Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatsblad 2010, 811AMvB

Besluit van 1 december 2010, houdende wijziging van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 en een reparatie van het Binnenvaartbesluit

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 27 september 2010, nr. VenW/BSK-2010-139966, Hoofddirectie Juridische Zaken;

Gelet op artikel 4, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet en de op 3 december 2009 (protocollen 2009-II-18 en 2009-II-20), respectievelijk 2 juni 2010 (protocol 2010-I-8), door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart aangenomen resoluties 2009-II, respectievelijk 2010-I, alsmede op artikel 7, tweede lid, van de Binnenvaartwet;

De Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2010, nr. W09.10.0472/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 24 november 2010, nr. VENW/BSK-2010/189399, Hoofddirectie Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Rijnvaartpolitiereglement 1995 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.01, onderdeel aa, komt te luiden:

aa. ADN:

het in de bijlage bij het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over binnenwateren opgenomen Reglement (ADN);

B

In artikel 1.02, eerste lid, onderdelen b en c, wordt telkens «Patentreglement Rijn» vervangen door: Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn.

C

Artikel 1.03, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. De dienstdoende leden van de minimumbemanning in de zin van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn, en andere personen aan boord die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van het schip bepalen, mogen in hun functioneren niet worden belemmerd door oververmoeidheid of de gevolgen van het gebruik van alcohol, medicijnen of drugs, dan wel door enige andere oorzaak.

    Indien zij een alcoholconcentratie in het bloed hebben van 0,5 promille of meer, dan wel een hoeveelheid alcohol in het lichaam hebben die een dienovereenkomstige alcoholconcentratie in het bloed dan wel een daarmee overeenkomende alcoholconcentratie in uitgeademde lucht oplevert, is het deze personen verboden de koers en de snelheid van het schip te bepalen.

D

Artikel 1.08, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Aan deze voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer het schip krachtens het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn van een certificaat of van een volgens dit reglement als gelijkwaardig erkend certificaat is voorzien, en de bouw en de uitrusting overeenstemmen met de in dat certificaat vermelde gegevens en wanneer de bemanning en de bedrijfsuitoefening in overeenstemming zijn met de voorschriften van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn.

E

Artikel 1.09, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Op ieder snel schip moet tijdens de vaart het roer worden bediend door een persoon die houder is van een Rijnpatent of een vaarbevoegdheidsbewijs dat volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn als gelijkwaardig erkend of toegelaten is en vereist is voor het te bevaren riviergedeelte, alsmede een radargetuigschrift dat is afgegeven of als gelijkwaardig erkend volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn.

    Een tweede persoon die eveneens houder is van de twee bovengenoemde bewijzen, moet zich in de stuurhut bevinden, behalve tijdens het aanleggen en afvaren, in de sluizen of in de voorhavens van de sluizen.

F

Artikel 1.10, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. een Rijnpatent of een volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn als gelijkwaardig erkend of toegelaten vaarbevoegdheidsbewijs voor het te bevaren riviergedeelte, en voor de overige leden van de bemanning het naar behoren bijgehouden dienstboekje of een volgens dit reglement afgegeven groot patent of als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs; bij de als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijzen moet de schipper bovendien voor bepaalde riviergedeelten het volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn vereiste bewijs voor riviergedeelten bezitten;

2. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. het naar behoren bijgehouden vaartijdenboek met inbegrip van de verklaring overeenkomstig bijlage A4 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn of een kopie van de bladzijde met de aantekeningen van de vaar- en rusttijden uit het vaartijdenboek van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden;

3. In onderdeel h komt de eerste volzin te luiden:

een radargetuigschrift dat is afgegeven of als gelijkwaardig erkend volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn; dit document hoeft niet aan boord te zijn, indien de patentkaart de vermelding «radar» bevat of een ander volgens dit reglement toegelaten vaarbevoegdheidsbewijs de overeenkomstige vermelding bevat.

4. In onderdeel t wordt «ADNR» vervangen door: ADN.

5. Onderdeel aa komt te luiden:

  • aa. de verklaringen die volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn voor het veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen zijn voorgeschreven.

G

In de artikelen 3.14, eerste, tweede, derde en zevende lid, 7.07, tweede lid, onderdeel b, 12.01, eerste lid, alsmede 15.01, derde lid, wordt telkens «ADNR» vervangen door: ADN.

H

Artikel 4.06, eerste lid, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:

1. De eerste volzin komt te luiden: zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een radargetuigschrift, dan wel van een ander volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn afgegeven of als gelijkwaardig erkend diploma.

2. In de tweede volzin wordt voor de zinsnede «zonder dat zich een zodanig persoon aan boord bevindt» ingevoegd: ook.

I

In artikel 6.32, eerste lid, komt de eerste volzin te luiden:

Een schip mag slechts op radar varen indien een persoon die houder is van een Rijnpatent of een vaarbevoegdheidsbewijs dat volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn is afgegeven, toegelaten of als gelijkwaardig erkend en dit geldt voor het te bevaren riviergedeelte, alsmede van een radargetuigschrift dat is afgegeven of als gelijkwaardig erkend volgens dit reglement, en een tweede persoon die met deze wijze van varen voldoende op de hoogte is, zich voortdurend in de stuurhut bevinden.

J

Bijlage 1 komt te luiden:

Bijlage 1

LETTER OF LETTERCOMBINATIE TER ONDERSCHEIDING VAN HET LAND WAAR DE THUISHAVEN OF DE PLAATS VAN TEBOEKSTELLING VAN EEN SCHIP IS GELEGEN
(indicatieve lijst)

A

:

OOSTENRIJK

B

:

BELGIË

BG

:

BULGARIJE

BIH

:

BOSNIË-HERZEGOVINA

BY

:

WIT-RUSLAND

CH

:

ZWITSERLAND

CZ

:

TSJECHISCHE REPUBLIEK

D

:

DUITSLAND

F

:

FRANKRIJK

FI

:

FINLAND

HR

:

CROATIË

HU

:

HONGARIJE

I

:

ITALIË

L

:

LUXEMBURG

LT

:

LITOUWEN

MD

:

REPUBLIEK MOLDOVA

MLT

:

MALTA

N

:

NEDERLAND

NO

:

NOORWEGEN

P

:

PORTUGAL

PL

:

POLEN

R

:

ROEMENIË

RUS

:

RUSSISCHE FEDERATIE

SE

:

ZWEDEN

SI

:

SLOVENIË

SRB

:

SERVIË

SK

:

SLOWAKIJE

UA

:

OEKRAÏNE

K

In bijlage 3 wordt in de vermeldingen bij de figuren 27a en b, 28a en b, alsmede 29, telkens «ADNR» vervangen door: ADN.

L

Bijlage 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In afdeling I, onderdeel E, wordt na het slot toegevoegd:

E.24

niet overgenomen

  

E.25

aansluiting voor walstroom beschikbaar

  

2. In afdeling II, onderdeel 3, wordt na het slot toegevoegd:

Aansluiting voor 400 V~ beschikbaar

M

In bijlage 10 wordt pagina 1 van het model van het olie-afgifteboekje als volgt gewijzigd:

1. «Numéro officiel:» wordt vervangen door: Numéro européen unique d’identification des bateaux ou numéro officiel:.

2. «Amtliche Schiffsnummer:» wordt vervangen door: Einheitliche europäische Schiffsnummer oder amtliche Schiffsnummer:.

3. «Officieel scheepsnummer:» wordt vervangen door: Uniek Europees scheepsidentificatienummer of officieel scheepnummer:.

ARTIKEL II

Het Binnenvaartbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

In de alfabetische rangschikking van artikel 1 wordt ingevoegd:

Bunkerstation:

drijvend bouwsel met permanente ligplaats dat is bestemd of wordt gebruikt voor de opslag of levering van brandstof voor de voortstuwing van schepen;

B

In artikel 6 van het Binnenvaartbesluit wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • k. bunkerstations met een afmeting als bedoeld in de onderdelen a of b.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011 met uitzondering van:

  • a. artikel I, onderdelen B, C, D, E, F, behoudens onderdeel 4, H en I, dat in werking treedt met ingang van 1 juli 2011;

  • b. artikel I, onderdelen J, L en M, dat in werking treedt met ingang van 1 december 2011;

  • c. artikel II, dat indien het bij koninklijke boodschap van 7 juni 2010 ingediende voorstel van wet Verzamelwet Verkeer en Waterstaat 2010, Kamerstukken II 2009/10, 32 403, nr. 1, tot wet is verheven en in werking treedt, op hetzelfde tijdstip in werking treedt en terugwerkt tot en met 1 juli 2009.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 1 december 2010

Beatrix

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Uitgegeven de twintigste december 2010

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

De Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) heeft het Rijnvaartpolitiereglement 1995 (Rpr) gewijzigd. Deze wijziging is vastgelegd in de protocollen 2009-II-18, 2009-II-20 alsmede 2010-8, en wordt met deze algemene maatregel van bestuur integraal in de Nederlandse rechtsorde geïmplementeerd.

Administratieve lasten en nalevingskosten

Het onderhavige besluit leidt niet tot nieuwe informatieverplichtingen of tot het vervallen ervan voor burgers of bedrijven; het ontwerpbesluit is derhalve niet voorgelegd aan het Adviescollege voor de toetsing van administratieve lasten.

Uit het onderhavige besluit vloeien eveneens geen nieuwe nalevingskosten voor burgers of bedrijven voort.

Vaste verandermomenten

Bij het onderhavige besluit zijn de vaste verandermomenten buiten toepassing gelaten aangezien de inwerkingtredingsdata 1 januari 2011 voor de onderdelen A, G en K, 1 juli 2011 voor de onderdelen B, C, D, E, F, H en I en 1 december 2011 voor de onderdelen J, L en M van artikel I voortvloeien uit de desbetreffende besluiten van de CCR (protocollen 2009-II-18, 2009-II-20 en 2010-I-8). Bovendien betreft het hier één op één implementatie van internationale besluiten.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Onderdelen A, G en K

Deze onderdelen zien met name op de omzetting van verwijzingen naar het Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn (ADNR) in verwijzingen naar het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren (ADN). Deze omzetting vloeit voort uit de opheffing van het ADNR bij protocol 2009-II-20 van de CCR. Deze onderdelen hebben een hoofdzakelijk wetgevingstechnisch en geen inhoudelijk karakter.

Overigens zijn hier nog niet alle bij protocol 2009-II-20 aangenomen wijzigingsvoorstellen verwerkt. Een aantal betreft namelijk tijdelijke afwijkingen van het Rpr, die pas in dit reglement worden opgenomen wanneer zij bij CCR-besluit een permanent karakter hebben verkregen. Tot die tijd genieten dergelijke tijdelijke afwijkingen van het Rpr de status van Bekendmaking aan de Rijnscheepvaart (BAR). Teneinde protocol 2009-II-20 ten uitvoer te brengen worden separaat de desbetreffende bekendmakingen aangepast. Dit betreft BAR 6/2006 (Stcrt. 2006, 189) met betrekking tot artikel 11.02, en BAR 1/2008 (Stcrt. 2008, 61) met betrekking tot de artikelen 6.28, negende lid, en 12.01 van het Rpr. Deze aanpassingen behelzen eveneens een omzetting van verwijzingen naar het ADNR in verwijzingen naar het ADN.

Onderdelen B, C, D, E, F, H, en I

Deze onderdelen hangen samen met de invoering van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RspR) bij protocol 2010-I-8 van de CCR en betreffen de wijzigingen van het Rpr ten gevolge van deze invoering. Teneinde de transparantie van de bemanningswetgeving voor de Rijn te vergroten heeft de CCR in het RspR de voorschriften ten aanzien van het scheepvaartpersoneel uit het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, het Patentreglement Rijn en het Reglement betreffende Veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen bij elkaar gezet. In verband daarmee zijn de desbetreffende bepalingen uit het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, alsmede de beide andere reglementen, ingetrokken.

De onderhavige onderdelen betreffen aanpassingen van verwijzingen en in sommige gevallen tevens redactionele verbeteringen.

Onderdelen J, L en M

Deze onderdelen hebben voornamelijk een wetgevingstechnisch karakter. Het betreft een actualisering van de lijst met lettercombinaties ter aanduiding van de landen van herkomst of teboekstelling van schepen. Verder voegt het een verkeersbord toe dat de aanwezigheid van een aansluitpunt op walstroom aangeeft.

En tenslotte wordt in het olie-afgifteboekje verduidelijkt wat kan worden ingevuld onder officieel scheepsnummer.

Artikel II

Onderdeel A

In artikel 1 van het Binnenvaartbesluit wordt de definitie van «bunkerstation» ingevoegd. Voorheen was dit begrip in de Binnenvaartwet gedefinieerd. Aangezien dit begrip in die wet niet verder voorkomt wordt het in het Binnenvaartbesluit opgenomen.

Bovendien is weer de definitie van «bunkerstation» uit het voormalige Binnenschepenbesluit toegepast. Bij de totstandkoming van de Binnenvaartwet is abusievelijk het begrip bunkerstation tot species van het begrip drijvend werktuig gemaakt. Door dit laatste zijn de voorschriften ten aanzien van drijvende werktuigen integraal van toepassing op alle bunkerstations. Daardoor zijn alle bunkerstations keuringsplichtig. Dit is in de praktijk niet werkbaar, aangezien er nu slechts keuringseisen zijn voor bunkerstations van meer dan 20 meter lengte, waaraan kleinere stations niet kunnen voldoen.

Onderdeel B

Deze wijziging van artikel 6 van het Binnenvaartbesluit herstelt de keuringsplicht voor bunkerstations zoals die was vóór de inwerkingtreding van de Binnenvaartwet op 1 juli 2009. Toen gold deze keuringsplicht slechts voor de grotere bunkerstations met een lengte van meer dan 15 meter. Ingevolge de onderhavige wijziging wordt de keuringsplicht voor bunkerstations beperkt tot stations van meer dan 20 meter lengte of waarvan het product van lengte, breedte en diepgang ten minste 100 m3 bedraagt. Deze afmetingen komen overeen met de toepassingscriteria van de Binnenvaartwet, die bijvoorbeeld ook gelden ten aanzien van de keuringsplicht voor andere vaartuigen of van de bemanningsvoorschriften.

De keuringseisen voor bunkerstations, in bijlage 3.9 van de Binnenvaartregeling, zijn uitsluitend op grote stations geschreven. Derhalve wordt nu de beperking van de keuringsplicht tot de grote bunkerstations hersteld, met terugwerkende kracht tot en met het moment van de inwerkingtreding van de Binnenvaartwet.

Artikel III

De inwerkingtredingsdata, 1 januari 2011 voor de onderdelen A, G en K, 1 juli 2011 voor de onderdelen B, C, D, E, F, H en I, en 1 december 2011 voor de onderdelen J, L en M van artikel I, vloeien voort uit de desbetreffende besluiten van de CCR (protocollen, 2009-II-20, 2010-I-8 en 2009-II-18), die tot de onderhavige wijziging van het Rijnvaartpolitiereglement leiden. Aangezien de reparatie van het keuringsregime voor bunkerstations wijzigingen van zowel artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet als van artikel 6 van het Binnenvaartbesluit vergt hangt de inwerkingtreding van artikel II volledig samen met het tijdstip waarop de voornoemde wijziging van de Binnenvaartwet, ingevolge het thans aanhangige voorstel voor de Verzamelwet Verkeer en Waterstaat 2010, in werking treedt. Vanwege het reparatoire karakter van beide wijzigingen werken deze beide terug tot en met de datum van inwerkingtreding van de Binnenvaartwet.

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in de Staatscourant.