36 748 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3)

D VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN1

Vastgesteld 7 april 2026

Het voorliggende wetsvoorstel heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met belangstelling en waardering kennisgenomen van het wetsontwerp dat zo’n lange wetsgeschiedenis heeft. En zowel juridisch als uit het oogpunt van rechtvaardige belastingheffing is het een belangwekkend wetsontwerp. Deze leden hebben hierover een aantal vragen.

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel en willen hierover graag enkele zaken nader toegelicht zien.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3. Deze leden hebben de nodige zorgen over het voorstel en hebben daarom een aantal vragen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. De wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, om werkelijke inkomsten en bezittingen en schulden in box-3 te belasten, werd noodzakelijk na het zogenaamde Kerstarrest van de Hoge Raad, waarin op 24 december 2024 door de Hoge Raad werd geoordeeld dat het box-3 stelsel, zoals sinds 2017 van toepassing was, in strijd is met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod zoals vastgelegd in het EVRM.2 De leden van de D66-fractie waarderen de inspanningen van de regering om te komen tot dit wetsvoorstel. Echter, in tegenstelling tot de wens van achtereenvolgende kabinetten om de regeldruk en de complexiteit van wetten te verminderen, is het voorliggende wetsontwerp verre van eenvoudig. De leden van de D66-fractie hebben een aantal vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben het wetsvoorstel met aandacht bekeken. Veel fracties steunden in de Tweede Kamer het voorliggende wetsvoorstel met tegenzin, enkel en alleen omdat uitstel miljarden kost. Vanuit de christendemocratische traditie past een zorgvuldige afweging van zowel de budgettaire noodzaak van belastingheffing als de langetermijneffecten op investeringen, ondernemerschap en vertrouwen in stabiele spelregels. De leden van de fractie van het CDA willen daarom nog enkele vragen stellen.

De leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel «Wet werkelijk rendement Box 3» en hebben daarover nog enkele vragen.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben naar aanleiding van het belastingplan nog enkele vragen.

Met belangstelling hebben de leden van de ChristenUnie-fractie kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Hoewel de Staatssecretaris heeft aangegeven voornemens te zijn nog wijzigingen in het wetsvoorstel aan te brengen middels een novelle, hebben de leden van de ChristenUnie, gezamenlijk met het lid van de fractie OPNL, op dit moment de volgende vragen en opmerkingen.3

De leden van de FVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel en willen hierover graag enkele zaken nader toegelicht zien. Ook hebben zij nog enkele vragen met betrekking tot de brief van de Staatssecretaris.4

De leden van de JA21-fractie hebben het wetsvoorstel doorgenomen en willen hierover graag een aantal vragen en inbrengen.

De leden van de Volt-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van de regering om de wet op de inkomstenbelasting te veranderen voor box 3. Dat geeft de betreffende leden aanleiding tot een aantal vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement Box 3 en de brief van de Staatssecretaris met betrekking tot het voornemen van een novelle aangaande de Wet werkelijk rendement box 3. Hierbij is veel onduidelijkheid ontstaan in de samenleving, volgens de leden van de SGP-fractie. De leden hebben zowel over het wetsvoorstel als de brief van de Staatssecretaris een aantal vragen en opmerkingen.

Het lid van de fractie 50PLUS heeft de volgende vragen met betrekking tot het wetsvoorstel.

Het lid van de fractie-Walenkamp sluit zich graag aan bij alle vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

Het valt de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA op dat de discussie over box 3 sterk in juridisch vaarwater is beland, waarbij de vragen van eerlijke en rechtvaardige heffing op vermogen zijn ondergesneeuwd. Juridisch wordt de indruk gewekt dat vermogensbelasting als ondergrens de bescherming van het nominale vermogen moet kennen, en dat zelfs het reële vermogen niet mag worden aangetast. Daarbij worden de algemene beginselen van bescherming van eigendom5 aangehaald en wordt verwezen naar de uitspraken van de Hoge Raad en het EVRM.6 Het lijkt de aan het woord zijnde leden goed om hier meer duidelijkheid over te krijgen van de regering. Deelt de regering de opvatting van de leden van de fractie GroenLinks-PvdA dat per definitie elke belasting de koopkracht of het bezit van de belastingplichtige aantast? Het zijn algemene beginselen van proportionaliteit en draagkracht die uiteindelijk bepalend zijn, volgens voornoemde leden. Dat vergt politieke afwegingen. Daarmee zijn allerlei varianten, zoals een aanwas-, rendements- of «platte» vermogensbelasting, dus niet uitgesloten, ook een forfaitaire variant niet, mits die beter aansluit bij het werkelijk te realiseren rendement dan in het oude stelsel het geval was. In andere EVRM-landen bestaan immers ook (combinaties van) deze varianten.7 Is het juist dat het vermaarde Kerstarrest van de Hoge Raad vooral zag op het te grote verschil tussen het werkelijk haalbare rendement en het veronderstelde haalbare (forfaitaire) rendement?8 Deelt de regering de interpretatie dat er politieke beleidsvrijheid is?

Wat betreft draagkracht en eerlijke vermogens(winst)belasting, vragen voornoemde leden een reeks van de jaarlijkse opbrengst van de vermogens(winst)belasting als aandeel in de totale belastingopbrengst in de periode 1998–2001–heden. Kan de regering deze in een tabel weergeven en verklaren waarom dit aandeel zo sterk is gedaald en onvoorspelbaar is geworden? En sluit deze reeks aan bij de reeksen in het IBO-onderzoek, waarin Nederland het enige land in de westerse wereld is waar inkomen uit vermogens per saldo niet worden belast maar gesubsidieerd?9 Het gevolg is dat relatief veel lasten op de factor arbeid/inkomen en consumptie terecht komen in Nederland, ook in internationaal perspectief. Waarom heeft de regering in het coalitieakkoord geen enkel voornemen om de verhouding van belasting op arbeid versus (inkomen uit) vermogen beter in balans te brengen? Hierop is, volgens de aan het woord zijnde leden, aangedrongen door Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Studiegroep Begrotingsruimte, de Sociaal Economische Raad (SER) en ook politieke (coalitie)partijen? Waarom is gekozen voor een verhoging van de lasten op arbeid in plaats van vermogen?

Vermogen is zeer ongelijk verdeeld en de meeste mensen hebben niks met box 3 te maken.10 Zij hebben schulden of een vermogen kleiner dan de heffingsvrije som. Hoeveel mensen worden aangeslagen in Box 3? Is het correct dat in Box 3 «slechts» 2.5 miljoen inwoners worden belast en dat dit de mensen zijn met een vermogen boven het heffingsvrije vermogen? Is het daarnaast correct dat ruim 80% van deze groep inwoners een vermogen heeft tot niet meer dan € 50.000 boven het heffingsvrij vermogen? En is het juist dat deze groep inwoners voornamelijk risicomijdend spaart en weinig belegt, waarmee zij weinig last hebben van de vermogensaanwasbelasting, omdat er voldoende liquiditeit is uit inkomen en liquiditeit van de beleggingen? Volgens deze leden heeft slechts 5% van de inwoners heeft een vermogen boven de € 250.000, het overgrote deel van het vermogen is in het bezit van slechts 1% van de vermogenden in Box 3. Deelt de regering de constatering van de aan het woord zijnde leden dat ongelijkheid hierdoor nog verder toeneemt, omdat iedereen hetzelfde tarief betaalt, maar inwoners met een hoog vermogen met meer risico kunnen beleggen en dus hogere rendementen kunnen behalen?

Ook bij de gekozen tarieven ten opzichte van de heffing op arbeidsinkomen is de balans zoek, volgens de aan het woord zijnde leden. Waar het rendement/aanwas op vermogen voor iedereen slechts met 36% wordt belast, loopt het belastingtarief op arbeidsinkomen op van 35,7% naar 49,5%. Dat betekent dat inkomen waarvoor iemand actief arbeid verricht, zwaarder wordt belast dan inkomen op vermogen waar geen arbeid tegenover staat. Wat is daarvoor de achterliggende ratio?

Kan in dit verband worden toegelicht waarom de regering niet heeft gekozen voor een progressieve vermogensheffing, bijvoorbeeld oplopend naar 49,5%? In veel andere landen is de vermogens(inkomens) heffing integraal onderdeel van de inkomstenbelasting, waarbij het boxstelsel niet bestaat.11 Verdient het niet overweging om in Nederland terug te keren naar één integrale inkomensheffing zoals vóór 2001, waarbij verschillen tussen inkomensbronnen kunnen worden gemaakt?

Daarnaast constateren de aan het woord zijnde leden dat de regering de heffingsvrije som wil vervangen door een heffingsvrij rendement van € 1.800 per persoon. Dat is begrijpelijk vanuit de nieuwe systematiek van rendementsbelasting, maar kan voor burgers onoverzichtelijk zijn, omdat je nooit van tevoren weet hoeveel het rendement zal zijn, en daarmee de te verwachten belastingdruk. Dat maakt vermogensplanning volgens de leden van de fractie GroenLinks-PvdA veel gecompliceerder. Heeft de regering onderzoek gedaan naar het doenvermogen van de inwoner? Is het niet logischer en eenvoudiger vast te houden aan een vermogensvrijstelling?

De aan het woord zijnde leden constateren dat een heffingsvrij rendement van € 1.800 massaal verkeerd wordt begrepen. Hoe wil de regering hierop inspelen, aangezien dit volgens de voornoemde leden de belastingmoraal ondermijnt?

Het kabinet heeft een balans opgemaakt tussen enerzijds een vermogensaanwasbelasting, waarbij jaarlijkse rendement bestaat uit vermogensaanwas, dat wil zeggen een waardestijging plus direct rendement, zoals dividend en rente, en anderzijds een vermogenswinstbelasting, waarbij je jaarlijks alleen over het directe gerealiseerde rendement betaalt en de waardestijging pas wordt belast op het moment van vervreemding. Het pas belasten op het moment van vervreemding kan leiden tot het deels uitstellen van betalen van belasting tot het verkoopmoment van bijvoorbeeld aandelen. Deelt de regering de opvatting van de aan het woord zijnde leden dat daar juist ook grote bezwaren aan kunnen zitten, zoals burgers die rekening moeten houden met het pas over vele jaren afrekenen van een groot bedrag, waar ze dan wel over moeten bezitten? Deelt zij de analyse van Peter Beets en Tjarko Denekamp dat dit voor kleine beleggers niet gunstig is, omdat zij het belastingvrije rendement niet elk afzonderlijk jaar, maar slechts eenmalig in het «afrekenjaar» kunnen benutten?12 Op dat moment zouden zij in dat jaar ook in de problemen kunnen komen met grenzen voor toeslagen en andere bijeffecten omdat het verzamelinkomen éénmalig vermogensaanwasbelasting hoog is. Voornoemde leden zien dan ook een voordeel in de keuze van de regering voor een vermogensaanwasbelasting, juist voor kleinere en middelgrote beleggers. Zij delen met Peter Beets en Tjarko Denekamp de conclusie dat vermogenswinstbelasting met name voor grote beleggers lucratief is. Ziet de regering dit ook zo? Betekent dit dat grote beleggers een lagere belasting betalen door uitstel van betaling en wordt dit dan betaald door de andere belastingbetalers?

Daarnaast geeft dit uitstel van betalen bij vermogenswinstbelasting een nadeel voor de overheid, en dus voor alle inwoners, omdat zij al die jaren geen belastingopbrengst heeft. Het belastinguitstel kost de overheid dus ten minste de rente over dit bedrag, volgens de aan het woord zijnde leden. Is overwogen dit rentenadeel te verrekenen in de eindafrekening? Zo nee, waarom niet? Kan dit alsnog worden overwogen? Kan de regering aangeven hoeveel belastingderving er zal zijn als ook deze beleggingen, net als onroerend goed, onder de VWB zouden gaan vallen, zoals verschillende moties bepleiten?13 Immers zal men zo lang mogelijk de rendementsuitkering willen uitstellen tot een later moment, en daarmee kunnen dóórbeleggen met uitgestelde belastingafdracht. Ziet de regering hierin ook een parallel met de keuze voor een vermogenswinstbelasting bij onroerend goed, waarbij het afrekenmoment pas bij verkoop plaatsvindt, wat de overheid naar verwachting 45 miljard kost in de komende decennia, zoals tijdens de behandeling in de Tweede Kamer door de Staatssecretaris werd aangegeven?14 Zou het niet passend zijn ook hierbij een rentevergoeding mee te nemen, zoals bij elke verlate belastingheffing, bijvoorbeeld BTW, al gebeurt?

Voornoemde leden horen vaak dat «wie in box3 zit een slechte belastingadviseur heeft, omdat je toch naar box 2 moet gaan». Niet voor niks heeft box 2 de bijnaam pretbox, volgens de aan het woord zijnde leden. In box 2 geldt een gunstiger tarief, met name door de eerste lage VPB-schijf in combinatie met de mogelijkheid dividenduitkering langdurig te vertragen, zodat verder kan worden belegd.15 Daarnaast is er een zeer grote leenfaciliteit voor de Directeur-grootaandeelhouder (DGA) tot € 500.000 en zelfs onbeperkt wanneer het betrekking heeft op de eigen woning.16 Welke voorzieningen treft de regering om deze kapitaalvlucht te voorkomen? Kan de regering rechtvaardigen dat de (grotere) belegger door box 2 louter te benutten als beleggings- of spaarverhikel, nauwelijks ondernemersrisico draagt en hierdoor beter uit is dan andere beleggers en belastingplichtigen, die immers niet hun belasting kunnen uitstellen op kosten van andere belastingbetalers? Box 2 is daar toch nooit voor bedoeld, maar voor de (kleine) DGA-ondernemers die echte economische activiteiten ondernemen en ondernemersrisico dragen? Deelt de regering het standpunt van deze leden dat het onwenselijk is als kleine spaarders zwaarder worden aangeslagen dan de hoog-vermogenden?

Heeft de regering bij de dekking van de vermogensbelasting overwogen enkele specifieke tarieven voor vermogen te verhogen? Hierbij kan gedacht worden aan de ondernemersvrijstelling beperken tot alleen «echte» ondernemers, het schrappen van het VPB-opstaptarief, de bedrijfsopvolgingsregeling (belastingvrij erven bij aanmerkelijk belang) en de doorschuifregeling (DSO)belasting.

In dit kader stellen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA de vraag of de regering het ermee eens is dat ingrijpende aanpassingen in box 3 niet kunnen worden doorgevoerd zonder gelijktijdige aanpassingen in box 1 en box 2, teneinde per 1 januari 2028 een consistent, rechtvaardig, eenvoudig en doelmatig belastingstelsel te borgen. Waarom heeft de regering adviezen van de Raad van State en de Europese Commissie om de accumulatie van illiquide vormen van vermogen in box 2 en belastingarbitrage tegen te gaan, niet opgevolgd?17 Deelt de regering de opvatting dat een heldere afbakening tussen box 2 en box 3 in ieder geval inhoudt dat uitsluitend voor de aandeelhouder met een belang van 5% of meer in de gewone aandelen uitstel en het lagere tarief beschikbaar zijn, en dat overige aandeelhouders onder box 3 dienen te vallen? De 5% is in 2001 ingevoerd als onderscheidend criterium voor ondernemen versus beleggen. Box 2 is nooit bedoeld als beleggings-box, volgens de aan het woord zijnde leden. Is het niet logischer dat ook iemand die minder dan 5% van de preferente aandelen in een BV houdt in beginsel in box 3 valt? Kan de regering toelichten waarom aandelenbelangen van minder dan 5% van de totale waarde van een onderneming toch aangemerkt kunnen worden als aanmerkelijk belang, terwijl sinds vorig jaar voor de bedrijfsopvolgingsregeling en doorschuifregeling aanmerkelijk belang geldt dat sprake moet zijn van een belang van minimaal 5% van het geplaatste kapitaal?18

Vindt de regering het niet onwenselijk dat hierdoor een groot verschil in fiscale behandeling bestaat tussen ogenschijnlijk vergelijkbare situaties? Is het niet onwenselijk dat beleggers met relatief kleine belangen gebruik kunnen maken van box 2 en zo onder een lager belastingtarief vallen én belastingheffing over de waardestijging van hun aandelen uit kunnen stellen?

Is het wenselijk dat een aandeelhouder met een belang van 1% in gewone aandelen van een bv, die in beginsel onder box 3 valt, toch onder box 2 wordt gebracht wanneer bloed- of aanverwanten een aanmerkelijk belang in diezelfde bv hebben (meesleepregeling en meetrekregeling)?19

Is het wenselijk dat twee aandeelhouders die elk 3% aandelen in een bv houden, fiscaal worden gestimuleerd hun belangen te bundelen in een bv om zo onder het box 2-regime te vallen (stapelstructuur)? Zo nee, dan is het toch opportuun om aandelen uit te sluiten van het box 2-regime, indien deze worden gehouden in een bv die voornamelijk direct of indirect deelnemingen houdt20, en het indirecte belang van de belastingplichtige in die deelneming minder dan 5% van het gestorte kapitaal bedraagt?

Is de regering het eens dat het beperken van het box 2-regime tot gewone aandelen, het afschaffen van de meetrekregeling, de meesleepregeling en de soortbenadering en het uitsluiten van box 2 voor aandeelhouders in stapelstructuren de Nederlandse fiscale behandeling van aandelen consistenter, rechtvaardiger, eenvoudiger en doelmatiger maakt? Zo nee, waarom niet?

Wordt overwogen om de huidige, complexe regeling voor lucratief belang, die voortkomt uit het forfaitaire karakter van box 3, te vervangen door een eenvoudiger systeem, waarbij aandelen in beginsel in box 3 vallen, tenzij sprake is van een belang van meer dan 5% van de gewone aandelen?21

Acht de regering het wenselijk dat een belastingplichtige zijn beleggingen van bijvoorbeeld € 1 miljoen inbrengt in een nieuw opgerichte bv tegen nominaal kapitaal en zo de beschikking heeft tot een bedrag van € 1,5 miljoen winst van de BV zonder box 2 heffing door onbelast het nominaal kapitaal terug te betalen en de BV € 500.000 te laten lenen aan de aandeelhouder?

Overweegt de regering de wet op de inkomstenbelasting en dividendbelasting zo aan te passen dat er geen uitzondering meer is op de hoofdregel, die bepaalt dat het terugbetalen van eigen vermogen belast is, zolang er winst is? Overweegt de regering dit alleen voor bv’s met hoofdzakelijk beleggingen als bezittingen of voor alle bv’s om zo een beter globaal evenwicht te krijgen tussen belasting op arbeid en vermogen en belasting op de ondernemer onder box 1 en de ondernemer onder box 2? Is de regering bereid de wet op de inkomstenbelasting zo aan te passen dat elke lening aan de aandeelhouder door een bv met hoofdzakelijk beleggingen als bezittingen als excessief moet worden beschouwd?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van BBB

Rechtsstatelijkheid en juridische houdbaarheid

  • 1. Hoe waarborgt de regering dat de wet volledig in lijn is met het eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel? Op grond waarvan (jurisprudentie of beoordeling van derden) komt de regering tot de conclusie dat een rechter daar niet anders over oordeelt?

  • 2. Waarop berust de veronderstelde juridische houdbaarheid van het nieuwe stelsel voor box 3 ten opzichte van het eerdere, door de rechter afgewezen stelsel, in het bijzonder voor vermogenscomponenten die illiquide zijn of maar een beperkte onafhankelijke referentie hebben voor waardegroei?

  • 3. Hoe robuust acht de regering de wet tegen toekomstige procedures bij nationale en Europese rechters? Op grond waarvan komt de regering tot deze conclusie? De leden van de BBB-fractie zien het antwoord graag onderbouwd met jurisprudentie of beoordeling van derden.

  • 4. Is er een risico op nieuwe grootschalige bezwaarprocedures? In welke mate denkt de regering die risico’s af te kunnen dekken?

Economische allocatie en marktverstoring

  • 5. Welke empirische onderbouwing heeft de regering voor de aanname dat beleggers hun allocatiegedrag niet in significante mate zullen verschuiven richting illiquide vormen van vastgoed?

  • 6. Ontstaan er «fiscale verschillen» tussen bedrijfsmatige en particuliere kopers op de markten voor vastgoed en (landbouw)grond?

  • 7. Welke impact verwacht de regering op het vermogen van de agrarische sector om te beschikken over (landbouw)grond en voor andere grondgebonden economische activiteiten?

  • 8. Welke effecten worden verwacht op het investeren/desinvesteren van particulieren in landbouwgrond? Welke impact hebben deze effecten op de waarde van (landbouw)grond?

  • 9. Heeft de regering overwogen dat in de agrarische sector privévermogens worden aangehouden in grond en opstallen, die dienen als basis voor een pensioen, door ze bijvoorbeeld te verhuren of verpachten binnen of buiten de familie? Bestaat de mogelijkheid dat deze vermogenscategorie onder het nieuwe stelsel mogelijk niet langer inkomsten opleveren maar juist kostenverhogend uitvalt, in afwijking van de oorspronkelijke bedoeling?

  • 10. Hoe ziet de regering de impact van de wet op actief agrarisch vermogen en op passief agrarisch vermogen?22 Welke instrumenten of overgangsregelingen biedt de regering om de «familiale financiering» van nieuwe generaties boeren mogelijk te houden?

  • 11. Acht de regering het wenselijk dat fiscale motieven zwaarder wegen dan economische productiviteit bij investeringsbeslissingen? Hoe beoordeelt zij in dat licht een mogelijke verschuiving van kapitaal naar vastgoed of een verplaatsing van vermogen naar het buitenland?

  • 12. Zijn er corrigerende maatregelen voorzien indien blijkt dat de vastgoedmarkt oververhit raakt door dit stelsel of wanneer kapitaal migreert naar het buitenland?

Liquiditeitsrisico’s en gedwongen verkoop

  • 13. Welke stresstesten zijn uitgevoerd op scenario’s met sterke koersschommelingen en gelijktijdige belastingheffing? Wat kwam er uit deze testen voor de verschillende marktpartijen en verschillende soorten particuliere vermogens?

  • 14. Hoeveel belastingplichtigen beschikken, op basis van vermogenssamenstelling van de afgelopen jaren, naar verwachting over voldoende liquide middelen om aan de aanslag wegens vermogensaanwas te voldoen? Zijn er inschattingen van de verwachte jaarlijkse liquidatie van posities wegens fiscale verplichtingen en de verwachte betalingsproblemen?

  • 15. Heeft de regering overwogen om verschillende vermogenscategorieën te compartimenteren en meer ruimte te bieden voor een rendementsgerichte heffing, vergelijkbaar met de benadering bij vastgoed? Hierbij kan worden gedacht aan andere illiquide vermogensbestanddelen die aangehouden worden als kaststroom genererende pensioenvoorziening of vermogensbestanddelen met een hoog risico en een lage liquiditeit, zoals kunst.

  • 16. Is een betalingsregeling structureel onderdeel van het nieuwe stelsel of slechts een noodvoorziening? Welke organisatorische en administratieve risico’s ontstaan er bij de Belastingdienst wanneer een groot deel van belastingplichtigen niet tijdig betalen en/of betalingsregelingen aanvragen?

  • 17. Veel burgers beleggen voornamelijk in Nederlandse aandelen en fondsen, volgens de aan het woord zijnde leden. Hoe wordt voorkomen dat gedwongen verkoop in Nederland leidt tot procyclische marktversterking (verkoop in dalende markten) die zich voornamelijk voordoet op de Nederlandse aandelenmarkt?

Symmetrie van verliesverrekening

  • 18. Hoe wordt de tijdswaarde van geld meegenomen bij verliesverrekening over meerdere jaren? Wordt over niet-gecompenseerde verliezen een rentevergoeding door de Belastingdienst verstrekt? Zo ja, op welke wijze wordt deze berekend?

  • 19. Wat is het effect van inflatie op de reële waarde van voorwaartse verliesverrekening? De leden van de BBB-fractie verzoeken de regering het antwoord uit te drukken als rendementsverlies voor de Nederlandse samenleving en gespecificeerd voor verschillende typen vermogens/huishoudens.

  • 20. Bestaat er een plafond of beperking op verliesverrekening? Zo ja, wat betekent dat voor de effectieve druk?

  • 21. Hoe wordt voorkomen dat belastingplichtigen over een langere periode structureel netto meer belasting betalen dan hun cumulatieve rendement rechtvaardigt?

  • 22. Is overwogen om verliezen direct uit te keren (negatieve belasting) in plaats van te verrekenen? Zo ja, waarom heeft de regering hiervan afgezien?

Administratieve lasten en uitvoerbaarheid

  • 23. Wat is de impact van de wet op de jaarlijkse uitvoeringskosten voor burger en Belastingdienst? Hoe verhoudt zich dat tot de opbrengst per vermogenscategorie en het rendement van burgers per vermogenscategorie? Graag ontvangen de aan het woord zijnde leden zowel een kwalitatieve als ook een kwantitatieve toelichting.

  • 24. In hoeverre neemt de administratieve last voor belastingplichtigen toe? In welke mate is deze toename proportioneel? Graag horen voornoemde leden hoe de regering tot deze conclusie is gekomen.

  • 25. Hoeveel datapunten per belastingplichtige moeten jaarlijks aanvullend worden verwerkt in het aanwassysteem? Hoe ligt dat voor verschillende soorten huishoudens, en de verschillende vermogenscategorieën? Zijn belastingplichtigen redelijkerwijs, zonder inschakeling van adviseurs, voldoende in staat aan deze verplichting te voldoen? Hoe komt de regering tot die conclusie?

  • 26. Hoe voorziet de Belastingdienst om te gaan met de onderbouwing en documentatie voor illiquide vermogenscomponenten? Welke bewaar- en bewijslast wordt in dit stadium als risicovol (voor burgers) gezien?

  • 27. Wat is de foutmarge die de inspecteur van de Belastingdienst gaat toestaan bij het toetsen van waarderingen van illiquide vermogenscomponent? Welke gevolgen heeft dit voor eventuele boetes en naheffingen?

  • 28. In hoeverre is de Belastingdienst afhankelijk van externe dataleveranciers voor de verschillende vermogenscategorieën? Graag ontvangen de leden van de BBB-fractie een beschrijving per categorie.

  • 29. Zijn er groepen (bijvoorbeeld ouderen) die onevenredig worden belast in verhouding tot het doenvermogen die van deze groepen verwacht mag worden? Welke analyse is gemaakt en wat waren de conclusies van de regering?

  • 30. Hoe wordt voorkomen dat compliance kosten hoger worden dan de belastingopbrengsten voor kleine vermogens? Hoe beoordeelt de regering het risico dat de kosten voor compliance door grote vermogens absoluut en relatief beter gedragen kunnen worden dan voor kleine vermogens? Graag ook een kwantitatieve onderbouwing

  • 31. Wat zijn de gevolgen voor de Belastingdienst voor de toepassing van de wet voor illiquide vermogenscomponenten? Welke onderzoekswerkzaamheden gaat de Belastingdienst additioneel uitvoeren ten opzichte van de huidige situatie?

  • 32. Welke IT- en arbeidsinzet brengt dat met zich mee en hoe verhoudt zich dat tot de verwachte opbrengst voor deze vermogenscomponenten? Graag ook een kwantitatieve beantwoording.

  • 33. In welke mate kan de Belastingdienst steunen op dataverstrekking van derden (banken, vermogensbeheerders en verzekeraars)? Welke kosten wordt verwacht dat derden maken voor het beschikbaar stellen van deze informatie? Deze leden ontvangen graag een duidelijke, kwantitatieve onderbouwing van deze kosten.

Internationale Aspecten en Concurrentiekracht

  • 34. Welke landen kennen een vergelijkbaar aanwassysteem? Wat zijn daar de economische effecten van allocatiegedrag van belastingplichtigen en wat zijn de heffingsrendementen? Graag ontvangen voornoemde leden ook een kwantitatieve analyse.

  • 35. Hoe sluit de wet aan bij internationale belastingverdragen? Zijn er risico’s geïdentificeerd bij de aansluiting op internationale verdragen? Welke risico’s zijn dat?

  • 36. Is er risico op dubbele belasting voor grensoverschrijdende vermogens? Voor welke vermogenscomponenten is dat mogelijk het geval? Heeft de regering een inschatting van de omvang van dit risico?

  • 37. Hoe verwacht de regering belastingontwijking via buitenlandse structuren tegen te gaan? Zijn er risico’s dat buitenlandse structuren onvoldoende passen binnen het wetgevingskader en derhalve ontwijking ontstaat of voor burgers de compliance onrendabel wordt? Graag ontvangen de aan het woord zijnde leden waar mogelijk ook kwantitatieve antwoorden.

  • 38. Hoe wordt buitenlandse vermogensinformatie verkregen en gecontroleerd? Heeft de Belastingdienst daar ervaring mee en/of capaciteit voor? Welke impact heeft dat op de bezetting en kosten van de Belastingdienst. Graag ontvangen de aan het woord zijnde leden waar mogelijk ook kwantitatieve antwoorden.

  • 39. Hoe verhoudt de effectieve belastingdruk zich internationaal bij gelijke rendementen?

  • 40. Welke signalen zijn ontvangen van internationale bedrijven over het vestigingsklimaat?

  • 41. Acht de regering het risico reëel dat Nederland fiscaal «uit de pas loopt» met andere landen binnen de EU? Wat verwacht de regering dat de impact daarvan zal zijn op de Nederlandse kapitaalmarkten?

Familiekapitaal & incourante aandelen

  • 42. Welke waarderingsmethodiek wordt voorgeschreven bij gebrek aan marktprijzen voor incourante aandelen of familiekapitaal?

  • 43. Hoe vaak verwacht de regering dat geschillen ontstaan over de waardering van incourante aandelen? Welke druk gaat deze hoeveelheid geschillen geven bij de Belastingdienst en/of de rechter?

  • 44. Is er voorzien in een hardheidsclausule bij evidente overwaardering?

  • 45. Hoe wordt rekening gehouden met beperkte verhandelbaarheid (illiquiditeitskorting) in de waardering door de fiscus van illiquide aandelen?

  • 46. Acht de regering het risico reëel dat continuïteit van familiebedrijven in gevaar komt, wanneer het dividendbeleid van familiebedrijven aangepast moet worden om de aandeelhouders de belasting op het ongerealiseerd rendement te kunnen laten betalen?

Impact op pensioen in eigen beheer

  • 47. Wat is het cumulatieve verschil in een particulier pensioenvermogen na 30 jaar onder beide systemen? Hoe verhoudt zich dat tot pensioenvermogen en rendement uit pensioen vanuit pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen (PPI)?

  • 48. In welke mate wordt het rente-op-rente-effect kwantitatief aangetast door jaarlijkse belastingheffing? Heeft de regering een impactanalyse gemaakt van het effect op beleggingsrendementen voor Nederlandse burgers. Wat is de uitkomst daarvan?

  • 49. Hoe verhoudt het antwoord op de voorgaande vraag zich tot het beleid om zelfstandigen zonder personeel (ZZP) meer pensioen te laten opbouwen? In welke mate dwingt de overheid ZZP’ers naar verzekerde regelingen of PPI? Is dit bewust beleid van de regering of slechts een consequentie van de wetgeving?

  • 50. Acht de regering het wenselijk dat private oudedagsvoorzieningen fiscaal worden afgeremd?

  • 51. Zijn er specifieke vrijstellingen of tegemoetkomingen of gecompartimenteerde vermogenscomponenten voor pensioenopbouw overwogen? Zo ja welke, zo nee waarom niet?

Administratieve «doenlijkheid» aan de keukentafel

  • 52. In welke mate is de aangifte nog zelfstandig te doen zonder fiscale expertise? Heeft de regering een toets hierover uitgevoerd? Welke instrumenten biedt de Belastingdienst de burger in het bijzonder voor niet-liquide vermogenscomponenten?

  • 53. Hoeveel burgers zullen naar verwachting professionele hulp nodig hebben? Hoe verhouden de kosten van deze hulp zich tot het vermogen, het rendement op vermogen, de heffing en de risico’s van fouten in de heffing?

  • 54. Acht de regering het risico op fouten en boetes voor burgers toegenomen als gevolg van de voorliggende wetgeving? Hoe gaat de regering daarmee om in communicatie naar inwoners?

«Emigratie-prikkel» van kapitaal

  • 55. Welke empirische gegevens zijn beschikbaar over fiscale emigratie bij vergelijkbare hervormingen? Wat is de verwachting van de fiscale emigratie als gevolg van deze wet? Graag ontvangen de leden van de BBB-fractie een kwantitatieve onderbouwing van de geschatte omvang van de emigratie van vermogen en daarbij de emigratie van (toekomstige) belastinginkomsten.

  • 56. Vermogende ondernemers investeren vaak ook lokaal, volgens de aan het woord zijnde leden. Wat is de verwachte impact op regionale investeringen bij vertrek van vermogende ondernemers?

  • 57. Zijn er compenserende maatregelen overwogen om kapitaal in Nederland te houden? Welke zijn dat?

  • 58. Hoe wordt dit risico specifiek voor grensregio’s beoordeeld, zowel wat betreft kapitaalstromen als economische activiteit en verplaatsing van burgers?

Progressiviteit van de effectieve belastingdruk

  • 59. Hoe veranderen de Lorenzcurve23 en de Gini-coëfficiënt24 van respectievelijk inkomens en vermogensverdeling door deze maatregel?

  • 60. Welke inkomens- en vermogensgroepen gaan er netto op vooruit of achteruit? Graag ontvangen de aan het woord zijnde leden een gedetailleerde cijfermatige analyse over vermogens en inkomensgroepen.

  • 61. Hoe verhoudt de impact op die inkomens- en vermogensgroepen zich tot elkaar? Dat wil zeggen, hoeveel burgers betreft het, welke vermogens horen daarbij, wat is de impact op deze vermogens en op de heffing in vergelijking met het bestaande beleid? Graag ontvangen de leden van de BBB-fractie een uitgebreide kwantitatieve analyse.

  • 62. Is er sprake van marginale drukpieken bij bepaalde vermogensniveaus? Wat betekent dit voor marginale druk op van verschillende typen inkomens en vermogens. Ook hier ontvangen de aan het woord zijnde leden graag kwantitatief antwoord.

  • 63. Wordt de beoogde herverdeling van belastingdruk daadwerkelijk gerealiseerd in de praktijk? Hoe wordt dit dan zichtbaar bij inkomens- en vermogensgroepen? Graag ontvangen de leden van de BBB-fractie een uitgebreide kwantitatieve analyse.

«Vluchtwegen» voor Grote Vermogens

  • 64. Welke fiscale structuren blijven beschikbaar om box 3 te vermijden? Hoeveel vermogen zal zich via deze structuren verplaatsen?

  • 65. Hoe groot is het verschil in effectieve belastingdruk tussen box 2 en box 3 en vanaf welke vermogensomvang verwacht de regering dat een migratie van box 3 naar box 2 zal plaatsvinden?

  • 66. Hoe gaat de regering om met het fenomeen familiebank of familiestichting in dit kader?25

  • 67. Acht de regering het risico reëel dat midden vermogens relatief zwaarder worden belast dan grote vermogens? Heeft de regering instrumentarium waarmee een dergelijk effect geminimaliseerd kan worden?

Symmetrie van Risico en Rendement

  • 68. Hoe wordt door de regering de asymmetrie tussen directe belastingheffing en uitgestelde verliescompensatie gerechtvaardigd? Acht de regering deze asymmetrie maatschappelijk en economisch wenselijk? Graag ontvangen de voornoemde leden een brede reflectie met kwantitatieve onderbouwing

  • 69. Wat verwacht de regering dat het effect is op de risicobereidheid en vermogensliquiditeit van beleggers in Nederland en daarmee op de samenstelling van vermogens?

  • 70. In welke mate wordt hiermee beleggen in vastgoed fiscaal bevoordeeld boven risicodragend kapitaal?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van VVD

De uitvoeringstoets stelt dat het aandeel vooraf ingevulde aangiften daalt van 85% (2022) naar 64% (2028), waardoor 1,4 miljoen burgers zelf gegevens moeten aanleveren.26 Welke concrete maatregelen neemt de regering om te voorkomen dat dit leidt tot een golf van fouten, bezwaarschriften en een overbelaste Belastingdienst, juist in een periode waarin de capaciteit al krap is?

De Staatssecretaris erkent de onrust over de effecten van vermogensaanwasbelasting op het investeringsklimaat.27 Heeft de regering een kwantitatieve analyse laten uitvoeren naar het effect van de vermogensaanwasbelasting op Nederlandse investeringen, vermogensopbouw en eventuele kapitaalvlucht? Zo nee, waarom niet? Is de regering bereid dit alsnog te laten onderzoeken vóór de definitieve behandeling in de Eerste Kamer?

Welke stappen zet de regering om ervoor te zorgen dat Nederland met het voorliggende wetsvoorstel niet uit de pas loopt met andere Europese landen ten aanzien van het investeringsklimaat? Kan de regering uiteenzetten of en hoe andere Europese landen belasting heffen over ongerealiseerde winsten? In hoeverre zijn de ervaringen van andere Europese landen meegewogen in de totstandkoming van het voorliggende wetsvoorstel?

Heeft de regering kwantitatieve scenarioanalyses laten opstellen over de mogelijke effecten van het voorgestelde stelsel op de internationale positionering van Nederland, zoals kapitaalverplaatsing, uitwijkgedrag van beleggers en familiebedrijven en de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland? Is de regering bereid deze analyses met de Eerste Kamer te delen? Hoe borgt de regering dat Nederland met de effectieve druk op vermogen onder dit stelsel niet significant uit de pas loopt met andere EU-lidstaten en voor internationale beleggers en ondernemers een disproportioneel onaantrekkelijk regime creëert?

De voorgestelde hybride-constructie geldt voor een beperkte periode, omdat uiteindelijk sprake zal zijn van een vermogenswinstbelasting. Is er voor de overgangsperiode geen eenvoudiger systeem te bedenken dan het voorliggende systeem? Welk onderzoek is naar alternatieven gedaan, waarbij bijvoorbeeld te denken valt aan een bronheffing?

De regering stelt dat het belasten van onroerende zaken via de vermogensaanwasbelasting tot liquiditeitsproblemen kan leiden.28 Kan de regering toelichten in hoeverre dit liquiditeitsrisico ook geldt voor overige box 3-beleggingen, waarbij belasting wordt geheven over ongerealiseerde waardestijgingen?

Volgens de Hoge Raad heeft het box 3-stelsel vanaf 2017 geen redelijke verhouding tussen de belangen die de wetgever heeft willen dienen (uitvoerbaarheid, realiteit en opbrengst) en de veroorzaakte ongelijkheid.29 Hoe beoordeelt de regering de vermogensaanwassystematiek in dit wetsvoorstel in het licht van deze proportionaliteitstoets? En kan de regering spreken van een stelsel dat voldoende in balans is als het gaat om uitvoerbaarheid, realiteit en opbrengst? Is de regering bereid het voorliggende wetsvoorstel vóór inwerkingtreding te laten onderwerpen aan een aanvullende, onafhankelijke toets op verenigbaarheid met artikel 1 Eerste Protocol EVRM en het gelijkheidsbeginsel, bijvoorbeeld door een externe deskundigencommissie? Zo nee, waarom niet?

Gelet op de reeks Hoge Raad-arresten over het box 3-stelsel vanaf 201730, de kritiek van de Raad van State31 en de consultatiereacties32 op de complexiteit van de voorgestelde vermogensaanwassystematiek hebben de leden van de VVD-fractie de volgende vragen. Is de regering zich bewust van het risico dat invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 opnieuw zal leiden tot een golf van juridische procedures, bijvoorbeeld over de waardering van illiquide beleggingen, toerekening van rendementen of de proportionaliteit van de heffing? Welke concrete maatregelen treft de regering om dit risico te minimaliseren? Hoe wordt de uitvoerbaarheid getoetst aan de lessen uit eerdere box 3-geschillen? Hoe weegt de regering het reële risico dat de Hoge Raad dit nieuwe stelsel – mede gelet op eerdere arresten over box 3 – (op onderdelen) opnieuw in strijd acht met het EVRM, en welke noodscenario’s zijn uitgewerkt voor het geval dat zich opnieuw grootschalig rechtsherstel opdringt? Hierbij kan gedacht worden aan alternatieve heffingssystemen, tijdelijke regelingen of begrotingsreserves.

Bij de beoordeling van het voorliggend wetsvoorstel kan worden gekeken naar randvoorwaarden van rechtmatigheid, uitvoerbaarheid, doenbaarheid voor burgers en bedrijven en de mate waarin het stelsel als billijk wordt ervaren. De Belastingdienst heeft aangegeven dat er een toename is van complexiteit en dat het voor 1,4 miljoen belastingplichtigen complexer wordt om belastingaangifte te doen.33 Hoe beoordeelt de regering het wetsvoorstel in het licht van deze randvoorwaarden, in het bijzonder ten aanzien van de uitvoerbaarheid, doenbaarheid en proportionaliteit tussen doel en middelen?

De Raad van State wijst in haar advies op de patstelling die is ontstaan door de beperkte ruimte voor de vormgeving van het stelsel voor box 3.34 Daarbij benadrukt de Raad van State dat de wetgever ook rekening moet houden met doelmatigheid, de uitvoering, efficiëntie en draagvlak. Kan de regering per genoemd aspect uiteenzetten hoe deze belangen zijn meegenomen bij de totstandkoming van het wetsvoorstel?

Gegeven dat de Belastingdienst in de uitvoeringstoets al wijst op forse personele, organisatorische en ICT-risico’s35, hoe verantwoordt de regering dat desondanks wordt gekozen voor een stelsel dat aantoonbaar complexer is dan de huidige tijdelijke regeling?

De memorie van toelichting stelt dat het aantal fte’s dat nodig is om het voorliggende wetsvoorstel uit te voeren niet tijdig kan worden geworven.36 Welke risico’s brengt dit met zich mee en hoe worden deze gemitigeerd? Welke groep medewerkers zijn het moeilijkst om te werven en welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat dit de uitvoering bemoeilijkt?37 Is de regering bereid in de wet een expliciet go/no-go-beslismoment op te nemen, waarbij de inwerkingtreding automatisch wordt uitgesteld als vooraf vastgelegde mijlpalen op het gebied van ICT-realisatie, personele capaciteit en testen niet tijdig worden gehaald? Zo nee, waarom niet?

Hoe beoordeelt de regering het feit dat conjunctuurverschillen de opbrengst in box 3 beïnvloeden? Welke risico’s brengt dit met zich mee en hoe kunnen deze risico’s budgettair worden opgevangen?

De Raad van State wijst in haar advies op negatieve gevolgen voor draagvlak en acceptatie van de heffingssystematiek, met risico op rechtelijke procedures.38 De Raad voor de Rechtspraak bevestigt de toename van werklast hierdoor.39 Hoe beoordeelt de regering dit in het licht van de memorie van toelichting, waarin wordt gesteld dat het stelsel aansluit bij de maatschappelijke wens en dat voldoende draagvlak het stelsel robuuster maakt?40

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

In de samenleving wordt, volgens de leden van de D66-fractie, ervaren dat arbeid fiscaal meer wordt belast dan vermogen. In de samenleving is ook een breed gevoelde wens om arbeid minder te belasten en vermogen juist meer te gaan belasten. Het minder fiscaal belasten van arbeid zou een positieve invloed kunnen hebben op de arbeidsproductiviteit, die daardoor een positieve bijdrage zou kunnen hebben op het verdienvermogen van Nederland. De D66-fractie heeft hierover de volgende vragen aan de regering. Waarom heeft de regering de belasting op arbeid in 2026 licht verhoogd, in plaats van, zoals de afgelopen jaren het geval was, licht verlaagd? Zou het tegen de achtergrond van belasten naar draagkracht, met het oog op het evenredigheidsbeginsel, niet meer in de rede liggen om de belasting op arbeid licht te verlagen en de belasting in box 2 en box 3 te verhogen?

Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zou bij uitstek kunnen voorzien in (het begin van) een harmonisering van de belastingtarieven. Waarom heeft de regering de mogelijkheid tot een lichte harmonisering van de belastingtarieven in de 3 boxen niet benut in het voorliggende wetsvoorstel? Kan de regering reflecteren op de fiscale gevolgen in een situatie dat box 2 zou worden opgeheven en zou worden ondergebracht in box 3?

Een belastingstelsel gebaseerd op werkelijk rendement ten opzichte van het forfaitaire stelsel is complex voor de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst. De Belastingdienst verwacht uitvoeringsproblemen en verwacht tot en met 2030 oplopend 1.023 fte in dienst te moeten nemen en ingaand 2031 structureel 877 fte, waarvan 205 waarderingsdeskundigen en taxateurs, omdat meer vraagstukken over de waardering van vermogensbestanddelen wordt verwacht. De Belastingdienst stelt daarbij dat het werven van deze waarderingsdeskundigen en taxateurs nagenoeg onhaalbaar is. Voor het behandelen van bezwaarschiften en beroepszaken zijn structureel 80 fte nodig. Als gevolg hiervan belopen de extra uitvoeringskosten € 112 miljoen per jaar.41 Het zou dus zo maar kunnen zijn dat de Belastingdienst de komende jaren niet in staat is de uitvoeringscapaciteit op orde te krijgen. Welke gevolgen heeft dit op de controlecapaciteit van de Belastingdienst om, juist in een periode dat er inzake het stelsel van box 3 een grote wijziging komt, te borgen dat zo mogelijk intensief gecontroleerd kan worden op de juiste en volledige invulling van aangiften inkomstenbelasting, met name door burgers met vermogen in box 3, niet zijnde saldi van bank- en spaarrekeningen?

De regering geeft aan dat deze werving in vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet nog niet gerealiseerd is, waardoor het niveau van dienstverlening en toezicht onvoldoende zal zijn.42 Wat zijn de gevolgen van onvoldoende capaciteit voor dienstverlening en toezicht? Welke aangiften inkomstenbelasting zullen, in het licht van de schaarse controlecapaciteit door de Belastingdienst, prioriteit krijgen voor een controle?

Deelt de regering de zorgen van de leden van de D66-fractie dat onvoldoende dienstverlening en toezicht door de Belastingdienst de bereidheid bij belastingplichtigen om te voldoen aan fiscale aangifteverplichtingen kan doen afnemen? En zo ja, welke oplossingen ziet de regering om dit risico te mitigeren?

Voor 1,4 miljoen belastingplichtigen met een inkomen in box-3 zal een administratieplicht gaan gelden over vermogensgegevens die niet automatisch door de Belastingdienst van Nederlandse financiële instellingen worden ontvangen. De Belastingdienst schat dat bij 60% van de belastingplichtigen in box 3 kan worden volstaan met de door de Belastingdienst vooraf ingevulde gegevens. Voor 40% van de belastingplichtigen in box-3 is dat niet het geval.43 In veel gevallen zullen deze belastingplichtigen genoodzaakt worden een administratiekantoor of een fiscalist in te huren voor het op de juiste wijze kunnen invullen van de aangifte inkomstenbelasting met ingang van 2028. De regering stelt dat «de regering van mening is dat de voorgestelde administratie- en bewaarplicht, die voor een deel van belastingplichtigen geldt, evenwichtig en doenlijk is44 Bedoelt de regering te stellen dat voor de 40% van de 1,4 miljoen box 3-belastingplichtigen, dus voor alle 560.000 belastingplichtigen, de administratieve- en bewaarplicht evenwichtig en uitvoerbaar is? Zo niet, voor welke belastingplichtigen ziet de regering dat de administratieve- en bewaarplicht fors zullen toenemen? Ziet de regering mogelijkheden om voor deze groep het doenvermogen te verbeteren? Zo ja, hoe?

De regering geeft aan dat bij een heffing gebaseerd op werkelijk rendement meer gegevens nodig zijn dan bij een forfaitaire heffing. Naar verwachting kunnen 2,5 miljoen van de 3,9 miljoen belastingplichtigen in box-3 een vooraf ingevulde aangifte verwachten. De andere 1,4 miljoen belastingplichtigen zullen meer informatie moeten aanleveren en in een fors aantal gevallen extra kosten maken om de aangifte door een deskundige te laten invullen.45 Hoe voorkomt de regering dat deze groep structureel afhankelijk wordt van betaalde fiscale dienstverlening? Hoe houdt de regering rekening met burgers met beperkte financiële of administratieve vaardigheden? Heeft de regering een inschatting in hoeverre de toename van administratieplicht leidt tot meer fouten en geschillen? Zo ja, hoe wordt de Belastingdienst daarop voorbereid?

Hoe weegt de regering het risico op gedragseffecten bij belastingplichtigen met vastgoed in box 3, die mogelijk geneigd zijn investeringsuitgaven als onderhoudskosten te verantwoorden? Hoe doelmatig kan de Belastingdienst hierop controleren?

De leden van de D66-fractie steunen de overgang van een forfaitair stelsel naar een hybride belastingstelsel op basis van vermogensaanwas en werkelijk rendement. Immers, veel belastingplichtigen in box 3 worden nu belast met een fictief rendement over hun spaarrekeningen. Een fictief rendement dat hoger is dat het werkelijke rendement op spaarrekeningen in het geval de saldi van de spaarrekeningen hoger zijn dat de huidige vrijstelling. Voor veel (kleine) spaarders is het wetsontwerp een verbetering ten opzichte van het heffen van belasting over fictief rendement.

Voornoemde leden zien het wetsvoorstel als een noodzakelijk tussenstation. Om het belastingstelsel in de toekomst eerlijker te maken, kan worden toegewerkt naar een evenwichtiger stelsel waarin de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Kan de regering de zienswijze van de leden van de D66-fractie onderschrijven?

Bij het belasten op basis van vermogensaanwas moet het vermogen een waardering krijgen. Kan de regering nader toelichten hoe de waarde van illiquide middelen praktisch wordt bepaald? Welke rol heeft de belastingplichtige hier zelf in en hoe wordt omgegaan met waarderingsverschillen tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst? Verwacht de regering dat het bij iedere vorm van vermogen in box 3 mogelijk is een waardering te bepalen, zonder realisatie van dit vermogen? Verwacht de regering hierbij een toename van bezwaarprocedures over waarderingen?

In het toekomstige box 3 stelsel blijft de nu bestaande vrijstelling voor bos- en natuurterreinen en landgoederen van toepassing. De regering motiveert deze continuering in het nieuwe stelsel omdat het de doelstelling is om het natuurschoon en cultureel erfgoed als geheel te bewaren en versnippering tegen te gaan en het stimuleren van ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur.46 Gebouwen op NSW-landgoederen vallend in het box-3 stelsel, zijn niet vrijgesteld van vermogenswinstbelasting. Bij schenking of vererving moet worden afgerekend over de aanwas van het vermogen.47 In hoeverre verhoudt zich de maatschappelijke betekenis van particuliere instandhouding van historische buitenplaatsen en landgoederen48 zich met het voorliggende wetsvoorstel, specifiek met betrekking tot de vermogensaanwasbelasting en fiscale afrekening bij schenking en vererving?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van CDA

Kan de regering inzicht geven in de berekening waarop de genoemde budgettaire derving van 2 tot 2,4 miljard euro per jaar bij verder uitstel is gebaseerd?49 Is een groot deel van die derving inmiddels niet al verdwenen door de sterke toename van het totale vermogen in Box 3 in de afgelopen jaren? Daarnaast loopt nog de massaalbezwaarplusprocedure, waarin wordt beoordeeld of ook belastingplichtigen die geen bezwaar hebben gemaakt in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering.

Is bij de berekening van de budgettaire derving ook rekening gehouden met kosten die de invoering van dit wetsvoorstel met zich meebrengt? De noodzakelijke uitbreiding van de Belastingdienst (900 fte) kost toch ook bijna een miljard euro?50 Is er daarnaast door de regering rekening gehouden met een scenario waarin 2028 of 2029 een negatief beursjaar is, waardoor er geen belastinggeld binnenkomt?

Een belangrijk uitgangspunt in het Nederlandse belastingrecht is dat belastingheffing in beginsel plaatsvindt bij realisatie van inkomen. De leden van de CDA-fractie zijn altijd voorstander geweest van belasting van werkelijk rendement, op basis van volledige vermogenswinstbelasting. Het kabinet geeft aan deze wet als een tussenstap daarnaartoe te zien. Die stellingname leidt tot enkele vragen.

Banken hebben aangegeven dat ze met twee jaar meer tijd een volledige vermogenswinstbelasting kunnen invoeren. Waarom kiest de regering er niet voor om met uitzondering van de verbeteringen voor de vastgoedsector het huidige – onvolmaakte – systeem te behouden totdat er een alternatief ligt dat pas belasting heft bij daadwerkelijke realisatie?

Fiscale stabiliteit en voorspelbaarheid zijn, volgens de aan het woord zijnde leden, cruciaal voor burgers en ondernemers. Hoe kunnen zij zeker weten dat deze wet voor maximaal twee jaar zal gaan gelden? Is al een begin gemaakt met de contouren van de definitieve wet?

Binnen box 2 en bij andere vermogenswinsten wordt pas belasting geheven bij daadwerkelijke vervreemding of uitkering. Het enkel houden van een vermogensbestanddeel met waardestijging leidt daar niet tot heffing. Het voorgestelde box 3 stelsel creëert dus een onderscheid tussen vergelijkbare vormen van vermogensgroei. Hoe raakt dit volgens de regering aan het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 van de Grondwet?

Verwacht de regering op basis van het Kerstarrest van de Hoge Raad dat het juridische onderscheid tussen vastgoed (belast bij verkoop) en aandelen (jaarlijks belast) vanuit het oogpunt van ongelijkheid houdbaar is?

De vastgoedbijtelling is gebaseerd op een forfaitair rendement. Ook dit is moeilijk te rijmen met het uitgangspunt dat alleen werkelijk genoten inkomen wordt belast. Er zullen vooral vakantiewoningen in privébezit belast worden, omdat de vastgoedbijtelling alleen geldt als de woning voor minder dan 90% wordt verhuurd. Waarom is er door de regering niet voor gekozen om deze bijtelling op werkelijk eigen gebruik te baseren?

Het voorliggende wetsvoorstel leidt tot een forse toename van complexiteit en administratieve lasten voor met name de kleine vermogenshouders, zo stellen de aan het woord zijnde leden. Dit vraagt bijna het onmogelijke van hun doenvermogen. Heeft de regering eenvoudigere oplossingen overwogen, waarbij met name de kleine vermogenshouders worden ontzien?51

Kan de regering aangeven wat dit wetsvoorstel betekent voor administratieve lastendruk voor het MKB? Kan de regering daarnaast al iets zeggen over de voortgang van het onderzoek naar de mogelijkheid om aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting te belasten?

Kan de regering reflecteren op gevolgen van de voorgestelde wet voor de doelen van de Natuurschoonwet als papieren waardestijgingen van landgoederen en kastelen in box 3 worden belast middels vermogensaanwasbelasting?

De Belastingdienst zal met 900 fte moeten worden uitgebreid.52 Is dat proportioneel? En hoe groot schat de regering de kans in dat de benodigde expertise ook daadwerkelijk en tijdig te vinden is?

De aan het woord zijnde leden zijn van mening dat langetermijninvesteringen risicobereidheid, geduld en tolerantie voor volatiliteit vergen. Is met het voorliggende wetsvoorstel rekening gehouden met het economische risico van een defensiever investeringsgedrag?

Particuliere beleggers in box 3 worden zwaarder belast dan vermogenden die de mogelijkheid hebben om via hun bv fiscaal gunstiger constructies te creëren. Dat schuurt met het beginsel van rechtsgelijkheid. Waar vermogende particulieren en grote corporaties de middelen hebben om fiscale constructies te bedenken of uit te wijken naar het buitenland, lijkt de rekening terecht te komen bij de kleine beleggers. Klopt het dat het voorliggende wetsvoorstel juist mensen zonder groot startkapitaal raakt, terwijl echt rijke mensen met veel vermogen gemakkelijk kunnen schuiven naar box 2?

Hoe reëel schat de regering het risico dat ook Nederland te maken gaat krijgen met een Noorwegen-effect53, volgens deze leden te weten een rem op de investeringsbereidheid en het ondernemerschap en een miljardenvlucht van kapitaal met als resultaat uiteindelijk ook minder belastinginkomsten?

Hoe weegt de regering de kans dat mensen een bv gaan oprichten en zo hun vermogen naar box 2 gaan brengen?

Heeft de regering onderzocht in hoeverre de verwachte opbrengsten van het voorliggende wetsvoorstel opwegen tegen mogelijke negatieve effecten op investeringen, ondernemerschap en vestigingsklimaat?

Techondernemingen met hun hoofdkantoor in Nederland geven aan de aan de fractieleden van CDA aan dat zij door de beoogde wijzigingen in box 3 (nu al) problemen ervaren rondom het behoud en de werving van personeel. Zij zien als risico dat (een deel van de cruciale) functies op het hoofdkantoor niet in Nederland hierdoor niet kan worden ingevuld. Wordt dit beeld herkend door de regering?

Wat zijn effecten van het nieuwe stelsel voor box 3 op de heffingskorting en de toeslagen? Is overwogen om box 3-aanwas niet automatisch te laten doorwerken in toeslagen en heffingskortingen, om terugvorderingen en stapelingseffecten te voorkomen?

Vastgoed biedt fiscale voordelen die voor jonge starters en jonge gezinnen onbereikbaar zijn. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat deze jonge starters en jonge gezinnen sparen of beleggen om vermogen op te bouwen. Is bij de totstandkoming van het wetsvoorstel rekening gehouden met het feit dat jonge starters en gezinnen op de huidige woningmarkt op andere wijze geen woning meer kunnen bemachtigen?

Zonder correctie raakt het voorliggende wetsvoorstel mensen met een relatief beperkte buffer, die juist proberen iets op te bouwen, het hardst. Zijn er volgens de regering nog alternatieven denkbaar, om juist deze groep tegemoet te komen?

Kan trouwen in gemeenschap van goederen leiden tot heffing van belasting, omdat eigendom van de helft van een onroerende zaak overgaat naar de andere partner? Zo ja, is dit gevolg ook de bedoeling geweest?

De vastgoedbijtelling voor woningen die minder dan 90% van de tijd worden verhuurd, raakt met name eigenaren die een vakantiewoning in privébezit hebben. Waarom is hiervoor gekozen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van PVV

Kan de regering precies aangeven hoe nu het forfaitaire rendement is berekend en wat de waarden waren voor de afgelopen vijf jaar? Graag ontvangen de fractieleden van de PVV een kwantitatief antwoord.

Bij de huidige Tegenbewijsregeling kan de belastingplichtige kiezen tussen belasting op basis van forfaitair rendement en het werkelijk rendement. In hoeverre is de keuze voor de tegenbewijsregeling bepalend geweest voor de huidige keuze van een Vermogensaanwasbelasting? Zijn er ervaringen te destilleren uit de problemen die belastingbetalers op dit moment ondervinden met de belasting op werkelijk rendement, zoals mogelijk met de werkwijze volgend uit de Wet Tegenbewijsregeling? Zijn er bijvoorbeeld al rechtszaken in het verschiet in het kader van de Wet Tegenbewijsregeling die hun schaduw vooruitwerpen op de vermogensaanwasbelasting?

Is de regering het met de leden van de PVV-fractie eens dat vermogensaanwasbelasting demotiverend is voor investeerders in startups?

Is de regering zich ervan bewust dat startups zeer lang illiquide kunnen blijven, waarbij de lengte van die illiquiditeit afhangt van het terrein waarop de startup werkzaam is? Hierbij kan gedacht worden aan startups in biotechniek tegenover startups in informatica.

De leden van de PVV-fractie hebben ook enkele vragen en opmerkingen over de vastgoedbijtelling. Naar mening van de aan het woord zijnde leden betreft dit eigenlijk gewoon een huurwaardeforfait, een papieren rendement, te weten: 3,35% op de WOZ-waarde, ongeacht het gegeven of het vastgoed al dan niet leegstaat. Zelfs bij weinig of geen huuropbrengst wordt de burger belast alsof er sprake is van 3,35% rendement, volgens de aan het woord zijnde leden. In het nader rapport lezen voornoemde leden dat het bestedingsaspect volledig buiten beschouwing gelaten wordt54, hetgeen volgens deze leden maakt dat de vastgoedbijtelling niet alleen fictief is, maar ook nog eens per definitie te hoog. Immers, de mogelijkheid tot gebruik wordt belast en niet het daadwerkelijke gebruik. Deelt de regering deze opvatting? Graag ontvangen de leden van de PVV-fractie een onderbouwing van de beantwoording.

Tot slot hebben de leden van de PVV-fractie zorgen over de gehanteerde methodiek waarop het rendement op vastgoed in box 3 wordt bepaald, de berekening op basis van de WOZ-waarde. Deelt de regering de zorgen van de leden van de PVV-fractie dat toepassing van de voorgenomen systematiek van vastgoedbijtelling een explosie van bezwaarprocedures in de hand werkt? Deelt de regering de zorg dat dit kan leiden tot een onwerkbare praktijk, waarin meer bezwaarprocedures leidt tot meer werk bij gemeenten en dus langere doorlooptijden? Kan de regering een inschatting maken van de te verwachten toename in de werkdruk bij de Belastingdienst voor de afwikkeling van de bezwaarschriften?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van SP

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en verwelkomen het feit dat er nu eindelijk een wetsvoorstel ligt dat belastingheffing op werkelijk rendement in box 3 mogelijk maakt, en dat die heffing in beginsel gebaseerd is op vermogensaanwas. Voornoemde leden hebben nog een aantal vragen over het wetsvoorstel, alsmede naar aanleiding van de brief van de Staatssecretaris van Financiën d.d. 6 maart 2026 over een voorgenomen aanpassing van het wetsvoorstel.55

Basisprincipe van de wet: vermogensaanwasbelasting (versus vermogenswinstbelasting)

In de memorie van toelichting lezen de leden van de SP-fractie onder andere de volgende motivatie voor de gekozen methode van belastingheffing in box 3 (ten opzichte van een vermogenswinstbelasting): «Een vermogenswinstbelasting leidt tot meer verstorende gedragseffecten en introduceert kwetsbaarheden in (de duurzaamheid van) de belastinggrondslag. Daarom verdient een vermogensaanwasbelasting als hoofdregel de voorkeur.»56 Voornoemde leden delen deze voorkeur en vragen zich af waarom het huidige kabinet de keuze in het voorliggende wetsvoorstel wil terugdraaien om over te gaan tot een vermogenswinstsystematiek (zoals opgenomen in het coalitieakkoord57 en bevestigd door de Staatssecretaris in zijn brief van 6 maart 2026). Dit brengt ons tot de volgende vragen:

  • 1. Hoe verhoudt het voornemen van het coalitieakkoord om over te gaan tot een vermogenswinstbelasting zich tot het voorliggende wetsvoorstel en de inhoudelijke motivering daarvan?

  • 2. In hoeverre onderschrijft de regering nog steeds hoofdstuk 6.1 van de memorie van toelichting en de daarin gemaakte analyse, of neemt zij daar (gedeeltelijk) afstand van in het licht van het genoemde voornemen?58

  • 3. Is de regering het eens met de analyse in de memorie van toelichting dat een vermogenswinstbelasting leidt tot meer verstorende gedragseffecten en significante risico’s met zich meebrengt ten aanzien van de belastinggrondslag?

  • 4. Erkent de regering dat veel economen, mede om de in de memorie van toelichting genoemde redenen, een vermogensaanwasbelasting economisch superieur achten aan een vermogenswinstbelasting?

  • 5. Erkent de regering het risico dat een vermogenswinstbelasting niet alleen kan leiden tot het uitstellen van het betalen van belasting, maar ook tot afstel en daarmee tot een structureel lagere belastingopbrengst? Zo ja, waarom heeft de regering dan toch een voorkeur voor een vermogenswinstbelasting? Zo nee, welk empirisch bewijs heeft de regering hiervoor?

  • 6. Hoe weegt de regering in dit verband de eigen observatie (in de memorie van toelichting, p. 47) dat mogelijkheden tot belastinguitstel constructies kunnen uitlokken en dat «de ervaring met de Wet inkomstenbelasting 1964, evenals in het huidige boxenstelsel bij box 2 en ervaringen in het buitenland leren dat dit risico zeer reëel is», en dat tevens «het risico op belastingontduiking» toeneemt?

  • 7. In een recent opinieartikel in het Financieele Dagblad stellen de economen Van den Dool, Gerritsen en Jacobs: «Een vermogenswinstbelasting geeft prikkels aan beleggers om meer in aandelen te beleggen dan in spaargeld of obligaties, hun aandelen ondoelmatig lang aan te houden en de verkoop van deze aandelen te timen in die jaren waarin een lager tarief wordt verwacht – of deze verkoop juist naar voren te halen bij een verwacht hoger tarief.»59 Onderschrijft de regering deze argumenten, en zo nee, op welke gronden meent de regering deze argumenten te kunnen weerleggen?

  • 8. Is de regering het met de leden van de SP-fractie eens dat de hierboven genoemde overwegingen een belangrijke rechtvaardiging vormen voor de keuze voor een vermogensaanwasbelasting als hoofdregel?

  • 9. Hoe rechtvaardigt de regering dat voor verschillende vermogenscategorieën (zoals effecten versus onroerende zaken) verschillende heffingssystematieken gelden? Welke gedragsreacties en mogelijke arbitrage-effecten verwacht de regering als gevolg van deze verschillen, en acht zij deze wenselijk?

  • 10. Hoe beoordeelt de regering het dat zij een wetsvoorstel verdedigt waarin een vermogensaanwasbelasting als uitgangspunt wordt gekozen, terwijl zij tegelijkertijd in het coalitieakkoord aangeeft deze keuze te willen herzien? Staat dit niet op gespannen voet met de vereiste consistentie en betrouwbaarheid van wetgeving?

  • 11. Welke tijdlijn heeft de regering in gedachten voor het uitvoeren van het voornemen uit het coalitieakkoord om over te gaan tot een vermogenswinstsystematiek? Hoe verhoudt zich dit tot de invoering van het voorliggende wetsvoorstel?

Alternatieven en verdelingseffecten

  • 12. De leden van de SP-fractie lezen dat de regering kiest voor een vlak belastingtarief van 36%. Tegelijkertijd blijkt uit de memorie van toelichting dat circa 0,4% van de bevolking ongeveer 30% van het box 3-vermogen bezit. Waarom kiest de regering voor een vlak tarief, gegeven deze sterke vermogensconcentratie? Deelt de regering de opvatting dat een progressief tarief beter zou aansluiten bij het draagkrachtbeginsel en kan bijdragen aan een rechtvaardiger verdeling van de belastingdruk?

  • 13. De regering geeft in de memorie van toelichting aan waarom niet is gekozen voor een generieke vermogensbelasting. Kan de regering nader toelichten in hoeverre de genoemde bezwaren, zoals mogelijke kapitaalvlucht en internationale concurrentie, empirisch zijn onderbouwd en in hoeverre deze zich daadwerkelijk hebben voorgedaan in landen waar dergelijke belastingen bestaan of recent zijn afgeschaft?

  • 14. In hoeverre acht de regering het consistent om een vermogensbelasting af te wijzen vanwege mogelijke ontwijking, terwijl een vermogenswinstbelasting, naar de mening van de leden van de SP-fractie, juist expliciet prikkels tot uitstel en ontwijking introduceert?

Voorgenomen wijzigingen en beleidsconsistentie

De leden van de SP-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de aankondiging van de regering – nog voordat de behandeling in de Eerste Kamer daadwerkelijk ter hand was genomen – om het nog niet aangenomen wetsvoorstel te willen wijzigen. Daarbij hebben deze leden de volgende vragen over het proces:

  • 15. De regering wordt door deze leden verzocht toe te lichten wat precies de aanleiding was voor de aankondiging met voorstellen te komen tot aanpassing van het wetsvoorstel?60 Kan daarbij worden aangegeven met welke organisaties en personen contact is geweest over de Wet werkelijk rendement box 3 sinds het aanbieden van het wetsvoorstel op 19 mei 2025, en welke rol deze contacten hebben gespeeld in de besluitvorming, in het bijzonder bij het voornemen het wetsvoorstel aan te passen?

  • 16. Op welk moment en op welke wijze heeft er in deze periode rondom box 3 afstemming plaatsgevonden tussen de Staatssecretaris en de Minister van Financiën?

  • 17. Kan de regering bevestigen dat mededelingen over belastingwetgeving en fiscaal beleid in beginsel worden gedaan door de verantwoordelijke Staatssecretaris, en aangeven hoe de rolverdeling tussen Minister en Staatssecretaris in dit dossier wordt geborgd?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van ChristenUnie en het lid van de fractie OPNL

Dit wetsvoorstel heeft een tijdelijk karakter en vormt een tussenstap richting de door de leden van de ChristenUnie-fractie al langer gewenste structurele hervorming van het belastingstelsel, waaronder een nieuw stelsel voor box 3. Kan de regering duiden waarom de Wet tegenbewijsregeling box 3, eventueel aangevuld door een mogelijkheid tot kostenaftrek, niet volstaat om gedurende de hele overgangsperiode naar een vermogenswinstbelasting gebruikt te worden? Daarnaast vragen de leden aan de regering waarom er na het Kerstarrest niet gelijk is gekozen voor een wetstraject voor een volledige vermogenswinstbelasting, in plaats van twee tijdelijke wetten?

Waarom is besloten om enkel voor startups en scale-ups een regime van vermogenswinstbelasting in te richten, en niet voor andere ondernemingen met een grote mate van illiquiditeit, zoals familiebedrijven en kapitaalverzekeringen?

Ook hebben de voornoemde leden enkele vragen over investeringen in ondernemingen. Voor aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen geldt in afwijking van de hoofdregel een vermogenswinstbelasting. Desondanks worden door verschillende partijen zorgen geuit dat het wetsvoorstel negatieve gevolgen kan hebben voor investeringen in ondernemingen, zoals durfkapitaal of beleggingen zonder aanmerkelijk belang. Is onderzocht welke gevolgen het wetsvoorstel kan hebben voor het Nederlandse vestigingsklimaat? Zo ja, kan de regering deze effecten toelichten? Is daarnaast onderzocht welke gevolgen het wetsvoorstel heeft voor investeringen in ondernemingen die niet als startende ondernemingen kwalificeren? Zo ja, wat zijn de bevindingen?

Daarnaast hebben de aan het woord zijnde leden nog enkele vragen over achterwaartse verliesverrekening. Het wetsvoorstel maakt uitsluitend verrekening van verliezen met toekomstige box 3-inkomsten mogelijk («carry forward»). Achterwaartse verliesverrekening («carry back») is niet voorzien. De voorwaartse verliesverrekening doet, net zoals de tegenbewijsregeling, een beroep op het doenvermogen van burgers: er wordt verwacht dat zij zelf hun verliezen bijhouden. Ziet de regering hier risico’s voor massale fouten bij de belastingaangifte van burgers? Hoe worden burgers hierover voorgelicht? Kan de regering toelichten waarom achterwaartse verliesverrekening niet mogelijk wordt gemaakt?

In de memorie van toelichting wordt geschreven: «De introductie van een heffing op basis van werkelijk rendement heeft grote uitvoeringsgevolgen. Het voorstel zorgt voor een toename van complexiteit en betekent dat toezicht en handhaving lastiger worden. Voor uitvoering van een heffing op basis van werkelijk rendement is aanzienlijke uitbreiding van de personele capaciteit van de Belastingdienst nodig.»61 Hoe beoordeelt de regering de haalbaarheid van het aantrekken van deze circa 1.000 extra fte, gezien de krapte op de arbeidsmarkt? Wat is de impact op de uitvoering indien deze fte niet tijdig of slechts gedeeltelijk kunnen worden geworven? Wat zijn de kosten van deze uitbreiding? Is in kaart gebracht welke overige uitvoeringskosten (bijvoorbeeld ICT-kosten) gemoeid zijn met dit wetsvoorstel? Zo ja, kan de regering deze specificeren?

De uitvoering van dit wetsvoorstel vraagt ook veel van burgers. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk constateert «dat de additionele regeldrukeffecten voor burgers substantieel zijn. In het advies wordt aangegeven dat voor de meeste belastingplichtigen de regeldrukkosten vooral bestaan uit het inlezen in de nieuwe systematiek.»62 Op welke wijze worden burgers – aanvullend op de reguliere informatiekanalen – ondersteund bij het juist en tijdig kunnen voldoen aan hun aangifteverplichtingen?

Het percentage vooraf ingevulde aangiftes daalt van 85% naar 64% bij de invoering van het nieuwe stelsel in 2028. Blijft dat percentage structureel op dat niveau, of zijn er technologische ontwikkelingen denkbaar waarbij het aantal vooraf ingevulde aangiftes weer op het oude peil kan komen?

Een groter aandeel belastingplichtigen dat zelf gegevens moet aanleveren leidt tot een hogere druk bij de Belastingdienst, met name de Belastingtelefoon. Hoe is de Belastingdienst hierop voorbereid, in het licht dat het aantal fte zich in de eerste vijf jaar onder het gewenste niveau bevindt?

De tijd om gegevens in te winnen bij gegevensleveranciers wordt verkort naar maximaal twee maanden.63 Door de toename van het aantal gegevens en de kortere tijd om deze te controleren op juistheid, neemt volgens deze leden het risico toe dat de gegevens niet tijdig opgenomen kunnen worden in de vooraf ingevulde aangifte (VIA). Deze leden vragen de regering waarom het tijdsraam niet hetzelfde kan blijven of zelfs verlengd, als dit massale onjuistheden bij de VIA kan voorkomen?

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer heeft de regering aangegeven dat eventuele financiële dekking voor amendementen binnen box 3 zelf dient te worden gevonden.64 Kan de regering uiteenzetten waarom eventuele budgettaire maatregelen uitsluitend binnen box 3 moeten worden gedekt?

Door verhoging van de rendementen moet box 3 het huidige begrotingstekort van circa € 9 à 10 miljard opvangen, terwijl deze box voorheen ongeveer € 3 à 5 miljard opbracht.65 Hoe beoordeelt de regering deze toename in het licht van het uitgangspunt van budgetneutraliteit? Door de verschuiving naar vermogensaanwasbelasting ten opzichte van forfaits wordt het nieuwe stelsel ook afhankelijker van de economische conjunctuur. Hoe zeker is het dat die verwachte opbrengst op peil blijft, zoals in de simulatie is geraamd tot en met 2058? Is hierin enkel met gemiddelden gewerkt of is er ook rekening gehouden met verschillende conjunctuurscenario’s, zoals achtereenvolgende jaren van economische krimp?

Tenslotte hebben de leden van de fractie van de ChristenUnie enkele vragen over de uitvoering van de motie die de regering verzoekt een regeling uit te werken met een voorwaardelijke vrijstelling voor NSW-landgoederen.66 Hoe is de regering voornemens om deze uit te werken en op welke termijn?

Een laatste vraag met betrekking tot de heffing onroerende zaken: valt onder onderhoudskosten ook de bijdrage aan de VvE?

In het wetsvoorstel blijft een aantal ficties overeind staan, zoals het fictieve inkomen dat een eigenaar van een vakantiehuis wordt geacht te hebben genoten, maar dat helemaal niet aansluit bij het werkelijke gebruik van dat vakantiehuis. Ziet de regering hier juridische risico’s wanneer de WOZ-waarde niet overeenkomt met de werkelijke waarde? Zo ja, worden voor zulke casussen overwogen een tegenbewijsregeling in te voeren?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van FVD

In verschillende artikelen wordt er kritiek geuit op het ontbreken van inflatiecorrectie, waardoor volgens hen ook rendement dat slechts koopkrachtbehoud oplevert, wordt belast.67 Kan het belasten van nominale vermogensaanwas (zonder inflatiecorrectie) een opdrijvend effect hebben op overheidsbestedingen, omdat de overheid via monetair- en begrotingsbeleid ook inflatie veroorzaakt en vervolgens via box 3 belast over de daardoor ontstane (deels illusoir geachte) waardestijging?

In hoeverre kan het ontbreken van inflatiecorrectie in box 3 – waarbij deels belasting wordt geheven over een door overheidsbeleid gestimuleerde geldontwaarding – juist leiden tot erosie van het maatschappelijke en politieke draagvlak voor het belastingstelsel ondanks aanpassingen op effecten van de systematiek?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van JA21

De leden van de de JA21-fractie vragen of de regering het met hen eens is dat het belasten op rendement eigenlijk gecorrigeerd zou moeten worden voor inflatie.

Kan de regering toelichten in hoeverre de uitbreiding van de grondslag, onder meer door het betrekken van huurinkomsten en het beperken van saldering van schulden en bezittingen, leidt tot een hogere belastingdruk voor bepaalde groepen belastingplichtigen? Voorts vragen deze leden hoe de grondslagverbreding zich verhoudt tot het uitgangspunt van een rechtvaardige belastingheffing naar draagkracht. In hoeverre acht de regering het nieuwe stelsel, mede in het licht van deze verbreding, evenwichtig en proportioneel?

Er zijn, volgens de aan het woord zijnde leden, grofweg twee categorieën van belastinggrondslagen: inkomen en vermogen. Nu vermogen hoger wordt belast, kan de regering uiteenzetten hoe werkenden en ondernemers erop vooruitgaan?

De leden van de JA21-fractie vragen de regering te verduidelijken hoe de belastingheffing over vastgoed in box 3 precies uitwerkt in relatie tot huurinkomsten en de vastgoedbijtelling. Kan de regering bevestigen dat bij volledig verhuur van vastgoed geen vastgoedbijtelling wordt toegepast en uitsluitend het werkelijke rendement (waaronder huurinkomsten na aftrek van kosten) wordt belast? Hoe werkt dit bij gedeeltelijke verhuur of tijdelijke leegstand? Klopt het dat in die gevallen zowel huurinkomsten als een (tijdsevenredige) vastgoedbijtelling in aanmerking worden genomen?

In hoeverre acht de regering deze systematiek verenigbaar met het uitgangspunt van belastingheffing naar werkelijk rendement? Immers, een vastgoedbijtelling verhoudt zich in de ogen van de leden van de JA21-fractie slecht tot een belasting op werkelijk rendement.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van Volt

De belangrijkste voorliggende vraag voor de leden van de Volt-fractie is waarom op dit moment wordt gekozen voor een vermogensaanwasbelasting met uitzonderingen in plaats van een volledige vermogenswinstbelasting? Meer specifiek stellen de leden van de Volt-fractie de regering de vraag op welke termijn het mogelijk zou moeten zijn om in box 3 tot een volledige vermogenswinstbelasting over te gaan. Kan de regering aangeven welke voorbeelden er zijn vanuit andere landen van een vermogensaanwasbelasting? Zijn hiervan evaluaties bekend? Kan de regering deze evaluaties met de Eerste Kamer delen?

Als één van de specifieke redenen om voor een vermogensaanwasbelasting te kiezen, geeft de regering aan dat de gegevensverstrekking via ketenpartners over rendement op aandelen gemakkelijker zou zijn dan bij een vermogenswinstbelasting.68 Het is de aan het woord zijnde leden niet duidelijk waarom het gecompliceerd zou moeten zijn voor de ketenpartners om een historisch overzicht van aan- en verkopen te verstrekken van aandelen op first-in-first-out basis. Welke specifieke bezwaren hebben de ketenpartners gemaakt, anders dan het lang moeten bewaren van gegevens? Is hierbij ook met minder traditionele ketenpartners dan banken gesproken, bijvoorbeeld beleggingsplatforms? Heeft de regering overwogen Nederlandse belastingbetalers een platform of app aan te bieden waar zij hun gegevens op zouden kunnen bijhouden? Op welke wijze heeft de regering het vertrouwen in de oprechtheid van de Nederlandse belastingbetaler afgewogen tegen de noodzaak van een controlesysteem?

Bij de beschrijving van de vermogenswinstbelasting in algemene zin worden simpele rekensommen gebruikt in de zin dat belasting zou moeten worden geheven op het verschil tussen verkopen en aankopen.69 Kan de regering duidelijk maken hoe hierbij rekening wordt gehouden met inflatie? Immers een euro van 2028 is minder waard dan een euro van 2020.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van SGP

Het huidige wetsvoorstel, dat ondertussen wordt herzien, bevat een vermogensaanwasbelasting. Dit resulteert erin dat de belastingplichtige mogelijk het vermogensbestanddeel, waarover vermogensaanwasbelasting wordt betaald, liquide moet maken om de middelen te hebben om de belasting te voldoen, waarna het vermogensbestanddeel ook uit de portefeuille verdwijnt en de belastingplichtige de vermogensaanwas voor de toekomst derft. Dit ontmoedigt beleggingen, volgens de leden van de SGP-fractie, en zou daarom een dempend effect kunnen hebben op de economie.

Betekent het feit dat dit wetsvoorstel toch werd voorgelegd als overbruggingsmaatregel niet dat er fundamentele aanpassingen aan het belastingstelsel en de uitvoeringsorganisatie nodig zijn om die veerkrachtig en flexibel, en daarmee toekomstbestendig te maken?

De Raad van State concludeerde dat het voorgestelde stelsel voor Box 3 het belastingstelsel verder compliceert en veel vraagt van het doenvermogen van belastingplichtigen.70 Dit staat haaks op de ambities van de afgelopen kabinetten die beiden het vereenvoudigen van het belasting- en toeslagenstelsel als ambitie in het regeerakkoord hadden opgenomen.71 In de afgelopen jaren zijn hier ook moties voor ingediend, die brede steun genoten. Hoe verhoudt het wetsvoorstel zich tot die vereenvoudigingsambitie? Is de regering voornemens om met deze vereenvoudigingsambitie rekening te houden bij het ontwerpen van de novelle?

De Raad van State concludeerde ook dat een integrale visie op het belasten van vermogen in de drie belastingboxen ontbreekt.72 De leden van de SGP-fractie constateren tevens dat er behoefte is in de samenleving aan een eenvoudig, eenduidig en voorspelbaar belastingstelsel. Hoe reflecteert de regering hierop? Is de regering voornemens een integrale visie op het belasten van vermogen te ontwikkelen?

Een van de beweegredenen om het huidige stelsel niet voort te zetten, is het financiële nadeel van € 2,4 miljard per jaar.73 Kost het continu wijzigen van regels en systemen onderaan de streep niet meer? Wat levert deze tussentijdse oplossing nu echt op? Blijkt hieruit niet de noodzaak van een algehele bezinning op de overheidsfinanciën?

Een aspect van de complexiteit van het dossier betreft de uitvoeringsbezwaren van de Belastingdienst, die met name voortkomen uit de beperkingen van de ICT-infrastructuur.74 De Belastingdienst werkt, volgens de aan het woord zijnde leden, met een verouderd, traagwerkend en complex systeem. Is het huidige systeem voldoende opgewassen tegen dit tijdelijke vraagstuk over box 3 vraagstuk? Welk perspectief biedt de regering hierin aan de Belastingdienst?

Eén van de bezwaren van de leden van de SGP-fractie heeft te maken met de hogere lastendruk bij vererving of schenking van verpachte landbouwgronden. Indien deze gebeurtenis optreedt, moet er belasting betaald worden over de ongerealiseerde vermogensaanwas, terwijl het vermogen vastzit in een pachtcontract. Dit zet ofwel de positie van de verpachter financieel onder druk, ofwel de aantrekkelijkheid van het verpachten van gronden. Hoe ziet de regering dit? Hoe wordt de motie die hierover in de Tweede Kamer is aangenomen uitgevoerd?75

De leden van de fractie van de SGP zijn ook kritisch op de voorgestelde vastgoedbijtelling.76 Zeker in specifieke situaties komt deze bijtelling niet overeen met de werkelijkheid, volgens de leden van de SGP-fractie. Hierbij kan gedacht worden aan vakantiehuizen voor eigen gebruik. Er zijn dan geen huurinkomsten, waaruit belasting afgedragen kan worden. Hoe ziet de regering dit in het licht van het draagkrachtbeginsel? Waarom is voor deze gevallen opnieuw gekozen voor een forfaitair rendement?

Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie van 50PLUS

In Elsevier Weekblad (EW) van 8 maart 2026 heeft Prof. Dr. Leo Stevens het volgende opgemerkt: «De belastingheffing over nog niet gerealiseerde vermogensaanwas vormt een uitvoeringstechnische zeer complicerende toevoeging, evenals het afschaffen van de carry-back benadering77 Stevens geeft daarom de voorkeur aan een vermogenswinstbelasting benadering bij de toekomstige box 3, omdat het eenvoudiger is om deze te laten aansluiten bij de fiscale winstbepaling voor ondernemers van box 1 en box 2, die is gebaseerd op goedkoopmansgebruik. Stevens merkt op dat het daarbij gaat om het draagkrachtbeginsel, het realisatiebeginsel en het werkelijk genoten rendement. Bij een vermogensaanwasbelasting is het rendement niet genoten.

Is de regering het met Stevens eens dat de vermogensaanwasbelasting een zeer complicerende toevoeging is, evenals het afschaffen van de carry-back en daarom de vermogenswinstbelasting de voorkeur heeft voor de toekomstige box 3? Zo nee, waarom niet?

Het lid van de fractie van 50-PLUS heeft naar aanleiding van het betoog van Stevens ook een aantal andere vragen. De complexiteit van het bronnenstelsel en de grootschalige fiscale ontwijkingsmogelijkheden rond het inkomen uit vermogen waren aanleiding tot heroverweging en leidde tot invoering van het boxenstelsel. In 2001 was het voornemen om op termijn weldegelijk een vermogenswinstbelasting in te voeren. Deze overstap naar 3 boxen werd duidelijk ingegeven door budgettaire motieven. Handhaving van de opbrengst was leidend. Stevens was betrokken bij de keuze voor boxenstelsel. Dit was een «second best-oplossing», maar ook een «verlegenheidsoplossing», die beoogde tijd te kopen om een infrastructuur te bouwen voor een effectieve vermogenswinstbelasting, aldus Stevens.78 Het voornoemde lid concludeert uit dit betoog dat het echt de bedoeling was dat de vermogenswinstbelasting er zou komen.

Klopt het dat het bij de invoering van het boxenstelsel de bedoeling was tijd te kopen voor invoering van vermogenswinstbelasting? Zou herinvoering van het stelsel van voor 2001, maar dan aangevuld met vermogenswinstbelasting, alsnog te overwegen zijn? Zo nee, waarom niet? Het ontbreken van een vermogenswinstbelasting was een belangrijke reden box 3 in het boxenstelsel van 2001 in te voeren.

De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) komt tot de volgende conclusie in de brief van 27 juni 2025: «al met al is de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs niet overtuigd van de argumenten om te kiezen voor een vermogensaanwasbelasting in plaats van een vermogenswinstbelasting. Zwaarder dient te wegen dat de vermogenswinstbelasting beter aansluit bij het draagkrachtbeginsel, het werkelijk rendement en in overeenstemming is met stelsels in andere westerse landen».79 Het lid van de fractie van 50PLUS ontvangt graag een reactie van de regering op deze stelling van de NOB.

In de eerdergenoemde reactie van de NOB staat ook: «Het draagkrachtbeginsel is waarop de inkomstenbelasting – en dus ook box 3 – is gebaseerd. Het is conceptueel kwestieus of bij vermogensaanwasbelasting kan worden gesproken van inkomen».80 Het voornoemde lid ontvangt van de regering graag een reactie op deze uitlating van de NOB.

Op de volgende conclusies van het lid van de 50PLUS-fractie ontvangt voornoemd lid graag een reactie van de regering:

  • Dat het budgettaire argument, dat de opbrengst uit box 3 gelijk moest blijven, tot gevolg had dat bij alle volgende wijzigingen bij box 3 voorop stond dat het niet mocht leiden tot budgettaire derving.

  • Dat het verlagen van het fictieve rendement percentage van 4% blijkbaar niet bespreekbaar was totdat de rente op spaarrekeningen door het ijs zakte met zelfs percentages van 0%.

  • Dat het fictieve percentage voor sparen moest worden verlaagd, wat heeft geleid tot een compenserende ingreep van toenmalig Staatssecretaris Wiebes voor een gestaffeld rendementspercentage van 2,7% tot 6,8% op overig vermogen.

De beer was los en de Hoge Raad moest eraan te pas komen om het een halt toe te roepen met het Kerstarrest.81 Het tarief was opgeschroefd naar een bizarre 8%, zo stelt het lid van de fractie van 50PLUS. Vervolgens werd in een nieuwe wet het forfait aangevuld met de tegenbewijsregeling.82 Naar de mening van het voornoemde lid is dat een ramp voor de Belastingdienst, omdat veel nieuwe informatie nodig was van belastingplichtigen, waar een apart voorgedrukt formulier nodig was.

Graag een reactie en toelichting van de regering op het voorgaande betoog van dit lid, dat het budgettaire aspect leidend was en daarmee het onderliggende beleid betrof.

De NOB vraagt in zijn brief van 27 juni 2025 aandacht voor «een aantal knelpunten en vraagstukken, die het risico in zich dragen strijdig te zijn met fundamentele rechtsbeginselen, jurisprudentie van de Hoge Raad en het Unierecht. Een stelsel van vermogensaanwasbelasting doet afbreuk aan het draagkrachtbeginsel. Ook lijkt hiermee gekozen te worden voor een systematiek die haaks staat op jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij als uitgangspunt geldt dat het werkelijk rendement moet worden belast ».83

De regering wordt gevraagd of zij kan bevestigen dat hier sprake is van strijdigheid met fundamentele rechtsbeginselen, jurisprudentie van de Hoge Raad en het Unierecht, en afbreuk doet aan het draagkrachtbeginsel. Zo niet, dan ontvangt dit lid graag een toelichting.

De NOB stelt in de brief van 27 juni 2025: «In de systematiek van een vermogensaanwasbelasting kan belasting verschuldigd zijn ondanks dat het voordeel of nadeel zich nog niet definitief heeft geopenbaard. Het is immers wel denkbaar dat zich in jaar 1 een waardestijging voordoet van 10 die in jaar 2 weer teniet wordt gedaan, zodat er bij verkoop in jaar 2 een bate van nihil is. Ondanks dat in jaar 1 geen definitief voordeel is behaald, wordt de waardestijging toch belast. Het bezwaar van de systematiek is in de kern tweeledig. Enerzijds doet deze systematiek afbreuk aan het draagkrachtbeginsel, het beginsel waarop de Inkomstenbelasting – en dus ook box 3 is gebaseerd. In jaar 1 doet zich immers geen draagkrachtvermeerdering voor en is conceptueel kwestieus of kan worden gesproken van inkomen. Daarnaast lijkt deze systematiek in tegenspraak met jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij als uitgangspunt geldt dat het werkelijke rendement wordt belast. De Hoge Raad maakt daarmee duidelijk dat een systeem dat te ver afwijkt van het belasten van werkelijk rendement in strijd kan komen met het EVRM84

Het lid van de 50PLUS-fractie verzoekt de regering in te gaan op dit betoog van de NOB en daarbij uit te leggen dat er geen strijdigheid is met eigendomsrecht en de jurisprudentie van de Hoge Raad?

Dit lid vraagt ook een reactie op het internationaal vergelijkend onderzoek van PwC, in opdracht van de NOB, naar de mogelijkheden voor een belastingheffing op basis van werkelijk rendement. «De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs heeft internationaal onderzoek verricht naar de vraag of een dergelijke systematiek van een vermogensaanwasbelasting in andere westerse landen voorkomt. Daaruit blijkt dat in geen enkel ander land een dergelijke heffing voorkomt. We zijn wederom een vreemde eend in de bijt. De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs vraagt zich af of het verstandig is af te wijken van alle andere landen, ook omdat andere landen een vermogenswinstbelasting wel rechtvaardig en passend vinden85

De regering wordt verzocht te verklaren waarom Nederland als enige land ter wereld een vermogensaanwasbelasting wenst. Voor een land als Nederland is een level playing field van belang, bijvoorbeeld voor het investeringsklimaat. Een vermogensaanwasbelasting leidt tot dubbele belastingheffing. Waarom dan toch een vermogensaanwasbelasting?

De NOB constateert in de brief van 10 maart 2026 met een nadere reactie: «De maatschappelijke onrust heeft er inmiddels toe geleid dat de Minister van Financiën heeft aangekondigd om het voorstel dat aan de Eerste Kamer was gezonden, te herzien. Hoewel het wetsvoorstel slechts beperkt is gewijzigd sinds de indiening bij de Tweede Kamer en de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs in haar brief van 27 juni 2025 daar al uitgebreid op is ingegaan, geven de recente ontwikkelingen de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs aanleiding om opnieuw haar visie te geven op de meest prangende onderwerpen86

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt waarom de door de Minister aangekondigde herziening niet grondiger wordt aangepakt door de regering, gelet op de gebleken onrust.

Het uitgangspunt van dit lid is dat een vermogenswinstbelasting rechtvaardiger is. Er is immers cash in handen na realisatie van het vermogensbestanddeel. Als er geld op de rekening staat, dan geldt een inkomensbegrip gebaseerd op werkelijke draagkrachtvermeerdering. Bij de vermogensaanwasbelasting moet belasting betaald worden uit ánder vermogen. Waardestijging gevolgd door waardedaling, toch moet je belasting betalen over de waardestijging, terwijl onzeker is of je later ook werkelijk winst maakt bij verkoop. Je betaalt belasting over «papieren» inkomen dat betaald moet worden uit daadwerkelijk genoten inkomen.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of de regering het met de bovenstaande redenering eens is? Zo niet, waarom niet? En is de regering met dit lid van mening dat de vermogensaanwasbelasting een belasting is op papieren waardestijging, die betaald moet worden uit ander inkomen, terwijl dat altijd betaald behoord te worden uit het inkomen dat wordt belast.

Graag ontvangt het aan het woord zijnde lid een reactie op wat de NOB schrijft in de brief van 10 maart 2026: «Een vaak genoemd nadeel van de vermogenswinstbelasting is het z.g. «lock-in effect»: het uitstellen van realisatie om belastingheffing uit te stellen.»87 De NOB wijst nogmaals op het rechtsvergelijkend onderzoek uit 2025 naar het «lock in» effect in andere landen. Een van de conclusies van het rapport was: «Het voorkomen van het «lock in» effect is in de meeste landen geen punt van specifieke aandacht88

De regering wordt gevraagd of zij het met het lid van de fractie van 50PLUS eens is dat als andere landen geen punt maken van het «lock-in effect», het toch niet logisch is om het «lock-in effect» aan te voeren als een dragend beginsel voor vermogensaanwasbelasting?

In de Nota naar aanleiding van het verslag staat: «De nadelen van dit «lock in» effect zijn deels budgettair.» ... «Daarnaast zijn er ook belangrijke economische nadelen. Zo creëert een vermogenswinstbelasting een fiscaal voordeel voor vermogenstitels waarvan het rendement bestaat uit waardestijging in plaats van rente, dividend en verstoort daarmee de portfolio keuze ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting89

De regering wordt verzocht uit te leggen waarom er sprake zou zijn van een voordeel bij vermogenswinstbelasting als waardestijging niet direct wordt belast, aangezien er toch nog geen voordeel is in de zin van gerealiseerd inkomen. Erkent de regering dat er fiscaal een fundamenteel verschil is tussen rente en dividend die ontvangen en gerealiseerd zijn enerzijds en waardestijging, die niet ontvangen en gerealiseerd zijn, anderzijds? Ook wordt de regering verzocht uit te leggen waarom waardestijging op gelijke wijze dient te worden belast als ontvangen dividend en rente.

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt de regering te erkennen dat fiscaal gezien een vermogenswinstbelasting een logisch verlengstuk is van het belasten van dividend en rente, omdat bij beide soorten wordt uitgegaan van daadwerkelijke realisatie. Dit in tegenstelling tot een vermogensaanwasbelasting, waarbij geen sprake is van daadwerkelijke realisatie. Zo niet wordt de regering om een toelichting gevraagd. Is de regering het met dit lid eens dat fiscaal bezien dit doorslaggevend moet zijn? Zo nee, waarom niet?

Het lid van de 50PLUS-fractie wijst op het volgende antwoord van de regering in de nota naar aanleiding van het verslag: «Tot slot wijs ik erop dat de regering bij de uitwerking van het voorstel oog heeft voor de «scherpe randjes» van een vermogensaanwasbelasting. Daarom is een uitzondering gemaakt op de hoofdregel bij de vermogensaanwasbelasting voor vermogenstitels waar het jaarlijks belasten van de waardestijging de meeste bezwaren oproept, namelijk onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen90

Dit lid vraagt de regering of er dan geen scherpe randjes zijn aan de vermogensaanwasbelasting zelf. Bij de vermogensaanwasbelasting zijn er de meeste bezwaren voor vastgoed, maar blijkbaar zijn er toch ook bezwaren voor aandelen. Zijn deze laatste dan ondergeschikt? Het aan het woord zijnde lid verzoekt om die bezwaren van de vermogensaanwasbelasting te benoemen, met name ook vanuit fiscaal oogpunt. Hebben economische argumenten de doorslag gegeven boven de fiscale? Zo ja, waarom? Of zijn het toch de budgettaire argumenten? Zo nee, waarom niet?

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of de regering erkent dat vanuit de neutraliteit de vermogenswinstbelasting de voorkeur verdient in box 3, omdat box 1 en box 2 werken op basis van vermogenswinstbelasting? Zo nee, waarom niet?

Dit lid wijst erop dat box 1 en box 2 geen vermogensaanwasbelasting kennen. Het moment van heffing wordt bepaald door goedkoopmansgebruik met realisatiebeginsel en dat is verwant met de vermogenswinstbelasting. Box 1 en 2 sluiten aan bij vervreemding, niet bij aanwas. Bij belastbaarheid van inkomen in box 1 en 2 is steeds sprake van uitstel dat maatschappelijk en fiscaal breed wordt aanvaard met wachten tot heffing op het moment van realisatie.

Is de regering het met de bovenstaande fiscale uitgangspunten eens? Zo niet, dan wenst het lid van de 50PLUS-fractie daarop graag een toelichting. Ook vraagt dit lid toe te lichten waarom bij box 3 volgens de regering wel sprake is van uitstel en verlies van gewenste heffing, en waarom kabinet uitstel van heffing door de regering niet geaccepteerd wordt in box 3, terwijl bij box 1 en box 2 dat wel wordt geaccepteerd en daar pas belast wordt bij realisatie of verkoop.

Onderkend wordt dat een vermogenswinstbelasting complexer is, omdat gegevens moeten worden bewaard. Maar als de banken systemen ontwikkelen voor de vermogenswinstbelasting zijn de burgers ontlast. Het feit dat banken nog tijd nodig hebben om gegevens aan te leveren voor een voor ingevulde aangifte bij de vermogenswinstbelasting is volgens het lid van de 50PLUS-fractie geen gegronde reden voor een vermogensaanwasbelasting.

Is de regering het eens met dit lid dat voor de aangifte vennootschapsbelasting van een bv rapportage moet worden verricht op basis van vermogenswinstbelasting? Dat geldt nota bene ook voor ondernemers in box 1. Bij niet courante bezittingen zijn er bij een vermogensaanwasbelasting veel waarderingsvraagstukken. Die zijn er niet bij een vermogenswinstbelasting want daar geldt de verkoopopbrengst.

Sommige economen pleiten weliswaar voor de vermogensaanwasbelasting, maar deelt de regering de mening van dit lid dat de vijf volgende fiscale argumenten zwaarder moeten wegen? Het gaat om rechtvaardigheid, inkomensbegrip, neutraliteit, minder verstoring en internationale vergelijking. Graag ontvangt het lid van de 50PLUS-fractie een uitleg waarom deze vijf fiscale argumenten niet zwaarder hebben gewogen?

Eigen gebruik eigen woning, vakantiewoning

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt of het fictieve forfaitaire rendement van 3,35% wel past in een stelsel gebaseerd op werkelijk – gerealiseerd – rendement? Volgens dit lid staat het ter beschikking staan niet gelijk aan genieten. Dit lid vraagt of er een risico is dat de Hoge Raad te zijner tijd tot de opvatting komt dat nieuwe stelsel niet meer uitgaat van werkelijk rendement maar van fictief rendement bij eigen gebruik van 3,35%.

De regering baseert het forfait van 3,35% op drie hoofdargumenten:

  • 1. Objectiviteit en voorspelbaarheid: het forfait van 3,35% is vast en bekend.

  • 2. Economisch voordeel: eigen gebruik van een vakantiewoning levert economisch voordeel.

  • 3. Proportionaliteit: de heffing staat in verhouding tot het vermogen en is voorzien van vrijstellingen en heffingskortingen.91

Volgens de regering vormt dit geen arbitraire inbreuk op eigendom (EVRM art. 1 Protocol 1). Hier dreigt echter dat het forfaitair rendement ongelijk is aan het werkelijke voordeel. Het forfait van 3,35% kan systematisch hoger zijn dan het werkelijke voordeel.

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt of de regering erkent dat voor mensen die een woning slechts een paar weken per jaar gebruiken, de werkelijke waarde van gebruik minder dan € 1.000 kan zijn, terwijl het forfait op een woning van bijvoorbeeld € 300.000 maar liefst € 10.050 bedraagt.

Het EVRM vereist dat belastingmaatregelen proportioneel zijn. Als de belasting (veel) hoger is dan het economische voordeel, kan dit worden gezien als disproportioneel. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie (en EHRM) oordeelt dat een eigendomsbeperking niet onevenredig mag zijn.92 Is de regering bekend met deze jurisprudentie?

Het lid van de fractie van 50PLUS vraag of de regering erkent dat bijvoorbeeld AOW’ers met een laag pensioen en een vakantiewoning kunnen aantonen dat het forfait financieel zwaar drukt, terwijl het werkelijke voordeel nihil is. Erkent de regering dat er in de voorliggende wet onvoldoende differentiatie voor kwetsbare groepen bestaat, omdat er geen rekening wordt gehouden met lage pensioeninkomens en/of kleine liquiditeitsposities?

Dit lid stelt het volgende: Een vermogensbestanddeel genereert alleen inkomen als het als zodanig is aangewend. Dat is niet het geval bij een eigen woning voor eigen gebruik, dat is een consumptieve besteding. De keuzevrijheid van de burger weegt zwaarder en een burger kan ook kiezen voor een lager betaalde baan. Dit lid is dan ook van mening dat de woning voor eigen gebruik buiten een vermogensaanwasbelasting moet blijven, net als andere consumptieve uitgaven als dure auto’s, luxe jachten, et cetera.

De regering wordt door het lid van 50PLUS verzocht uit te leggen waarom de tweede woning belast moet worden in box 3 en of de hoogte van de bruto huurwaarde van 3,35% beter onderbouwd kan worden. Graag ontvangt dit lid ook een onderbouwing waarom dit voor eigen gebruik bij een vakantiewoning adequaat is, gelet op het feit dat 19% van de woningen, vakantiewoningen zijn. Vakantiewoningen hebben in de regel een lagere waarde. Kan worden uitgelegd waarom voor woningen de WOZ-waarde als startwaarde geldt op 1 januari 2028, terwijl voor overig vastgoed de waarde in het economisch verkeer geldt? Dat is een ongerechtvaardigde benadeling van woningen ten opzichte van overig vastgoed. Waarom deze discriminerende behandeling, zo vraagt dit lid.

Het lid van de 50PLUS-fractie verzoekt om een betere onderbouwing voor het gebruik van de WOZ-waarde als startwaarde van woningen op 1 januari 2028. Is de reden dat de WOZ-waarde gemakkelijk op te vragen is door de Belastingdienst? Zo nee, ontvangt dit lid graag een toelichting waarom niet.

Graag ontvangt het lid van de 50PLUS-fractie een reactie op zijn suggestie om een opslag van bijvoorbeeld 10% toe passen op de WOZ of om tegenbewijs te mogen leveren voor een hogere waarde dan de WOZ. Is de regering bereid een dergelijke opslag toe te passen? Zo nee, waarom niet? Bij de aanvang van het boxenstelsel in 2001 is indertijd immers een opslag van 20% toegepast.

In de motie Van Eijck wordt gepleit voor het niet toepassen van de WOZ-waarde, omdat die afwijkt van de werkelijke waarde.93 Is de regering in lijn met de motie Van Eijck bereid alsnog over te gaan naar werkelijke waarde in plaats van WOZ-waarde voor woningen?

De regering wordt door het lid van 50PLUS verzocht uit te leggen waarom het logisch en consistent is om als startwaarde de WOZ-waarde te nemen en niet de werkelijke waarde, terwijl bij latere verkoop wel de werkelijke waarde en niet de WOZ-waarde wordt genomen?

Carry back

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt of de regering erkent dat het weglaten van de carry-back een fundamentele weeffout is en dat dit gewoon onderdeel moet zijn van het voorstel. Zo nee, waarom niet? Kan daarbij worden uitgelegd waarom de carry-back uit het wetsvoorstel is gelaten, gegeven het feit dat box 1 een carry-back kent van drie jaar en box 2 en de vennootschapsbelasting een carry-back van één jaar kennen.

Voorts heeft dit lid volgende vragen over de carry-back. Is het niet opnemen van de carry-back een inbreuk op het inkomensbegrip, als alleen het door de jaren heen gerealiseerde inkomen kan worden belast? Is de regering alsnog bereid een carry-back van een jaar op te nemen, in lijn met aangenomen motie Eerdmans/Bikker?94 Waarom zou het nu ineens wel mogelijk zijn een carry-back op te nemen, terwijl het tot dusver een ingrijpende structuurwijziging was die pas gerealiseerd kon worden na 2028? Klopt het dat het budgettaire argument pas in een later stadium werd genoemd en was dit niet feitelijk het doorslaggevende argument?

Budgettair

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt een reactie op de stelling van de NOB in de brief 27 juni 2025: «De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs constateert dat keuzes in hoge mate worden bepaald door budgettaire afwegingen of de wens direct alle gegevens in de voor ingevulde aangifte «VIA» te hebben. Zo lijkt de keuze een vermogenswinstbelasting in te voeren voor alle vermogensbestanddelen nagenoeg volledig te zijn ingegeven door budgettaire afwegingen, het niet direct kunnen aanleveren van informatie voor de VIA door ketenpartners en veronderstelde en niet onderbouwde gedragseffecten, het zgn. «lock-in effect»95

Sommige economen zijn voor een vermogensaanwasbelasting, omdat het direct en dus veel eerder geld oplevert voor de Staat, zo stelt het voornoemde lid. Tamminga lijkt dit aan te geven in zijn artikel in Wynia’s Week van 10 februari 2026: «Uw vermogen is een makkelijke melkkoe – en de overheid is verslaafd aan de miljardenopbrengst».96

Hoe kijkt de regering naar de redenering van Tamminga en is zij bereid een nieuwe schatting te maken van de kosten van de huidige regeling? Graag ontvangt het lid van de 50PLUS-fractie een toelichting op of de kosten in de tegenbewijsregeling niet te hoog ingeschat zijn en wat tot op heden de kosten van de tegenbewijsregeling betreffen. In hoeverre dalen die kosten al reeds door het verlagen van het tarief van 8% naar 6%?

De regering spreekt over een tussenstation.97 Een tussenstation wijst op tijdelijkheid. Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt of de regering erkent dat bij belastingen «tijdelijk» vaak een permanent karakter heeft. Zeker als nog eens miljarden gevonden moeten worden voor de dekking van de overstap. Is de regering zich ervan bewust dat dit budgettair als een zwaard van Damocles hangt boven de breed gedragen politieke wens voor algemene vermogenswinstbelasting? Zo ja, dan verzoekt dit lid toe te lichten welke maatregelen de regering in dit verband neemt.

Is de regering zich ervan bewust dat de vermogensaanwasbelasting gewoon blijft bestaan als er geen dekking gevonden kan worden voor de overstap van vermogensaanwasbelasting naar vermogenswinstbelasting, en dat er vooralsnog geen vermogenswinstbelasting komt? Hierop ontvangt het aan het woord zijnde lid graag een reactie.

Vindt de regering het uit democratisch oogpunt wenselijk dat lang uitstel van vermogenswinstbelasting dreigt, terwijl de Staten-Generaal dat stelsel al over twee jaar in werking wenst? Ook ontvangt het lid van de 50PLUS-fractie graag een toelichting op wat de regering ervan vindt dat de vermogensaanwasbelasting dan feitelijk een eindstation is.

De regering wordt verzocht in te gaan op het volgende betoog van het voornoemde lid. Het gaat hier om twee vergelijkbare budgettaire kosten. Het laten voortbestaan van de huidige regeling zou € 2,4 mld. per jaar kosten, in twee jaar tijd een bedrag van bijna € 5 mld. Het invoeren van een carry-back kost 3,4 mld. extra. Dat is met de extra uitvoeringskosten van € 1 mld. ook bijna € 5 mld per jaar. Waarom worden de kosten van € 5 mld. aangevoerd voor het voortbestaan van de huidige tegenbewijsregeling, maar worden de kosten van de carry-back van in totaal ook bijna € 5 mld. niet genoemd bij de verdediging van de vermogensaanwasbelasting? Erkent de regering dat deze ramingen met grote onzekerheid zijn omgeven?

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt of de regering bereid is de banken nu al te vragen de noodzakelijke systemen voor te bereiden in een nader gescheiden systeem voor de invoering van de vermogenswinstbelasting, zodat de banken tijdig de gegevens kunnen geven?

Tot slot vraagt dit lid of de regering reeds bereid is te beginnen met het voorbereiden van het wetsvoorstel voor een algemene vermogenswinstbelasting, zoals ook vastgelegd in de motie Vermeer.98 Opname in het Belastingplan 2029 zou de kans voor invoering per 2029 realistisch maken, zo stelt het lid van de 50PLUS-fractie. In het wetgevingsoverleg sprak toenmalig Staatssecretaris Heijnen over een aantal jaren na 2028.99 Het lid van de 50PLUS-fractie verzoekt om een toelichting op welke datum volgens de regering realistisch is.

Vragen met betrekking tot de brief van de Staatssecretaris van 6 maart 2026 aangaande het gewijzigde proces voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

Een aantal partijen wenst de Staatssecretaris nog een aantal vragen te stellen over de brief van de Staatssecretaris van 6 maart 2026 aangaande het gewijzigde proces voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.100

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie VVD

De Staatssecretaris van Financiën suggereert in zijn brief van 6 maart dat de Eerste Kamer de behandeling van het wetsvoorstel kan uitstellen totdat de novelle samen met het Belastingplan 2027 is ingediend. De leden van de VVD-fractie vragen zich af hoe dit zich verhoudt tot de randvoorwaarde uit de uitvoeringstoets dat er na 15 maart 2026 geen ingrijpende structuurwijzigingen meer mogelijk zijn voor invoering in 2028? Met andere woorden: als de Eerste Kamer besluit te wachten op de novelle, wordt de invoering van de wet in 2028 dan alsnog gehaald?

Kan de regering een heldere en bindende planning geven met betrekking tot de voorstellen voor aanpassingen aan het wetsvoorstel en kan zij daarbij een tijdspad en ijkmomenten schetsen waarlangs we van deze tussenstap toewerken naar die eindvorm, zodat burgers en beleggers weten waar ze aan toe zijn?

Het coalitieakkoord «Aan de Slag» spreekt van «zo snel mogelijk na 2028» invoeren van een volledige vermogenswinstbelasting.101 Kan de regering een realistisch jaar noemen waarop een volledige vermogenswinstbelasting in werking kan treden?

Is de regering bereid om, vooruitlopend op de gewenste overgang naar een echte vermogenswinstbelasting, een onafhankelijke staatscommissie belastinghervorming in te stellen met als expliciete opdracht om uiterlijk in 2028 of 2029 een uitvoerbaar en juridisch houdbaar ontwerp voor een vermogenswinstbelasting in box 3 uit te werken, inclusief een concreet invoeringspad, zodat burgers en beleggers tijdig weten waar zij aan toe zijn?102

In zijn voornoemde brief benoemt de Staatssecretaris wat de leden van de VVD-fractie betreft terecht dat de vermogensaanwasbelasting onrust veroorzaakt.103 Welke tussentijdse verbeteringen aan de vermogensaanwassystematiek overweegt de regering concreet, naast achterwaartse verliesverrekening en de aanpassing van de definitie van start- en scale-ups? Wanneer ontvangt de Eerste Kamer een uitputtende lijst van de opties die worden onderzocht, zodat de Eerste Kamer een geïnformeerd oordeel kan vellen?

De Staatssecretaris meldt in zijn brief dat de regering invoering van achterwaartse verliesverrekening van één jaar onderzoekt, met ingang van 2029. De Belastingdienst brengt op dit moment de benodigde ICT-capaciteit in kaart. Kan de regering de leden van de VVD-fractie een harde deadline geven waarop dit onderzoek is afgerond? En hoe verhoudt zich een eventuele invoering per 2029 tot de ICT-uitfasering van Cool:Gen per 31 december 2027? Kan de Belastingdienst beide trajecten gelijktijdig aan?

Invoering van de achterwaartse verliesverrekening levert de eerste vijf jaar een cumulatieve budgettaire derving op van ongeveer € 3,4 miljard. Het kabinet wil dit dekken uit het brede vermogensdomein. Wat verstaat de regering hier precies onder? Welke vermogenscomponenten komen in aanmerking voor verzwaring, en hoe verhoudt zich dit tot de doelstelling van een investerings- en ondernemersvriendelijk fiscaal klimaat?

De regering stelt, bij monde van de Staatssecretaris van Financiën, dat de Belastingdienst en financiële instellingen werken aan systeemaanpassingen op basis van het door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel. Tegelijkertijd zullen er wijzigingen zijn via een novelle. Hoe wordt voorkomen dat ketenpartners nu bouwen op een versie van de wet die later wordt gewijzigd? Welke kosten brengt dat met zich mee, en wie draagt die?

De Raad van State wijst in het advies van 27 november 2024 op het bestaan van alternatieven voor de vermogensaanwassystematiek.104 In hoeverre worden deze adviezen meegewogen in de aanpassingen die per novelle naar de Tweede Kamer worden gestuurd?

De regering kiest nadrukkelijk niet voor het doorzetten van het huidige forfaitaire stelsel, vanwege de budgettaire derving van € 2,4 miljard per jaar en de juridische kwetsbaarheid. De leden van de VVD-fractie stellen echter dat de Staatssecretaris erkent dat het nieuwe stelsel complexer, minder goed uitvoerbaar en maatschappelijk omstreden is. Kan de regering toelichten welk scenario’s worden overwogen als de novelle met de beoogde verbeteringen toch niet tijdig gereed is of onverhoopt niet wordt aangenomen?

Kan de regering vooruitlopen op de vraag hoeveel fte’s nodig zijn voor de reparaties van het vermogensaanwasdeel van het voorliggende wetsvoorstel, reparaties die via een novelle worden voorgelegd? Hoe wordt effectief omgegaan met de beschikbare fte’s om daarmee sneller over te kunnen gaan naar de vermogenswinstbelasting?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie D66

In de samenleving is er, volgende de leden van de D66-fractie, veel onrust ontstaan over het voornemen van de regering om vermogensaanwas te belasten. Deze leden steunen het doel om in box 3 te belasten op basis van werkelijk rendement, maar zijn bezorgd over het draagvlak voor belasten op basis van vermogensaanwas. In de brief van 6 maart jl. schrijft de Staatssecretaris van Financiën dat hij het voorstel wil aanpassen en verzachten. De leden van de D66-fractie onderschrijven de reactie van de Staatssecretaris om te willen luisteren naar de zorgen van burgers en te zoeken naar mogelijkheden om aan de zorgen van burgers tegemoet te komen. Kan de regering aangeven welke mogelijke aanpassingen en verzachtingen hij overweegt, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad105, en ook welke hij niet mogelijk of uitvoerbaar acht?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie CDA

Er kan belasting verschuldigd zijn, terwijl in latere jaren verlies kan ontstaan. Netto wordt dan verlies geleden, terwijl de belasting al is betaald. Dat schuurt met het draagkrachtbeginsel en tast rechtszekerheid aan. De vraag is volgens de leden van de CDA-fractie of dit stelsel proportioneel en juridisch houdbaar is. Daarom is een «carryback» van verliezen noodzakelijk, maar dit kost ook weer geld. Hoe gaat de regering dit in de aangekondigde novelle repareren?

Daarnaast, de onduidelijke definities jagen startups en scale-ups de grens over naar Duitsland of België, volgens deze leden. Hoe gaat de regering dit met de voorgenomen novelle repareren?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie SP

Uit de brief van de Staatssecretaris van 6 maart 2026 begrijpen de leden van de SP-fractie dat wordt overwogen om de verliesverrekening in box 3 uit te breiden, onder andere door middel van achterwaartse verliesverrekening (carry back). Kan de regering toelichten wat de budgettaire risico’s zijn van het invoeren van achterwaartse verliesverrekening in box 3, met name in scenario’s van forse waardedalingen op financiële markten? Deelt de regering de analyse van de SP-fractie dat een dergelijke regeling ertoe kan leiden dat de overheid feitelijk meedeelt in beleggingsverliezen, en daarmee impliciet risico’s van particuliere beleggers (gedeeltelijk) socialiseert?

De aan het woord zijnde leden vragen de regering hoe zij voorkomt dat de introductie van een achterwaartse verliesverrekening prikkels versterkt voor risicovoller beleggingsgedrag, aangezien verliezen (deels) kunnen worden afgewenteld op de fiscus. Kan de regering ingaan op de mate waarin de voorgestelde systematiek leidt tot een asymmetrie tussen private winsten en publieke risico’s?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie ChristenUnie

In zijn brief van 6 maart jl. schrijft de Staatssecretaris dat hij kijkt naar het invoeren van achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf 1 januari, zoals ook voorgesteld in het eerdere amendement en een eerdere motie over achterwaartse verliesverrekening.106 In de memorie van toelichting staat echter dat hier destijds niet voor is gekozen gezien omdat het uitvoeringstechnisch zeer complex is voor de Belastingdienst.107 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering van mening is dat dit nog steeds het geval is.

Wanneer informeert de regering de Eerste Kamer over de uitkomsten van de nadere analyse van de Belastingdienst naar de benodigde capaciteit en ICT-inpasbaarheid voor het doorvoeren van de achterwaartse verliesverrekening? Burgers die te maken krijgen met life-events (overlijden, onverdeelde boedel, emigratie, immigratie en scheiden) zullen zelf gegevens moeten bijhouden, het inkomen en de vermogensmutatie moeten berekenen en aan de juiste periode in het jaar en aan de juiste fiscale partner toerekenen. De Staatssecretaris heeft aangegeven een carry-back mogelijk te willen maken voor deze gebeurtenissen. De voornoemde leden vernemen graag wanneer de Eerste Kamer over het verdere verloop van dit voorstel door de regering wordt geïnformeerd.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie FVD

In de brief van 6 maart 2026 wordt het volgende gesteld door de Staatssecretaris: «Allereerst onderzoekt de regering de mogelijkheid om het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 dat nu in de Eerste Kamer ligt aan te passen. Deze aanpassingen zullen vooral gericht zijn op een aanpassing van de effecten van de systematiek van vermogensaanwasbelasting per 2028, met het oog op het realiseren van voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak.»108

Naar welke «effecten van de systematiek» verwijst de regering in de brief door de Staatssecretaris? Hoe wordt het investeringsklimaat onder andere precies aangetast door de systematiek? Over welke aanpassingen wordt er vervolgens gesproken, waarmee het voorstel zelf niet danig veranderd moet worden en daarmee niet alsnog hoeft te worden ingetrokken of teruggestuurd naar de Tweede Kamer?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie Volt

In de brief geeft de Staatssecretaris aan dat het een correctie op de voorliggende wet overweegt die achterwaartse verliesverrekening mogelijk maakt. Dit is op zichzelf te prijzen, volgens de leden van de Volt-fractie, maar zij vragen de regering dan waarom in de discussie met de Tweede Kamer door de voormalig Staatssecretaris van Financiën was aangegeven dat dit niet meer mogelijk was? Welke factoren leiden ertoe dat dit nu wel mogelijk is? Hoe reflecteert de regering op het democratisch gehalte van de veranderde opvatting, nadat de Tweede Kamer zich over de wet heeft uitgesproken?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie SGP

De Staatssecretaris heeft in zijn brief van 6 maart jl. aangegeven dat hij een aantal aanpassingen wil doorvoeren in het wetsvoorstel. Kan de regering toelichten welke aanpassingen in de novelle worden uitgewerkt?

Hij komt daarnaast met andere aanpassingen van het voorliggende wetsvoorstel. In het wetsvoorstel is een uitzondering opgenomen voor aandelen in startups en scale-ups. Is de regering bereid deze uitzondering ook te laten gelden voor aandelen in familiebedrijven? En hoe wordt de motie die over dit onderwerp in de Tweede Kamer is aangenomen uitgevoerd?109

Eén van de bezwaren tegen het voorliggende wetsvoorstel is de beperkte achterwaartse verliesverrekening. De leden van de SGP-fractie achten de huidige termijn te beperkt. Is de regering bereid deze termijn uit te breiden?

Bij dit soort grote systeemwijzigingen achten de leden van de SGP-fractie het zinvol om een invoeringstoets uit te voeren. Wordt een invoeringstoets toegepast bij de novelle?

Vragen en opmerkingen van de lid van de fractie 50PLUS

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of er wel sprake is van de ook door het kabinet gewenste voortvarende behandeling. Want deze verhoudt zich, volgens het aan het woord zijnde lid, slecht tot het voornemen dat u snel aan de slag wilt met «verbeteringen die op korte termijn mogelijk zijn, zodat die een plaats kunnen krijgen in het aankomende belastingplan.»110

Dit lid verzoekt de regering toe te lichten of in de voornoemde brief wordt verwezen naar het Pakket Belastingplan, of het wetsvoorstel Belastingplan dat deel uitmaakt van het pakket.

Over het voorziene proces wordt opgemerkt: «Indien een aanpassing van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 mogelijk is en van dekking kan worden voorzien, loopt deze mee in het pakket Belastingplan 2027. Dit kan bijvoorbeeld met een novelle, afhankelijk van de door te voeren aanpassingen.»111

Dit lid heeft een aantal vragen hierover. Wordt de wijziging door de regering ingediend als onderdeel van het Belastingplan 2027 of als onderdeel van het belastingpakket waardoor er dan sprake is van een eigenstandig wetsvoorstel, namelijk een novelle?

Is de regering het met de fractie van 50PLUS eens dat indiening als onderdeel van het pakket Belastingplan 2027 op gespannen voet staat met de uitvoering van de motie Hoekstra112? De novelle is immers een eigenstandig voorstel dat los staat van de overige voorstellen in Belastingplan.

Klopt het dat het onderdeel maken van het Belastingplan 2027 wordt ingegeven door het feit dat voor de novelle aanzienlijke budgettaire dekking noodzakelijk is? Klopt het dat die dekking volgens de regering dan onderdeel moet zijn van het Belastingplan 2027 en niet als eigenstandig onderdeel van de aparte novelle?

Wordt erkend dat de Eerste Kamer alleen een oordeel kan vellen als er een eigenstandig wetsvoorstel wordt ingediend met de daarbij behorende dekking? Erkent de regering dat de Eerste Kamer in de praktijk een Belastingplan nooit verwerpt?

Erkent de regering dat haar voornemen om te komen met een separaat wetsvoorstel over de definitie van «startende ondernemingen» het standpunt van dit lid versterkt?

Er is ruimte voor uw Kamer om het tijdpad van de behandeling van het wetsvoorstel aan te passen vanwege de wijziging die het kabinet overweegt113 Graag hoort dit lid hoe de noodzaak om het tijdpad aan te passen zich verhoudt tot de wens van een deel van de Eerste Kamer het wetsvoorstel te behandelen voor de zomer? De regering overweegt een aantal wijzigingen, maar komen die wijzigingen wel? En zo ja, wanneer dan?

«In de afgelopen weken is er daarbij onrust ontstaan over de effecten van vermogensaanwasbelasting op het investeringsklimaat in Nederland. Het kabinet begrijpt de zorgen die leven bij belastingplichtigen die geraakt worden door de vermogensaanwasbelasting en gaat hiermee aan de slag.»114 Hoe verhoudt dit voornemen zich tot eerdere uitlatingen door de Minister van Financiën in het Financieele dagblad?115

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt wat er precies niet goed is gegaan, waardoor is besloten het voorstel «terug naar de tekentafel» te sturen. Kan de regering bevestigen dat dit niet uitsluitend ziet op het ontbreken van een carry-backregeling? Het lid merkt op dat de carry-back, voor zover bekend, bewust niet is opgenomen vanwege de grote uitvoeringsproblemen op korte termijn. Daarnaast zijn recent de aanzienlijke budgettaire gevolgen van circa € 2,4 miljard in de eerste vijf jaar naar voren gekomen.

Of is het oordeel van de regering dat het teruggaan naar de tekentafel uitsluitend verband houdt met het ontbreken van de carry-backregeling, mede in het licht van de aangenomen motie-Eerdmans/Bikker, waarin wordt verzocht de mogelijkheid van een carry-back en bijbehorende dekkingsopties in het brede vermogensdomein te verkennen?116

Kan de regering aangeven waaruit de onrust bestond en wat met de uitlating «terug naar de tekentafel» exact wordt bedoeld? Is zo’n uitlating niet versterkend voor de toenemende onrust? Erkent de regering dat de onrust eerder verder is toegenomen door de het standpunt, omdat uit het standpunt, volgens dit lid, blijkt dat níét wordt teruggegaan naar de tekentafel? Het enige wat, volgens dit lid, wordt toegevoegd is een carry-back, onder twee voorwaarden.

Wordt erkend dat deze mededeling tot nieuwe onrust leidt en vooral tot grotere onzekerheid door verdere vertraging? Kan de regering aangeven in hoeverre het huidige beleid ongewijzigd blijft? Wat is de reflectie van de regering op de afgelopen periode, waarin de toenmalige Staatssecretaris aangaf niet op de hoogte te zijn van de uitlating van de Minister over een mogelijke heroverweging van het wetsvoorstel?

Het aan het woord zijnde lid heeft ook een aantal vragen over het beschreven proces van het wetsvoorstel. In de brief staat aangegeven: «Het kabinet overweegt op twee momenten het box 3 stelsel aan te passen. Allereerst onderzoekt het kabinet de mogelijkheid om het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 dat nu in uw Kamer ligt aan te passen. Deze aanpassingen zullen vooral gericht zijn op een aanpassing van de effecten van de systematiek van vermogensaanwasbelasting per 2028, met het oog op het realiseren van voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak117

Kan de regering toelichten op welke aanpassingen van de effecten van de systematiek wordt gedoeld? Kan de regering voorts verduidelijken wat zij in dit verband onder de «systematiek» verstaat?

«Het kabinet kijkt naast andere mogelijke aanpassingen ook naar het invoeren van achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf 1 januari 2029, zoals ook voorgesteld in het eerdere amendement van het lid Hoogeveen en de motie Eerdmans/Bikker over achterwaartse verliesverrekening. De Belastingdienst is op dit moment in meer detail in kaart aan het brengen wat de benodigde capaciteit voor het doorvoeren van de achterwaartse verliesverrekening is en de inpasbaarheid daarvan in de ICT-portfolio118

Waarom is dat niet eerder goed onderzocht, de genoemde capaciteit en inpasbaarheid in de ICT-portfolio was júíst de reden dat de carry-back pas in 2028 mogelijk was? Of is dat niet onderzocht omdat de noodzakelijke dekking voor carry-back als te omvangrijk werd gezien, en daarom niet opgenomen in het wetsvoorstel?

«Indien een aanpassing van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 mogelijk is en van dekking kan worden voorzien, loopt deze mee in het pakket Belastingplan 2027. Dit kan bijvoorbeeld met een novelle, afhankelijk van de door te voeren aanpassingen. Op die manier kan de wijziging zorgvuldig worden voorbereid en kan de maatregel voor box 3 in samenhang met de budgettaire verwerking worden betrokken in de augustusbesluitvorming. Voorstellen ter verbetering van het stelsel die gepaard gaan met een budgettaire derving zullen conform de begrotingsregels en de motie Eerdmans/Bikker van dekking voorzien dienen te worden in het brede vermogensdomein119

Zijn er andere mogelijkheden om aanpassingen door te voeren dan een novelle en overweegt de regering daarbij ook nog het wetsvoorstel in te trekken? Waarom moet het doorvoeren van aanpassingen in samenhang met de augustusbesluitvorming, die pas eind augustus plaats vindt? Beschouwt de regering dit als voortvarend?

Wat vindt de regering van een eventuele afronding van behandeling in de Eerste Kamer voor het zomerreces? De gewenste dekking is toch geen doorslaggevende reden de behandeling van het huidige wetsvoorstel op te schorten tot december 2026?

Wat zijn de gevolgen van dekking in het vermogensdomein voor de belastingplichtigen? Kan worden bevestigd dat dit gaat gebeuren via een forse verhoging van het tarief voor box 3? Zijn er ook alternatieven? Zo ja, welke?

«Daarnaast zal het kabinet inzetten op een doorontwikkeling van box 3 naar een vermogenswinstbelasting, zo snel mogelijk na 2028. Deze doorontwikkeling vergt tijd: zowel vanuit een wetgevingsperspectief, maar ook vanuit het perspectief van implementatie door de Belastingdienst en de financiële instellingen en het regelen van de gegevensuitwisseling. Uiteraard moet daarbij ook de budgettaire impact worden meegewogen. Over het traject van deze doorontwikkeling zal ik u voor de zomer een brief sturen.»120

Kan de regering bevestigen dat de dekking voor de overstap van een vermogensaanwasbelasting naar een vermogenswinstbelasting niet beperkt blijft tot de vermogenssfeer (box 3), maar in bredere zin wordt gezocht?

Hoe hoog is de noodzakelijke budgettaire dekking van deze overstap? Wordt daarnaast overwogen om deze dekking (deels) via het financieringstekort te laten lopen, om de breed gedragen overstap naar een algemene vermogenswinstbelasting te faciliteren, mede in het licht van de motie-Vermeer?121

Hoe verhoudt de mededeling van de Staatssecretaris dat sprake zal zijn van «doorontwikkeling, zo snel mogelijk na 2028» zich tot de aangenomen motie-Vermeer, waarin wordt verzocht om opname in het Belastingplan 2029 en die veronderstelt dat de daarvoor benodigde voorbereiding reeds in het vroege voorjaar van 2028 plaatsvindt?122

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt ook toelichting aan de regering over het volgende citaat: «De behandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 in uw Kamer zou afgerond kunnen worden nadat de wijziging van dat wetsvoorstel door middel van het belastingplanpakket bij uw Kamer is ingediend.»123

Dit lid constateert dat, na eventuele aanvaarding van een novelle door de Tweede Kamer, de Senaat naar verwachting slechts onder aanzienlijke tijdsdruk van enkele weken het omvangrijke Belastingplan met bijbehorende dekkingsproblematiek dient te behandelen, inclusief een fundamentele aanpassing van box 3. Acht de regering dit verenigbaar met een zorgvuldige en consciëntieuze parlementaire behandeling van wetsvoorstellen?

Heeft de regering begrepen dat een deel van de commissie Financiën van de Eerste Kamer een behandeling van de novelle in samenhang met de behandeling van het pakket Belastingplan 2027 in december niet wenselijk vindt?

«Al het voorgaande wijst op het belang van de invoering van het nieuwe stelsel in 2028, omdat het huidige systeem onhoudbaar is. De Belastingdienst en financiële instellingen zijn aan de slag met de voorbereiding van de aanpassingen van hun systemen op basis van het wetsvoorstel zoals dat is aangenomen door de Tweede Kamer. Dit is noodzakelijk om inwerkingtreding van het nieuwe stelsel per 2028 te kunnen halen. Het kabinet kiest dan ook niet voor het doorzetten van het huidige stelsel totdat het stelsel van vermogenswinst klaar is. Ook het huidige stelsel kent forse nadelige effecten, daarnaast levert het ook een forse budgettaire tegenvaller op van circa € 2,4 miljard per jaar124

Kan worden toegelicht waarom het huidige stelsel als onhoudbaar wordt aangemerkt, terwijl het naar verwachting slechts om een verlenging van twee jaar gaat? Kan daarnaast nader worden ingegaan op de veronderstelde nadelige effecten van deze verlenging? Kan naar aanleiding van het voorgaande worden toegelicht wat de voor- en nadelen zouden zijn van het tijdelijk voortzetten van het bestaande stelsel? Tot slot verzoekt dit lid om een nadere onderbouwing van de geraamde budgettaire lasten van € 2,4 miljard per jaar.

Het lid van de fractie van 50PLUS is van mening dat het overslaan van de vermogensaanwasbelasting zo belangrijk is, dat budgettaire argumentatie geen doorslaggevende reden mag zijn de vermogensaanwasbelasting toch tijdelijk in te voeren. Is de regering het eens met deze zienswijze?

Het voornoemde lid is van mening dat er onder de belastingplichtigen in box 3 grote onzekerheid bestaat over de koers voor de komende jaren. Immers, het is niet zeker dat er overgegaan wordt van vermogensaanwasbelasting naar vermogenswinstbelasting in 2029, ook omdat niet zeker is of er voldoende dekking is voor deze overstap. Erkent de regering deze onzekerheid? Zo ja, hoe is de regering van plan om deze onzekerheid de adresseren?

Dit lid verwijst naar de aangenomen motie-Van Rooijen, waarin wordt verzocht primair te kiezen voor een vermogenswinstbelasting als onderdeel van de belastinghervorming.125 Aanleiding was een wens van het kabinet om de vermogensaanwasbelasting door te zetten, in het kader van een hybride box 3 stelsel. Een vermogenswinstbelasting was volgens de regering niet uitvoerbaar. Dat bleek ook uit eerdere brieven.126 Kan de regering reflecteren op de vraag hoe deze keuzes zich verhouden tot de aangenomen motie-Van Rooijen? In hoeverre is de regering van oordeel dat de motie in voldoende mate is uitgevoerd? Is de regering voornemens alsnog uitvoering te geven aan de motie-Van Rooijen? Zo nee, kan worden toegelicht waarom niet?

De regering kiest voor een hybride stelsel, waarbij in hoofdlijnen wordt uitgegaan van een vermogensaanwasbelasting, met een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen, waarvoor een vermogenswinstbelasting zal gelden. Kan de regering uitgebreider toelichten waarom de keuze voor een hybride stelsel is gemaakt?

Daarnaast heeft het lid van de fractie 50PLUS enkele vragen naar aanleiding van het mondeling overleg met de Staatssecretaris op 17 maart 2026.

Samengevat sprak de Staatssecretaris, volgens dit lid, over het «verzachten» van het wetsvoorstel. Hij noemde daarbij in de eerste plaats de carry-back, die niet in het wetsvoorstel is opgenomen. Hij constateerde dat er veel kritiek is op het ontbreken van de carry-back en dat dit als onrechtvaardig wordt ervaren. Hij onderzoekt hoe de carry-back technisch mogelijk zou kunnen zijn, mede gelet op de implementatie via de IT van de Belastingdienst. Hij wees erop dat dit raakt aan de prioritering binnen de IT van de Belastingdienst: prioriteit voor de carry-back betekent dat andere prioriteiten moeten worden teruggezet.

Kan de regering toelichten waarom het ontbreken van de carry-back nu als onrechtvaardig wordt aangemerkt? Die vermeende onrechtvaardigheid is toch niet pas ontstaan naar aanleiding van de recent ontstane onrust? Het lid van de fractie van 50PLUS constateert dat die onrechtvaardigheid reeds lang bestond. Waarom is hierin nu wel een aanpassing gedaan, terwijl de Tweede Kamer tijdens de behandeling van het wetsvoorstel al om de carry-back had verzocht?

Als nieuw onderwerp noemde de Staatssecretaris de «life-events». Hij riep de vraag op of het huidige voorstel wel rechtvaardig is voor belastingplichtigen die dergelijke life-events meemaken. Hij zegde onderzoek toe, waarbij ook oplossingen mogelijk zijn in het kader van de carry-back. Kan de regering voorbeelden geven van life-events in de privésfeer, zoals scheiding en overlijden van een partner, die in het voorliggende wetsvoorstel naar het oordeel van de regering niet op rechtvaardige wijze zijn behandeld? Kan de regering tevens toelichten op welke wijze een carry-back hiervoor mogelijk een oplossing zou kunnen bieden, zoals door de Staatssecretaris is aangegeven? Is de regering het eens met dit lid dat aanpassingen in het kader van life-events in een apart wetsvoorstel moeten worden behandeld?

De Staatssecretaris ging ook in op de vermogenswinstbelasting, waarbij hij constateerde dat zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer wensen dat deze zo spoedig mogelijk wordt ingevoerd. Kan de regering aangeven op welke wijze en op welk moment zij voornemens is aan deze wens van beide Kamers tegemoet te komen? Graag ontvangt dit lid een uitvoerige beschouwing over de daarbij aan de orde zijnde aspecten.

Het lid van de fractie van 50PLUS stelt dat de Staatssecretaris in het mondeling overleg aan gaf dat hij het proces in de Eerste Kamer respecteert. Hij erkende dat verzachtingen een normale wetsbehandeling doorkruisen, hetgeen tot een andersoortig proces leidt. Welke consequenties heeft dat voor de procedurele behandeling in de Eerste Kamer? De Staatssecretaris gaf aan dat hij niet gaat over het proces in de Eerste Kamer, maar schetste wel een drietrapsraket:

  • 1. De reguliere behandeling van het wetsvoorstel kan op normale wijze voortgang vinden, waarbij enkel de stemming uitgesteld zou kunnen worden.

  • 2. Parallel wordt er een financiële studie naar de voorgestelde verzachtingen uitgevoerd, waarbij hij wees op de implementatie, de juridische aspecten en de verwachte derving van circa € 2,4 mld. bij eventuele invoering van de carry-back.

  • 3. De wijzigingen en noodzakelijke dekking van de voorgestelde wijzigingen wordt betrokken bij het pakket Belastingplan 2027, aangezien daarin dekkingsmaatregelen worden opgenomen. Hij wees erop dat de Eerste Kamer daarbij een integrale afweging kan maken van de voorgestelde dekkingen binnen het Belastingplan.

Naar aanleiding hiervan stelt dit lid de volgende vragen. Kan de regering uitleggen waarom er een voorkeur bestaat voor parallelle behandeling? Waarom verbindt de regering de dekking met het pakket belastingplan 2027?

Wat zijn de technische problemen bij de implementatie van de carry-back, ook in IT-opzicht? Welke juridische aspecten spelen een rol?

Dit lid heeft ook een aantal vragen bij de dekkingsopties in de brede vermogenssfeer, zoals verwoord in de motie Eerdmans/Bikker.127 Is de regering bereid deze motie zodanig uit te leggen dat de brede vermogenssfeer zich beperkt tot box 3, waarbij grondslag en tarief in beschouwing worden genomen? Zo nee, waarom niet? Erkent de regering dat deze motie, voor zover zij ziet op de dekking en de wijze van dekking via het Belastingplan, kan leiden tot extra onrust bij belastingplichtigen in box 1 en box 2, die niet betrokken zijn bij de eventuele invoering van de carry-back? Waarom zou worden overwogen eigenwoningbezitters zwaarder te belasten als dekking voor een maatregel als de carry-back, waar zij geen direct belang bij hebben? Is de regering het eens met het lid van de 50PLUS-fractie dat de carry-back reeds vanaf het begin in dit wetsvoorstel opgenomen had moeten worden, met de bijbehorende dekking binnen box 3?

Wil de regering het al jarenlang als «staand» beleid gehanteerde uitgangspunt voortzetten dat wijzigingen in box 3 binnen box 3 worden gedekt? Kan de regering toelichten waarom dekking in de zogeheten brede vermogenssfeer zou moeten plaatsvinden?

Dit lid wijst in dit verband op het amendement Grinwis c.s., waarbij de dekking voor het verlagen van het tarief van box 3 werd gezocht in het versnellen van de afschaffing van de wet Hillen, die gaat over de vrijstelling van de huurwaarde bijtelling in box 1.128 Dit lid achtte deze dekking in een andere box in strijd met eerdergenoemd genoemde staand beleid. De Eerste Kamer heeft naar aanleiding van dit amendement de motie Van Rooijen aangenomen, waarbij het kabinet wordt verzocht deugdelijke dekking te zoeken voor dit amendement bij de voorjaarsnota.129

Kan de regering aangeven, voor het geval onverhoopt geen dekking binnen box 3 wordt gevonden, aan welke alternatieve dekkingsopties er wordt gedacht binnen box 1 of box 2? Erkent de regering dat dekking binnen box 1 in de praktijk neerkomt op maatregelen die de eigen woning raken? Is de regering het eens met dit lid dat dit tot aanzienlijke onrust kan leiden onder de vele eigenwoningbezitters, die worden geconfronteerd met een zwaardere belastingdruk op hun woning? Is de regering het eens met dit lid, dat een dergelijke lastenverzwaring uitsluitend kan worden gerealiseerd door middel van bijvoorbeeld een beperking van de hypotheekrenteaftrek, een verhoging van het eigenwoningforfait, of een combinatie van beide? Is de regering het met dit lid eens dat de eigen woning geen vermogenstitel is, maar een consumptiegoed om in te wonen? Zo nee, waarom niet?

Dit lid heeft tevens een aantal vragen over de vermogenswinstbelasting. Waarom acht de regering het niet mogelijk een vaste datum te benoemen voor de invoering van de vermogenswinstbelasting, zoals gevraagd in de motie-Vermeer?130 Kan de regering aangeven welke fiscale vraagstukken zij ziet bij de vermogenswinstbelasting? Kan de regering daarbij tevens ingaan op het door haar genoemde «lock-in effect»? Kan de regering ook ingaan op het dekkingsvraagstuk dat de invoering van de vermogenswinstbelasting met zich brengt?

Waarom acht de regering het noodzakelijk om bij de invoering van de vermogenswinstbelasting te denken in termen van meerdere jaren, mede gelet op de daaraan verbonden dekkingsvraagstukken? Erkent de regering dat dit betekent dat de invoering van de vermogenswinstbelasting mogelijk nog geruime tijd op zich zal laten wachten?

Volgens dit lid gaf de Staatssecretaris in het mondeling overleg aan dat hij zich voorstelt dat een novelle op Prinsjesdag kan worden gepresenteerd. Hij kon geen toezegging doen dat de carry-backnovelle vóór de zomer zou worden ingediend. De Staatssecretaris suggereerde dat er reeds eerder een debat kan plaatsvinden over de denkrichting en de uitgangspunten zoals die in de aangekondigde brief zullen worden opgenomen.

Kan de regering aangeven welke prioriteiten worden bijgesteld indien de carry-back prioriteit krijgt binnen de IT-portefeuille van de Belastingdienst? Kan de regering toelichten welke knelpunten naar verwachting aan de orde zullen komen bij de uitvoeringstoets van de carry-back in de zomer?

Wil de regering ingaan op de dekkingsopties voor de benodigde € 2.4 mld.? De Staatssecretaris bracht tijdens het mondeling overleg, volgens dit lid, structurele belastingopbrengsten in verband met een noodzaak voor incidentele dekking. Volgens dit lid leidt dit tot overdekking, die niet past bij een novelle-route, omdat dan de vraag rijst hoe met deze overdekking moet worden omgegaan en wat de bestemming daarvan is. Dit lid meent dat de kwestie van overdekking zich niet goed verhoudt tot een novelle.

Kan de regering uitleggen waarom voor een incidentele belastingtegenvaller een structurele dekking noodzakelijk is? Kan de regering uitleggen welke filosofie hieraan ten grondslag ligt? Kan de regering toelichten in hoeverre het beschikken over overdekking tevens gevolgen heeft voor de omvang van het financieringstekort, en of dit aspect een rol speelt in de gemaakte afwegingen? Voert deze regering nieuw beleid, waarbij overdekking een nieuwe vorm van financiering wordt? In dit verband wijst dit lid op de zogenoemde vrijheidsbijdrage, waarbij via het (nagenoeg) achterwege laten van de inflatiecorrectie in 2027 en 2028 sprake is van structurele dekking voor extra defensie-uitgaven die pas geleidelijk en op een later moment tot uitgaven leiden.

Kan de regering uitleggen waarom het eerlijk en rechtvaardig zou zijn naar de burgers, belastingplichtigen, om belastingen structureel te verhogen voor belastingtegenvallers die slechts tijdelijk zijn? Kan de regering reflecteren op de stelling dat een eventuele overdekking, zoals door de Staatssecretaris geschetst, niet zou passen binnen een novelle en daarom uitsluitend in het kader van het Belastingplan kan worden betrokken bij de integrale afweging van de totale dekkingsbehoefte? Graag wenst het aan het woord zijnde lid een reflectie hierop.

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien de nota naar aanleiding van het verslag met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag 21 april 2026.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Van Ballekom

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Karthaus


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Bakker-Klein (CDA), Van Ballekom (VVD) (voorzitter), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Kroon (BBB) (ondervoorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Van den Oetelaar (FVD), Van Rooijen (50PLUS), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Van Strien (PVV), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 e.v.

X Noot
3

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B.

X Noot
4

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B.

X Noot
5

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 17; Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. In overeenstemming met artikel 1 van het aanvullend protocol Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

X Noot
6

Zie o.m. Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 e.v. (box 3-arresten) en Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705 e.v., waarin de Hoge Raad oordeelt dat de box 3-heffing ook onder de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet nog steeds in strijd is met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).

X Noot
7

Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan Frankrijk, Spanje of Duitsland.

X Noot
8

Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 e.v.

X Noot
9

Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Vermogensverdeling, Licht uit, spot aan: de vermogensverdeling, juli 2022, tabel 3.7.

X Noot
10

Zie onder andere: CPB, 2024, De lange weg naar de top: vermogensmobiliteit in Nederland, geraadpleegd via De lange weg naar de top: vermogensmobiliteit in Nederland.

X Noot
11

Er kan bijvoorbeeld worden gekeken naar Duitsland, Denemarken, of Zweden.

X Noot
12

Peter Beets & Tjarko Denekamp, 2026, «Het nieuwe box 3-stelsel, bijsturen of opnieuw beginnen?», geraadpleegd via «Kleine spaarders en beleggers beter af met aanwasheffing dankzij heffingsvrij deel»

X Noot
13

O.a. Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35 én Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748 nr. 27.

X Noot
14

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 46, pagina 33.

X Noot
15

Wet inkomstenbelasting 2001 (art. 4.12 en 4.13), in samenhang met de tariefstructuur van de vennootschapsbelasting (art. 22 Vpb 1969).

X Noot
16

Artikel 4.14a Wet IB 2001.

X Noot
17

Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 4. In dat advies wordt verwezen naar een aanbeveling van de Europese Commissie, die heeft aangeraden om de belastingheffing over verschillende soorten inkomen uit vermogen meer op één lijn te brengen, om zo accumulatie van illiquide vermogen in box 2 en belastingarbitrage tegen te gaan.

X Noot
18

Kamerstukken II, 2024/25, 36 610, nr. 1.

X Noot
19

Artikel 4.9 en 4.10, Wet IB 2001.

X Noot
20

Als bedoeld in artikel 13, Wet Vpb 1969.

X Noot
21

Lucratief belang als bedoeld in art. 3.92b Wet IB 2001

X Noot
22

Het vermogen is binnen de familie in gebruik, maar is in handen van een privépersoon.

X Noot
23

De Lorenzcurve (Lorenz-curve) is een statistische voorstelling die de verdeling van inkomen of vermogen binnen een populatie weergeeft. De curve werd in 1905 ontwikkeld door de Amerikaanse econoom Max O. Lorenz en is een van de meest gebruikte instrumenten om ongelijkheid te meten, vaak in combinatie met de Gini-coëfficiënt.

X Noot
24

De Gini-coëfficiënt is een statistische maat die inkomens- of vermogensongelijkheid binnen een populatie kwantificeert. Het varieert van 0 (volledige gelijkheid) tot 1 (maximale ongelijkheid) en wordt gebruikt om de verdeling van welvaart te vergelijken tussen landen of groepen.

X Noot
25

Een familiebank betreft een constructie waarbij particuliere geldleningen binnen de familiekring worden verstrekt. Een familiestichting betreft een juridische structuur waarbij vermogen, zoals aandelen in een familiebedrijf, wordt ondergebracht in een stichting.

X Noot
26

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 2, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
27

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B.

X Noot
28

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 20.

X Noot
29

Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 e.v.

X Noot
30

Zie o.a. Hoge Raad, 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816; Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (Kerstarrest); en Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720, waarin de Hoge Raad oordeelt dat het forfaitaire box 3-stelsel (deels) in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM en aanleiding gaf tot massaal rechtsherstel.

X Noot
31

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 4.

X Noot
33

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 2, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
34

Kamerstukken II 2024/2025, 36 748, nr. 4.

X Noot
35

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 4, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
36

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 72.

X Noot
37

Medewerkers, zoals uitgesplitst in Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 6, blz. 4.

X Noot
38

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 44.

X Noot
39

Raad voor de rechtspraak, 22 mei 2024, advies over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, geraadpleegd via: Advies wetsvoorstel werkelijk rendement Box 3.

X Noot
40

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 74.

X Noot
41

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
42

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 72.

X Noot
43

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 2, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
44

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 6, blz. 9.

X Noot
45

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 2, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
46

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 111.

X Noot
47

Artikel 5.7, Wet IB 2001, art. 5.54 in het gewijzigd voorstel van wet.

X Noot
48

Zoals vastgelegd in de Natuurschoonwet 1928.

X Noot
49

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
50

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 1, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
51

Hierbij kan worden gedacht aan de manier waarop in Spanje vermogensbelasting wordt geheven (met een ruimere belastingvrije voet).

X Noot
52

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 1, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
53

Het begrip wordt in politieke discussies gebruikt om te duiden op mogelijke kapitaal- en verplaatsingseffecten bij aanpassingen in de belastingheffing over vermogen.

X Noot
54

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 22.

X Noot
55

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B.

X Noot
56

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 47.

X Noot
57

Coalitieakkoord 2026–2030, «Aan de slag», blz.28.

X Noot
58

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 46.

X Noot
59

Ruud van den Dool, Aart Gerritsen, Bas Jacobs. «De vermogensaanwasbelasting krijgt veel kritiek, maar is beste keuze voor box 3», Financieel Dagblad, 26 februari 2026.

X Noot
60

«Kabinet gaat omstreden box 3-regels aanpassen, «terug naar de tekentafel»», BNR, zoals geraadpleegd op Kabinet gaat omstreden box 3-regels aanpassen, «terug naar de tekentafel» | BNR Nieuwsradio

X Noot
61

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 2.

X Noot
62

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 77.

X Noot
63

Voorlopige uitkomsten uitvoeringstoets, geraadpleegd via: https://www.eerstekamer.nl/overig/20240415/voorlopige_uitkomsten/f=y.pdf.

X Noot
64

Zie ook: Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
65

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, memorie van toelichting en budgettaire bijlage.

X Noot
66

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 33.

X Noot
67

Zoals te lezen in: accountancyvanmorgen, 2026, «felle discussie box-3 hervorming: zorgen over belasting op papieren winst en kapitaalvlucht», geraadpleegd via Felle discussie box 3-hervorming: zorgen over belasting op papieren winst en kapitaalvlucht • Accountancy Vanmorgen

X Noot
68

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 7

X Noot
69

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 9 en 10.

X Noot
70

Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 4, blz. 2.

X Noot
71

Coalitieakkoord 2021–2025, «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst», VVD, D66, CDA en ChristenUnie, 2021 en Hoofdlijnenakkoord 2024–2028, PVV, VVD, NSC en BBB, 2024.

X Noot
72

Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 4, blz. 12.

X Noot
73

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
74

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 2, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
75

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 23.

X Noot
76

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 2, blz. 10.

X Noot
77

Leo Stevens. «Box 3: van «pretbox» naar fiscaal pijnpunt», Elsevier Weekblad, 8 maart 26 februari 2026.

X Noot
78

Leo Stevens. «Box 3: van «pretbox» naar fiscaal pijnpunt», Elsevier Weekblad, 8 maart 26 februari 2026.

X Noot
79

Reactie op het wetsvoorstel Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 27 juni 2025.

X Noot
80

Reactie op het wetsvoorstel Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, p. 6, 27 juni 2025.

X Noot
81

Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.

X Noot
82

Wet tegenbewijsregeling box 3 (36 796).

X Noot
83

Reactie op het wetsvoorstel Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 27 juni 2025.

X Noot
84

Reactie op het wetsvoorstel Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 27 juni 2025.

X Noot
85

Reactie op het wetsvoorstel Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 27 juni 2025, p. 7.

X Noot
86

Nadere beschouwing van het wetsvoorstel door de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 10 maart 2026.

X Noot
87

Nadere beschouwing van het wetsvoorstel door de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 10 maart 2026.

X Noot
88

Box 3: internationaal onderzoek, feitelijk onderzoek naar de internationale behandeling inkomsten uit vermogen, PwC in opdracht van de NOB, 7 mei 2025.

X Noot
89

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 6., p. 12.

X Noot
90

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 6, p. 15.

X Noot
91

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 24

X Noot
92

EHRM, 23 september 1982, ECLI:CE:ECHR:1982:0923JUD000715175 (Sporrong and Lönnroth/Sweden) paragraaf 69–74.

X Noot
93

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 16.

X Noot
94

Kamerstukken II 2025/26, 36 848, nr. 67.

X Noot
95

Reactie op het wetsvoorstel Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 27 juni 2025.

X Noot
97

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 44, p. 50.

X Noot
98

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35.

X Noot
99

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 44, p. 60.

X Noot
100

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B

X Noot
101

Coalitieakkoord 2026–2030, «Aan de slag», blz. 28.

X Noot
102

Kamerstukken I 2025/2026, 36 800, M

X Noot
103

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 1.

X Noot
104

Kamerstukken II 2024/2025, 36 748, nr. 4.

X Noot
105

Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.

X Noot
106

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 43 en Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 67.

X Noot
107

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 81.

X Noot
108

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 1.

X Noot
109

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 22.

X Noot
110

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 3.

X Noot
111

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
112

Kamerstukken II, 2015/2016, 34 300, O.

X Noot
113

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
114

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 1.

X Noot
115

Cor de Horde en Martine Wolzak, «Heinen gaat «terug naar de tekentafel» met wetsvoorstel box 3 na zware kritiek, Financieele Dagblad, 25 februari 2026».

X Noot
116

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 67.

X Noot
117

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 1.

X Noot
118

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
119

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
120

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
121

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35.

X Noot
122

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35.

X Noot
123

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
124

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
125

Kamerstukken I, 2023/2024, 36 418, S.

X Noot
126

Zie o.m. Kamerstukken II, 2024/2025, 32 140, nr. 222 en Kamerstukken II, 2024/2025, 32 140, nr. 139.

X Noot
127

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 67.

X Noot
128

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 812, nr. 47.

X Noot
129

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 812, L.

X Noot
130

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Bakker-Klein (CDA), Van Ballekom (VVD) (voorzitter), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Kroon (BBB) (ondervoorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Van den Oetelaar (FVD), Van Rooijen (50PLUS), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Van Strien (PVV), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 e.v.

X Noot
3

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B.

X Noot
4

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B.

X Noot
5

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 17; Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. In overeenstemming met artikel 1 van het aanvullend protocol Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

X Noot
6

Zie o.m. Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 e.v. (box 3-arresten) en Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705 e.v., waarin de Hoge Raad oordeelt dat de box 3-heffing ook onder de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet nog steeds in strijd is met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).

X Noot
7

Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan Frankrijk, Spanje of Duitsland.

X Noot
8

Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 e.v.

X Noot
9

Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Vermogensverdeling, Licht uit, spot aan: de vermogensverdeling, juli 2022, tabel 3.7.

X Noot
10

Zie onder andere: CPB, 2024, De lange weg naar de top: vermogensmobiliteit in Nederland, geraadpleegd via De lange weg naar de top: vermogensmobiliteit in Nederland.

X Noot
11

Er kan bijvoorbeeld worden gekeken naar Duitsland, Denemarken, of Zweden.

X Noot
12

Peter Beets & Tjarko Denekamp, 2026, «Het nieuwe box 3-stelsel, bijsturen of opnieuw beginnen?», geraadpleegd via «Kleine spaarders en beleggers beter af met aanwasheffing dankzij heffingsvrij deel»

X Noot
13

O.a. Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35 én Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748 nr. 27.

X Noot
14

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 46, pagina 33.

X Noot
15

Wet inkomstenbelasting 2001 (art. 4.12 en 4.13), in samenhang met de tariefstructuur van de vennootschapsbelasting (art. 22 Vpb 1969).

X Noot
16

Artikel 4.14a Wet IB 2001.

X Noot
17

Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 4. In dat advies wordt verwezen naar een aanbeveling van de Europese Commissie, die heeft aangeraden om de belastingheffing over verschillende soorten inkomen uit vermogen meer op één lijn te brengen, om zo accumulatie van illiquide vermogen in box 2 en belastingarbitrage tegen te gaan.

X Noot
18

Kamerstukken II, 2024/25, 36 610, nr. 1.

X Noot
19

Artikel 4.9 en 4.10, Wet IB 2001.

X Noot
20

Als bedoeld in artikel 13, Wet Vpb 1969.

X Noot
21

Lucratief belang als bedoeld in art. 3.92b Wet IB 2001

X Noot
22

Het vermogen is binnen de familie in gebruik, maar is in handen van een privépersoon.

X Noot
23

De Lorenzcurve (Lorenz-curve) is een statistische voorstelling die de verdeling van inkomen of vermogen binnen een populatie weergeeft. De curve werd in 1905 ontwikkeld door de Amerikaanse econoom Max O. Lorenz en is een van de meest gebruikte instrumenten om ongelijkheid te meten, vaak in combinatie met de Gini-coëfficiënt.

X Noot
24

De Gini-coëfficiënt is een statistische maat die inkomens- of vermogensongelijkheid binnen een populatie kwantificeert. Het varieert van 0 (volledige gelijkheid) tot 1 (maximale ongelijkheid) en wordt gebruikt om de verdeling van welvaart te vergelijken tussen landen of groepen.

X Noot
25

Een familiebank betreft een constructie waarbij particuliere geldleningen binnen de familiekring worden verstrekt. Een familiestichting betreft een juridische structuur waarbij vermogen, zoals aandelen in een familiebedrijf, wordt ondergebracht in een stichting.

X Noot
26

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 2, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
27

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B.

X Noot
28

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 20.

X Noot
29

Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 e.v.

X Noot
30

Zie o.a. Hoge Raad, 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816; Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (Kerstarrest); en Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720, waarin de Hoge Raad oordeelt dat het forfaitaire box 3-stelsel (deels) in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM en aanleiding gaf tot massaal rechtsherstel.

X Noot
31

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 4.

X Noot
33

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 2, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
34

Kamerstukken II 2024/2025, 36 748, nr. 4.

X Noot
35

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 4, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
36

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 72.

X Noot
37

Medewerkers, zoals uitgesplitst in Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 6, blz. 4.

X Noot
38

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 44.

X Noot
39

Raad voor de rechtspraak, 22 mei 2024, advies over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, geraadpleegd via: Advies wetsvoorstel werkelijk rendement Box 3.

X Noot
40

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 74.

X Noot
41

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
42

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 72.

X Noot
43

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 2, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
44

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 6, blz. 9.

X Noot
45

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 2, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
46

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 111.

X Noot
47

Artikel 5.7, Wet IB 2001, art. 5.54 in het gewijzigd voorstel van wet.

X Noot
48

Zoals vastgelegd in de Natuurschoonwet 1928.

X Noot
49

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
50

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 1, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
51

Hierbij kan worden gedacht aan de manier waarop in Spanje vermogensbelasting wordt geheven (met een ruimere belastingvrije voet).

X Noot
52

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 1, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
53

Het begrip wordt in politieke discussies gebruikt om te duiden op mogelijke kapitaal- en verplaatsingseffecten bij aanpassingen in de belastingheffing over vermogen.

X Noot
54

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 22.

X Noot
55

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B.

X Noot
56

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 47.

X Noot
57

Coalitieakkoord 2026–2030, «Aan de slag», blz.28.

X Noot
58

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 46.

X Noot
59

Ruud van den Dool, Aart Gerritsen, Bas Jacobs. «De vermogensaanwasbelasting krijgt veel kritiek, maar is beste keuze voor box 3», Financieel Dagblad, 26 februari 2026.

X Noot
60

«Kabinet gaat omstreden box 3-regels aanpassen, «terug naar de tekentafel»», BNR, zoals geraadpleegd op Kabinet gaat omstreden box 3-regels aanpassen, «terug naar de tekentafel» | BNR Nieuwsradio

X Noot
61

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 2.

X Noot
62

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 77.

X Noot
63

Voorlopige uitkomsten uitvoeringstoets, geraadpleegd via: https://www.eerstekamer.nl/overig/20240415/voorlopige_uitkomsten/f=y.pdf.

X Noot
64

Zie ook: Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
65

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, memorie van toelichting en budgettaire bijlage.

X Noot
66

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 33.

X Noot
67

Zoals te lezen in: accountancyvanmorgen, 2026, «felle discussie box-3 hervorming: zorgen over belasting op papieren winst en kapitaalvlucht», geraadpleegd via Felle discussie box 3-hervorming: zorgen over belasting op papieren winst en kapitaalvlucht • Accountancy Vanmorgen

X Noot
68

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 7

X Noot
69

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 9 en 10.

X Noot
70

Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 4, blz. 2.

X Noot
71

Coalitieakkoord 2021–2025, «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst», VVD, D66, CDA en ChristenUnie, 2021 en Hoofdlijnenakkoord 2024–2028, PVV, VVD, NSC en BBB, 2024.

X Noot
72

Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 4, blz. 12.

X Noot
73

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
74

Uitvoeringstoets Belastingdienst, Douane, Toeslagen, 29 april 2025, blz. 2, bijlage bij wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748).

X Noot
75

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 23.

X Noot
76

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 2, blz. 10.

X Noot
77

Leo Stevens. «Box 3: van «pretbox» naar fiscaal pijnpunt», Elsevier Weekblad, 8 maart 26 februari 2026.

X Noot
78

Leo Stevens. «Box 3: van «pretbox» naar fiscaal pijnpunt», Elsevier Weekblad, 8 maart 26 februari 2026.

X Noot
79

Reactie op het wetsvoorstel Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 27 juni 2025.

X Noot
80

Reactie op het wetsvoorstel Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, p. 6, 27 juni 2025.

X Noot
81

Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.

X Noot
82

Wet tegenbewijsregeling box 3 (36 796).

X Noot
83

Reactie op het wetsvoorstel Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 27 juni 2025.

X Noot
84

Reactie op het wetsvoorstel Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 27 juni 2025.

X Noot
85

Reactie op het wetsvoorstel Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 27 juni 2025, p. 7.

X Noot
86

Nadere beschouwing van het wetsvoorstel door de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 10 maart 2026.

X Noot
87

Nadere beschouwing van het wetsvoorstel door de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 10 maart 2026.

X Noot
88

Box 3: internationaal onderzoek, feitelijk onderzoek naar de internationale behandeling inkomsten uit vermogen, PwC in opdracht van de NOB, 7 mei 2025.

X Noot
89

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 6., p. 12.

X Noot
90

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 6, p. 15.

X Noot
91

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 24

X Noot
92

EHRM, 23 september 1982, ECLI:CE:ECHR:1982:0923JUD000715175 (Sporrong and Lönnroth/Sweden) paragraaf 69–74.

X Noot
93

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 16.

X Noot
94

Kamerstukken II 2025/26, 36 848, nr. 67.

X Noot
95

Reactie op het wetsvoorstel Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, 27 juni 2025.

X Noot
97

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 44, p. 50.

X Noot
98

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35.

X Noot
99

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 44, p. 60.

X Noot
100

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B

X Noot
101

Coalitieakkoord 2026–2030, «Aan de slag», blz. 28.

X Noot
102

Kamerstukken I 2025/2026, 36 800, M

X Noot
103

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 1.

X Noot
104

Kamerstukken II 2024/2025, 36 748, nr. 4.

X Noot
105

Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.

X Noot
106

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 43 en Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 67.

X Noot
107

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, blz. 81.

X Noot
108

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 1.

X Noot
109

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 22.

X Noot
110

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 3.

X Noot
111

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
112

Kamerstukken II, 2015/2016, 34 300, O.

X Noot
113

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
114

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 1.

X Noot
115

Cor de Horde en Martine Wolzak, «Heinen gaat «terug naar de tekentafel» met wetsvoorstel box 3 na zware kritiek, Financieele Dagblad, 25 februari 2026».

X Noot
116

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 67.

X Noot
117

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 1.

X Noot
118

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
119

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
120

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
121

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35.

X Noot
122

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35.

X Noot
123

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
124

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, blz. 2.

X Noot
125

Kamerstukken I, 2023/2024, 36 418, S.

X Noot
126

Zie o.m. Kamerstukken II, 2024/2025, 32 140, nr. 222 en Kamerstukken II, 2024/2025, 32 140, nr. 139.

X Noot
127

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 67.

X Noot
128

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 812, nr. 47.

X Noot
129

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 812, L.

X Noot
130

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35.

Naar boven