Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36600-VII nr. N |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36600-VII nr. N |
Vastgesteld 15 april 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over goedkeurende beleidsbesluiten en het bijhorende afwegingskader. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 27 januari 2026.
• Een uitstelbrief van 17 februari 2026.
• De antwoordbrief van 15 april 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman
Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Den Haag, 27 januari 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 11 november 2025 inzake de notitie over het afwegingskader bij goedkeurende beleidsbesluiten2 en de brief van 11 november 2025 over het instrument goedkeurende beleidsbesluiten.3 De leden van de fracties van de PvdD, mede namens de D66-fractie, en 50PLUS, mede namens de BBB-fractie, hebben naar aanleiding van uw brieven een aantal vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD
Verzocht wordt de (sub)vragen afzonderlijk te beantwoorden.
Inleiding vraag 1
In de brief van 11 november 2025 wordt ingegaan op de figuur van het «goedkeurend beleidsbesluit». Blijkens de definitie die u geeft in noot 1 kan zo’n besluit ook betrekking hebben op afwijking van wetgeving die betrekking heeft op verplichtingen of aanspraken die niet financieel van aard zijn.
Vraag 1a
Deelt u het oordeel van deze leden dat uw definitie te ruim is omdat het buitenwettelijk regelen van verplichtingen of aanspraken die niet financieel van aard zijn (bijvoorbeeld het bij besluit bepalen dat een vergunningplicht komt te vervallen of dat een verplichting om gegevens te verschaffen geldt in gevallen waarin dat wettelijk niet is voorgeschreven) zozeer in strijd komt met het legaliteitsbeginsel, dat dit rechtsstatelijk niet mag worden toegelaten?
Vraag 1b
In het afwegingskader worden voorwaarden gesteld die betrekking hebben op belastingplichtigen en toeslaggerechtigden. Impliceert dit dat toepassing van een goedkeurend beleidsbesluit niet aan de orde kan zijn op andere financiële verplichtingen of aanspraken, zoals bijvoorbeeld bij subsidies, dwangsommen of kostenverhaal?
Inleiding vraag 2
In het bestuursrecht kennen we de gedoogbesluiten als buitenwettelijke rechtsfiguur. In de rechtspraak worden zulke besluiten alleen toelaatbaar geacht als er een concreet zicht op legalisering is.
Vraag 2a
Deelt u het oordeel van de leden dat bij de bepaling van de toelaatbaarheid van goedkeurende beleidsbesluiten bij die benadering zoveel mogelijk dient te worden aangesloten in die zin dat er een «concreet zicht» moet zijn op wijziging van wetgeving waarop wordt vooruitgelopen. Zo nee, waarom niet?
Vraag 2b
Deelt u het oordeel van de leden dat de eis van een concreet zicht op wijziging van wetgeving waarop wordt vooruitgelopen, bij het goedkeurend beleidsbesluit niet alleen verband houdt met het rechtszekerheidsbeginsel maar ook met het zo min mogelijk schaden van de grondwettelijk/rechtsstatelijk geldende eis van betrokkenheid van het parlement bij de totstandkoming en wijziging van wetgeving?
Vraag 2c
Deelt u het oordeel van de leden dat aan de eis van een concreet zicht op wijziging van wetgeving waarop wordt vooruitgelopen wordt voldaan indien in de buitenwettelijke regeling van de voorwaarden voor het vaststellen van goedkeurende beleidsbesluiten wordt bepaald:
1. zo’n besluit dient te worden vastgesteld en ondertekend door de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor een eventuele wetswijziging waarop wordt vooruitgelopen;
2. het voornemen van zo’n besluit wordt aan de Kamers meegedeeld en het besluit wordt niet genomen indien een Kamer binnen twee weken na die mededeling uitspreekt dat het daartegen bezwaar maakt.
3. zo spoedig mogelijk na vaststelling van het goedkeurend beleidsbesluit wordt het wetsvoorstel waarop wordt vooruitgelopen, voor advies aan de Raad van State voorgelegd.
Zo ja, bent u bereid om het afwegingskader in die zin te herzien? Zo nee, welke praktische bezwaren zouden er tegen toepassing van die voorwaarden bestaan? Kunt u daarin betrekken dat in de gevallen waarin tot op heden gebruikgemaakt is van het goedkeurend beleidsbesluit het geen complexe wetswijzigingen betrof en het wetstechnisch om eenvoudige kwesties ging.
Inleiding vraag 3
Bij de beantwoording van de vragen in uw brief van 11 november 2025 stelt u dat het niet wenselijk is om het goedkeurend beleidsbesluit in de Algemene wet bestuursrecht te regelen.
Vraag 3a
Deelt u het oordeel van de leden dat niet alleen het ontbreken van een wettelijke grondslag rechtsstatelijk op bezwaren stuit, maar ook het feit dat de voorschriften van de Awb die betrekking hebben op de totstandkoming en de belangenafweging van overheidsbesluiten niet als zodanig gelden voor het vaststellen van een goedkeurend beleidsbesluit als daarvoor geen wettelijke grondslag wordt gecreëerd?
Inleiding vraag 4
U stelt: «Het kabinet acht het niet opportuun om een wettelijke grondslag te creëren voor goedkeurende beleidsbesluiten, omdat de inzet ervan echt de uitzondering moet blijven. Een algemene grondslag zou volgens het kabinet juist het gebruik van goedkeurende beleidsbesluiten kunnen stimuleren, en dat is nadrukkelijk niet de bedoeling.».
Vraag 4a
De leden begrijpen niet waarom de «grondslag» die nu buitenwettelijk is gecreëerd niet het gebruik van goedkeurende beleidsbesluiten zou kunnen stimuleren, maar dat dat wel het geval is als de grondslag in de Awb zou worden opgenomen. Kunt u dat toelichten?
Vraag 4b
De leden zijn het met u eens dat de «inzet ervan echt de uitzondering moet blijven». Waarom kan dat niet worden bereikt met een bepaling in de Awb waarin zeer stringente voorwaarden zijn opgenomen? Kunt u dat uitleggen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van 50PLUS
Het lid van de fractie van 50PLUS is u erkentelijk voor de nakoming van de toezegging bij brief d.d. 11 november 2025. Uit de toelichting blijkt dat het kabinet heeft besloten het afwegingskader inzake het goedkeurend beleidsbesluit niet te herzien omdat dit kader naar de mening van het kabinet van voldoende waarborgen is voorzien. Wel wordt een externe evaluatie toegezegd die uiterlijk eind 2028 zou moeten worden opgeleverd.
Naar de overtuiging van dit lid is de inhoud van uw brief teleurstellend en zal daarom de volgende nadere vragen stellen.
1. In de toelichting wordt niet ingegaan op de grondwettelijke aspecten. Deze aspecten betreffen zowel de vraag of het goedkeurend beleidsbesluit als wetgevingsinstrument grondwettelijk wel mogelijk is, als de vraag of het grondwettelijk is toegelaten dat beide Kamers der Staten-Generaal in de wetgevingsprocedure voor een bepaalde periode – die wel langer dan een jaar kan duurt in hun formele positie buitenspel worden gezet. Dit lid verneemt graag de onderbouwing waarom dit grondwettelijk mogelijk is?
2. In het afwegingskader wordt slechts een minimale rol gezien voor het parlement, doordat een goedkeurend beleidsbesluit enkel zo spoedig mogelijk wordt meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal. Dit is echter geen formele betrokkenheid, want bij bezwaren vanuit de Staten-Generaal staat het de betrokken bewindspersoon kennelijk vrij om het besluit door te zetten. Kunt u aangeven waarom dit geen uitbreiding is van de discretionaire bevoegdheid van een Minister of Staatssecretaris? Juist omdat een voorhangprocedure met een formele positie van beide Kamers der Staten-Generaal ontbreekt, staan de Kamers der Staten-Generaal buitenspel. Kunt u bevestigen dat het parlement op dat moment geen wettelijke maatregel kan afdwingen? Kunt u onderbouwen dat het voldoende is wanneer de rol van beide Kamers in het wetgevingsproces wordt teruggebracht tot alleen een vorm van parlementaire controle door de medewetgever?
3. Dit lid leest in de brief van 11 november 2025 dat het delen van een goedkeurend beleidsbesluit later wordt teruggebracht tot het delen van de contouren van een goedkeurend beleidsbesluit: «Waar mogelijk zit er voldoende tijd tussen het delen van de contouren van het goedkeurende beleidsbesluit en publicatie in de Staatscourant om de zienswijze van uw Kamer daarop aan het Kabinet kenbaar te maken.».4 Kunt u aangeven wanneer de mogelijkheid ontbreekt om de zienswijze van de Kamer voor publicatie kenbaar te maken? En wat zijn daarvan de consequenties? Kunt u bevestigen dat zo’n mededeling eerst na ommekomst van zes maanden wordt gedaan?
4. De contouren van het goedkeurend beleidsbesluit worden zo spoedig mogelijk gedeeld met beide Kamers. Kunt u aangeven waarom niet voorzien is dat in het beleidskader terstond een mededeling wordt gedaan?
5. Uit uw brief blijkt dat een goedkeurend beleidsbesluit altijd zo spoedig mogelijk en uiterlijk per 1 januari van het tweede jaar na inwerkingtreding in wetgeving wordt omgezet. Waarom vindt u dit een verantwoorde periode gelet op de noodzakelijke betrokkenheid van beide Kamers der Staten-Generaal als medewetgever en gelet op de rechtszekerheid?
6. U bent van mening dat een terughoudend gebruik zou moeten worden gemaakt van het instrument «goedkeurend beleidsbesluit». Er moet sprake zijn van buitengewone omstandigheden waardoor een zwaarwegend maatschappelijk belang in het geding is. Kwalificeert u het door Staatssecretaris heringevoerde goedkeurend beleidsbesluit dat thans het aantal van ruim dertig in enkel de jaren 2024 en 2025 bedraagt, als een terughoudende praktijk en passend bij het begrip buitengewone omstandigheden? Kunt u een opsomming geven van deze buitengewone omstandigheden?
7. Welke zijn in de afgelopen jaren de zwaarwegende maatschappelijke belangen geweest die de inzet van dit instrument zouden hebben kunnen rechtvaardigen? Kunt u dit aangeven bij elk van de goedkeurende beleidsbesluiten van de afgelopen jaren?
8. De omzetting van een goedkeurend wetsbesluit dient te geschieden bij wetgeving in formele zin. Gegeven de positie van beide Kamers der Staten-Generaal zou het passend zijn in ieder geval deze goedkeuring te realiseren door middel van een afzonderlijke wet, zodat beide Kamers in de gelegenheid zijn voldoende aandacht aan het wetsvoorstel te besteden en zo nodig dit wetsvoorstel te amenderen en/of te verwerpen. In de praktijk wordt echter veelal gekozen voor een verzamelwet, bijvoorbeeld in de vorm van het Belastingplan voor het alsdan komende jaar. Waarom bevat het beleidskader geen voorschrift dat de wettelijke omzetting bij afzonderlijke wet, met een daarbij behorende specifieke en adequate memorie van toelichting, zou moeten gebeuren?
9. Ziet u het gevaar dat de inzet van het instrument goedkeurend beleidsbesluit, ondanks de procedurele voorschriften in het beleidskader, toch kan uitgroeien tot een intensievere praktijk als je kijkt naar de praktijk van de afgelopen twee jaren. Zo heeft de Staatssecretaris van Financiën reeds de toezegging gedaan bij brief van 16 december 2025 om de overgangsregeling van de youngtimerregeling via een goedkeurend beleidsbesluit aan te passen; ziet u deze casus ook als een buitengewone omstandigheid met zwaarwegend maatschappelijk belang. Graag ontvangt het lid een reflectie hierop?5
10. Dit lid heeft kennisgenomen van de voorgenomen externe evaluatie per uiterlijk 2028. Is, gelet op het hiervoor aangehaalde getal van dertig reeds genomen goedkeurende beleidsbesluiten, niet al voldoende om nu op korte termijn een externe evaluatie uit te voeren, en wel nog in dit jaar 2026?
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas MDR
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 februari 2026
Graag laat ik u weten dat de beantwoording van de door enkele fracties van uw commissie gestelde schriftelijke vragen (kenmerk 179522) – die ik op 27 januari jl. van u heb ontvangen – door mijn opvolger zal worden afgedaan. De beantwoordingstermijn van 4 weken zal derhalve niet worden gehaald.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 april 2026
Enkele fracties van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben op 27 januari jl. schriftelijke vragen gesteld over goedkeurende beleidsbesluiten en het bijbehorende afwegingskader naar aanleiding van de brief van 11 november 2025 van mijn ambtsvoorganger. In antwoord op uw brief van 27 januari jl. deel ik u, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, mee dat de schriftelijke vragen worden beantwoord op de hiernavolgende pagina’s.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD
Inleiding vraag 1
In de brief van 11 november 2025 wordt ingegaan op de figuur van het «goedkeurend beleidsbesluit». Blijkens de definitie die u geeft in noot 1 kan zo’n besluit ook betrekking hebben op afwijking van wetgeving die betrekking heeft op verplichtingen of aanspraken die niet financieel van aard zijn.
Vraag 1a
Deelt u het oordeel van deze leden dat uw definitie van het «goedkeurend beleidsbesluit» in voetnoot 1 in de brief van 11 november 2025 te ruim is omdat het buitenwettelijk regelen van verplichtingen of aanspraken die niet financieel van aard zijn (bijvoorbeeld het bij besluit bepalen dat een vergunningplicht komt te vervallen of dat een verplichting om gegevens te verschaffen geldt in gevallen waarin dat wettelijk niet is voorgeschreven) zozeer in strijd komt met het legaliteitsbeginsel, dat dit rechtsstatelijk niet mag worden toegelaten?
Vraag 1b
In het afwegingskader worden voorwaarden gesteld die betrekking hebben op belastingplichtigen en toeslaggerechtigden. Impliceert dit dat toepassing van een goedkeurend beleidsbesluit niet aan de orde kan zijn op andere financiële verplichtingen of aanspraken, zoals bijvoorbeeld bij subsidies, dwangsommen of kostenverhaal?
Antwoord op de vragen 1a en 1b
In de betreffende voetnoot van de brief van 11 november 20256 staat dat in het kader en dus ook in de betreffende brief onder «goedkeurend beleidsbesluit» wordt verstaan: «een beleidsbesluit dat zonder wettelijke basis afwijkt van wetgeving, vooruitlopend op de inwerkingtreding van een wetsvoorstel». Met die definitie wordt dit type beleidsbesluit afgebakend ten opzichte van bijvoorbeeld goedkeurende beleidsbesluiten op basis van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het afwegingskader van de Staatssecretaris van Financiën geldt enkel voor diens beleidsterreinen (fiscaliteit, toeslagen en douane) en dus niet voor andere beleidsterreinen. Dat brengt met zich dat de goedkeuringen in de regel financiële gevolgen hebben. Het is echter niet uitgesloten dat er binnen de voornoemde domeinen goedkeurende beleidsbesluiten worden getroffen die niet financieel van aard zijn, bijvoorbeeld omdat bepaalde administratieve verplichtingen onevenredig zijn. Een voorbeeld van een niet-financiële goedkeuring is een goedkeurend beleidsbesluit waarin voor bezwaarschriften in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen is goedgekeurd dat bij termijnoverschrijdingen binnen tien weken niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft, ongeacht de omstandigheden van het geval.7 Zoals in het afwegingskader is aangegeven, kunnen goedkeurende beleidsbesluiten wel spanning opleveren met het legaliteitsbeginsel. De in het afwegingskader opgenomen voorwaarden en waarborgen beogen die spanning zoveel mogelijk te mitigeren.
Vraag 2a
Deelt u het oordeel van de leden dat bij de bepaling van de toelaatbaarheid van goedkeurende beleidsbesluiten bij de benadering van gedoogbesluiten als buitenwettelijke rechtsfiguur, welke in de rechtspraak alleen toelaatbaar worden geacht als er een concreet zicht op legalisering is, zoveel mogelijk dient te worden aangesloten in die zin dat er een «concreet zicht» moet zijn op wijziging van wetgeving waarop wordt vooruitgelopen. Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 2a
Ja, dat oordeel deel ik. Om die reden is in het afwegingskader als waarborg opgenomen dat het goedkeurende beleidsbesluit op voldoende politiek en maatschappelijk draagvlak moet berusten en wordt voorzien van een horizonbepaling en zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk per 1 januari van het tweede jaar na inwerkingtreding, wordt omgezet in wetgeving. Uit het met de Eerste Kamer gedeelde overzicht van getroffen goedkeurende beleidsbesluiten volgt ook dat beleidsbesluiten sindsdien steeds binnen die termijn zijn gecodificeerd.8
Vraag 2b
Deelt u het oordeel van de leden dat de eis van een concreet zicht op wijziging van wetgeving waarop wordt vooruitgelopen, bij het goedkeurend beleidsbesluit niet alleen verband houdt met het rechtszekerheidsbeginsel maar ook met het zo min mogelijk schaden van de grondwettelijk/rechtsstatelijk geldende eis van betrokkenheid van het parlement bij de totstandkoming en wijziging van wetgeving?
Antwoord op vraag 2b
Ja, dat oordeel deel ik. Een goedkeurend beleidsbesluit ontbeert belangrijke waarborgen waaraan met wetgeving wel tegemoet wordt gekomen, zoals democratische legitimatie en kwaliteitswaarborgen. Het bieden van rechtszekerheid is één van die waarborgen. Daarom is ook in het afwegingskader opgenomen dat het kabinet terughoudendheid dient te betrachten in het gebruiken van goedkeurende beleidsbesluiten.
Vraag 2c
Deelt u het oordeel van de leden dat aan de eis van een concreet zicht op wijziging van wetgeving waarop wordt vooruitgelopen wordt voldaan indien in de buitenwettelijke regeling van de voorwaarden voor het vaststellen van goedkeurende beleidsbesluiten wordt bepaald:
1. zo’n besluit dient te worden vastgesteld en ondertekend door de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor een eventuele wetswijziging waarop wordt vooruitgelopen;
2. het voornemen van zo’n besluit wordt aan de Kamers meegedeeld en het besluit wordt niet genomen indien een Kamer binnen twee weken na die mededeling uitspreekt dat het daartegen bezwaar maakt.
3. zo spoedig mogelijk na vaststelling van het goedkeurend beleidsbesluit wordt het wetsvoorstel waarop wordt vooruitgelopen, voor advies aan de Raad van State voorgelegd.
Zo ja, bent u bereid om het afwegingskader in die zin te herzien? Zo nee, welke praktische bezwaren zouden er tegen toepassing van die voorwaarden bestaan? Kunt u daarin betrekken dat in de gevallen waarin tot op heden gebruikgemaakt is van het goedkeurend beleidsbesluit het geen complexe wetswijzigingen betrof en het wetstechnisch om eenvoudige kwesties ging.
Antwoord op vraag 2c
Dank voor de gedane suggesties. Belangrijk is dat een goedkeurend beleidsbesluit weloverwogen tot stand komt. Het stellen van voorwaarden aan de eis van concreet zicht op wetgeving draagt hieraan bij. Het afwegingskader voorziet hiervoor in de volgende waarborgen dat (i) het goedkeurende beleidsbesluit wordt voorzien van een horizonbepaling en zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk per 1 januari van het tweede jaar na inwerkingtreding, wordt omgezet in wetgeving, (ii) de contouren van het goedkeurende beleidsbesluit zo spoedig mogelijk worden gedeeld met de Tweede en Eerste Kamer, en (iii) als het codificatiewetsvoorstel in de Tweede of Eerste Kamer niet door de vereiste meerderheid wordt gesteund, zo spoedig mogelijk wordt toegewerkt naar het afbouwen van de regeling. Tegen de contouren van het beleidsbesluit kan de Kamer eventuele bezwaren kenbaar maken. Met deze drie voorwaarden voldoet het afwegingskader aan de eis van zicht op concrete wetgeving. Ik zie om die reden geen aanleiding het afwegingskader te herzien met de door u geformuleerde voorwaarden. Wat betreft de door u geformuleerde voorwaarden nog het volgende.
Ad 1) Ik deel het oordeel dat een goedkeurend beleidsbesluit zou moeten worden ondertekend door de verantwoordelijke bewindspersoon. Die toezegging is naar aanleiding van vragen van het lid Van Rooijen (50PLUS) daarom al gedaan en is bestaande praktijk.9
Ad 2) De contouren van het goedkeurende beleidsbesluit moeten op grond van het afwegingskader zo spoedig mogelijk worden gedeeld met zowel de Tweede als Eerste Kamer. Waar mogelijk zit er voldoende tijd tussen het delen van de contouren van het goedkeurende beleidsbesluit en publicatie in de Staatscourant om de zienswijze van beide Kamers daarop aan het kabinet kenbaar te maken. Ik kan niet toezeggen dat onder álle omstandigheden twee weken kan worden gewacht tot een goedkeurend beleidsbesluit wordt genomen. Er kunnen zich dusdanig buitengewone omstandigheden voordoen dat ook die termijn ertoe leidt dat onverkorte wetstoepassing zodanig knelt dat niet kan worden gewacht met het nemen van een goedkeurend beleidsbesluit. Het spreekt voor zich dat het hier om uitzonderlijke situaties gaat en dat de verantwoordelijke bewindspersoon zich inspant om tijdig de contouren van het beleidsbesluit met beide Kamers te delen. Voorts moet op grond van het afwegingskader een goedkeurend beleidsbesluit op voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak berusten. Als in een van de Kamers bezwaren worden geuit tegen een goedkeurend beleidsbesluit, zal moeten worden afgewogen of er nog wel voldoende draagvlak is. Als blijkt dat in de Tweede of Eerste Kamer geen draagvlak bestaat voor een goedkeurend beleidsbesluit, of als een wetsvoorstel ter codificatie van een goedkeurend beleidsbesluit in de Tweede of Eerste Kamer niet door de vereiste meerderheid wordt gesteund, wordt het goedkeurend beleidsbesluit zo spoedig mogelijk afgebouwd. Daarbij worden de algemene rechtsbeginselen in acht genomen, zodat burgers daarvan niet de dupe worden.
Ad 3) Uiteraard wordt het wetsvoorstel waarop wordt vooruitgelopen door een goedkeurend beleidsbesluit – voorafgaand aan de indiening ervan bij de Tweede Kamer – ter advisering voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State, net als elk ander wetsvoorstel. Dat is de gangbare praktijk. Gelet op de waarborg dat een goedkeurend beleidsbesluit zo spoedig mogelijk wordt omgezet in wetgeving, wordt dus ook zo spoedig mogelijk een adviesaanvraag gedaan.
Tenslotte neem ik uw suggesties graag mee in de al aangekondigde evaluatie van het afwegingskader.
Inleiding vraag 3
Bij de beantwoording van de vragen in uw brief van 11 november 2025 stelt u dat het niet wenselijk is om het goedkeurend beleidsbesluit in de Algemene wet bestuursrecht te regelen.
Vraag 3a
Deelt u het oordeel van de leden dat niet alleen het ontbreken van een wettelijke grondslag rechtsstatelijk op bezwaren stuit, maar ook het feit dat de voorschriften van de Awb die betrekking hebben op de totstandkoming en de belangenafweging van overheidsbesluiten niet als zodanig gelden voor het vaststellen van een goedkeurend beleidsbesluit als daarvoor geen wettelijke grondslag wordt gecreëerd?
Antwoord op vraag 3a
In het afwegingskader wordt nadrukkelijk ingegaan op de waarborgen die in acht moeten worden genomen in de afweging om een goedkeurend beleidsbesluit te nemen. Deze waarborgen komen grotendeels voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze beginselen gelden ook als zij niet wettelijk zijn vastgelegd. Vanuit die beginselen is het in voorkomende gevallen noodzakelijk om – in afwijking van geldende wetgeving – bepaalde hardheden in fiscale wetgeving te mitigeren. Bovendien zijn de regels over de totstandkoming en de belangenafweging (de artikelen 3:2 en 3:4, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) van toepassing op alle typen besluiten, dus ook op goedkeurende beleidsbesluiten. Een grondslag hiervoor in de Awb voegt op dit punt niets toe.
Inleiding vraag 4
U stelt: «Het kabinet acht het niet opportuun om een wettelijke grondslag te creëren voor goedkeurende beleidsbesluiten, omdat de inzet ervan echt de uitzondering moet blijven. Een algemene grondslag zou volgens het kabinet juist het gebruik van goedkeurende beleidsbesluiten kunnen stimuleren, en dat is nadrukkelijk niet de bedoeling.».
Vraag 4a
De leden begrijpen niet waarom de «grondslag» die nu buitenwettelijk is gecreëerd niet het gebruik van goedkeurende beleidsbesluiten zou kunnen stimuleren, maar dat dat wel het geval is als de grondslag in de Awb zou worden opgenomen. Kunt u dat toelichten?
Antwoord op vraag 4a
Het kabinet is van oordeel dat slechts in uitzonderlijke gevallen naar de figuur van een goedkeurend beleidsbesluit moet worden gegrepen, omdat wetswijzing met de daarbij behorende procedure en de betrokkenheid van de Staten-Generaal nu eenmaal de voorkeur verdient. Het opnemen van een bepaling in de Awb neemt de nadelen van de toepassing van een goedkeurend beleidsbesluit niet weg. Immers, de betrokkenheid van de Staten-Generaal wordt er niet door vergroot. Sterker nog, het kabinet vreest dat van zo’n bepaling in de Awb een legitimerende werking zou kunnen uitgaan, waarvan het gevolg zou kunnen zijn dat gemakkelijker tot toepassing van een goedkeurend beleidsbesluit wordt overgegaan dan onder het bestaande kader. Het kabinet ziet meer in het terughoudend gebruiken van de figuur van een goedkeurend beleidsbesluit met toepassing van het afwegingskader. Het kabinet staat open voor suggesties om dat kader aan te vullen en is ook bereid om over de toepassing, zo mogelijk vooraf via het voorleggen van de contouren van het voorliggende besluit, maar in ieder geval achteraf, verantwoording af te leggen. De suggesties kunnen worden meegenomen in de reeds aangekondigde evaluatie die eind 2028 wordt opgeleverd.
Vraag 4b
De leden zijn het met u eens dat de «inzet ervan echt de uitzondering moet blijven». Waarom kan dat niet worden bereikt met een bepaling in de Awb waarin zeer stringente voorwaarden zijn opgenomen? Kunt u dat uitleggen?
Antwoord op vraag 4b
Zie het antwoord hierboven. De vraag of aanleiding bestaat om de figuur van een goedkeurend beleidsbesluit toe te passen, vraagt iedere keer een nieuwe afweging, toegespitst op de concrete situatie. De vraag is daarbij: kan wetgeving worden afgewacht, of dienen voorafgaand daaraan reeds maatregelen te worden getroffen? Regering en Staten-Generaal zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de wetgeving. Als de regering tot het oordeel komt dat wetgeving niet kan worden afgewacht en daar naar handelt, moet zij dat aan de Staten-Generaal kunnen verantwoorden. Een eventuele discussie zal altijd gaan over de omstandigheden van het geval en de vraag of de Staten-Generaal de door de regering gemaakte afwegingen deelt. Het kabinet wil zich er voor blijven inzetten deze discussie met u te voeren voorafgaand aan het goedkeurende beleidsbesluit, door middel van het voorleggen van de contouren van het voorliggende besluit. Daarnaast biedt een dergelijke wetsbepaling niet meer rechtsbescherming dan thans. Immers, ook als zou worden vastgesteld dat ten onrechte gebruik is gemaakt van een goedkeurend beleidsbesluit, dan kan de burger op wie dat beleid is toegepast daar nog steeds rechten aan ontlenen. Een bepaling in de Awb verandert dat niet en voegt daar niets aan toe. Dit kabinet is er daarom niet van overtuigd dat een algemene grondslag voor de inzet van een goedkeurend beleidsbesluit op zichzelf meer waarborgen met zich zal brengen, laat staan een meer terughoudende inzet van het instrument. Het tegenovergestelde effect zou evengoed denkbaar zijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van 50PLUS
Vraag 1
In de toelichting wordt niet ingegaan op de grondwettelijke aspecten. Deze aspecten betreffen zowel de vraag of het goedkeurend beleidsbesluit als wetgevingsinstrument grondwettelijk wel mogelijk is, als de vraag of het grondwettelijk is toegelaten dat beide Kamers der Staten-Generaal in de wetgevingsprocedure voor een bepaalde periode – die wel langer dan een jaar kan duren in hun formele positie buitenspel worden gezet. Dit lid verneemt graag de onderbouwing waarom dit grondwettelijk mogelijk is?
Antwoord op vraag 1
In de beantwoording in de brief van 11 november 2025 is reeds ingegaan op de spanning met het legaliteitsbeginsel, dat voor het belastingrecht voortvloeit uit artikel 104 van de Grondwet. Met een goedkeurend beleidsbesluit wordt inherent afgeweken van de op dat moment geldende wetgeving. In het afwegingskader van december 2023 heeft het kabinet overwogen dat afwijken van wetgeving binnen deze grondwettelijke kaders slechts is toegestaan onder uitzonderlijke omstandigheden en met inbegrip van de nodige waarborgen. In het afwegingskader is over de grondwettelijke aspecten de volgende toelichting opgenomen: «In dit verband acht het kabinet het mede relevant oog te hebben voor de uitleg die de fiscale wetgever heeft gegeven aan artikel 104 Grondwet. Uit een grote hoeveelheid bepalingen blijkt dat delegatie van verschillende bevoegdheden aan de regering of de Minister mogelijk is. De belastingwetgever heeft in die gevallen ruimte gelaten aan de regering of de bewindspersoon om te handelen. Het primaat van de fiscale wetgever is zodoende in de wetgevingspraktijk gerelativeerd.10 Mede tegen die achtergrond levert afwijking van fiscale regels minder spanning op met het legaliteitsbeginsel van artikel 104 Grondwet. Dat laat onverlet dat spanning met het legaliteitsbeginsel onvermijdelijk is, omdat goedkeurende beleidsbesluiten naar hun aard goedkeuren wat op dat moment nog niet in overeenstemming is met de dan geldende wettelijke voorschriften.» Vanuit het achterliggende evenredigheidsbeginsel is het in voorkomende gevallen noodzakelijk om – in afwijking van geldende wetgeving – bepaalde hardheden in fiscale wetgeving te mitigeren.
Vraag 2
In het afwegingskader wordt slechts een minimale rol gezien voor het parlement, doordat een goedkeurend beleidsbesluit enkel zo spoedig mogelijk wordt meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal. Dit is echter geen formele betrokkenheid, want bij bezwaren vanuit de Staten-Generaal staat het de betrokken bewindspersoon kennelijk vrij om het besluit door te zetten. Kunt u aangeven waarom dit geen uitbreiding is van de discretionaire bevoegdheid van een Minister of Staatssecretaris? Juist omdat een voorhangprocedure met een formele positie van beide Kamers der Staten-Generaal ontbreekt, staan de Kamers der Staten-Generaal buitenspel. Kunt u bevestigen dat het parlement op dat moment geen wettelijke maatregel kan afdwingen? Kunt u onderbouwen dat het voldoende is wanneer de rol van beide Kamers in het wetgevingsproces wordt teruggebracht tot alleen een vorm van parlementaire controle door de medewetgever?
Antwoord op vraag 2
Het klopt inderdaad dat de beide Kamers de mogelijkheid hebben om eventuele bezwaren aangaande de contouren van het voorliggende goedkeurend beleidsbesluit te delen. De desbetreffende bewindspersoon dient zich daartoe te verhouden. Het is immers een voorwaarde in het afwegingskader dat een goedkeurend beleidsbesluit op voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak berust. In het afwegingskader is overwogen dat het onder uitzonderlijke omstandigheden mogelijk is om af te wijken van de dan geldende wetgeving. Dat er bij het nemen van een goedkeurend beleidsbesluit spanning ontstaat met het legaliteitsbeginsel, wordt nadrukkelijk onderkend in het afwegingskader en wordt met het omkleden van verschillende kwaliteitswaarborgen zoveel mogelijk gemitigeerd. Op het moment dat wordt besloten tot het nemen van een goedkeurende beleidsbesluit kan het parlement geen wettelijke maatregel afdwingen, maar wel parlementaire controle uitoefenen. Het parlement kan het daaropvolgende wetsvoorstel waarin het goedkeurend beleidsbesluit wordt gecodificeerd wel verwerpen. De beide Kamers vervullen in dat wetgevingsproces hun normale rol als medewetgever.
Vraag 3
Dit lid leest in de brief van 11 november 2025 dat het delen van een goedkeurend beleidsbesluit later wordt teruggebracht tot het delen van de contouren van een goedkeurend beleidsbesluit: «Waar mogelijk zit er voldoende tijd tussen het delen van de contouren van het goedkeurende beleidsbesluit en publicatie in de Staatscourant om de zienswijze van uw Kamer daarop aan het Kabinet kenbaar te maken.»11 Kunt u aangeven wanneer de mogelijkheid ontbreekt om de zienswijze van de Kamer voor publicatie kenbaar te maken? En wat zijn daarvan de consequenties? Kunt u bevestigen dat zo’n mededeling eerst na ommekomst van zes maanden wordt gedaan?
Vraag 4
De contouren van het goedkeurend beleidsbesluit worden zo spoedig mogelijk gedeeld met beide Kamers. Kunt u aangeven waarom niet voorzien is dat in het beleidskader terstond een mededeling wordt gedaan?
Antwoord op vragen 3 en 4
In het afwegingskader is opgenomen dat de contouren van een goedkeurend beleidsbesluit zo spoedig mogelijk worden gedeeld met de Tweede en Eerste Kamer, maar uiterlijk op het tijdstip van aanbieding voor publicatie in de Staatscourant. Met «de contouren» wordt bedoeld dat de Kamers worden geïnformeerd over wat de goedkeuring op hoofdlijnen inhoudt. Op het moment van publicatie in de Staatscourant is de goedkeuring voor iedereen integraal beschikbaar. Zoals ik in reactie op de vragen van de leden van de fractie van de PvdD aangaf, kan ik niet toezeggen dat onder álle omstandigheden (twee weken) kan worden gewacht op de zienswijze van de Tweede en Eerste Kamer voordat een goedkeurend beleidsbesluit wordt genomen. Er kunnen zich dusdanig buitengewone omstandigheden voordoen dat ook een termijn van twee weken ertoe leidt dat onverkorte wetstoepassing zodanig knelt dat niet kan worden gewacht met het nemen van een goedkeurend beleidsbesluit. Als blijkt dat een goedkeurend beleidsbesluit, en daarmee later een wetsvoorstel ter codificatie daarvan, in de Tweede of Eerste Kamer niet door de vereiste meerderheid wordt gesteund, wordt zo spoedig mogelijk toegewerkt naar afbouw van de regeling. Daarbij worden de algemene rechtsbeginselen in acht genomen, zodat burgers daarvan niet de dupe worden.
Vraag 5
Uit uw brief blijkt dat een goedkeurend beleidsbesluit altijd zo spoedig mogelijk en uiterlijk per 1 januari van het tweede jaar na inwerkingtreding in wetgeving wordt omgezet. Waarom vindt u dit een verantwoorde periode gelet op de noodzakelijke betrokkenheid van beide Kamers der Staten-Generaal als medewetgever en gelet op de rechtszekerheid?
Antwoord op vraag 5
Voordat een fiscaal wetsvoorstel bij de Tweede Kamer wordt ingediend, worden verschillende stappen doorlopen, zoals het uitvoeren van een doenvermogen- en regeldruktoets, een uitvoeringstoets en moet het voorstel in sommige gevallen worden voorgelegd aan het Ministerie van J&V voor het uitvoeren van een wetgevingstoets.12 Afhankelijk van de inhoud van het voorstel wordt verder bijvoorbeeld advies gevraagd bij de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad voor de rechtspraak. Daarnaast wordt ieder wetsvoorstel getoetst door de Afdeling advisering van de Raad van State (de Afdeling) voorafgaand aan de indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer. Voor een regulier wetsvoorstel is een doorlooptijd van twee jaar daarom gebruikelijk. Als een codificatie kan worden opgenomen in een wetsvoorstel dat een spoedtraject doorloopt, zoals het wetsvoorstel Belastingplan, dan kan dit sneller. Om de kwaliteit van de wetgeving te kunnen waarborgen acht het kabinet een zo spoedig mogelijke omzetting, maar uiterlijk per 1 januari van het tweede jaar na inwerkingtreding, zodoende verantwoord. Als blijkt dat een goedkeurend beleidsbesluit, of later een wetsvoorstel ter codificatie daarvan, in de Tweede of Eerste Kamer niet door de vereiste meerderheid wordt gesteund, wordt op grond van het afwegingskader zo spoedig mogelijk toegewerkt naar afbouw van de regeling. Daarbij worden de algemene rechtsbeginselen, waaronder het vertrouwensbeginsel, in acht genomen.
Vraag 6
U bent van mening dat een terughoudend gebruik zou moeten worden gemaakt van het instrument «goedkeurend beleidsbesluit». Er moet sprake zijn van buitengewone omstandigheden waardoor een zwaarwegend maatschappelijk belang in het geding is. Kwalificeert u het door Staatssecretaris heringevoerde goedkeurend beleidsbesluit dat thans het aantal van ruim dertig in enkel de jaren 2024 en 2025 bedraagt, als een terughoudende praktijk en passend bij het begrip buitengewone omstandigheden? Kunt u een opsomming geven van deze buitengewone omstandigheden?
Vraag 7
Welke zijn in de afgelopen jaren de zwaarwegende maatschappelijke belangen geweest die de inzet van dit instrument zouden hebben kunnen rechtvaardigen? Kunt u dit aangeven bij elk van de goedkeurende beleidsbesluiten van de afgelopen jaren?
Antwoord op de vragen 6 en 7
Uit het eerdergenoemde overzicht van goedkeurende beleidsbesluiten (zie het antwoord op vraag 2a van de leden van de fractie van de PvdD) dat aan uw Kamer is gezonden blijkt dat sinds 2018 op dat moment 29 goedkeurende beleidsbesluiten zijn getroffen.13 Het gros van die goedkeurende beleidsbesluiten dateert van voor het afwegingskader. In de jaren 2024 en 2025 zijn in totaal zes goedkeurende beleidsbesluiten getroffen. Vanaf de totstandkoming van het afwegingskader is getoetst aan de voorwaarden die in het afwegingskader zijn vervat, waaronder de voorwaarde van «buitengewone omstandigheden». Met deze voorwaarde is bedoeld om consequent te toetsen of zich dergelijke omstandigheden voordoen. Uit de aard van buitengewone omstandigheden volgt dat op voorhand geen uitputtende opsomming kan worden gegeven van wanneer zich dergelijke omstandigheden voordoen. De aanwezigheid van die omstandigheden moet op grond van het afwegingskader wel worden gemotiveerd in de toelichting bij het goedkeurende beleidsbesluit en bij de codificatie daarvan. Goedkeurende beleidsbesluiten die sinds het afwegingskader zijn getroffen, zagen onder meer op het btw-overgangsrecht en het nieuwe pensioenstelsel.14 Het zwaarwegend maatschappelijk belang dat hier in het geding was, betrof het uitvoeren van een motie van de Tweede Kamer in combinatie met het voorkomen van onevenredige administratieve lasten en onbegrip in de samenleving, respectievelijk het voorkomen van knelpunten bij de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel.
Vraag 8
De omzetting van een goedkeurend wetsbesluit dient te geschieden bij wetgeving in formele zin. Gegeven de positie van beide Kamers der Staten-Generaal zou het passend zijn in ieder geval deze goedkeuring te realiseren door middel van een afzonderlijke wet, zodat beide Kamers in de gelegenheid zijn voldoende aandacht aan het wetsvoorstel te besteden en zo nodig dit wetsvoorstel te amenderen en/of te verwerpen. In de praktijk wordt echter veelal gekozen voor een verzamelwet, bijvoorbeeld in de vorm van het Belastingplan voor het alsdan komende jaar. Waarom bevat het beleidskader geen voorschrift dat de wettelijke omzetting bij afzonderlijke wet, met een daarbij behorende specifieke en adequate memorie van toelichting, zou moeten gebeuren?
Antwoord op vraag 8
Op basis van aanwijzing 6.4. van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) kan niet worden geconcludeerd dat codificaties van beleidsbesluiten, afhankelijk van het onderwerp, zich niet zouden lenen voor een verzamelwet. Dat is mogelijk, zolang aan de criteria die in die aanwijzing worden genoemd wordt voldaan, zoals dat verschillende onderdelen voldoende samenhang moeten hebben. Volgens de toelichting op die aanwijzing hebben de wijzigingen in verzamelwetten samenhang als er sprake is van inhoudelijke samenhang, budgettaire samenhang, thematische samenhang of uitvoeringstechnische samenhang. Daarnaast schrijven de Ar voor dat een verzamelwet aan het uitgangspunt dient te voldoen dat de wet bestaat uit onderdelen die als zodanig niet dermate groot en inhoudelijk complex zijn dat dit een separaat wetsvoorstel rechtvaardigt. Het enkele feit dat het gaat om een codificatie van een goedkeurend beleidsbesluit, geeft geen grond om de maatregel niet in een verzamelwet op te kunnen nemen. Ik kan daarom niet toezeggen dat codificaties van goedkeurende beleidsbesluiten in een zelfstandig wetsvoorstel worden opgenomen. Overigens geldt ook voor een in een verzamelwet opgenomen maatregel dat deze moet zijn voorzien van een specifieke en adequate toelichting en dat hiervoor bijvoorbeeld afzonderlijk een doenvermogentoets wordt doorlopen.
Vraag 9
Ziet u het gevaar dat de inzet van het instrument goedkeurend beleidsbesluit, ondanks de procedurele voorschriften in het beleidskader, toch kan uitgroeien tot een intensievere praktijk als je kijkt naar de praktijk van de afgelopen twee jaren. Zo heeft de Staatssecretaris van Financiën reeds de toezegging gedaan bij brief van 16 december 2025 om de overgangsregeling van de youngtimerregeling via een goedkeurend beleidsbesluit aan te passen; ziet u deze casus ook als een buitengewone omstandigheid met zwaarwegend maatschappelijk belang. Graag ontvangt het lid een reflectie hierop?15
Antwoord op vraag 9
Een goedkeurend beleidsbesluit wordt alleen genomen als er sprake is van buitengewone omstandigheden waardoor een zwaarwegend maatschappelijk belang in het geding is. Daarvan is sprake indien het wachten op een wetswijziging zodanig knelt, dat onverkorte wetstoepassing niet past bij een overheid die recht wil doen aan de menselijke maat en algemene rechtsbeginselen. Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2026 werd via een amendement geregeld dat de youngtimerregeling wordt versoberd in twee stappen.16 Per 2026 geldt de youngtimerregeling vanaf het moment dat een auto ten minste 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen. Vanaf 2027 gaat deze jaargrens omhoog naar 25 jaar. De wijziging per 2026 had als doel, volgens de toelichting op het amendement, om de gebruikers van youngtimers een jaar de ruimte te geven om desgewenst te anticiperen op het verschuiven van de jaargrens van 15 naar 16 jaar. Nadat het amendement werd aangenomen bleek echter dat het amendement als gevolg had dat een bepaalde groep autogebruikers slechts tot 1 januari 2026 (iets meer dan 1 maand) de tijd had om te anticiperen op de verhoogde jaargrens. Dat zorgde voor een zeer beperkt handelingsperspectief voor gebruikers van auto’s die in 2025 de jaargrens van 15 jaar hebben bereikt. Dat was niet conform de bedoeling van het amendement en kon behoorlijk negatieve financiële gevolgen met zich meebrengen voor een groep autogebruikers die hier niet op konden anticiperen. Daarmee ontstond er een zwaarwegend maatschappelijk belang dat onaanvaardbare gevolgen met zich brengt. Er was onvoldoende tijd voor het kabinet om dit onbedoelde negatieve effect direct via wetgeving te repareren en daarom heeft het kabinet gekozen voor een goedkeurend beleidsbesluit, waarmee voor de genoemde groep autogebruikers de ruimte ontstaat om desgewenst te anticiperen op de versobering van de jaargrens.
Het overzicht dat aan uw Kamer is gestuurd biedt naar mijn oordeel overigens geen grond voor de vrees dat het afwegingskader het gebruik van goedkeurende beleidsbesluiten zal intensiveren.
Vraag 10
Dit lid heeft kennisgenomen van de voorgenomen externe evaluatie per uiterlijk 2028. Is, gelet op het hiervoor aangehaalde getal van dertig reeds genomen goedkeurende beleidsbesluiten, niet al voldoende om nu op korte termijn een externe evaluatie uit te voeren, en wel nog in dit jaar 2026?
Antwoord op vraag 10
Zoals hiervoor geschreven volgt uit het overzicht dat sinds de publicatie van het afwegingskader (12 december 2023) zes goedkeurende beleidsbesluiten zijn getroffen. Nadien is er nog één goedkeurend beleidsbesluit getroffen.17 Toegezegd is dat de toepassing van het afwegingskader wordt geëvalueerd. Aangezien in het afwegingskader ook waarborgen zijn opgenomen die zien op de codificatie van goedkeurende beleidsbesluiten, zie ik de meerwaarde in van een langere evaluatieperiode. Op die manier kan in de evaluatie namelijk ook worden meegenomen of de codificaties van de na 12 december 2023 getroffen goedkeurende beleidsbesluiten in lijn zijn met de in het afwegingskader opgenomen waarborgen.
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan-Kilic (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Vgl. J.L.M. Gribnau en M.L.T. Pauwels, «Commentaar op artikel 104 Grondwet», in: E.H.M. Hirsch Ballin e.a., Uitleg van de Grondwet, Den Haag: Boom 2021, p. 1037.
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan-Kilic (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Vgl. J.L.M. Gribnau en M.L.T. Pauwels, «Commentaar op artikel 104 Grondwet», in: E.H.M. Hirsch Ballin e.a., Uitleg van de Grondwet, Den Haag: Boom 2021, p. 1037.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36600-VII-N.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.