Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 12 februari 2026, nr. 2026-2493 over Loonheffingen en Inkomstenbelasting. Youngtimerregeling; besluit introduceren overgangstermijn van een jaar vanwege versoberen youngtimerregeling

De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

1. Inleiding

Dit besluit bevat een goedkeuring waarmee vooruitlopend op wetgeving voor een bepaalde groep belastingplichtigen die gebruikmaken van de youngtimerregeling, de verhoging van de grens naar 16 jaar tijdelijk niet geldt.

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

Youngtimerregeling:

de wijze waarop het voordeel wordt gewaardeerd van een mede voor privédoeleinden ter beschikking gestelde of ter beschikking staande auto die meer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, als bedoeld in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 onderscheidenlijk artikel 3.20 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (teksten 2026).

Wet LB 1964:

Wet op de loonbelasting 1964.

Wet IB 2001:

Wet inkomstenbelasting 2001.

2. Overgangstermijn versobering youngtimerregeling

Artikel 2.1 Overgangstermijn ter beschikking gestelde auto

Artikel 13bis, eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, Wet LB 1964 zoals dat luidde op 31 december 2025 mag gedurende het jaar 2026 worden toegepast als de auto:

  • a. in de loop van het kalenderjaar 2025 meer dan 15 jaar maar minder dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen; en

  • b. uiterlijk 31 december 2025 ter beschikking is gesteld aan de betreffende werknemer.

Artikel 2.2 Overgangstermijn ter beschikking staande auto

Artikel 3.20, eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001 zoals dat luidde op 31 december 2025 mag gedurende het jaar 2026 worden toegepast als de auto:

  • a. in de loop van het kalenderjaar 2025 meer dan 15 jaar maar minder dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen; en

  • b. uiterlijk 31 december 2025 ter beschikking staat aan de betreffende belastingplichtige.

3. Inwerkingtreding en vervaldatum

Artikel 3.1 Inwerkingtreding en vervaldatum

Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026.

Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2027 of eerder indien de vorenstaande goedkeuring in de Wet LB 1964 en de Wet IB 2001 is gecodificeerd.

4. Publicatie en ondertekening

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 12 februari 2026

De Staatssecretaris van Financiën, E.H.J. Heijnen

TOELICHTING

I. Algemene toelichting

Aanleiding

Via een amendement1 op het wetsvoorstel Belastingplan 2026 is per 1 januari 2026 de jaargrens van de youngtimerregeling verschoven van 15 naar 16 jaar. Als gevolg hiervan wijzigt vanaf 1 januari 2026 de belastingheffing van mede voor privédoeleinden ter beschikking gestelde, dan wel ter beschikking staande auto’s die vanaf enig moment in de loop van het kalenderjaar 2025 meer dan 15 jaar maar niet meer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen. Voor deze categorie auto’s gold tot en met 31 december 2025 dat het privévoordeel, onderscheidenlijk de onttrekking, vanaf het moment dat de jaargrens van 15 jaar is bereikt forfaitair werd gewaardeerd op 35% van de waarde in het economische verkeer van de auto. Vanaf 1 januari 2026 wordt het privévoordeel forfaitair gewaardeerd op 22% (bij onder het overgangsrecht uit 2017 vallende auto’s: 25%) van de catalogusprijs van de auto tot in 2026 de jaargrens van 16 jaar is bereikt.2

De wijziging per 1 januari 2026 heeft als gevolg dat een bepaalde groep autogebruikers die de youngtimerregeling in 2025 konden toepassen, tot enig moment in 2026 de youngtimerregeling niet meer kunnen toepassen. Dit betreft de groep die in het kalenderjaar 2025 voor het eerst gebruik kon maken van de youngtimerregeling, omdat de betreffende auto’s in het kalenderjaar 2025 meer dan 15 jaar maar niet meer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen. Voor deze groep is de youngtimerregeling per 1 januari 2026 niet meer van toepassing totdat de auto in de loop van het jaar 2026 meer dan 16 jaar geleden in gebruik is genomen. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Belastingplan 2026 gaven meerdere fracties uit de Eerste Kamer aan dat zij een overgangsregeling wenselijk vinden. Daarnaast blijkt ook uit de toelichting van het amendement dat bedoeld was om de gebruikers van youngtimers een jaar de ruimte te geven om hierop desgewenst te anticiperen.3

Zoals aangekondigd bij brief van 16 december 20254 geef ik door middel van dit beleidsbesluit een goedkeuring vooruitlopend op wetgeving waarmee voor vorenstaande situatie wordt geregeld dat voor het kalenderjaar 2026 de verhoging van de jaargrens niet van toepassing is. Per 1 januari 2027 wordt de jaargrens verhoogd naar 25 jaar en vervalt deze overgangsregeling. Het streven is om uiterlijk op 1 januari 2027 de in dit besluit opgenomen goedkeuring om te zetten in wetgeving, waarna dit besluit komt te vervallen.

Afwegingskader beleidsbesluit vooruitlopend op wetgeving

Dit beleidsbesluit is opgesteld met inachtneming van het afwegingskader dat geldt voor goedkeuringen vooruitlopend op wetgeving.5 Dit goedkeurende beleidsbesluit beoogt uitsluitend in het voordeel van de belastingplichtige uit te werken. In sommige – waarschijnlijk een beperkt aantal – situaties zal het berekenen van de bijtelling op grond van de catalogusprijs, en een lager percentage financieel voordeliger zijn voor de belastingplichtige dan het toepassen van de youngtimerregeling (berekenen van de bijtelling op grond van de waarde in het economische verkeer en een hoger percentage). Daarom wordt de goedkeuring vormgegeven als een keuzeregeling.

Het genoemde amendement heeft voor de in het vorige onderdeel beschreven situatie als gevolg dat er slechts tot 1 januari 2026 tijd was om te anticiperen op de verhoogde jaargrens. Dat zorgde voor een beperkt handelingsperspectief met zwaarwegende maatschappelijk onaanvaardbare gevolgen voor situaties met auto’s die in 2025 de jaargrens van 15 jaar hebben bereikt. Om het gewenste handelingsperspectief voor deze situaties te bieden is een overgangstermijn van een jaar wenselijk.

Het amendement werd op 27 november 2025 onderdeel van het wetsvoorstel Belastingplan 2026, dat op 16 december 2025 is aangenomen door de Eerste Kamer. Met deze toezegging wordt in het bijzonder een belang gediend van autogebruikers die half december 2025 geconfronteerd werden met een termijn van 2 weken om te anticiperen op een door het parlement aanvaarde wijziging van de youngtimerregeling. Deze termijn is dermate kort dat het beoogde handelingsperspectief van een jaar voor deze groep niet gerealiseerd kan worden zonder goedkeurend beleidsbesluit.

De verwachting is dat er geen inhoudelijke bezwaren zijn tegen het treffen van een overgangstermijn van een jaar voor de groep die reeds gebruikmaakte van de youngtimerregeling in 2025 en die niet goed meer kon anticiperen op de verhoging van de jaargrens. Er zal bij de betreffende autogebruikers eerder een wens bestaan om deze goedkeuring uit te breiden, maar de toezegging zoals opgenomen in dit besluit lijkt het meest recht te doen aan de bedoeling van het amendement. Daarnaast wordt hiermee tegemoetgekomen aan een verzoek van verschillende fracties in de Eerste Kamer om een overgangsregeling te treffen. Ten slotte heeft deze overgangstermijn van een jaar voor een specifieke groep geen budgettair effect.

Dit beleidsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Deze terugwerkende kracht is wenselijk omdat de verhoging van de jaargrens per 1 januari 2026 een nadelig effect kan hebben en juist dit nadelige effect met dit goedkeurende beleidsbesluit wordt weggehaald.

Overgangstermijn voor auto’s die in het kalenderjaar 2026 meer dan 15 jaar maar niet meer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen

Vanwege de verhoging van de jaargrens, is de youngtimerregeling op minder situaties van toepassing. De jaargrens wordt in twee stappen gefaseerd verhoogd naar 25 jaar, met als doel om de betreffende autogebruikers in 2026 de tijd te geven om hier desgewenst op te anticiperen. Dat is het geval als sprake is van een auto die op enig moment in het kalenderjaar 2025 de jaargrens van 16 tot en met 24 jaar heeft bereikt. Voor die auto’s is in het kalenderjaar 2026 de youngtimerregeling van toepassing. Voor een auto die op enig moment in het kalenderjaar 2025 de jaargrens van 15 jaar heeft bereikt, was de youngtimerregeling in 2025 wel van toepassing, maar zou zonder goedkeuring in een deel van het kalenderjaar 2026 niet meer van toepassing zijn. Voor deze autogebruikers geldt dat zij zeer beperkt de tijd hadden om op de leeftijdsverhoging te anticiperen. Dat lijkt niet in lijn met de bedoeling van het amendement en komt niet overeen met de wens van een groot aantal fracties uit de Eerste Kamer.

Gelet op voorgaande keur ik vooruitlopend op wetgeving goed dat als een auto in 2025 ter beschikking is gesteld aan een werknemer, dan wel ter beschikking stond aan een ondernemer en deze auto in het kalenderjaar van 2025 de jaargrens van 15 jaar heeft bereikt, de youngtimerregeling van toepassing mag blijven tot 1 januari 2027. Vanaf 1 januari 2027 wordt de jaargrens verhoogd naar 25 jaar en vervalt deze goedkeuring. Dat heeft als gevolg dat voor auto’s die minder dan 25 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen de youngtimerregeling per 1 januari 2027 niet (meer) van toepassing is.

Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Voor auto’s die in 2026 de jaargrens van 15 jaar bereiken geldt dat de youngtimerregeling nog niet van toepassing is geweest. Voor deze groep verandert er per 1 januari 2026 niets: de bijtelling werd en wordt berekend op grond van de catalogusprijs.6

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2.1

Artikel 2.1 bevat de goedkeuring om vooruitlopend op wetgeving onder voorwaarden artikel 13bis, eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, Wet LB 1964 zoals dat luidde op 31 december 2025 toe te mogen passen.

De goedkeuring is vormgegeven als een keuzeregeling. Op grond van artikel 13bis, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet LB 1964 (2026) kan de bijtelling ook worden berekend op grond van de catalogusprijs, met het bijbehorende lagere percentage.

Artikel 2.2

Artikel 2.2 bevat de goedkeuring om vooruitlopend op wetgeving onder voorwaarden artikel 3.20, eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001 zoals dat luidde op 31 december 2025 toe te mogen passen.

Net zoals de goedkeuring in artikel 2.1 is de goedkeuring in artikel 2.2 vormgegeven als een keuzeregeling. Op grond van artikel 3.20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 (2026) kan de bijtelling ook worden berekend op grond van de catalogusprijs, met het bijbehorende lagere percentage.

Artikel 3.1

Artikel 3.1 bepaalt dat dit besluit in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en dat het terugwerkt tot en met 1 januari 2026. Ook bepaalt dit artikel dat dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2027 of eerder indien de goedkeuring eerder is opgenomen in de Wet LB 1964 en de Wet IB 2001.

De Staatssecretaris van Financiën, E.H.J. Heijnen


X Noot
1

Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 102.

X Noot
2

Eventueel is een korting op de bijtelling van toepassing. Hiervoor geldt als voorwaarde dat sprake moet zijn van een nulemissieauto.

X Noot
3

Uit de toelichting: ‘Deze geleidelijke versobering biedt eigenaren van youngtimers het komende jaar de ruimte om hierop desgewenst te anticiperen’.

X Noot
4

Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 116.

X Noot
5

Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1329.

X Noot
6

Zie ook Kamerstukken 2025/26, 36 812, nr. 118.


X Noot
1

Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 102.

X Noot
2

Eventueel is een korting op de bijtelling van toepassing. Hiervoor geldt als voorwaarde dat sprake moet zijn van een nulemissieauto.

X Noot
3

Uit de toelichting: ‘Deze geleidelijke versobering biedt eigenaren van youngtimers het komende jaar de ruimte om hierop desgewenst te anticiperen’.

X Noot
4

Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 116.

X Noot
5

Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1329.

X Noot
6

Zie ook Kamerstukken 2025/26, 36 812, nr. 118.

Naar boven