Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2022-2023 | 36146 nr. C |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2022-2023 | 36146 nr. C |
Vastgesteld 14 februari 2023
De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking1 hebben kennisgenomen van de brief2 van 21 oktober 2022, in reactie op de brief van de commissie van 24 juni 2022 met vragen inzake het BNC-fiche over het voorstel voor een Richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid.3 De leden van de fractie van VVD en de fracties van D66 en GroenLinks gezamenlijk hebben naar aanleiding hiervan een aantal nadere vragen en opmerkingen.
Naar aanleiding hiervan is op 6 december 2022 een brief gestuurd aan de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
De Minister heeft op 14 februari 2023 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk
Aan de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Den Haag, 6 december 2022
De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief4 van 21 oktober 2022, in reactie op de brief van de commissie van 24 juni 2022 met vragen inzake het BNC-fiche over het voorstel voor een Richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid.5 De leden van de fractie van VVD en de fracties van D66 en GroenLinks gezamenlijk hebben naar aanleiding hiervan nog enkele nadere vragen en opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Hoewel de leden van de VVD-fractie bij Europese regelgeving veelal een richtlijn prefereren boven een verordening, kan het volgens hen in dit specifieke geval leiden tot andere interpretaties met als gevolg een onbedoeld en onwenselijk concurrentienadeel voor het Nederlandse bedrijfsleven. Wat is uw visie hierop en hoe valt te garanderen dat dit wordt voorkomen?
De Europese Commissie heeft de goede gewoonte om ingrijpende voorstellen te voorzien van een toets op de administratieve lastendruk. De leden van de VVD-fractie vragen u of deze toets in het onderhavige geval ook is uitgevoerd. Zo niet, is daarvoor een specifieke reden? Zo ja, komt de uitkomst overeen met de toetsing uitgevoerd door de ATR waarbij de verwachting is dat de lasten voor het bedrijfsleven op jaarbasis met minimaal 4 miljard euro zullen stijgen?
Europese regelgeving wordt voorgelegd aan de Raad voor Regelgevingstoetsing, een onafhankelijk adviesorgaan voor de Europese instellingen. De Raad heeft tweemaal eerdere voorstellen terugverwezen omdat deze moeilijk uitvoerbaar zou zijn voor het bedrijfsleven. Zijn deze zorgen in het onderhavige voorstel weggenomen en zo ja, op welke manier?
Op het ogenblik wordt geopereerd op basis van OESO-richtlijnen. Dit is kennelijk niet bevredigend, zo constateren de leden van de VVD-fractie. Kunt u aangeven waarom niet, en of de ervaringen met de uitvoering van deze richtlijnen zijn neergelegd in een evaluatie?
In eerdere beantwoording aan de Tweede Kamer wordt aangegeven dat het MKB buiten de werking van de richtlijn valt.6 Het MKB kan echter wel indirect betrokken raken bij de uitvoering van de richtlijn omdat zakenpartners, die wel onder de richtlijn vallen, kunnen eisen dat betrokken bedrijven in de keten (inclusief het MKB) dienen te voldoen aan de gestelde voorwaarden. Kortom, een deel van de lastendruk kan doorgeschoven worden naar bedrijven die onvoldoende toegerust zijn de richtlijn te implementeren (veelal alleen al vanwege de omvang van het bedrijf). Op welke wijze denkt de regering dit te ondervangen, zo vragen de leden van de VVD-fractie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66 en GroenLinks gezamenlijk
De leden van de fracties van D66 en GroenLinks constateren dat u in verschillende debatten, onder andere tijdens het notaoverleg op 28 september in de Tweede Kamer, heeft gezegd dat de OESO-richtlijnen als basis voor IMVO-wetgeving te nemen.7 Dit staat echter op zeer gespannen voet met uw antwoord vraag 118, waarin u stelt dat het nationale wetsvoorstel gebaseerd zal worden op het Europese voorstel, terwijl juist dit voorstel op een aantal cruciale elementen afwijkt van de OESO-richtlijnen. De leden van de D66- en GroenLinks-fracties beschouwen de OESO-richtlijnen als de ondergrens waar IMVO-wetgeving aan moet voldoen. Welke conclusies trekt u voor het nationale wetgevingstraject als het Europese voorstel blijft afwijken van deze internationaal afgesproken norm?
Mocht de inzet van Nederland op volwaardige opname van de financiële sector in de EU-richtlijn niet succesvol zijn in de onderhandelingen over de EU-richtlijn, wat gaat u dan doen om de financiële sector wel te laten voldoen aan de OESO-richtlijnen?
In uw antwoord op de vragen 8 en 16 geeft u aan dat artikel 22, lid 4, niet ingaat op bedrijven die niet onder de richtlijn vallen.9 Als zij onder geen enkele richtlijn vallen, zoals vermeld in uw antwoord, zal voor de aansprakelijkheid voor schade op de regeling voor onrechtmatige daad moeten worden teruggevallen. In Nederland is dat artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij zal de rechter kunnen kijken naar ongeschreven normen en jurisprudentie. De ongeschreven normen zullen in dit geval de OESO-richtlijnen en de Leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten (UNGPs) zijn. Daarnaast bestaat in Nederland al jurisprudentie die verder gaat dan de EU-richtlijn, en is de EU-richtlijn niet in lijn met de OESO-richtlijn. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks constateren dat dit het volgende kan betekenen:
– Bedrijven die niet onder de wetgeving vallen (waaronder MKB), dan wel bedrijven die gebruik maken van de mazen in artikel 7 en 8 van de EU-richtlijn (cascadeovereenkomsten en due diligence verdediging), kunnen via art. 6:162 BW onder een strikter regime onderworpen worden omdat art. 6:162 BW zou kunnen worden ingevuld met de OESO-richtlijnen (ongeschreven normen) en bestaande jurisprudentie die strenger zijn dan de EU-richtlijn. Is dit wenselijk? Hoe ziet u dit, zo vragen deze leden.
– Het kan ook tot een tegenovergestelde situatie leiden; dat wil zeggen dat de rechter bij een zaak die onder art. 6:162 BW is aangebracht door bedrijven die niet onder de EU-richtlijn vallen, wel de EU-richtlijn als invulling zal gebruiken voor de beoordeling van de zaak. Dit betekent een verslechtering van de huidige situatie nu de rechter in jurisprudentie al gebruik heeft gemaakt van de OESO-richtlijnen voor de invulling van aansprakelijkheid.
Deelt u deze lezing van de leden van de fracties van D66 en GroenLinks?
De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, E.B. van Apeldoorn
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 februari 2023
Hierbij bied ik u de antwoorden aan op uw nadere vragen inzake het BNC-fiche over het voorstel voor een richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid.
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.N.A.J. Schreinemacher
Hoewel de leden van de VVD-fractie bij Europese regelgeving veelal een richtlijn prefereren boven een verordening, kan het volgens hen in dit specifieke geval leiden tot andere interpretaties met als gevolg een onbedoeld en onwenselijk concurrentienadeel voor het Nederlandse bedrijfsleven. Wat is uw visie hierop en hoe valt te garanderen dat dit wordt voorkomen?
1. Antwoord van het kabinet:
Zoals uiteengezet in het BNC-fiche over de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) (Kamerstuk 22 112, nr. 3393) en het coalitieakkoord hecht het kabinet waarde aan een gelijk speelveld. Dit was dan ook een belangrijk uitgangspunt voor de Nederlandse inzet in de Raad. Uniformiteit in (handhaving van) Europese regelgeving draagt bij aan een gelijk speelveld voor ondernemingen op de Europese interne markt en aan een grotere impact in productielanden.
Er is geen garantie mogelijk dat verschillen in interpretatie worden voorkomen, maar EU-richtlijnen zijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat. Het wordt aan de lidstaten gelaten om de vorm en middelen hiertoe te kiezen, maar zolang lidstaten sec implementeren wat de richtlijn voorschrijft, draagt dit bij aan een gelijk speelveld. Een verordening is rechtstreeks van toepassing in de lidstaten. Maar ook in het geval van een verordening wordt de sanctionering en de aanwijzing van de toezichthouders doorgaans nationaal geregeld.
Op grond van de richtlijn wijst elke lidstaat één of meer toezichthoudende autoriteiten aan die toezicht houden op de naleving van de richtlijn. Hoewel bevoegdheden ten aanzien van toezicht en handhaving bij de lidstaten belegd zijn, biedt de richtlijn handvatten om bij te dragen aan de uniformiteit hiervan. Zo is er het Europese Netwerk van toezichthouders, wat als doel heeft om coördinatie en afstemming tussen toezichthoudende autoriteiten van onder andere sanctiepraktijken te bevorderen. Hiermee wordt consistente toepassing en handhaving van de richtlijn tussen de lidstaten bevorderd.
Minstens zo relevant voor de consistente toepassing en handhaving is de mate van detail in de inhoudelijke voorschriften voor bedrijven. De voorschriften in de CSDDD zijn relatief gedetailleerd en laten daarom relatief weinig ruimte voor interpretatieverschillen tussen nationale toezichthouders.
Zoals aangegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 16 december jl. (Kamerstuk 26 485, nr. 405), in afschrift bijgevoegd, zal Nederland er via het voorzitterschap in aanloop naar de triloog op aandringen dat de Raad zich sterk blijft maken voor Europese IMVO-wetgeving conform de internationale standaarden, met oog voor het bereiken van impact en het creëren van een gelijk speelveld. Hieronder valt ook het behoud van de elementen die consistente toepassing en handhaving ten goede komen.
De Europese Commissie heeft de goede gewoonte om ingrijpende voorstellen te voorzien van een toets op de administratieve lastendruk. De leden van de VVD-fractie vragen u of deze toets in het onderhavige geval ook is uitgevoerd. Zo niet, is daarvoor een specifieke reden? Zo ja, komt de uitkomst overeen met de toetsing uitgevoerd door de ATR waarbij de verwachting is dat de lasten voor het bedrijfsleven op jaarbasis met minimaal 4 miljard euro zullen stijgen?
2. Antwoord van het kabinet:
In het BNC-fiche «Richtlijn gepaste zorgvuldigheidsverplichting voor ondernemingen» (Kamerstuk 22 112, nr. 3393) is toegelicht dat de Europese Commissie in het voorstel geen inschatting van de omvang van de administratieve lasten bekend heeft gemaakt. De Commissie geeft aan dat de kosten afhankelijk zijn van de omvang, beschikbaar handelingsperspectief en het risicoprofiel van de onderneming. Ongeacht wat de Europese Commissie doet, ben ik voornemens een toets administratieve lastendruk te doen.
Europese regelgeving wordt voorgelegd aan de Raad voor Regelgevingstoetsing, een onafhankelijk adviesorgaan voor de Europese instellingen. De Raad heeft tweemaal eerdere voorstellen terugverwezen omdat deze moeilijk uitvoerbaar zou zijn voor het bedrijfsleven. Zijn deze zorgen in het onderhavige voorstel weggenomen en zo ja, op welke manier?
3. Antwoord van het kabinet:
In overeenstemming met zijn taak bevatten de adviezen van de Raad voor Regelgevingstoetsing (Regulatory Scrutiny Board – RSB) aanbevelingen voor de Europese Commissie om de effectiviteitsbeoordelingsverslagen te verbeteren. Ondanks twee negatieve opinies van de RSB heeft de Commissie ervoor gekozen het voorstel door te zetten. In de toelichting bij het richtlijnvoorstel motiveert de Commissie deze keuze. De Europese Commissie geeft in het Commissievoorstel en het begeleidende Staff Working Document10 weer welke wijzigingen zij op basis van het advies van de RSB heeft doorgevoerd.
Daarna zijn in de Raadspositie ten aanzien van de Corporate Sustainability Due Diligence Directive, mede onder druk van Nederland, enkele wijzigingen opgenomen die de uitvoerbaarheid ten goede komen. De voorschriften zijn bijvoorbeeld beter in overeenstemming gebracht met de risicogerichte benadering uit de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, waar bedrijven nu al hun gepaste zorgvuldigheidsinspanningen op baseren. De Raadspositie heeft bovendien de nadruk op contractuele garanties en gevestigde zakenrelaties, die volgens veel belanghebbenden uit het Nederlandse bedrijfsleven tot uitvoeringsproblemen zou leiden, sterk verminderd.
Op het ogenblik wordt geopereerd op basis van OESO-richtlijnen. Dit is kennelijk niet bevredigend, zo constateren de leden van de VVD-fractie. Kunt u aangeven waarom niet, en of de ervaringen met de uitvoering van deze richtlijnen zijn neergelegd in een evaluatie?
4. Antwoord van het kabinet:
In opdracht van de toenmalige Minister voor BHOS is in 2020 het IMVO-beleid uitgebreid geëvalueerd, onderzocht of vernieuwing van het Nederlandse IMVO-beleid nodig is en verkend welke (dwingende) maatregelen daarbij genomen kunnen worden. De resultaten staan beschreven in de beleidsnota «Van voorlichten tot verplichten: een nieuwe impuls voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemerschap» (Tweede Kamerstuk 26 485, nr. 337).
Samenvattend bleek uit evaluaties dat het IMVO-beleid, gebaseerd op vrijwillige toepassing van de OESO-richtlijnen, onvoldoende effectief was. Er zijn nog te weinig Nederlandse bedrijven die zich houden aan de OESO-richtlijnen en ondernemen in lijn met de IMVO-normen. Zo bleek maar 35 procent van de grote ondernemingen in Nederland de OESO-richtlijnen te onderschrijven en werd met de convenantenaanpak slechts 1.6% van de Nederlandse bedrijven bereikt. Mede op grond van deze conclusie is het nieuwe IMVO-beleid gestoeld op een mix van vrijwillige en verplichtende maatregelen zoals toegelicht in de beleidsnota. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afspraken gemaakt over IMVO-wetgeving.
In eerdere beantwoording aan de Tweede Kamer wordt aangegeven dat het MKB buiten de werking van de richtlijn valt.11 Het MKB kan echter wel indirect betrokken raken bij de uitvoering van de richtlijn omdat zakenpartners, die wel onder de richtlijn vallen, kunnen eisen dat betrokken bedrijven in de keten (inclusief het MKB) dienen te voldoen aan de gestelde voorwaarden. Kortom, een deel van de lastendruk kan doorgeschoven worden naar bedrijven die onvoldoende toegerust zijn de richtlijn te implementeren (veelal alleen al vanwege de omvang van het bedrijf). Op welke wijze denkt de regering dit te ondervangen, zo vragen de leden van de VVD-fractie.
5. Antwoord van het kabinet:
In het coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst» is opgenomen dat het groei- en innovatief vermogen van mkb-ondernemers en bedrijven wordt versterkt en ondernemerschap wordt gestimuleerd. Dat betekent een meetbare aanpak van regeldruk, waarbij met de mkb-toets bij wetgeving getoetst wordt of regels ook voor een mkb-ondernemer uitvoerbaar zijn. Daarom heeft het kabinet in de onderhandelingen in de EU gepleit voor uitvoerbaarheid van regelgeving voor het mkb, onder meer door in te zetten op coherentie met andere EU-regelgeving om stapeling van verplichtingen te voorkomen. Ook is ingezet op conformiteit met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGPs). Nederland heeft het voortouw genomen in een pleidooi voor een risicogerichte benadering in plaats van de gepaste zorgvuldigheidsverplichtingen te beperken tot «gevestigde zakelijke relaties» en overmatig te leunen op contractuele garanties. Dergelijke aanscherpingen, in het bijzonder op contractuele garanties, zijn in de ogen van het kabinet gunstig om afwenteling van verplichtingen uit de EU-richtlijn op het mkb te voorkomen. Het kabinet ondersteunt ook het in het voorstel genoemde uitgangspunt dat een gepaste zorgvuldigheidsverplichting gepaard moet gaan met ondersteunende maatregelen. In dat kader pleit het kabinet ook op EU-niveau voor een doordachte mix van elkaar versterkende maatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van een EU Actieplan voor verduurzaming van waardeketens. In Nederland wordt reeds invulling gegeven aan een doordachte mix van beleidsmaatregelen die bedrijven aansporen en ondersteunen bij het doen van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO). In dat kader is het IMVO-steunpunt, een one-stop-shop voor alle bedrijven (ook het mkb) met vragen over gepaste zorgvuldigheid, eind september 2022 geopend. De uitvoering van de motie Graus en Rahimi12 met betrekking tot het voorkomen van disproportionele regeldruk en onnodige nationale koppen en een MKB toets voor nieuwe regelgeving draagt eveneens bij aan het aanpakken van de regeldruk.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66 en GroenLinks gezamenlijk
De leden van de fracties van D66 en GroenLinks constateren dat u in verschillende debatten, onder andere tijdens het notaoverleg op 28 september in de Tweede Kamer, heeft gezegd dat de OESOrichtlijnen als basis voor IMVO-wetgeving te nemen.13 Dit staat echter op zeer gespannen voet met uw antwoord vraag 1114, waarin u stelt dat het nationale wetsvoorstel gebaseerd zal worden op het Europese voorstel, terwijl juist dit voorstel op een aantal cruciale elementen afwijkt van de OESOrichtlijnen. De leden van de D66- en GroenLinks-fracties beschouwen de OESO-richtlijnen als de ondergrens waar IMVO-wetgeving aan moet voldoen. Welke conclusies trekt u voor het nationale wetgevingstraject als het Europese voorstel blijft afwijken van deze internationaal afgesproken norm?
6. Antwoord van het kabinet:
In het coalitieakkoord is opgenomen dat Nederland in de EU de IMVO-wetgeving bevordert en nationale IMVO-wetgeving invoert die rekening houdt met een gelijk speelveld met de omringende landen en implementatie van mogelijke EU-regelgeving.
Zoals beschreven de brief aan de Tweede Kamer van 16 december jl. (Kamerstuk 26 485, nr. 405), in afschrift bijgevoegd, over de uitkomst van de onderhandelingen in de Raad over het EU-voorstel IMVO heeft Nederland vanaf het begin stevig ingezet op de aandachtspunten uit het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 3393), en hierin meermaals het voortouw genomen, in het bijzonder waar het conformiteit met de internationale IMVO-standaarden betrof. De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en UN Guiding Principles on Business and Human Rights zijn hierbij leidend. Zoals hierboven omschreven heeft deze inzet geleid tot aanzienlijke verbeteringen, ook waar het conformiteit met de internationale IMVO-standaarden betreft, in de Raadspositie ten opzichte van het Commissievoorstel.
De volgende stap is aan het Europees Parlement, daarna volgen de trilogen. De eerste signalen uit het Europees Parlement laten zien dat ook het parlement hecht aan conformiteit met de internationale standaarden. Nederland zal aan blijven dringen op Europese IMVO-wetgeving conform de internationale standaarden.
Wat betreft het nationale proces heeft het kabinet de ontwikkeling van het regeringsvoorstel op pauze gezet naar aanleiding van het initiatiefvoorstel Verantwoord en duurzaam internationaal ondernemen (Kamerstuk 35 761, nr. 9). Het kabinet zal samen met de initiatiefnemers van dit voorstel de mogelijkheden onderzoeken voor een breed gesteund wetsvoorstel.
Mocht de inzet van Nederland op volwaardige opname van de financiële sector in de EU-richtlijn niet succesvol zijn in de onderhandelingen over de EU-richtlijn, wat gaat u dan doen om de financiële sector wel te laten voldoen aan de OESO-richtlijnen?
7. Antwoord van het kabinet:
Op 1 december jl. is in de Raad voor Concurrentievermogen een Raadspositie vastgesteld over de Europese richtlijn voor gepaste zorgvuldigheid. In de brief aan de Tweede Kamer van 16 december jl. over de uitkomst van de onderhandelingen in de Raad omtrent het EU-voorstel IMVO (Kamerstuk 26 485, nr. 405), in afschrift bijgevoegd, is toegelicht dat in de Raadspositie de toepassing van de verplichtingen op klantrelaties van financiële instellingen optioneel is gemaakt voor de lidstaten. Nederland heeft tot het laatste moment gepleit voor volledige opname van de financiële sector in de EU-richtlijn, om recht te doen aan de hefboomfunctie van deze sector bij het tegengaan van misstanden in de waardeketen. Het optioneel maken van deze verplichting (lidstaten kunnen het wel of niet doorvoeren) betekent dat de implementatie van de richtlijn in de verschillende lidstaten uiteen kan gaan lopen, hetgeen ingaat tegen de ratio van het treffen van een maatregel op Europees niveau. Dit aspect van de richtlijn doet geen recht aan de werking van de interne markt en brengt het gelijke speelveld in gevaar. Het kabinet heeft deze kritiek uitgedragen in de Raad.
De volgende stap is aan het Europees Parlement. Het parlement is voornemens in mei 2023 een positie vast te stellen. Daarna volgen de trilogen, waarbij het Zweeds en vervolgens Spaans voorzitterschap de Raad zullen vertegenwoordigen. Het kabinet zal bij het voorzitterschap blijven aandringen op volledige opname van de financiële sector in de Europese IMVO-wetgeving.
In uw antwoord op de vragen 8 en 16 geeft u aan dat artikel 22, lid 4, niet ingaat op bedrijven die niet onder de richtlijn vallen.6 Als zij onder geen enkele richtlijn vallen, zoals vermeld in uw antwoord, zal voor de aansprakelijkheid voor schade op de regeling voor onrechtmatige daad moeten worden teruggevallen. In Nederland is dat artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij zal de rechter kunnen kijken naar ongeschreven normen en jurisprudentie. De ongeschreven normen zullen in dit geval de OESO-richtlijnen en de Leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten (UNGPs) zijn. Daarnaast bestaat in Nederland al jurisprudentie die verder gaat dan de EU-richtlijn, en is de EU-richtlijn niet in lijn met de OESOrichtlijn. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks constateren dat dit het volgende kan betekenen:
– Bedrijven die niet onder de wetgeving vallen (waaronder MKB), dan wel bedrijven die gebruik maken van de mazen in artikel 7 en 8 van de EU-richtlijn (cascadeovereenkomsten en due diligence verdediging), kunnen via art. 6:162 BW onder een strikter regime onderworpen worden omdat art. 6:162 BW zou kunnen worden ingevuld met de OESO-richtlijnen (ongeschreven normen) en bestaande jurisprudentie die strenger zijn dan de EUrichtlijn.
Is dit wenselijk? Hoe ziet u dit, zo vragen deze leden.
– Het kan ook tot een tegenovergestelde situatie leiden; dat wil zeggen dat de rechter bij een zaak die onder art. 6:162 BW is aangebracht door bedrijven die niet onder de EU-richtlijn vallen, wel de EU-richtlijn als invulling zal gebruiken voor de beoordeling van de zaak. Dit betekent een verslechtering van de huidige situatie nu de rechter in jurisprudentie al gebruik heeft gemaakt van de OESO-richtlijnen voor de invulling van aansprakelijkheid.
Deelt u deze lezing van de leden van de fracties van D66 en GroenLinks?
8. Antwoord van het kabinet:
Nee, die lezing deel ik niet. In de brief aan de Tweede Kamer van 16 december jl. over de uitkomst van de onderhandelingen in de Raad omtrent het EU-voorstel IMVO (Kamerstuk 26 485, nr. 405), in afschrift bijgevoegd, is toegelicht dat Nederland meermaals het voortouw nam om verbeteringen in het Commissievoorstel te bepleiten, in het bijzonder waar het conformiteit met de internationale IMVO-standaarden betreft (OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en UN Guiding Principles on Business and Human Rights). Een belangrijke verbetering op dit punt is de risicogerichte benadering die nu is opgenomen in de Raadspositie, in plaats van de nadruk op gevestigde zakenrelaties en contractuele garanties die de Commissie had voorgesteld. Hierdoor vormen contractgaranties geen safe harbour meer voor aansprakelijkheid en wordt dus het aansprakelijkheidsregime beter in lijn gebracht met de OESO-richtlijnen dan het oorspronkelijke Commissievoorstel. Het kabinet zet er uiteraard op in deze verbetering te behouden in de triloogfase. Het kabinet blijft zich er ook voor inzetten dat, in lijn met het BNC-fiche en het coalitieakkoord, de regeldruk en uitvoerbaarheid voor het MKB in het oog wordt gehouden.
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld in het Schriftelijk Overleg over het BNC-fiche (Eerste Kamerstuk 36 146) is een verslechtering van de toegang tot recht in Nederland niet aan de orde. Het richtlijnvoorstel bepaalt dat de voorgestelde regels voor civiele aansprakelijkheid niet in de weg staan aan unie- en nationaalrechtelijke regels op hetzelfde terrein (civiele aansprakelijkheid op het gebied van mensenrechten en klimaat) die strenger zijn dan deze richtlijn of die voorzien in aansprakelijkheidsgronden die deze richtlijn niet heeft (zie artikel 22, vierde lid).
Samenstelling:
Faber-Van de Klashorst (PVV), Ganzevoort (GL), Van Apeldoorn (SP) (voorzitter), Van Dijk (SGP),
Jorritsma-Lebbink (VVD), Atsma (CDA), Oomen-Ruijten (CDA), Koole (PvdA), Prast (PvdD), Van Rooijen (50PLUS), arbouw (VVD), Van Ballekom (VVD) (1e ondervoorzitter), Beukering (Fractie-Nanninga), Bezaan (PVV), Dittrich (D66), Huizinga-Heringa (CU) (2e ondervoorzitter), Dessing (FVD), Karimi (GL), Kluit (GL), Moonen (D66), Otten (Fractie-Otten), Vos (PvdA), Van Wely (Fractie-Nanninga),Raven (OSF) en Krijnen (GL).
Motie van de leden Graus en het lid Rahimi over voorkoming van disproportionele regeldruk en onnodige nationale koppen en om de mkb-toets voor bestaande en nieuwe regelgeving te borgen (Kamerstuk 36 200 XIII, nr. 28), 23 november 2022.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36146-C.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.