Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2013, 307Wet

Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en enige andere wetten in verband met de totstandkoming van een basisnet (Wet basisnet)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, ter bevordering van sturing op het risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen regels op te nemen voor risicobegrenzing en de routeringsbevoegdheden te herzien;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet vervoer gevaarlijke stoffen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    binnenwateren:

    de wateren die in Nederland zijn gelegen binnen een langs de Nederlandse kust gaande, krachtens artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Schepenwet aangewezen lijn;

    gevaarlijke stoffen:
    • a. ontplofbare stoffen en voorwerpen,

    • b. samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen,

    • c. brandbare vloeistoffen,

    • d. brandbare vaste stoffen,

    • e. voor zelfontbranding vatbare stoffen,

    • f. stoffen die bij aanraking met water brandbare gassen ontwikkelen,

    • g. stoffen die de verbranding bevorderen,

    • h. organische peroxiden,

    • i. giftige stoffen,

    • j. infectueuze stoffen,

    • k. bijtende stoffen, of

    • l. andere stoffen die voor de mens of het milieu gevaarlijk kunnen zijn, indien de stof krachtens artikel 3 is aangewezen;

    hoofdspoorweg:

    een krachtens artikel 2 van de Spoorwegwet aangewezen hoofdspoorweg;

    internationaal vervoer:

    vervoer waarbij de Nederlandse grens wordt gepasseerd;

    Onze Minister:

    Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

    vervoermiddel:

    voertuig, vaartuig of wagen als bedoeld in richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder weg, binnenwater en hoofdspoorweg mede verstaan: een deel van die weg, dat binnenwater of die hoofdspoorweg.

B

Hoofdstuk III komt te luiden:

Hoofdstuk III Het basisnet

Paragraaf 1 Algemene bepalingen
Artikel 11

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

basisnet:

de krachtens artikel 13, eerste lid, aangewezen wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen;

groepsrisico:

cumulatieve kansen per jaar per kilometer basisnet dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op het basisnet waarbij één of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken;

plaatsgebonden risico:

risico op een plaats op of langs het basisnet, uitgedrukt in een waarde voor de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op het basisnet waarbij één of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken;

risicoplafond:

het maximaal toegestane plaatsgebonden risico op de krachtens artikel 14, eerste of tweede lid, aangewezen plaatsen;

vervoer van gevaarlijke stoffen:

handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a;

wegen:

voor het openbaar verkeer openstaande wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 12

De toepassing van de bevoegdheden genoemd in dit hoofdstuk is gericht op het tot stand brengen en in stand houden van een duurzaam evenwicht tussen de belangen van:

  • a. het vervoer van gevaarlijke stoffen over het basisnet;

  • b. het gebruik van de ruimte langs dat basisnet; en

  • c. een maatschappelijk aanvaardbaar veiligheidsniveau in de nabijheid van dat basisnet.

Artikel 13
  • 1. Bij regeling van Onze Minister worden de wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren aangewezen die van belang worden geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

  • 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op het binnenwatervervoer van gevaarlijke stoffen in tankschepen, op het weg- en spoorvervoer van gevaarlijke stoffen in transporttanks, reservoirwagens, tankwagens, afneembare tanks, tankcontainers en druk- of vacuümtanks en op daarmee vergelijkbare manieren van vervoer, voor zover dat vervoer plaatsvindt op het basisnet.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, is dit hoofdstuk niet van toepassing op het vervoer in ongereinigde lege tanks.

Paragraaf 2 Normen voor het basisnet
Artikel 14
  • 1. Bij regeling van Onze Minister worden voor het gehele basisnet de plaatsen aangewezen waar het plaatsgebonden risico niet hoger is dan 10-6.

  • 2. Bij ministeriële regeling kan Onze Minister, indien dit in aanvulling op de krachtens het eerste lid vastgestelde risicoplafonds naar zijn oordeel noodzakelijk is ter beheersing van het aandeel van het vervoer van gevaarlijke stoffen in het groepsrisico:

    • a. op of langs wegen en hoofdspoorwegen de plaats of plaatsen aanwijzen, waar het plaatsgebonden risico niet hoger is dan 10-7; of,

    • b. op of langs een hoofdspoorweg de plaats of plaatsen aanwijzen waar het plaatsgebonden risico niet hoger is dan 10-8.

  • 3. Bij ministeriële regeling kan Onze Minister één of meer krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde risicoplafonds verlagen, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is om structurele aanvullende maatregelen die ter reductie van het risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen worden genomen ten goede te laten komen aan de belangen, bedoeld in artikel 12, onder b en c. Een deel van de veiligheidswinst voortvloeiend uit de maatregelen genoemd in de vorige volzin dient daarbij ook ten goede te komen aan het belang, bedoeld in artikel 12, onder a. Tot een verlaging van een risicoplafond als bedoeld in de eerste volzin, wordt niet overgegaan indien blijkens het onderzoek, bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, het betrokken risicoplafond wordt of dreigt te worden overschreden.

  • 4. Bij de vaststelling van de plaatsen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden de bij ministeriële regeling vast te stellen referentiepunten als uitgangspunt gehanteerd. Deze referentiepunten zijn op de middenberm van de weg, het hart van de spoorbundel of het midden van het binnenwater gelegen, tenzij een andere locatie op het basisnet ten behoeve van de risicobeheersing meer aangewezen is.

  • 5. De krachtens het eerste en tweede lid voor hoofdspoorwegen vastgestelde risicoplafonds hebben geen betrekking op het risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dat op een spoorwegemplacement plaatsvindt, voor zover artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op dat risico van toepassing is.

  • 6. De vaststelling van een ministeriële regeling krachtens het eerste lid, vindt niet eerder plaats dan nadat het ontwerp in de Staatscourant bekend is gemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen.

Paragraaf 3. Beheersing van het risico
Artikel 15
  • 1. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit artikel heeft Onze Minister onderzocht in hoeverre vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen één of meer risicoplafonds worden overschreden of binnen tien jaar na het jaar dat het onderzoek plaatsvindt, dreigen te worden overschreden.

  • 2. Na afronding van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, draagt Onze Minister er zorg voor dat zo vaak als nodig is, doch ten minste elke vijf jaar, onderzocht is in hoeverre vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen één of meer risicoplafonds worden overschreden of binnen tien jaar na het jaar dat het onderzoek plaatsvindt, dreigen te worden overschreden.

  • 3. In geval van een geconstateerde of dreigende overschrijding als bedoeld in het eerste en tweede lid, onderzoekt Onze Minister de maatregelen om die overschrijding teniet te doen of te voorkomen.

  • 4. Op verzoek van Onze Minister verstrekt de beheerder van een krachtens artikel 13, eerste lid, aangewezen weg, binnenwater of hoofdspoorweg de hem beschikbare gegevens over het vervoer van gevaarlijke stoffen of verleent medewerking aan het verkrijgen van die gegevens, voor zover deze gegevens naar het oordeel van Onze Minister nodig zijn voor de onderzoeken.

Artikel 16
  • 1. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de onderzoeken, bedoeld in artikel 15, worden verricht.

  • 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in elk geval betrekking op de gegevens die naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk zijn voor die onderzoeken en op het rekenmodel waarmee wordt berekend in hoeverre de risicoplafonds worden of dreigen te worden overschreden.

Artikel 17
  • 1. Onze Minister brengt telkens na de onderzoeken, bedoeld in artikel 15 verslag uit aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de resultaten daarvan.

  • 2. In geval van een overschrijding of dreigende overschrijding van één of meer krachtens artikel 14, eerste lid, vastgestelde risicoplafonds vermeldt Onze Minister in het verslag de maatregel of de maatregelen die hij reeds heeft getroffen of naar zijn oordeel getroffen dienen te worden om een overschrijding teniet te doen of te voorkomen.

  • 3. In geval van een overschrijding of dreigende overschrijding van één of meer krachtens artikel 14, tweede lid, vastgestelde risicoplafonds vermeldt Onze Minister in het verslag:

    • a. de maatregelen die hij reeds heeft getroffen of naar zijn oordeel getroffen dienen te worden om de overschrijding van die risicoplafonds teniet te doen of te voorkomen;

    • b. in hoeverre en voor welke periode hij de overschrijding accepteert na afweging van de belangen, bedoeld in artikel 12, of,

    • c. in hoeverre hij, na afweging van de belangen, bedoeld in artikel 12, dat risicoplafond of die risicoplafonds heeft aangepast of voornemens is aan te passen.

  • 4. Onze Minister vermeldt tevens in het verslag in hoeverre hij gebruik heeft gemaakt of gaat maken van zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 20, eerste lid.

Artikel 18
  • 1. Een verschuiving van een plaats als bedoeld in artikel 14, eerste lid, vindt niet eerder plaats dan vier weken nadat het voornemen daartoe is gemeld aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing in geval de verschuiving van de plaats niet leidt tot een verhoging of verlaging van het risicoplafond, bedoeld in artikel 14, eerste lid.

C

Na Hoofdstuk III wordt een nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk IIIa Routering

Artikel 19
  • 1. Degene die met een voertuig over de weg gevaarlijke stoffen vervoert, is verplicht de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen van gemeenten te vermijden.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is:

    • a. ten behoeve van het laden of lossen, of

    • b. omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is.

Artikel 20
  • 1. Onze Minister kan besluiten in het belang van de openbare veiligheid een weg, binnenwater of hoofdspoorweg aan te wijzen waarover het wegvervoer, het binnenwatervervoer onderscheidenlijk het spoorvervoer van bij dat besluit te bepalen gevaarlijke stoffen niet is toegestaan.

  • 2. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid kan Onze Minister bepalen dat het verbod uitsluitend geldt voor een bij dat besluit te bepalen periode van het jaar of van de dag.

  • 3. Onze Minister maakt in elk geval gebruik van zijn bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, indien de risicoplafonds blijkens het onderzoek, bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, worden of dreigen te worden overschreden en andere maatregelen naar zijn oordeel niet of niet tijdig kunnen worden getroffen.

Artikel 21
  • 1. Onze Minister maakt ten aanzien van het spoorvervoer van chloor en ammoniak gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 20, eerste lid, voor zover dat vervoer plaatsvindt in een ketelwagen, tank of tankcontainer.

  • 2. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op spoorvervoer van chloor en ammoniak van rechtspersonen ten aanzien waarvan mede door Onze Minister met die rechtspersonen voor inwerkingtreding van dit artikel afspraken zijn gemaakt en voor zover dat vervoer gelet op die afspraken resteert of kan resteren.

Artikel 22
  • 1. Bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 20, voor zover dat betrekking heeft op wegen of binnenwateren, betrekt Onze Minister de beheerder van de wegen respectievelijk binnenwateren, die in de nabijheid zijn gelegen van de bij dat besluit aan te wijzen wegen onderscheidenlijk binnenwateren.

  • 2. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 20 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 23
  • 1. Provinciale staten wijzen ten behoeve van het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen een netwerk aan dat bestaat uit bij de provincie of bij waterschappen in beheer zijnde wegen of weggedeelten, niet zijnde de krachtens artikel 13, eerste lid, vastgestelde wegen.

  • 2. Provinciale staten dragen er zorg voor dat het provinciaal netwerk, bedoeld in het eerste lid, aansluit op de krachtens artikel 13, eerste lid, aangewezen wegen.

  • 3. Met het oog op de afstemming met het crisisplan, bedoeld in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, zenden provinciale staten een ontwerp van hun besluit aan de besturen van veiligheidsregio’s.

  • 4. Artikel 22 is van overeenkomstige toepassing op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 24
  • 1. Bij regeling van Onze Minister worden de gevaarlijke stoffen aangewezen, voor zover de gevaarzetting daartoe aanleiding geeft, waar een besluit als bedoeld in het tweede lid op van toepassing is. De aanwijzing van de gevaarlijke stoffen kan in nader te bepalen hoeveelheden geschieden.

  • 2. De gemeenteraad kan met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen op zijn grondgebied gelegen wegen aanwijzen waarover de krachtens het eerste lid aangewezen gevaarlijke stoffen uitsluitend mogen worden vervoerd.

  • 3. Wegen die in het beheer zijn bij de provincies of het waterschap kunnen slechts worden aangewezen, voor zover deze deel uit maken van het provinciaal netwerk, bedoeld in artikel 23, eerste lid.

  • 4. Bij een besluit als bedoeld in het tweede lid, draagt de gemeenteraad er zorg voor dat de aangewezen wegen aansluiten op:

    • a. de krachtens artikel 13, eerste lid, aangewezen wegen, voor zover gelegen op het grondgebied van de gemeente of op dat grondgebied aansluiten;

    • b. het provinciaal netwerk, bedoeld in artikel 23, voor zover gelegen op het grondgebied van de gemeente of op dat grondgebied aansluiten;

    • c. wegen of weggedeelten in de aangrenzende gemeente voor zover ten aanzien daarvan toepassing is gegeven aan het tweede lid.

  • 5. Een besluit als bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de krachtens artikel 13, eerste lid, aangewezen wegen.

  • 6. Met het oog op de afstemming met het crisisplan, bedoeld in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, zendt de gemeenteraad een ontwerp van zijn besluit aan de besturen van veiligheidsregio’s.

  • 7. Artikel 22 is van overeenkomstige toepassing op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het tweede lid.

  • 8. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  • 9. Binnen een jaar nadat het provinciaal netwerk, bedoeld in artikel 23, is aangewezen of is gewijzigd wordt een reeds van kracht zijnde gemeentelijke aanwijzing als bedoeld in het tweede lid, zo nodig in overeenstemming gebracht met het derde en vierde lid.

  • 10. Het negende lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de krachtens artikel 13, eerste lid, aangewezen wegen.

Artikel 25

De door de gemeenteraad op grond van artikel 24 onderscheidenlijk door Onze Minister op grond van artikel 20 aangewezen wegen of weggedeelten worden aangeduid door borden overeenkomstig de daarvoor op grond van de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen modellen.

Artikel 26
  • 1. Het is verboden de bij een op grond van artikel 20, eerste lid, genomen besluit aangewezen stoffen te vervoeren over de bij dat besluit aangewezen wegen, binnenwateren, of hoofdspoorwegen. Voor zover van de in artikel 20, tweede lid bedoelde bevoegdheid gebruik is gemaakt, is het verbod, bedoeld in de eerste volzin, uitsluitend in de bij dat besluit bepaalde periode van toepassing.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien redelijkerwijs geen alternatieve route beschikbaar is voor het vervoer van de bij het besluit aangewezen stoffen, vanwege incidenten of onvoorziene omstandigheden op of nabij die alternatieve route of routes.

Artikel 27
  • 1. Onze Minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in artikel 26:

    • a. indien dit noodzakelijk is voor het laden en lossen;

    • b. ten behoeve van vervoer waarvoor aanvullende maatregelen zijn getroffen, waarvan naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs een beperking van de kans op of de effecten van een ongeval gedurende dat vervoer is te verwachten.

  • 2. Voor zover het verbod, bedoeld in artikel 26, betrekking heeft op het spoorvervoer van chloor en ammoniak, kan Onze Minister, in afwijking van het eerste lid, daarvan uitsluitend ontheffing verlenen indien redelijkerwijs geen andere wijze van vervoer van die stoffen beschikbaar is en het vervoer naar het oordeel van Onze Minister vanwege maatschappelijk belang noodzakelijk is.

  • 3. Onze Minister kan op verzoek van Onze Minister van Defensie ontheffing verlenen van artikel 26, indien dat noodzakelijk is ten behoeve van militaire oefeningen.

  • 4. Onze Minister kan een ontheffing weigeren op gronden aan de openbare veiligheid ontleend.

  • 5. Op verzoek van Onze Minister van Defensie verleent Onze Minister ontheffing van artikel 26 voor het vervoer met vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een andere mogendheid:

    • a. ten behoeve van het laden en lossen op militaire locaties;

    • b. ten behoeve van het ruimen van ontploffingsgevaarlijke stoffen door onder Onze Minister van Defensie ressorterende opruimingsdiensten van explosieven.

  • 6. Artikel 9, derde en vierde lid en artikel 10 zijn van overeenkomstige toepassing op krachtens het eerste, tweede, derde en vijfde lid verleende ontheffingen.

  • 7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld:

    • a. ter nadere invulling van de gronden aan de openbare veiligheid ontleend, bedoeld in het vierde lid;

    • b. met betrekking tot de gegevens die bij een aanvraag om een ontheffing worden verstrekt, en

    • c. ten aanzien van de beperkingen die aan een ontheffing kunnen worden verbonden.

  • 8. Bij het stellen van de regels, bedoeld in het zevende lid, kan Onze Minister onderscheid maken in het wegvervoer, het binnenwatervervoer en het spoorvervoer.

Artikel 28

Onverminderd artikel 24, vijfde lid, is het verboden de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, te vervoeren over andere wegen dan de bij een besluit als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aangewezen wegen.

Artikel 29
  • 1. Van artikel 28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen, indien dit noodzakelijk is voor het laden en lossen.

  • 2. Op verzoek van Onze Minister van Defensie verlenen burgemeester en wethouders ontheffing van artikel 28 voor het vervoer met vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een andere mogendheid:

    • a. ten behoeve van het laden en lossen op militaire locaties;

    • b. ten behoeve van het ruimen van ontploffingsgevaarlijke stoffen door onder Onze Minister van Defensie ressorterende opruimingsdiensten van explosieven.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van Onze Minister van Defensie ontheffing verlenen van artikel 28, indien dat noodzakelijk is ten behoeve van militaire oefeningen.

  • 4. Artikel 9, tweede tot en met vierde lid, en artikel 10 zijn van overeenkomstige toepassing.

D

Artikel 47 komt te luiden:

Artikel 47

  • 1. Degene die een handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, verricht, is verplicht Onze Minister daarvan onverwijld in kennis te stellen indien zich daarbij ongevallen voordoen of voorvallen, waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is of kan ontstaan.

  • 2. Degene, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister in de gelegenheid de situatie van het ongeval of het voorval te beoordelen en laat handelingen met betrekking tot de betrokken gevaarlijke stoffen in elk geval achterwege totdat Onze Minister van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt of heeft laten weten van die gelegenheid geen gebruik te maken.

  • 3. In afwijking van het tweede lid zijn handelingen toegestaan die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om verdere gevaarzetting of schade te voorkomen.

E

Artikel 50 komt te luiden:

Artikel 50

Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 20, eerste lid, 23, eerste lid en 24, tweede lid, staat beroep open als bedoeld in Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht.

ARTIKEL II

  • 1. Provinciale staten dragen er zorg voor dat een krachtens artikel 16 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze wet, vastgesteld provinciaal netwerk uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming is met artikel I, onderdeel C, artikel 23, van deze wet.

  • 2. De gemeenteraad draagt er zorg voor dat een krachtens artikel 18 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze wet, vastgesteld routeringsbesluit uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming is met artikel I, onderdeel C, artikel 24, van deze wet.

  • 3. Een krachtens artikel 16 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze wet, vastgesteld provinciaal netwerk wordt gelijkgesteld met een provinciaal netwerk als bedoeld in artikel I, onderdeel C, artikel 23, van deze wet, voor zover dat netwerk met dat artikel in overeenstemming is.

  • 4. Een krachtens artikel 18 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze wet, vastgesteld routeringsbesluit wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel I, onderdeel C, artikel 24, van deze wet, voor zover dat besluit met dat artikel in overeenstemming is.

  • 5. Een krachtens artikel 22 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze wet, verleende ontheffing wordt gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel I, onderdeel C, artikel 29 van deze wet.

ARTIKEL III

Aan onderdeel D van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 6. De artikelen 13, eerste lid, en 14, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

ARTIKEL IV

Indien het bij koninklijke boodschap van 24 juli 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht, 32 450) tot wet is of wordt verheven, en deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, van die wet:

a. eerder in werking treedt of is getreden dan deze wet, vervalt artikel III van deze wet en wordt in artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

Wet vervoer gevaarlijke stoffen:

de artikelen 13, eerste lid, en 14, eerste, tweede en vierde lid

b. later in werking treedt dan deze wet, wordt in artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

Wet vervoer gevaarlijke stoffen:

de artikelen 13, eerste lid, en 14, eerste, tweede en vierde lid

ARTIKEL IVa

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.31, eerste lid, onder a, komt te luiden:

  • a. ter uitvoering van een verzoek als bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, tweede volzin, onder a, of een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid;

B

Artikel 2.33, eerste lid, onder c, komt te luiden:

  • c. dat nodig is ter uitvoering van een verzoek als bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, tweede volzin, onder a, of een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid;

C

Na artikel 2.33 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.34

  • 1. Onze Minister kan, indien dat in het algemeen belang geboden is, aan het bevoegd gezag een aanwijzing geven ter zake van het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning ten behoeve van maatregelen ter voorkoming van overschrijding van één of meer voor hoofdspoorwegen vastgestelde risicoplafonds als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze bevoegdheid geldt niet:

    • a. met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 2.2;

    • b. in gevallen waarin een Onzer andere Ministers het bevoegd gezag is;

    • c. met betrekking tot een verklaring van een Onzer andere Ministers en de daarbij overeenkomstig artikel 2.27, vierde lid, aangegeven of aan te geven voorschriften.

  • 2. Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft, bepaalt Onze Minister in overleg met de betrokken gemeenten en de spoorinfrabeheerder welke maatregelen door het rijk en deze partijen genomen zullen worden om de overschrijding van het vigerende risicoplafond zo veel als mogelijk te beperken. Hij deelt het voornemen, onder vermelding van de redenen daarvoor, mee aan de Staten-Generaal.

  • 3. Het bevoegd gezag doet van de wijze waarop gevolg is gegeven aan de aanwijzing, schriftelijk mededeling aan Onze Minister.

  • 4. De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van het bevoegd gezag, ter zake waarvan zij is gegeven. Een exemplaar ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking.

  • 5. Indien het bevoegd gezag niet of niet volledig gevolg geeft aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid nemen voor rekening van de rechtspersoon waartoe het betrokken bestuursorgaan behoort.

ARTIKEL V

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 mei 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Provinciewet, de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met de revitalisering van het generiek interbestuurlijk toezicht (Wet revitalisering generiek toezicht, 32 389), tot wet is of wordt verheven, en artikel 3.15 van die wet later in werking treedt dan deze wet, vervalt artikel 3.15 van die wet.

ARTIKEL VI

In artikel 1a, onderdeel 1o, van de Wet op de economische delicten wordt in de zinsnede met betrekking tot de Wet vervoer gevaarlijke stoffen «de artikelen 4, 5, 10, 11, 21, 24, 27, 29, 31 en 33» vervangen door: de artikelen 4, 5, 10, 19, 26, eerste lid, 27, zesde lid, 28 en 29, vierde lid.

ARTIKEL VII

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te Wassenaar, 10 juli 2013

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Uitgegeven de vijfentwintigste juli 2013

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 32 862