Besluit van 15 september 2017, houdende een wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met betrekking tot het aanpassen van de aftrek van vermogensbestanddelen voor het bepalen van het vermogen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 juli 2017, kenmerk 1157443-165619-WJZ;

Gelet op artikel 3.2.5, tweede lid, van de Wet langdurige zorg en artikel 2.1.4, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 augustus 2017, No.W13.17.0185/III)

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 september 2017, kenmerk 1157404-165619-WJZ);

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit langdurige zorg wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, wordt, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 4°. een bedrag van 12% van zijn vermogen als bedoeld in artikel 3.3.1.2 over het peiljaar, tot een maximum van € 2.700, voor de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt indien zijn inkomen, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt en een bedrag van 12% van dat vermogen, tot een maximum van € 2.700, over het peiljaar voor zijn echtgenoot die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt indien het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt;.

B

Na artikel 3.3.2.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.3.2.4a

  • 1. In afwijking van artikel 3.3.2.4, eerste lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 3.3.2.2, eerste en tweede lid, uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, verminderd met:

    • a. een bedrag van 12% van het vermogen over het peiljaar van de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, tot een maximum van € 2.700, indien zijn inkomen, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt, en

    • b. een bedrag van 12% van het vermogen over het peiljaar van zijn echtgenoot die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, tot een maximum van € 2.700, indien zijn inkomen, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt.

  • 2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde verzekerden.

  • 3. Het op grond van het eerste en tweede lid berekende bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, wordt verminderd met € 6.030 indien een verzekerde een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt.

C

Artikel 3.3.1.7, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in artikel 3.3.1.2, eerste lid, onderdeel b, 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, en 3.3.2.4a, eerste lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van het indexcijfer waarmee het bedrag, genoemd in artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, jaarlijks wordt gewijzigd.

ARTIKEL II

Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3.7, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel b, 3.9, eerste lid, 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, en 3.14a, eerste lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van het indexcijfer waarmee het bedrag, genoemd in artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, jaarlijks wordt gewijzigd.

B

Na artikel 3.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.9a

  • 1. In afwijking van artikel 3.9, eerste lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, verminderd met:

    • a. een bedrag van 12% van het vermogen over het peiljaar van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, tot een maximum van € 2.700, indien zijn inkomen, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt, en

    • b. een bedrag van 12% van het vermogen over het peiljaar van zijn echtgenoot die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, tot een maximum van € 2.700, indien zijn inkomen, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt.

  • 2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.

C

Aan artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, wordt, onder vervanging van een punt aan het slot van onderdeel b, door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 4°. een bedrag van 12% van zijn vermogen, bedoeld in artikel 3.2, over het peiljaar, tot een maximum van € 2.700, voor de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt indien zijn inkomen, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt en een bedrag van 12% van het vermogen, tot een maximum van € 2.700, over het peiljaar voor zijn echtgenoot die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt indien het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van het vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt;.

D

Na artikel 3.14 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.14a

  • 1. In afwijking van artikel 3.14, eerste lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.12, eerste en tweede lid, uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, verminderd met:

    • a. een bedrag van 12% van zijn vermogen over het peiljaar van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, tot een maximum van € 2.700, indien zijn inkomen, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt, en

    • b. een bedrag van 12% van het vermogen over het peiljaar van zijn echtgenoot die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, tot een maximum van € 2.700, indien zijn inkomen, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt.

  • 2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.

ARTIKEL III

De artikelen 3.3.1.7, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg of 3.7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, voor zover die betrekking hebben op de bedragen genoemd in de artikelen 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, en 3.3.2.4a, eerste lid, van het Besluit langdurige zorg en 3.9, eerste lid, 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, en 3.14a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, blijven buiten toepassing voor het jaar 2018.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 15 september 2017

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn

Uitgegeven de negenentwintigste september 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Dit besluit wijzigt het Besluit langdurige zorg (hierna: Blz) en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (hierna: Uitvoeringsbesluit). Het heeft tot doel het aanpassen van de aftrek van vermogensbestanddelen voor het bepalen van het relevante vermogen bij de berekening van het bijdrageplichtig inkomen voor de eigen bijdragen in de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo 2015). Aanleiding van deze aanpassing in de berekening van de eigen bijdragen is het vervallen van de fiscale ouderentoeslag per 1 januari 2016, waarbij het ging om een verhoging van het heffingvrije vermogen voor de inkomstenbelasting voor mensen die de pensioengerechtigde leeftijd op grond van de Algemene ouderdomswet (hierna: AOW) hebben bereikt. De compensatie die met dit besluit wordt ingevoerd heeft daarom betrekking op mensen met Wlz-zorg, maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo 2015 of beschermd wonen, voor zover het gaat om mensen die de leeftijd hebben bereikt. In de navolgende hoofdstukken wordt de extra aftrek in het voor de eigen bijdragen relevante vermogen nader toegelicht.

2. Afschaffing ouderentoeslag in de Wet inkomstenbelasting 2001

2.1 Aanleiding en achtergrond

In het Belastingplan 2015 is bepaald dat de zogenaamde ouderentoeslag wordt afgeschaft (artikel 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001). Deze maatregel wordt genomen als dekking voor het niet doorgaan van de huishoudentoeslag in 2016 en opvolgende jaren.1 De ouderentoeslag hield in dat een pensioengerechtigde belastingplichtige met een bepaald inkomen in box 1 en een bepaalde grondslag sparen en beleggen (grondslag voor box 3) op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 recht had op een verhoging van het heffingvrije vermogen in box 3. Doordat deze toeslag met ingang van 2016 is afgeschaft, zijn deze pensioengerechtigde belastingplichtigen voor wat betreft het heffingvrije vermogen in box 3 in dezelfde positie gebracht als overige belastingplichtigen.

De afschaffing van de ouderentoeslag in de Wet inkomstenbelasting 2001 zou zonder aanvullende maatregelen doorwerken in de hoogte van het bijdrageplichtig inkomen waarop de eigen bijdragen voor de Wlz en de Wmo 2015 zijn gebaseerd. Hierin wordt ook de grondslag sparen en beleggen meegenomen. Een deel van de verzekerden die de AOW-leeftijd hebben bereikt zouden daardoor te maken kunnen krijgen met hogere eigen bijdragen voor de langdurige zorg of maatwerkvoorzieningen onder de Wmo 2015. Een dergelijke doorwerking van de afschaffing van de ouderentoeslag in de bijdrageberekening van de Wlz en de Wmo 2015 is ongewenst. Daarom zullen bij de berekening van het bijdrageplichtig inkomen correcties worden aangebracht die ertoe leiden dat de nadelige gevolgen voor pensioengerechtigden ten gevolge van het vervallen van de ouderentoeslag worden gecompenseerd.

De ouderentoeslag is per 1 januari 2016 afgeschaft. Doordat het CAK met inkomensgegevens van twee jaar geleden (peiljaar: t-2) werkt, zouden de meeste mensen echter pas vanaf 2018 te maken krijgen met de doorwerking van de fiscale maatregel in de eigen bijdragen. Om te voorkomen dat verzekerden die in 2016 of 2017 om een peiljaarverlegging hadden verzocht bij de berekening van het verzamelinkomen en de vermogensinkomensbijtelling (uitgangspunt van het bijdrageplichtig inkomen) al geconfronteerd zouden worden met de afschaffing van de ouderentoeslag, heeft het CAK al in 2016 en 2017 een maatwerkcorrectie geleverd indien hier sprake van was.

2.2 Vormgeving correctie

Er komt voor AOW-gerechtigden een aftrek op het bijdrageplichtig inkomen van 12% van de grondslag sparen en beleggen, waarbij geldt dat de aftrek op het bijdrageplichtig inkomen maximaal € 2.700 bedraagt. De aftrek gaat gelden voor Wmo2015-cliënten en Wlz-verzekerden met een inkomen uit box 1 en 2 (dus het verzamelinkomen minus van 4% van de grondslag sparen beleggen) dat kleiner is dan € 20.075. Zie tabel 1.

Tabel 1:

Grondslag sparen en beleggen:

Verzamelinkomen – 4% Grondslag sparen en beleggen van:

Korting van:

> € 0

€ 0 t/m € 20.074, 99

12% van de grondslag sparen en beleggen, maximaal € 2.700

>= € 0

€ 20.075 en hoger

€ 0

De voormalige ouderentoeslag werd toegekend op basis van het box 1-inkomen (belastbaar inkomen uit werk en woning). Door het verzamelinkomen te corrigeren voor het fictief inkomen op de grondslag sparen en beleggen wordt het box 1-inkomen zo goed als mogelijk benaderd. Er is daarbij voor gekozen om het percentage van 4% inkomen uit vermogen te hanteren, zoals dat gold ten tijde van de ouderentoeslag in de inkomstenbelasting. Vanwege de uitvoerbaarheid van de correctie op het vermogen voor AOW-gerechtigden wordt dus niet aangesloten bij de percentages (in drie schijven) die vanaf 1 januari 2017 gelden in de inkomstenbelasting. De verschillen ten opzichte van de ouderentoeslag zijn verder dat niet gecorrigeerd wordt voor het box 2-inkomen (aanmerkelijk belang) en dat de persoonsgebonden aftrekposten al meegenomen zijn. Dit laatste is in het voordeel van cliënt en naar verwachting zal een box 2-inkomen nagenoeg niet voorkomen bij cliënten die gebruik maken van langdurige zorg. De grens tot waar er recht bestaat op de aftrek is ook gebaseerd op de voormalige ouderentoeslaggrens, zodat de groep cliënten die voorheen recht had op de ouderentoeslag zo goed mogelijk wordt benaderd.

Tegelijkertijd met het afschaffen van de ouderentoeslag is het algemene heffingsvrije vermogen verhoogd met € 3.000. Hierdoor stijgt het vermogen dat wordt meegenomen bij de eigen bijdragen door toedoen van de fiscale maatregelen maximaal met circa € 25.000. Deze stijging werkt bij de hoge eigen bijdrage Wlz met 10,8%2 door in hogere eigen bijdrage. Door deze 10,8% te vermenigvuldigen met € 25.000 is gekomen tot een maximum van € 2.700 korting.

De berekening voor de verschillende eigen bijdragen bij personen die de AOW-leeftijd hebben bereikt is vanaf 1 januari 2018 als weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel 2:

Hoge eigen bijdrage Wlz en beschermd wonen Wmo2015

Lage eigen bijdrage Wlz en beschermd wonen Wmo2015:

Maximale periodebijdrage maatwerkvoorziening Wmo2015, anders dan beschermd wonen

Het verzamelinkomen over peiljaar t-2

Het verzamelinkomen over peiljaar t-2

Het verzamelinkomen over peiljaar t-2

– verschuldigde belasting

   

– standaardpremie zorgverzekering

   

– zak- en kleedgeld

   

– 15% inkomsten uit tegenwoordige arbeid

   

– 25% aftrek voor inkomens boven leeftijdsafhankelijke grens

   

– vermogen- en inkomensafhankelijke aftrek van 12% vermogen met een maximum van € 2.700

– vermogen- en inkomensafhankelijke aftrek van 12% vermogen met een maximum van € 2.700

– vermogen- en inkomensafhankelijke aftrek van 12% vermogen met een maximum van € 2.700

+ 8% van grondslag sparen en beleggen

+ 8% van grondslag sparen en beleggen

+ 8% van grondslag sparen en beleggen

 

X 12,5%

X 12,5%

= Bijdrageplichtig inkomen

= Bijdrageplichtig inkomen

= Bijdrageplichtig inkomen

3. Financiële gevolgen en regeldruk

3.1 Gevolgen voor het Fonds langdurige zorg en het Gemeentefonds

Het vervallen van de ouderentoeslag en de compensatie daarvan werken door in zowel de hoogte als de macro-opbrengsten van de eigen bijdragen voor de Wlz en de Wmo 2015. Zoals in hoofdstuk 4 is aangegeven, bleek één op één compensatie van de effecten niet mogelijk. Daarom is gekozen voor een alternatieve oplossing zonder negatieve inkomenseffecten. Deze compensatie leidt tot een derving aan opbrengsten uit eigen bijdragen die geraamd wordt op € 12 miljoen voor de Wlz en € 5 miljoen voor de Wmo 2015.

3.2 Inkomenseffecten

In onderstaande tabel zijn de inkomenseffecten weergegeven voor de hoge eigen bijdrage Wlz, de lage eigen bijdrage Wlz en de maximale periode bijdrage Wmo 2015. Hierbij is rekening gehouden met het vervallen van de ouderentoeslag, het verhogen van het algemene heffingsvrije vermogen met € 3.000,– en de compensatie in de eigen bijdragen.

Een AOW-gerechtigde met een AOW-inkomen plus € 1.000 aanvullend pensioen en een vermogen van € 50.000 gaat er in zijn besteedbaar inkomen het meest op vooruit (11%). Dit komt omdat er vóór 2016 een lage en een hoge ouderentoeslag bestond. In dit voorbeeld was er sprake van de lage ouderentoeslag, maar wordt er gecompenseerd voor de hoge ouderentoeslag.

Tabel 3:

Inkomenseffecten bij inkomenssituatie:

en vermogen:

hoge eigen bijdrage Wlz en beschermd wonen

lage eigen bijdrage Wlz en beschermd wonen

maximale periode bijdrage Wmo 2015

Aow

€ 50.000

1%

0%

0%

Aow + € 1.000

€ 50.000

11%

1%

0%

Aow + € 5.000

€ 50.000

9%

1%

1%

Aow

€ 150.000

1%

0%

0%

Aow

€ 200.000

1%

0%

0%

3.3 Regeldruk

De maatregelen in dit besluit hebben geen regeldrukeffecten voor burgers, bedrijven, instellingen of professionals.

4. Uitvoeringstoetsen CAK

Het CAK heeft op verzoek van het Ministerie van VWS een uitvoeringstoets verricht over het voornemen om een correctie op de grondslag sparen en beleggen door te voeren voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, die nagenoeg gelijk was aan de wijze waarop in de fiscale regelgeving de ouderentoeslag was vormgegeven. Het CAK heeft in deze uitvoeringstoets aangegeven dat deze variant voor het CAK zo complex zou zijn, dat er risico’s zouden bestaan in de uitvoering. Bovendien achtte het CAK een nabootsing van de ouderentoeslag in de bijdragesystematiek zo ingewikkeld, dat deze niet meer uitlegbaar zou zijn aan de burgers die een eigen bijdrage Wlz of Wmo2015 betalen. In vervolg hierop is gezamenlijk gezocht naar een minder risicovolle en beter uitlegbare oplossing. Het resultaat daarvan is neergelegd in deze algemene maatregel van bestuur.

5. Voorhangprocedure

Ter uitvoering van de voorhangprocedure die is opgenomen in de artikelen 3.2.5, derde lid, van de Wlz en 2.1.4, vijfde lid, van de Wmo 2015 is het ontwerpbesluit op 19 mei 2017 aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd.3 De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan daardoor na 16 juni 2017 plaats vinden. In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond er bij de fracties van de CDA, VVD en 50PLUS de behoefte een aantal verduidelijkende vragen te stellen bij het ontwerpbesluit. De door de fracties aangedragen punten hebben met name bestrekking op de financiële gevolgen van het besluit op de rijksbegroting en voor de doelgroep waarvoor de compensatie is bedoeld. In de beantwoording zijn deze punten verduidelijkt.

II. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdelen A en B, en artikel II, onderdelen B, C en D

De artikel I, onderdelen A en B en artikel II, onderdelen B, C en D, wijzigen respectievelijk het Blz en het Uitvoeringsbesluit in verband met de compensatie voor het vervallen van de «ouderentoeslag» in de Wet inkomstenbelasting per 1 januari 2016.

Met artikel I, onderdeel A, en artikel II, onderdeel C, worden de artikelen gewijzigd die zien op de berekening van het bijdrageplichtig inkomen in het geval de «hoge bijdrage» van toepassing is (artikelen 3.3.2.3 van het Blz en 3.1.3 van het Uitvoeringsbesluit). Bij de berekening van dat bijdrageplichtig inkomen wordt op het verzamelinkomen een aantal bedragen in mindering gebracht, zoals de standaardpremie voor de zorgverzekering en een bedrag voor zak- en kleedgeld (zie ook tabel 2 in hoofdstuk 2). Aan deze opsomming wordt een extra aftrek toegevoegd in de vorm van een inkomensafhankelijke aftrek van 12% van het vermogen, met een maximum van € 2.700, indien het inkomen uit box 1 en 2 minder is dan € 20.075.

Indien een verzekerde een partner heeft (een gehuwde of daarmee volgens de wet gelijkgestelde), wordt de aftrek voor ieder van die partners apart toegepast. Indien zij beiden voldoen aan de voorwaarden voor de aftrek, geldt er dus voor de partners tezamen een aftrek van € 5.400 op het te berekenen bijdrageplichtig inkomen. De in artikelen 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, en 3.1.3 van het Uitvoeringsbesluit genoemde bedragen gelden daarom ook per persoon voor zover het gaat om het inkomen en vermogen dat aan die persoon is toe te rekenen.

In verband met de leesbaarheid zijn drie nieuwe artikelen ingevoegd die de nieuwe aftrek regelen bij de berekening van het bijdrageplichtig inkomen voor de «lage eigen bijdrage» bij Wlz-zorg en beschermd wonen en de bijdrage op grond van maximale periodebijdragesystematiek in de Wmo 2015 bij maatwerkvoorzieningen anders dan beschermd wonen. Het gaat om de artikelen 3.3.2.4a van het Blz en 3.9a en 3.14a van het Uitvoeringsbesluit. In de tweede leden van die nieuw ingevoegde artikelen wordt aangegeven dat de respectievelijke eerste leden van overeenkomstige toepassing zijn op de echtgenoten/partners van de verzekerde. Ook hier vindt de toepassing plaats op individueel niveau waarbij het inkomen en vermogen in aanmerking wordt genomen dat aan die persoon wordt toegerekend.

Artikelen I, onderdeel C, II, onderdeel A, en III

In deze onderdelen wordt geregeld dat de bedragen die worden genoemd in de artikelen 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, en 3.3.2.4a, eerste lid, van het Besluit langdurige zorg, en 3.7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, voor zover het gaat om de cijfers genoemd in de artikelen 3.9, eerste lid, 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, en 3.14a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, jaarlijks worden geïndexeerd in verband met een inflatiecorrectie. Deze indexatie vindt plaats op grond van de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en is derhalve gelijk aan de indexatie van het heffingsvrij vermogen op grond van artikel 10.1 van die wet, met dien verstande dat bij de indexering in het Blz en Uitvoeringsbesluit geen mogelijkheid tot afronding bestaat.

Het tweede lid van artikel III regelt dat de op grond van de artikelen 3.3.1.7 van het Blz en 3.7 van het Uitvoeringsbesluit voorgeschreven indexering van de bedragen nog niet plaats zal vinden voor het jaar 2018, voor zover het gaat om de cijfers die zien op de compensatie van de aftrek in verband met het vervallen van de ouderentoeslag. Deze cijfers worden dit jaar nieuw ingevoerd en indexering is daarom nog niet nodig.

Artikel IV

Dit besluit treedt op 1 januari 2018 in werking. Deze extra aftrek ter compensatie van de vervallen ouderentoeslag is daarom van toepassing op eigen bijdragen voor zorg of ondersteuning ontvangen vanaf 1 januari 2018.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn


X Noot
1

De huishoudentoeslag was een door de commissie Van Dijkhuizen geadviseerde toeslag waarin bestaande toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget en een ouderencomponent) zouden worden gebundeld in één zogenoemde huishoudentoeslag. Deze als vereenvoudiging bedoelde operatie is echter niet uitvoerbaar gebleken. Zie ook Kamerstukken II, 2013/14, 31 066 nr. 199. In de memorie van toelichting op het Belastingplan 2015 (Kamerstukken II 2014–2015, 34 002, nr. 3) is het vervallen van de ouderentoeslag reeds aangekondigd.

X Noot
2

Acht procent via de vermogensinkomensbijtelling daarnaast voor 4% via het verzamelinkomen, maar er wordt 1,2% belasting weer in mindering gebracht.

X Noot
3

Kamerstukken II 2016–2017, 34 104, nr. 178.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven