallen. Een goed moment daarvoor kan zijn de invlechting van dit besluit in het regelcomplex van de Omgevingswet. Zolang de wet niet is aangepast, kan de gemeentelijke brandbeveiligingsverordening niet (geheel) worden ingetrokken. Het blijft dus mogelijk – zo dat in een gemeentelijke brandbeveiligingsverordening is geregeld – een bestuurlijke boete op te leggen. Met de gemeenten zal worden bezien hoe dat dit element in de toekomst het beste geregeld kan worden.

Regeldruk en administratieve lasten

In 2010 is het project «Regeldruk Gastvrijheidseconomie» uitgevoerd, met als doel de regeldruk in de gastvrijheidseconomie te verminderen. Via voortgangsrapportages over toerisme en regeldruk is over het project aan de Tweede Kamer bericht. Gastvrij Nederland heeft op 15 juli 2011 de Tweede Kamer verzocht het project te revitaliseren. Een van de negen «prioritaire knelpunten» in dit project was «Uniforme regels en uitvoering brandveiligheid (niet-bouwwerken)», belangrijk voor het verminderen van de regeldruk. Analyse en identificatie van de knelpunten is verricht door Sira Consulting en onder meer gepubliceerd in haar rapport «Implementatie Regeldrukvermindering gastvrijheidssector» van 8 mei 2012.4

De reden dat dit onderwerp tot een prioritair knelpunt is benoemd, is dat ondernemers in de gastvrijheidseconomie – o.a. in evenementen – te maken hadden met verschillende eisen voor brandveiligheid voor bijvoorbeeld tenten bij evenementen, en tribunes bij incidentele gebeurtenissen. De verschillen werden vooral veroorzaakt door lokale invulling van de eisen. Deze situatie veroorzaakte volgens Gastvrij Nederland veel onduidelijkheid en onnodige verschillen in de eisen zoals gesteld door gemeenten en brandweer. Het onderhavige besluit beoogt, onder meer door uniformering, deze knelpunten op te lossen.

Dit besluit is in omvang aanzienlijk groter dan de gemeentelijke verordeningen. Dat is grotendeels visueel. In die verordeningen werden bepalingen uit het Bouwbesluit 2012 van overeenkomstige toepassing verklaard, waarbij met een verwijzing werd volstaan. De relevante bepalingen zijn nu voor de inzichtelijkheid ervan uitgeschreven. Verder bleek dat diverse onderwerpen die direct relevant zijn voor het brandveilig gebruik van overige plaatsen, niet of onvoldoende waren geregeld. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat in dit besluit een veelvoud aan zaken wordt geregeld. Een camping, een jachthaven en een evenemententerrein verschillen van elkaar en vragen elk om een gerichte aanpak. Deze zijn nu ook opgenomen in dit besluit.

De omgeving waarin organisaties die met dit besluit moeten werken, is ook veranderd. Ernstige incidenten als met Pukkelpop (2011; België) of met de monstertruck in Haaksbergen (2014), hebben de roep om een grotere rol voor de overheid versterkt. De grote, professionele organisaties hebben die verantwoordelijkheid ook goed opgepakt. Het gaat ook hier om evenwicht. Voorkomen moet worden dat de roep om meer veiligheid leidt tot een verstikkende regeldruk waarin niets meer mogelijk is. Dit besluit regelt wat noodzakelijk is, geeft de burger over het gehele land een gelijk niveau van bescherming en biedt de ondernemer duidelijkheid over de eisen waaraan deze moet voldoen. Een groot verschil met de huidige situatie is dat in het besluit geen vergunningplicht is opgenomen. Het vergunningstelsel leidde tot het door ondernemers gevoelde probleem dat de aan hen gestelde eisen per gemeente anders konden uitvallen. Een meldingsplicht is eenvoudiger van aard. Bovendien is in dit besluit het aantal situaties beperkt waarin de meldingsplicht geldt. Een groot aantal minder risicovolle situaties blijft vanaf nu dus buiten beschouwing – ook dat is een verlichting. Hetzelfde geldt de door alle betrokkenen gewenste uniformering, die in dit besluit gestalte heeft gekregen.

Het zal overigens zelden zo zijn dat alle bepalingen in dit besluit van toepassing zullen zijn op één plaats, of relevant zijn voor één ondernemer. Via gerichte voorlichting en een adequate inrichting van het proces moet iedereen snel kunnen vinden welke regel in welke situatie geldt, en wat er van betrokkenen verwacht wordt. Daarbij wordt expliciet geregeld dat indien er een samenloop is met andere regels – zoals de gemeentelijke eis van een evenementenvergunning – er door een combinatie van procedures geen dubbel werk gevraagd wordt van de organisator.

Onderzoeksbureau Panteia heeft een ex ante onderzoek gedaan naar de effecten van het besluit op de administratieve lastendruk. Onderzocht is voor welke sectoren in het bedrijfsleven er verplichtingen veranderen en wat de regeldrukeffecten zijn. Zoals voorgeschreven, is ook dit onderzoek naar de omvang van administratieve lasten en inhoudelijke nalevingskosten uitgevoerd conform het door de Rijksoverheid voorgeschreven Standaardkostenmodel, beschreven in het Handboek Meting Regeldruk van de overheid.

De onderzoekers ramen de structurele regeldrukeffecten na invoering van dit besluit ten opzichte van de huidige situatie op een vermindering met gemiddeld € 9,6 miljoen.

Naast deze regeldrukeffecten zijn er ook legesvoordelen voor het bedrijfsleven in orde van grootte van jaarlijks circa 1,2 miljoen. Naast deze regeldrukeffecten zijn er ook legesvoordelen voor het bedrijfsleven in orde van grootte van jaarlijks circa 1,2 miljoen. Het vervallen van de vergunningplicht heeft immers tot gevolg dat voor gemeenten de mogelijkheid vervalt om leges te heffen ter dekking van de kosten. Voor zover gemeenten hierdoor te maken krijgen met inkomstenderving, staat daar tegenover dat een deel van de gemeentelijke uitvoeringstaken, namelijk de werkzaamheden die verbonden zijn met vergunningverlening, en de daaraan verbonden apparaatskosten komen te vervallen. Een exacte berekening van de uiteindelijke financiële consequenties voor gemeenten is niet te geven, aangezien deze mede afhankelijk zijn van de vraag of en zo ja hoe afzonderlijke gemeenten de legesheffing thans in de praktijk hebben vormgegeven en de mate waarin de leges de huidige kosten dekken. Uitgaande van het bedrag van € 1,2 miljoen en van 390 gemeenten (in 2016), worden de financiële consequenties vooralsnog op nihil geraamd.

Voorts zal er, nu de vergunningplicht die onderdeel uitmaakte van de brandbeveiligingsverordeningen is komen te vervallen, geen sprake meer zijn van bezwaren tegen niet-verleende vergunningen of tegen de opgelegde voorwaarden bij verleende vergunningen. Bij een aanname van 3.600 vergunningen (ontleend aan het rapport van Panteia), een bezwaarpercentage van 10, en een tijdsbesteding van 8 uur à € 50 per uur, valt hier 360 x € 400 = ongeveer € 145.000 weg als kostenpost. Overigens kunnen er na een melding wel bezwaren ingebracht worden tegen het opleggen van nadere voorwaarden, of tegen het weigeren daarvan. Dat kan ertoe leiden dat het genoemde bedrag lager uitvalt.

Op het moment van invoering van dit besluit ontstaan ook eenmalige regeldrukeffecten voor het bedrijfsleven door de kennismakingskosten als gevolg van de nieuwe regelgeving, doordat men op de hoogte dient te komen van de inhoud, begrippen, definities en de uitwerking. De eenmalige regeldrukeffecten worden geraamd op circa € 2,5 miljoen.

Voor de burgers verwachten de onderzoekers in de praktijk vrijwel geen regeldrukeffecten.

Bij de totstandkoming van dit besluit is overleg geweest met vertegenwoordigers van de meest betrokken partijen. Ook heeft het ontwerpbesluit via internetconsultatie open gestaan voor commentaar. Het besluit is dientengevolge qua regeldruk lichter geworden. Op dat overleg en op de internetconsultatie wordt nader ingegaan in paragraaf 1.4 van dit deel van de toelichting.

Actal, het Adviescollege toetsing regeldruk, heeft op 21 april 2017 geadviseerd tot indiening van het ontwerpbesluit, nadat met de deeladviezen rekening is gehouden. Voor zover die betrekking hadden op het besluit, zijn deze zo veel mogelijk verwerkt. Eén deeladvies zag op de toekomstige opname in de Omgevingswet; dat zal worden meegenomen in dat traject. Eén deeladvies ging over de ministeriële regeling, en dat zal worden betrokken bij het opstellen van die regeling.

1.2 Elementen uit het besluit

Aansturingsartikel en uniformiteit

In de hoofdstukken 3 tot en met 5 staan veel zogeheten aansturingsartikelen, in navolging van het Bouwbesluit 2012. In een dergelijk artikel wordt in het eerste lid een functionele eis geformuleerd, veelal in algemene bewoordingen. Daarmee wordt duidelijk gemaakt wat de norm is die moet worden nageleefd. In het tweede lid staat dat aan die eis is voldaan als de aansluitend opgenomen voorschriften worden toegepast. Die voorschriften zijn aanmerkelijk concreter dan de functionele eis. De normadressaat hoeft zodoende niet zelf te bedenken wat hij moet doen of laten om overeenkomstig dit besluit te handelen. De norm en de nalevingeisen worden op deze wijze geüniformeerd, want dit besluit vervangt immers een kleine 400 gemeentelijke brandbeveiligingsverordeningen.

Gelijkwaardigheid

Op onderdelen bevat dit besluit gedetailleerde voorschriften. Maar vanwege het zogeheten gelijkwaardigheidsbeginsel, dat net als in het Bouwbesluit 2012 ook in dit besluit toepassing vindt (zie artikel 1.4), behoeven niet alle regels altijd exacte naleving. De bepalingen dienen er vooral toe om aan te geven in welke mate het brandveilig gebruik van plaatsen moet zijn gewaarborgd, en op welke wijze dat bereikt kan worden. Wie zich aan de regels houdt, heeft zich in beginsel in voldoende mate ingespannen – maar artikel 1.4 legt bovendien expliciet vast dat wie langs andere weg een gelijkwaardig resultaat bereikt, evenzeer aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Van belang is immers het doel – brandveilig gebruik van een plaats – en niet het middel.

Hoewel bij de beoordeling van een situatie vaak specifieke omstandigheden een rol spelen, en een oplossing die in een bepaalde situatie als gelijkwaardig wordt beoordeeld, in een andere situatie mogelijk niet voldoet, kan het nuttig zijn dat voorbeelden worden verzameld van geaccepteerde gelijkwaardige oplossingen, zoals voor de bouwregelgeving nu via de helpdesk Bouwregelgeving adviezen van de Adviescommissie Toepassing en Gelijkwaardigheid Bouwvoorschriften zijn te vinden. Dat kan een hulpmiddel zijn voor het bevoegd gezag in andere gemeenten om tot een gefundeerd oordeel te komen wat betreft de aanvaardbaarheid van als gelijkwaardig aangedragen alternatieven. Een dergelijke verzameling kan bijdragen aan verdere uniformering, en daarmee aan de vergroting van de voorspelbaarheid van overheidsbeslissingen. Dat is van belang voor burgers en bedrijfsleven.

Het gebruik van Nederlandse en Europese normen (NEN en NEN-EN)

Er wordt op diverse plaatsen in dit besluit verwezen naar normalisatie-normen, vooral NEN of NEN-EN. Het verwijzen naar dergelijke normen past bij de achterliggende gedachte van uniformiteit. Deze normen hebben hun waarde in de praktijk bewezen, en zijn doorgaans goed bekend bij degenen die ze moeten toepassen, doordat vertegenwoordigers uit betrokken branches nauw betrokken zijn bij het opstellen ervan.

Niet alle normen waarnaar verwezen wordt zijn primair toegesneden op de plaatsen waarop dit besluit betrekking heeft. Zij kunnen daarop vaak wel (overeenkomstig) toegepast worden, omdat het in de kern om dezelfde materie gaat. De Hoge Raad heeft medio 2012 in rechte vastgesteld dat normen als hier bedoeld geen algemeen verbindende voorschriften zijn.5 Een wettelijke grondslag om in lagere regelgeving, zoals het onderhavige besluit, te kunnen verwijzen naar deze normen, is dan ook niet noodzakelijk. Evenmin is het noodzakelijk dat deze langs privaatrechtelijke weg tot stand gekomen normen bekend zijn gemaakt volgens de regels van de Bekendmakingswet. En ook het feit dat deze normen niet algemeen en zonder kosten verkrijgbaar zijn, zoals algemeen verbindende voorschriften, vormt geen belemmering om in regelgeving daarnaar te verwijzen; de normen zijn immers – zij het tegen betaling – voor een ieder verkrijgbaar.

Omdat (sommige) normen aan verandering onderhevig zijn, wordt op grond van artikel 1.5 bij ministeriële regeling een lijst vastgesteld en bijgehouden van de normen waarnaar in dit besluit wordt verwezen. Die lijst laat zien welke versie van de desbetreffende norm van toepassing is.

Toezicht en handhaving

Een plaats als bedoeld in dit besluit altijd is gesitueerd op het grondgebied van een gemeente. Als er een melding moet worden gedaan, moet dat dus gebeuren in de gemeente waar de plaats is gesitueerd. Het toezicht op de naleving van dit besluit is dan ook primair een zaak voor de gemeente in kwestie. De Wet veiligheidsregio’s bepaalt in artikel 61, derde lid, onder meer dat met het toezicht op de naleving van de regels zoals gegeven in de onderhavige besluit zijn belast de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

De gemeente heeft een aantal bestuursrechtelijke mogelijkheden voor toezicht en handhaving. Artikel 125 Gemeentewet geeft een bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang, hetgeen in samenhang met de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betekent dat onveilig gebruik beëindigd kan worden. Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb geeft het tot bestuursdwang bevoegde bestuursorgaan als alternatief de bevoegdheid een last onder dwangsom op te leggen, gericht op de naleving van wettelijke regels en, indien aan de orde, van nadere voorschriften die zijn opgelegd nadat een melding is ingediend voor het gebruik van een plaats.

Indien de gemeenteraad bij verordening heeft bepaald dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd bij overtreding van de regels, gesteld krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s (het artikel dat ten grondslag ligt aan het onderhavige besluit), kan de naleving ook met gebruikmaking van dat instrument gestalte krijgen. Dit is vastgelegd in artikel 64, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

De boete is niet hoger dan de geldboete, die bedoeld is in het eerste lid.

Conform artikel 5:46 van de Awb is bepaald wat het maximum is van de boete die kan worden opgelegd: (sinds 1 januari 2016) maximaal € 8.200.6

Of gemeenten voldoende controleren of aan de eisen die in het besluit zijn neergelegd, is voldaan, is een taak voor de Inspectie Veiligheid en Justitie. De grondslag hiervoor is artikel 57, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s dat de Inspectie onder meer belast met het toetsen van de wijze waarop een orgaan van een gemeente uitvoering geeft aan de taken met betrekking tot de brandweerzorg. Daaronder valt ook de wijze waarop het college van burgemeester en wethouders omgaat met het controlestelsel in het kader van het brandveilig gebruik van overige plaatsen.

Naast de bestuurlijke handhaving kan ook het strafrecht worden ingezet. Artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio's noemt als strafmaat van overtreding van de regels, gesteld krachtens artikel 3, derde lid, hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. Die boete bedraagt maximaal het hiervoor geduide bedrag. De opsporing van strafbare feiten is een taak voor politieambtenaren, op grond van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, en voor buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s),op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht. Boa’s zijn in de gemeente werkzame ambtenaren aan wie op verzoek van de werkgever een opsporingsbevoegdheid in een bepaald domein (of soms in twee domeinen) is toegekend door de Minister van Veiligheid en Justitie.

1.3 BES

De onderhavige regeling is niet van toepassing op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de BES). In de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is bepaald dat wettelijke regelingen in de openbare lichamen alleen van toepassing zijn zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald, of indien op andere wijze onmiskenbaar uit enig wettelijk voorschrift volgt dat die wettelijke voorschriften in de openbare lichamen van toepassing zijn. De Wet veiligheidsregio’s, waarop het onderhavige besluit is gebaseerd, werkt niet op de BES.

Uiteraard is (brand)veiligheid een zaak die niet alleen relevant is in het Europese deel van het Koninkrijk. De Veiligheidswet BES bepaalt in artikel 39 dat de eilandsraad voor het openbaar lichaam in een brandbeveiligingsverordening regels stelt over het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt. In een dergelijke verordening kunnen desgewenst elementen uit de onderhavige regeling worden opgenomen.

1.4 Inbreng tijdens de totstandkoming van dit besluit

In een klankbordgroep onder voorzitterschap van mijn ministerie, met vertegenwoordigers van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Vereniging Nederlandse Gemeenten, Brandweer Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland, HISWA, Koninklijke Horeca Nederland, Recron, TVD (tentenverhuur), Vereniging Van EvenementenMakers (VVEM), is enkele malen gesproken over het besluit in wording. Een werkgroep uit de klankbordgroep heeft intensief bijgedragen aan verschillende tussenversies. Via de internetconsultatie was het voor eenieder mogelijk om commentaar te leveren, via de site of rechtstreeks aan het ministerie. Er zijn reacties ontvangen van Brandweer Nederland, Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel (CVAH), Event Safety Institute, de gemeenten Grootegast, Haarlem, Noordwijk, 's-Hertogenbosch en Sluis, HISWA Vereniging, Koninklijke Horeca Nederland, Metaalunie, MVH Adviseurs BV, Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, RECRON, Sloof Adviesdiensten, Stichting Standaardbestek Burger- en Utiliteitsbouw (STABU), Veiligheidsregio Kennemerland, Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV), Vereniging van Nederlandse gemeenten, Vereniging Zeeuwse Gemeenten, en het Watersportverbond.

In totaal zijn in het kader van de internetconsultatie 22 reacties ontvangen (waarvan 4 conform het verzoek van de respondenten niet openbaar zijn), en daarnaast nog 3 reacties.

Waar dat mogelijk was, hebben de opmerkingen geleid tot aanpassing van het aanvankelijke besluit, dat bij nader inzien te strikt van opzet was. Er is kritisch gekeken waar er werkelijk sprake is van risico’s die regulering behoeven, en dat heeft ertoe geleid dat het besluit uitsluitend nog een gebruiksmeldingsplicht kent, en geen gebruiksvergunningplicht, en die meldingsplicht is in minder gevallen dan eerst gedacht van toepassing. Veel voorschriften zijn nu bovendien alleen van toepassing op besloten ruimten, waardoor zij minder belastend zijn.

Ook bleek aanpassing van diverse verwijzingen noodzakelijk, omdat deze – soms door het verstrijken van de tijd – onjuist waren.

Hieronder wordt per thema aangegeven tot welke wijzigingen de commentaren verder hebben geleid.

Begrippen

Er zijn opmerkingen gemaakt over de definitie van object, zowel over het woord als over de in de definitie daarvan opgenomen termijn van drie maanden. Mede naar aanleiding van deze opmerkingen is nu gekozen voor het begrip bouwsel, en is er voor de aanwezigheid van het bouwsel op een plaats geen harde termijn opgenomen (drie maanden in de consultatieversie), maar is gekozen voor de toevoeging: om daar kortstondig te functioneren. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1.1, eerste lid, wordt dit nader toegelicht.

Dat geldt ook voor het begrip overige plaats, dat eveneens vragen opriep.

Voor diverse begrippen is aangesloten bij andere regelgeving of bij ervaringen die in de afgelopen jaren zijn opgedaan. Zo zijn de gebundelde onderwerpen in de Publicatiereeks gevaarlijke Stoffen (PGS) en diverse documenten die in samenwerking tussen Brandweer Nederland en branches waren opgesteld, mede als bron gebruikt voor bepaalde begrippen en hun uitwerking.

Risico

In de consultatieversie werd steeds gekeken naar het risico op een plaats als geheel. Bij nadere beschouwing, op grond van diverse opmerkingen in de consultatie, is dit uitgangspunt aangescherpt, vanuit de gedachte dat vooral gekeken moet waar er vanuit het oogpunt van brandveiligheid reële risico’s zijn. Die risico’s worden in belangrijke mate bepaald door de elementen vuur, rook en warmte. In een open ruimte en bij relatief lichte constructies zijn die risico’s aanmerkelijk kleiner dan in een besloten ruimte. Enkele grenswaarden konden daarom hoger worden vastgesteld, en voor zover er zwaardere eisen worden gesteld in dit besluit, gelden die uitsluitend voor besloten ruimten, bestemd voor grotere groepen personen. Door deze aanpassingen is er sprake van een aanzienlijke versoepeling ten opzichte van het concept dat ter consultatie is voorgelegd. Deze versoepeling manifesteert zich op verschillende wijzen.

Het enkele feit dat op een plaats groepen wat grotere aantallen personen tegelijk aanwezig kunnen zijn, is uit het oogpunt van brandveiligheid op zich geen risicovolle situatie. In de consultatieversie was aangesloten bij de grenswaarde in de gemeentelijke brandbeveiligingsverordeningen, waar een vergunningplicht gold voor gebruik door(meer dan 50 personen tegelijk. Deze grenswaarde is nu bepaald op 150 personen.

Voor het nachtverblijf (logiesfunctie) van meer dan 10 personen, en bij de verzorging van meer dan 10 jongeren onder de 12 jaar, of van meer dan 10 personen met een beperking is de grenswaarde ongewijzigd laag gebleven – daar zijn de risico’s in geval van brand wel reëel. Deze grenswaarden worden, ook weer op basis van het risicodenken, gekoppeld aan een verblijfsruimte en niet aan de hele plaats.

Veel opmerkingen hadden betrekking op de vergunningplicht. Een kritische beschouwing van het ontwerp dat ter consultatie is voorgelegd, heeft geleid tot de opvatting dat de te beschermen belangen ook door middel van een meldingsplicht worden beschermd. en dat een vergunningplicht hier geen meerwaarde heeft. Derhalve geldt nu voor alle gevallen waarin bovengenoemde grenswaarde worden overschreven, er een gebruiksmelding moet worden gedaan bij de gemeente. Er hoeft op basis van dit besluit dus geen gebruiksvergunning meer te worden aangevraagd. Dit is verantwoord, omdat bij een melding in een oogopslag kan worden gezien of er een element in de aanmelding zit dat bijzondere aandacht verdient, en of dat een reden is om nadere voorwaarden te stellen.

De opmerkingen van respondenten over de vergunningplicht, bijvoorbeeld over de termijnen, en de mogelijkheden van bezwaar, blijven in deze paragraaf verder buiten beschouwing.

Indieningsvereisten

Er zijn diverse opmerkingen gemaakt over het grote aantal indieningsvereisten bij een gebruiksmelding. Dit heeft geleid tot enige versobering van de eisen, en een differentiatie, zodat bepaalde eisen slechts gelden als er op de plaats een verblijfsruimte voor meer dan 150 personen is, terwijl in de consultatieversie de eisen al golden voor gebruik van een plaats door meer dan 50 personen. Voorts zijn de eisen deels risico-gestuurd: als een bepaalde omstandigheid niet speelt, bijvoorbeeld de eis van een doorgang, hoeft er uiteraard geen informatie te worden opgegeven over de ligging en breedte. De nu gestelde eisen worden als minimum gezien om het bevoegd gezag in de gelegenheid te stellen een beoordeling van de risico’s te maken, bij voorkeur zonder dat aan degene die de melding doet, opnieuw vragen moeten worden gesteld.

In dit verband kan ook worden gemeld dat het formulier waarop de melding moet worden gedaan zodanig zal worden gemodelleerd, dat er niet onnodig informatie wordt aangeleverd, en dat er waar mogelijk via het formulier stroomlijning plaatsvindt met andere procedures. Het besluit bepaalt in artikel 2.1, tweede en derde lid, wanneer bij samenloop geen melding behoeft te worden ingediend.

Termijnen

De termijn bij een melding (ten minste vier weken voor het gebruik) werd soms als een te korte periode beschouwd uit het oogpunt van toezicht. Maar ook werd betoogd dat vier weken een te lange periode is, vooral voor de kleinere, en de spontaan georganiseerde bijeenkomsten. De termijn van vier weken is in beginsel een redelijke, omdat het bevoegd gezag in de gelegenheid moet zijn zich een oordeel te vormen, en zich zo nodig te laten adviseren door de brandweer, of er aanleiding is bepaalde voorwaarden te stellen. Niettemin kan het in bepaalde gevallen onnodig zijn om de termijn van vier weken strikt aan te houden. Daarom is de termijn van vier weken blijven staan, maar is uitdrukkelijk als optie opgenomen dat het bevoegd gezag een kortere periode kan hanteren. Om willekeur te voorkomen is het wenselijk dat gemeenten die voor die optie kiezen, beleidsregels vastleggen, of anderszins duidelijk communiceren hoe zij aan deze bepaling invulling geven.

In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij grotere evenementen, geldt een aan die vergunningverlening gekoppeld traject met eigen termijnen; de gegevens van de gebruiksmelding kunnen hierin worden meegenomen. Als er voldoende is uitgevraagd en het bevoegd gezag dus al tot een oordeel kan komen, hoeft er geen separate gebruiksmelding ingediend te worden.

Normen

Enige verwijzingen naar normen bleken onjuist. Die zijn aangepast. Bovendien is het aantal verwijzingen naar normen drastisch terug gebracht.

Omgevingswet

Er is gevraagd waarom het onderhavige besluit geen deel uitmaakt van de regelgeving rond de Omgevingswet, en of het nog zin heeft een afzonderlijk besluit tot stand te brengen. Zie voor een reactie op dit aspect paragraaf 1.1 van deze toelichting, waarin een afzonderlijk tekstblok hieraan is gewijd, met als kern dat op een later moment zal worden bezien of en hoe bepalingen uit dit besluit kunnen worden opgenomen in de Omgevingswet. Het is echter niet gewenst dit besluit daarop te laten wachten.

Regeldruk

Veel commentaar uit de consultatie is samen te vatten als een klacht over de toenemende regeldruk. Hierboven zijn diverse aanpassingen besproken, die alle als effect hebben dat de voorziene regeldruk lager is dan in het aangeboden ontwerpbesluit, en ook ten opzichte van de huidige praktijk. Zie hiervoor het onderdeel Regeldruk in paragraaf 1.1 van de inleiding, waarin ook een beknopte weergave is te inden van een ex ante onderzoek naar de effecten van het besluit op de administratieve lastendruk.

Implementatie

Er is gevraagd naar voorlichting en begeleiding rond de invoering van dit besluit, soms ook onder kanttekening dat het een technisch ingewikkeld besluit is. Het is de bedoeling dat het ministerie, de VNG en de betrokken branches onderling afgestemd zullen zorgen voor brede publiciteit, zowel algemeen van aard als meer specifiek, zodra het besluit is gepubliceerd, en dus ruim voor de inwerkingtreding ervan. Daarmee wordt de kenbaarheid van het besluit bevorderd, en ook een soepele overgang mogelijk van de lokale verordeningen naar de uniforme nationale regeling.

1.5 Europese aspecten

Diverse artikelen in de hoofdstukken 3, 4 en 5 van dit besluit bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van de notificatierichtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.7).

Het ontwerpbesluit is op 20 juni 2017, ingevolge artikel 5 van Richtlijn 2015/1535/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L 241), voorgelegd aan de Europese Commissie (Kennisgevingsnummer 2017/257/NL). Tevens is het besluit onder richtlijn 2015/1535/EU genotificeerd onder de Dienstenrichtlijn. In beide notificatieprocedures zijn geen reacties ontvangen van de Commissie of van andere lidstaten.

Het besluit bevat bepalingen die onder het toepassingsbereik van de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt) kunnen vallen, nu het gaat om eisen aan de toegang tot of de uitoefening van economische activiteiten, die anders dan in loondienst en gewoonlijk tegen vergoeding geschieden. De gebruiksmelding valt te kwalificeren als een vergunning in de zin van artikel 9 en een eis in de zin van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn. In dit verband zij gewezen op het specifieke regime van de Dienstenwet voor meldplichten. Er is in dit besluit sprake van een melding zoals bedoeld in paragraaf 5.2 van de Dienstenwet en beschreven in paragraaf 5.3.2 van de Memorie van Toelichting bij de Dienstenwet (Kamerstukken II 2007/08, 31 579, nr. 2). Voor een dergelijke melding geldt niet de automatische toepassing van paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen op basis van artikel 28 Dienstenwet, vanwege de aard van deze melding, die immers geen vergunning op aanvraag is. De meldplicht voldoet aan de vereisten van met name artikel 9 en 16 van de Dienstenrichtlijn. Het vereiste is namelijk non-discriminatoir nu er geen direct of indirect onderscheid wordt gemaakt ten opzichte van de dienstverrichter. Ook is het evenredig en gerechtvaardigd, gelet op het belang van veiligheid, nu een minder verstrekkende maatregel niet mogelijk is om dit belang afdoende te beschermen.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

In het eerste lid van artikel 1 staan vier begrippen centraal: plaats, gebied, bouwsel en ruimte. Het zijn kernbegrippen, die fundamenteel zijn voor de werking van dit besluit. Zij zijn in één lid voorop gezet, om deze prominent en in samenhang te kunnen presenteren. Twee afgeleide begrippen, besloten ruimte en verblijfsruimte, zijn hierbij geplaatst. Het tweede lid bevat de overige begrippen, in alfabetische volgorde. Het derde lid benoemt verschillende gebruiksfuncties.

Artikel 1.1, eerste lid
Plaats

In de brandbeveiligingsverordeningen wordt gewerkt met het begrip inrichting, dat wordt gedefinieerd als: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaats voor zover die geen bouwwerk is. In dit besluit wordt «plaats» gebruikt als een verzamelbegrip voor een of meer gebieden en bouwsels. Daarnaast kunnen er andere elementen aanwezig zijn op de plaats; daarom staan in de omschrijving van het begrip de woorden: ten minste.

In dit besluit is nader bepaald dat de plaats een ruimtelijke begrenzing kent. Bij een bouwsel valt de ruimtelijke begrenzing samen met de buitenkant van het bouwsel. Bij een gebied kan de begrenzing bestaan uit een hekwerk, maar ook bomen, struiken, heggen of sloten kunnen de ruimtelijke begrenzingen vormen. Het kan, bijvoorbeeld in een stedelijke omgeving, ook zijn dat de ruimtelijke begrenzing gelegen is in de afgesproken begrenzing van het aan een organisator vergunde terrein, zoals een gedeelte van een straat of plein waar een markt is. In algemene zin kan worden gesteld dat de begrenzing voldoende vorm heeft als het is voor eenieder zichtbaar is waar de plaats begint en eindigt.7

In artikel 1.2, tweede lid, is sprake van plaatsen die in georganiseerd verband worden gebruikt. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat er actie is ondernomen om mensen bij elkaar te brengen en om mensen gebruik te laten maken van een plaats. Een bos kan op zich gebruikt worden door personen, en zeer wel denkbaar is dat er tientallen personen tegelijkertijd in dat bos aanwezig zijn. Maar indien er niets specifieks is georganiseerd om die personen op dat moment in (een gedeelte van) dat bos aanwezig te laten zijn, is er geen sprake van georganiseerd gebruik en is er dus ook geen «organisator» op wie de plicht rust na te gaan of hij een gebruiksmelding moet doen of anderszins de regels van dit besluit moet naleven. Hetzelfde geldt voor stranden en pleinen: op een «open strand» is dit besluit niet van toepassing, maar als er op een deel van het strand een beachvolleybal-toernooi wordt georganiseerd, is dat wel het geval.

Gebied

Met gebied wordt geduid op het open gedeelte van een plaats, waar personen zich vrij kunnen bewegen, en dat bestemd is om te worden gebruikt.

Bouwsel

De term bouwsel wordt in dit besluit gebruikt als algemene aanduiding voor iets dat door menselijk toedoen is geconstrueerd (gespijkerd, geschroefd, gelijmd, anderszins onderling verbonden, opgepompt), dat met het oog op in georganiseerd verband gebruiken van een plaats naar die plaats wordt gebracht of ter plaatse wordt geconstrueerd om daar kortstondig dienst te doen, waarna het weer (al dan niet gedemonteerd) van die plaats wordt afgevoerd. Het bouwsel is dus uitdrukkelijk geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012, omdat een bouwwerk een constructie is die bestemd is om duurzaam op een plaats te functioneren.

In de Woningwet is «bouwen» gedefinieerd als het «plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten» (van een bouwwerk), maar het begrip bouwwerk is in die wet niet gedefinieerd. Er is dan ook uitgebreide jurisprudentie ontstaan met betrekking tot de vraag wat onder een bouwwerk wordt verstaan. in de rechtspraak wordt nu vrijwel standaard gebruik gemaakt van de omschrijving die is opgenomen in de model-brandbeveiligingsverordening van de VNG: «elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren». Deze inhoud kan ook onder de Wabo aan het begrip bouwwerk worden gegeven.8 Deze omschrijving vormt nu ook de kern van de definitie die is opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van de (nog niet in werking getreden) Omgevingswet, die de begrippen en definities bevat voor de toepassing van de Omgevingswet en de daarop berustende bepalingen. De geciteerde omschrijving is erg algemeen, en doet op het eerste gezicht vermoeden dat alle denkbare constructies een bouwwerk zijn, en dus onder de werking van (nu nog) de Woningwet vallen. Dat is onjuist. Er zijn diverse voorbeelden van constructies die niet als bouwwerk worden gekwalificeerd, ook al voldoen zij aan alle elementen in de definitie. Om van een bouwwerk te kunnen spreken is in de rechtspraak diverse malen uitgesproken dat het van belang is «dat zo’n constructie een min of meer duurzaam plaatsgebonden karakter heeft», en ook soms dat «de aanwezigheid (...) een blijvende planologische inbreuk op het desbetreffende gebied teweegbrengt».9 Deze gebruikte formuleringen bieden nog geen optimale duidelijkheid, maar laten wel zien dat kortstondig bestaande constructies zoals tenten, niet als bouwwerk gekwalificeerd moeten worden. Overigens zien het Bouwbesluit 2012 en het Omgevingsbesluit ook op tijdelijke bouwwerken. Uit de toelichting bij het Bouwbesluit 2012 valt evenwel af te leiden dat daarbij moet worden gedacht aan semipermanente constructies, gezien de toelichting op artikel 1.14, die als voorbeelden van een tijdelijk bouwwerk noemt: een bouwkeet, een noodlokaal bij een school en een noodwinkel. Ook seizoensgebonden bouwwerken als strandpaviljoens, die vaak van maart tot oktober dienst doen, zijn een goed voorbeeld van een tijdelijk bouwwerk. De voorbeelden maken duidelijk dat «tijdelijk» al gauw minimaal een periode van enkele maanden beslaat. Ingevolge de definitiebepaling van tijdelijk bouwwerk in het Bouwbesluit 2012 beslaat de maximumperiode om een tijdelijk bouwwerk op en bepaalde plaats aanwezig te laten zijn, vijftien jaar. Ook in het Besluit omgevingsrecht (artikel 5.16) is de maximale periode waarvoor een omgevingsvergunning voor een tijdelijk bouwwerk mag worden afgegeven, vijftien jaar. In het onderhavige besluit gaat het evenwel om constructies die worden opgericht of neergezet om werkelijk slechts kortstondig ter plaatse dienst te doen, zoals feesttenten en tijdelijke tribunes. Er zijn rechterlijke uitspraken dat geen bouwvergunning is vereist voor het plaatsen van een tent gedurende niet meer dan in totaal eenendertig – al dan niet aaneengesloten – dagen per kalenderjaar of voor plaatsen van tribunes gedurende een periode van ten hoogste drie weken.10 Deze uitspraken mogen niet zo worden geïnterpreteerd dat tenten die langer dan eenendertig dagen staan, of tribunes die langer dan drie weken staan, zonder meer als (tijdelijk) bouwwerk beschouwd moeten worden. Toch gebeurde dit wel – mogelijk bij gebrek aan heldere regels. Het gevolg is dat er formeel (maar materieel mogelijk onnodig) een tamelijk rigide termijn wordt gehanteerd, dan wel dat tamelijke rigide eisen worden gesteld aan constructies waarvoor die eisen eigenlijk niet bedoeld zijn. Om duidelijkheid te scheppen, en om iets meer armslag te bieden, is in dit besluit als bestanddeel in de definitie van bouwsel opgenomen dat het bedoeld is om kortstondig op een plaats te functioneren. Dit is bewust een niet scherp afgebakende periode, omdat er ruimte moet zijn voor maatwerk, waarbij de brandveiligheid het beslissende criterium moet zijn. Om de gedachte te bepalen, en mogelijk ook bij te dragen aan jurisprudentie op dit vlak, kan bij «kortstondig» in de zin van dit besluit worden gedacht aan een periode tot zes maanden. Het gaat dan om de aanwezigheid op de plaats. Een bouwsel dat uitsluitend in de weekenden wordt gebruikt, heeft niet voortdurend ter plekke dienst gedaan, maar kan toch geen aanspraak maken op een langere plaatsing. Gedurende de periode dat een bouwsel ter plaatse wordt opgebouwd dan wel afgebroken, functioneert het nog niet respectievelijk niet meer; die perioden tellen dus niet mee.

Een tent, tribune of podium, tijdelijk geplaatst en opgebouwd uit modulaire delen, zoals gebruikelijk bij bijvoorbeeld evenementen of incidentele sportwedstrijden, is een bouwsel als bedoeld in dit besluit, en dus geen bouwwerk. Een podiumwagen, bestaande uit een (vracht)auto-onderstel en een opbouw, is een voertuig als hij rijdt, bijvoorbeeld in een corso of carnavalsoptocht, maar wordt een bouwsel als hij op een plaats wordt neergezet om daar te functioneren.

Ook een bouwsteiger die tijdelijk wordt geplaatst en is opgebouwd uit modulaire delen, is dus een bouwsel als bedoeld in dit besluit. Het kan gaan om een tijdelijke steiger die dienstbaar is aan de bouw van een bouwwerk (zoals wanneer een gebouw wordt gebouwd en een steiger wordt gebouwd voor de werklieden). Het kan ook gaan om een steiger die zelfstandig een functie heeft, zoals bijvoorbeeld een lichttoren, een toren met aanduidingen of kunstuitingen op een evenement.

Met de bewoording «of elke andere constructie» is aangegeven dat de reeks genoemde bouwsels (tent, tribune, podium, bouwsteiger) nadrukkelijk niet limitatief bedoeld is.

De grondslag van dit besluit laat overigens niet toe er dat er zuiver constructieve eisen worden gesteld aan bouwsels. Doordat er met het oog op het veilig kunnen vluchten wel eisen worden gesteld aan bijvoorbeeld de tijd dat een constructie niet mag bezwijken, bevat het besluit indirect dus wel enkele constructieve eisen.

Ruimte (nader onderscheiden in besloten ruimte en verblijfsruimte)

Veelal zullen in (delen van) bouwsels personen aanwezig kunnen zijn. Te denken valt aan een tent, keet, bar, tribune, podium, dansvloer. Ook zijn er (delen van) bouwsels die weliswaar toegankelijk zijn voor personen, maar waarbij het niet de bedoeling is dat die personen daar (lang) blijven. Een voorbeeld daarvan is een technische ruimte, waarin een onderhoudsmonteur incidenteel en kortdurend aanwezig moet kunnen zijn. Daarnaast zijn er bouwsels, zoals reclamezuilen, lichtmasten en communicatieborden, die niet voor personen toegankelijk zijn; voor die bouwsels gelden er nauwelijks voorschriften met betrekking tot het brandveilig gebruik. Er worden wel eisen gesteld aan het gebruik van (delen van) bouwsels waar personen kortstondig aanwezig kunnen zijn, terwijl de zwaarste eisen gelden voor de bouwsels waarin veel mensen langdurig verblijven: het risico is daar het grootst. Om de noodzakelijke differentiatie te kunnen aanbrengen, wordt in dit besluit een voor personen toegankelijk (deel van een) bouwsel aangeduid als: ruimte. Is die ruimte door scheidingsconstructies omsloten, dus voorzien van wanden en een dak, dan spreken we van: besloten ruimte. Is die ruimte uitdrukkelijk bestemd voor het verblijf van personen, dan spreken we van: verblijfsruimte.

Andere elementen op een plaats

Op een plaats kunnen, naast de gebieden en bouwsels zoals gedefinieerd, ook andere elementen zijn. Daarom staan in de begripsomschrijving van «plaats» de woorden: ten minste. De bepalingen in dit besluit hebben op die elementen geen betrekking. Wat betreft de constructies gaat het dan bijvoorbeeld om een bouwwerk, en wat betreft het gebied om een deel van het gebied dat tijdens het gebruik van de plaats niet toegankelijk is voor personen, zoals een vijver in een park of een geheel met hekken omsloten deel van het gebied. Dat kan worden aangeduid als restgebied. Een waterplas met een functie (bijvoorbeeld spelevaren) als onderdeel van het gebruik van de plaats, is dus geen restgebied.

Artikel 1.1, tweede lid
ADR-klasse

Het Europees verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg wordt doorgaans afgekort volgens de Franse naam van het verdrag: Accord Européen relatif au transport international des merchandises dangereuses par route. In dit verdrag zijn de voorwaarden opgenomen waaronder gevaarlijke stoffen binnen Europa mogen worden vervoerd. In dit besluit wordt de ADR-classificatie gebruikt voor de aanduiding van op een plaats aanwezige brandgevaarlijke stoffen.

De hoofdindeling van de ADR-classificatie is:

  • 1. Ontplofbare stoffen en voorwerpen

  • 2. Gassen

  • 3. Brandbare vloeistoffen

  • 4. Groep 4 met daarin brandbare vaste stoffen, voor zelfontbranding vatbare stoffen en stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen

  • 5. Groep 5 met daarin oxiderende stoffen en organische peroxiden

  • 6. Groep 6 met daarin giftige stoffen en infectueuze stoffen

  • 7. Radioactieve stoffen.

Bevoegd gezag

Tot het nemen van besluiten ten aanzien van een melding, is bevoegd het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de plaats waarop de melding betrekking heeft, is gelegen. Indien een plaats een gemeentegrens overschrijdt, geldt als bevoegd gezag het college van de gemeente waarin het grootste deel van die plaats is gelegen.

De formulering «is of zal zijn gelegen» is gebruikt omdat in sommige gevallen de plaats nog niet ruimtelijk is begrensd, dus feitelijk nog niet bestaat. De melding zal uitsluitsel moeten geven over de beoogde grenzen van de plaats.

Bezwijken

Bezwijken is het overschrijden van een uiterste grenstoestand. De aanduiding «uiterste grenstoestand» verwijst naar de normen waarin eigenschappen van materialen zijn vastgelegd. In die normen is per materiaal beschreven hoe de op een constructie aangrijpende krachten daarin doorwerken wat betreft momenten, normaal- en dwarskrachten en spanningen. Deze doorwerking, die mede afhankelijk is van de stijfheid van de constructie, wordt respons genoemd. Voorts bevatten deze normen rekenregels waarmee kan worden bepaald welke maximale momenten, normaal- of dwarskrachten en spanningen of combinaties daarvan in de constructie kunnen worden opgenomen. Met deze rekenregels wordt de zogenoemde capaciteit van een constructie bepaald. Wanneer de aldus bepaalde respons groter is dan de capaciteit, is er sprake van het overschrijden van een uiterste grenstoestand.

Bijeenkomsttent

Een bijeenkomsttent is een tent die wordt geplaatst met het oog op het tijdelijk ontvangen van (groepen) mensen. In de bijeenkomsttent kan een deel van de tent een andere gebruiksfunctie hebben. Aangezien er een NEN-EN is voor bijeenkomsttenten, is het gewenst dit begrip afzonderlijk te definiëren.

Brandcompartiment

Een brandcompartiment is het maximaal uitbreidingsgebied van brand gedurende een bepaalde tijd. Binnen deze tijd kan de brandweer handelend optreden en voorkomen dat de brand een grotere omvang aanneemt dan de omvang van het compartiment waarin de brand is ontstaan. Tevens kunnen gebruikers deze tijd benutten om zich in veiligheid te stellen buiten het compartiment waar de brand is. Een brandcompartiment moet daarom aan diverse voorschriften voldoen. Naast voorschriften over de omvang kunnen die betrekking hebben op de zogenoemde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) van een scheidingsconstructie tussen het brandcompartiment en een andere ruimte, maar ook op een beperkte rookontwikkeling van die scheidingsconstructie of op beperking van de rookdoorlatendheid.

Brandgevaarlijke stof

In de definitie van «brandgevaarlijke stof» wordt verwezen naar de ADR-klassen twee tot en met vijf. Deze klassen zijn te vinden in de hierboven opgenomen toelichting op het begrip ADR-klasse.

Brandklasse

Zie voor een uitgebreide toelichting paragraaf 3.6, waarin ook wordt ingegaan op de verhouding tussen de Nederlandse normering ten aanzien van de brandklassen en de Europese normering daarvan.

Brandweeringang

De brandweeringang is de ingang die bedoeld is om de brandweer toegang te verlenen tot een plaats of bouwsel. De brandweer kan de ingang zo nodig openen met behulp van het sleutelbuis- of sleutelkluissysteem dat bij de brandweer in gebruik is. Soms ook gaat de ingang automatisch open bij een brandmelding of zorgt de organisator daarvoor.

Doorgang

Het begrip doorgang is een algemener begrip dan toegang, uitgang of een andere doorlaatopening voor personen. Al naar gelang de richting van waaruit of waarnaar een persoon een doorgang van een ruimte gebruikt, wordt in het betreffende voorschrift de term toegang of uitgang gebruikt. Dit komt vooral voor bij de brandveiligheidsvoorschriften, die overigens merendeels zijn gericht op een uitgang. Wordt in een voorschrift zowel een toegang als een uitgang bedoeld, dan wordt de term doorgang gebruikt.

Gasfles

Voor dit begrip is aangesloten bij de betreffende bepaling in het Activiteitenbesluit Milieubeheer.

Gebruiksoppervlakte

Onder de gebruiksoppervlakte wordt verstaan de oppervlakte van een plaats of deel van een plaats, die geschikt is voor het beoogde gebruik. Het kan gaan om vloeroppervlakten van in een bepaalde gebruiksfunctie gelegen ruimten. Tot die gebruiksoppervlakte worden niet gerekend de oppervlakten van vloeren waarboven een hoogte aanwezig is van minder dan 1,5 meter en de vloeroppervlakten van bijvoorbeeld een buiten een bouwsel gelegen bergruimte, stookruimte of trappenhuis. Het begrip «vloer» moet breed worden uitgelegd: het gaat niet alleen om een aangelegde vloer, maar het kan bijvoorbeeld ook de natuurlijke bodem of grond van een terrein zijn. Het kan dan ook gaan om grond- of terreinoppervlakten van een plaats of deel van een plaats met een bepaalde gebruiksfunctie.

Installatie

Onder installaties vallen bijvoorbeeld deuren en andere doorgangen, maar het kan ook gaan om een installatie in technische zin, een samenhangend en vaak min of meer geavanceerd systeem dat een bepaald doel dient. Voorbeelden daarvan zijn een verlichtingsinstallatie, noodverlichtingsinstallatie, gasinstallatie, elektrische installatie en technische alarmeringsvoorzieningen.

Jachthaven

Het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van pleziervaartuigen in een jachthaven kan aan een of meer steiger(s) of kade(s) geschieden. Buiten het vaarseizoen kunnen de pleziervaartuigen er vaak ook gestald worden. In de meeste gevallen houdt een havenmeester toezicht op de jachthaven. Het begrip is opgenomen omdat in het besluit op enkele plaatsen voor jachthavens een afwijkende regeling geldt.

Bij een jachthaven zijn vaak voorzieningen zoals douches en toiletten. Ook is er in veel gevallen een winkeltje waar scheepvaartbenodigdheden of een beperkt assortiment levensmiddelen gekocht kunnen worden. Deze voorzieningen zullen meestal bouwwerken zijn, waarop het Bouwbesluit 2012 van toepassing is. Steigers die voor langdurig of permanent gebruik worden aangelegd vallen ook onder dat besluit. Steigers die tijdelijk worden aangebracht, bijvoorbeeld voor een wedstrijd of om tijdelijk extra capaciteit te realiseren, vallen niet onder het Bouwbesluit 2012, maar onder dit besluit.

Loodsen in, op of bij de jachthaven zullen vrijwel altijd vallen onder het Bouwbesluit 2012. Dit is ook het geval met zogenoemde botenhuizen, botenloodsen of waterloodsen waar een boot naar binnen kan varen ter stalling.

Het stallen buiten het water in de open lucht zal vrijwel altijd vallen onder dit besluit. Als boten na het varen droog op de wal worden gestald, dan is er geen sprake van een bouwwerk. Worden de boten gestald in permanente of langdurig opgestelde stellages, dan zijn die stellages «bouwwerken geen gebouw zijnde» en vallen zij daarmee onder het Bouwbesluit 2012.

Kampeermiddel

Voorbeelden van kampeermiddelen zijn een kampeertent, een tentwagen, een kampeerauto of caravan dan wel enig ander vergelijkbaar onderkomen of (gewezen) voertuig of gedeelte daarvan. Een kampeermiddel als bedoeld in dit besluit is geen bouwwerk. Vakantiehuizen, recreatiewoningen en dergelijke zijn bouwwerken, en vallen dus niet onder de werking van dit besluit. Ook stacaravans zijn, hoewel vaak door hun geringe afmetingen niet bouwvergunningplichtig op basis van de Woningwet, overwegend bouwwerken, en vallen dus niet onder de werking van dit besluit.

Kampeermiddelen voor recreatief nachtverblijf (het zich bevinden in een kampeermiddel tussen 22.00 en 06.00 uur) moeten worden onderscheiden van bijvoorbeeld woonwagens die een woonfunctie hebben en daarmee onder het Bouwbesluit 2012 (Woningwet) vallen.

Kampeertent

Bedoeld zijn kleine tenten, overwegend gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Kampeerterrein

Door een kampeerterrein te omschrijven als een bepaald type «plaats», is duidelijk dat indien er op kleine schaal wordt gekampeerd op een erf of terrein als bedoeld in het Bouwbesluit 2012, dit niet wordt gekwalificeerd als een kampeerterrein, omdat een dergelijk erf of terrein immers niet speciaal is ingericht voor kamperen.

Klimlijn

Met een klimlijn wordt gedoeld op de denkbeeldige route die personen over de trap volgen. Enkele voorschriften die betrekking hebben op de beloopbaarheid van een trap, zijn aan deze klimlijn gerelateerd, bijvoorbeeld de breedte van het tredevlak.

Loopafstand

Voor de toepassingen in dit besluit is het algemene begrip «loopafstand» verfijnd. Uitgangspunt is een persoon die loopt, waarbij hij enige afstand moet houden van constructieonderdelen en waarbij op een trap een logische lijn wordt gevolgd. In de voorschriften wordt soms uitgegaan van de werkelijke loopafstand, soms van een gecorrigeerde of berekende loopafstand. De keuze voor een afstand is gebaseerd op het feit dat de logische lijn het midden van het lichaam aangeeft. Schouders of heupen blijven zo bij de gemiddelde mens net vrij van de constructieonderdelen.

Meetniveau

Indien een bouwsel slechts kan worden betreden via een trap of een hellingbaan, is het meetniveau de hoogte van het aansluitende terrein aan de voet van de trap of de hellingbaan.

Milieugevaarlijke stoffen

In het onderhavige besluit gaat het om brandgevaarlijke stoffen, voor zover niet afgedekt door het Activiteitenbesluit milieubeheer (sinds 1 januari 2013 de citeertitel van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer). Het Activiteitenbesluit milieubeheer hanteert als algemene term: gevaarlijke stoffen. Om het onderscheid tussen de (milieu)gevaarlijke stoffen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de (brand)gevaarlijke stoffen uit het onderhavige besluit tot uitdrukking te kunnen brengen, worden de stoffen waarop het onderhavige besluit ziet, aangeduid als: niet-milieugevaarlijke stoffen. Daarbij kan het gaan om stoffen als hout, autobanden en kunststoffen, of andere (kleinere) hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen.

NEN

De afkorting «NEN» staat voor: NEderlandse Norm. De door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven normen zijn geen algemeen verbindende voorschriften, maar afspraken, praktische richtlijnen, die voor en door de markt zijn gemaakt. In regelgeving wordt veelvuldig verwezen naar NEN-normen. Zie hierover verder het algemeen deel van deze toelichting.

NEN-EN

Een EN is een door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) vastgestelde Europese Norm. Normalisatie-instituten zijn verplicht de Europese normen nationaal over te nemen (implementatieplicht). Een NEN-EN is een Europese Norm die in Nederland is geïmplementeerd / geharmoniseerd.

NPR

Een Nederlandse Praktijkrichtlijn is een door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven Praktijkrichtlijn. Dit zijn geen algemeen verbindende voorschriften, maar afspraken, praktische richtlijnen, die voor en door de markt zijn gemaakt.

Opslagtank

Voor dit begrip is aangesloten bij de betreffende bepaling in het Activiteitenbesluit Milieubeheer.

Over het begrip opslag staat in de toelichting bij dat besluit:

«Opslagtanks kunnen stationair en mobiel zijn. Gezien de omschrijving van «opslag» in de Dikke van Dale («een voorraad vormen van») is er geen sprake van opslag indien er een chemische reactie of vermenging plaatsvindt. Alleen tanks waarin geen chemische reactie of vermenging plaatsvindt, worden daarom beschouwd als opslagtanks. De grenzen van 150 en 300 liter geven het onderscheid tussen een tank en een verpakking. Voor vervoer volgens de ADR is ook een flexibele of stijve verpakking groter dan 300 liter toegestaan. Dit valt onder het begrip intermediate bulk container (IBC) en wordt niet als een tank maar als een verpakking beschouwt. Een IBC die voldoet aan het ADR is te herkennen aan een kenmerk dat conform hoofdstuk 6.5 van het ADR bestaat uit:

  • het UN-verpakkingssymbool;

  • de code van het type IBC volgens 6.5.1.4 beginnend met de cijfers 11, 13, 21 of 31, daarna een letter A voor staal, B voor aluminium, N voor ander metaal, H voor kunststof (bij combinatieverpakking H en de letter van de buitenverpakking), L voor textiel, M voor papier, G voor karton en C, D en F voor verschillende houtsoorten.

  • een hoofdletter X, Y of Z om de verpakkingsgroepen aan te geven;

  • de maand en laatste twee cijfers van het jaar van fabricage;

  • de staat van toekenning van het kenmerk (aangeduid via het verkeerskenmerk);

  • naam of merkteken van de fabrikant;

  • de belasting in kilogram waarbij de stapelproef is uitgevoerd; en

  • de grootste toelaatbare bruto massa in kilogram.

Het begrip verpakking wordt niet apart gedefinieerd. Daaronder valt in ieder geval een verpakking die voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg is toegelaten. Maar ook andere verpakkingen dan verpakkingen die zijn toegelaten voor het vervoer over de weg kunnen voorkomen. Voor alle verpakkingen die worden gebruikt voor gevaarlijke stoffen gelden de voorschriften in paragraaf 4.1.1 van het besluit en de regeling.»11 Bij wijziging van het Activiteitenbesluit Milieubeheer is in de toelichting op het begrip opslagtank opgenomen: «In de begripsomschrijving van «opslagtank» is opgenomen dat het om een vormvaste voorziening moet gaan. Dat sluit flexibele opslagen (zoals een gas- of mestzak) uit. Deze aanpassing is nodig omdat bij mestvergisting gas wordt opgeslagen in een gaszak, die niet onder de definitie van «opslagtank» moet vallen.»12

Plaatsperceel

Een plaatsperceel is een kadastraal geïdentificeerd en met kadastrale grenzen begrensd deel van het Nederlands grondgebied. Onroerende zaken worden kadastraal aangeduid door vermelding van achtereenvolgens de kadastrale gemeente en sectie, waarin de percelen en gedeelten van percelen zijn gelegen waarvan het grondgebied tot die zaak behoort, alsmede de nummers van die percelen.

PGS

PGS is de afkorting van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, bestaande uit verschillende delen, die worden aangeduid door een volgnummer achter de afkorting. Dit is een handreiking voor bedrijven die gevaarlijke stoffen produceren, transporteren, opslaan of gebruiken, en voor overheden die zijn belast met de vergunningverlening en het toezicht op deze bedrijven. De publicatiereeks geeft de stand van de techniek weer en verwijst waar relevant naar regelgeving en voorschriften. Deze publicatiereeks is het referentiekader ter invulling van de eigen verantwoordelijkheid van de bedrijven, en kan gebruikt worden bij vergunningverlening, beoordeling van een melding, het opstellen van algemene regels en het toezicht op bedrijven. Hoe om te gaan met verwijzingen vanuit wet- en regelgeving naar PGS publicaties staat beschreven in paragraaf 1.1. van de publicaties. In de publicatiereeks wordt op integrale wijze aandacht besteed aan arbeidsveiligheid, milieuveiligheid, transportveiligheid en brandveiligheid.

De richtlijnen zijn dusdanig geformuleerd dat in voorkomende gevallen een bedrijf op basis van gelijkwaardigheid voor andere maatregelen kan kiezen.

Pleziervaartuig

Een pleziervaartuig wordt onderscheiden van een schip dat bestemd is of gebruikt wordt voor beroep of bedrijf. De zinsnede over typen en wijze van voortstuwing geeft aan dat het zowel over roei-, zeil- als motorschepen kan gaan en dat de afmetingen van het schip voor dit besluit niet van belang zijn.

Recreatieligplaats

Met recreatieligplaats wordt geduid op een oppervlakte water met een bepaalde lengte, breedte en diepgang, geschikt voor het aanleggen en afmeren van een pleziervaartuig. Met «afmeren» wordt bedoeld dat het pleziervaartuig wordt vastgemaakt aan de kant, aan een meerpaal of aan een ander pleziervaartuig. De ligplaats kan zich bevinden in een (deel van een) haven met aanlegsteigers of in een (deel van een) haven zonder steigers (zoals in een komhaven, veelal een bassin of kademuur gesitueerd in of nabij het stadscentrum). De ligplaats kan zich ook bevinden op een andere willekeurige plek in water, waarbij tegen de oever wordt aangemeerd. Niet bedoeld zijn de plekken waar een pleziervaartuig eventueel voor anker kan gaan liggen, zonder contact met de wal.

Rookklasse

Zie voor een toelichting de toelichting bij paragraaf 3.6.

Standplaats

Een standplaats is de plek waar iets of iemand staat. In het kader van dit besluit kunnen er op de standplaats een of meer bouwsels staan. De standplaats kan een kavel betreffen, bijvoorbeeld bestemd voor het plaatsen van een caravan of tent, waarop voorzieningen aanwezig kunnen zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten. De standplaats kan ook de tijdelijke plek van een verkoopwagen of bakwagen op bijvoorbeeld een markt betreffen.

Tentenkamp

Uit de definitie van tentenkamp blijkt dat op een tentenkamp wat het nachtverblijf betreft alleen kampeertenten staan, en geen caravans, kampeerauto’s en dergelijke. Ook staan er geen auto’s geparkeerd tussen de tenten. Er kunnen binnen het tentenkamp wel bouwsels staan die niet voor nachtverblijf gebruikt worden; denk aan een keukentent, een douchetent, een tent met wc’s.

Het begrip tentenkamp wordt bijvoorbeeld ingevuld bij festivals met overnachtende bezoekers (de festivalcamping), overnachtende scouts op kamp, een passantenveld met alleen tenten bij een jachthaven of op een camping.

Toestel

Een voorwerp is een ruime term, ter aanduiding van een tastbaar en handelbaar levenloos voorwerp. Er bestaat een veelheid aan soorten toestellen. Bij toepassing van dit besluit kan in het bijzonder worden gedacht aan een verwarmingstoestel, een verlichtingstoestel en een kooktoestel.

Veilige plaats

Voor een persoon die gevaar loopt, is het belangrijk dat hij binnen korte tijd op een plek kan komen waar het gevaar niet langer dreigt. De gangbare aanduiding daarvan is: veilige plaats. De aanduiding moet worden opgevat als één begrip: het is dus niet een bijzondere vorm van een plaats als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van dit besluit. De afstand van het bedreigde gedeelte naar de veilige plaats kan variëren. Soms zijn enige stappen voldoende, soms zal een grotere afstand afgelegd moeten worden om de veilige plaats te bereiken.

Verbrandingstoestel

Voorbeelden van verbrandingstoestellen als hier bedoeld zijn kachels, stookketels of andere verwarmingstoestellen. Het gaat nadrukkelijk niet om toestellen waarbij het hoofddoel niet de warmteopwekking is. Zo vallen verbrandingsmotoren die hoofdzakelijk bedoeld zijn voor het omzetten van energie in beweging (denk bijvoorbeeld aan de motoren in auto’s of vaartuigen), niet onder de reikwijdte van deze bepaling, net zo min als bijvoorbeeld voor toestellen of installaties om te koken, bakken, braden of frituren.

Verkeerstent en verkeersroute

Een verkeerstent is een verplaatsbare, tijdelijke overkapping van een verkeersroute. Een verkeersroute is een route die begint bij een doorgang van een ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt bij de doorgang van een andere ruimte. De verkeerstent is geen ruimte op zich, maar een overkapping van een route die bijvoorbeeld vanaf een tent via een gang, en een eventuele trap of hellingbaan, naar de toegang van een gebouw loopt. Ook de route tussen bijvoorbeeld een feesttent en een daarbuiten gelegen toiletgebied kan een verkeersroute zijn. Een verkeersroute kan samenvallen met een vluchtroute.

De verkeersroute behoort bij de gebruiksfunctie die er op is aangewezen en moet aan de voorschriften voor die gebruiksfunctie voldoen.

Het is niet altijd nodig dat er een fysieke scheiding is tussen de ruimte waardoor de verkeersroute voert en de aangrenzende ruimten. Een fysieke scheiding tussen de ruimte van de verkeersroute en een aangrenzende ruimte is wel nodig indien bijvoorbeeld beide gebruiksfuncties niet in hetzelfde brandcompartiment mogen liggen of om te kunnen voldoen aan eisen ten aanzien van geluidwerendheid.

Het is dus mogelijk dat voor de ruimte de voorschriften van een andere gebruiksfunctie gelden dan voor de route die er doorheen loopt. In dat geval gelden voor dat gedeelte van de route dubbele voorschriften; aan de zwaarste daarvan zal moeten worden voldaan.

Vluchtroute

Een vluchtroute is een verkeersroute die eindigt op een veilige plaats, gedefinieerd als een plek buiten het bedreigde gedeelte van een plaats. Omdat het gebruik van een lift bij brand risico’s met zich brengt, mag een route waarbij gebruik moet worden gemaakt van een lift, niet worden aangemerkt als vluchtroute.

Vuurbelasting

De vuurbelasting bestaat uit de som van de permanente vuurbelasting en de variabele vuurbelasting. De vuurbelasting wordt weergegeven als een bepaalde hoeveelheid warmte per vierkante meter.

De permanente vuurlast van een plek is de hoeveelheid warmte die bij verbranding vrijkomt van de brandbare materialen in de constructieonderdelen die zich binnen die plek bevinden en die die plek begrenzen. Hierbij mogen constructieonderdelen die voldoende brandwerend afgescheiden zijn van de plek buiten beschouwing worden gelaten. «Voldoende» is afhankelijk van de ter plaatse geldende wbdbo-eis (zie voor de definitie van wbdbo hierna). De permanente vuurlast van een plek is gelijk aan het product van de permanente vuurbelasting en de netto oppervlakte van die plek en wordt berekend volgens NEN 6090.

Indien zich ergens tijdelijk materialen bevinden, is de variabele vuurlast van die plek gelijk aan het product van de variabele vuurbelasting en het netto oppervlakte van die plek waar zich de tijdelijke materialen bevinden.

Wbdbo (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) is de kortste tijd die een brand nodig heeft om zich uit te breiden van een ruimte naar een andere ruimte. De weerstand wordt weergegeven in tijd. Als er een brand in een ruimte is, kan die door middel van doorslag of door middel van overslag naar een andere ruimte gaan. Doorslag geschiedt via gevel- of vloerconstructies, overslag geschiedt via de lucht. Het is vaak van belang dat proces van doorslag of overslag te vertragen. Door het gebruik van bepaalde materialen of door de afstand te vergroten, kan de weerstand verhoogd worden.

Artikel 1.1, derde lid

De indeling van een plaats in gebruiksfuncties kan bepalend zijn voor de eisen die voor de betreffende onderdelen van de plaats gelden. De soort gebruiksfunctie bepaalt welke eisen toegepast moeten worden. Volgens de begripsomschrijving wordt met gebruiksfunctie bedoeld: de gedeelten van een plaats die eenzelfde gebruiksbestemming hebben en die samen een gebruikseenheid vormen. Gedeelten kunnen bijvoorbeeld zijn:

  • bouwsels of onderdelen van bouwsels;

  • installaties of delen van installaties;

  • gebieden of delen van gebieden;

  • (verkeers- en vlucht)routes of delen daarvan.

Een gebruiksfunctie omvat alle bouwtechnische en gebruikstechnische onderwerpen die betrekking hebben op die gebruiksfunctie. In de eerste plaats de eigen onderdelen, dus de niet-gemeenschappelijke ruimten en voorzieningen. In de tweede plaats ook de gemeenschappelijke ruimten en installaties.

Bouwsels, installaties en gebieden en dergelijke die deel uitmaken van die gebruiksfuncties moeten voldoen aan alle eisen die het besluit daarvoor aan die gebruiksfuncties stelt. Wanneer voor hetzelfde onderwerp verschillende eisen worden gesteld, geldt altijd dat aan de zwaarste eis moet worden voldaan.

bijeenkomstfunctie

De bijeenkomstfunctie is een gebruiksfunctie voor het samenkomen van personen. Onder deze gebruiksfunctie kunnen bijvoorbeeld worden verstaan de kenmerkende ruimten van een tent, een kortstondig geplaatste loods voor een feest, een tijdelijk café, een tijdelijk restaurant, een tijdelijke kantine, een tijdelijke discotheek, een tijdelijk tentoonstellingsgebouw, een tijdelijk museum, een tijdelijk kinderdagverblijf en een tijdelijk geplaatste tribune op een sportveld. De opsomming in definitie is aangevuld met de activiteit «ontspanning». Met deze toevoeging is verduidelijkt dat onder bijeenkomstfunctie ook de kenmerkende ruimten van bijvoorbeeld een tijdelijke sauna, een tijdelijke binnenspeeltuin of een kortstondig zwembad kunnen zijn begrepen.

kantoorfunctie

Een kantoorfunctie is een gebruiksfunctie voor administratie. Een kantoorfunctie is bijvoorbeeld een portacabin of ander kortstondig geplaatst bouwsel of een deel daarvan waar een projectorganisatie, een adviesbureau, een administratie of ander kantoor kan verblijven.

lichte industriefunctie

Een lichte industriefunctie is een industriefunctie waarin activiteiten plaatsvinden waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt. Voorbeelden zijn een kortstondig geplaatste opslagloods, een opslag op een open terrein (niet behorende bij een gebouw).

logiesfunctie

Een logiesfunctie is een gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen. Die personen hebben elders hun hoofdverblijf. Van een logiesfunctie is onder meer sprake bij een caravan, camper, kampeertent, een groepsaccommodatietent.

Opgemerkt wordt dat, wanneer mensen op een bepaald adres zijn ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie, daaruit mag worden afgeleid dat zij hun hoofdwoonverblijf op dat adres hebben. In een dergelijk geval zal geen sprake zijn van een logiesfunctie maar van een woonfunctie.

overige gebruiksfunctie

Een overige gebruiksfunctie is een niet in dit lid benoemde gebruiksfunctie voor activiteiten waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt.

sportfunctie

Een sportfunctie is een gebruiksfunctie voor het beoefenen van sport. Voorbeelden zijn een kortstondig geplaatst zwembad, een opblaashal als kortstondige te gebruiken tennisbaan, een gebied dat tijdelijk als ijsbaan dient, een plein waarop tijdelijk een kunstijsbaan wordt geplaatst. Een ruimte voor toeschouwers daarbij, bijvoorbeeld een tribune, valt niet onder de sportfunctie maar is een bijeenkomstfunctie. Dit geldt ook als tussen het speelveld en die tribune geen fysieke scheiding aanwezig is.

winkelfunctie

Een winkelfunctie is een gebruiksfunctie voor het verhandelen van materialen, goederen of diensten. Een winkelfunctie kan een zelfstandige functie zijn, zoals een in een tent of portacabin geplaatste noodwinkel, een kortstondige supermarkt of losse tijdelijke winkel, dit hoeft echter niet. Bij een markt of braderie kunnen de daarvan deel uitmakende kramen samen één winkelfunctie vormen.

Artikel 1.2 Reikwijdte

Dit besluit geeft invulling aan de opdracht in artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s om regels te stellen over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke plaatsen, voor zover daarin niet bij of krachtens enige andere wet is voorzien.

Uit het onderhavige besluit blijkt dat specifieke regels beperkt blijven tot plaatsen die ruimtelijk begrensd zijn; dat hoeft overigens niet per se door middel van hekken te gebeuren, het is voldoende als het is voor eenieder zichtbaar is waar de plaats begint en eindigt.13 Voorts moet die plaats worden gevormd door ten minste één bouwsel of gebied of een samenstel daarvan. In het algemeen deel van de toelichting en in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1.1, eerste lid, in het bijzonder onder het kopje «Bouwsel» is hierop reeds ingegaan. De bepalingen die specifiek zien op de gebruiksmelding en op het brandveilig gebruik van plaatsen (de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5) gelden ingevolge het tweede lid uitsluitend voor plaatsen die in georganiseerd verband worden gebruikt. Dat zijn immers plaatsen waar groepen mensen bijeen zijn, en daarbij past dat er met het oog op de brandveiligheid regels worden gesteld, in het bijzonder voor degene die het gebruik van de plaats organiseert. De algemene eisen die in dit besluit zijn opgenomen, werken voor alle gebruikers van de plaats, zoals degenen die met kramen aanwezig: zij hebben een algemene (mede-)verantwoordelijkheid voor de veiligheid ter plaatse.

Artikel 1.3 Aantal personen

Dit artikel bevat een norm die beoogt te voorkomen dat op een bepaalde plaats meer personen aanwezig zijn dan het aantal waarop de veiligheidsvoorschriften zijn afgestemd. In bepaalde situaties is een maximum aantal personen immers het uitgangspunt van die voorschriften, en bij overschrijding van het aantal toegestane aanwezigen zijn die voorschriften ontoereikend om bijvoorbeeld voldoende mensen veilig te laten vluchten. Meer mensen zouden dan alleen worden toegestaan als er – in dit voorbeeld – extra vluchtroutes komen. Daarom moet bij het indienen van een gebruiksmelding opgave gedaan worden van het verwachte maximale aantal tegelijkertijd aanwezigen.

Artikel 1.4 Gelijkwaardigheid

De uitwerking van de voorschriften van het besluit is zoveel mogelijk gegoten in de vorm van (abstracte) functionele eisen en daarmee samenhangende concrete voorschriften (prestatie-eisen). Wanneer aan die prestatie-eis wordt voldaan, is aan de daarbij behorende functionele eis voldaan. Artikel 1.4 maakt het evenwel mogelijk om met een andere oplossing te komen in plaats van precies te voldoen aan de in het besluit gegeven prestatie-eisen. Voorwaarde daarbij is uiteraard dat aan de functionele eis van het betreffende voorschrift wordt voldaan. Omdat er dan sprake is van gelijkwaardigheid, is er materieel voldaan aan de functie-eisen, en is daarmee de formele naleving van de prestatie-eisen niet (meer) aan de orde. Afwijking van een prestatie-eis kan bijvoorbeeld wenselijk of zelfs noodzakelijk zijn in verband met de aard of omvang van het gebruik van de plaats of de daarin gelegen ruimten, in verband met plaatselijke omstandigheden of in verband met de toepassing van innovatieve materialen, constructies, voorzieningen of installaties.

Indien op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder d, een gebruiksmelding is ingediend, kan het bevoegd gezag vragen om aannemelijk te maken dat met de voorgesteld oplossing het als functionele eis gestelde doel kan worden bereikt. Uiteindelijk wordt de gelijkwaardigheid beoordeeld door het bevoegd gezag, zo nodig nadat aanvullende informatie is gevraagd en geleverd.

Artikel 1.5 Toepassing normen

Eenmaal vastgestelde normen kunnen aan verandering onderhevig zijn; dat leidt dan tot nieuwe uitgaven van normen die omwille van de kenbaarheid dan overigens wel hun «eigen» nummer behouden. Door middel van een lijst, vastgesteld en bijgehouden door de Minister van Veiligheid en Justitie, is voor elke norm waarnaar in dit besluit wordt verwezen, te vinden welke uitgave moet worden toegepast.

Artikel 1.6 Toepassing kwaliteitsverklaringen

In overleg met het bevoegd gezag kan gebruikt worden gemaakt van kwaliteitsverklaringen, om te laten zien dat het product of proces aan de gevraagde prestatie voldoet. Zo worden vaak bepaalde bouwboeken, tentboeken, certificaten of anderszins benoemd en gebruikt. De melder kan op deze manier desgevraagd laten zien dat het product of proces voldoet aan de in dit besluit gestelde eis. Omdat er vaak sprake is van materialen die uit andere landen afkomstig zijn, zal in de praktijk voor de kwaliteitsverklaringen regelmatig ook gebruik worden gemaakt van documenten die niet in het Nederlands zijn gesteld, maar bijvoorbeeld in het Duits, Frans of Engels. Ook niet alle normen waaraan – ook in dit besluit – gerefereerd wordt als het gaat om technische specificaties, zijn in het Nederlands gesteld. Het verdient aanbeveling dat gemeenten bij een melding documenten die in een van de genoemde talen zijn gesteld, accepteren als basis voor de oordeelsvorming. Dat ligt in lijn met artikel 4.5, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat artikel bepaalt dat een bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet te behandelen, als de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld, maar alleen als een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is. Op gelijke wijze is in artikel 4.5, derde lid, bepaald dat bij een omvangrijke of ingewikkelde aanvraag het bestuursorgaan een samenvatting mag verlangen. De mogelijkheid om een vertaling of samenvatting te vragen, geeft al aan dat het geen automatisme moet zijn. Het is voor de branche een onnodige kostenpost als iedere keer allerlei onderliggende documenten in vertaling moeten worden aangeboden, zonder dat het bevoegd gezag er zich rekenschap van heeft gegeven of (vertalingen van) de desbetreffende documenten noodzakelijk zijn Als uitgangspunt zou gehanteerd moeten worden dat documenten in een van de gangbare vreemde talen geaccepteerd worden, zeker indien een samenvatting van de essentiële punten in deze documenten in het Nederlands overgelegd wordt indien het bevoegd gezag op grond van artikel 2.4, tweede lid aanvullende informatie verlangt. Meent het bevoegd gezag dat dat toch niet voldoende is, dan zou die mening gemotiveerd moeten worden, en zou er gespecifieerd om aanvullende documenten gevraagd moeten. Ook kan het zinvol zijn dat gemeenten bij elkaar navraag doen over afhandeling van gebruiksmeldingen, als bekend is dat recent in een andere gemeente een gelijksoortige melding is gedaan. Elke gemeente dient uiteraard een eigen afweging te maken, maar als de onderliggende documenten gelijk zijn, behoeven die niet iedere keer integraal beoordeeld te worden. Dat is winst voor de overheid en voor de melders.

Artikel 1.7 Wederzijdse erkenning

Voor de uitleg van dit begrip is aangesloten bij de toelichting bij het Ontwerpbesluit bouwwerken Leefomgeving. Binnen de Europese Unie geldt het principe van de wederzijdse erkenning. Dit betekent dat kwaliteitsverklaringen, certificaten, keuringen of inspectieschema’s wanneer deze in een ander land op legitieme manier tot stand zijn gekomen, moeten worden erkend in de landen van de Europese Unie. Voor de toepassing van deze regel maakt het niet uit of dat andere land wel of niet in de Europese Unie ligt. Dat andere land zal in het laatste geval dan wel partij moeten zijn bij een daarop gericht verdrag. Met deze regel worden handelsbelemmeringen voorkomen. Hiermee samen hangt de notificatieverplichting. Op grond van Richtlijn 2015/1535/EU moeten de lidstaten elkaar en de Europese Commissie informeren voordat zij technische regelgeving maken of wijzigen. Ook de gelijkwaardigheidsbepaling zoals deze in artikel 1.4 van dit besluit is opgenomen kan een rol spelen bij het voorkomen van handelsbelemmeringen.

Artikel 1.8 Naleving voorschriften

Dit artikel bevat een algemeen verbod op het niet-naleven van de voorschriften in dit besluit, zowel met betrekking tot de staat van de plaats als tot het gebruik ervan. Deze bepaling is primair gericht op degene die het gebruik organiseert, omdat hij in de positie is of geacht mag worden te zijn om een beslissende invloed te hebben op de staat en het gebruik van de plaats. Dit geldt – als er meer organisatoren zijn op één plaats – voor elke organisator, dus niet alleen degene die de gebruiksmelding heeft ingediend. Uit de formulering van dit artikel blijkt dat het verbod niet tot de organisator(en) beperkt is: het geldt voor eenieder die een plaats gebruikt, zoals verkopers van etenswaren en standhouders. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat ook zij een zekere verantwoordelijkheid hebben voor de veiligheid van zichzelf en anderen. De bepaling ziet niet op bezoekers van de plaats.

Indien voorschriften zijn opgelegd of van toepassing zijn verklaard, is er een persoon verantwoordelijk voor de naleving ervan. Gedurende het gebruik moet deze aanwezig zijn of snel ter plaatse kunnen zijn, om (aanvullende) instructies van toezichthoudende ambtenaren te kunnen uitvoeren.

Hoofdstuk 2 Procedures

Artikel 2.1 Gebruiksmeldingsplicht

De gebruiksvergunningplicht van het Besluit omgevingsrecht (BOR) is qua procedure en inhoud zwaarder dan de gebruiksmeldingsplicht op basis van dit besluit. Het BOR behandelt het Brandveilig gebruiken van een bouwwerk. Een (toekomstige) gebruiker van (delen van) een plaats zal primair moeten bezien of hij een gebruiksvergunningplicht op basis van het BOR heeft. Dat is slechts het geval in enkele situaties, die limitatief zijn opgenomen in het BOR.

Veelal zal met een gebruiksmelding op basis van dit besluit kunnen worden volstaan; soms is zelfs een gebruiksmelding niet nodig. Op de gebruiker van een plaats die vergunningplichtig is, kan voor diezelfde plaats niet tevens een (afzonderlijke) meldingsplicht rusten (tweede lid). Wel is denkbaar dat gedeelten van een plaats een specifieke functie hebben (bijvoorbeeld nachtverblijf). Daarom is in verschillende artikelen, waaronder dit artikel, sprake van «een plaats of een gedeelte van een plaats». Dit biedt mogelijkheid tot differentiatie. Het formulier, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, leidt de indiener over de juiste weg. Op deze wijze worden geen onnodige eisen gesteld wat betreft het brandveilig gebruik van de plaats.

Dit artikel beschrijft de situaties waarin een meldingsplicht geldt. Deze komen in belangrijke mate overeen met de eisen die nu zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Alleen bij een verblijfsruimte wordt in dit besluit een groter aantal personen gehanteerd, omdat aan het gebruik van een dergelijke ruimte overwegend minder risico’s zijn verbonden dan aan het gebruik van bouwwerken in de zin van het Bouwbesluit 2012.

Artikel 2.2 Indiening gebruiksmelding

Er is een termijn van vier weken opgenomen omdat er voldoende gelegenheid moet zijn om na te gaan of er uit het oogpunt van brandveiligheid voorwaarden moeten worden gesteld aan de plaats of het gebruik ervan. Mogelijk moet ook de samenhang met andere formaliteiten worden bezien. Bij bijvoorbeeld grote evenementen kan een periode van vier weken aan de krappe kant zijn. Voor dergelijke evenementen zal veelal een evenementenvergunning of minimaal een tijdige melding nodig zijn. Als in dat kader direct ook de aspecten van brandveiligheid in beeld komen, kan een efficiënte afwikkeling geborgd worden. Een goede communicatie vanuit het bevoegd gezag met potentiële indieners is dus van belang voor een soepel verloop van de procedure.

In voorkomende gevallen kan, met medewerking het bevoegd gezag, een kortere periode worden gehanteerd.

In het derde lid is aangegeven dat bij de melding van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.4, eerste lid, gegevens en bescheiden die dit aannemelijk maken, moeten worden verstrekt indien het bevoegd gezag dat kenbaar heeft gemaakt.

Het vierde lid schrijft voor dat de melder bij een gebruiksmelding voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik aangeeft voor welke periode en welke tijdvakken in een kalenderjaar het gebruik is beoogd.

Het model van het formulier voor het doen van een melding wordt bij ministeriële regeling vastgesteld (vijfde lid). Onder model wordt hier verstaan een qua inhoud bindend model. Gemeenten kunnen desgewenst op onderdelen wijzigingen aanbrengen (bijvoorbeeld de lay out veranderen, de naam of het logo van de gemeente toevoegen of een naam of adres in verband met het indienen van het formulier), maar de via het formulier te leveren informatie kan niet worden aangepast. Alleen dan wordt het voordeel van uniformiteit bereikt. Dat is gemakkelijk voor degenen die het formulier bij herhaling moeten invullen. Ook wordt de afhandeling van het formulier door de gemeenten eenvoudiger. In beide gevallen beperkt dat dus de administratieve last. Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat met «formulier» niet uitsluitend een papieren formulier wordt bedoeld. Het doen van een melding zal in beginsel immers ook langs digitale weg mogelijk zijn. Het model maakt het ook mogelijk dat samenhangende meldingen geïntegreerd worden afgehandeld.

Artikel 2.3 Indieningsvereisten

Een uniforme en vlotte afhandeling van meldingen is erbij gebaat dat direct de goede gegevens worden aangeleverd om het bevoegd gezag in staat te stellen een oordeel daarover te vormen. Daarom is er in deze artikelen een lijst van gegevens opgenomen. De lijst is gedetailleerd, maar het gaat om relevante en essentiële gegevens. Dus niet altijd hoeft «alles» te worden aangeleverd. Dit sluit aan bij het risicodenken: «alleen als iets speelt, willen we het weten». De administratieve lasten die uit deze bepaling voortvloeien, zijn dan ook alleszins verantwoord. Er wordt naar gestreefd dat – indien van toepassing – de indiening gecombineerd kan worden met eventuele andere aanvragen of meldingen.

Steeds vaker zal bij indiening sprake zijn van digitale documenten. De maatvoering moet uit de tekeningen (situatieschets, plattegrond) blijken; niet langer is een van tevoren bepaalde schaal vereist. Indien prints of andere tekeningen op papier worden aangeleverd, moet de gekozen schaal zodanig zijn dat het bevoegd gezag er voldoende informatie uit kan halen voor een beoordeling van het gemelde gebruik. De aangeboden informatie moet goed leesbaar en herkenbaar zijn, en het is raadzaam de gekozen schaal te vermelden.

Zie voor het gebruik van documenten in andere talen dan het Nederlands de toelichting bij artikel 1.6.

Artikel 2.4 Afhandeling gebruiksmelding

Het eerste lid bepaalt dat een ontvangstbevestiging moet worden verzonden. Dat betekent niet dat de melder mag veronderstellen dat hij ongehinderd zijn voorgenomen activiteit kan ontplooien.

In het tweede lid wordt de mogelijkheid gegeven aan het bevoegd gezag aanvullende informatie op te vragen bij de melder, alvorens tot een oordeel te komen. De melder moet dan die aanvullende informatie verstrekken.

Het bevoegd gezag kan ook nadere voorwaarden opleggen (derde lid). Het gaat dan niet om het stellen van algemene regels; dit besluit voorziet immers in landelijk uniforme regels. Maar het kan zijn dat de locatie of de activiteit of een combinatie ervan vanwege het risico noopt tot het stellen van nadere voorwaarden aan het gebruik. Het bevoegd gezag zou terughoudend gebruik moeten maken van deze bevoegdheid, en het gebruik moeten kunnen motiveren, om geen afbreuk te doen aan het uitgangspunt van uniforme regelgeving. Heldere communicatie draagt ertoe bij dat indieners tijdig weten waar ze aan toe zijn.

In het vierde lid is bepaald dat het verboden is te handelen in strijd met de nadere voorwaarden, bedoeld in het derde lid, zodat duidelijk is dat het hier om een strafbaar feit gaat. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s kan een dergelijk handelen worden bestraft.

Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat het gemelde voorgenomen gebruik van de plaats onvoldoende brandveilig moet worden geacht, dan zal onder verwijzing naar artikel 1.8 moeten worden aangegeven waar de melder tekortschiet uit het oogpunt. Houdt de melder daarmee geen rekening, dan kan daartegen worden opgetreden.

Artikel 2.5 Wijzigen nadere voorwaarden gebruiksmelding

In het eerste lid is bepaald dat het bevoegd gezag de na de melding opgelegde nadere voorwaarden kan wijzigen wanneer er sprake is van een verandering van inzichten of van omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na de melding. Ook kunnen de nadere voorwaarden worden gewijzigd op verzoek van de melder.

Het tweede lid bepaalt dat het bevoegd gezag geen gebruik van de in het eerste lid gegeven mogelijkheden mag maken zonder de melder eerst in de gelegenheid te stellen hierover zijn mening te geven.

Hoofdstuk 3 Technische voorschriften

In dit hoofdstuk staan technische voorschriften in verband met het voorkomen of bestrijden van brand. Sommige ervan lijken louter te bestaan uit constructieve eisen of inrichtingseisen (paragrafen 3.2 tot en met 3.5), maar ook die eisen zijn direct gerelateerd aan het brandveilig gebruik, meer in het bijzonder het veilig kunnen vluchten bij brand.

Technische voorschriften aangaande installaties en organisatie staan in hoofdstuk 4, en in hoofdstuk 5 zijn voorschriften opgenomen inzake het gebruik van plaatsen.

§ 3.1 Sterkte bij brand

De inhoud van deze paragraaf heeft betrekking op ruimten die bestemd zijn voor het verblijf van personen (verblijfsruimten). Dat vraagt om zorg en inspanningen om het veilig verlaten van die ruimten voor die personen mogelijk te maken.

In deze paragraaf wordt geregeld dat er geen of slechts beperkte instorting als gevolg van brand mag plaatsvinden van constructieve onderdelen waarover of waaronder een vluchtroute voert. Zodra er brand ontstaat, moet er enige tijd gelegenheid zijn het bouwsel met een verblijfsruimte te verlaten.

In deze paragraaf worden geen eisen aan de algehele constructie van het bouwsel gesteld, alleen aan de vloer, de trap of de hellingbaan waarover de vluchtroute, buiten het gedeelte waar de brandt woedt, voert. Het gaat daarbij steeds om het belang van brandveiligheid.

De genoemde onderdelen kunnen zich in het brandcompartiment van het bouwsel met een verblijfsruimte bevinden, dit in tegenstelling tot de aanpak die in het Bouwbesluit 2012 gekozen is, waarbij voor bouwwerken bepaald wordt dat dit voor aansluitende onderdelen buiten het brandcompartiment geldt. Een ander verschil met het Bouwbesluit 2012 is dat daarin met betrekking tot bouwwerken sprake is van de mogelijkheid van tijdig verlaten en doorzoeken, waarmee bedoeld wordt het zoeken naar eventueel achtergebleven personen in het bouwwerk. In het onderhavige besluit is voor bouwsels met een verblijfsruimte het oogmerk van de bepaling beperkt tot het tijdig verlaten, omdat doorzoeken na het verlaten vanwege de, overwegend, kleinere afmetingen hier meestal niet nodig zal zijn. Indien er na het verlaten wel doorzocht moet worden, vanwege bijzondere omstandigheden ter plaatse, biedt de tijdsbepaling van artikel 3.2. daarvoor voldoende gelegenheid. Het doorzoeken is daarbij niet voorbehouden aan de brandweer; de organisator van het gebruik van de plaats heeft onder meer de verantwoordelijkheid voor ontruiming bij brand (zie artikel 4.12, tweede lid).

Artikel 3.1 Aansturingsartikel

Het eerste lid formuleert als functionele eis dat de constructie van een bouwsel met een verblijfsruimte of delen daarvan zodanig is dat het bouwsel met een verblijfsruimte bij brand gedurende redelijke tijd kan worden verlaten, zonder dat er gevaar voor instorting is. Het lid is algemeen geformuleerd. Zodra brand ontstaat moet het verblijf in het bouwsel met een verblijfsruimte niet acuut gevaarlijk worden door instorting van het bouwsel met een verblijfsruimte of delen daarvan. Er moet voldoende tijd zijn om het bouwsel met een verblijfsruimte veilig te verlaten. Het artikel is gericht op de veiligheid van personen en niet op het behoud van het bouwsel met een verblijfsruimte; nadat het bouwsel met een verblijfsruimte verlaten en doorzocht is, is eventuele instorting uit een oogpunt van brandveiligheid niet meer van belang.

Waar over instorting wordt gesproken, gaat het over het in elkaar vallen van de constructie of delen daarvan. Het kan daarbij gaan om vloeren, wanden of daken, alle constructieve onderdelen. Door instorting wordt de stevigheid van het bouwsel met een verblijfsruimte aangetast. Ingestorte delen kunnen belemmerend werken of gevaar opleveren.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 3.2 Tijdsduur bezwijken

Dit artikel bevat de eisen inzake de tijdsduur van het in geval van brand bezwijken van bepaalde constructieve onderdelen waarover of waaronder een vluchtroute voert. Uitgangspunt hierbij is dat de voor vluchten benodigde vloer, trap of hellingbaan niet mag bezwijken voordat personen het bouwsel met een verblijfsruimte hebben kunnen verlaten, en voordat de organisator (of door hem aangewezen personeel of BHV’ers) of professionele hulpverleners het bouwsel met een verblijfsruimte zo nodig hebben kunnen doorzoeken.

Het eerste lid bepaalt dat een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute voert, niet binnen 20 minuten mag bezwijken als er brand is in een ander brandcompartiment. Met dit voorschrift is beoogd dat vluchtroutes die nog niet onbruikbaar zijn geworden door rook of vuur, ook niet onbruikbaar worden als gevolg van het bezwijken van een vloer, trap of hellingbaan in, onder of boven de vluchtroute. Daarbij is ervan uitgegaan dat iedereen binnen 20 minuten na het begin van de brand in een ander brandcompartiment een veilige plaats kan hebben bereikt en er ook tijd is om het bouwsel met een verblijfsruimte zo nodig te doorzoeken op eventueel daarin achtergebleven personen.

Het is niet te voorkomen dat in een brandcompartiment waarin een brand ontstaan is, een vluchtroute onbruikbaar kan worden door rook en vuur. Dat is mede de reden dat bij bouwsels met een verblijfsruimte die bestemd zijn voor grotere aantallen personen, in verschillende richtingen gevlucht moet kunnen worden. Indien de ene vluchtrichting onbruikbaar wordt door rook en vuur, kan een andere vluchtrichting gebruikt worden.

Uit het tweede lid volgt gedurende welke tijd een dragende constructie van een hoger gelegen vloer, trap of hellingbaan bij brand in een ander brandcompartiment niet mag bezwijken. De gekozen tijdsduur van 30 minuten is langer dan de waarde in het eerste lid. Dit is enerzijds om de personen die op die hoogte verblijven, de tijd te geven te vluchten, en anderzijds om degenen die onder de betreffende vloer, trap of hellingbaan verblijven of vluchten, een veilige vluchtweg te bieden. Het bezwijken bij brand in een ander brandcompartiment van de hoger gelegen constructie mag namelijk niet tot een gevaarlijker situatie leiden. Het gaat hier niet om de hoogte waarop de brand in het bouwsel met een verblijfsruimte kan ontstaan, maar om de hoogste vloer van enig verblijfsgebied in een ander brandcompartiment van het bouwsel met een verblijfsruimte waarop dit voorschrift van toepassing is.

§ 3.2 Afscheiding van vloer, trap en hellingbaan

Het doel van deze paragraaf is te voorkomen dat mensen tijdens het vluchten bij brand van de rand van een vloer, een trap of een hellingbaan vallen. In de praktijk worden daarom bijvoorbeeld balustrades, hekken of borstweringen geplaatst. Deze paragraaf geeft de regels waaraan dergelijke afscheidingen moeten voldoen. Het begrip vloer moet breed worden uitgelegd: het gaat niet alleen om een aangelegde vloer, maar het kan bijvoorbeeld ook de natuurlijke bodem of grond van een terrein zijn.

Artikel 3.3 Aansturingsartikel

Het eerste lid formuleert als functionele eis dat een plaats voorzieningen bevat waardoor bij een ontvluchting het vallen van een terrein, vloer, trap en een hellingbaan zo veel mogelijk wordt voorkomen. Het vallen zelf kan al gevaarlijk zijn voor de betreffende persoon, maar omdat het tijdens een ontvluchting geschiedt, kan het ook extra gevaar opleveren voor die persoon of andere vluchtende personen, die last kunnen ondervinden van de gevallen of struikelende persoon.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 3.4 Aanwezigheid

Het doel van dit artikel is aan te geven in welke situaties er voorzieningen aan de rand van een vloer, trap of hellingbaan nodig zijn.

Het eerste lid geeft het basisvoorschrift voor een vloerafscheiding bij een hoogteverschil tussen de rand van een voor personen bestemde vloer en de aangrenzende vloer, terrein of water. Indien het hoogteverschil niet groter is dan 1,5 meter is een vloerafscheiding niet verplicht. Bij een valhoogte minder dan 1,5 meter wordt het risico van vallen beperkter geacht. Deze waarde komt overeen met de gebruikelijke waarde in het Bouwbesluit 2012, niveau bestaande bouw.

Het tweede lid geeft een soortgelijk voorschrift voor een trapafscheiding aan de zijkant van een trap. De zijkanten van een trap moeten evenals de randen van een vloer zijn voorzien van een afscheiding. Zo’n afscheiding is niet vereist voor een trap van slechts enkele treden; de grens is gelegd bij een hoogteverschil van ten minste 1,5 meter. Bij trappen die hoger zijn en dus moeten zijn voorzien van een afscheiding, is het niet verplicht een afscheiding te hebben bij de onderste 1,5 meter van de trap.

Het derde lid regelt hetzelfde voor een hellingbaan. De zijkanten van een hellingbaan moeten evenals de randen van een vloer of trap zijn voorzien van een afscheiding. Zo’n afscheiding is niet vereist voor een lage hellingbaan of het lage deel van een hellingbaan; de grens is gelegd bij een hoogteverschil van ten minste 1,5 meter. Bij hellingbanen die hoger zijn en dus moeten zijn voorzien van een afscheiding is het niet verplicht een afscheiding te hebben bij de onderste 1,5 meter van de hellingbaan.

Het vierde lid benadrukt dat op de plek waar een trap of een hellingbaan aansluit op de vloer geen vloerafscheiding behoeft te zijn. Dit is omdat op die plekken geen valgevaar aanwezig is en juist de doorgangsfunctie van belang is. Een niet beweegbare afscheiding zou daar belemmerend werken voor de doorstroom.

In het vijfde lid is aangegeven in welke situaties er, ongeacht het hoogteverschil met een aangrenzend(e) vloer, terrein of water geen vloerafscheiding nodig is. De uitzonderingen zijn dezelfde als in artikel 2.17 van het Bouwbesluit 2012.

Een podium wordt uitgezonderd, zodat tussen de optredende personen en het kijkende publiek geen belemmeringen voorkomen. Het podium wordt in dit artikel in zijn geheel uitgezonderd; vanuit het oogpunt van arbeidsomstandigheden (bescherming tegen het vallen van werknemers) kan een afscheiding van zij- of achterkant, indien zich daar geen kijkend publiek bevindt, raadzaam of geboden zijn.

De rand van een vloer die grenst aan een bassin (bijvoorbeeld een vijver, zwembad of havenkom), wordt uitgezonderd omdat daar de gevaarzetting lager is. Het vallen in een bassin wordt minder gevaarlijk gevonden, althans uit het oogpunt van brandveiligheid en brandveilig vluchten. Dit betreft zeker een bassin waarvan het juist de bedoeling is dat het wordt gebruikt, bijvoorbeeld om in te zwemmen.

De rand van een laadvloer moet gebruikt kunnen worden voor het laden en lossen en zal dientengevolge geen (vaste) afscheiding kunnen hebben. Het laden van bijvoorbeeld een vrachtauto of het oppakken van een last door een heftruck blijft zo mogelijk.

De rand van een perron is ook uitgezonderd. Gedacht kan worden aan trein-, tram- of busperrons, waar geen afscheiding langs staat. Het in- en uitstappen moet mogelijk blijven en daarom wordt de rand niet beveiligd met een afscheiding.

Er kunnen andere randen van vloer of terrein zijn, die vanwege hun gebruiksmogelijkheden niet voorzien worden van een afscheiding. De bepaling van onderdeel e biedt ruimte aan randen van vloeren of terreinen die ook niet voorzien worden van afscheidingen omdat dat niet nodig is of praktisch niet kan.

Artikel 3.5 Hoogte

De algemene eis voor de minimale hoogte van een vereiste vloerafscheiding bedraagt krachtens het eerste lid 0,9 meter. Bij de keuze van deze waarde is aangesloten bij de gekozen waarde in het Bouwbesluit 2012, niveau bestaande bouw.

Het tweede lid bevat een lagere minimumeis (0,6 m) voor een afscheiding (borstwering) ter plaatse van een beweegbaar raam. De reden hiervoor is dat een raam een zekere bescherming biedt tegen vallen. Bij een raam dat open kan, moet een vaste borstwering aanwezig zijn met een hoogte van ten minste 0,6 meter. Dit geldt niet voor een raam op de begane grond, indien het hoogteverschil met het aansluitende terrein kleiner is dan 1,5 meter (zie artikel 3.4, eerste lid).

Op grond van het derde lid kan met een hoogte van 0,6 meter worden volstaan, indien de hoogte en de breedte van de afscheiding opgeteld ten minste 1 meter zijn. Dit betekent dat de afscheiding in dit geval een breedte van ten minste 0,4 meter moet hebben. De minimale som van 1 meter voor breedte en hoogte geeft voldoende waarborg dat iemand die tegen de afscheiding valt, niet daaroverheen slaat. Met bovenregel wordt de bovenzijde van de afscheiding bedoeld. Dit voorschrift biedt de mogelijkheid bij bijvoorbeeld tijdelijke theaterlocaties en sportaccommodaties de hinder voor het uitzicht te beperken.

Het vierde lid heeft betrekking op de hoogte van de afscheiding naast een trap of een hellingbaan en schrijft een minimum hoogte voor van 0,6 meter. Bij een trap moet de hoogte worden gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken. Bij een hellingbaan moet, net als bij een reguliere vloer, de hoogte boven de vloer worden gemeten.

Artikel 3.6 Openingen

Dit artikel heeft betrekking op openingen tussen de vloer, trap of hellingbaan en de voorgeschreven afscheiding zelf. Een vloerafscheiding mag volgens het artikel zijwaarts op enige afstand van de rand van de vloer zijn geplaatst. De opening tussen de rand van de vloer en de afscheiding is aan voorschriften gebonden om te voorkomen dat mensen tijdens het vluchten bij brand door zo’n opening vallen of erin bekneld raken.

Het artikel stelt geen overige eisen aan de openingen (denk aan de maatvoering van spijlen, het tegengaan van het doorvallen van kinderen, het tegengaan van overklauterbaarheid en dergelijke) daar deze aspecten niet van belang zijn voor het brandveilig vluchten. In andere wetgeving (zoals de arbeidsomstandighedenwetgeving) of normering (zoals de normen met betrekking tot tribunes) kunnen die aspecten wel zijn uitgewerkt.

§ 3.3 Overbrugging van hoogteverschillen

Deze paragraaf bevat de voorschriften voor het overbruggen van hoogteverschillen in vluchtroutes. Het doel van deze paragraaf is te voorkomen dat mensen tijdens het vluchten bij brand vallen of struikelen.

Artikel 3.7 Aansturingsartikel

Deze paragraaf heeft betrekking op het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen. De eisen aan deze voorzieningen gelden alleen voor hoogteverschillen op een vluchtroute. Door de eisen aan het overbruggen van hoogteverschillen te verbinden aan vluchtroutes is gewaarborgd dat vanuit elk voor personen bestemd punt op een plaats er altijd ten minste een route is waarbij eventuele hoogteverschillen op een verantwoorde wijze kunnen worden overbrugd. De veiligheid van bestaande routes die geen vluchtroute zijn is overgelaten aan private partijen.

Het eerste lid maakt tevens duidelijk dat het gaat om het overbruggen van hoogteverschillen door personen en niet om het overbruggen van hoogteverschillen door bijvoorbeeld dieren of voertuigen.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 3.8 Voorziening bij hoogteverschil

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat hoogteverschillen tussen vloeren die groter zijn dan 0,22 meter (dit is tevens de maximale optrede van een trap), moeten worden overbrugd door een (al dan niet tijdelijke) trap of een (al dan niet tijdelijke) hellingbaan, indien over die vloeren een vluchtroute voert. Het overbruggen van grotere hoogteverschillen zonder goed begaanbare trap of hellingbaan geeft bij vluchten een te groot risico op vallen of struikelen. Het voorschrift geldt dus niet voor hoogteverschillen tussen vloeren waarover geen vluchtroute voert. Als in dergelijke gevallen toch een trap of een hellingbaan wordt gemaakt, dan behoeft die niet te voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk. Aan hoogteverschillen op andere routes worden, mede uit oogpunt van deregulering, geen eisen gesteld. Zo kan bijvoorbeeld een hellingbaan bij een podium, die niet gebruikt wordt om van dat podium te vluchten, een grotere hellingshoek hebben dan aangegeven in paragraaf 3.5.

Het tweede lid geeft aan dat bij het vluchten vanaf een vaartuig naar de wal geen rekening behoeft te worden gehouden met de hoogteverschillen als in het eerste lid aangeduid. Indien vaartuigen naast elkaar zijn afgemeerd en de vluchtroute richting de oever over de vaartuigen voert, kunnen er weliswaar hoogteverschillen bestaan tussen de vaartuigen of tussen een vaartuig en de wal, maar het is niet realistisch voor deze situaties strikte voorschriften te geven.

§ 3.4 Trap

De eisen aan een trap op een plaats zijn alleen van toepassing voor trappen in een vluchtroute. Aan trappen op andere routes worden geen eisen gesteld. De bepalingen in deze paragraaf sluiten aan bij de bepalingen in het Bouwbesluit 2012, niveau bestaande bouw.

Artikel 3.9 Aansturingsartikel

Het eerste lid formuleert als functionele eis dat een trap die een hoogteverschil tussen vloeren in een vluchtroute overbrugt, veilig kan worden gebruikt. Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 3.10 Afmetingen trap

In het eerste lid wordt voor minimale eisen aan de afmetingen van een voorgeschreven trap (een trap als bedoeld in artikel 3.8) verwezen naar tabel 3.10. Uit de verwijzing naar artikel 3.8 volgt dat deze eisen niet van toepassing zijn op trappen waarover geen vluchtroute voert, zoals een trap naar niet voor personen bestemde vloeren (bijvoorbeeld vloeren van een technische ruimte of een kruipruimte).

Bij de keuze van de afmetingen is gebruik gemaakt van het Bouwbesluit 2012, maar nadrukkelijk ook van de norm NEN-EN 13782.

Minimum breedte van een trap. Een trap moet een minimale breedte hebben om te functioneren als vluchttrap. De eisen aan de doorstroomcapaciteit van een trap kunnen invloed hebben op de vereiste minimale breedte van de trap: een trap moet voldoende breed zijn voor het aantal personen dat via die trap moet vluchten binnen de voor vluchten beschikbare tijd. In artikel 3.35 wordt het verband aangegeven tussen de breedte van een trap en de capaciteit van de vluchtroute over die trap.

Minimum vrije hoogte boven een trap. Indien gevlucht wordt, mag er geen gevaar zijn het hoofd te stoten. Bij de eis in deze bepaling is uitgegaan van een maximumlengte van de mens van 2 meter. Dit sluit aan bij de in NEN-EN 13782 gekozen minimale waarde van 2 meter voor vluchtroutes, en ligt tussen de eisen uit het Bouwbesluit 2012: voor nieuwbouw een waarde van 2,1 meter, en voor bestaande bouw 1,9 meter.

Minimum aantrede. De aantrede is de horizontale afstand tussen twee opeenvolgende traptreden. Bij het vluchten is van belang dat de voeten op de traptrede passen, en dat de vluchtende persoon zijn gewicht daarop kwijt kan. Daarom is er een minimale waarde van de aantrede. Indien de traptrede niet overal even diep is, dus als de aantrede verschillende waarden heeft binnen één trede, wordt ter plaatse van de klimlijn of looplijn gemeten. De klimlijn geeft de ideale route weer die personen over de trap volgen. Bij het bepalen van de doorstroomcapaciteit moet een gedeelte van de trap waarvan de aantrede kleiner is dan 0,13 meter buiten beschouwing blijven (denk bijvoorbeeld aan het smalle deel van de trede van spiltrappen of wenteltrappen). De reden is dat een persoon bij zo ‘n kleine aantrede de voeten moeilijker kan plaatsen.

Maximum hoogte van een optrede. De optrede is de verticale afstand tussen twee opeenvolgende traptreden. Bij het vluchten is van belang dat de traptreden niet te hoog zijn, zodat er met een eenvoudige regelmatige beweging beklommen of afgedaald kan worden via de trap. Daarom is er een maximale hoogte van de optrede.

Minimum afstand klimlijn tot zijkanten. De klimlijn is de denkbeeldige, vloeiend verlopende lijn die de voorkanten van de treden van een trap met elkaar verbindt. De klimlijn geeft een denkbeeldige route weer die personen over de trap volgen. Door de gekozen waarden heeft een persoon in principe ruimte genoeg om te lopen over de trap zonder de zijkant te raken.

Uit het tweede lid volgt dat een enkele trap geen hoogteverschil van meer dan 4 meter mag overbruggen. Bij een groter hoogteverschil zal een tussenbordes moeten worden geplaatst dat aan de afmetingseisen van artikel 3.11 voldoet. De reden voor dit bordes is het voorkomen van struikelen en vallen op de trap. Door een afwisseling in beweging en rust te brengen wordt voorkomen dat teveel mensen achter elkaar zouden kunnen vallen (via een soort domino-effect) of elkaar anderszins in gevaar kunnen brengen.

Artikel 3.11 Trapbordes

Dit artikel geeft de afmetingseisen voor een trapbordes. Dit betekent dat in ieder geval aan de bovenzijde van een voorgeschreven trap een vloer moet zijn die aansluit over de volle breedte van de trap en een diepte (loopafstand) heeft van ten minste 0,6 meter. Een bordes kan ook worden gebruikt om een te lange trap te splitsen in twee afzonderlijke trappen op basis van artikel 3.10, tweede lid (de trap die meer dan 4 meter overbrugt, wordt gesplitst).

Voor de hoogte boven het trapbordes in een vluchtroute geldt artikel 3.34, tweede lid, dat een hoogte van ten minste 2 meter boven de vloer voorschrijft.

Een bijzonder geval doet zich voor als de treden heel groot zijn en elke trede de minimale maat van het bordes heeft of overtreft. Dan is geen tussenliggend bordes meer nodig.

Als een trap die een hoogte kleiner dan 4 meter overbrugt een tussenbordes heeft, kan dit bordes als een traptrede met een grote aantrede worden opgevat. Een dergelijk bordes mag dus willekeurig afmetingen hebben, mits deze voldoen aan de eisen voor een trede van die trap.

Een trap die doorloopt of begint na een bordes of tussenbordes dat voldoet aan de maten van ten minste 0,6 meter x 0,6 meter, is in feite een nieuwe trap. Ook voor die trap geldt een maximale hoogte van 4 meter. Deze nieuwe trap kan in maatvoering afwijken van de voorgaande trap. Zo kunnen optreden of aantreden een andere maat hebben dan de optreden of aantreden van de trap die leidde tot het bordes.

Artikel 3.12 Leuning

Elke volgens artikel 3.8 voorgeschreven trap waarmee een hoogteverschil van meer dan 1,5 meter wordt overbrugd, als de hellingshoek van die trap groter is dan 2:3 over de volledige lengte van de trap een leuning hebben.

Bij een trap met een hellingshoek van minder dan 2:3 behoeft geen leuning te worden aangebracht. Zie de toelichting bij artikel 3.14 voor een uitleg van het begrip hellingshoek.

§ 3.5 Hellingbaan

Deze paragraaf heeft betrekking op voor het voorkomen van valpartijen en is hier opgenomen omdat dit een cruciaal aspect kan zijn van een veilige ontvluchting in het geval van brand.

Artikel 3.13 Aansturingsartikel

Het eerste lid formuleert de functionele eis, dat een hellingbaan die in een vluchtroute een hoogteverschil als bedoeld in artikel 3.8 overbrugt, veilig kan worden gebruikt. Het gaat om een hellingbaan voor personen, al dan niet in een rolstoel, en niet om een hellingbaan voor bijvoorbeeld fietsen en auto’s. Aan hellingbanen op andere routes worden in dit besluit geen eisen gesteld.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 3.14 Afmetingen hellingbaan

Dit artikel stelt eisen aan de breedte, de hoogte en de hellingshoek van een op basis van artikel 3.8 voorgeschreven hellingbaan. De voorgeschreven breedte van een hellingbaan (ten minste 0,7 meter) sluit aan bij de waarde in het Bouwbesluit 2012, niveau bestaande bouw. De helling is afhankelijk van het hoogteverschil dat met de hellingbaan wordt overbrugd en is minimaal 1:10. Ook daarmee is aangesloten bij de waarde in het Bouwbesluit 2012, niveau bestaande bouw. De waarde zorgt ervoor dat de hellingbaan niet alleen goed begaanbaar is voor lopende personen, maar ook door personen in rolstoelen gebruikt kan worden, zeker als zij begeleid worden. Een voorbeeld:

Het verschil tussen het hoogste punt en het laagste punt is aangegeven als 1 meter en de lengte van de horizontale lijn als 10 meter. Deze getallen bepalen de hellingshoek. De hellingshoek is in het artikel weergegeven in een verhouding, namelijk 1:10. De hellingshoek kan ook worden weergegeven in procenten: 1:10 = 0,1 oftewel 10%. Ook kan de hellingshoek worden weergegeven in graden: de uitkomst 0,1 hoort bij een hoek van bijna 6 graden.

Voor de hoogte boven de hellingbaan in een vluchtroute geldt artikel 3.34, tweede lid, dat een hoogte van ten minste 2 meter boven de vloer voorschrijft.

Artikel 3.15 Hellingbaanbordes

Dit artikel geeft de afmetingseisen voor een bordes bij een voorgeschreven hellingbaan. Dit betekent dat in ieder geval aan de bovenzijde van de hellingbaan een vloer moet zijn die aansluit over de volle breedte van de hellingbaan. De vloeroppervlakte van het bordes moet ten minste 0,7 meter bij 0,7 meter bedragen. Een bordes kan ook worden gebruikt om een lange hellingbaan te splitsen in twee afzonderlijke hellingbanen.

Voor de hoogte boven het hellingbaanbordes in een vluchtroute geldt artikel 3.34, tweede lid, dat een hoogte van ten minste 2 meter boven de vloer voorschrijft.

§ 3.6 Beperking van het ontwikkelen van brand en rook

In deze paragraaf is uitgegaan van de Europese bepalingsmethoden voor het aspect materiaalgedrag bij brand (reaction to fire). Deze zijn geharmoniseerd in NEN-EN 13501-1. Het gaat daarbij om bouwproducten. Naast de bijdrage aan de brandvoortplanting (brandklassen A1 t/m F) kent het systeem een klasse-aanduiding voor de rookproductie (s1 t/m s3) en voor vrijkomende brandende druppels of deeltjes (d0 t/m d2).

Brandklassen

Materialen kunnen qua brandgedrag volgens NEN EN 13501-1 worden ingedeeld in zeven Eurobrandklassen: A1, A2, B, C, D, E en F. De producten die in A1 (de hoogste klasse) vallen, leveren geen enkele bijdrage aan een brand. Producten met een zeer geringe bijdrage vallen in klasse A2. Wanneer een product niet is getest of niet voldoet aan klasse E, wordt het automatisch ingedeeld in Eurobrandklasse F.

Eurobrandklasse

Bijdrage aan brand

Praktijk

A1

geen enkele

onbrandbaar

A2

nauwelijks bijdrage

praktisch niet brandbaar

B

erg beperkte bijdrage

heel moeilijk brandbaar

C

grote bijdrage

brandbaar

D

hoge bijdrage

goed brandbaar

E

zeer hoge bijdrage

zeer brandbaar

F

niet bepaald

uiterst brandbaar // niet bepaald of voldoet niet aan E

Rookklassen

Naast de classificering voor ontstaan en uitbreiding van brand moet ook informatie over rookontwikkeling bekend zijn. Daarvoor worden in NEN EN 13501-1 de klassen S1, S2 en S3 onderscheiden, die respectievelijk staan voor geringe, gemiddelde en grote rookproductie.

A1-geclassificeerde producten kennen per definitie geen rookontwikkeling.

Druppelvorming

Brandende druppels en brandende delen zijn een direct gevaar voor personen en voor het ontstaan van nieuwe brandhaarden op andere plaatsen. Ook hier zijn er in de NEN EN 13501-1 drie klassen. Bij klasse D0 is er geen productie van brandende delen, in klasse D1 vallen de delen die korter dan 10 seconden branden en in klasse D2 de delen die langer dan 10 seconden branden.

Het grootste deel van de bestaande constructies is gebouwd met constructieonderdelen die nog overeenkomstig de Nederlandse brand- en rookklassen zijn beproefd. Daarom worden in onderstaande tabel de Nederlandse normen (NEN 6064, NEN 6065, NEN 1775) naast de nieuwe norm NEN-EN 13501-1 gezet.

NEN-EN 13501-1

NEN 6064

bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen

NEN 6065

bepaling van de bijdrage tot brandvoortplanting van bouwmateriaal (combinaties)

NEN 1775

bepaling van de bijdrage tot brandvoortplanting van vloeren

A1

Onbrandbaar

   

A2

     

B

 

1

 

B

 

2 in een besloten ruimte

 

C

 

2 in een niet besloten ruimte

 

C

 

3

 

D

 

4

 

Cfl

   

T1

Cfl

   

T2

Dfl

   

T3

Artikel 3.16 Aansturingsartikel

Het eerste lid eist dat een ruimte zodanig is, dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen. De eis beperkt zich tot een ruimte in het bouwsel. In of bij die ruimte kunnen zich mensen bevinden. Daarom is van belang dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen. Met de omschrijving zodanig kan worden verwezen naar de constructie van de ruimte, maar ook naar de inrichting ervan. In deze paragraaf gaat het om de brandveiligheid van de constructie van de ruimte, aangezien het hoofdstuk 3 «Technische voorschriften» betreft. In hoofdstuk 5 «Voorschriften inzake gebruik» komt de brandveilige inrichting aan bod.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Het derde lid bepaalt dat voor een bijeenkomsttent toepassing van de norm NEN 8020-41 invulling geeft aan de functionele eis van het eerste lid. Voor de daarbij gebruikte materialen wordt in deze norm gesteld dat ze ten minste voldoen aan:

  • klasse 2 van NEN 6065;

  • klasse B van NEN-EN 13501-1;

  • klasse B1 van DIN 4102;

  • klasse M2 volgens NF P 92-503 t/m NF P 92-505 en NF P 92-507.

Toetsing van de rookproductie van het tentdoek, volgens NEN 6066, is niet nodig voor tenten die tot het toepassingsgebied van deze norm behoren. De rookproductie van tentdoek bij een tent heeft weinig invloed op de veiligheid van de gebruikers door het ontstaan van natuurlijke rook- en warmteafvoer in tenten bij brand.

Artikel 3.17 Oppervlak

Een ruimte in een bouwsel kan diverse constructieonderdelen hebben. In het eerste lid is bepaald dat een zijde van een constructieonderdeel moet voldoende brandklasse B en rookklasse S2. Anders dan in het Bouwbesluit 2012, wordt niet gekeken naar binnenoppervlak of buitenoppervlak. Het woord zijde dekt beide. De bepaling is opgenomen omdat het juist bij een constructieonderdeel van belang is dat het niet snel gaat branden.

Het tweede lid stelt eisen aan de materialen in de buurt van toestellen en installaties die warmte ontwikkelen. Het kan daarbij gaan om allerlei soorten toestellen en installaties. Doel is dat die materialen die zich in de buurt bevinden, niet zelf brand vatten. De brandklasse A1 volgens NEN-EN 13501-1 is daarbij gelijkgesteld aan het onbrandbaar zijn van NEN 6064. Het materiaal moet aan deze bepaling voldoen als op het materiaal de genoemde warmtestraling kan optreden of als het materiaal warmer wordt dan 90 graden Celsius. Dat is een waarde die in Nederland al lang werd gebruikt en die voor veel materialen onder de eigen ontbrandingstemperatuur zit. Zo moeten bijvoorbeeld verlichtingsspots, die veel warmte geven, op voldoende afstand blijven van materialen. Als de materialen (toch) warmer kunnen worden dan 90 graden Celsius, moet het materiaal voldoen aan de genoemde brandklasse. En bijvoorbeeld het materiaal van afvoerpijpen en rookkanalen zal bijna altijd aan de genoemde brandklassen moeten voldoen, omdat de rook warm is en er dus sprake zal zijn van zowel warmtestraling als van een temperatuurstijging van het rookkanaal zelf.

Artikel 3.18 Beloopbaar vlak

De brandvoortplanting van de bovenzijde van een horizontaal vlak, met inbegrip van flauw hellende vlakken, zoals een vloer, een hellingbaan en de bovenzijde van een trap, wijkt sterk af van die van niet-horizontale vlakken. Het artikel geeft een voorschrift voor dergelijke vlakken die grenzen aan de binnenlucht. Voor deze vlakken geldt een afwijkende rookklasse en brandklasse.

Artikel 3.19 Vrijgesteld

Ten behoeve van het kunnen toepassen van kleine constructieonderdelen en andere kleine stukken materiaal, zoals lichtarmaturen, brand- en rookmelders, bevat dit artikel een uitzondering op de eisen inzake de brandvoortplanting en de ontwikkeling van rook. De artikelen 3.17 en 3.18 zijn niet van toepassing op een klein percentage van de oppervlakte van de desbetreffende constructieonderdelen.

Het is niet bedoeling de gegeven uitzondering van 5% op één plek toe te passen; de bedoeling is dat het gaat om over de besloten ruimte verspreide onderdelen. Als er sprake is van meer besloten ruimten, kan per besloten ruimte gebruik worden gemaakt van de gegeven uitzondering.

Artikel 3.20 Dakoppervlak

Dit artikel heeft ten doel te voorkomen dat het dak van een ruimte in een bouwsel door vliegvuur uit de omgeving in brand vliegt. Vliegvuur (of vonkenregen) kan worden veroorzaakt door bijvoorbeeld een open haard of een brand in een nabijgelegen bouwwerk of bouwsel. Maar ook showeffecten als vuurwerk of de Chinese lampion-ballonnen kunnen een gevaar opleveren. Het gaat hier om een specifiek soort dak: een dak van een bouwsel met een voor personen bestemde vloer die hoger ligt dan 5 meter boven meetniveau. De bovenzijde van dat dak mag niet brandgevaarlijk zijn. Het artikel houdt daarmee andere daken buiten de bepaling: die andere daken betreffen bouwsels met slechts een of twee lagen (uitgaande van vloeren die maximaal 5 meter hoog zijn) waaruit relatief makkelijk kan worden gevlucht. De aangewezen norm is NEN 6063. Dat is een ook door het Bouwbesluit 2012 voor dit doel aangewezen norm. Deze norm regelt de experimentele bepaling (inclusief klassering) van het brandgevaarlijk zijn van daken, inclusief dakdoorbrekingen, lichtstraten enz. bij blootstelling aan vliegvuur en een beperkte warmtestralingsintensiteit.

In de norm NEN 8020-41 worden de daken van tenten behandeld. Materialen van daken van tenten zijn niet makkelijk ontvlambaar. Het materiaal met ophanging van daken moet, zo zegt deze norm, ten minste voldoen aan een van de ook in de toelichting bij artikel 3.16, derde lid, genoemde klassen.

§ 3.7 Beperking van uitbreiding van brand

De kans op een snelle uitbreiding van brand moet voldoende worden beperkt om een eventuele brand op een plaats beheersbaar te kunnen houden. Met voldoende is tot uitdrukking gebracht dat de uitbreiding van brand, door de aangebrachte brandscheidingen en voorzieningen en door het gebruik van afstanden en maatregelen zodanig moet worden vertraagd dat veilig vluchten mogelijk is.

Een belangrijke voorziening daarbij is de brandcompartimentering. Een brandcompartiment is een plaats of gedeelte van een plaats, bestemd als maximaal uitbreidingsgebied voor brand.

In dit besluit wordt, anders dan in bijvoorbeeld het Bouwbesluit 2012, geen onderscheid gemaakt in brandcompartimenten en subbrandcompartimenten.

Met een brandcompartiment wordt beoogd om gedurende een bepaalde tijd te voorkomen dat de brand zich verder kan uitbreiden dan het brandcompartiment waarin de brand is ontstaan. Die periode kunnen aanwezigen gebruiken om zich, buiten het compartiment waarin de brand is, in veiligheid te stellen. Tevens kan de brandweer handelend optreden en voorkomen dat de brand een grotere omvang aanneemt dan de omvang van het compartiment. Een brandcompartiment moet daarom aan diverse voorschriften voldoen. Naast de omvang kan dit betrekking hebben op de zogenoemde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een scheidingsconstructie tussen het brandcompartiment en een andere ruimte, op een beperkte rookontwikkeling van die scheidingsconstructie, en ook op voorschriften voor beperking van de rookdoorlatendheid.

Artikel 3.21 Aansturingsartikel

Het eerste lid is geformuleerd als functionele eis en luidt dat een plaats zodanig is dat de kans op een snelle uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt. Daarbij kan er een samenspel zijn tussen de weerstand tegen uitbreiden van brand van (onderdelen van) de plaats zelf en het menselijk ingrijpen om het uitbreiden van brand te beperken.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Het derde lid bepaalt dat voor een bijeenkomsttent toepassing van de norm NEN 8020-41 invulling geeft aan de functionele eis van het eerste lid. In die norm worden risico-beperkende maatregelen voor die tenten gegeven. In een lijst worden genoemd:

  • tenten moeten veilig zijn opgesteld.

  • materialen van vloeren, wanden en daken van tenten zijn niet makkelijk ontvlambaar.

  • de toestellen en installaties ten behoeve van de tenten zijn veilig.

  • het gebruik van toestellen en installaties ten behoeve van de tenten is veilig.

Ten aanzien van brandoverslag, geeft de norm aan dat een tent zo moet zijn geplaatst dat bij brand geen brandoverslag naar belendende gebouwen of tijdelijke bouwsels kan ontstaan of andersom. In een tabel in de norm staan de eisen waaraan in dit verband moet worden voldaan.

Artikel 3.22 Ligging in brandcompartiment

In dit artikel is aangegeven wanneer een ruimte wel of niet in een brandcompartiment moet liggen.

Het eerste lid geeft het basisvoorschrift. Ieder gedeelte van een of meer bouwsels moet in een brandcompartiment liggen. Andere gedeelten van de plaats, die niet een bouwsel zijn of die niet bouwsels bevatten, behoeven dus niet over brandcompartimenten te beschikken. Voor bouwwerken, die ook op de plaats kunnen staan, geldt de normale bouwregelgeving.

In een brandcompartiment kunnen afhankelijk van de feitelijke situatie ook verschillende ruimten of verblijfsruimten liggen. Opgemerkt wordt dat ruimten die niet goed van elkaar zijn gescheiden, als één geheel moeten worden beschouwd. Dit betekent dat oppervlakten van deze ruimten tot één totaal moeten worden opgeteld.

Het tweede lid geeft van een aantal soorten ruimten aan dat ze in een brandcompartiment moeten liggen. Artikel 3.23, vierde lid, bepaalt dat zo’n ruimte of clustering een afzonderlijk brandcompartiment vormt.

Onderdeel a noemt de technische ruimte waarin een of meer verbrandingstoestellen (zie definitie in artikel 1.1) met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW worden opgesteld. Deze ruimte ligt in een brandcompartiment en is op basis van artikel 3.23, vierde lid, een afzonderlijk brandcompartiment. De belasting is hetzelfde als de capaciteit of het vermogen van de verbrandingstoestellen.

Drie voorbeelden om dit te verduidelijken.

Voorbeeld 1: Bij een enkele cv-ketel is het de hoeveelheid warmte die de cv-ketel levert, uitgedrukt in kilowatt (kW), bij een huishoudelijke situatie meestal van 18 kW tot 32 kW per ketel. In die huishoudelijke situatie is er dus geen sprake van een apart brandcompartiment. Bij een grotere installatie met meer cv-ketels zal dat waarschijnlijk op grond van deze bepaling wel het geval zijn.

Voorbeeld 2: Bij een warmwaterinstallatie van een douche-container of van een serie tijdelijke douches bij een evenement, kan zo sprake zijn van een totale nominale belasting van meer dan 160 kW, zodat de ruimte waarin die installatie staat dan een brandcompartiment is.

Onderdeel b noemt één of meer gezamenlijk bovengronds opgestelde afvalcontainers, met een totale inhoud van meer dan 10 m3. Een grote hoeveelheid brandbaar afval die in één of meer containers bij elkaar is geplaatst, vormt tezamen dus een brandcompartiment. Indien er sprake van een apart brandcompartiment, moet er dus een goede waarde worden bereikt tegen doorslag of overslag, bijvoorbeeld door afstand te houden tot andere brandcompartimenten.

Voorbeeld 3: een losse rolcontainer mag wel tegen een gevel staan, bij een veel grotere afvalcontainer moet worden gekeken of de benodigde wbdbo-waarde wordt behaald.

Het gaat in dit lid niet om ondergronds geconstrueerde afvalcontainers; die vormen door de aard ervan een bouwwerk en vallen onder de regels van het Bouwbesluit 2012. Het is evenmin van toepassing op niet-brandbare materialen; indien de container bijvoorbeeld alleen stenen of schoon puin bevat, is er geen brandgevaar.

Het derde lid geeft aan dat een verkeerstent niet in een brandcompartiment ligt of hoeft te liggen. Een verkeerstent wordt ook wel sluistent of tunneltent genoemd. NEN 8020-41 geeft aan dat er geen eis geldt aan de afstand tussen een verkeerstent en een andere tent of de aanwezige bebouwing. Deze tentsoort kan dus staan op plekken waar voor de overige tenten in verband met de beperking van uitbreiding van brand bijvoorbeeld een afstand van 5 meter wordt gehanteerd. Hierbij wordt verondersteld dat de verkeerstent over de vereiste breedte leeg is, en geen installaties of inventaris bevat, waardoor er een lager risico aanwezig is.

Tevens bepaalt het derde lid dat de eis wat betreft een brandcompartiment niet geldt voor een jachthaven of een tentenkamp. Bij een tentenkamp kunnen de kampeertenten dichter op elkaar worden geplaatst. Bekend is dat tentenkampen die zijn opgezet in het kader van een evenement (denk aan het Lowlands-festival of de kampeerterreinen tijdens de TT Assen) een zeer geringe afstand tussen de kampeertenten kennen. De andere voorzieningen zijn hierop afgestemd.

Artikel 3.23 Omvang brandcompartiment

Het doel van brandcompartimentering is de ongehinderde uitbreiding van een brand te beperken tot een gedeelte van de plaats. Dit artikel stelt eisen aan de maximale omvang van een brandcompartiment, zodat een eventuele brand beheersbaar blijft.

Een brandcompartiment mag, om zijn functie van brandbegrenzer goed te kunnen vervullen, niet te groot zijn. Ook kan het zinvol zijn ruimten met een bijzonder brandrisico in een afzonderlijk brandcompartiment op te nemen.

Onder bepaalde omstandigheden kan het toch mogelijk zijn een groter brandcompartiment te realiseren met een beroep op gelijkwaardigheid.

Het eerste lid geeft de eisen bij enige gebruiksfuncties. Benoemd zijn de gebruiksfuncties als opgesomd in artikel 1.1, derde lid; in de bouwregelgeving bestaan meer gebruiksfuncties, maar voor de toepassingen van dit besluit voorzien wij dat deze gebruiksfuncties voldoende zijn.

De omvang van een brandcompartiment wordt voornamelijk bepaald door het risico van de activiteiten en de mogelijkheden die de brandweer moet hebben om een vuurhaard te bereiken en effectief te bestrijden. Uitgangspunt is dat een brandweervoertuig goed in de buurt kan komen en met de standaardbepakking van slangen en pomp ver genoeg in het brandcompartiment kan komen om overal te kunnen blussen.

Het tweede lid benoemt de standplaatsen voor kampeermiddelen. Aan wordt gesloten bij de maximale gebruiksoppervlakte van 1.000 m2, zoals in het eerste lid voor de logiesfunctie. Ook hier is tenslotte sprake van de logiesfunctie: het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen. Tegelijkertijd wordt de mogelijkheid geboden om, indien gewenst, clusters van kampeermiddelen dicht bij elkaar te plaatsen, zonder wbdbo-eisen. Het maximum van vier standplaatsen biedt voldoende ruimte voor eigen wensen bij de indeling maar ook voldoende afstand naar derden waar gewenst. Elke standplaats kan kampeermiddelen en bijbehorende bouwsels bevatten. Als bijbehorende bouwsels kan gedacht worden aan bij de kampeermiddelen staande tijdelijke overkappingen, tijdelijke schuttingen, een zwembadje, een tijdelijke glijbaan, en dergelijke.

In het derde lid wordt bepaalt dat een jachthaven of tentenkamp geen begrenzing van de afmetingen van het brandcompartiment kennen. De in de eerste en tweede lid genoemde waarden gelden daarvoor dus niet, ook niet als er in de jachthaven of op het tentenkamp geslapen wordt. Deze afwijking van de hoofdregel is mogelijk omdat de bouwsels (in casu naast elkaar gesitueerde pleziervaartuigen of kampeertenten) eenvoudig zijn te verwijderen indien dat nodig is, zodat beheersbaarheid van brand wordt bereikt.

Het vierde lid geeft aan dat de in het tweede lid van artikel 3.22 beschreven ruimte voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW, altijd een afzonderlijk brandcompartiment is. Het gaat bij een verbrandingstoestel om een toestel dat gebruik maakt van verbranding voor het opwekken van warmte; de bepaling geldt daarmee niet voor bijvoorbeeld aggregaten of machines en de daarbij aanwezige brandstoftanks. Ook één of meer gezamenlijk opgestelde afvalcontainers met een totale inhoud van meer dan 10 m3 vormen een afzonderlijk brandcompartiment.

Het vijfde lid bepaalt dat de gebruiksoppervlakte van het brandcompartiment als bedoeld in het eerste lid groter mag zijn, indien de gemiddelde vuurbelasting niet te hoog is. Indien de gemiddelde vuurbelasting niet meer bedraagt dan 8 kg vurenhout per vierkante meter, is sprake van een lage vuurbelasting en mag de gebruiksoppervlakte van het brandcompartiment groter zijn. In die situatie is de bereikbaarheid voor de brandweer minder belangrijk en kan een oppervlakte van het compartiment groter zijn.

Indien de vuurbelasting meer bedraagt dan 8 kg maar minder dan of gelijk aan 30 kg vurenhout per vierkante meter, wordt gekeken naar de afstand tussen de opstelplaats voor brandweervoertuigen en ieder punt in het brandcompartiment. Is die afstand minder dan of gelijk aan 60 meter, dan mag de gebruiksoppervlakte van het brandcompartiment groter zijn.

Indien sprake is van een gemiddelde vuurbelasting van meer dan 30 kg vurenhout per vierkante meter of indien de onder b bedoelde afstand groter is dan 60 meter, moeten de waarden van het eerste lid worden aangehouden, tenzij op een andere manier hetzelfde resultaat wordt bereikt (gelijkwaardigheid).

Ter toelichting bij de genoemde vuurbelasting: elk materiaal heeft een bepaalde verbrandingswaarde (vaak uitgedrukt in MJ/m3). Aan de hand van een inventarisatie kunnen de hoeveelheden per materiaal benoemd worden binnen een bouwsel of brandcompartiment. Door de hoeveelheid van het materiaal te vermenigvuldigen met de verbrandingswaarde, kan de last aan brand binnen het bepaalde gebied per materiaal bepaald worden (vuurlast in MJ). De vuurlast wordt meestal uitgedrukt in kg vurenhout. Daarbij geldt 1 kg vurenhout = 19 MJ. Door de totale vuurlast van zowel de constructie als de inventaris (variabel) te delen door het oppervlak van het bepaalde gebied, wordt de vuurbelasting verkregen; deze wordt uitgedrukt in kg vurenhout per m2.

Hoe een vuurbelasting wordt bepaald, staat omschreven in NEN 6090. Deze norm is bedoeld te worden toegepast op de bepaling van zowel de permanente als de variabele vuurbelasting van en in bouwwerken. De norm gaat daarbij niet over de inventaris. In deze toelichting wordt naar deze norm verwezen, omdat deze norm handvatten geeft voor de berekening van de vuurbelasting en de vuurlast. De norm kan analoog toegepast worden bij bouwsels en inventaris. De norm gaat uit van experimentele bepaling van de netto-verbrandingswaarde van materialen. De tabel in bijlage C van de norm geeft ter informatie enkele netto-verbrandingswaarden van veelgebruikte materialen, maar deze waarden zijn geen onderdeel van de normtekst.

Het zesde lid bepaalt dat een brandcompartiment zich niet over meer dan één plaatsperceel uitstrekt. Een brandcompartiment mag zich wel uitstrekken over meer dan één (delen van) bouwsels, mits de bouwsels op hetzelfde plaatsperceel liggen. Het doel van deze bepaling is dat een brandcompartiment zich niet over andermans eigendommen uitstrekt. De veronderstelling daarbij is dat elk plaatsperceel een andere eigenaar zal hebben; indien naast elkaar gelegen percelen één eigenaar hebben kan met een beroep op gelijkwaardigheid eventueel een plaatsperceel-overschrijdend brandcompartiment worden toegestaan.

Op basis van het zevende lid kan in een tijdelijke situatie een brandcompartiment zich wel over meer dan een plaatsperceel uitstrekken. Indien die percelen niet van dezelfde eigenaar zijn, is toestemming van de andere eigenaren noodzakelijk.

Artikel 3.24 Afmeren pleziervaartuig

Dit artikel ziet op een specifieke situatie: indien vaartuigen naast elkaar in een cluster liggen afgemeerd, kan uitbreiding van de brand redelijk makkelijk geschieden. Tegelijkertijd kan het moeilijk zijn het vaartuig te bereiken om het te blussen. De grens van 20 meter zorgt ervoor dat er een beperking is aan het aantal pleziervaartuigen in een cluster. Zo worden niet teveel pleziervaartuigen bedreigd door de overslag van brand. Tevens kan zo het brandende pleziervaartuig bereikt worden om te blussen: enerzijds kan erheen geklauterd worden met kleine brandblusvoorzieningen zolang dat nog zinvol is, anderzijds kan de brandweer vanaf de walkant, kade of steiger met een brandslang spuiten.

Het tweede lid verwijst naar de beste manier om brandoverslag te voorkomen bij pleziervaartuigen die tegen elkaar aanliggen: het losmaken en verplaatsen van de andere (plezier)vaartuigen in de nabijheid van de brandhaard of het brandende vaartuig. Indien minstens 5 meter afstand kan worden genomen van de brandhaard, zal het pleziervaartuig waarschijnlijk zelf niet in brand raken. Pleziervaartuigen waarop recreatief overnacht wordt, mogen dus niet onlosmakelijk met sloten aan de wal verbonden zijn. De waarde van 5 meter komt overeen met de bij de bepaling van wbdbo gekozen waarden in artikel 3.25 (30 minuten wbdbo). De wbdbo-waarde hoeft overigens niet standaard tussen twee vaartuigen gerealiseerd te worden.

Het artikel biedt uiteraard geen garantie op behoud van pleziervaartuigen, want er kunnen zich omstandigheden voordoen die ondanks de afstand voor gevaar kunnen zorgen, zoals gasflessen aan boord of hevige wind.

Artikel 3.25 Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag

Een brandcompartiment kan pas als brandcompartiment functioneren als aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment (in de praktijk ook afgekort tot wbdbo; deze afkorting wordt hierna ook gebruikt) is voldaan.

Brandoverslag betekent in dit verband de uitbreiding van brand via de buitenlucht, terwijl met branddoorslag wordt bedoeld de branduitbreiding door een constructieonderdeel heen. De wbdbo wordt uitgedrukt in minuten.

Het eerste lid stelt een basiseis van 30 minuten wbdbo. Deze eis geldt van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment.

Het tweede lid geeft aan dat aan de basiseis van 30 minuten wbdbo kan worden voldaan indien de afstand van een brandcompartiment tot een ander brandcompartiment ten minste 5 meter is. Dat betekent dat de brand niet of nauwelijks overslaat of doorslaat indien er, horizontaal gezien, een afstand van 5 meter bestaat.

Het derde en vierde lid behandelen kampeermiddelen. Dat betreft de specifiek in artikel 1.1, tweede lid, benoemde verplaatsbare constructies die bestemd zijn voor recreatief nachtverblijf. Het gaat dus om recreatief nachtverblijf, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de woonwagens die een woonfunctie hebben en daarmee onder het Bouwbesluit 2012 vallen. Op een standplaats kunnen kampeermiddelen een cluster vormen. Gedacht kan worden aan een caravan met een paar tenten die bij de familie/groep horen; of twee caravans van samen optrekkende personen die samen op één standplaats staan. Tussen standplaatsen wordt in principe een afstand van 3 meter of anderszins bereikte weerstand van 20 minuten aangehouden. Op basis van artikel 3.23, tweede lid, kunnen in een brandcompartiment ten hoogste vier clusters kampeermiddelen en nevenfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2 liggen. Door toepassing van dat artikel hoeft er tussen deze vier standplaatsen geen afstand of scheiding te zijn.

In afwijking van het eerste lid is de overeenkomstig NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een cluster kampeermiddelen naar een ander cluster kampeermiddelen op een andere standplaats ten minste 20 minuten. Permanente en niet permanente standplaatsen dienen zodanig te zijn gesitueerd dat overslag van brand niet onbeperkt kan plaatsvinden. Dit kan worden gerealiseerd door een aantal standplaatsen te situeren in een brandcompartiment. De wbdbo tussen brandcompartimenten is ten minste 30 minuten, als aangegeven in het eerste lid, meestal te realiseren door een vrije ruimte van minimaal 5 meter tussen de brandcompartimenten.

Standplaatsen dienen zodanig te zijn ingericht dat brand niet eenvoudig van het ene cluster kampeermiddelen naar een ander cluster kampeermiddelen kan overslaan. De wbdbo tussen standplaatsen van permanent geplaatste kampeermiddelen is ten minste 20 minuten. Hieraan wordt voldaan indien een bouwkundige voorziening wordt getroffen waardoor de wbdbo van 20 minuten wordt bereikt of indien er tussen de kampeermiddelen een vrije ruimte is van ten minste 3 meter. Bij bouwkundige voorzieningen kan gedacht worden aan brandwerende betimmering / bekleding of door gebruik te maken van brandwerende schermen. Indien materialen hiervoor worden toegepast in de buitenlucht, dienen deze tegen weersinvloeden bestand / beschermd te zijn.

Mede afhankelijk van de vuurlast dienen toegepaste brandwerende schermen of tussenbouwsels als uitgangspunt onbrandbaar te zijn, omdat anders de scheiding of de tussenbouw zelf oorzaak kan zijn van de uitbreiding van brand. Daarbij dient een eventueel toegepaste constructie ook minimaal 20 minuten brandwerend te zijn tegen bezwijken.

Brandwerende bekleding of betimmering van kampeermiddelen mag brandbaar zijn, mits voldaan wordt aan de wbdbo-eis van 20 minuten.

Het vijfde lid benoemt dat, om brandoverslag te voorkomen, de vrije ruimte daadwerkelijk vrijgehouden moet worden van materialen die de brandoverslag kunnen bevorderen. Bedoeld zijn grotere brandbare voorwerpen. Niet bedoeld is bijvoorbeeld een stuk speelgoed of ander klein voorwerp dat in de vrije ruimte ligt, omdat dat geen grote bijdrage tot de brandvoortplanting zal hebben. Als nadrukkelijke uitzonderingen worden vervoermiddelen en stukken levende natuur benoemd.

Voorbeeld: een auto die op korte afstand tussen twee kampeermiddelen wordt geparkeerd, doorbreekt de vrije ruimte. Op basis van de uitzondering is plaatsing ingevolge dit besluit niet verboden. De beheerder van een kampeerterrein kan wel eigen voorwaarden stellen aan het parkeren van de auto’s naast het kampeermiddel.

Voorbeeld: tussen standplaatsen kan een heg, boom of bosje staan. Die stukken levende natuur zijn niet van invloed op de afstand of scheiding die bepaald is tussen de kampeermiddelen. De beheerder van een kampeerterrein of de lokale brandweer kunnen in tijden van grote droogte wel eigen voorwaarden stellen aan het omgaan met de levende natuur in het kader van de brandveiligheid.

Het zesde lid beoogt de organiserende partij niet onevenredig zwaar te belasten door de eventuele slechte kwaliteit van de belending. Daarom moet bij het neerzetten van een bouwsel, ter beperking van het gevaar van brandoverslag, altijd rekening worden gehouden met een spiegelsymmetrisch, maar verder identiek bouwsel op een naburig perceel. Voor dit denkbeeldige, identieke bouwsel moet men uitgaan van een identieke gevel die op dezelfde afstand van de plaatsperceelsgrens ligt als de gevel van het te bouwen bouwsel.

Het zevende lid geeft de mogelijkheid af te wijken van het zesde lid, indien duidelijk is dat er gedurende de tijdsperiode waarin het bouwsel gebruikt wordt, geen bouwsel op het aangrenzende perceel zal zijn. Hierdoor wordt het mogelijk om bijvoorbeeld in het kader van een evenement bouwsels te plaatsen, zonder dat bekend is wat in de verder gelegen toekomst op het belendende perceel zal worden gerealiseerd.

§ 3.8 Opslag van brandgevaarlijke stoffen

Deze paragraaf betreft de opslag van brandgevaarlijke stoffen op een plaats als in artikel 5.6 genoemd (anders dan de huishoudelijke opslag, die kleinere hoeveelheden betreft).

In deze paragraaf en dit hoofdstuk gaat het om de technische voorschriften. In hoofdstuk 4 worden de installaties die gebruik maken van brandgevaarlijke stoffen behandeld, in hoofdstuk 5 staan bepalingen voor het gebruik van brandgevaarlijke stoffen.

Artikel 3.26 Aansturingsartikel

Het eerste lid geeft aan dat een voorziening voor het opslaan van brandgevaarlijke stoffen veilig moet zijn. Door één lekkende verpakking kan een keten van gebeurtenissen ontstaan, die kunnen leiden tot een calamiteit. Zeker bij een vluchtige en brandgevaarlijke stof is er altijd brand- en explosiegevaar. Mogelijk treden er ook reacties op tussen de stoffen, die weer tot extra gevaar kunnen leiden. Om die reden zijn er aan de opslag van brandgevaarlijke stoffen eisen gesteld.

Nadrukkelijk zij vermeld dat niet alle stoffen in gasflessen ook brandgevaarlijke stoffen zijn. Zo behoeft bijvoorbeeld de opslag van koolstofdioxide (CO2) of zuurstof in gasflessen niet te voldoen aan de regels van brandgevaarlijke stoffen.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 3.27 Gasopslag

Voor een gasflessenopslag wordt verwezen naar deel 15 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 15): Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Het is een richtlijn voor opslag en tijdelijke opslag met betrekking tot brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid. De richtlijn betreft dus meer aspecten dan brandveiligheid. De PGS 15 reguleert alleen de opslagsituatie en heeft geen betrekking op het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen. Daarop zien andere regels, zoals de arbeidsomstandighedenwetgeving die betrekking heeft op de blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen. De richtlijnen van de PGS zijn gratis te raadplegen via internet: www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl. De PGS 15 geeft aan dat de gasflessenopslag moet voldoen aan de daarin omschreven eisen. De regels van PGS 15 gelden vanaf bepaalde ondergrenzen. Deze ondergrens is voor gasflessen geduid in artikel 5.6, derde lid, onder d, (gezamenlijk opgestelde gasflessen tot een totale waterinhoud van 125 liter) mits verantwoord opgeslagen. Dat betekent dat opslag niet op de werkvloer mag plaatsvinden, tenzij het om een werkvoorraad gaat. Deze werkvoorraad moet in een gesloten verpakking zitten en niet groter zijn dan één dag verbruik of één batch. Een batch is de hoeveelheid van een product die in één keer geproduceerd, vervoerd of gemaakt wordt. De werkvoorraad mag zich niet bevinden in de rijroute van vorkheftrucks of andere transportmiddelen.

De voorschriften in PGS 15 zijn bindend. De voor het gebruik van de plaats verantwoordelijke mag wel andere maatregelen treffen dan PGS 15 voorschrijft, maar dan dient hij bij de melding aan te tonen dat er met die maatregelen minimaal een gelijkwaardige bescherming wordt bereikt qua brandveiligheid.

Door een deugdelijke opslag, bij voorbeeld door het verbieden van ontbrandingsbronnen bij de opslag, kunnen brand en explosies voorkomen worden.

Artikel 3.28 Opslagtank vloeibare brandstof

Het artikel verwijst naar deel 30 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 30): «Vloeibare brandstoffen: Bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties». Deze publicatie is van toepassing op de drukloze, bovengrondse opslag van vloeibare brandstoffen of minerale olieproducten met een vlampunt van 23°C behorende tot PGS klasse 2 t/m 4 in een of meer tanks met een opslagcapaciteit van ten hoogste 150 m3 per tank, evenals de hieraan gekoppelde afleverinstallaties voor kleinschalige aflevering. Het gaat om de volgende klassen:

  • PGS-klasse 2 Vloeistoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C

  • PGS-klasse 3 Vloeistoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C

  • PGS-klasse 4 Vloeistoffen met een vlampunt > 100 °C

In PGS 30 zijn bepalingen opgenomen over veiligheidsafstanden. Er zijn tevens bepalingen opgenomen over brandveiligheid. Ook voor de toepassing van de PGS 30 geldt het gelijkwaardigheidsbeginsel. Dit houdt in dat andere maatregelen kunnen worden getroffen dan in de voorschriften van deze PGS 30 zijn opgenomen, mits daarmee minimaal een gelijkwaardige bescherming qua brandveiligheid wordt bereikt.

§ 3.9 Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas

Deze paragraaf bevat voorschriften voor de toevoer van verbrandingslucht en voor de afvoer van rookgas bij een opstelplaats voor een verbrandingstoestel in een bouwsel. Wanneer het verbrandingstoestel in de open lucht staat en het verbrandingsproces ook in de open lucht plaatsvindt, zijn geen bepalingen nodig.

Met de term verbrandingslucht wordt de lucht bedoeld die voldoende zuurstof bevat voor het verbrandingsproces. De lucht voor het verbrandingsproces moet niet zodanig uit de binnenlucht worden onttrokken dat daardoor te weinig lucht voor de aanwezige personen overblijft. Daarom worden voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht gevraagd.

Het rookgas wordt in het verbrandingsproces gevormd. Het rookgas betreft dus de lucht na de verbranding die voorzien is van overwegend schadelijke gassen. Dit rookgas mag niet nadelig werken voor de aanwezige personen en moet dus afgevoerd worden.

Artikel 3.29 Aansturingsartikel

Het oogmerk van het eerste lid is dat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. Daartoe is het van belang dat er bij het gebruik van een verbrandingstoestel in een bouwsel geen onvolledige verbranding ten gevolge van onvoldoende toevoer van verbrandingslucht plaatsvindt en dat de bij het gebruik vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes naar buiten kunnen worden afgevoerd.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 3.30 Aanwezigheid toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas

Dit artikel regelt de aanwezigheid van voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en voor de afvoer van rookgas bij opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen. Het gaat hier om voorzieningen zoals luchtroosters, ventilatiekanalen en rookgasafvoerkanalen of schoorstenen. Van deze eis zijn opstelplaatsen voor kooktoestellen met gering vermogen (niet meer dan 15 kW) uitgezonderd, omdat bij een dergelijk kooktoestel de reeds aanwezige voorziening voor luchtverversing in een voldoende toevoer en afvoer voorziet. Dit artikel heeft dus geen betrekking op een regulier kooktoestel. Artikel 5.10 stelt overigens als voorwaarde dat bij het gebruik van een verbrandingstoestel in een besloten ruimte de toevoer van verbrandingslucht of de afvoer van rook voldoende is gewaarborgd.

§ 3.10 Vluchtroutes

De systematiek van de eisen voor ontvluchting is eenvoudig gehouden. Uitgangspunt is dat kan worden volstaan met één vluchtroute die start op het punt waar het vluchten begint en eindigt op een veilige plaats. Met het uitgangspunt van een enkele vluchtroute is het uiteraard mogelijk een tweede (of meer) vluchtroute (s) te realiseren. In bepaalde gevallen kan het nodig zijn ten minste twee vluchtroutes te realiseren. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met grotere loopafstanden (artikel 3.32), grotere aantallen personen (artikel 3.33, eerste lid) of bepaalde fysieke omstandigheden (3.33, derde lid, waarin juist de mogelijkheid voor één vluchtroute wordt geboden), de gevraagde inrichting van de vluchtroute (artikel 3.34) of de capaciteit van de beschikbare vluchtroute(s) (artikel 3.35).

Veilig vluchten wordt niet alleen bepaald door technische voorschriften (te vinden in dit hoofdstuk). In hoofdstuk 4 van dit besluit zijn voorschriften gegeven voor installaties en organisatie die voor het veilig vluchten noodzakelijk zijn. In hoofdstuk 5 vinden we voorschriften inzake gebruik die te maken hebben met veilig vluchten. Als een bestaande plaats niet kan voldoen aan deze voorschriften, dan zullen gebruikstechnische oplossingen kunnen worden overwogen. Hierbij kan gelijkwaardigheid op basis van artikel 1.4. worden aangeroepen. Als dat niet mogelijk is, kan gebruiksbeperking worden toegepast.

Artikel 3.31 Aansturingsartikel

Het eerste lid formuleert als functionele eis dat bij brand een veilige plaats veilig kan worden bereikt. Hierbij wordt uitdrukkelijk gewezen op het verschil tussen de begrippen plaats en veilige plaats. Zie daarvoor de definities van artikel 1.1.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Een speciale groep vluchtroutes wordt benoemd in het derde lid, onder verwijzing naar NEN 8020-41, waarin onder meer de vluchtroutes vanuit tenten worden behandeld. Indien deze norm juist wordt toegepast, is voor bijeenkomsttenten voldaan aan de functionele eis van het eerste lid.

Artikel 3.32 Lengte vluchtroute

Dit artikel bepaalt voor verschillende omstandigheden het verloop en de maximale lengte van een vluchtroute.

Het eerste lid geeft aan dat op elk punt in een verblijfsruimte een vluchtroute begint die leidt naar een veilige plaats. Die veilige plaats hoeft niet de openbare weg te zijn. Het is eenvoudigweg een plek buiten het bedreigde gedeelte. Voorkomen moet worden dat men uiteindelijk toch nog door de brand ingesloten kan raken.

Uit het begrip verblijfsruimte volgt dat dit voorschrift geldt voor een plek waar bij regulier gebruik personen aanwezig zijn. Voor bijvoorbeeld een technische ruimte waarin incidenteel een onderhoudsmonteur aanwezig is, gelden deze voorschriften niet. Uit de arbeidsomstandighedenvoorschriften kan overigens voortvloeien dat ook de onderhoudsmonteur de ruimte en de plaats op een veilige wijze moet kunnen verlaten.

Op grond van het tweede lid leidt een vluchtroute van een punt in een brandcompartiment naar een punt buiten het brandcompartiment. De loopafstand tussen beide punten moet beperkt zijn. De beperking heeft te maken met de dreiging van rook en de beschikbare tijd om veilig te vluchten. De loopafstand is vastgesteld op 60 meter. Dit komt overeen met het niveau bestaande bouw als geformuleerd in het Bouwbesluit 2012.

Het derde lid benoemt enige uitzonderingen op het tweede lid. Zo kan de loopafstand veilig verlengd worden indien de warmte van een brand niet schadelijk hoog kan worden, de temperatuur binnen de ruimte niet gevaarlijk hoog kan worden en rook geen of minder dreiging veroorzaakt. De dreiging door rook wordt aangegeven door de zichtlengte, een horizontaal bepaalde manier om door rook heen te kijken. Komt de rook laag, namelijk waar zich bezoekers bevinden, en in zodanige hoeveelheden dat het zicht, gemeten over 100 meter, belemmerd wordt, dan levert dat gevaar op.

In de in de onderdelen a, b en c genoemde gevallen is de rook minder of niet bedreigend. Dat betekent dat niet alleen de loopafstand kan worden verlengd, maar dat ook de tijdsduur van veilige ontvluchting verlengd kan worden. In berekeningen kan worden aangetoond na hoeveel tijd een hoeveelheid rook die hoort bij de aanwezige hoeveelheid brandbare stof, de bezoekers bereikt kan hebben. In zo’n «vultijdenmodel» kan bepaald worden hoe lang de ontvluchting uit de verblijfsruimte mag duren.

De grenswaarden waarbij het verblijven in die ruimte nog juist mogelijk is, zijn aangegeven volgens het TNO Bouw rapport 1997-CVB-R0883, waarbij de in het vijfde lid genoemde waarden als veilige waarden worden aangehouden. Het is aanvaardbaar als in de directe omgeving van een brandhaard of van rook niet aan (al) deze veilige waarden wordt voldaan, indien de vluchtroute door deze ruimte in twee verschillende richtingen gebruikt kan worden. Vluchtende personen kunnen dan immers een kant op vluchten die niet langs de brandhaard of rook voert. Dit geldt ook wanneer de vluchtroute voert door een zodanig brede ruimte dat men met voldoende afstand langs een brandhaard of rookpluim kan vluchten.

Artikel 3.33 Aantal vluchtroutes

Het eerste lid stelt dat een ruimte of gebied bestemd voor meer dan 225 personen ten minste twee uitgangen moet hebben. Deze uitgangen moeten ten minste 5 meter uit elkaar liggen, want pal naast elkaar liggende doorgangen functioneren uit het oogpunt van brandveiligheid als één doorgang. Het doel van een tweede vluchtroute is het veilig kunnen vluchten als één van de twee routes bij brand onbruikbaar wordt. Door het feit dat die tweede vluchtroute er is, kan zonder een beroep op gelijkwaardigheid worden volstaan met minder zware eisen dan wanneer er slechts een enkele vluchtroute is.

Het tweede lid benoemt de eis dat twee vluchtroutes niet over dezelfde route mogen voeren. Door deze bepaling kan bij uitvallen van de een vluchtroute de andere vluchtroute veilig gekozen worden.

Bij ligplaatsen van pleziervaartuigen is één vluchtroute voldoende. Dit kan een ligplaats van één pleziervaartuig betreffen, maar ook voor een groep pleziervaartuigen geldt deze bepaling.

Door toepassing van het derde lid wordt ervoor gezorgd dat pleziervaartuigen aan een steiger kunnen liggen, waarlangs in principe in één richting gevlucht wordt. Uiteraard mag in voorkomende gevallen in twee richtingen gevlucht kunnen worden; de bepaling biedt daartoe mogelijkheden.

Artikel 3.34 Inrichting vluchtroutes

Dit artikel geeft de nadere eisen voor de inrichting van een vluchtroute.

Het eerste lid geeft aan dat tussen twee vluchtroutes een wbdbo-waarde van ten minste 30 minuten moet bestaan. Bij vluchtroutes die door de buitenlucht lopen zal dit makkelijk bereikt worden. Bij vluchtroutes die bij elkaar in de buurt liggen, zal bekeken moeten worden hoe deze waarde behaald kan worden: met constructieve maatregelen of door het creëren van afstand.

Het tweede lid geeft minimale afmetingen van de doorgangen in een vluchtroute. De bepaling geeft aan dat een vluchtroute voldoende breed en hoog moet zijn. Het gaat dan zowel om de hoogte en breedte van ruimten waardoor een vluchtroute voert als om de hoogte en breedte van doorgangen.

De algemene minimale breedte van 0,5 meter per doorgang is gebaseerd op de maximale maat van de gemiddelde mens, die hierdoor kan vluchten. De minimale breedte van 0,85 meter heeft te maken met de breedte die benodigd kan zijn voor bijvoorbeeld een mindervalide in een rolstoel of iemand met een kinderwagen. De hoogte van ten minste 2,0 meter is de gekozen minimale waarde voor vluchtroutes. Deze waarde geldt dus ook voor de trappen, hellingbanen en bordessen waarover een vluchtroute leidt.

Artikel 3.35 Capaciteit van een vluchtroute

Het eerste lid regelt het aantal personen dat, afhankelijk van de breedte, op een vluchtroute mag zijn aangewezen. Dit is de doorstroomcapaciteit, uitgedrukt in personen per meter. Hier is een tijdscriterium aan toegevoegd (aantal personen per meter per minuut). De waarden die zijn opgenomen voor de doorgangen zijn conform de waarden uit het Bouwbesluit 2012, in combinatie met de Regeling Bouwbesluit 2012. Bij het vaststellen van de aantallen is gebruik gemaakt van het «Onderzoek doorstroomcapaciteit deuren» van de TU Delft, 28 april 2009.

In dit eerste lid zijn vijf verschillende criteria opgenomen, afhankelijk van het soort doorstroomopening. Doorstroming over een trap geschiedt minder snel dan doorstroming over een horizontale vlakken vloer. In de bepaling van onderdeel a is eerst een trap groter dan 1 meter opgenomen; daar is de te gebruiken waarde 45 personen per minuut per meter breedte van deze trap. Is de trap lager of gelijk aan 1 meter, dan kan een waarde van 90 personen per meter vrije breedte gebruikt worden. In beide gevallen dient de aantrede van de trap, het vlak waarop de voet geplaatst kan worden, voldoende groot te zijn: daarvoor is een waarde van ten minste 0,17 meter opgenomen.

Bij onderdeel b is sprake van vluchten door een ruimte; hier kan een waarde van 90 personen per minuut per meter vrije breedte genomen worden. Bij dit vluchten wordt aangenomen dat er links en rechts een muur of wand staat in een maximale hoek van 90°.

Onderdeel c: Indien een dubbele deur (of vergelijkbaar constructieonderdeel) niet verder geopend kan worden dan een hoek van 135 graden, moet worden uitgegaan van dezelfde doorstroomcapaciteit als bij een ruimte (onderdeel b): 90 personen per meter vrije breedte. De openstaande deuren kunnen de doorstroming namelijk vergelijkbaar met de wanden van een ruimte beïnvloeden.

Onderdeel d benoemt 110 personen per meter vrije breedte van een doorgang, indien zich in de doorgang een enkele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden. Een openstaande deur kan de doorstroming namelijk beïnvloeden, vergelijkbaar met de wand van een ruimte.

Onderdeel e benoemt het vluchten door een andere doorgang. In dat geval kan een waarde van 135 personen per minuut per vrije meter breedte genomen worden. Bij een andere doorgang wordt aangenomen dat de geopende deur(en) minimaal 135° wijk(t)(en) en dat ook anderszins geen muur links of rechts beperkingen aangeeft. Voorbeeld: bij het vluchten in een gebied kan voor de waarde van een nooduitgang waarbij de hekken volledig kunnen openslaan (meer dan 135°) en er ook daarna geen vernauwingen zijn, een waarde van 135 personen per minuut per meter vrije breedte worden genomen.

Het tweede lid geeft een functionele eis voor een vluchtroute. Elk gedeelte van een vluchtroute moet een zodanige doorstroomcapaciteit hebben, dat de op dat gedeelte aangewezen personen veilig kunnen vluchten. De personen die door een doorgang komen, mogen daarna niet belemmerd worden totdat de veilige plaats bereikt is, omdat dit negatieve gevolgen kan hebben voor de vluchtcapaciteit.

Hoofdstuk 4 Voorschriften inzake installaties en organisatie

Algemeen

Een groot deel van de voorschriften in dit hoofdstuk heeft betrekking op de aanwezigheid, de kwaliteit, de plaats, de omvang, het gebruik, de controle en het onderhoud van installaties. Onder een installatie wordt verstaan: een voor het functioneren van een plaats of een gedeelte daarvan noodzakelijke voorziening van niet-bouwkundige aard.

Hoofdstuk 4 is onderverdeeld in zeven paragrafen. De paragrafen 4.1 tot en met 4.3 hebben betrekking op voorzieningen zoals verlichting, elektriciteit en gas. De paragrafen 4.4 tot en met 4.7 bevatten voorschriften omtrent niet-bouwkundige voorzieningen op het gebied van brandveiligheid. Met de term niet-bouwkundige voorzieningen wordt zowel verwezen naar installaties als naar de organisatie.

§ 4.1 Verlichting
Artikel 4.1 Aansturingsartikel

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat een verblijfsruimte een zodanige verlichtingsinstallatie moet hebben dat de verblijfsruimte veilig kan worden gebruikt en verlaten. Het gaat om een installatie, dus om een voor het functioneren van een plaats of een gedeelte van een plaats noodzakelijke voorziening van niet-bouwkundige aard.

De bepalingen in dit hoofdstuk zijn opgenomen in het kader van de brandveiligheid. De eisen hebben geen betrekking op sociale veiligheid, arbeidsomstandigheden en bruikbaarheid. Dergelijke eisen aan de verlichtingsinstallatie volgen bijvoorbeeld uit specifieke programma’s van eisen of uit de Arbeidsomstandighedenwet.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 4.2 Verlichting

Vanuit een oogpunt van gebruiksveiligheid (veilig vluchten) is in het algemeen een op de vloer (voor personen bestemde vloer of hellingbaanvloer) of het tredevlak (bovenzijde van een traptrede) gemeten verlichtingssterkte van 1 lux voldoende. Deze sterkte wordt wel omschreven als «donkere schemering», en is voldoende om de weg te vinden. Daarom geldt die sterkte als minimumsterkte in de verlichtingsinstallatie die in het eerste lid voor verblijfsruimten en in het tweede lid voor vluchtroutes zijn voorgeschreven. Door het gebruik van de term verblijfsruimte wordt in het eerste lid aangegeven dat het om een voor personen bestemd deel van een bouwsel gaat. Op een ruimte die weliswaar toegankelijk, maar niet bestemd is voor personen, zoals een opslagruimte, zijn deze bepalingen dus niet van toepassing.

Het derde lid geeft aan dat een verlichtingsinstallatie niet hoeft te worden aangebracht als de vluchtroute of verblijfsruimte al licht of verlicht is op het moment van mogelijk gebruik. Zo zal een ruimte die alleen overdag tijdens daglicht wordt gebruikt en daglichttoetreding heeft, altijd voldoen aan de eis van 1 lux. Een verlichtingsinstallatie als hier bedoeld is dan niet nodig en daarmee niet verplicht.

Ter toelichting op het gebruik van de term lux: de lux is een eenheid van verlichtingssterkte: 1 lux is de verlichtingssterkte voortgebracht door 1 candela (symbool cd) op een oppervlak loodrecht op de lichtstralen op een afstand van 1 meter van de bron. De candela is de SI-eenheid van lichtsterkte. De lichtsterkte geeft aan hoeveel licht zich bevindt in ieder stukje van een lichtbundel. De lux komt overeen met de verlichtingssterkte die men heeft wanneer iedere vierkante meter van het beschouwde oppervlak een lichtstroom van één lumen ontvang (dit is de eenheid voor lichtstroom, de hoeveelheid licht die een lichtbron in alle richtingen uitstraalt). Het aantal lux wordt bijgevolg gevonden als het quotiënt van de totaal ontvangen lichtstroom, uitgedrukt in lumen, en de grootte van het verlichte oppervlak uitgedrukt in vierkante meters: 1 lux = 1 lumen/m2.

Artikel 4.3 Noodverlichting

Om ook veilig te kunnen vluchten wanneer de elektriciteit uitvalt, moet bij bepaalde risicovolle situaties een deel van de verlichtingsinstallatie op een voorziening voor noodstroom zijn aangesloten. Dit wordt aangeduid als noodverlichting.

Op grond van het eerste lid is noodverlichting voorgeschreven voor verblijfsruimten met meer dan 75 personen en voor een vluchtroute waarop meer dan 75 personen bij het vluchten zijn aangewezen. Door het gebruik van de term verblijfsruimte wordt aangegeven dat het om een voor personen bestemd deel van een bouwsel gaat. Noodverlichting behoeft dus niet aanwezig te zijn in ruimte die weliswaar toegankelijk, maar niet bestemd is voor het genoemde aantal personen, zoals opslagruimten en ruimten voor het houden van dieren.

Indien er meer vluchtroutes zijn uit een verblijfsruimte die is bestemd voor meer dan 75 personen zijn, dan zullen op elk van die vluchtroute minder dan 75 personen zijn aangewezen; een noodverlichting is dan niet nodig.

Uit het tweede lid volgt dat de noodverlichting binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit moet zijn geactiveerd en vervolgens gedurende ten minste 60 minuten aaneengesloten een verlichtingssterkte moet geven van ten minste 1 lux, gemeten op de vloer en het tredevlak. Het hoeft daarbij niet per se te gaan om noodverlichting die pas aangaat als de andere verlichting uitgaat; het kan ook gaan om een installatie die aan blijft als de reguliere stroomvoorziening uitvalt. Er kan sprake zijn van het gebruik van accu’s of van een aggregaat. Ook in dat laatste geval dient het aggregaat binnen 15 seconden de benodigde stroom te leveren.

Het derde lid geeft aan dat een noodverlichtingsinstallatie niet hoeft te worden aangebracht als de vluchtroute of ruimte al voldoende licht of verlicht is op het moment van mogelijk gebruik.

Voorbeeld 1: een verblijfsruimte die alleen overdag tijdens daglicht wordt gebruikt en daglichttoetreding heeft, zal tijdens die uren altijd voldoen aan de eis van 1 lux. Een noodverlichtingsinstallatie als hier bedoeld is dan niet nodig en dus niet verplicht.

Voorbeeld 2: in een verblijfsruimte die wordt verlicht door twee of meer onafhankelijke energiebronnen ten behoeve van de verlichting, is geen noodverlichting vereist. In deze ruimte kan altijd aan de eis van 1 lux worden voldaan. Gedacht kan worden aan een verblijfsruimte die de stroomvoorziening betrekt van twee verschillende actieve aggregaten, of tegelijkertijd van de vaste installatie en een actief aggregaat. Met de term actief aggregaat wordt een aggregaat bedoeld dat draait en aangesloten is; dus niet een aggregaat dat nog opgestart moet worden

Artikel 4.4 Aansluiting op voorziening voor elektriciteit

Uit dit artikel blijkt dat zowel een voorgeschreven gewone verlichtingsinstallatie als een voorgeschreven noodverlichting moet zijn aangesloten op een voorziening voor elektriciteit als bedoeld in artikel 4.7. Dat betekent dat de elektriciteitsvoorziening waarop wordt aangesloten, degelijk is aangelegd en voldoet aan de gestelde norm. Het doel van de verlichtingsinstallatie of noodverlichting is om altijd het benodigde lichtniveau gedurende de aangewezen tijd te kunnen geven. De verlichtingsinstallatie of noodverlichting kan op verschillende manieren zijn aangelegd. Zo kan sprake zijn van een centrale stroomvoorziening of van een decentrale stroomvoorziening, bijvoorbeeld via accu’s in de armaturen. Indien de verlichting of noodverlichting louter op zwakstroom, bijvoorbeeld batterijen of accu’s, functioneert, is artikel 4.7 niet van toepassing, omdat de bepalingen van de betreffende aangewezen norm louter installaties van 50 volt en hoger betreffen.

Artikel 4.5 Verduisterde ruimten

Dit artikel stelt een eis aan verblijfsruimten voor meer dan 50 personen waarin het gebruikelijk is om de normale verlichting te reduceren of uit te schakelen, bijvoorbeeld in een tijdelijk theater of tijdelijke bioscoop. Door het gebruik van de term verblijfsruimte wordt aangegeven dat het om een voor personen bestemd deel van een bouwsel gaat. In een dergelijke ruimte is oriëntatieverlichting noodzakelijk zodat zo nodig in het bijna-donker kan worden gevlucht. Het gaat dan bijvoorbeeld om het aanlichten van het gangpad of van de traptreden naar een uitgang. De gevraagde redelijke oriëntatie kan op verschillende manieren bereikt worden. Het artikel schrijft niet voor dat in traptreden licht aanwezig is dan wel dat een gangpad zelfstandig verlicht moet zijn. Het gaat om het geheel van oriëntatie dat veilig vluchten mogelijk moet maken.

§ 4.2 Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie

Paragraaf 4.2 stelt eisen aan elektriciteits-, gas- en warmtevoorzieningen. Het is in paragraaf 4.2 niet voorgeschreven een elektriciteitsvoorziening te hebben en er worden geen eisen gesteld aan de omvang van de installatie. Maar als er een elektriciteitsvoorziening is, dan gelden de eisen uit deze paragraaf (artikel 4.7). Een elektriciteitsvoorziening is in ieder geval nodig indien er op grond van paragraaf 4.1 een verlichtingsinstallatie of noodverlichting nodig is. Elektrische apparatuur die door middel van leidingen op de elektriciteitsvoorziening wordt aangesloten, valt niet onder de reikwijdte van deze paragraaf. De veiligheid van dergelijke elektrische apparatuur, leidingen en verlichtingsornamenten is geregeld in de Warenwet. Het veilig gebruik van dergelijke zaken en van niet in de handel gebrachte (onveilige) apparatuur onttrekt zich in het algemeen aan de beoordeling.

Ook gasvoorzieningen zijn niet voorgeschreven, maar moeten als ze aanwezig zijn, voldoen aan de eisen in deze paragraaf (artikel 4.8).

Artikel 4.6 Aansturingsartikel

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat indien een plaats een energievoorziening heeft, deze voorziening veilig moet zijn.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 4.7 Voorziening voor elektriciteit

Het artikel geeft aan dat een elektriciteitsvoorziening ter plaatse moet voldoen aan de veiligheidsvoorschriften van NEN 1010. Het gaat daarbij om een installatie bij lage spanning (dat wil zeggen: nominale wisselspanning van niet meer dan 1.000 volt, hetzij nominale gelijkspanning van niet meer dan 1.500 volt). Dit besluit gaat niet over installaties bij hoge spanning (sterkstroominstallaties met meer dan 1 kV wisselspanning).

Ook een voorziening voor noodstroom is een voorziening voor elektriciteit die moet voldoen aan NEN 1010. Indien de verlichting of noodverlichting louter op zwakstroom, bijvoorbeeld batterijen of accu’s, functioneert, is artikel 4.7 niet van toepassing, omdat de bepalingen van de betreffende aangewezen norm louter installaties van 50 volt en hoger betreffen.

Artikel 4.8 Toestellen en installaties voor bakken en braden

Het eerste lid vereist een thermische beveiliging voor frituurtoestellen. Het vet of de olie hierin moet niet zodanig verhit worden dat door zelfontbranding of overkoken de zogenaamde «vlam in de pan» plaats kan vinden. Dit kan door een elektrisch frituurtoestel te gebruiken in plaats van een conventionele metalen pan op een fornuis. Goede frituurtoestellen bevatten elektronica, zoals een thermostaat, om te voorkomen dat er gevaarlijke situaties ontstaan. Daarnaast moet het overkoken voorkomen worden, maar dat wordt aan de gebruiker overgelaten.

Het tweede lid vraagt een zodanige constructie van een bakinstallatie dat olie of vet niet bij de verbrandingsruimte kan komen. Bij olie of vet is het gevaar van spetteren en opborrelen niet denkbeeldig; indien dit geschiedt mag het niet de verbrandingsruimte instromen, zodat daardoor geen brand kan ontstaan. Het artikel benoemt de bakinstallatie; het gevaar van spetteren of opborrelen uit een reguliere pan op een reguliere gaspit of gaskomfoor valt niet onder de strekking van het artikel.

§ 4.3 Installatievoorzieningen voor gas
Artikel 4.9 Aansturingsartikel

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de gasinstallatie. Het gaat hier alleen om brandgevaarlijke gassen. Bij het woord gasinstallatie gaat het niet om de installaties en toestellen die het gas gebruiken, maar om de gasvoorziening zelf.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 4.10 Gasinstallatie

Het eerste lid noemt enige voorschriften voor een verbruikstoestel dat brandgevaarlijke stoffen verbruikt.

Onderdeel a benoemt dat de brandstofsoort gekozen moet worden die bij het toestel past. Gedacht kan worden aan het onderscheid tussen bijvoorbeeld butaangas en propaangas. De technische specificaties van de leverancier kunnen aangeven welk gas aangesloten moet worden.

Onderdeel b benoemt de onderdelen van de verbinding tussen de gastank of gasfles en het gebruikstoestel, en eist dat de samenstelling ervan deugdelijk is. Het gaat erom dat de overgang van de gastank of gasfles naar het drukreduceersysteem, de kraan of kranen, naar de slang of leiding, en vervolgens van de slang of leiding naar het verbruikstoestel, goed is uitgevoerd.

Onderdeel c benoemt de kwaliteit van de verbinding zelf. Het kan het drukreduceersysteem of de slang of leiding betreffen. Benoemd wordt de goede staat van onderhoud. Dat is een algemene benadering, maar deze geeft ruimte voor het kritisch kijken naar de staat van de gekozen materialen. Indien onderdelen niet in goede staat zijn, mogen zij niet meer gebruikt worden. Zo mag een gasslang niet uitgedroogd of anderszins beschadigd zijn. Een gasslang of leiding mag maximaal 10 jaar oud zijn, tenzij de specificatie van het product aangeeft dat deze duur korter of langer is. De bepaling betreft slangen van rubber of ander materiaal waarbij van uitdroging of andersoortige beschadiging sprake kan zijn. Er zijn inmiddels ook slangen met een mantel van roestvaststaal (rvs) en aangeperste koppelingen op de markt gebracht met een levensduur van 25 jaar. In zo’n geval is de specificatie van deze slang bepalend voor de levensduur en gebruiksduur – al nopen in alle gevallen beschadigingen ertoe de slang of leiding te vervangen.

Bij onderdeel d wordt de kwaliteit van het verbruikstoestel benoemd. Deze bepaling geeft ruimte voor het kritisch kijken naar de staat van het toestel en de onderdelen daarvan.

Onderdeel e geeft een voorschrift voor de opstelling van de gastank of gasfles en het verbrandingstoestel. Door een stabiele opstelling te eisen wordt voorkomen dat de gastank of gasfles of het verbrandingstoestel omvalt. Gasflessen waarvan de constructie zodanig is dat zij stabiel staan, behoeven niet te worden vastgezet. Dit geldt over het algemeen voor propaan-/butaanflessen en andere (gelaste) flessen met een grote doorsnede.

Onderdeel f benoemt het belang van de vrije vluchtroute. Een verwarmingstoestel of een brandstoftank mag niet in een vluchtroute staan. De verbinding tussen de bandstoftank of gasfles en het verbruikstoestel kan eventueel wel een vrije vluchtroute kruisen. Toepassing van artikel 5.20 waarborgt dat de verbinding geen gevaar voor struikelen kan opleveren.

Het tweede, derde en vierde lid benoemen de uitvoering van het drukreduceersysteem en de eventuele koppeling van gasflessen. De gebruikte materialen moeten geschikt zijn voor het beoogde doel en het daarbij gebruikte verbrandingstoestel.

Toepassing van het vijfde lid zorgt ervoor dat er geen gas kan stromen als dat niet de bedoeling is, bijvoorbeeld als gasflessen verwisseld worden. Dit uitstromen van gas lijkt de hoofdoorzaak van gasexplosies bij bijvoorbeeld evenementen, en dient dus voorkomen te worden.

Het zesde lid benoemt de lengte van de gasslang. Enerzijds is van belang dat gasfles en verbruikstoestel elk op de daartoe meest geschikte plek worden geplaatst; de slanglengte moet dat faciliteren, zonder te strakke bochten of onhandige routes. Anderzijds moet de slanglengte niet langer zijn dan nodig. Bij bijvoorbeeld dakdekkers kan een grotere lengte zorgen voor veiliger werkomstandigheden. Gekozen is daarom voor een semi-dwingende bepaling die ruimte laat aan de eigen afweging van de gebruiker. Omdat dit bewust gebeurd is, en de regeling dus uitputtend van aard is, is er geen ruimte voor decentrale overheden om aanvullende eisen te stellen aan de lengte van de gasslang of leiding.

Het zevende lid benoemt de bij het verbruikstoestel aanwezige gebruiksaanwijzing. Indien specificaties van belang zijn voor een goede wijze van installeren, dienen die bij of op het toestel benoemd te zijn.

Een specifieke groep installaties, benoemd in het achtste lid, ziet op installaties die zijn aangesloten op LPG. Het gaat specifiek niet om de aandrijving van motorvoertuigen, zoals auto’s of heftrucks die op LPG rijden, maar bijvoorbeeld wel om verwarmingsinstallaties of bakinstallaties die LPG verbruiken. Voor deze installaties zijn NEN-EN 1949 en NEN-NPR 2577 opgesteld. Deze laatste NPR is aangewezen na overleg met Brandweer Nederland.

Het negende lid is de grondslag voor een ministeriële regeling waarbij nadere voorschriften kunnen worden gesteld aan deze LPG-installaties. Op dit moment is het daarvoor nog te vroeg, en zal gewerkt worden aan de hand van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen.

§ 4.4 Vaststellen van brand
Artikel 4.11 Aansturingsartikel

De functionele eis die is opgenomen in het eerste lid draagt eraan bij dat een plaats zodanige voorzieningen heeft dat een brand in een vroegtijdig stadium wordt ontdekt en gelokaliseerd, zodat mensen zichzelf tijdig in veiligheid kunnen brengen of in veiligheid kunnen worden gebracht. Als uitgangspunt is het begrip plaats gekozen. Door het feit dat het bij een plaats over een ruimtelijk begrensde oppervlakte gaat, en de regels ziet op het georganiseerd gebruik ervan, kunnen eisen worden gesteld aan de ontdekking van brand. Indien sprake is van stukken grond of water in Nederland die niet onder de noemer plaats vallen, is deze paragraaf niet van toepassing.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 4.12 Tijdig vaststellen van brand

Het tijdig ontdekken van brand is belangrijk voor een aantal categorieën gebruik. Dit houdt niet in dat het bij andere categorieën gebruik niet ook van belang kan zijn tijdig een brand te ontdekken, maar in dit besluit worden in artikel 2.1 specifiek enige categorieën van gebruik aangewezen. Daarbij wordt verwezen naar de omstandigheden en aantallen die de plicht tot het indienen van een gebruiksmelding veroorzaakten. De gebruiksmeldingsplicht van artikel 2.1 leidt in dit hoofdstuk tot enige verdere verplichtingen.

Het tweede lid bepaalt dat voor de ligplaatsen in een jachthaven of voor een tentenkamp geen maatregelen als bedoeld in het eerste lid genomen hoeven te worden. De in het eerste lid genoemde waarden gelden daarvoor dus niet, ook niet als er in de jachthaven of op het tentenkamp geslapen wordt.

§ 4.5 Vluchten bij brand

De voorschriften in deze paragraaf zijn gericht op het bij brand voldoende snel en veilig kunnen vluchten in relatie tot de installaties en de organisatorische maatregelen met betrekking tot het vluchten.

Artikel 4.13 Aansturingsartikel

Het eerste lid van dit artikel geeft de functionele eis dat een plaats zodanige voorzieningen moet hebben dat het ontvluchten goed kan verlopen. Onder voorzieningen worden in deze paragraaf verstaan installaties en organisatorische maatregelen. Een ontvluchting verloopt goed indien alle aanwezige personen zich snel en zonder risico op valpartijen of gedrang kunnen verplaatsen naar een veilige plaats.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 4.14 Alarmering

Dit artikel heeft betrekking op de voorziening die aanwezigen moet alarmeren in geval van brand. Het gaat dus niet om het alarmeren van hulpverleningsdiensten (zie daarvoor artikel 4.22). Het begrip alarmering is nadrukkelijk breder dan alleen een ontruimingsalarminstallatie. Het doel van de alarmeringsvoorziening is dat de op de plaats aanwezige personen na het ontdekken van een brand snel te alarmeren zijn, zodat een snelle en ordelijke ontruiming van de aanwezige personen kan plaatsvinden. Een ontruimingsalarminstallatie kan eventueel nodig zijn als alarmeringsvoorziening, wanneer personen door aanroepen of op een andere wijze niet snel genoeg op de hoogte kunnen worden gesteld. De alarmering kan ook dienen voor het mobiliseren van de ter plaatse (mogelijk verspreid) aanwezige personen die zijn aangewezen om te helpen bij het ontvluchten, bijvoorbeeld bij het vluchten van grote hoeveelheden mensen.

Het eerste lid verplicht tot het treffen van maatregelen voor het tijdig alarmeren op een plaats als bedoeld in artikel 2.1. De maatregelen kunnen allerlei vormen hebben, zoals een persoon die rondloopt en roept, een persoon met een megafoon, een persoon met een geluidsinstallatie, een klok die luidt, tot aan de reguliere ontruimingsalarminstallatie als beschreven in NEN 2575 zoals toegepast in bouwwerken.

De toets op de functionaliteit van de maatregelen wordt gegeven in het tweede lid, namelijk of de personen in het bedreigde gedeelte te waarschuwen zijn. Het gaat in dit lid om de geschiktheid om te waarschuwen, niet om de garantie dat gewaarschuwd wordt. Dat laatste is een kwaliteit van de organisatorische maatregelen die getroffen moeten worden op grond van artikel 4.22.

Artikel 4.15 Vluchtrouteaanduidingen

Een vluchtrouteaanduiding is bedoeld om de gebruiker van een verblijfsruimte duidelijkheid te geven over het verloop van vluchtroutes, zodat ook personen die niet of minder bekend zijn met een specifieke vluchtroute of zich, ondanks de licht- en oriëntatievoorzieningen, door rook of duisternis minder goed kunnen oriënteren, voldoende snel een veilige plaats kunnen bereiken. De aanwezigheidseis geldt in beginsel voor alle verblijfsruimten bestemd voor meer dan 50 personen tegelijkertijd aanwezig en voor de ruimte of ruimten waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert. In het eerste lid wordt verwezen naar twee normen. NEN-EN-ISO-7010 stelt eisen aan de gebruikte kleuren en symbolen (pictogrammen) van vluchtrouteaanduidingen. In NEN-EN 1838 worden met name eisen gesteld aan luminantie en luminantieverhoudingen. De luminantie is de mate van helderheid. De luminantie van elk deel van de veiligheidskleur van de vluchtrouteaanduiding moet een bepaalde waarde hebben in alle relevante kijkrichtingen.

Deze in het eerste lid aangewezen normen bevatten geen eisen over de verlichtingssterkte van de vluchtrouteaanduiding zelf. Vluchtrouteaanduidingen hoeven dan ook niet per definitie als inwendig verlichte armaturen te worden uitgevoerd. In een aantal gevallen kan worden volstaan met het aanbrengen van pictogramstickers die zo nodig door externe verlichting worden aangelicht om aan de luminantie-eis te kunnen voldoen.

In het tweede lid is bepaald dat bepaalde gebieden, namelijk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, voldoende vluchtrouteaanduidingen moeten hebben om personen naar een veilige plaats te verwijzen. Die hoeft niet per se buiten het gebied gelegen te zijn. De functionele eis is dat het vluchten, wanneer eenmaal op gang gekomen, leidt naar een veilige plaats. Indien, bijvoorbeeld door de ruime afmetingen van het gebied en het feit dat het de open lucht betreft, duidelijk is dat de veilige plaats makkelijk binnen het gebied gevonden wordt, kunnen vluchtrouteaanduidingen naar de uitgang van het gebied achterwege blijven.

In het derde lid is bepaald dat de aanduiding van een vluchtroute moet zijn aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats. Dit zal vaak boven de doorgang(en) zijn, waar de vluchtroute begint of doorheen loopt. In sommige ruimten kan het raadzaam zijn de vluchtrouteaanduiding hoger te hangen om te voldoen aan de eis van duidelijke waarneembaarheid.

Het vierde lid regelt dat een in het eerste lid bedoelde vluchtrouteaanduiding binnen 15 seconden na stroomuitval, gedurende ten minste 60 minuten aan de zichtbaarheidseisen van NEN-EN 1838 moet voldoen. Hoewel in de praktijk vaak van een intern verlicht armatuur met interne accu’s of centrale externe voeding gebruik zal worden gemaakt, is het ook toegestaan de vluchtrouteaanduiding extern aan te lichten. Het kan dus geschieden met lampen die gericht zijn op de vluchtrouteaanduiding. De eis van 15 seconden geeft ruimte aan een onmiddellijk reagerend noodstroomaggregaat dat onmiddellijk gestart wordt als de reguliere elektriciteit uitvalt. De eis van ten minste 60 minuten geeft voldoende gelegenheid om het bouwsel rustig te verlaten, zonder dat deze voorziening uitvalt.

Het vijfde lid bepaalt voor een bijeenkomsttent toepassing van de norm NEN 8020-41 invulling geeft aan dit artikel.

Artikel 4.16 Doorgangen in vluchtroutes

Doel van dit artikel is te waarborgen dat doorgangen in vluchtroutes het vluchten bij brand zo min mogelijk hinderen. De voorschriften zijn technisch van aard, en hebben betrekking op de draairichting en het hang- en-sluitwerk van eventuele deuren of hekken. Voorschriften met betrekking tot het brandveilig gebruik van deuren of hekken in vluchtroutes zijn opgenomen in artikel 5.16.

Het eerste lid geeft aan dat een beweegbaar deel in een doorgang niet tegen de vluchtrichting in mag bewegen, indien meer dan 60 personen op die doorgang zijn aangewezen. Vluchtroutes waarop veel personen zijn aangewezen, lopen het gevaar geblokkeerd te raken als deuren of hekken op de vluchtroute tegen de vluchtrichting indraaien of niet tijdig kunnen worden geopend. Een groep mensen op de vlucht zou daarom in het gedrang kunnen komen. In dit verband moet een draaideur worden aangemerkt als een deur die tegen de vluchtrichting indraait, dus deze mag niet aanwezig zijn in een vluchtroute waarop meer dan 60 personen zijn aangewezen. Schuifdeuren zijn wel toegestaan, mits zij in een noodsituatie tijdig kunnen worden geopend.

De grenswaarde van 60 personen is conform de waarde in het Bouwbesluit 2012, niveau bestaande bouw, en is destijds als voorschrift ontwikkeld aan de hand van de eerder gebruikte bezettingsgraadklassen.

Het tweede lid benoemt het belang dat dat een deur op de vluchtroute waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen, eenvoudig met een lichte druk of een ontsluitingsmechanisme dat voldoet aan NEN-EN 1125 moet kunnen worden geopend. Er mag dus een panieksluiting worden aangebracht, maar dat hoeft niet als de lichte druk al voldoende is.

Het derde lid behandelt de nooddeur of nooduitgang die aan de buitenlucht grenst. Om aan een buitenstaander duidelijk te maken dat dit een nooddeur of nooduitgang is, wordt het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit moet bijvoorbeeld het plaatsen van fietsen of vuilcontainers tegen een nooddeur of nooduitgang voorkomen, zodat daarvan in geval van een calamiteit onmiddellijk gebruik kan worden gemaakt.

Het vierde lid bepaalt dat toepassing van de norm NEN 8020-41 met betrekking tot de doorgang in een vluchtroute van een bijeenkomsttent invulling geeft aan de functionele eis uit het eerste lid van dit artikel.

Artikel 4.17 Zelfsluitend constructieonderdeel

Openingen in inwendige scheidingsconstructies tussen een brand- of subbrandcompartiment en een buiten dat compartiment gelegen ruimte zouden de weerstand van zo’n constructie tegen branduitbreiding of rookdoorgang teniet doen. Daarmee zou ook niet meer worden voldaan aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen de betreffende ruimten. Daarom bepaalt het artikel dat een beweegbaar constructieonderdeel in zo’n opening zelfsluitend moeten zijn.

Dit kan door het te voorzien van een dranger, maar het kan technisch ook anders opgelost worden.

Bedacht moet worden dat het vluchten van personen door een doorgang in een vluchtroute belangrijker is dan het sluiten van deze opening in het kader van compartimentering. De zelfsluitende deur moet dus niet in een slot vallen zolang nog personen aan het vluchten zijn. Nadat de personen gevlucht zijn, kan de opening zich weer sluiten.

Zie voor het gebruik van het constructieonderdeel artikel 5.3.

§ 4.6 Bestrijden van brand

In deze paragraaf staan artikelen met betrekking tot de bestrijding van brand, gerelateerd aan installaties en organisatorische maatregelen.

Artikel 4.18 Aansturingsartikel

In het eerste lid is de functionele eis opgenomen dat een plaats zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand moet hebben, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden. Als uitgangspunt is het begrip plaats gekozen (zie definitie in artikel 1.1, eerste lid). Door het feit dat het bij een plaats over een beperkte oppervlakte en georganiseerd gebruik gaat, kunnen eisen worden gesteld aan het bestrijden van brand. Indien sprake is van stukken grond of water die niet onder de noemer plaats vallen, zijn deze bepalingen niet van toepassing. Onder binnen redelijke tijd wordt bedoeld dat er geen onnodige tijd verloren mag gaan doordat er bij brand te weinig adequate brandblusvoorzieningen voorhanden zijn, of dat het te lang duurt voordat de brand bereikt wordt.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 4.19 Bluswatervoorziening

Uitgangspunt van het eerste lid is dat een plaats een toereikende bluswatervoorziening moet hebben, tenzij dit naar oordeel van het bevoegd gezag gezien specifieke omstandigheden (de aard, de ligging of het gebruik van de plaats) niet nodig is. Door het bevoegd gezag kan dus worden gekeken naar de logica van de eis van toereikend bluswater op die plaats. Wat openbare plaatsen betreft is dit in andere regelgeving vastgelegd en overwegend een zorg van de gemeenten; niet openbare plaatsen worden in dit besluit benoemd. Doel van dit voorschrift is zoveel mogelijk te waarborgen dat voor de brandweer een adequate bluswatervoorziening in of bij een plaats beschikbaar is. Wanneer geen toereikende openbare bluswatervoorziening aanwezig is, moet worden zorg gedragen voor een toereikende niet-openbare bluswatervoorziening, ook weer tenzij dit naar oordeel van het bevoegd gezag gezien de aard, de ligging of het gebruik van de plaats niet nodig is. Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een brandkraan of andere aansluiting op het drinkwater- of ander leidingnet voor bluswater, een watervoorraad, zoals een reservoir, een bassin, een blusvijver, een waterput of een bron (grondwater) of oppervlaktewater zoals een meer, de zee, een sloot, of een kanaal. Het tweede lid benoemt nadrukkelijk de toegankelijkheid van de bluswatervoorziening voor bluswerkzaamheden. Deze eis impliceert dat een bluswatervoorziening ook bij droogte of vorst beschikbaar is, maar ook dat het bijvoorbeeld noodzakelijk kan zijn om maatregelen te treffen om te voorkomen dat een bluswatervoorziening wordt geblokkeerd door geparkeerde auto’s of bouwsels.

Artikel 4.20 Brandblusvoorzieningen

Dit artikel eist in het eerste lid een adequate brandblusvoorziening om een bluspoging te kunnen uitvoeren bij een beginnende brand. Om niet onredelijk bezwarend te zijn, ziet de bepaling op een verblijfsruimte, bestemd voor minimaal 50 personen. Op andere plekken of met lagere aantallen kan een brandblusvoorziening handig zijn, maar daartoe verplicht dit besluit dus niet

De bluspoging betekent niet dat per se het vuur gedoofd moet worden: bij een grotere brand zal de brandweer op een gegeven moment aankomen en daarbij assisteren. Met het woord voldoende wordt aangegeven dat gekeken is naar de aanwezige vuurbelasting. De brandblusvoorziening moet van een type zijn dat past bij de materialen of stoffen die geblust moeten worden. Aantal en type brandblusvoorzieningen moeten aansluiten bij de gegeven omstandigheden. Het kan voorkomen dat er reeds voldoende brandslanghaspels zijn, maar het kan ook zo zijn dat er draagbare of verrijdbare blustoestellen aangevoerd moeten worden. Zeker bij een tijdelijke locatie is het denkbaar dat er geen brandslanghaspels zijn, maar wel draagbare of verrijdbare blustoestellen.

Het tweede lid schrijft voor dat bij een opslag voor brandbare goederen een brandblusvoorziening aanwezig moet zijn. Hetzelfde geldt voor een toestel of installatie voor koken, bakken, braden of frituren.

Het derde lid geeft aan dat, onverminderd de zorgplicht voor installaties van artikel 4.27, ook specifiek onderhoud verplicht is. Draagbare of verrijdbare blustoestellen en slangsystemen dienen ten minste eens in de twee jaar onderhouden en gecontroleerd te worden. Doel van dit voorschrift is de goede werking van het brandblusvoorziening te waarborgen. Het staat de gebruiker van de plaats uiteraard vrij de brandblusvoorzieningen vaker te laten inspecteren / controleren. De normen waarnaar verwezen wordt voor het onderhoud (NEN 2559 voor draagbare blustoestellen, NEN 2659 voor verrijdbare blustoestellen en NEN-EN 671-3 voor slangsystemen) geven verschillende onderhoudsfrequenties aan, maar deze worden door deze bepaling uitdrukkelijk vervangen door het voorschrift dat er ten minste eens per twee jaar onderhoud en controle dient plaats te vinden.

Artikel 4.21 Zichtbaarheid brandblusvoorzieningen

Doel van dit voorschrift is dat de op de plaats aanwezige personen in de nabijheid van een brandblusvoorziening direct kunnen zien waar de brandblusvoorzieningen zich bevinden. Indien een brandblusvoorziening voor iedereen zichtbaar opgehangen is, is daaraan voldaan. Indien de brandblusvoorzieningen alleen goed zichtbaar zijn voor dienstdoende medewerkers, bijvoorbeeld door een plaatsing achter een bar, is ook aan de norm voldaan. Indien een brandblusvoorziening minder zichtbaar is, bijvoorbeeld omdat het elders op de grond staat of is ingebouwd, of omdat er op een andere manier sprake is van zichtbelemmering, moet door een goed zichtbaar pictogram duidelijk zijn waar de brandblusvoorziening is te vinden.

§ 4.7 Artikel 4.22 Basishulpverlening en ontruimingsplan

In het algemeen deel van de toelichting is al kort ingegaan op het fenomeen basishulpverlening. Het is de aanduiding van een samenstel van activiteiten die na een incident moeten worden verricht totdat professionele hulpverleners de hulpverlening overnemen. Dit is dus breder dan alleen het optreden bij een brand. De basishulpverlening is erop gericht dat incidenten geen of zo weinig mogelijk schadelijke gevolgen hebben voor de aanwezigen. Daartoe kan het nodig zijn EHBO te verlenen, de plaats of een deel van de plaats te ontruimen, een bluspoging te ondernemen, de hulpverleningsdiensten te alarmeren en te zorgen dat zij bij aankomst op de plaats worden opgewacht en doorgeleid naar de plek van het incident.

Om alarmering goed te laten verlopen, impliceert het tweede lid dat er een goede verbinding moet zijn. In de dagelijks praktijk zal een telefoontoestel vaak voldoende zijn. Bij het voorbereiden van een evenement moet onderzocht worden welke manier van alarmeren van hulpverleningsdiensten het beste werkt, en bijvoorbeeld ook of mobiele telefoons op de gehele plaats voldoende bereik hebben en houden.

Het derde lid stelt de aanwezigheid van een ontruimingsplan verplicht voor een plaats als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, omdat op een dergelijke plaats extra risico’s bestaan. Een ontruimingsplan bevat, in relatie tot de fysieke eigenschappen van de plaats en in relatie tot het gebruik ervan, alle maatregelen die nodig zijn voor een vlotte ontruiming, zodat de risico’s bij een incident zoveel mogelijk worden beperkt. Bij het opstellen van een ontruimingsplan kan gebruikt worden gemaakt van NEN 8112.

Omdat louter het hebben van een ontruimingsplan nog geen waarborg is dat alles volgens plan verloopt, is in het vierde lid bepaald dat de organisator personen moet aanwijzen die in staat zijn de verschillende onderdelen van de basishulpverlening uit te voeren. Hij moet er ook voor zorgen dat er – in relatie tot de omstandigheden van de plaats en het aantal aanwezigen – voldoende personen zijn aangewezen én aanwezig zijn en dat zij bekend zijn met het ontruimingsplan.14 Er worden hier geen specifieke eisen gesteld aan de bekwaamheden van deze personen, maar van een verantwoordelijk organisator mag worden verwacht dat hij ervoor zorgdraagt dat de basishulpverlenende personen op hun taak berekend zijn.

§ 4.8 Bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten

Deze paragraaf heeft betrekking op de bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten. Het gaat daarbij soms om de plaats als geheel, maar vaak ook om een bouwsel op die plaats, waar immers personen kunnen verblijven en waar materialen aanwezig zijn die wellicht geblust moeten worden. Er kan sprake zijn van allerlei soorten objecten, zoals een tent, maar ook bijvoorbeeld aan een tijdelijke tribune op een sportveld. Bij hulpverleningsdiensten moet in het kader van dit besluit primair gedacht worden aan brandweervoertuigen. Als deze de plaats of het bouwsel kunnen bereiken, geldt dat ook voor andere hulpvoertuigen zoals ambulances.

Artikel 4.23 Aansturingsartikel

In het eerste lid is de functionele eis opgenomen dat een plaats zodanig bereikbaar moet zijn voor hulpverleningsdiensten, dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulp kan worden geboden. Het gaat om de professionele hulpverlening van overheidszijde. Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 4.24 Brandweeringang

De brandweer moet een verblijfsruimte op eenvoudige wijze kunnen betreden voor een snelle en adequate inzet. Het eerste lid geeft daarom aan dat een bouwsel met een verblijfsruimte een brandweeringang moet hebben. De ingang is nodig als de brandweer anders niet te allen tijde op een snelle wijze op een logische plek binnen kan komen. Een brandweeringang is niet verplicht indien het bevoegd gezag dat gezien de aard, de ligging of het gebruik van de plaats niet nodig vindt. Zo zal bij een zeildoeken tent een aparte ingang voor de brandweer waarschijnlijk niet nodig zijn, omdat de tent niet echt afgesloten wordt dus en nooit ontoegankelijk is. Een bouwsel met een verblijfsruimte kan ook op andere wijze permanent toegankelijk zijn voor de brandweer, zodat dan geen apart aangewezen ingang nodig is. Indien de plaats meerdere toegangen heeft, worden op grond van het tweede lid in overleg met de brandweer een of meer van die toegangen als brandweeringang aangewezen. De brandweer zal hierbij rekening houden met de mogelijkheden om vanaf de specifieke toegang of toegangen de brandweerinzet goed te kunnen organiseren en uitvoeren.

In het derde lid zijn eisen gesteld aan het ontsluitingsmechanisme van de brandweeringang van een verblijfsruimte waarin geslapen wordt. Deze ingang moet, zo deze bij brand al niet automatisch open gaan, kunnen worden geopend met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald, bijvoorbeeld met een brandweersleutel. Bij plaatsen waar niet geslapen wordt, wordt er vanuit gegaan dat de brandweertoegang zonder vertraging gebruikt kan worden.

Artikel 4.25 Bereikbaarheid bouwsels voor hulpverleningsdiensten

Dit artikel bevat voorschriften ten behoeve van de bereikbaarheid van bouwsels met een ruimte die is bestemd voor het verblijf van personen. Voor andere bouwsels en de overige delen van de plaats gelden deze voorschriften niet. Dat betekent niet dat voor die andere bouwsels brandveiligheid geen punt van aandacht is, maar dat de specifieke eisen van dit artikel hier niet van toepassing zijn. Het gaat in het kader van dit besluit primair om de bereikbaarheid voor brandweervoertuigen, maar daarmee is uiteraard ook voorzien in de bereikbaarheid voor de voertuigen van andere hulpverleningsdiensten.

Op grond van het eerste lid moet tussen de openbare weg en de toegang van een bouwsel met een verblijfsruimte een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor het te verwachten verkeer, zoals brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Dergelijke voertuigen zijn immers zwaarder dan de personenauto’s.

Niet elk bouwsel met een verblijfsruimte hoeft over zo’n verbindingsweg te beschikken. Die eis geldt niet voor de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwsel met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of indien de toegang tot het bouwsel op ten hoogste 10 meter van een openbare weg ligt of wanneer het bevoegd gezag van oordeel is dat de aard, de ligging of het gebruik van het bouwsel de aanwezigheid van die voorziening niet nodig maken.

In het derde lid is aangegeven aan welke eisen een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid moet voldoen. De voorgeschreven minimum breedte van de verbindingsweg en het voorgeschreven minimum draagvermogen van die weg zijn afgestemd op het gebruik door gangbare voertuigen, zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. Aan de in het derde lid gestelde eisen hoeft niet te worden voldaan wanneer in het bestemmingsplan of een gemeentelijke verordening of vergunning een afwijkend voorschrift is opgenomen.

In het vierde lid is bepaald dat op een voorgeschreven verbindingsweg (de in het eerste lid bedoelde weg) geen obstakels aanwezig mogen zijn die de voor de doorgang van brandweervoertuigen benodigde vrije hoogte en breedte blokkeren. Een dergelijke weg mag dus niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken. Dit betekent niet dat de verbindingsweg constant moet worden vrijgehouden van enig verkeer; het gaat erom dat als de brandweer die weg moet gebruiken, dat onbelemmerd kan geschieden.

Het vijfde lid bepaalt dat een verbindingsweg niet zodanig mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpverleningsdiensten onnodig hindert. Indien er belemmeringen zijn, moeten die snel te kunnen worden weggenomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan paaltjes in de weg. Indien er hekwerken zijn, moeten die snel te openen zijn.

Artikel 4.26 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

Op grond van het eerste lid moeten bij een bouwsel met een ruimte die is bestemd voor het verblijf van personen, opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig zijn, zodat die voertuigen op doeltreffende wijze kunnen worden aangesloten op de bluswatervoorziening. Die opstelplaatsen moeten in voldoende aantal aanwezig zijn, al naar gelang de grootte van het bouwsel.

Zulke opstelplaatsen zijn niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwsel met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of indien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwsel dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist. Denkbaar is dat er op de betreffende locatie geen bluswatervoorziening is, zodat het bluswater op andere wijze aangevoerd moet worden.

In het derde lid is bepaald dat een opstelplaats over de voorgeschreven hoogte en breedte moet worden vrijgehouden voor brandweervoertuigen. Zo mag een opstelplaats niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken. Dit betekent niet dat de opstelplaats constant moet worden vrijgehouden van enig verkeer; het gaat erom dat als de brandweer die plek moet gebruiken, dat onbelemmerd kan geschieden.

Het vierde lid bepaalt dat een opstelplaats niet zodanig door hekwerken mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpverleningsdiensten (onnodig) hindert. Een eventueel ontsluitingssysteem moet in overleg met de brandweer worden gekozen.

Het vijfde lid bepaalt de maximaal toegestane afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang van het te betreden bouwsel. Die afstand (40 m) is gerelateerd aan de lengte van blusslangen en de inzetdiepte in het bouwsel.

§ 4.9 Artikel 4.27 Zorgplicht installaties

Dit artikel benoemt de zorgplicht voor installaties. Het eerste lid van dit artikel bevat een algemene zorgverplichting die geldt voor installaties als bedoeld in hoofdstuk 4.

Een dergelijke installatie moet te allen tijde functioneren overeenkomstig de op de installatie van toepassing zijnde voorschriften in dit besluit. Voorts moet de installatie adequaat worden beheerd, onderhouden en gecontroleerd. In het algemeen zal het voldoende zijn wanneer de in de handleiding of productspecificaties opgenomen instructies van de fabrikant, leverancier of installateur worden gevolgd. Ook moet het gebruik zodanig zijn dat er geen gevaar voor gezondheid of veiligheid is. Hiervoor geldt eveneens dat rekening moet worden gehouden met handleidingen en dergelijke. In een aantal artikelen van hoofdstuk 4 is deze zorgplicht, onverminderd het bepaalde in dit artikel (4.27), verder uitgewerkt. Zie voor een voorbeeld daarvan artikel 4.21 waarin aanwijzingen voor het onderhoud van brandblusvoorzieningen worden gegeven.

Het tweede lid heeft betrekking op een specifiek soort zorgplicht: de controle van leidingdoorvoeren. Om te voorkomen dat een beginnende brand zich snel in een bouwsel uitbreidt en rook zich snel verspreidt, stellen de paragrafen 3.7, 3.9 en 3.10 van dit besluit eisen aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag en de weerstand tegen rookdoorgang van scheidingsconstructies (zoals muren en vloeren). Wanneer in of door zo’n scheidingsconstructie een doorvoer voor kabels, leidingen, een verwarmings- of luchtbehandelingssysteem en dergelijke op onzorgvuldige wijze wordt aangebracht (of een reeds aanwezige doorvoer onzorgvuldig wordt gewijzigd) kan dit een zodanig negatief effect hebben dat niet meer aan die weerstandeisen wordt voldaan. Om dergelijke situaties te voorkomen, schrijft dit lid voor dat deze doorvoeren zo worden uitgevoerd dat de vereiste weerstand blijft bestaan. Mocht blijken dat niet meer aan de voorschriften van hoofdstuk 3 wordt voldaan, dan moeten de tekortkomingen direct worden hersteld.

Hoofdstuk 5 Voorschriften inzake gebruik

In dit hoofdstuk worden voorschriften gegeven inzake gebruik. Waar mogelijk is aangesloten bij de bepalingen in het Bouwbesluit 2012 of in de model-brandbeveiligingsverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, om geen onnodige verschillen met bekende regels te introduceren.

§ 5.1 Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand

In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen die erop zijn gericht dat er geen brand ontstaat dan wel dat een brand zich niet ontwikkelt.

Artikel 5.1 Aansturingsartikel

Het eerste lid formuleert als functionele eis dat het gebruik van een plaats zodanig moet zijn dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand wordt voorkomen.

Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 5.2 Roken en open vuur

Het algehele verbod om te roken of open vuur te hebben wordt in het eerste lid gekoppeld aan vier omstandigheden waarin roken of open vuur een risico oplevert voor het ontstaan dan wel het zich ontwikkelen van een brand. Het tweede lid biedt mogelijkheden voor het gebruik van open vuur in andere omstandigheden dan opgesomd in het eerste lid, mits dit veilig gebeurt. Omdat het artikel geen invulling geeft aan wat «veilig» is, is er ruimte voor interpretatie en overleg, zodat er regels op maat kunnen worden gegeven: het aansteken van een barbecue is wezenlijk anders dan het aansteken van een groot paasvuur.

Het derde lid bepaalt dat het verbod kenbaar moet worden gemaakt door duidelijk zichtbaar aangebrachte pictogrammen zoals beschreven in NEN 3011.

Artikel 5.3 Vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel

Het artikel beoogt de scheidingsconstructie van een brandcompartiment in stand te houden. Het open zetten van een constructieonderdeel dat onderdeel is van de scheidingsconstructie, moet dan ook voorkomen worden. En als het constructieonderdeel toch wordt vastgezet in open stand, moet bij het ontstaan van brand of rook bereikt worden dat het constructieonderdeel zich sluit.

Het begrip constructieonderdeel dat gehanteerd wordt, is breder dan alleen het begrip deur: het betekent dat ook onderdelen die geen deur zijn maar een soortgelijke functie vervullen, ook onder dit artikel vallen. Zo kan het ook gaan om een hek of een andersoortig constructieonderdeel.

Onder automatisch loslaten wordt verstaan dat het constructieonderdeel bij brand en bij rook door brand vanzelf (dus zonder tussenkomst van een persoon) loskomt van de geopende positie. Het constructieonderdeel zal zich kunnen sluiten. Het constructieonderdeel mag niet gesloten worden in de betekenis «op slot», want het kan zijn dat vluchtende personen er nog doorheen moeten. Zodra er geen personen meer doorheen gaan, wordt door het sluiten de weerstand tegen brandoverslag en branddoorslag, die in artikel 4.17 gevraagd wordt, bereikt.

Voorbeeld: deuren kunnen met magneten worden vastgezet in geopende stand; zodra er een brandmelding is worden de deuren door de magneet losgelaten, zodat zij zich kunnen sluiten. Personen die er doorheen moeten, kunnen de deuren zonder veel moeite openduwen, waarna de deur zich weer sluit.

Artikel 5.4 Aankleding

In dit artikel zijn voorschriften opgenomen voor de aankleding van een besloten ruimte, met het oog op het voorkomen van brandgevaar. Deze eisen worden uitsluitend aan een besloten ruimte gesteld, vanwege het risico voor mogelijk daar aanwezige personen aldaar. Aangenomen mag worden dat in andere delen van een bouwsel of in gebieden beperktere brandveiligheidsrisico’s spelen. Hiervoor worden geen specifieke regels gegeven.

In dit besluit wordt naast constructieonderdelen onderscheid gemaakt tussen inventaris (meubilair en inrichtingselementen, zoals stands, kramen en podia) en aankleding. Met aankleding wordt gedoeld op onderdelen die niet worden gerekend tot de constructieonderdelen of tot de inventaris en die dienen ter verfraaiing, zoals gordijnen, wandafwerking, vloerbedekking en versiering.

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat aankleding geen brandgevaar mag opleveren.

In het tweede lid wordt aangegeven in welke gevallen mag worden aangenomen dat er geen sprake is van brandgevaar. Brandgevaar is in ieder geval niet aanwezig wanneer:

  • a. de aankleding een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert;

  • b. de aankleding onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;

  • c. de aankleding voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1;

  • d. de aankleding voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen als bedoeld in paragraaf 3.6 of

  • e. de navlamduur ten hoogste 15 seconden en de nagloeiduur ten hoogste 60 seconden is.

Het antwoord op de vraag wanneer aankleding een bij onderdeel a genoemde ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert, is sterk afhankelijk van de omstandigheden.

Voorbeeld 1: In het algemeen is een kerststukje op de tafeltjes in een cateringruimte geen probleem. Dat kerststukje kan wel een probleem worden als er in de nabijheid aankleding is waarnaar een brand in het kerststukje eenvoudig kan overslaan.

Voorbeeld 2: Onderdeel a van het eerste lid biedt ook de mogelijkheid om in een decor slingers of tekeningen op te hangen, zolang deze een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar leveren. De brand mag zich dus niet als een lopend vuurtje door de ruimte kunnen verspreiden.

Voorbeeld 3: Het onderdeel geeft ook ruimte aan het dragen van kleding en kostuums en het gebruik van rekwisieten, die overwegend geen grote vuurbelasting opleveren en daarmee de uitzondering zijn op de hoofdregel dat alles brandveilig moet zijn en dus minimaal moet voldoen aan de eisen in de eenvoudige brandproef als bedoeld in het tweede lid.

Voorbeeld 4: Aankleding die wordt opgehangen en die voldoet aan de eisen van het brandgedrag behoeft niet te worden onderspannen. Zie daarvoor ook artikel 5.19.

Bij onderdeel b betekent «onbrandbaar»: onbrandbaar volgens NEN 6064. NEN 6064 is een norm bedoeld voor het bepalen van onbrandbaarheid van bouwmaterialen. Bij die materialen kan gedacht worden aan keramische materialen, glas, massief gips, steenachtige materialen, metalen (staal, ijzer, koper, zink, lood, aluminium), steenwol, glaswol en bepaalde minerale boardmaterialen. Voor een nadere toelichting over NEN 6064 wordt verwezen naar de toelichting bij paragraaf 3.6.

In onderdeel c wordt verwezen naar norm NEN-EN 13501-1. Deze norm geeft de reactie op de vuur classificatie procedure voor alle bouwproducten, inclusief producten opgenomen in bouwelementen. Producten worden beschouwd in relatie tot de uiteindelijk te gebruiken applicatie. Voor een nadere toelichting over NEN-EN 13501-1 wordt verwezen naar de toelichting bij paragraaf 3.6.

In onderdeel d wordt verwezen naar de in paragraaf 3.6. gegeven normering voor de beperking van het ontwikkelen van brand en rook. Indien aan die eisen wordt voldaan, is aan de eis van het eerste lid voldaan.

Om te bepalen of de waarden van onderdeel e worden gehaald, kan een monster van het materiaal worden genomen en worden beproefd. Daarbij kan als volgt tewerk worden gegaan:

  • neem een monster (ongeveer 5 x 25 cm) van het materiaal;

  • houd een uiteinde van het monster in een vlam, zoals bijvoorbeeld van een aansteker of lucifer;

  • neem wanneer het monster vlam heeft gevat of nadat 5 seconden zijn verstreken de ontstekingsbron weg.

Het materiaal voldoet als aan alle van de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. tijdens de verhitting zijn geen druppels vrijgekomen (al of niet brandend of druipend);

  • b. tijdens de verhitting zijn geen roetvlokken vrijgekomen;

  • c. het materiaal vlamt niet meer dan 15 seconden na en gloeit maximaal 60 seconden na.

In het derde lid is een speciale bepaling opgenomen voor aankleding in een besloten ruimte voor meer dan 50 personen. Bij aankleding in een dergelijke ruimte die voldoet aan het gestelde in het tweede lid, onderdeel e, wordt niet zonder meer aangenomen dat er geen sprake van brandgevaar is. De in onderdeel e gegeven maximale navlamduur en nagloeiduur waarborgen de brandveiligheid onvoldoende bij aankleding (versiering) die lager hangt dan 2,5 meter boven een gedeelte van een vloer waar zich mensen kunnen bevinden. Bij laaghangende versiering is een risico aanwezig dat deze in aanraking komt met open vuur van bijvoorbeeld in de hand gehouden brandende aanstekers, kaarsen, vuurwerk of sigaretten. De bij onderdeel e bedoelde criteria zijn wel afdoende wanneer de aankleding direct op vloer, trap of hellingbaan is aangebracht, ofwel wanneer het vaste vloerbedekking betreft. Met andere woorden: in een besloten ruimte voor het verblijven of vluchten van meer dan 50 personen wordt de aankleding als brandveilig beschouwd als deze aan een van de in het tweede lid, onderdelen a tot en met d genoemde voorwaarden voldoet. Als dit niet het geval is, maar de navlamduur en nagloeiduur liggen onder de grens van het eerste lid, onderdeel e, dan is de aankleding brandveilig als deze zich meer dan 2,5 meter boven een voor personen bestemde vloer bevindt of als deze zich boven een niet voor personen bestemd gedeelte van de vloer (ongeacht de hoogte van de versiering) bevindt of als het vloerbedekking betreft. Dit lid is dus voornamelijk van belang bij het voorkomen van brandgevaar door laaghangende versiering.

Of sprake is van een gedeelte van de vloer waar personen aanwezig kunnen zijn, is afhankelijk van de inrichting van de ruimte. Het gaat om die plaatsen waar zich normaliter geen mensen bevinden, bijvoorbeeld boven een tafel, een barmeubel of stand.

Het begrip vrije ruimte, dat wordt gebruikt in het derde lid, is overgenomen uit het Bouwbesluit 2012 voor een conforme uitleg van dit onderwerp; met vrije ruimte wordt niet verwezen naar de term ruimte als in dit besluit geformuleerd in artikel 1.1, eerste lid.

Het vierde lid stelt eisen aan materiaal in de nabijheid van apparatuur en installaties die hitte uitstralen. Met dit voorschrift kan bijvoorbeeld worden opgetreden tegen een situatie waarin door een halogeenspotje brand in de gordijnen zou kunnen ontstaan.

Het vijfde lid schrijft voor dat in een besloten ruimte geen met brandbaar gas gevulde ballonnen aanwezig mogen zijn. De meeste voor ballonnen gebruikte gassen zijn niet brandbaar. Dat geldt ook voor helium (He), dat een niet brandbaar, niet giftig en niet explosief gas is. De gedachte dat helium wel brandbaar is, kan ontstaan zijn doordat mensen helium verwarren met het brandbare waterstof (H). Ook lachgas (N2O) en kooldioxide (CO2) worden wel gebruikt voor het vullen van ballonnen, maar beide gassen zijn niet brandbaar. Uiteraard is het vullen van ballonnen met lucht veilig.

Artikel 5.5 Brandveiligheid inrichtingselementen

Dit artikel stelt eisen aan de brandveiligheid van stands, kramen, schappen, podia en daarmee vergelijkbare inrichtingselementen wanneer zij zijn opgesteld op een plaats. Doel van deze voorschriften is te voorkomen dat een beginnende brand zich snel kan ontwikkelen en/of dat de gebruikte materialen bij een brand letselrisico’s opleveren voor op die plaats aanwezige personen. Er worden geen eisen gesteld aan de in de stands uitgestalde producten of voorwerpen.

In het eerste lid is bepaald dat de inrichtingselementen brandveilig moeten zijn. Dit houdt in dat deze elementen niet snel vlam mogen vatten en geen grote bijdrage mogen leveren aan de uitbreiding van brand.

In het tweede lid is bepaald wanneer in ieder geval aan de in het eerste lid gestelde eisen is voldaan.

Met naar de lucht gekeerd wordt bedoeld dat het gaat om onderdelen die de buitenzijde van het inrichtingselement vormen en daarmee zonder nadere eisen vatbaar kunnen zijn voor hitte of vuur.

Zie voor een toelichting met betrekking tot brandklassen de toelichting bij paragraaf 3.6.

Dunne materialen hebben in het algemeen minder gunstige brandeigenschappen dan dikkere, omdat zij doorgaans sneller ontbranden. Indien een dun onderdeel (minder dan 3,5 mm dikte) over de volle oppervlakte is verlijmd met een dikker onderdeel dat bovendien voldoet aan de in het tweede lid gestelde eisen, dan hebben de eigenschappen van de samengevoegde materialen de brandeigenschappen van het dikkere dragermateriaal.

Artikel 5.6 Brandgevaarlijke stoffen

In artikel 1.1, tweede lid, is aangegeven wat onder brandgevaarlijke stof wordt verstaan: een vaste, vloeibare of gasvormige stof die brandbaar of brandbevorderend is of bij brand gevaar oplevert, in de zin van de ADR-klassen twee tot en met vijf. Voor een groot deel is de bepaling analoog aan die in het Bouwbesluit 2012; er zijn afwijkingen vanwege de gevaarzetting op een grotere locatie of buiten. Insteek daarbij is een gelijke hoeveelheid brandgevaarlijke stof, maar dan per plek waar die stof bij elkaar staat, cluster genoemd. Er is tenslotte geen extra brandgevaar indien er voldoende afstand is tussen de plekken met gevaarlijke stoffen.

In het eerste lid is het verbod op het aanwezig hebben van een brandgevaarlijke stof opgenomen. Of iets een brandgevaarlijke stof is, is te lezen in tabel 5.6, opgenomen in de tekst van de regeling na artikel 5.6. Uit deze tabel blijkt dat ook medicinale zuurstof een gas is dat onder het voorschrift van artikel 5.6, eerste lid, valt.

Op grond van het tweede lid is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing wanneer de toegestane maximum hoeveelheid van een bepaalde stof niet wordt overschreden (onderdeel a), de stof deugdelijk is verpakt (onderdeel b) en die stof met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen wordt gebruikt (onderdeel c).

De stof dient zodanig verpakt te zijn dat de verpakking tegen een normale behandeling bestand is (hetgeen bij de originele verpakking in de regel al het geval zal zijn) en van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen (hetgeen bij deugdelijke sluiting van een geopende originele verpakking in de regel het geval zal zijn). Bij gebruik overeenkomstig de gevaarsaanduiding moeten de zogenoemde R- en S-zinnen in acht worden genomen. Die zinnen, die in de regel op de originele verpakking zijn aangegeven, geven de producteigenschappen aan (R = risc; bijvoorbeeld: ontvlambaar) en bevatten gebruiksinstructies (S = safety; bijvoorbeeld: niet roken tijdens het gebruik).

In het derde lid wordt een aantal zelfstandig te lezen afwijkingen van het eerste lid gegeven. Bij de bepaling van de totale hoeveelheid toegestane stoffen behoeft geen rekening te worden gehouden met de in het derde lid opgenomen stoffen. Er behoeft bijvoorbeeld geen rekening te worden gehouden met de in een auto, scooter of pleziervaartuig aanwezige motorbrandstoffen (onderdeel a). Een andere uitzondering is in onderdeel b te vinden voor bepaalde toestellen met een inwendige tank. Veel gebruikte toepassingen als olielampen, gaslampen, terrasparasols, heteluchtkanonnen met ingebouwde tank en dergelijke zijn dus uitgezonderd.

Onderdeel c geeft een uitzondering voor de voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken. Dat betekent bijvoorbeeld dat een pallet met dozen alcoholhoudende drank naast een ander pallet mag staan.

Onderdeel d gaat over bij elkaar, in een cluster, opgestelde gasflessen. Gezamenlijk opgestelde gasflessen tot een totale waterinhoud van 125 liter vormen geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in het eerste lid. Tussen een cluster gasflessen en een volgend cluster moet een veilige afstand bestaan: hetzij 5 meter afstand, hetzij een constructieve scheiding van 30 minuten wbdbo en een afstand van 3 meter, hetzij een constructieve scheiding van 60 minuten wbdbo (waarbij de afstand geen eis meer is).15 Elk in dit onderdeel bedoeld cluster kan bestaan uit maximaal 125 liter waterinhoud. Daarbij tellen lege gasflessen, deels gevulde en volle gasflessen alle als vol mee. Zolang er een afsluiter aanwezig, is er sprake van een risico en dus van een gasfles, ook al lijkt er geen gas meer in te zitten. Pas als de gasfles geen afsluiter meer heeft, is er geen sprake meer van een gasfles, maar van oud ijzer.

Bij veel soorten gasflessen wordt de inhoud in kilogrammen aangegeven; het is raadzaam voor de toepassing van dit artikel acht te slaan op de betreffende waterinhoud. Het gaat bij de inhoud dus niet om het aantal liters gas dat in de fles gaat. Omdat de gasvormige fase anders is dan de vloeistoffase en de fles niet volledig wordt gevuld, zijn dit andere waarden dan de waterinhoud.

In onderstaande tabel worden de kenmerkende waarden van een aantal verschillende flesmaten benoemd. De tabel is indicatief, sommige merken kunnen afwijkende maten voeren.

Omschrijving gasfles

Waterinhoud in liter

5 kg stalen fles

12,1

5 kg kunststof fles

12,1

10 kg kunststof fles

24,5

10,5 kg stalen fles (propaan)

26,2

12,5 kg stalen fles (butaan)

26 liter

18 kg stalen fles

44 liter

33 kg stalen fles

79 liter

35 kg stalen fles

85 liter

46,5 kg stalen fles

112 liter

Concluderend kan als vuistregel worden afgeleid dat, rekening houdend met de vulgraad, het aantal kilogrammen van de inhoud van een gevulde fles, vermenigvuldigd met 2,4 à 2,5, de waterinhoud weergeeft.

Indien sprake is van grotere volumes gasflessen dan in dit onderdeel aangegeven, gelden de bepalingen van de PGS 15 (deel 15 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen). Dan is sprake van een opslagvoorziening of werkvoorraad/dagvoorraad, waarvoor regels worden gegeven. De PGS 15 reguleert alleen de opslagsituatie en heeft geen betrekking op het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen.

Omdat de bepaling alleen gaat over brandgevaarlijke stoffen in gasflessen, valt het gebruik en de opslag van andere niet brandgevaarlijke stoffen in gasflessen niet onder deze bepalingen. De bij horeca en showdoeleinden veel gebruikte flessen CO2 vallen dus niet onder deze beperkingen. Ook geldt de bepaling niet voor gassen die ten behoeve van een blusgasinstallatie staan opgesteld.

Onderdeel e gaat over het plaatsen van brandstof in brandstoftanks, bijvoorbeeld voor gebruik bij een kachel of aggregaat. Net als bij onderdeel d wordt gekeken naar de gezamenlijke opgestelde hoeveelheid. Tussen een cluster tanks en een volgend cluster moet een veilige afstand bestaan. Zie daarvoor artikel 3.27, dat verwijst naar PGS 15.

Elk cluster kan bestaan uit maximaal 1.000 liter dieselolie, gasolie of lichte stookolie. Anders dan bij onderdeel d gaat het hier om de werkelijk aanwezige hoeveelheid brandstof, niet om de maximale inhoud van de tanks. Bij een deels gevulde tank tellen de aanwezige liters, een lege tank telt niet mee. Uiteraard mag bij het vullen van tanks het maximum per cluster niet overschreden worden (exclusief de in een, eventueel voor het vullen tijdelijk aanwezige, tankauto aanwezige hoeveelheid).

Onderdeel f bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Wabo is toegestaan. Hiermee wordt zeker gesteld dat voor dergelijke stoffen uitsluitend de Wet milieubeheer en een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo gelden: dat voorkomt strijdige voorschriften.

Op grond van het vierde lid moet de inhoudsmaat van een aangebroken verpakking volledig worden meegerekend. Indien bijvoorbeeld in een vat nog vier liter zit van de oorspronkelijke tien liter dan moet gerekend worden met tien liter.

Het vijfde lid staat toe dat er in afwijking van het derde lid, onderdeel e, meer dan 1.000 liter van een in dat artikelonderdeel bedoelde oliesoort aanwezig is indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. De reikwijdte van die bevoegdheid is beperkt tot gevallen die buiten de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen. Vaak wordt gekeken naar de kwaliteit van de tanks en de locatie waar zij opgesteld staan. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer in een tijdelijke locatie, die geen inrichting in de zin van de Wet milieubeheer is (bijvoorbeeld een tijdelijk stadion), meer dan 1.000 liter dieselolie aanwezig is ten behoeve van aggregaten die tijdens een evenement worden gebruikt.

Artikel 5.7 Opstelling gebruikshoeveelheid gasflessen

Een gasfles met brandbare stof moet in een goed geventileerde ruimte staan. Omdat sommige gassen zwaarder zijn dan lucht, is niet alleen de grootte, maar ook de positie van de ventilatieopeningen belangrijk.

Het eerste lid benoemt de ventilatie op de buitenlucht, die geldt voor een ruimte waar een gasfles opgesteld staat voor gebruik. Het gaat om de opstelling voor gebruik, dus het kan ook een feestruimte betreffen waarin de gasflessen gebruikt worden voor de catering of in de terrasparasols. Elke ruimte waarin een gasfles gebruikt wordt moet goede ventilatie hebben. De kampeertent is uitgezonderd van deze bepaling, omdat daarbij geen gasdichte scheiding tussen buiten en binnen bestaat.

De opstelling voor gebruik wordt ook wel de huishoudelijke opslag genoemd. Bij een flessengasinstallatie gaat dat om de aangesloten gasflessen en eventueel de gasflessen die op deze plek klaar staan om verwisseld te worden als de aangesloten flessen leeg zijn.

Het tweede lid geeft aan dat de ruimte waarin gasflessen staan die worden gebruikt in vaartuigen of kampeermiddelen, gescheiden moet zijn van de verblijfsruimte. De verblijfsruimte is de ruimte waarin personen verblijven en mogelijk ook slapen; daar kan gas gebruikt worden voor bijvoorbeeld koken of verwarmen. De bepaling dient om te voorkomen dat gas op een andere manier dan via de gasslang of gasleiding de verblijfsruimte in kan komen, bijvoorbeeld bij een gaslekkage.

Het derde lid biedt mogelijkheden om grotere dan in artikel 5.6 bepaalde hoeveelheden gasflessen ter plaatse neer te zetten en te gebruiken. PGS 15 geeft in voorschrift 3.1.3 bepalingen voor de voor het gebruik noodzakelijke werkvoorraad en dagvoorraad.

Artikel 5.8 Brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen

In dit artikel gaat het om de bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen (bijvoorbeeld hout, autobanden en kunststoffen). Dergelijke stoffen vallen sedert 2008 niet meer onder de milieuregelgeving omdat het brandgevaarlijk zijn op zich niet als een direct milieurisico wordt gezien. Het gaat om de opslag van hoeveelheden van niet-milieugevaarlijke stoffen, niet om de stalling van voorwerpen of vervaardigde producten als bijvoorbeeld pleziervaartuigen of voertuigen.

Het eerste lid geeft een functionele eis voor de bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen. De opslag van dergelijke stoffen in een bouwsel of in de open lucht moet zodanig zijn dat bij brand geen onaanvaardbaar risico ontstaat voor percelen die zijn gelegen naast het plaatsperceel waar die opslag plaatsvindt. Dit geldt alleen wanneer de belending een bestaand kampeerterrein, een speeltuin of een opslag van brandgevaarlijke stoffen is en voor gebouwen op het belendend perceel. Het begrip brandgevaarlijke stof is gedefinieerd in artikel 1.1, tweede lid. Het gaat in dit eerste lid dus met name om het voorkomen van brandoverslag naar die aangrenzende percelen.

In het tweede lid is in onderdeel a aangegeven wanneer bij de opslag van hout op een plaats aan het eerste lid is voldaan. Er mag geen sprake zijn van brandoverslag naar het andere perceel gedurende een uur nadat een brand in de opslag is uitgebroken. Wanneer aan deze prestatie-eis is voldaan, is daarmee ook voldaan aan de in het eerste lid gegeven functionele eis. Degene die voor de opslag verantwoordelijk is, zal zo nodig ten genoegen van het bevoegd gezag aannemelijk moeten maken dat de opslag aan de in het voorschrift gestelde eisen voldoet. Zie ook de «Bepalingsmethode warmtestralingsbelasting opslag van hout» van het voormalige Ministerie van VROM (mei 2004) (te downloaden via www.rijksoverheid.nl) en het daarbij behorende computermodel (te downloaden via www.infomil.nl).

De eis van onderdeel b (bereikbaarheid) is opgenomen omdat de brandweer de opslag moeten kunnen benaderen, en de eis van onderdeel c om te waarborgen dat er een bluswatervoorziening met voldoende toevoercapaciteit is.

In het derde lid is bepaald hoe de stralingsbelasting van de opslag moet worden gemeten. Wanneer op het aangrenzend perceel een kampeerterrein, een speeltuin of een opslag van brandgevaarlijke stoffen is gevestigd, moet op de plaatsperceelsgrens worden gemeten, omdat het risico vanaf die grens aanwezig is. Wanneer op het aangrenzende perceel een gebouw is gelegen, mag op geen enkel punt van de uitwendige scheidingsconstructie de in het tweede lid bedoelde stralingsbelasting worden overschreden. Dit moet gemeten worden op een naar de opslag gericht punt op de naar de plaatsperceelsgrens toegekeerde muur.

Artikel 5.9 Opslag in stookruimte

Vanwege het risico op brand geeft dit artikel aan dat de maximaal toegelaten nominale belasting van een of meer verbrandingstoestellen in een besloten ruimte 160 kW is indien in die ruimte brandbare goederen worden opgeslagen of opgesteld. In dit verband wordt verwezen naar artikel 3.22, tweede lid, waarin wordt bepaald dat een technische ruimte waarin een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW worden opgesteld in een brandcompartiment ligt. In artikel 3.23wordt in het vierde lid aangegeven dat zo’n ruimte een afzonderlijk brandcompartiment is.

Artikel 5.10 Veilig gebruik verbrandingstoestel

In dit artikel staan de voorwaarden waaraan bij het gebruik van een verbrandingstoestel moet zijn voldaan.

Onderdeel a van het eerste lid bepaalt dat tijdens het gebruik van een verbrandingstoestel de openingen in de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht of de afvoer van rookgas niet afgesloten mogen zijn. Hiermee worden een brandgevaarlijke situatie en koolmonoxidevergiftiging als gevolg van een slechte toevoer van verbrandingslucht of onvoldoende afvoer van rookgassen voorkomen.

Onderdeel b bepaalt dat een verbrandingstoestel niet mag worden gebruikt als de capaciteit van de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht of de voorziening voor de afvoer van rookgas onvoldoende is om het toestel goed te kunnen laten functioneren. Ook de capaciteit van eventueel aangebrachte aansluitingen tussen deze voorzieningen en het verbrandingstoestel moet voldoende zijn.

Onderdeel c bepaalt dat de opstelling met inbegrip van de aansluitleiding tussen het toestel en de voorziening voor de afvoer van rookgas brandveilig moet zijn. In het tweede lid van dit artikel staat wanneer daar in ieder geval aan is voldaan.

Onderdeel d eist dat een schoorsteen of afvoerkanaal doeltreffend moet zijn gereinigd. Wat doeltreffend is en hoe vaak gereinigd moet worden, wordt aan de markt overgelaten. Bij stooktoestellen die in een verhuursituatie tijdelijk op een plaats worden ingezet, dient in principe de verhuurder te zorgen voor doeltreffende reiniging.

Onderdeel e regelt dat het verbrandingstoestel met een rookgasafvoeropening met aansluitmogelijkheid op een schoorsteen, op een correcte wijze op het schoorsteenkanaal moet zijn aangesloten. Een ondeugdelijke aansluiting zou onder meer kunnen leiden tot lekkage van rookgas of brandgevaar.

Naast de specifieke in dit artikel opgenomen voorschriften geldt uiteraard artikel 4.27 (zorgplicht) waarvan het eerste lid, onder c, bepaalt dat gebruik zodanig moet zijn dat er geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

In het tweede lid is bepaald dat er in ieder geval sprake is van een brandveilige opstelling wanneer voldaan is aan NEN 3028. Deze norm geeft eisen, te stellen aan het ontwerpen, aanleggen en opstellen van zowel gebouwgebonden als industriële verbrandingsinstallaties, die worden gestookt met vaste, vloeibare of gasvormige brandstoffen, uit de tweede en derde familie volgens NEN-EN 437. Deze norm is ook van toepassing voor tijdelijke noodvoorzieningen. Tevens worden in de norm eisen gegeven voor het beheer, het periodiek onderhouden en het inspecteren van de verbrandingsinstallaties.

Artikel 5.11 Veilig gebruik installaties

Dit artikel stelt enige eisen aan het veilig gebruik van installaties. De eisen aan de installatie zelf staan in hoofdstuk 4.

Het eerste lid geeft aan dat uitsluitend een deskundig persoon reparaties of veranderingen mag aanbrengen aan toestellen of installaties. Wie deskundig is en welke erkenning daarvoor nodig is, wordt aan de markt overgelaten.

Het tweede lid geeft aanwijzingen voor het vullen en bewaren. Gasflessen en gastanks mogen tot 80% gevuld worden. Hoe dit bepaald wordt, wordt aan de markt overgelaten. Dit kan bijvoorbeeld geschieden aan de hand van de druk of aan de hand van het gewicht van de tank. Ook geeft het lid aan dat de afsluiter of gaskraan op een lege fles weer dichtgedraaid moet worden. Een of meer flessen in opslag hebben dus altijd een gesloten afsluiter.

Het derde lid benoemt de eis dat bij een verbruikstoestel van een installatie de specificatie voor gebruik en onderhoud aanwezig moeten zijn. In de praktijk betekent dat dat een goede gebruiksaanwijzing met instructies aanwezig is.

Het vierde lid bepaalt uitdrukkelijk dat die specificaties moeten worden nageleefd.

Het vijfde lid eist dat een voorziening voor elektriciteit niet op een brandgevaarlijke wijze wordt gebruikt. In artikel 4.7 is de kwaliteit van de voorziening zelf benoemd. In dit artikel gaat het over het brandveilig gebruik.

In het zesde lid gaat het om elektriciteits-, gas- en warmtevoorzieningen, waarbij uitgangspunt is dat vuur niet de rookafvoer bereikt. Indien dat wel het geval is geweest, moet de rookafvoer gereinigd en hersteld worden. Als warmtevoorziening wordt hier niet het open vuur (bijvoorbeeld de open haard) gezien of de door een houtvuur gestookte kachel.

Het zevende lid bepaalt dat bij bakactiviteiten altijd passende brandblusvoorzieningen aanwezig moeten zijn. Het deksel dat de pan/bak goed afsluit of de blusdeken, die beide de zuurstoftoevoer wegnemen, zijn daarvoor geschikt. Er moeten genoeg deksels of dekens zijn dat elke pan/bak kan worden afgedekt.

Artikel 5.12 Stalling voertuigen of pleziervaartuigen

In dit artikel staan de voorwaarden voor de stalling van voertuigen of pleziervaartuigen beschreven. Het gaat daarbij om de stalling buiten een bouwwerk of een erf dat direct bij een bouwwerk hoort (want het bouwwerk en een erf bij een bouwwerk zijn in het Bouwbesluit 2012 beschreven). Het kan gaan om kortdurende stalling, maar zal vaak ook langduriger stalling betreffen. Een vaak voorkomend voorbeeld is de stalling van pleziervaartuigen op de kant gedurende het winterseizoen.

Bij deze stalling worden voertuigen of pleziervaartuigen vaak dicht op of boven elkaar geplaatst. Tevens kan er langere tijd minder toezicht zijn. Daarom zijn aanvullende voorwaarden gesteld naast de vrijstelling van artikel 5.6, derde lid (vrijstelling voor de brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor).

Onderdeel a bepaalt dat bij stalling gasflessen en losse brandstoftanks uit het voertuig of pleziervaartuig moeten worden verwijderd. Daardoor leveren de voer- of pleziervaartuigen in opslag minder gevaar voor branddoorslag of brandoverslag. Indien de gasflessen en brandstoftanks elders op de stallingslocatie bewaard worden, gelden daarvoor de regels voor de opslag van die (gevaarlijke) stoffen en bij grotere hoeveelheden de milieuwetgeving.

Vaste brandstoftanks kunnen uiteraard in het voertuig of pleziervaartuig blijven zitten. Het risico dat die veroorzaken, wordt ingecalculeerd bij de plaatsing in de stalling.

Er wordt in dit artikel geen onderscheid gemaakt tussen de vloeistoffen in de brandstoftanks, zoals benzine en diesel, hoewel de gevaarzetting daarvan kan verschillen. Bij een voertuig of pleziervaartuig met vaste brandstoftank kan de beheerder van een stalling eigen voorwaarden stellen ten aanzien van de aanwezigheid van brandstof in een voertuig of pleziervaartuig met vaste brandstoftank en ten aanzien van de plek in de stalling.

Omdat verwarming zonder toezicht als een potentieel risico voor de brandveiligheid wordt gezien, bepaalt onderdeel b dat de verwarming van het voertuig of pleziervaartuig in opslag niet zonder toezicht gebruikt mag worden.

Onderdeel c stelt dat als de beheerder van een stalling aanwijzingen heeft gegeven over welke brandgevaarlijke werkzaamheden aan, op of in het voer- of vaartuig op welke plek mogen geschieden, deze aanwijzingen moeten worden opgevolgd.

§ 5.2 Veilig gebruik van bakkramen en bakwagens
Artikel 5.13 Aansturingsartikel

Koken, bakken, braden en frituren zijn activiteiten waarbij sprake is van warmteontwikkeling en eventuele plotselinge vuur- of rookontwikkeling. Dit artikel gaat niet over de opstelling van de kook- of bakapparatuur zelf, maar het bepaalt in het eerste lid dat de opstelling van een voorziening waarin gekookt of gebakken wordt, veilig moet zijn. Daarbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld bakkramen en bakwagens (waarbij met de term bakwagen in deze context niet een specifiek soort vrachtauto wordt bedoeld). Het tweede lid geeft aan dat door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 5.14 Bakkramen en bakwagens

Bij de beoordeling van de veiligheidsafstanden bij het plaatsen van bakkramen en bakwagens, spelen enige variabelen, met als relevante vragen:

  • de activiteit: wordt gekookt, gebakken, gebraad of gefrituurd?

  • het gebruikte toestel: een bakplaat, een oven, een fornuis, een frituurpan?

  • de gebruikte energiebron: gas of elektriciteit of wellicht hout?

  • het gebouw waar de bakkraam of bakwagen wellicht bij komt te staan: is het gebouw voorzien van een sprinklerinstallatie, heeft het een dichte hoge muur met 60 minuten wbdbo of een muur met 30 minuten wbdbo of geen wbdbo-waarde?

  • de andere (bak)kramen en (bak)wagens die worden geplaatst (omdat er bijvoorbeeld sprake is van een markt, een braderie of festival)?

Koken, bakken of braden geschiedt op basis van een kookplaat, een oven of een fornuis. Frituren is het bereiden door middel van het onderdompelen in hete olie of gesmolten vet. Uitgangspunt in het eerste lid van dit artikel is dat een bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie met het oog op brandgevaar minimaal 2 meter van een gebouw wordt geplaatst. Die waarde is 5 meter indien wordt gefrituurd.

Uitzonderingen zijn mogelijk, onder de voorwaarden die zijn opgenomen in het tweede lid: Het gebruik van «of» betekent dat indien aan één van de onderdelen wordt voldaan, het opstellen en gebruiken van een bakkraam of bakwagen binnen de grens van 2 meter respectievelijk 5 meter is toegestaan. Onderdeel a geeft aan dat indien het aangestraalde vlak van het bouwsel of de nabijgelegen gevel van de bebouwing ten minste 60 minuten brandwerend is uitgevoerd, de veiligheidsafstand van het eerste lid niet nodig is.

Onderdeel b waardeert een in de kraam of wagen aanwezige automatische brandblusinstallatie. Omdat die de brand meteen zal blussen, is ook dan de veiligheidsafstand van het eerste lid niet meer nodig.

Het derde lid en het vierde lid kijken naar de afstand tot andere bouwsels, bijvoorbeeld andere kramen of wagens. Als er sprake is van een zeker risico door hetzij gebruik van gas hetzij de activiteit frituren, moet een afstand van minimaal 2 meter tot het volgende bouwsel worden aangehouden.

Niet altijd is duidelijk hoe gemeten moet worden. Het vijfde lid bepaalt dat als afstand telt de buitenzijde van het hoofddeel van het bouwsel, in dit geval de buitenzijde van de bakkraam of bakwagen, tot de buitenzijde van het volgende bouwsel. Openstaande kleppen of bijvoorbeeld gemonteerde vlaggen tellen bij het bepalen van de afstand niet mee.

§ 5.3 Veilig vluchten bij brand
Algemeen

De voorschriften in deze paragraaf zijn gericht op het bij brand voldoende snel en veilig kunnen vluchten.

Artikel 5.15 Aansturingsartikel

In de functionele eis van artikel 5.16, eerste lid, is aangegeven dat het gebruik van een plaats niet zodanig mag zijn dat daardoor het veilig kunnen vluchten bij brand wordt verhinderd.

De bepaling van het tweede lid wijst de voorschriften in deze paragraaf aan. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan deze functionele eisen voldaan.

Het derde lid bepaalt voor een bijeenkomsttent dat toepassing van norm NEN 8020-41 invulling geeft aan de functionele eis van het eerste lid van dit artikel.

Artikel 5.16 Doorgangen in vluchtroutes

In het eerste lid is als basisprincipe opgenomen dat als er mensen op een plaats aanwezig zijn, deuren of andere belemmerende onderdelen die bij het vluchten een rol spelen, gesloten mogen zijn, mits ze zonder sleutel te gebruiken onmiddellijk geopend kunnen worden om de plaats via de doorgang te verlaten. Onder sleutel wordt hier niet alleen een bij een slot behorende sleutel bedoeld, maar ieder hulpmiddel (een los voorwerp, een code of een scan) dat nodig is om de doorgang bij brand over de ten minste vereiste breedte te openen. Een zogenoemde knopcilinder is dus toegestaan. Ook een deur met een grendel voldoet aan het voorschrift, mits deze grendel op een makkelijk te bereiken plaats zit (dus niet bijvoorbeeld helemaal boven of onder aan de deur) en eenvoudig te schuiven is. Alleen dan wordt aan het criterium onmiddellijk te openen voldaan.

Er mogen geen andere belemmeringen zijn bij de doorgang; zo mogen in of bij de doorgang geen goederen staan die het (onmiddellijk) openen van bijvoorbeeld deur of hek (over de ten minste vereiste breedte) belemmeren.

Er kunnen redenen zijn om een doorgang in een vluchtroute zodanig af te sluiten, dat een sleutel nodig is om doorgang te gebruiken. Het tweede lid biedt hiervoor mogelijkheden, onder de voorwaarde dat dan door andere maatregelen (genoemd worden inrichting, gebruik en organisatie) gewaarborgd is dat het vereiste niveau van artikel 5.15 bereikt wordt.

Voorbeeld: een nooduitgang van een evenement die makkelijk open te trekken is, wordt afgesloten omdat mensen van buitenaf naar binnen willen dringen. Door er permanent een persoon bij te plaatsen die de nooduitgang onmiddellijk los of open kan gooien als dat nodig is, is het vereiste brandveiligheidsniveau gewaarborgd.

Op grond van het derde en vierde lid is het eerste lid niet van toepassing voor een niet-gemeenschappelijke vluchtroute en een vluchtroute in een logiesfunctie. Dit betekent dat het voorschrift niet van toepassing is op bijvoorbeeld de buitendeur en binnendeuren van een tijdelijk vakantieverblijf, slaapcabines et cetera. Dit is een praktische toepassing van het tweede lid: de persoon binnen bepaalt het afsluiten van de deur voor de buitenwereld en het open gaan van de deur bij het vluchten.

Artikel 5.17 Opstelling zitplaatsen en verdere inrichting

De mogelijkheden om bij brand voldoende snel en veilig uit een ruimte te kunnen vluchten, worden in grote mate bepaald door de doorstroomcapaciteit voor personen. De doorstroomcapaciteit wordt behalve door bouwkundige eigenschappen ook bepaald door de aanwezigheid en de specifieke opstelling van inventaris, zoals stoelen, tafels, kasten en plantenbakken. Dit artikel bevat voorschriften over de wijze van de opstelling van inventaris in relatie tot de bezetting (het aantal personen) in ruimten of gebieden waarin veel mensen tegelijk bijeenkomen.

Het begrip vrije ruimte, dat wordt gebruikt in het derde, vierde en zesde lid, is overgenomen uit het Bouwbesluit 2012 voor een conforme uitleg van dit onderwerp; met vrije ruimte wordt daar niet verwezen naar de term ruimte als in dit besluit geformuleerd in artikel 1.1, eerste lid.

In het eerste lid is de hoofdregel opgenomen. Die geldt ongeacht de afmetingen en de bezetting van de besloten ruimte. Uit de samenhang met de andere leden van dit artikel blijkt dat het voorschrift vooral effect zal hebben op grotere besloten ruimten en besloten ruimten met een hogere bezetting. De hoofdregel geeft aan hoeveel vloeroppervlakte ten minste per persoon (al dan niet met zitplaats) beschikbaar moet zijn en waaraan de inrichting van deze besloten ruimte moet voldoen.

De beschikbare vloeroppervlakte is de vloeroppervlakte van een besloten ruimte na aftrek van de oppervlakte van inrichtingselementen en inventaris die de bewegingsvrijheid van personen en daarmee de vluchtsnelheid kunnen hinderen. Er is overigens niet gekozen voor het begrip vrije vloeroppervlakte zoals gedefinieerd in NEN 2580, omdat daarmee voorbij zou worden gegaan aan de aanwezigheid van losse inrichtingselementen zoals inventaris. Twee rekenvoorbeelden om dit te verduidelijken.

Rekenvoorbeeld 1: De vloeroppervlakte van een besloten ruimte is 70 m2. In deze besloten ruimte zijn 60 stoelen opgesteld met een oppervlakte van 0,22 m2 per stoel (totaal 60 x 0,22 m2 = 13,2 m2) en losse podiumelementen met een totale oppervlakte van 15 m2. In de besloten ruimte zijn geen staanplaatsen. De beschikbare vloeroppervlakte van deze besloten ruimte bedraagt dus 70 m2 – (13,2 m2 + 15 m2) = 41,8 m2. Dit komt neer op een beschikbare vloeroppervlakte per persoon van 41,8 m2: 60 = 0,69 m2. Dus als zich niet meer dan 60 personen in een besloten ruimte bevinden, behoeven de zitplaatsen niet aan elkaar of aan de vloer te zijn bevestigd.

Rekenvoorbeeld 2: Als in dezelfde besloten ruimte als hiervoor 90 zitplaatsen worden gerealiseerd (totaal 90 x 0,22 m2 = 19,8 m2) dan bedraagt de beschikbare vloeroppervlakte van deze besloten ruimte 70 m2 – (19,8 m2 + 15 m2) = 35,2 m2. Dit komt neer op een beschikbare vloeroppervlakte per persoon van 0,39 m2. Dat is dus toegestaan, mits er een voorziening voor de stoelen is getroffen.

In het tweede lid is een nader voorschrift gegeven voor plaatsen met meer dan 100 zitplaatsen. Hier is het begrip plaats gekozen, zodat ook in de openlucht de bepaling van kracht is. Als voorbeeld kan een stadsplein gelden waar veel stoelen worden geplaatst voor een voorstelling. Indien zitplaatsen in clusters van vijf of meer rijen van vijf of meer stoelen zijn opgesteld en het aantal zitplaatsen in de ruimte 100 of meer is, moeten de zitplaatsen zodanig gekoppeld of aan de vloer bevestigd zijn, dat zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen. Informatie over de koppeling van zitplaatsen is te vinden in NEN-EN 14703.

Het derde lid bepaalt dat er een voldoende ruim looppad aanwezig is voor het vluchten. De vrije ruimte wordt gemeten tussen de loodlijnen op de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Bij zelf opklappende stoelen, zoals bijvoorbeeld in een theatertent of tijdelijke bioscoop, wordt gerekend met de vrije ruimte in opgeklapte toestand.

Het vierde lid ziet op de situatie dat tussen de rijen stoelen een of meer tafels geplaatst zijn. In dat geval moet er, om veilig te kunnen vluchten, ter hoogte van de tafels nog steeds een vrije ruimte aanwezig zijn van ten minste 0,4 meter.

Het vijfde lid beoogt door een maximale rij van 8 zitplaatsen voor te schrijven, te waarborgen dat er een voldoende uitstroomcapaciteit van een doodlopende rij stoelen is. Wanneer zo’n doodlopende rij te lang wordt, bestaat namelijk het risico dat er niet snel genoeg gevlucht kan worden en er daardoor paniek ontstaat.

Als er aan beide kanten van de rij een gangpad of een uitgang is, mag ervan worden uitgegaan dat naar twee kanten kan worden gevlucht. Het zesde lid bepaalt voor drie situaties de voorwaarden.

Artikel 5.18 Gangpaden

Dit artikel waarborgt dat een plaats waar stands, kramen, schappen, podia en daarmee vergelijkbare inrichtingselementen aanwezig zijn, voldoende door- en uitstroomcapaciteit van gangpaden en uitgangen heeft om veilig te kunnen vluchten.

Het eerste lid schrijft voor dat dat gangpaden waarlangs de stands en dergelijke staan opgesteld, ten minste 1,1 meter breed zijn. Deze waarde is dezelfde als in het Bouwbesluit 2012.

In het tweede lid is bepaald dat er voor de uitgangen een vloeroppervlakte die ten minste even lang en breed is als de breedte van die uitgang, wordt vrijgehouden van inrichtingselementen. Daardoor blijft het goed mogelijk de uitgang te bereiken en te gebruiken over de vereiste breedte.

Artikel 5.19 Beperking van gevaar voor letsel

Het mag niet zo zijn dat onder het plafond aangebrachte aankleding bij brand naar beneden valt of druppelt, met het risico van letsel voor in de ruimte aanwezige of vluchtende personen of van blokkering van een vluchtroute. Om dit te voorkomen, worden in dit artikel eisen gesteld aan het (val)gedrag van dergelijke aankleding. In artikel 5.4 worden eisen gesteld aan het brand- en rookgedrag van de aankleding. De aankleding in een verblijfsruimte zal dus zowel aan dit artikel als aan artikel 5.4 moeten voldoen.

Het gaat in het eerste lid om tegen of onder een plafond aangebracht glas dat snijwonden kan veroorzaken als het valt en breekt (bijvoorbeeld spiegels; glas in een verlaagd plafond). Dergelijk glas moet veiligheidsglas zijn of voorzien van ingegoten kruiswapening met zeer geringe maaswijdte (maximaal 16mm). De gebruikte maat is ontleend aan het Bouwbesluit 2012.

In het tweede lid gaat het om textiel, folie en papier in een horizontale toepassing, waarin mensen verstrikt kunnen raken als er delen naar beneden zouden vallen. Daarbij is een onderspanning van metaaldraad nodig die aan de maatvoering in het tweede lid voldoet.

In het derde lid is bepaald dat de aankleding in een besloten ruimte bij brand geen druppelvorming mag geven boven een gedeelte van een vloer bestemd voor gebruik door personen. Het voorschrift is dus niet van toepassing op gedeelten die weliswaar toegankelijk kunnen zijn voor personen, maar waar zich geen mensen behoren te bevinden.

Het vierde lid biedt een uitzondering op het tweede en derde lid. Indien het materiaal dat wordt gebruikt voor een plafond of afscheiding of voor de ophanging daarvan voldoet aan de genoemde klassen, hoeft het niet te worden onderspannen, omdat dan ten minste is voldaan aan de eisen wat betreft brandgedrag en druppelvorming. Deze bepaling is ook op tentdoek en andere tent-gerelateerde producten van toepassing. Velum in een tent hoeft dus niet onderspannen te worden als het voldoet aan de bepalingen van het vierde lid.

Toelichting op de in dit lid genoemde norm: in het buitenland worden ook andere normen gebruikt. Gelijkwaardig aan de genoemde klasse B van NEN-EN 13501-1 zijn:

  • a. klasse 2 van NEN 6065 (Nederlandse norm);

  • b. klasse B1 van DIN 4102 (Duitse norm);

  • c. klasse M2 volgens NF P 92-503 tot en met NF P 92-505 en NF P 92-507 (Franse norm).

De relatie die tussen de normen wordt gelegd, is dat dit een minimumniveau is dat behaald moet worden.

Artikel 5.20 Voorkomen van hinder bij vluchten

Dit artikel regelt dat vluchtende personen niet over eventueel aanwezige kabels, slangen en leidingen kunnen struikelen of erin verstrikt raken.

Hoofdstuk 6 Overige bepalingen

Artikel 6.1 Belemmeringen en hinder

Deze verbodsbepaling («kapstokartikel») heeft betrekking op brandveilig gebruik waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit besluit. Hiermee heeft het bevoegd gezag een mogelijkheid om in een specifiek geval in te grijpen, óók indien het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit besluit. Het gaat hier om een geclausuleerde bevoegdheid die uitsluitend kan worden toegepast in de in dit artikel genoemde omstandigheden.

Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat het bevoegd gezag in algemene zin aanvullende of nadere eisen stelt. Het moet gaan om concrete situaties, en de geëiste maatregelen moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. Het bevoegd gezag zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen. Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit artikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • een vuurspuw-act wordt opgevoerd zonder passende maatregelen te treffen (onderdeel a);

  • een vluchtroute bevat obstakels die snel vluchten bij brand onmogelijk maken (onderdeel b);

  • er zijn obstakels voor hand- of automatische brandmelders, waardoor deze bij brand niet of niet snel genoeg functioneren (onderdeel c);

  • een vluchtgang of vluchtroute is niet voldoende vrij, bijvoorbeeld omdat daar containers of kisten staan (onderdeel d);

  • deuren blijken afgesloten terwijl zij open moeten kunnen (onderdeel e).

Artikel 6.2 Melden van brand en broei

De model-brandbeveiligingsverordening van de VNG kent een bepaling over het melden van brand en broei. De strekking van die bepaling is overgenomen. Met natuurgebied wordt gedoeld op gebieden waar geen toezicht is, zodat de medewerking van burgers gewenst is. Om te voorkomen dat nodeloos vaak 1-1-2-wordt gebeld, stopt de verplichting indien bekend is dat er al een melding is gedaan.

Artikel 6.3 Natuurbranden

Het bevoegd gezag kan in perioden van extreme droogte voorschriften geven om natuurbrand te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken. De gebruiker van een natuurgebied moet die voorschriften opvolgen. Die gebruiker zal meestal een recreërende bezoeker zijn, maar het kan ook iemand zijn die werkzaamheden in het natuurgebied verricht.

Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 7.1 Overgangsbepaling

Als bij inwerkingtreding van dit besluit voor een activiteit al een vergunning is verleend, hoeft er geen melding meer te worden gedaan (eerste lid); dat zou een onnodige administratieve handeling zijn, omdat alle relevante gegevens al bekend zijn bij het bevoegd gezag. Een verleende vergunning kan in stand blijven, ook al is er daarvoor geen grond meer. Duidelijk is dat de activiteit is toegestaan. Het intrekken van de vergunning zou eveneens een onnodige administratieve handeling zijn.

Ook eventueel aan een vergunning verbonden voorwaarden kunnen blijven bestaan, tenzij die voorwaarden niet gesteld zouden zijn als dit besluit al van kracht was geweest op het moment dat de vergunning werd verleend. Dat kan het geval zijn als de activiteit waarvoor de vergunning was verleend, niet onder de meldplicht van dit besluit valt, of als de activiteit waarvoor de vergunning was verleend, wél onder de meldplicht van dit besluit valt, maar die melding geen aanleiding zou zijn geweest voor het stellen van die voorwaarden, bijvoorbeeld omdat zij te zwaar zijn (tweede lid).

Indien een eerder gedane aanvraag voor een gebruiksvergunning op grond van het derde lid beschouwd wordt als een melding, is artikel 2.4, derde lid, onverminderd van toepassing. Er zouden dus nadere voorwaarden kunnen worden opgelegd.

Een bezwaar of beroep tegen een verleende vergunning voor gebruik waarvoor op grond van dit besluit een melding volstaat, zal betrekking hebben op een of meer gestelde voorwaarden; voor het overige is er immers niet langer een procesbelang. Het vierde lid expliciteert dit, met als restrictie dat de bij de vergunningverlening opgelegde voorwaarden ook op basis van artikel 2.4, derde lid, opgelegd hadden moeten kunnen worden. Zou dat niet het geval zijn, dan is ook op dit punt het procesbelang afwezig.

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok


X Noot
1

«Zelfredzaamheid omvat de vermogens en handelingen van burgers om incidenten, en de nasleep ervan, zelfstandig dan wel met behulp van anderen zoveel mogelijk te voorkomen en/of te beheersen.». Kennispublicatie Zelfredzaamheid en crisissituatie (IFV, november 2012).

X Noot
2

Stb. 2016, 156.

X Noot
3

Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 april 2014, Kamerstukken II 2013/14, 25 883, nr. 238

X Noot
4

Zie bijlage bij de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie EL&I) aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 27 september 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 26 419, nr. 53). Het Sira-rapport is opgesteld naar aanleiding van de brief met notitie die Gastvrij Nederland op 15 juli 2011 heeft gestuurd naar de Tweede Kamer. Deze brief is besproken in het Algemeen Overleg tussen de Tweede Kamer en de Staatssecretaris van EL&I (Kamerstukken II 2011/12, 26 419, nr. 48, d.d. 25 november 2011).

X Noot
5

Zie Hoge Raad d.d. 22-06-2012 (Knooble) ECLI:NL:HR:2012:BW0393).

X Noot
6

Zie artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van strafrecht. Ingevolge het negende lid worden die bedragen elke twee jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij algemene maatregel van bestuur aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex. Per 1 januari 2018 zal dit bedrag dus weer gewijzigd worden vastgesteld.

X Noot
7

Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 22 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI1824).

X Noot
8

Zie de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, d.d. 12 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX7117), waarin de Afdeling stelt dat noch uit de Wabo, noch uit noch de geschiedenis van de totstandkoming daarvan kan worden afgeleid dat met het begrip bouwwerk is bedoeld wijziging aan te brengen in de aan dit begrip in de jurisprudentie onder de werking van de Woningwet gegeven betekenis. De Afdeling ziet daarin aanleiding om voor de uitleg van het begrip bouwwerk in de Wabo eveneens aansluiting te zoeken bij de hiervoor weergegeven definitie uit de modelverordening.

X Noot
9

Zie Rechtbank Breda, d.d. 16 maart 2011 (ECLI:NL:RBBRE:2011:BP8572): Er is geen enkele aanwijzing dat de objecten langer dan een periode van zeven weken voor de verkiezingen en één week na de verkiezingen op de in geding zijnde locaties aanwezig zullen zijn, dan wel dat de kortstondige aanwezigheid van de objecten een blijvende planologische inbreuk op het desbetreffende gebied teweegbrengt.

X Noot
10

Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, d.d. 7 juni 2011 (ECLI:NL:RVS:2001:AP5086).

X Noot
11

Stb. 2007, 415, p. 161.

X Noot
12

Stb. 2015, 337, p. 143.

X Noot
13

Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 22 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI1824).

X Noot
14

Met dit onderdeel is gevolg gegeven aan de toezegging in dit besluit specifieke bepalingen op te nemen omtrent met name de ontruiming van personen in geval van brand. Brief van 8 april 2014 (Kamerstukken II, 2013/14, nrs. 25 325 en 25 883, nr. 238).

X Noot
15

Bron: PGS15 grenzen voor opslag t/m 2.500 liter.

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl