Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatsblad 2016, 294AMvB

Besluit van 13 juli 2016, houdende aanpassing van het Besluit termijnen Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Aanpassingsrijksbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 februari 2016, nr. 730677;

Gelet op artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 2 maart 2016, nr. W03.16.0023/II/K);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 12 juli 2016, nr. 780605;

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit termijnen Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

  • 1. Ter zake van een beroep in cassatie als bedoeld in § 2 van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba, gelden de volgende termijnen van verschijning:

    • a. indien de verweerder een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden.

    • b. indien de verweerder een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in het Europese deel van het Koninkrijk of in een lidstaat van de Europese Unie of indien de woonplaats of werkelijke verblijfplaats van de verweerder onbekend is, minimaal vier weken en maximaal zes maanden.

    • c. indien de verweerder geen bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, noch in het Europese deel van het Koninkrijk of in een andere lidstaat van de Europese Unie, maar in een andere staat een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft, minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden.

    • d. indien in rechte worden opgeroepen houders van aandelen in geldleningen of maatschappijen welke niet op naam staan en waarvan de eigenaars uit dien hoofde onbekend zijn, minimaal zes weken en maximaal zes maanden.

  • 2. De termijnen van verschijning vangen aan op de eerste dag na de dag van indiening van de procesinleiding bij de Hoge Raad.

B

De artikelen 2 tot en met 7 vervallen.

C

In de artikelen 8 en 10 wordt «cassatierechtspraak» telkens vervangen door: rechtsmacht Hoge Raad.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop artikel IV, onderdeel D, van de Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen in werking treedt.

ARTIKEL III

Dit besluit wordt aangehaald als: Aanpassingsrijksbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst.histnoot

Paros, 13 juli 2016

Willem-Alexander

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

Uitgegeven de eenentwintigste juli 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Aanleiding

Dit besluit wijzigt het Besluit termijnen Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Besluit termijnen). Aanleiding voor deze aanpassing zijn de wijzigingen in de Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de Rijkswet cassatierechtspraak). Deze rijkswet is in de Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen (hierna: de Invoeringsrijkswet, Kamerstukken II 2014/15, 34 237 (R2054) aangepast aan de wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verband met de vereenvoudiging en digitalisering van civielrechtelijke procedures in het kader van het Programma Kwaliteit en Innovatie (KEI). De onderhavige wijzigingen in het Besluit termijnen vloeien eveneens voort uit het programma KEI.

2. Het Programma KEI

Het Programma KEI heeft tot doel het burgerlijk procesrecht en het bestuursprocesrecht te moderniseren door deze te digitaliseren, en de procedure in civielrechtelijke zaken te vereenvoudigen en te versnellen. De digitalisering van civiel- en bestuursrechtelijke procedures houdt hoofdzakelijk in dat professionele partijen verplicht worden procedures digitaal te voeren. Via een digitaal systeem dat de rechterlijke instanties in het Europese deel van het Koninkrijk beschikbaar stellen, krijgen deze partijen toegang tot hun dossier, kunnen zij hun processtukken digitaal indienen en de (proces)stukken van de andere partij en berichten van de rechter langs digitale weg inzien. De beoogde vereenvoudiging en versnelling in civielrechtelijke procedures brengen onder meer mee dat civiele procedures voortaan aanvangen met één inleidend processtuk – de procesinleiding – in plaats van met een dagvaarding of verzoekschrift, en op meer uniforme wijze verlopen. In procedures die voorheen met een dagvaarding werden ingeleid, is de inschakeling van een deurwaarder voor het bezorgen van de procesinleiding aan de wederpartij niet meer verplicht, tenzij de wederpartij na een informele wijze van bezorgen niet in het geding is verschenen.

Deze processuele vernieuwingen zijn tot stand gebracht in de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Kamerstukken I 2014/15, 34 059) en de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Kamerstukken I 2014/15, 34 138). In de Invoeringsrijkswet zijn procesrechtelijke bepalingen in een aantal rijkswetten, waaronder de Rijkswet cassatierechtspraak, in technische zin aangepast aan de twee eerstgenoemde wetten van het programma KEI (overeenkomstig de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, die ziet op de niet als rijkswet te kwalificeren wetten, Kamerstukken I 2015/16, 34 212).

De wijzigingen die via de Invoeringsrijkswet in de Rijkswet cassatierechtspraak en in de andere rijkswetten zijn doorgevoerd in verband met de wetswijzigingen van het programma KEI, hebben uitsluitend betrekking op civiele procedures die bij de Hoge Raad of bij andere gerechten in het Europese deel van het Koninkrijk worden gevoerd. De wijzigingen hebben derhalve geen gevolgen voor de wijze van procederen bij de Gerechten in eerste aanleg of het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie).

3. Reikwijdte Besluit termijnen

De wijzigingen in het Besluit termijnen houden verband met artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak, dat is aangepast aan de terminologie van de twee wetten van het programma KEI waarmee de vereenvoudiging en digitalisering van het burgerlijk procesrecht is ingevoerd. In het tweede lid van dit artikel is gevolg gegeven aan een aanbeveling van een in 2013 ingestelde werkgroep van vertegenwoordigers van de Hoge Raad, het ministerie van Veiligheid en Justitie en de wetenschap. Deze aanbeveling strekt ertoe de jurisprudentiële regel van de beschikking van de Hoge Raad van 6 oktober 1967, ECLI:NL:HR:AB3961, NJ 1968, 50 (Jacobs/Jonkhout) te codificeren. In deze uitspraak heeft de Hoge Raad aangenomen dat het cassatieberoep van alle zaken afkomstig uit het Caribisch gebied kan worden ingeleid bij verzoekschrift. Omdat artikel 5 van de rijkswet echter regels stelt met betrekking tot het cassatieberoep door middel van een dagvaarding, heeft de Hoge Raad in die uitspraak de mogelijkheid van cassatieberoep bij dagvaarding op de wijze als in artikel 5 voorzien, in de zaken die zich daartoe lenen, opengehouden. Sinds de uitspraak van de Hoge Raad is het vrijwel vaste praktijk dat Caribische cassatiezaken met een verzoekschrift worden aangebracht, maar in een incidenteel geval wordt een cassatiedagvaarding uitgebracht.

Ingevolge de twee voornoemde wetten KEI zijn de dagvaarding en het verzoekschrift vervangen door de uniforme procesinleiding en wordt beroep in cassatie dus in alle gevallen aanhangig gemaakt door indiening van een procesinleiding bij de Hoge Raad. De wijze van oproepen van de verweerder in de procedure verschilt naar gelang de procedure waarin voorheen een dagvaarding werd uitgebracht (thans vorderingsprocedures genoemd) wordt toegepast, of de procedure die met een verzoekschrift werd ingeleid (nu aangeduid als verzoekprocedures) wordt gevolgd. In vorderingsprocedures blijft de eiser verantwoordelijk voor de oproeping van zijn wederpartij. Het oproepingsbericht dat de eiser na indiening van de procesinleiding van de Hoge Raad krijgt en waarin de procesinleiding is opgenomen, kan hij langs informele weg bij de verweerder bezorgen dan wel via de deurwaarder laten betekenen (zie artikel 112 Rv jo artikel 418a Rv en artikel 1, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak). In verzoekprocedures is de griffier van de Hoge Raad verantwoordelijk voor de oproeping van de verweerder.

In artikel 5 van de Rijkswet cassatierechtspraak zijn beide procedures gehandhaafd. Het eerste lid is van toepassing wanneer het cassatieberoep aanhangig wordt gemaakt volgens de regels van de vorderingsprocedure, waarbij verschillende termijnen van verschijning gelden. In het tweede lid is vastgelegd dat de griffier van de Hoge Raad – in geval het cassatieberoep aanhangig wordt gemaakt volgens de regels van de verzoekprocedure – ervoor zorgdraagt dat de verweerder in kennis wordt gesteld van het ingediende cassatieberoep, overeenkomstig de heersende praktijk sinds de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad. De termijn waarop de verweerder het verweerschrift moet indienen, wordt overeenkomstig het procesreglement van de Hoge Raad bepaald.

De in acht te nemen termijn waartegen de verweerder in vorderingsprocedures door de eiser wordt opgeroepen om in het geding te verschijnen, wordt ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak bepaald in het Besluit termijnen. Voorheen waren dat de termijnen van dagvaarding die bij deze algemene maatregel van rijksbestuur werden vastgesteld. In verband met de wetten van het programma KEI – waarin de dagvaarding is vervangen door de procesinleiding en ingevolge artikel 112 Rv de oproeping van de verweerder volgt na de indiening van de procesinleiding bij de Hoge Raad – is de term «termijnen van dagvaarding» in artikel 5, eerste lid, vervangen door de «termijnen van verschijning». Het gaat hier om de termijn waarbinnen de verweerder in de cassatieprocedure moet verschijnen en die de eiser overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onder c, jo artikel 418a Rv en artikel 1, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak in de procesinleiding dient te vermelden. De termijnen van verschijning in het Besluit termijnen komen overeen met de termijnen zoals die gelden in Nederlandse cassatieprocedures.

4. Voorbereiding van het ontwerpbesluit

Het ontwerpbesluit is informeel ter consultatie voorgelegd aan de Hoge Raad en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Het ontwerpbesluit is ook voorgelegd aan de verscheidene directies wetgeving van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De Hoge Raad en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie hebben geadviseerd de in het Besluit termijnen genoemde termijnen van dagvaarding (voortaan: van verschijning) te vereenvoudigen en hierbij, overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak, aan te sluiten bij de in het Europese deel van het Koninkrijk geldende termijnen. Het advies om daarbij te volstaan met een verwijzing naar de artikelen van het in het Europese deel van het Koninkrijk geldende Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is niet opgevolgd. Een dergelijke verwijzing naar termijnen in het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in een Rijksbesluit levert wetstechnisch een dynamische verwijzing op. Met name vanuit Sint Maarten is hierover opgemerkt dat een dergelijke dynamische verwijzing inbreuk zou maken op de autonomie van de Caribische Landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Immers, bij een mogelijke toekomstige wijziging van de termijnen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zou geen wetgevingsprocedure op rijksniveau behoeven te worden gevolgd, maar zou het Besluit termijnen mede worden aangepast aan die wijziging zonder dat de Caribische Landen van het Koninkrijk en de openbare lichamen daarover zeggenschap zouden hebben. Teneinde de autonomie van de Caribische Landen en de openbare lichamen te respecteren, is er daarom voor gekozen om in het Besluit termijnen de termijnen van verschijning die gelden voor een verweerder in een Caribische cassatiezaak expliciet op te nemen. Deze termijnen en het moment waarop deze aanvangen komen overeen met de termijnen van verschijning, zoals die gelden voor verweerders in een cassatiezaak die afkomstig is uit het Europese deel van het Koninkrijk.

Artikelen

Artikel I, onderdeel A (artikel 1)

In artikel 1 van het Besluit termijnen wordt aangegeven welke termijnen van verschijning gelden ter zake van een cassatiezaak die vanuit het Caribische deel van het Koninkrijk volgens de regels van de vorderingsprocedure aanhangig wordt gemaakt. Zoals hiervoor in paragraaf 3 is uiteengezet, wordt slechts nog in een incidenteel geval – gelet op de gangbare wijze van indienen van het cassatieberoep volgens de regels van de verzoekprocedure – van de vorderingsprocedure gebruik gemaakt. Daarom is vanuit praktisch oogpunt en vanwege de beoogde vereenvoudiging van het procesrecht ervoor gekozen om aan te sluiten bij de termijnen zoals die gelden voor andere civiele cassatiezaken afkomstig uit het Europese deel van het Koninkrijk. Deze termijnen zijn opgenomen in de artikelen 30a, derde lid, onder c, 115 en 116 Rv. In deze artikelen staat telkens een minimale termijn van verschijning (ter vervanging van de voorheen geldende minimumtermijnen van de dagvaarding) en een maximale termijn. Het bepalen van een maximale termijn van verschijning draagt bij aan de door het programma KEI beoogde versnelling van procedures. Het vermelden van de maximumtermijn in de procesinleiding laat onverlet dat de verweerder altijd eerder in de procedure kan verschijnen. De verschillende termijnen zijn ondergebracht in een nieuw artikel 1. Bij de onderdelen a tot en met d in het eerste lid van dit nieuwe artikel is de volgorde en systematiek van de voorheen geldende artikelen 2 tot en met 4, tweede lid, zo veel mogelijk gehandhaafd.

Voor verweerders die woonachtig of gevestigd zijn in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba zal de termijn van verschijning minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden bedragen (zie onderdeel a van het nieuwe artikel 1). Deze termijn komt overeen met de termijn van artikel 115, tweede lid, Rv, die van toepassing is op verweerders die een bekende woon- of verblijfplaats hebben in een staat die partij is bij het Verdrag inzake de betekening en kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken (Trb. 1966, 91) (het Haags Betekeningsverdrag) of in een andere staat buiten Nederland of de Europese Unie. Concreet betekent dit voor verweerders in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba dat de voorheen geldende minimumtermijn van dagvaarding met een maand wordt verlengd.

Voor verweerders die hun gewone woon- of verblijfplaats hebben in het Europees deel van het Koninkrijk of in een andere lidstaat van de Europese Unie, geldt onderdeel b van het nieuwe artikel 1. Voor hen bedraagt de termijn van verschijning ten minste vier weken en uiterlijk zes maanden, overeenkomstig artikel 30a, derde lid, onder c, Rv. Ten aanzien van een verweerder die geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, geldt dezelfde termijn van verschijning. Deze verweerder wordt overeenkomstig artikel 30a, derde lid, onder c, en artikel 112 Rv door de eiser opgeroepen. De oproeping wordt ingevolge artikel 54 Rv betekend bij het parket van de Procureur-Generaal, waarna een oproeping in de Staatscourant plaatsvindt. Een afwijkende termijn van verschijning voor deze categorie van verweerders, zoals voorheen was opgenomen in artikel 115, derde lid, Rv, is niet meer nodig geacht.1 Indien de procesinleiding aan een dergelijke verweerder in persoon wordt betekend of bezorgd, of aan een door hem voor deze zaak gekozen woonplaats (bijvoorbeeld bij zijn advocaat overeenkomstig artikel 63 Rv), dan is daarop de termijn van verschijning van toepassing die geldt in het land waar de betekening of bezorging plaatsvindt.

Onderdeel c van het nieuwe artikel 1 is van toepassing op verweerders die geen woon- of verblijfplaats in het Caribisch deel van het Koninkrijk hebben, noch in het Europese deel van het Koninkrijk of een andere staat die lid is van de Europese Unie, maar wel in een andere staat een bekende woon- of verblijfplaats hebben. De termijn van verschijning bedraagt dan minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden. Deze termijn komt overeen met de termijn van artikel 115, tweede lid, Rv, die van toepassing is wanneer de verweerder een bekende woon- of verblijfplaats heeft in een staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag of in een staat die geen partij is bij enig verdrag.

Onderdeel d van het nieuwe artikel 1 geeft tot slot een regeling voor het geval de verweerders houders van aandelen in geldleningen of maatschappijen zijn, welke niet op naam staan en waarvan de eigenaars uit dien hoofde onbekend zijn. In dat geval is de minimale termijn om te verschijnen overeenkomstig artikel 116 Rv, zes weken en maximaal zes maanden.

Artikel 1, tweede lid, bepaalt dat de hiervoor genoemde termijnen van verschijning aanvangen op de eerste dag na die van indiening van de procesinleiding bij de Hoge Raad. Dit aanvangsmoment sluit aan bij artikel 30a, derde lid, onder a, Rv. Aangezien het Besluit termijnen alleen ziet op procedures in cassatie, wordt in dit besluit gesproken van indiening bij de Hoge Raad.

Artikel I, onderdeel B (artikelen 2–7)

In onderdeel B vervallen de artikelen 2 tot en met 7 van het Besluit termijnen.

De artikelen 2 tot en met 4, eerste lid, zijn in aangepaste vorm ondergebracht in het nieuwe artikel 1.

Aan het tweede en derde lid van artikel 4 evenals aan artikel 7 kwam geen betekenis meer toe, omdat deze bepalingen verband houden met het oude tweede en derde lid van artikel 5 van de Rijkswet cassatierechtspraak die in de Invoeringsrijkswet zijn geschrapt. Deze bepalingen over de wijze van betekening van het exploot van dagvaarding door de deurwaarder (in het tweede lid) en de aantekening ter griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (het derde lid) vonden in de praktijk geen toepassing meer (zie verder hierboven in paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting).

Artikel 5 van het Besluit termijnen dat een bepaling bevatte over verkorting van de termijnen van dagvaarding is geschrapt, omdat vanwege de gangbare indiening van het cassatieberoep volgens de regels van de verzoekprocedure daaraan geen behoefte meer bestaat. Bovendien laten de in artikel 1, eerste lid, genoemde minimumtermijnen onverlet dat de verweerder altijd eerder in de procedure kan verschijnen. Deze hoeft niet, zoals voorheen het geval was, te wachten op de door de eiser aangezegde roldatum waarop deze werd gedagvaard of een vervroeging van de roldatum bij exploot aan te zeggen op de voet van het inmiddels vervallen artikel 126 Rv. De eiser die de minimale termijn te lang acht, kan in Caribische zaken er altijd voor kiezen om bij de indiening van de procesinleiding de weg van de verzoekprocedure te volgen. De griffier van de Hoge Raad zal de verweerder dan in de procedure oproepen overeenkomstig de termijnen in het geldende procesreglement.

Voor een afzonderlijke bepaling als bedoeld in artikel 6 over het uitbrengen van een exploot in persoon of aan een door de verweerder in een bepaalde zaak gekozen woonplaats binnen het Caribische deel van het Koninkrijk, bestond – evenals bij het inmiddels geschrapte artikel 115, derde lid, Rv – geen noodzaak meer. Voor deze verweerder kan worden teruggevallen op de termijn zoals die geldt ten aanzien van het land waar de betekening plaatsvindt. In geval van een betekening binnen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba is dat de termijn van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit termijnen.

Artikel I, onderdeel C (artikelen 8 en 10)

In de artikelen 8 en 10 is de citeertitel van de Rijkswet cassatierechtspraak aangepast. De wijziging van de citeertitel van de rijkswet hangt samen met de uitbreiding van de taak van de Hoge Raad tot de beantwoording van prejudiciële vragen van de rechterlijke instanties in het Caribische deel van het Koninkrijk.

Artikelen II en III

De slotbepalingen in de artikelen II en III betreffen de inwerkingtreding respectievelijk de citeertitel. Op het moment waarop artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak in werking treedt, worden ook de wijzigingen in dit besluit van kracht.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Zie Kamerstukken II, 2015/16, 34 212, nr. 6 (nota van wijziging bij de Invoeringswet).

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.