Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2022-2023 | 36067 nr. P |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2022-2023 | 36067 nr. P |
Ontvangen 17 mei 2023
De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen die de leden van de fracties van CDA, PvdD, 50PLUS, Fractie-Nanninga, Fractie-Frentrop en Fractie-Otten hebben gesteld bij het voornoemde voorstel van wet en de opvattingen die de leden over dit voorstel hebben. In deze nota naar aanleiding van het verslag gaat de regering in op de vragen van de leden van de verschillende fracties. De beantwoording houdt de volgorde van de vragen aan. Een aantal keer hebben verschillende fracties dezelfde vraag gesteld. Voor de leesbaarheid is in dat geval het antwoord bij iedere fractie opgenomen, met zo min mogelijk verwijzingen naar andere antwoorden. Wanneer met een enkel antwoord meerdere opeenvolgende vragen zijn beantwoord, zijn de vragen zonder witregel samengevoegd en is in het antwoord aangegeven welke vragen ermee worden beantwoord. De regering kijkt uit naar een voorspoedige verdere behandeling van het wetsvoorstel door uw Kamer.
Vragen van de leden van de CDA-fractie:
1.
Antwoord vraag 1. Met betrekking tot de uitvoerbaarheid, wijzen deze leden nogmaals op het verkorten van de termijnen door de langere behandeling dan eerder voorzien in het parlement. De druk voor invoering ten laatste eind 2026 wordt wel erg hoog en de mogelijke problemen groot, derhalve herhalen deze leden de uitnodiging om de datum van 1 januari 2027 verder op te schuiven. Vanuit individuele pensioenuitvoerders bereiken deze leden geluiden dat de tijdslijnen onhaalbaar zijn. Verschillende pensioenfondsen hebben al te horen gekregen dat ze niet op het gewenste moment kunnen invaren. (Het bevreemdt deze leden dan ook dat de pensioenkoepel volhoudt dat alles haalbaar is.). De inschatting van de CDA-fractie is dat een uitstel van minimaal drie jaren (tot 1 januari 2030) nodig is. Overigens hoe denkt de Minister ten aanzien van de uitvoering de vinger aan de pols te houden? Welke toezegging is er aan de Kamer dat voortschrijdende inzichten en zichtbare problemen bij de invoering, ook daadwerkelijk leiden tot aanpassingen?
Gedurende de transitie zal ik op verschillende manieren actief betrokken blijven bij de uitvoering van de stelselherziening. Ten eerste zal ik de uitvoering van de wet nauwgezet monitoren. Doel van de monitoring is om tijdig knelpunten in de transitie te kunnen identificeren en waar nodig aanvullende maatregelen te kunnen nemen. Dit is, na het in de Tweede Kamer aangenomen amendement van de leden Palland (CDA) en Ceder (CU)2 ook in artikel XIV van het onderliggende wetsvoorstel opgenomen. Beide Kamers zullen periodiek worden geïnformeerd over de uitkomsten van de monitoring. Ten tweede voert het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid proactief gesprekken met de partijen uit de sector. Ook zal het veelvuldig overleg met betrokken uitvoeringspartijen worden voortgezet. Op die manier wil ik onder meer faciliteren dat pensioenuitvoerders van elkaars ervaringen kunnen leren en dat goede voorbeelden breed worden gedeeld. Ook kunnen eventuele knelpunten in een vroeg stadium worden onderkend, wat bijsturing mogelijk maakt. In het verlengde hiervan heb ik met uitvoeringspartijen het platform werkenaanonspensioen.nl geïnitieerd, waarop actualiteiten, opgedane ervaringen en goede voorbeelden met de sector worden gedeeld.
Hiernaast hebben ook de toezichthouders processen ingericht om de transitie goed te laten verlopen en op grond van uitvragen door de toezichthouders wordt een vinger aan de pols gehouden als het gaat om het verloop van die transitie. Zij houden bijvoorbeeld sinds vorig jaar twee keer per jaar een uitvraag onder de pensioenfondsen over de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Ook werken AFM en DNB samen aan een platform voor de pensioentransitie met diverse pensioenuitvoerders. Het platform is bedoeld om tijdig knelpunten inzichtelijk te krijgen en te adresseren. Bijvoorbeeld door op een specifiek onderwerp helderheid over het toezicht te geven, door aanvullende guidance voor de sector te publiceren of door met andere partijen te zoeken naar oplossingen.
De informatie uit de monitoring, gesprekken met partijen in de sector en informatie van de toezichthouders kunnen aanleiding geven tot aanpassing en bijsturing. Bijvoorbeeld wanneer mijlpalen van de transitie niet behaald lijken te worden. Periodiek zal ik beide Kamers over de voortgang van de transitie informeren. Hierin neem ik ook mee voorstellen om (potentiële) knelpunten op te lossen, wanneer daar aanleiding toe is. De stand van zaken van de voortgang van de pensioentransitie en eventuele maatregelen, zal ik dan met beide Kamers bespreken.
2.
Antwoord op vraag 8. De verplichte invoering van pensioendeelname voor 18-jarigen is bij amendement in de Tweede Kamer in de wet opgenomen. Omdat het salaris van een 18-jarige laag is en mogelijk weinig boven de franchise, is het effect van een eerdere pensioenopbouw voor jongeren te verwaarlozen. Kan nog eens ingegaan worden op de nadelen, zowel wat betreft de kosten voor het fonds, als ook voor de verlaging van het nettoloon waarmede de 18-jarige te maken krijgt door de in te houden pensioenpremie?
Om te beginnen is het belangrijk dat zoveel mogelijk werknemers, waaronder jongeren, aanvullend pensioen opbouwen. Met de afschaffing van de doorsneesystematiek neemt het belang van vroege pensioenopbouw toe. Ondanks een relatief lage inleg op jonge leeftijd, kan wegens de lange beleggingshorizon een significante bijdrage worden geleverd aan een goed pensioen. Met de verlaging van de maximale toetredingsleeftijd van 21 naar 18 jaar zal het aantal werknemers dat pensioen opbouwt toenemen. Indien de opgebouwde pensioenaanspraken, door baanwisseling, slapersaanspraken worden, kunnen deze door middel van individuele waardeoverdracht of in geval van een klein pensioen via automatische waardeoverdracht worden overdragen naar de nieuwe pensioenuitvoerder, zodat (administratie)kosten zo laag mogelijk blijven en in geval van een klein pensioen de pensioenbestemming behouden blijft.
De betreffende werknemer bouwt aanvullend pensioen op voor zover het inkomen boven de franchise uitkomt en betaalt daarvoor ook een daarbij passende pensioenpremie. Net zoals dat voor iedere werknemer geldt die zelf (een deel van) de pensioenpremie betaalt, wordt deze pensioenpremie ingehouden op zijn brutoloon en leidt dit tot een lager nettoloon. Dat is voor een 18-jarige niet anders dan voor een 21-jarige of 45-jarige.
Zoals in de nadere memorie van antwoord is aangegeven zijn de exacte kosten voor pensioenuitvoerders niet in te schatten. Enerzijds kan gekeken worden naar de kosten voor de aanpassingen die zij moeten doorvoeren in de statuten, reglementen en administratie. Anderzijds brengt de communicatie hierover kosten met zich mee.
3.
Antwoord vraag 9, 10 en 11. Met betrekking tot de governance zijn de leden van de CDA-fractie het eens met de stelling van de regering dat extern toezicht altijd plaatsvindt in lijn met de wetgeving. De regering doet een verwijzing expliciet naar artikelen in de wetgeving, artikelen 1h en 46a (conceptbesluit toekomst pensioenen) en art. 150m, tweede lid van de Pensioenwet en artikel 145, tweede lid Wvb waarbij nadere regels zijn gesteld. Begrijpen deze leden het goed dat de wetgeving dus bepalend is, dat daarbij ook de open normen bepalend blijven en deze niet door het extern toezicht verder worden ingevuld?
Dat is inderdaad het geval, de wetgeving blijft in alle gevallen bepalend. Er zijn twee situaties te onderscheiden. Ten eerste kunnen toezichthouders in een aantal specifieke gevallen nadere regels stellen. Dat kan alleen indien daartoe een bevoegdheid is toebedeeld via wet- en regelgeving. Die regelgevende bevoegdheid van de toezichthouder ziet alleen op technische invulling van bepaalde onderwerpen (zoals de in de vraag aangehaalde artikelen) en is alleen mogelijk indien dit expliciet is geregeld. Voor deze onderwerpen zijn de toezichthouders gemandateerd om een toezichthoudersregeling op te stellen, waarbij geldt dat die regels niet verder kunnen gaan dan geldende wet- en regelgeving.
Ten tweede kunnen de toezichthouders in zogenaamde beleidsuitingen zoals guidances aangeven hoe zij open normen interpreteren of voorbeelden geven van invulling van open normen. Deze uitingen zijn als zodanig niet-bindend voor pensioenuitvoerders, alleen wet- of regelgeving is algemeen verbindend. Pensioenfondsen staat het vrij een eigen invulling te geven, mits deze aan wet- en regelgeving voldoet. Zie bijvoorbeeld ook de leeswijzers van DNB en AFM over deze beleidsuitingen.3
4.
Overigens wat is bedoeld in dit antwoord ten aanzien van de risico houding, wanneer dat voor het bereiken van de overeengekomen pensioenambitie nodig is? Zie artikel 14t, mag deze dus aangepast worden om het minimale rendement dat benodigd is te behalen?
Op basis van de uitkomsten van het risico-preferentieonderzoek, deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten wordt de risicohouding vastgesteld in termen van het maximale beleggingsrisico dat deelnemers willen en kunnen dragen en het minimale rendement dat zij willen behalen. De risicohouding kan worden meegenomen in de formulering van de pensioenambitie in termen van verwachte hoogte van de pensioenuitkering en zekerheid waarmee deze pensioenuitkering zal worden bereikt. De risicohouding kan dus niet enkel aangepast worden om de pensioenambitie te bereiken.
5.
Antwoord vraag 12. De regering herkent de signalen niet die leiden tot terughoudendheid om in discussie te gaan met toezichthouders. Kent de regering de normoverdragende brief van een toezichthouder naar 14 fondsen die het vertrouwen van de Pensioenfederatie onder druk hebben gezet? Zijn er gesprekken van de zijde van het ministerie met toezichthouders over een in acht te nemen terughoudendheid, om daar waar wel nodig, het toezicht en de handhaving effectief te laten zijn?
Het ministerie spreekt periodiek met de toezichthouders. Voorop staat dat de onafhankelijkheid van het toezicht is geborgd, dat is belangrijk voor het vertrouwen in het pensioenstelsel. Gesprekken vinden plaats in de context dat de toezichthouders die taken in onafhankelijkheid kunnen blijven uitvoeren, op een doeltreffende manier, binnen de wettelijke kaders die door de politiek zijn gesteld. In deze gesprekken kunnen ook signalen en ervaringen aan de orde komen over de wijze hoe het toezicht wordt uitgevoerd.
Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat de toezichthouders bij hun taakuitoefening de taken en bevoegdheden oprekken en de sector overvragen of dat het toezicht niet doelmatig, adequaat en effectief kan worden verricht.
Specifiek in het kader van de pensioentransitie is het goed om te benoemen dat de toezichthouders samen met de pensioensector een platform hebben opgericht. DNB en de AFM zijn voornemens twee tot vier keer per jaar met een afvaardiging vanuit de pensioensector te spreken over de voortgang met betrekking tot de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. De toezichthouders verwachten op deze manier knelpunten tijdens de transitie goed in kaart te kunnen brengen en daardoor vlotter te kunnen anticiperen en acteren bij dreigende vertragingen.
6.
Kan overigens nog eens worden nagegaan of de zogenaamde «Chinese wall» bij benoemingen en herbenoemingen enerzijds en toezicht anderzijds inderdaad wordt gehandhaafd?
DNB bevestigt dat de toetsingen binnen DNB worden uitgevoerd door werknemers van DNB van de afdeling Expertisecentrum Toetsingen, een organisatorische eenheid die is afgescheiden van het accounttoezicht. Deze toetsing wordt uitgevoerd aan de hand van de Pensioenwet en lagere regelgeving en de Beleidsregel geschiktheid 2012. Accounttoezichthouders worden wel bij alle toetsingen betrokken vanwege hun kennis over de organisatie waar de functie vervuld zal worden. Dit borgt dat een goed oordeel gegeven kan worden over de geschiktheid van de bestuurder met inachtneming van de samenstelling en het functioneren van het collectief, zoals ook leidend is in de Beleidsregel geschiktheid 2012.
7.
Antwoord vraag 13 en 14. Mogelijk is de vraag van de leden van de CDA-fractie niet goed begrepen. Het gaat hier om het rendement prioritair toe te dienen voor het compenseren van de inflatie. Zou dit niet prima passen als keuzemogelijkheid voor een collectief binnen de solidaire premieregeling? Moet, zo vragen deze leden, de keuzevrijheid van het individu niet ondergeschikt zijn aan het collectief?
In het nieuwe pensioencontract wordt het rendement toegedeeld aan degene die ook het bijbehorende risico draagt. Dit is een belangrijk element van de solidaire premieregeling. Het past bij de wens om in het nieuwe pensioencontract meer transparantie te bieden en duidelijker te maken hoe het pensioenkapitaal wordt opgebouwd. Hier een keuzemogelijkheid voor het collectief van maken, past niet bij deze uitgangspunten. Het is bovendien niet mogelijk om alle deelnemers en gepensioneerden een rendement toe te kennen dat in alle omstandigheden de inflatie bijhoudt, aangezien er (vooralsnog) geen beschikbare markt is voor voldoende inflatiegerelateerde beleggingen.
Inflatie bijhouden kan dan alleen door vooraf af te spreken om vermogen naderhand te herverdelen, afhankelijk van het werkelijke rendement en de inflatie. Het rendement wordt in dat geval separaat toebedeeld van het daadwerkelijk gelopen risico, want betekent dat de doelstelling van een transparanter pensioen wordt losgelaten. Ook ontstaan er weer nieuwe herverdelingsvraagstukken die we in het huidige pensioenstelsel ook hebben en waar we met het nieuwe pensioenstelsel afscheid van willen nemen.
Bovendien geldt dat als het rendement in enig jaar hoger is dan de inflatie, er een rendementsverschuiving van gepensioneerden naar actieven zal plaatsvinden. Het rendement boven inflatie is voor inflatiebescherming niet meer nodig, aangezien al volledige inflatiebescherming is gegeven. Het resterende rendement wordt dan toebedeeld aan de overige deelnemers in het pensioenfonds. In dat geval is er dus sprake van rendementstoedeling los van het gelopen risico. Op deze manier bescherming bieden voor het inflatierisico heeft twee kanten, waardoor er altijd discussie zal ontstaan tussen actieve deelnemers en gepensioneerden.
Goed hierbij op te merken is dat de solidaire premieregeling wel degelijk instrumenten heeft om in enige mate bescherming te bieden tegen het inflatierisico, bijvoorbeeld ook via de solidariteitsreserve in enige mate bescherming tegen het inflatierisico geboden kan worden. Door middel van de solidariteitsreserve worden financiële mee- of tegenvallers collectief gedeeld op een wijze die op voorhand leidt tot gemiddeld stabielere of hogere toekomstige en al ingegane pensioenuitkeringen voor alle generaties, afgezet tegen de aanname dat de reserve geen onderdeel van de pensioenregeling was. Enige mate van herverdeling tussen generaties is daarbij binnen de solidariteitsreserve mogelijk.
8.
Ook zijn er vragen bij de stelling dat zonder voldoende reële beleggingen enkel bepaalde groepen binnen een fonds inflatie bescherming kan worden geboden, die wordt betaald door andere groepen binnen het fonds. Dit zou zorgen voor een herverdeling tussen de generaties en op gespannen voet staan met het oogmerk van het nieuwe contract. Kan de regering het eens zijn met de leden van de CDA-fractie dat juist in het solidaire contract het de kracht kan zijn van een pensioenfonds om binnen de lange-termijn oriëntatie een dergelijke inflatiebescherming aan te bieden? Dit zou toch juist passen in een koopkrachtig pensioen?
Zoals aangegeven in het geciteerde antwoord is de wens om alle deelnemers en gepensioneerden een rendement te geven dat de inflatie bijhoudt, bij ieder niveau van de inflatie, begrijpelijk. Deze wens is ook veelvuldig aan bod gekomen tijdens de verschillende deskundigenbijeenkomsten. Daarmee wordt immers de koopkracht van aanvullende pensioenen gegarandeerd. Het pensioenfonds heeft de mogelijkheid om, juist ook binnen het solidaire pensioencontract, van tevoren aan te geven welke mate van koopkrachtbescherming hij heeft beoogd als lange termijn oriëntatie voor de pensioenuitkeringen. Als het gaat om het kunnen bieden van volledige inflatiebescherming, is er echter sprake van een discrepantie met wat in de praktijk mogelijk is. Het probleem zit in onvoldoende beschikbaarheid van reële beleggingen. Dit is een probleem waar ieder pensioencontract in de kapitaalgedekte tweede pijler tegenaan zal lopen en geldt daarmee ook voor de solidaire pensioenregeling. In antwoord op vraag 7 is ook aangegeven wat de consequentie is als het rendement prioritair zou worden toebedeeld voor inflatiebescherming.
Dat neemt niet weg dat in het solidaire pensioencontract enige mate van inflatiebescherming kan worden geboden. Daartoe zijn meerdere instrumenten beschikbaar, waaronder de solidariteitsreserve. Enige mate van herverdeling tussen generaties is daarbij mogelijk. Het bieden van volledige, gegarandeerde inflatiebescherming is echter niet mogelijk vanwege onvoldoende beschikbaarheid van reële beleggingen. Dergelijk (gegarandeerde) inflatiebescherming bieden via de solidariteitsreserve zou de mate van herverdeling tussen generaties weer te groot maken, wat de onderlinge solidariteit onder druk zet.
9.
Verder is er een voldoende liquide markt voor geïndexeerde obligaties om herverdeling te voorkomen bij het delen van inflatierisico tussen generaties. Prijzen voor het delen van inflatierisico kunnen immers worden bepaald op basis van marktgegevens. Het delen van risico’s binnen het fonds is bovendien niets nieuws: dat gebeurt binnen de solidaire regeling ook bij systematisch lang leven risico en dat gebeurt dan ook nog eens niet op basis van marktprijzen. Dat deze risicodeling op basis van marktgegevens op gespannen voet zou staan met het oogmerk van het nieuwe contract is zeer betwistbaar. Waar staat dit in het pensioenakkoord?
De markt voor inflatiegerelateerde obligaties en inflatieswaps is niet voldoende liquide om op voorhand een eerlijke en transparante verdeling van risico’s en rendement te kunnen maken. Bovendien wordt er niet voldoende gehandeld in deze waardepapieren om prijzen voor inflatierisico te kunnen afleiden, die gebruikt zouden kunnen worden om inflatierisico te kunnen delen tussen generaties. Met name voor looptijden boven de 10 jaar bij inflatieswaps is dit niet het geval.4
Met de huidige informatie zou alleen vantevoren afgesproken kunnen worden om het rendement anders toe te delen op basis van inflatieverwachtingen. Bijvoorbeeld als de inflatie boven een bepaalde verwachting uitkomt kan afgesproken (stel inflatie is 4% bij een verwachting van 2%), dan zou het rendement van actieven overgeheveld moeten worden naar gepensioneerden om inflatiebescherming te bieden. Gelijktijdig zou dan gelden dat bij een inflatie lager dan verwacht het rendement van gepensioneerden overgeheveld wordt naar actieven. Dit zorgt er dan ook voor dat er veel discussie tussen generaties zal ontstaan vanwege het voortdurend overhevelen van rendement. Hoewel in de kern als solidair beoogd, zorgt het voor herverdeling en potentieel spanningen binnen het pensioenfonds tussen generaties, vergelijkbaar met de voortdurende rekenrentediscussie van de afgelopen decennia.
De vergelijking met het macro langlevenrisico is niet juist, aangezien dit geen economisch risico betreft en daarom niet op marktinformatie gebaseerd hoeft te worden. Tenslotte is in het pensioenakkoord opgenomen dat er geen sprake behoort te zijn van ex-ante herverdeling tussen persoonlijke pensioenvermogens bij de vormgeving van de risicodeling. Inflatierisicodeling via een direct beschermingsrendement of via de solidariteitsreserve is in de solidaire premieregeling wel mogelijk.
10.
Antwoord vraag 18 en 19. De leden van de CDA-fractie hebben gewezen op het belang van het zoveel als mogelijk realiseren van de indexatieachterstanden met een vanzelfsprekend in acht nemen van de evenwichtigheidsregels. Er zijn versoepelde regels maar de regels voor inhaal indexatie kunnen niet worden aangepast omdat, zoals de regering stelt, fondsen gaan sturen op kleinere marges. Waarom zo strak? Behoort dit, zo vragen de leden van de CDA-fractie, niet tot de beleidsruimte van de fondsen die met hun organen, zowel naar de indexatie achterstand als ook naar de ruimte voor evenwichtige transitie moeten kijken en deze ook intern en extern moeten verantwoorden?
In het huidige pensioenstelsel geldt dat inhaalindexatie (of na-indexatie) pas kan worden gerealiseerd nadat volledige indexatie is toegekend. Er gelden reeds sterk versoepelde regels ten aanzien van indexatie voor pensioenfondsen die de intentie hebben om in te varen. Pensioenfondsen hebben daarmee al ruimte gekregen om de pensioenen sneller te verhogen. Hierbij moet het pensioenfonds de generatie-effecten kwantitatief beschrijven en dient het toe te lichten waarom gebruik van de versoepelde indexatieregels evenwichtig is. Zoals aangegeven, ben ik verantwoordelijk voor het gehele stelsel en vind ik het niet verantwoord om de regels ten aanzien van inhaalindexatie voorafgaand aan de transitie te versoepelen. Dit zet de dekkingsgraden namelijk verder onder druk en het kan ertoe leiden dat in rap tempo de financiële positie van het pensioenfonds verslechtert. Het verstoort de balans in het financieel toetsingskader vergaand ten faveure van oudere generaties en ten koste van jongere generaties. Ik vind het verstandiger dat sociale partners en pensioenfondsen bij het invaren tot een integraal, evenwichtig besluit komen. Bij het invaren is er ruimte om aanvullende maatregelen met het oog op een evenwichtige transitie te nemen. Het verlenen van inhaalindexatie kan daar onderdeel van zijn. Bij het invaren kunnen alle relevante argumenten gewisseld worden en wordt een eventueel besluit tot inhaalindexatie te verlenen afgewogen tegen andere relevante doelen en argumenten.
Pensioenfondsen hebben inderdaad ruimte om zelfstandig, met betrokkenheid van de fondsorganen, een indexatiebesluit te nemen. Bij het indexatiebesluit dient het pensioenfonds te opereren binnen de grenzen van het indexatiebeleid van het pensioenfonds, de grenzen die de wet daaraan stelt en de financiële armslag van het pensioenfonds. Ik vind het belangrijk dat sociale partners en pensioenfondsen bij het invaren tot een integraal, evenwichtig besluit komen. Bij het invaren is er ruimte om aanvullende maatregelen met het oog op een evenwichtige transitie te nemen. Het verlenen van inhaalindexatie kan daar onderdeel van zijn. Bij het invaren kunnen alle relevante argumenten gewisseld worden en wordt een eventueel besluit tot inhaalindexatie te verlenen afgewogen tegen andere relevante doelen en argumenten.
11.
Antwoord vraag 21. De leden van de CDA-fractie voelen, anders dan de regering, geen absoluut comfort bij de stelling dat collectieve rechtszaken minder voor de hand liggen. Bij de toevoeging dat individuele procedures mogelijk meer voor de hand liggen vragen deze leden de bevestiging dat dit dan slechts gaat over een betwisting van het persoonlijke invaarresultaat waarover men persoonlijk kan klagen of procederen. Hoe precies kan een deelnemer de persoonlijke invaarberekening controleren en wanneer moet deze worden verschaft, ruim voor het invaren?
Een individuele deelnemer wil mogelijk zijn individuele situatie als klacht voorleggen bij het pensioenfonds en de geschilleninstantie.
Het is belangrijk aan de deelnemer helder uit te leggen wat er tijdens de transitie en in het nieuwe pensioenstelsel gebeurt met het pensioen. Er zijn uitgebreide informatievoorschriften waar pensioenuitvoerders aan moeten voldoen, zodat de deelnemer beschikking kan hebben over de benodigde informatie. Elke pensioenuitvoerder heeft nu al de wettelijke plicht de deelnemer te voorzien van basisinformatie over de pensioenregeling. Deze verplichte informatie omvat informatie over de wijze waarop de deelnemer pensioen opbouwt. Ongeacht het soort pensioenregeling kan de deelnemer op basis van informatie over de wijze van opbouw weten hoe zijn pensioen groeit. Verder kan de deelnemer elk jaarlijks pensioenoverzicht vergelijken met het vorige, en zo nagaan hoe zijn pensioen zich heeft ontwikkeld. Zo nodig of indien gewenst kan de deelnemer zich met vragen om uitleg en duiding wenden tot zijn pensioenuitvoerder, die de plicht heeft deze informatie op verzoek te verstrekken. Voor alle informatie geldt dat de pensioenuitvoerder de plicht heeft erin te voorzien dat deze correct, duidelijk, evenwichtig en tijdig is. Op de naleving van de eis wordt toezicht gehouden door de Autoriteit Financiële Markten. Voor de transitie geldt daarnaast ook dat de deelnemer zowel voor als na de transitie specifieke transitie-informatie ontvangt. Deze informatie geeft inzicht in de situatie voor en na transitie. Indien er (grote) verschillen zitten in deze overzichten, licht de pensioenuitvoerder dat toe. Deelnemers kunnen deze overzichten vergelijken met de reguliere UPO-reeks. Bij twijfel of vragen heeft de deelnemer de mogelijkheid te vragen naar de correctheid van de informatie en zo nodig te vragen om een herberekening. De betreffende pensioenuitvoerder is verplicht deze informatie op verzoek te verschaffen, en wel zonder kosten in rekening te mogen brengen bij die deelnemer. Overigens zal de pensioenuitvoerder op verzoek ook een berekening van de transitie-effecten per leeftijdscohort beschikbaar stellen en plaatst op zijn website een kwalitatieve toelichting op de transitie-effecten.
Pensioenuitvoerders kunnen op basis van het wetsvoorstel voldoende invulling geven aan het inzichtelijker maken van pensioen in een helder, uniform en begrijpelijk overzicht van oude en nieuwe pensioenaanspraken. Welk pensioenen hadden deelnemers kunnen bereiken, volgens drie scenario’s in de oude pensioenregeling, afgezet tegen diezelfde informatie na transitie. Dit geeft belangrijke informatie over de ontwikkeling van hun inkomensstroom. Er is daarbij geen exact moment voorgeschreven wanneer de informatie moet worden verschaft, om ruimte te geven aan de individuele pensioenuitvoerders om op een passend moment, rekening houdend met de wettelijke communicatievereisten tijdig, duidelijk, evenwichtig en correct, te communiceren. Door ontwikkelingen op de financiële markten is het overzicht voor het transitiemoment niet het definitieve overzicht. Na het invaren krijgt de deelnemer wederom een overzicht. Indien er (grote) verschillen zitten in deze overzichten, licht de pensioenuitvoerder dat toe. Zowel de reguliere informatie als deze transitie-informatie kan als basis dienen voor een klachtprocedure bij het pensioenfonds.
12.
Antwoord vraag 24 geschilleninstantie. De Minister geeft in haar antwoord aan het eens te zijn met het opzetten van een geschilleninstantie die volledig onafhankelijk en onpartijdig opereert. Elke inmenging bij geschilbeslechting moet worden voorkomen. De leden van de CDA-fractie vragen dan ook waarom de goedkeuring van de Minister nodig is bij het vaststellen van het reglement en de voorzitters die belast zijn met de geschilbeslechting? Wat wordt bedoeld met het reglement, is dat het procesreglement en is de voorzitter degene die de zitting leidt? Zo ja, is de vraag waarom vanwege de volstrekt onafhankelijke en onpartijdige werking deze de goedkeuring van de Minister behoeft. Elke vorm van inmenging of beïnvloeding of althans de perceptie die dat teweeg kan brengen, moet worden voorkomen. Datzelfde geldt ook voor het doorvoeren van wijzigingen. Mocht bedoeld zijn het bestuur, dan ligt dat anders. Overigens in het verlengde van vorenstaande, is de laatste zin van dit artikel niet overbodig, nog los van de vraag waarom leeftijd hierin belangrijk zou zijn.
Op grond van artikel 48c, eerste lid, van de Pensioenwet, zoals opgenomen in het wetsvoorstel toekomst pensioenen, is de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen belast met de aanwijzing van de geschilleninstantie. Vanuit die verantwoordelijkheid zal de Minister moeten toetsen of de aan te wijzen instantie aan de eisen in de betreffende wet- en regelgeving voldoet. De eisen aan het reglement zijn vastgelegd in het concept besluit toekomst pensioenen (artikel 14o). Ook zijn in het concept besluit toekomst pensioenen eisen gesteld aan de onafhankelijkheid van de bestuursleden en de geschilbeslechters. Juist om de onafhankelijkheid en de andere gestelde eisen te waarborgen is de instemming van de Minister vereist voor (eventuele wijzigingen in) het reglement, de samenstelling van het bestuur en de voorzitters van de organen belast met de buitengerechtelijke geschillenbeslechting. Hierbij wordt bedoeld het procesreglement en (zoals in de vorige zin ook genoemd) de voorzitters van de organen belast met de buitengerechtelijke geschillenbeslechting.
Het is van groot belang dat de geschilleninstantie voor de pensioensector tijdig operationeel is en goed zal functioneren, binnen de gestelde wettelijke eisen van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en deskundigheid. Om dit goed te borgen, is ervoor gekozen om de Minister bevoegdheden te geven, zodat hierop kan worden toegezien. Dit komt overigens ook overeen met de wijze waarop de regelgeving met betrekking tot Kifid is vormgegeven. Vanuit de gedachte van rechtseenheid voor (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en overige aanspraakgerechtigden is dit een belangrijk punt, omdat zij straks op grond van het wetsvoorstel toekomst pensioen bij Kifid of de nieuwe instantie terecht kunnen.
Tot slot zal, zoals deze leden vragen, de tweede zin in artikel 14p van het concept besluit toekomst pensioenen komen te vervallen. Dit volgt immers al uit de «instemming» genoemd in de eerste zin van het artikel. In de nota van toelichting van het concept besluit toekomst pensioenen zal worden opgenomen dat wordt gestreefd naar een diverse samenstelling van het bestuur en daarbij is uiteraard niet alleen leeftijd van belang.
13.
Kan de Minister ingaan op het volgende. Uit een presentatie van de pensioenfederatie blijkt dat zowel de oprichting als ook de beslechting van een geschil heel kostbaar is, zeker in vergelijking met de geschilbeslechting onder de paraplu van de geschillencommissie. Noopt dat niet tot een heroriëntatie omdat het uiteindelijk de deelnemers zijn die de middelen moeten fourneren?
Zoals aangegeven in de memorie van antwoord is in bestuurlijk overleg met de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars afgesproken om een nieuwe geschilleninstantie voor pensioenfondsen op te zetten. Geschillen van verzekeraars en premiepensioeninstellingen (ppi’s) kunnen worden voorgelegd bij de reeds bestaande buitengerechtelijke geschilleninstantie Kifid, zoals nu ook al het geval is.5 Dit besluit doet recht aan de verschillende typen pensioenuitvoerders en de specifieke onderwerpen waar zij mee te maken krijgen.
De Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars hebben verschillende opties gewogen, waaronder het onderbrengen van alle pensioenuitvoerders bij een reeds bestaande geschilleninstantie. In het bestuurlijk overleg is ook afgesproken dat de (beheersing van de) kosten een belangrijk criterium is waarop zal worden getoetst bij de aanwijzing van de geschilleninstantie(s) door de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen. Bij de afweging door de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars is mede daarom het kostenaspect meegenomen. Zowel met de oprichting van een nieuwe geschilleninstantie als bij de aansluiting bij een bestaande geschilleninstantie zijn (opstart)kosten gemoeid. Daarbij valt onder meer te denken aan het uitbreiden en werven van geschikt personeel, het aanpassen van processen, documenten en ict-systemen. Gezien de omvang van de pensioensector en de complexe materie waar pensioengeschillen op kunnen zien, is het voorstelbaar dat het aanpassen van een bestaande organisatie ingrijpend en kostbaar is.
De leden van de CDA-fractie geven aan dat in vergelijking met de geschilbeslechting bij de Stichting geschillencommissie consumenten (SGC), de geschilbeslechting bij de nieuw op te richten geschilleninstantie kostbaar is. Vooropgesteld geldt dat de systematiek van financiering bij SGC anders is dan de financiering bij Kifid of de nieuw op te richten geschilleninstantie voor pensioenfondsen. Ten eerste is er bij SGC in principe geen wettelijke verplichting voor ondernemers uit de betreffende sectoren om aan te sluiten. Voor Kifid en de nieuw op te richten geschilleninstantie zal die verplichting wel gelden. Ten tweede ontvangt – in tegenstelling tot Kifid en de nieuw op te richten geschilleninstantie – SGC een structurele overheidsbijdrage. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat uit het rapport van de Commissie voor Consumentenaangelegenheden (CCA)6 blijkt dat er juist bij de SGC knelpunten zijn ten aanzien van die financieringssystematiek.
Tot slot: de Pensioenfederatie heeft laten weten dat de kosten per klacht naar verwachting vergelijkbaar zullen zijn met de kosten die Kifid rekent per klacht.7 Om deze redenen heeft de regering op dit moment geen heroriëntatie voor ogen, maar zal de beheersing van de kosten blijven benadrukken en hierop blijven toetsen.
14.
De mogelijkheden voor een rechtsgang in de Wtp, staat onder kritiek in de samenleving. Daarom moet geborgd worden dat wanneer een deelnemer twijfels heeft over de transitie er op een snelle manier een uitspraak gedaan kan worden inzake twijfels over het persoonlijke pensioenvermogen. Beantwoordt de wijze waarop de geschilleninstantie nu is voorgesteld daaraan? Naar de mening van de CDA-fractie zou een gang naar de geschillencommissie in elk geval moeten uitgaan van een bindend advies. Mocht deelnemer daarvoor niet kiezen dan is de gang naar de reguliere rechtspraak mogelijk. Waar de Raad voor de Rechtspraak zorgen heeft over het aantal zaken en de consequenties voor lange termijnen zo voegen deze leden toe, is een heel goed initiatief de geschillencommissie, mits deze zich daadwerkelijk kan onderscheiden in eenvoud, snelheid en kwaliteit.
De regering is het met de leden van de CDA-fractie eens dat (gewezen) deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden de mogelijkheid moeten krijgen om op een laagdrempelige, kwalitatief goede en snelle manier een geschil te kunnen voorleggen aan een geschilleninstantie. Op deze manier wordt de rechtsbescherming versterkt en daarnaast creëert het een «zeeffunctie» voor de civiele rechtspraak. In het conceptbesluit toekomst pensioenen zijn bepalingen opgenomen die ervoor zorgen dat de geschilleninstanties(s) voldoet aan deze kerneigenschappen.
Bij het wettelijk kader heeft de regering de systematiek van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschilbeslechting consumenten gevolgd, waarin het uitgangspunt is dat beide partijen vooraf uitdrukkelijk instemmen met een bindend advies. Conform het conceptbesluit toekomst pensioenen dient de geschilleninstantie bij haar oprichting in het reglement op te nemen hoe wordt omgegaan met bindende en niet-bindende adviezen. Op grond van het conceptbesluit geven pensioenuitvoerders op het moment van aansluiting bij de geschilleninstantie aan of wordt ingestemd met bindend advies, zodat dit op voorhand duidelijk is voor deelnemers.
In het geval van een bindend advies kan het laatste woord aan een rechter zijn. Een van de partijen kan het advies als een vordering tot nakoming voorleggen aan de rechter en op deze wijze een executoriale titel verkrijgen. Dat wil zeggen het recht om het advies uit te voeren. Dat kan een van de partijen doen als de ander het advies niet wil opvolgen. Deze weg naar de rechter wordt in het geval van een bindend advies niet afgesloten.8
15.
Antwoord vraag 25 en volgend over problematiek nabestaandenpensioen. De Minister is volhardend in het leggen van de keuzes bij de deelnemers. Vragen ten aanzien van het gemis aan doen vermogen van kwetsbare groepen om het risico onder te brengen worden niet op waarde geschat. Bij het verzoek van de leden van de CDA-fractie om het mogelijk te maken om ter voorkoming van ongelukken het vanaf een bepaalde leeftijd te kiezen voor een vrijwillige voortzetting als default, is de regering negatief vanwege het gevaar van oververzekering? Kan de Minister het met de CDA-fractie eens zijn dat dit risico van oververzekering eenvoudig kan worden beperkt door een standaard voortzetten na bijvoorbeeld de leeftijd van 60 jaar om dan na bijvoorbeeld één jaar checkvragen te laten stellen aan de deelnemer? Wordt hiermede het risico van oververzekering niet sterk gemitigeerd?
Het risico op oververzekering, en vermindering van het pensioenkapitaal door uitruil van pensioenvermogen in risicopremies, moet zorgvuldig worden afgezet tegen de situatie waarin, in dit geval, oudere deelnemers geen nabestaandenpensioendekking hebben. Ik ben het met de leden van de CDA-fractie eens dat, wanneer er sprake is van een default vrijwillige voortzetting vanaf een bepaalde leeftijd, het risico op oververzekering in theorie beperkt kan worden door het introduceren van checkvragen of extra informatieverstrekking richting deze specifieke deelnemers. Deze modaliteit dient dan nader te worden onderzocht op uitvoeringsaspecten en of het in de praktijk daadwerkelijk het risico op oververzekering op effectieve wijze beperkt. Dit dient dan beschouwd te worden in relatie tot de reeds getroffen waarborgen in het wetsvoorstel toekomst pensioenen, zoals de standaard-uitloopdekkingen en keuzebegeleiding. Een specifieke conclusie op de stelling van de vragensteller is derhalve nog niet te trekken.
16.
Antwoord vraag 27. De vraag om aan slapers de mogelijkheid te geven om het partnerpensioen voort te zetten om zo de categorie ex-deelnemers te helpen die voor korte tijd geen baan hebben of, al dan niet gedwongen, ZZP-er zijn geworden, te faciliteren met een vrijwillige voortzetting, is misverstaan. Het gaat niet om het overgangsrecht maar om een actief benaderen van huidige slapers met de optie voor het vrijwillig voortzetten van het partnerpensioen.
In de beantwoording van deze vraag in de nadere memorie van antwoord is bewust aandacht besteed aan het overgangsrecht voor nabestaandenpensioen dat is vastgelegd in het voorgestelde artikel 220g van de Pensioenwet. Dit overgangsrecht beschermt immers het partnerpensioen, van zowel actieve als gewezen deelnemers, dat voor de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel is opgebouwd. Voor een gewezen deelnemer die voor de transitie uit dienst is gegaan is een tijdsevenredige aanspraak op partnerpensioen in de administratie opgenomen. Zoals gezegd wordt deze tijdsevenredige aanspraak beschermt door het overgangsrecht, zodat deze aanspraak tot uitkering kan komen wanneer een gewezen deelnemer, na de transitie, voor de pensioendatum komt te overlijden.
Het zou uitvoeringstechnisch een enorme en complexe exercitie zijn om alle slapers te benaderen met de vraag of het wenselijk is om de risicodekking voor partnerpensioen vrijwillig voort te zetten. Daarnaast acht de regering een dergelijke uitvraag overbodig juist vanwege het overgangsrecht, maar ook vanwege het feit dat de meeste gewezen deelnemers elders als actieve deelnemer deelnemen in een pensioenregeling waarin een dekking voor partnerpensioen in kan zijn opgenomen. Pensioenuitvoerders weten niet van elkaar of een gewezen deelnemer ook als gewezen deelnemer in een andere pensioenregeling geregistreerd staat. Deze gewezen deelnemer zou vervolgens van twee verschillende pensioenuitvoerders de vraag krijgen om de risicodekking vrijwillig voort te zetten, met overdekking tot gevolg. Daarnaast kan het deelnemerschap van een gewezen deelnemer ook al jaren geleden zijn beëindigd. Als de vrijwillige voortzetting daarop moet aansluiten, dan zou dat met terugwerkende kracht gedaan moeten worden, hetgeen risicoselectie in de hand werkt.
17.
Antwoord vraag 29 wezenpensioen. De regering herkent de door de CDA-fractie geschetste problematiek, maar wil die repareren via een nieuw wetsvoorstel keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen. Zien deze leden het goed dat na de invoering van de Wtp de wezen bij een vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen immers geen wezen uitkering zullen ontvangen? Hoe denkt de regering deze omissie te kunnen uitleggen? Ook willen deze leden graag weten welke bezwaren de pensioensector heeft geuit die zo zwaarwegend zijn voor de benadeling van wezen. Welke, desnoods tijdelijke maatregelen zou de regering kunnen nemen om deze risico’s te mitigeren? Hoe groot is de groep vrijwillige voortzetters, is daarover een inschatting te geven? Als dit inderdaad een kleine groep is, wordt daarmede de uitvoeringsproblematiek overzichtelijk?
Het is inderdaad zo dat er bij vrijwillige voorzetting van het partnerpensioen geen wezenpensioen tot uitkering komt bij overlijden voor de pensioendatum. De vrijwillige voortzetting die in het voorgestelde artikel 61a van de Pensioenwet is opgenomen betreft alleen de voortzetting van het partnerpensioen.
Pensioenuitvoerders zien met name bezwaren in de premiestelling van deze vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen en de specifieke «kind»-administratie die ze moeten gaan voeren, omdat in de administratie op voorhand duidelijk moet zijn voor welke kinderen het wezenpensioen wordt voortgezet. De komende tijd zal met de pensioensector onderzocht worden of het mogelijk te maken is dat het wezenpensioen vrijwillig kan worden voortgezet. Of het aantal gebruikers bepalend is voor de omvang van de uitvoeringsproblematiek is op dit moment niet te duiden. Daarnaast is het op voorhand lastig te bepalen hoeveel gewezen deelnemers uiteindelijk gebruik zullen maken van de vrijwillige voortzetting. Het gaat daarbij immers om een vrijwillige keuze die ook niet gratis is, immers de benodigde premie wordt bekostigd via een uitruil met het ouderdomspensioen wat daardoor uiteindelijk lager zal uitpakken. Daarnaast kan het van de persoonlijke omstandigheden afhangen of de vrijwillige voortzetting een aantrekkelijke optie is. Eerder heb ik toegezegd dat de uitwerking van de vrijwillige voorzetting van het wezenpensioen zal meelopen in het wetsvoorstel keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen dat rond de zomer 2023 in internetconsultatie gaat.
18.
Antwoord vraag 34 en vraag 35. Heeft de regering de bereidheid om de RVU-drempelvrijstelling voort te zetten en eventueel aan te passen op basis van het gesprek met sociale partners?
Zoals eerder aangegeven zal ik in navolging van de motie Nijboer/Maatoug9 in gesprek gaan met sociale partners over de situatie rond zwaar werk na 2025, wanneer de tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing en de subsidieregeling voor duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden aflopen. Het is te vroeg om op de uitkomst van dat gesprek vooruit te lopen, ook omdat de ervaringen met deze tijdelijke maatregelen van belang zijn voor het vormgeven van eventuele aanvullende maatregelen voor na 2025. Daarnaast is bij de behandeling van het wetsvoorstel toekomst pensioenen naar aanleiding van de eerdergenoemde motie, toegezegd dat eventuele resterende middelen van de betreffende subsidieregeling beschikbaar kunnen blijven, ook na 2025.
19.
De regering stelt dat vanwege financiële redenen 2/3 van de doelgroep afziet van deelneming en zich dus nader wil beraden. Waarom, zo vragen de leden van de CDA-fractie, wil de regering wel doorzetten het ontwerp van wet over de eenmalige uitkering die voor de laagste inkomensgroepen een groot negatief effect heeft?
Het keuzerecht bedrag ineens is een afspraak uit het Pensioenakkoord. Met deze afspraak hebben sociale partners en het kabinet tegemoet willen komen aan de wens om het pensioen beter te laten aansluiten bij de persoonlijke voorkeuren en omstandigheden. Het opnemen van een bedrag ineens is een vrijwillige keuze.
In januari 2021 is de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen, waar het keuzerecht bedrag ineens onderdeel van is, door uw Kamer aangenomen. Het wetsvoorstel herziening bedrag ineens, dat nu voor plenaire behandeling in de Tweede Kamer ligt, betreft enkele aanpassingen aan de mogelijkheid om de uitbetaling van het bedrag ineens uit te stellen om daarmee de uitvoerbaarheid voor pensioenuitvoerders en de begrijpelijkheid voor deelnemers voor dat specifieke punt te verbeteren. Daarmee heeft de regering willen voldoen aan de oproep in de motie Oomen-Ruijten.10 Ik ben in afwachting van de plenaire behandeling van het wetsvoorstel herziening bedrag ineens door de Tweede Kamer.
20.
Antwoord over vraag 36 en 37 kostenplaatje. Wil de Minister nog eens ingaan op het kostenaspect om daarmede nogmaals te informeren over de kosten die gemoeid zijn met de invoering van de Wtp en daarmede de hardnekkige stelling over 200 miljard kosten in het juiste perspectief zetten?
Zoals in de eerdere antwoorden is aangegeven is de verwachting dat de pensioentransitie gemiddeld ongeveer € 5 miljoen per pensioenfonds zal kosten. De daadwerkelijke kosten zullen sterk afhangen van het type pensioenfonds, type pensioenregeling en de bijbehorende karakteristieken en van de keuzes die sociale partners en pensioenfondsen maken in de transitieperiode. Voor een groter pensioenfonds met meer complexe pensioenregelingen zullen de kosten naar verwachting hoger uitvallen dan voor een klein pensioenfonds met een relatief eenvoudige pensioenregeling.
Structureel is het de verwachting dat de uitvoering eenvoudiger wordt, waardoor kosten bespaard kunnen worden. Daarnaast zorgt de btw-vrijstelling voor een forse kostenbesparing, volgens de Pensioenfederatie zal het ten minste gaan om meer dan € 500 mln. per jaar.11
21.
Nadere vraag over artikel 220h voortzetting pensioenopbouw arbeidsongeschikten gesloten pensioenfondsen/kringen met een werkgever. Klopt het dat het effect van een letterlijke lezing van artikel 220h zo is dat gesloten fondsen met een werkgever de pensioenadministratie wél moeten ombouwen naar een premieovereenkomst? Is de Minister het ermee eens dat het overgangsrecht bedoeld is om te voorkomen dat uitsluitend voor de premievrije voortzetting van de pensioenopbouw door arbeidsongeschikte deelnemers de pensioenadministratie moet worden omgebouwd naar een premieovereenkomst?
22.
Is de Minister bereid te verduidelijken dat de overgangsmaatregel ook toegepast mag worden bij de premievrije voortzetting van arbeidsongeschikte deelnemers bij gesloten pensioenfondsen die een uitkeringsovereenkomst uitvoeren waarbij nog een werkgever bestaat? Zo nee, wil de Minister aangeven of en zo ja hoe gesloten pensioenfondsen de premievrije voortzetting wel moeten uitvoeren? Zou de Minister kunnen bevestigen dat een gesloten kring bij een algemeen pensioenfonds op een lijn gesteld kan worden met een gesloten pensioenfonds in het algemeen en in het bijzonder voor artikel 220 h?
Hiermee wordt vraag 21 en 22 beantwoord. Het overgangsrecht voor premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid is zo vormgegeven dat pensioenadministraties bij gesloten pensioenfondsen die uitvoering geven aan premievrije voortzetting van een DB regeling en waarbij de werkgever is opgehouden te bestaan niet omgezet hoeven te worden naar premieovereenkomsten.
De overgangsmaatregel is niet van toepassing als de (voormalige) werkgever van de betrokken arbeidsongeschikte deelnemers nog wel bestaat. In dat geval kan de pensioenovereenkomst, inclusief de afspraken over premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid, conform de daarvoor geldende regels nog gewijzigd worden. Deze zal niet per definitie door het gesloten pensioenfonds uitgevoerd hoeven te worden. Arbeidsongeschikte deelnemers kunnen bijvoorbeeld ook gaan deelnemen aan de pensioenregeling bij de pensioenuitvoerder bij wie de nieuwe regeling wordt ondergebracht door de (voormalig) werkgever.
Een gesloten kring bij een algemeen pensioenfonds wordt inderdaad op één lijn gesteld met een gesloten pensioenfonds, zowel in het algemeen en in het bijzonder voor artikel 220h.
Vragen van de leden van de PvdD-fractie:
1.
In haar antwoorden op de vragen over restitutie lijkt de regering een variant van restitutie voor ogen te hebben waarbij het voor het nabestaandenpensioen te verzekeren overlijdensrisicokapitaal wordt verminderd met de opgebouwde waarde voor OP/NP na pensioendatum. Is dit juist?
2.
In de praktijk is de meest gangbare vorm van restitutie echter die waarbij het te verzekeren overlijdensrisicokapitaal niet wordt verminderd met de opgebouwde waarde voor OP/NP na pensioendatum, maar volledig – binnen fiscale grenzen – wordt aangewend bovenop het verzekerde nabestaandenpensioen. Ziet de regering bij deze variant ook het aanvullende deel uit restitutie als een kapitaalgedekt nabestaandenpensioen? Zo ja, kan zij toelichten hoe dat zonder hiertoe opgebouwde waarde en premiebetaling mogelijk is en past binnen juridische en verzekeringstechnische kaders?
Met navolgend antwoord worden vraag 1 en 2 gezamenlijk beantwoord.
Nee, dat is niet juist. In het kader van de beantwoording is steeds uitgegaan van een restitutievariant waarbij het opgebouwde pensioenvermogen bedoeld voor ouderdomspensioen en partnerpensioen ná pensioendatum zou kunnen worden aangewend voor een partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum, in het geval er anders vóór pensioendatum geen dekking zou zijn. Er is bij die restitutievariant dus een partnerpensioen op risicobasis óf een partnerpensioen op kapitaalbasis en niet allebei tegelijkertijd.
Het klopt dat in de praktijk het nu voorkomt dat binnen een pensioenregeling gelijktijdig een risicodekking naast een kapitaaldekking aangeboden wordt ter dekking van het risico op overlijden voor pensioendatum. Hierbij neemt de dekking vanuit kapitaal als gevolg van de opbouw gedurende de tijd steeds meer toe, de dekking vanuit het risicodekking sluit hierbij aan en neemt dan juist steeds af. Op die manier wordt de totale dekking (kapitaal- en risicodekking tezamen) op hetzelfde niveau gehouden. Op basis van het wetsvoorstel toekomst pensioenen is deze wijze van vormgeving niet meer mogelijk, aangezien is vastgelegd dat dekking voor pensioendatum alleen op risicobasis kan plaatsvinden. Dit brengt de gewenste eenvoud in het stelsel voor nabestaandenpensioen. Daarnaast is een belangrijk nadeel van de variant die risico- en kapitaaldekking combineert dat het aansluiten van de risicodekking op de kapitaaldekking alleen goed werkt, wanneer de deelnemer zijn gehele arbeidzame leven in dezelfde pensioenregeling deelneemt. Deze variant past dus niet goed voor werknemers die van baan wisselen en of werknemers die een periode zelfstandige zijn geweest.
3.
Kamerstukken 31 891 (Wet introductie premiepensioeninstellingen), nr. 3 en nr. 6 bevatten relevante passages over restitutie en sterftewinsten in relatie tot de opvatting van de regering in het kader van dit wetsvoorstel:
– «Deze wet regelt inderdaad niet hoe sterftewinsten moeten worden toebedeeld en laat uitdrukkelijk ruimte voor het maken van afspraken....», en;
– «Dit betekent dat het partijen .... vrij staat overeen te komen dat de waarde .... ten gunste komt aan de nabestaanden»;
– «Bovendien kunnen in de overeenkomst afspraken worden opgenomen die zien op ... de toerekening van sterftewinsten». Het wetsvoorstel raakt de Wet op het financieel toezicht (Wft) niet en deze leden zien niet hoe de regering bovenstaande passages anderszins regelt in het onderhavige wetsvoorstel. Hoe verhoudt het antwoord van de regering zich tot deze passages?
De passages die de leden van de fractie van de PvdD aanhalen hebben betrekking op de Wet introductie premiepensioeninstellingen (PPI). Op dit moment kan in een pensioenregeling die wordt uitgevoerd door een PPI inderdaad worden afgesproken dat de waarde van de (ouderdoms)-aanspraken van een overleden deelnemer ten gunste komen aan bijvoorbeeld de nabestaande. Na inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen is deze toedeling van het vrijvallende vermogen aan de nabestaande voor de aankoop van een nabestaandenpensioen niet meer mogelijk. In het nieuwe pensioenstelsel is immers voor pensioendatum alleen nog een partnerpensioen op risicobasis mogelijk. Dat geldt ook voor pensioenregelingen die door een PPI worden uitgevoerd, hiervoor hoeft de Wet op het financieel toezicht niet te worden aangepast. De huidige producten die een dergelijke vorm van restitutie kennen zullen dan ook moeten worden aangepast, het restitutiebeding kan wel behouden blijven op het pensioenvermogen dat tot de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen is verworven.
4.
Hoe verhoudt zich artikel 55 lid 2, waarbij na beëindiging van deelneming er uitsluitend nog volledig belegd mag worden, tot artikel 10c, waarbij een periode voor pensioengerechtigde leeftijd dit kapitaal (deels) omgezet kan worden in een aanspraak op een vastgestelde uitkering?
Artikel 55, lid 2, van de Pensioenwet regelt wat er gebeurt met de aanspraak op pensioen bij beëindiging deelneming onder de premie-uitkeringsovereenkomst. Bij beëindiging van deelneming vanaf 15 jaar voor pensioendatum kan (een deel van) het vermogen belegd zijn en kan (een deel van) het vermogen reeds aangewend zijn voor een vaste uitkering. Het artikel regelt voor het belegde deel dat dit wordt doorbelegd conform de pensioenregeling en voor het deel dat is aangewend voor een vaste uitkering vanaf de pensioendatum dat dit volledig gefinancierd is op moment van beëindiging. Dit is in lijn met de mogelijkheden die voortvloeien uit artikel 10c.
5.
Bevestigt de regering in haar antwoord dat bij de aanwending van pensioenkapitaal voor een voortgezette risicodekking conform artikel 61a lid 1 ook het opgebouwde pensioenkapitaal voor nabestaandenpensioen na pensioendatum aangesproken wordt?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. De financiering van de vrijwillige voortzetting van de risicodekking op grond van het voorgestelde artikel 61a vindt plaats door middel van een uitruil van een deel van het pensioenvermogen in een risicopremie. Voor de uitruil wordt specifiek een deel van het pensioenvermogen gebruikt dat bedoeld is voor ouderdomspensioen. Het pensioenvermogen dat bedoeld is voor partnerpensioen na pensioendatum wordt niet in de uitruil betrokken.
Vragen van de leden van de 50PLUS-fractie, gezamenlijk met de leden van de Fractie-Nanninga, Fractie-Frentrop en Fractie-Otten:
Vraag 16 pagina 30.
In dit antwoord geeft de Minister aan dat de transitie-informatie dezelfde status heeft als de UPO en dat de deelnemers hier geen rechten aan kunnen ontlenen. Het pensioenreglement is leidend.
1.
Acht de Minister het wenselijk dat de bewijslast ook bij het invaren verlegd wordt van het pensioenfonds naar de deelnemer?
a) Hoe kan de deelnemer de pensioenrechten na transitie qua hoogte beoordelen als hij naast het pensioenreglement ook andere fondsspecifieke en historische informatie nodig heeft waar hij niet over beschikt?
b) De pensioenrechten komen niet alleen op basis een pensioenreglement tot stand. Op welke informatie mag en kan een deelnemer zich dan baseren, zodanig dat hij daar rechten aan kan ontlenen?
Hiermee worden beide sub-vragen beantwoord.
Het klopt dat het pensioenreglement leidend is. Dit wordt in de transitie niet anders ten aanzien van de transitie-informatie. Er verandert dus ook niets aan de bewijslast. Ten aanzien van de genoemde beoordeling van informatie geldt dat deelnemers het recht krijgen informatie op te vragen over gemaakte berekeningen van de effecten van herverdeling en compensatie op het cohort waartoe zij behoren. Ook stelt de pensioenuitvoerder op de website een kwalitatieve toelichting op de transitie-effecten beschikbaar. Tot slot krijgt de deelnemer persoonlijke informatie over zijn pensioenaanspraken voor transitie en de te verwachten pensioenuitkering na transitie. Deelnemers kunnen zich richten tot hun pensioenuitvoerder bij vragen over de correctheid van informatie of vragen om een herberekening. De pensioenuitvoerder is verplicht deze informatie op verzoek te verschaffen, en wel zonder kosten in rekening te mogen brengen bij die deelnemer. Op deze manier wordt een deelnemer op een goede manier voorzien van informatie over zijn pensioen en de transitie.
2.
Vraag 31 pagina 68.
In dit antwoord geeft de Minister aan dat moeilijk een algemene conclusie getrokken kan worden. De vraag had echter niet betrekking op een algemene conclusie, maar op een specifieke conclusie, te weten bij vergelijkbare economische veronderstellingen.
Kunt u deze vraag alsnog beantwoorden?
De oorspronkelijke vraag (50plus 84 memorie van antwoord) was: Is de conclusie uit het rapport juist, dat de solidariteitsreserve in een dergelijk geval zijn werk niet doet? Zo nee, waarom niet? Met een dergelijk geval werd verwezen naar de eerste helft van 2022. Toekomstige economische ontwikkelingen zijn niet te voorspellen. Het is mogelijk dat een dergelijke ontwikkeling zich weer zal voordoen, hoewel de omstandigheden op dit moment in de wereld, met de oorlog in Oekraïne, redelijk uniek zijn.
Of de solidariteitsreserve voldoende zal zijn om dergelijke financiële schokken op te vangen is onder meer afhankelijk van de uitgangspositie van de solidariteitsreserve, de vulregels van de solidariteitsreserve en het beleggingsbeleid van het pensioenfonds. Een conclusie trekken over hoe het nieuwe pensioenstelsel zich in vergelijkbare economische omstandigheden kan gedragen, is uitsluitend op basis van het rapport van Confident niet mogelijk. De gevoeligheidsanalyses die nodig zijn met betrekking tot verschillende aannames over bijvoorbeeld de uitgangspositie van de solidariteitsreserve, de vulregels van de solidariteitsreserve en het beleggingsbeleid van het pensioenfonds, ontbreken in het genoemde rapport.
3.
Vraag 61 pagina 80.
a) Kan de Minister aangeven wat zij bedoelt met «en de wijze waarop de aanspraken (...) zullen worden behandeld»?
b) Verwacht de Minister dat deelnemers makkelijk en zonder deskundige hulp tot een goed oordeel kunnen komen over de voor- of nadelen van waardeoverdracht?
c) Deelt de Minister de mening dat een zorgvuldige voorlichting aan een deelnemer vereist dat bij de informatieverstrekking minimaal één of meerdere pensioenscenario’s toegevoegd moeten worden?
Hiermee worden alle sub-vragen beantwoord.
De mogelijkheid om pensioenaanspraken opgebouwd bij een voormalige pensioenuitvoerder via individuele waardeoverdracht over te dragen aan de nieuwe pensioenuitvoerder is niet nieuw, dat is nu ook mogelijk. In een pensioenstelsel met alleen premieregelingen wordt het naar verwachting voor een deelnemer eenvoudiger om een oordeel te vormen over de vraag of waardeoverdracht verstandig is. Daarbij dient opgemerkt te worden dat, onder andere om het voor deelnemers overzichtelijk te houden, bij de behandeling van het wetsvoorstel toekomst pensioenen een amendement is aangenomen dat ertoe leidt dat individuele waardeoverdrachten tijdens de transitie zijn opgeschort indien één van beide betrokken pensioenfondsen wel is ingevaren en de andere niet maar wel voornemens is om in te varen.
Bij een individuele waardeoverdracht zal de ontvangende pensioenuitvoerder aangeven op welke wijze de overgedragen aanspraken in de nieuwe pensioenregeling worden behandeld. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de situatie dat pensioenaanspraken opgebouwd in een uitkeringsovereenkomst, die niet zijn ingevaren, worden overgedragen naar een premieregeling. De deelnemer dient geïnformeerd te worden over de wijze waarop de over te dragen pensioenaanspraken door de nieuwe pensioenuitvoerder worden vertaald naar de premieregeling. Aangezien de mogelijkheden tot en de informatieverstrekking rondom individuele waardeoverdracht niet veranderen met het nieuwe pensioenstelsel, het voor de deelnemer naar verwachting eenvoudiger wordt en er geen signalen bekend zijn dat deelnemers onvoldoende informatie ontvangen om een besluit te nemen ten aanzien van individuele waardeoverdracht, is er geen aanleiding om aan de informatieverstrekking minimaal één of meerdere pensioenscenario’s toe te voegen.
4.
Vraag 62 pagina 81. Betekent het antwoord van de Minister kort samengevat: «Ja dat mag, mits....»?
Nee, via de solidariteitsreserve kan een indexatieachterstand uit het verleden niet meer worden ingehaald. Ook niet via de vul- en verdeelregels van de solidariteitsreserve. Inhaalindexatie verlenen kan wel onderdeel zijn van het vormgeven van de transitie. Beide omrekenmethoden kennen de mogelijkheid om de uitkomsten vanuit evenwichtigheidsoogpunt aan te passen, en inhaalindexatie daar een plek in te geven. Het is aan decentrale partijen om die evenwichtigheid te onderbouwen. Of, en in hoeverre, een indexatieachterstand of andere effecten daarvan onderdeel zijn, is een afweging die decentrale partijen zelf dienen te maken.
5.
Vraag 63 pagina 81. Kan de Minister alsnog de vraag beantwoorden hoeveel procent koopkrachtverlies een gepensioneerden kan verwachten in een jaar met een minder dan gemiddeld beleggingsresultaat en in jaar met een rendement op aandelen dat past in het 5e percentiel van dat jaar?
N.B. Hierbij mag de Minister veronderstellen dat het renterisico volledig is afgedekt en dat er geen gebruik wordt gemaakt van spreiding van de resultaten.
De vraag hoeveel koopkrachtverlies er in enig jaar kan ontstaan kan op basis van de gegevens in deze vraag niet als zodanig beantwoord worden. Het is bijvoorbeeld de vraag wat een minder dan gemiddeld beleggingsresultaat precies betekent. Daarnaast is dit een sterk vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid, die dus niet zoveel zegt over de mate van koopkrachtverlies in enig jaar. Voor de hoogte van de pensioenuitkering en dus de beantwoording van de vraag in hoeverre er sprake is van koopkrachtverlies, heeft niet alleen het rendement op zakelijke waarden een rol, maar bijvoorbeeld ook de renteontwikkeling of de mate waarin een (solidariteits)reserve ingezet kan worden.
6.
Vraag 65 pagina 82. Zou de Minister alsnog de vraag willen beantwoorden?
De leden van de fractie van 50PLUS vragen in hoeverre het toekennen van een overrendement gelijk aan de werkelijke inflatie afwijkt van het toekennen van een beschermingsrendement voor het verstrijken van de tijd. Ik heb daarop aangegeven dat het beschermingsrendement voor het verstrijken van de tijd bestaat uit een risicovrije rentevergoeding. Dat is gebaseerd op een veilige, vastrentende belegging. Dat is iets anders dan een overrendement toekennen op basis van de inflatie. Toekennen van overrendement op basis van inflatie zou betekenen dat degenen die het risico lopen hiervoor niet het bijbehorende rendement krijgen. Er ontstaat dus een bepaalde mate van herverdeling tussen degenen die het risico lopen en degenen die een vergoeding ontvangen. Dit is niet het geval bij het beschermingsrendement.
7.
Vraag 66 pagina 82.
a) Zou de Minister alsnog de vraag of nominale stabiliteit geen schijnzekerheid is, willen beantwoorden?
b) En ook de vraag beantwoorden of «nominale stabiliteit» nog nodig is als «reële stabiliteit» in voldoende mate kan worden geboden?
Hiermee worden beide sub-vragen beantwoord.
Nominale stabiliteit zegt iets over de verwachte ontwikkeling van de hoogte van het pensioen. Die stabiliteit kan in verschillende gradaties worden geboden via nominale beschermingsrendementen. Daarbij is geen sprake van schijnzekerheid, juist omdat het beschermingsrendement nominale stabiliteit mogelijk maakt.
Bij de vraag in hoeverre nominale stabiliteit nog nodig is als reële stabiliteit in voldoende mate kan worden geboden, hangt het ervan af wat de leden van de fractie van 50PLUS bedoelen met «voldoende mate». Zoals aangegeven is volledige reële stabiliteit voor alle deelnemers en pensioengerechtigden en in alle omstandigheden het mooiste, maar om dit te kunnen bieden zijn voldoende reële beleggingen noodzakelijk en die zijn helaas niet beschikbaar.
8.
Vraag 67 pagina 82. De Minister schrijft in haar antwoord «Het pensioenfonds zal een afweging maken tussen het belang van een zeker pensioen ten opzichte van het belang van eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen ...».
a) Bedoelt de Minister met «het belang van een zeker pensioen» het belang van een nominaal pensioen?
b) Moet uit die zin de conclusie getrokken worden dat een pensioenfonds alleen kijkt, of hoeft te kijken, naar «een eerder perspectief op koopkracht», maar niet naar «het perspectief op koopkracht» sec?
Hiermee worden beide sub-vragen beantwoord.
Met het belang van een zeker pensioen doel ik inderdaad op de mate van nominale stabiliteit. Het pensioenfonds zal een afweging maken tussen het belang van een zeker pensioen ten opzichte van het belang van eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen op het moment dat zij een beslissing hierover neemt. Overigens is het uiteraard niet zo dat de beslissing over het te lopen beleggingsrisico zo geïsoleerd wordt genomen als de vragensteller hier doet vermoeden. Zo zullen ook de economische omstandigheden in ogenschouw worden genomen, waaronder de rente en de inflatie en dat zij meerdere instrumenten voor inflatiebescherming tot haar beschikking heeft. Het is aan het pensioenfonds hoe hij deze afweging maakt.
9.
Vraag 68 pagina 82. Deze vraag is anders beantwoord dan bedoeld. Bedoeld is of het is toegestaan om binnen één cohort onderscheid te maken tussen deelnemers met veel pensioenvermogen en dus een hoge pensioenuitkering en deelnemers met weinig pensioenvermogen en dus een lage pensioenuitkering.
Zou de Minister deze vraag alsnog willen beantwoorden?
In vraag 68 is gevraagd of het is toegestaan om in een pensioenfonds de sterftekansen in de uitkeringsfase afhankelijk te maken van de hoogte van de uitkeringen. U geeft nu aan dat bedoeld is hierbij binnen één cohort onderscheid te maken tussen deelnemers met veel pensioenvermogen en dus een hoge pensioenuitkering, en deelnemers met weinig pensioenvermogen en dus een lage pensioenuitkering. De sterftekansen worden genderneutraal naar leeftijd vastgesteld, en daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het vermogen waarover deelnemers beschikken.
10.
Vraag 70 pagina 82. Met het antwoord van de Minister worden geen van de deelvragen beantwoord.
a) Zou de Minister alsnog de deelvragen, vraag voor vraag, willen beantwoorden?
b) Volgt uit het antwoord van de Minister dat het hierbij van belang is dat dezelfde veronderstellingen worden gebruikt en dat zij het onbelangrijk vindt of de veronderstellingen ook realistisch zijn?
Hiermee worden beide sub-vragen beantwoord.
Met het antwoord heb ik aan willen geven dat voor een goede vergelijking van contracten het van belang is dat voor beide contracten dezelfde veronderstellingen worden gehanteerd. Over het algemeen kan worden gesteld dat de nieuwe pensioencontracten een eerder perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen doordat bij de nieuwe contracten er geen genoeg- is-genoeg principe geldt waardoor bij hoge dekkingsgraden eerst buffers dienden te worden gevuld voordat geïndexeerd kon worden. Uiteraard is het van belang dat de veronderstellingen die gehanteerd worden realistisch zijn. Dat dit hier ook het geval is, volgt onder meer uit het feit dat de meer recente DNB-studie12 de uitkomsten van deze Netspar design paper bevestigd.
In het Netspar Design paper 203 wordt het huidige FTK-contract vergeleken met de solidaire premieregeling. Om een vergelijking te kunnen maken, is het van belang dat met betrekking tot economische variabelen, hoogte van premies en de uitgangspositie van het pensioenfonds dezelfde veronderstellingen gelden. Dat is in deze studie het geval. Daarbij is in het onderzoek ook gekeken naar de gevoeligheid van de uitkomsten voor een dekkingsgraad onder de 100%. Dit veranderde de hoofdconclusies niet.
11.
Vraag 71 Pagina 83. In haar antwoord geeft de Minister aan dat een koopkrachtgerichte sturing een probleem is omdat de marktprijzen niet beschikbaar zijn. Zowel de Commissie Parameters, alsook de Minister hebben eerder aangegeven dat een inflatie verwachting van 2%, gebaseerd op de doelstelling van de ECB, een realistische aanname is. Als deze aanname breed gedragen wordt, zou het hanteren van de 2% doelstelling dan geen beter en consequenter alternatief zijn, in plaats van uit te gaan van beperkte en volatiele marktinformatie?
Bij het toedelen van het rendement aan de persoonlijke vermogens is het uitgangspunt dat degene die het risico draagt ook de beloning krijgt voor het dragen van het risico. Om dit uitgangspunt aangaande de bescherming tegen het inflatierisico te borgen, is een objectieve evenwichtsprijs nodig gebaseerd op marktinformatie. Deze is voor het inflatierisico niet beschikbaar. Uitgaan van een vaste inflatieverwachting, zoals vragensteller suggereert, van 2% introduceert herverdeling en zal tot een hernieuwd generatiedebat over de verdeling van het collectieve fondsvermogen leiden. Overigens is binnen de solidariteitsreserve herverdeling wel mogelijk en kan wel inflatiebescherming worden gegeven mits van tevoren wordt aangegeven bij welk niveau van inflatie deze bescherming wordt gegeven.
12.
Vraag 72 pagina 84. Het antwoord van de Minister is geen antwoord op de vraag.
Zou de Minister alsnog de oorspronkelijke vraag willen beantwoorden?
Er is gevraagd naar op welke punten de uitkeringen in de Wtp worden beïnvloed door nominaal gerichte wetgeving en welke door koopkrachtgerichte wetgeving. Aanvullend is gevraagd of het streven naar nominale zekerheid in voldoende mate wordt beperkt om een koopkrachtig pensioen mogelijk te maken.
In het nieuwe pensioenstelsel wordt er geen nominale toezegging gedaan zoals dat in het huidige pensioenstelsel het geval is. In het nieuwe pensioenstelsel zijn de buffers kleiner en worden overrendementen eerder toebedeeld aan deelnemers en gepensioneerden. Tegelijkertijd geldt dat de solidariteitsreserve meer zekerheid kan bieden wanneer resultaten tegenvallen en er kan door risicodeling een beter resultaat worden behaald. Er is daarom gekozen dat de reserves een omvang hebben van maximaal 15% van het pensioenfondsvermogen. Hiermee is een balans gevonden tussen ambitie, zekerheid en betaalbaarheid van pensioenen. Hierdoor is voldoende mogelijk gemaakt om eerder perspectief te bieden op een koopkrachtig pensioen. Dit is geregeld in artikelen 10a, 10b, 10d en 10e van de Pensioenwet.
13.
Vraag 73 pagina 84. Bij de beantwoording van de vraag geeft de Minister aan dat haar niet duidelijk is waarom niet naar berekeningen met de KNW (1,5%)-scenarioset en APG Market Implied scenarioset verwezen zou kunnen worden.
a) Is de Minister bekend met de inflatie die in deze scenarioset is gebruikt?
Ja, daar ben ik mee bekend. Zoals opgenomen in de CPB-notitie13 is in de Market Implied scenarioset (P-scenarioset) van APG de gemiddelde prijsinflatie op lange termijn 1,1%, 90% van de scenario’s in de scenarioset heeft een prijsinflatie tussen -0,5% en 3%. In de KNW(1,5%)-scenarioset is de gemiddelde prijsinflatie op lange termijn 1,3%, 90% van de scenario’s zit tussen 0,7% en 1,8%.
b) Is het de Minister bekend dat de inflatie in deze scenariosets ruim onder de gerealiseerde inflatie in de perioden 1997–2020 ligt?
Ja, daar ben ik mee bekend. Ik wijs erop dat de scenariosets als doel hebben om een realistische weergave te geven van toekomstige ontwikkelingen. De genoemde scenariosets werden op dat moment als een accurate verwachting van de toekomstige ontwikkelingen gezien. Tevens wijs ik erop dat de in deze vraag genoemde berekeningen, en daarmee de genoemde scenariosets, niet de enige berekeningen zijn die gebruikt zijn voor de onderbouwing van de Wet toekomst pensioenen. In de berekeningen van DNB van december 202214 zijn de scenariosets gehanteerd zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022. De Commissie heeft de scenariosets zodanig gekalibreerd dat de scenario’s aansluiten bij de ramingen van het CPB voor de Nederlandse inflatie. Hierdoor wordt bij de genoemde berekeningen rekening gehouden met de huidige hoge inflatie en toekomstige inschattingen van de inflatie. Deze meest recente berekeningen, alsmede de eerdere berekeningen van het CPB en diverse andere berekeningen van onder andere Netspar en Ortec zijn gebruikt voor de kwantitatieve onderbouwing van de Wet toekomst pensioenen.
c) Is het de Minister bekend dat de gebruikte inflatie in deze scenariosets ruim onder elke 10-jaarsperiode vanaf 1900 ligt?
Ja, daar ben ik mee bekend. Wel merk ik op dat de inflatie voor de afgelopen 100 jaar niet gelijk is aan de voorspelling voor de inflatie die opgenomen is in een scenarioset. Dat is te verklaren, doordat de Commissie zich voor de verwachte inflatie op de lange termijn aansluit bij de 2% inflatiedoelstelling van de ECB. De ECB streeft naar prijsstabiliteit in de vorm van een inflatie van 2% voor eurolanden en naar mening van de Commissie beschikt de ECB binnen haar mandaat over verschillende instrumenten om een langdurige afwijking van de inflatiedoelstelling te bestrijden. Daarmee is er sprake van een wezenlijk andere situatie dan de afgelopen 100 jaar het geval was, waarmee de oudere data van voordat de ECB werd opgericht niet representatief wordt geacht voor de toekomst.
d) Is het de Minister bekend dat deze scenariosets op dit punt dus onrealistisch zijn?
Zoals bij antwoord 13b van 50PLUS aangegeven, ben ik van mening dat de betreffende scenariosets op het moment van de berekeningen een realistische inschatting gaven van de toekomstige verwachtingen. Zoals tevens in antwoord 13b aangegeven, is bij de meest recente berekeningen gerekend met scenariosets zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022.
e) Is het de Minister bekend dat van de APG scenarioset buiten de inflatie geen ander informatie publiek bekend is gemaakt?
In de antwoorden van 20 april 2023 op vragen 199, 200, 201 en 20215 heb ik reeds het een en ander toegelicht over de APG scenarioset. Zo is naast de inflatie bekend dat de APG scenarioset zo goed als mogelijk aansluit bij de marktprijzen ultimo december 2019 en is het jaarlijks cumulatief aandelenrendement op de lange termijn gelijk aan 5,6% (mediaan is 5,7%).16
f) Vindt de Minister het verantwoord dat de Eerste Kamer een besluit over het voorliggend wetsvoorstel neemt op basis van blijkbaar onbekende uitgangspunten?
Zoals bij antwoord 13b van 50PLUS aangegeven, zijn er gedurende de uitwerking van het pensioenakkoord alsmede gedurende de uitwerking van de Wet toekomst pensioenen door meerdere partijen berekeningen gemaakt waarmee inzage wordt geboden in de te verwachte transitie-effecten en de werking van het nieuwe pensioencontract. Deze berekeningen zijn met verschillende scenariosets in kaart gebracht, waarbij telkens is aangesloten bij de actuele inzichten en verwachtingen. Ter nuancering merk ik hierbij op dat niemand de toekomst kan voorspellen. Dit geldt zowel voor uitkomsten bij de bestaande pensioenovereenkomsten, als voor uitkomsten onder het nieuwe pensioencontract. Wel ben ik van mening dat voldoende inzichtelijk is gemaakt hoe de nieuwe pensioencontracten onder verschillende scenario’s naar verwachting uitpakken (in verhouding tot de bestaande pensioencontracten).
g) Vindt de Minister het verantwoord dat de Eerste Kamer een besluit neemt op basis van berekeningen met onrealistische uitgangspunten?
Er is geen sprake van onrealistische uitgangspunten. Zoals in het antwoord op vraag 13f opgenomen, is voor de onderbouwing van de Wet toekomst pensioenen gekeken naar een substantieel aantal berekeningen van diverse partijen. Deze partijen hebben allemaal gerekend met op dat moment realistische aannames voor diverse economische variabelen, waaronder de inflatie. Zo is in de eerder in deze vraag genoemde berekeningen van DNB van december 2022 gebruik gemaakt van de scenariosets zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022. De Commissie heeft de scenariosets zodanig gekalibreerd dat de scenario’s aansluiten bij de ramingen van het CPB voor de Nederlandse inflatie. Hierdoor wordt bij de genoemde berekeningen rekening gehouden met de huidige hoge inflatie en toekomstige inschattingen van de inflatie.
h) Wil de Minister deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
14.
Vraag 74 pagina 84. Wilt u de vraag nog een keer beantwoorden, maar dan zonder gebruik te maken van de inmiddels gedateerde berekeningen gebaseerd op de KNW (1,5%)-scenarioset of de APG Market Implied scenarioset?
Afgelopen december heeft DNB doorrekeningen gemaakt met de nieuwe scenariosets. Deze berekeningen zijn ook gedeeld met uw Kamer. In de berekeningen blijkt dat beide invaarmethodes de verwachte reële pensioenuitkeringen in de solidaire premieregeling toenemen bij een brede range aan dekkingsgraadniveaus ten opzichte van het huidige FTK-contract.
15.
Vraag 75 pagina 85. In het antwoord van de Minister wordt voorbijgegaan aan het feit dat bij een dekkingsgraad van 120% een pensioenfonds in het huidige stelsel ook bij een negatief rendement kan indexeren, terwijl bij een negatief rendement onder de Wtp de pensioenen omlaag zullen gaan. Het eerdere perspectief is dan vooral het eerder perspectief op verlagingen. Kan de Minister bevestigen dat het eerdere perspectief bij hoge dekkingsgraden vooral een eerder perspectief op verlagingen is?
In het antwoord is aangegeven dat het nieuwe pensioenstelsel bij (hele) hoge dekkingsgraden ook meer ruimte biedt voor pensioenverhogingen, omdat er geen sprake meer is van een fiscale begrenzing op de maximale indexatie (het zogenoemde «genoeg-is-genoeg» principe wordt losgelaten). Ook bij hoge dekkingsgraden is er dus eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen, de stelling in de vraag gaat niet op. Tevens geldt ook dat bij hogere dekkingsgraden pensioenfondsen in het nieuwe pensioenstelsel voldoende mogelijkheden hebben om eventuele negatieve rendementen te compenseren door bijvoorbeeld spreiding van resultaten en door het inzetten van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve om financiële schokken op te vangen.
16.
Vraag 76 pagina 85. In haar antwoord geeft de Minister aan dat deelnemers net als nu inzicht krijgen in de verwachte pensioenuitkering tijdens pensionering. Op dit moment krijgen deelnemers via het UPO slechts inzicht in de pensioenuitkering op het moment van pensionering. Het inzicht in de ontwikkeling van het (reëel) pensioen daarna ontbreekt.
a) Deelt de Minister deze constatering?
b) Is de Minister bereid om deelnemers en gepensioneerden alsnog en ook jaarlijks inzicht te geven in de ontwikkeling van hun pensioen na pensionering en gedurende hun pensioneringsperiode?
c) Zo ja, hoe wil zij dit realiseren?
Hiermee worden alle sub-vragen beantwoord.
Met dit antwoord worden alle deelvragen van vraag 16 beantwoord. Het is inderdaad van belang dat mensen weten in welke mate hun toekomstig pensioen koopkracht behoudt. Voor actieve en gewezen deelnemers wordt vooruitgekeken tot de pensioendatum. Voor pensioengerechtigden, met een reeds ingegaan pensioen, wordt tien jaar vooruitgekeken, zolang de pensioengerechtigde niet ouder is dan 95 jaar.
Het behoud van de koopkracht wordt getoond met drie bedragen: het verwacht pensioen op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario. Bij de berekening van de bedragen wordt ook rekening gehouden met de inflatieverwachting en met de mogelijkheden die de pensioenuitvoerder heeft om het pensioen in de toekomst te verhogen; het laat dus zien hoe de koopkracht van het pensioen zich ontwikkelt.
De mate van onzekerheid in deze berekeningen wordt groter naarmate verder in de toekomst gerekend moet worden. Om die reden is bij de vooruitblik voor bovengenoemde horizon gekozen. Deze rekenmethode is voorgeschreven zodat de verwachte pensioenbedragen, die een deelnemer of pensioengerechtigde mogelijk heeft bij verschillende pensioenuitvoerders, op een correcte wijze opgeteld kunnen worden.
17.
Vraag 77 pagina 86. In haar antwoord geeft de Minister aan dat in de solidaire regeling rekening gehouden moet worden met leeftijdscohorten.
a) Zijn er ook andere risicogroepenindelingen dan leeftijdscohorten mogelijk?
Zoals bijvoorbeeld risicogroepen o.b.v. status (deelnemer, slaper, gepensioneerd), inkomen, veel of weinig achterliggende diensttijd).
b) Zo ja, is het aantal risicogroepen of cohorten beperkt? Of kunnen er bijvoorbeeld enkele honderden cohorten gemaakt worden?
Hiermee worden beide sub-vragen beantwoord.
Bij de risicohouding heeft een pensioenfonds de mogelijkheid binnen een leeftijdscohort groepen op basis van andere kenmerken dan leeftijd te onderscheiden. Een leeftijdscohort heeft een maximale omvang van vijf geboortejaren. In afwijking hiervan kan een leeftijdscohort betrekking hebben op een groter aantal geboortejaren indien de pensioenuitvoerder op basis van het risicopreferentie-onderzoek, de deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten onderbouwt dat dit in het belang is van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden.
18.
Vraag 83 pagina 87.
a) Betekent het antwoord dat pensioenfondsen een minimum solidariteitsreserve, die groter is dan nul, moeten aanhouden om een eventueel negatief vermogen aan te kunnen vullen?
b) Kunt u ook aangeven hoe groet deze minimum solidariteitsreserve in procenten moet zijn?
c) Wat zijn de gevolgen als een fonds dan onder dit minimum zakt?
d) Moet in dat geval dan de solidariteitsreserve worden aangevuld, en zo ja waaruit?
e) Of moet de mate waarin de leenrestrictie wordt opgeheven dan beperkt worden?
Hiermee worden alle sub-vragen beantwoord.
Met dit antwoord worden alle deelvragen van vraag 18 beantwoord. Als een pensioenfonds besluit om de leenrestrictie op te heffen dan geldt hiervoor dat dit in lijn moet zijn met de risicohouding en dat het pensioenfonds voldoet aan de aanvullende voorwaarden. Namelijk dat er bij tussentijdse beëindiging en aan het einde van het kalenderjaar geen negatief vermogen is van de deelnemer.
Aanvullend is geregeld dat de uitvoerder regels vastlegt waarin wordt beschreven op welke wijze negatieve pensioenvermogens of kapitalen worden voorkomen waarbij verdeelregels worden vastgesteld voor de verschillende bronnen.
Als het pensioenfonds de solidariteitsreserve aanmerkt als bron om negatieve vermogens te voorkomen zal ook aangetoond moeten worden welke omvang van de reserve aanwezig dient te zijn. Hoe groot dat is hangt af van de mate waarin de leenrestrictie wordt opgeheven. Voor de opheffing van de leenrestrictie geldt een maximale blootstelling aan beleggingsrisico van 150%.
Voor de solidariteitsreserve geldt verder in algemene zin dat de pensioenuitvoerder vooraf regels vaststelt voor de doelstellingen van de solidariteitsreserve en het vullen en uitdelen uit de solidariteitsreserve. Deze moeten ook onderling consistent zijn, dat betekent dat de pensioenuitvoerder regels zal moeten vaststellen die voorkomen dat de solidariteitsreserve structureel tekortschiet. De solidariteitsreserve kan gevuld worden uit premie en/of overrendement.
19.
Vraag 84 pagina 87. Eerder heeft de Minister aangegeven dat kortingen van meer dan 100% in het huidige stelsel ook voorkomen. Bij het beantwoorden van deze vraag geeft de Minister aan dat de grootste korting die haar bekend is 3,6% bedraagt. Kan de Minister aangeven op grond van welke informatie zij de eerdergenoemde kortingen van meer dan 100% baseert?
Onduidelijk is aan welke uitspraak de vraagsteller refereert wanneer wordt gesproken over kortingen van meer dan 100%. Zoals aangegeven in de nadere memorie van antwoord is de grootste korting bij één van de 25 grootste pensioenfondsen naar totale deelnemersaantal de korting van pensioenfonds Wonen van 3,6% in 2014 geweest.17
20.
Vraag 85 pagina 87. In haar antwoord geeft de Minister aan dat zij de genoemde formule niet herkent. Op pagina 64 van de memorie van toelichting staat in de tabel onder het kopje «leeftijdsafhankelijke toedeling overrendement» de volgende formule: «LC(i) = F/[F+H] x [Fi+Hi]/Fi». Zou de Minister nu duidelijk is naar welke formule verwezen wordt, deze vraag alsnog willen beantwoorden?
Uw oorspronkelijke vraag was of de LC(i)-formule genoemd in de memorie van toelichting bij het onderliggende wetsvoorstel leidt tot een toedeling van 1600% aan jongere leeftijdscohorten. Deze formule leidt niet per definitie tot een risicotoedeling van 1600% aan leeftijdscohorten. Deze formule zorgt ervoor dat overrendement gelijkelijk wordt toebedeeld naar het verwachte pensioen. Het betreft hier de toedelingsfactor van overrendement (LC) per leeftijdscohort i. F is het huidige vermogen. H is de contant waarde van de toekomstige premies. Het overrendement wordt toegedeeld door het product van de verhouding tussen het vermogen F van het pensioenfonds en het vermogen F(i) van de leeftijdscohort i en de verhouding tussen de som van het vermogen van leeftijdscohort i F(i) en de toekomstige contante waarde van de premies van het leeftijdscohort i H(i) en de som van het vermogen van het pensioenfonds F en de toekomstige contante waarde van de premies van het pensioenfonds H. Kortom, het relatieve aandeel dat een leeftijdscohort i heeft in het vermogen en de contante waarde van de toekomstige premies van een pensioenfonds, bepaalt de toedeling van het overrendement in deze formule.
21.
Antwoord 87 pagina 88. In haar antwoord geeft de Minister aan dat pensioendoelstellingen kwalitatief en niet kwantitatief getoetst zijn. Eerder heeft de Minister bij de «Beantwoording vragen over de uitwerking van het pensioenakkoord» van 10-7-2020 geantwoord dat: «Zoals in de hoofdlijnennotitie is beschreven gaan het kabinet en de werkgevers- en werknemers-organisaties ervan uit dat de in het SER-advies genoemde doelen in het nieuwe pensioenstelsel in voldoende mate kunnen worden behaald. Zij zullen dit blijven monitoren.»18
a) Hoe gaat de Minister de koopkrachtdoelstelling monitoren zonder kwantitatieve normen?
b) Wil de Minister hiermee zeggen dat er voor de koopkrachtdoelstelling geen kwalitatieve, maar alleen kwalitatieve normen bestaan?
c) Hoe willen de Minister, de werkgevers- en werknemersorganisaties nu gaan beoordelen dat de (koopkracht)doelstellingen in voldoende mate kunnen worden behaald?
d) Betekent dit dat de Minister geen voldoende beeld heeft of over het geheel genomen de Wtp na pensionering een koopkrachtiger pensioen oplevert? En zo ja, rechtvaardigt een dergelijk onvoldoende beeld wel de besluitvorming inzake een transitie naar de Wtp?
Hiermee worden alle deelvragen van vraag 21 beantwoord.
Het is goed om op te merken dat het wetsvoorstel toekomst pensioenen geen kwantitatieve koopkrachtdoelstelling formuleert, zoals in de vraag wordt gesuggereerd. Er is zodoende dus geen kwantitatieve maatstaf of norm die nagekomen moet worden. Als dat wel het geval zou zijn, zouden er immers beloften moeten worden gedaan aan deelnemers en gepensioneerden die ook met een bepaalde mate van zekerheid nagekomen moeten worden. Dit zou leiden tot het aanhouden van hoge, verplichte buffers, die eerst gevuld moeten worden – en op niveau moeten blijven – alvorens pensioenen verhoogd kunnen worden. Dat zou in grote mate neerkomen op voortzetting van de huidige praktijk, waarvan we hebben gezien dat de gewekte verwachtingen al geruime tijd niet kunnen worden waargemaakt.
Dat er geen kwantitatieve koopkrachtdoelstelling is opgelegd, betekent echter niet dat ik onvoldoende beeld heb of over het geheel genomen het nieuwe pensioenstelsel na pensionering eerder perspectief op een koopkrachtiger pensioen oplevert. Voor de doelstelling «eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen» geldt dat de vormgeving van de nieuwe pensioencontracten ertoe leidt dat gerealiseerde rendementen eerder beschikbaar komen voor het verhogen van de pensioenen en de opgebouwde pensioenkapitalen. Dit volgt ook uit de berekeningen die door verschillende partijen (zoals het Centraal Planbureau, De Nederlandsche Bank, Netspar, verschillende pensioenfondsen en verschillende pensioenadviseurs) gemaakt zijn in het kader van het wetsvoorstel toekomst pensioenen en eerder in het kader van het pensioenakkoord en de hoofdlijnennotitie. De hoofdlijn van deze berekeningen is dat de lagere buffereisen in de nieuwe pensioencontracten ervoor zorgen dat overrendementen eerder tot uiting komen in verhogingen van de pensioenuitkeringen in de nieuwe pensioencontracten.
Over de wijze waarop de doelstellingen van het wetsvoorstel toekomst pensioenen, zoals «eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen», «een transparanter en meer persoonlijker pensioenstelsel» en een «betere aansluiting bij ontwikkelingen in de samenleving en op de arbeidsmarkt», worden gemonitord zal ik zoals aan de Tweede Kamer toegezegd, voor de zomer een plan van aanpak sturen.19
22.
Antwoord 88 en 89 pagina 89. Zoals bij de vraag op Antwoord 73 hierboven aangegeven, zijn de berekeningen op de KNW (1,5%) scenarioset en de APG scenarioset gebaseerd op onrealistische uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld een onrealistische lage inflatie. De conclusies die op basis van berekeningen met deze scenariosets zijn getrokken, kunnen dan ook niet als onderbouwing voor de Wet toekomst pensioenen genomen worden.
a) Welke rapporten die voor de onderbouwing van de Wet toekomst pensioenen gebruikt zijn, zijn op één van de twee bovengenoemde rapporten gebaseerd?
Ik ga ervan uit dat de vragensteller wil weten bij welke berekeningen gebruik is gemaakt van de KNW (1,5%) scenarioset en de APG scenarioset. In de CPB berekeningen van juni 202020 is gebruik gemaakt van de Market Implied scenarioset van APG (december 2019, waarbij het uitgangspunt is dat voor de toekomst zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de marktprijzen van ultimo december 2019) en de KNW (1,5%) scenarioset. Bij DNB-berekeningen tot en met de zomer van 2022 is gerekend met de scenarioset zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2019. Bij de laatste DNB-berekeningen van december 2022, alsmede de berekeningen van diverse pensioenfondsen van december 2022, is gerekend met de scenarioset zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022.21
b) Welke conclusies zijn daar uit getrokken?
Deze studies boden inzicht in de verwachte werking van de nieuwe pensioencontracten (bij verschillende scenario’s) afgezet tegen het bestaande ftk-contract. Het CPB constateerde dat door de combinatie van sneller uitdelen (als gevolg van lagere buffereisen) en minder blootstelling aan schokken in de rente met een lange looptijd (als gevolg van meer ruimte voor maatwerk in toedeling van risico’s) oudere cohorten er gemiddeld genomen op vooruit gaan in het zogenoemde «doorontwikkelde contract» (later: de solidaire premieregeling). Een van de andere conclusies was dat het gericht toedelen uit de solidariteitsreserve potentieel welvaartsverhogend kan zijn. Nadere studies naar de werking van de solidariteitsreserve van onder meer Ortec bevestigen dat laatste beeld.
c) Is de Minister bereid deze berekeningen opnieuw op realistische en actuele scenariosets te laten berekenen?
Zoals eerder aangegeven hebben DNB en enkele pensioenfondsen bij de meest recente berekeningen van december 202222 de scenariosets gehanteerd zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022.
23.
Antwoord 90 pagina 89.
Zou de Minister alsnog antwoord willen geven op de gestelde vraag?
De vraag was of door het toevoegen van nominale zekerheid het hinken op twee gedachten niet in stand wordt gehouden of juist wordt versterkt. Het nieuwe pensioenstelsel hinkt niet op twee gedachten. Er is juist eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen door de vereisten voor nominale zekerheid los te laten.
Aanvullend was de vraag of dit ook van toepassing is bij de huidige dekkingsgraden. Ook bij de huidige dekkingsgraden is dat het geval omdat onder reguliere ftk-regels maar beperkte indexaties kunnen plaatsvinden. De (hoge) indexaties die in 2022 en 2023 door diverse pensioenfondsen zijn toegekend, zijn grotendeels mogelijk omdat de regels voor indexatie zijn versoepeld, in de geest van het nieuwe pensioenstelsel. De versoepelde regels zouden niet gelden zonder het nieuwe pensioenstelsel. In dat geval was de ruimte voor indexatie het afgelopen jaar aanzienlijk beperkter geweest.
24.
Antwoord 91 pagina 90. In haar antwoord geeft de Minister aan dat bescherming tegen onverwachte inflatie niet mogelijk is. Geeft de Minister hiermee impliciet aan dat bescherming tegen verwachte inflatie wel mogelijk is?
a) Zo ja hoe definieert de Minister dan het verschil tussen verwachte en onverwachte inflatie?
b) Is het wel mogelijk om inflatie toe te kennen op basis van overrendement in plaats van beschermingsrendement?
Hiermee worden beide sub-vragen beantwoord.
Met dit antwoord worden alle deelvragen van vraag 24 beantwoord. Inflatie bestaat uit een vooraf verwachte inflatie en een vooraf niet-verwachte inflatie. Aangezien in de rentevergoeding op staatsobligaties reeds een vergoeding besloten ligt van de verwachte inflatie, biedt het beschermingsrendement voor renterisico reeds bescherming tegen verwachte inflatie, zoals deze verwacht wordt door de markt. De rentevergoeding biedt geen bescherming tegen onverwachte inflatie. Toekennen van overrendement op basis van inflatie zou betekenen dat degenen die het risico lopen hiervoor niet het rendement krijgen. Er ontstaat dus een bepaalde mate van herverdeling tussen degenen die het risico lopen en degenen die een vergoeding ontvangen. Een indirect beschermingsrendement voor inflatie is niet mogelijk zonder herverdeling door het ontbreken van een objectieve verdeelsleutel op basis van marktinformatie.
25.
Antwoord 92 op pagina 90. In dit antwoord geeft de Minister aan dat de verwachte inflatievergoeding al in de rentevergoeding van staatsobligaties besloten is.
Zou het in dat geval niet logischer zijn om het projectierendement te baseren op de reële rente en niet op de nominale rente? Ook als de inflatie hoger is dan 2%, zijnde de maximale afslag op het projectierendement?
Het pensioenfonds heeft de mogelijkheid om een opslag te hanteren op de rentetermijnstructuur om daarmee toekomstige onverwachte inflatie op te vangen. Deze opslag kan ook tijdsvariabel en looptijdafhankelijk zijn.
26.
Antwoord 95 op pagina 91. Betekent dit antwoord dat op één moment verschillende gepensioneerden een verschillend projectierendement kunnen hebben afhankelijk van de datum van pensionering?
Op één moment kunnen verschillende gepensioneerden een verschillend projectierendement hebben afhankelijk van de datum van pensionering, omdat er een verschil bestaat in de verwachte uitkeringsduur. Wel zal dit projectierendement gebaseerd zijn op dezelfde rentetermijnstructuur, namelijk zoals DNB die op dat moment gepubliceerd heeft. Dezelfde curve van de rentetermijnstructuur geldt dus voor alle gepensioneerden, maar zij kunnen wel op verschillende plekken op die curve zitten.
27.
Antwoord 97 op pagina 91. Bij dit antwoord geeft de Minister aan dat artikel 1d niet specifiek betrekking heeft op de leenrestrictie. Dat is opvallend omdat de titel van dit artikel is «Opheffing leenrestrictie». De subartikelen hebben betrekking op de onderbouwing van de leenrestrictie of de gevolgen van de leenrestrictie. De collectieve uitkeringsfase waar dit artikel volgens de Minister betrekking op heeft wordt in het geheel niet genoemd.
Kan de Minister de vraag alsnog beantwoorden?
Uw vraag was «Kan de regering aangeven hoe dit bij deze vraag betrekking heeft op de informatievoorziening richting gepensioneerden?» Artikel 1d heeft als kop «Herverdelingseffecten» en artikel 1e heeft als kop «Opheffing leenrestrictie». Ik begrijp dat u wilt weten hoe gepensioneerden geïnformeerd worden over het opheffen van de leenrestrictie. Het pensioenfonds dient in het pensioenreglement de toedelingsregels van overrendement vooraf vast te leggen. Deze dient beschikbaar te worden gemaakt door het pensioenfonds voor alle deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden.
28.
Antwoord 103 pagina 93.
Zou de Minister de vraag met betrekking tot de AFM alsnog willen beantwoorden?
Zoals in het antwoord op de oorspronkelijke vraag is aangegeven gaat het bij de blootstelling van meer dan 100% aan zakelijke waardenrisico om de afruil tussen de kans op een hoger toekomstig pensioenresultaat en de kans op een negatief persoonlijk pensioenvermogen. Met de begrenzing op de opheffing van de leenrestrictie op 150% is naar mijn mening daar een goede balans in gevonden. Het opheffen van de leenrestrictie is iets anders dan beleggingsproducten met een hefboomwerking, omdat als gevolg van beleggen met geleend geld sprake kan zijn van een negatief vermogen. Bij het opheffen van de leenrestrictie is gewaarborgd dat dit niet het geval is. Daarmee is de opheffing van de leenrestrictie consistent met het toezicht van de AFM.
29.
De commissie parameters 2019 ging bij de kalibratie van de scenarioset uit van een risicopremie op aandelen van 4,33%. Deze staat ook vermeld op de laatste pagina van hun rapport.23 Eerder dit jaar heeft DNB de scenarioset voor het eerste kwartaal en voor het tweede kwartaal gepubliceerd.
a) Klopt het dat de risicopremie op aandelen in deze twee sets achtereenvolgens 6,56% en 6,29% bedraagt?
Ja, dat klopt.
b) Kan de Minister aangeven wat het effect van deze (hogere) risicopremie is op het rendement op aandelen in de eerste jaren van de scenariosets?
Het verschil in deze parameter heeft geen impact op het meetkundig gemiddelde aandelenrendement op lange termijn. Deze is voor de twee in vraag 29a genoemde scenariosets gelijk aan 5,2%, zoals ook uit vergelijking (41) uit de technische appendix bij het rapport van de Commissie Parameters 2022 blijkt.24 Een lagere risicopremie heeft enkel tot gevolg dat het verwachte overrendement lager ligt.
c) Kan de Minister aangeven waarom deze risicopremie hoger is dan de lange termijn rendementsverwachting op aandelen van 5,2% netto?
Uit komt door het verschil tussen het meetkundig gemiddeld en rekenkundig gemiddeld aandelenrendement. De Commissie legt een restrictie op via het lange termijn meetkundig gemiddeld aandelenrendement. De vergelijking (41) in de Appendix van het rapport laat zien dat het meetkundig gemiddelde gelijk is aan de lange termijn korte rente plus een risicopremie minus een correctie voor de variantie van het aandelenrendement. Dit verklaart waarom de risicopremie groter dan het meetkundig gemiddelde van 5,2% kan zijn.
d) Zit hier impliciet de veronderstelling achter dat de risicopremie op lange termijn daalt?
Nee, daar zit de in de vraag genoemde veronderstelling niet achter. Zie het antwoord op vraag 29c hierboven.
30.
In de Wet toekomst pensioenen is het mogelijk om resultaten te spreiden over meerdere jaren om zo de uitkeringen te stabiliseren.
Kan de Minister ook aangeven hoe dit spreidingsmechanisme werkt bij tijdelijke pensioenen, zoals een wezenpensioen, een arbeidsongeschiktheidspensioen of een tijdelijk nabestaandenpensioen in de laatste jaren van de uitkering?
De mate waarin, de wijze waarop en of pensioenfondsen schokken in uitkeringen spreiden voor tijdelijke pensioenen, zoals een wezenpensioen, een arbeidsongeschiktheidspensioen of een tijdelijk nabestaandenpensioen in de laatste jaren van de uitkering, wordt bepaald door het pensioenfonds. Ieder pensioenfonds zal een besluit nemen in hoeverre schokken gespreid worden en zo ja, dan kan de mate waarin van spreiding sprake zal zijn, verschillen. Hierbij zal uiteraard ook rekening gehouden kunnen worden met het tijdelijke karakter van het pensioen.
31.
Na één of meerdere verliezen kan bij tijdelijke pensioenen de situatie ontstaan dat iemands pensioenvermogen nihil zou worden, voordat de einddatum van de uitkering bereikt is. Het gevolg is dat de resterende pensioenuitkeringen niet meer uit iemands pensioenvermogen betaald kunnen worden.
a) Wil de Minister in die situatie toestaan dat iemand een negatief pensioenvermogen krijgt?
b) Of wil de Minister dat in die situatie de uitkeringen ten laste van de solidariteitsreserve worden gebracht?
c) Of wil de Minister in die situatie dat de uitkering stopt voor de einddatum?
d) Ongeacht de antwoorden op bovenstaande vragen, is de Minister het er mee eens dat het spreiden van resultaten bij tijdelijke uitkeringen niet bijdraagt aan de stabiliteit van de uitkeringen in de laatste jaren? En, hoe wil de Minister dit oplossen?
Met dit antwoord worden alle deelvragen van vraag 31 beantwoord. Aan het voorgestelde artikel 1e van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb is een vijfde lid toegevoegd, waarmee is vastgelegd dat aan het einde van het jaar het vermogen niet negatief kan zijn. Pensioenfondsen moeten er voor zorg dragen dat bij de vaststelling van de risicohouding pensioengerechtigden, ook die met tijdelijke pensioenuitkeringen, beleggingsrisico’s toegedeeld krijgen die zij kunnen en willen dragen. Dit betekent dat pensioenfondsen een dusdanig beleggingsrisico moeten toedelen dat bij tijdelijke pensioenen geen sprake zal zijn van geen of een negatief vermogen. Daarnaast geldt dat spreiding van uitkeringen bij tijdelijke pensioenen schokken kunnen dempen en uitkeringen stabiliseren, maar dat de effectiviteit van spreiden geringer zal zijn dan andere type pensioenuitkeringen. Dat komt omdat de looptijd van deze pensioensoorten eindig in de tijd is, in tegenstelling tot een levenslange pensioenuitkering zoals het ouderdomspensioen.
32.
Beleggingsresultaten 2022. Uit het antwoord op vraag 118 van 50PLUS blijkt dat het fonds inderdaad wordt geacht het vermogen dat onder beschermingsrendement valt te beleggen in waarden (in looptijd gematchte obligaties) die dit beschermingsrendement afdekken. Dit betekent dat als een gepensioneerde voor 65% beschermingsrendement en 35% overrendement krijgt toebedeeld, zijn persoonlijke pensioenvermogen ook voor 65% in obligaties en voor 35% in aandelen belegd moet zijn. In 2022 is de rente met 2% gestegen en zijn de aandelen koersen met ongeveer 10% gedaald. De bijgaande tabel geeft aan wat het effect van de rentesprong is op de waardering van de pensioenverplichtingen, wat het totaal rendement op het pensioenvermogen van de deelnemer zou zijn, en welke indexatie daaruit zou volgen. De inflatie over 2022 was, afhankelijk van de peildata tussen de 10% en 15%. Onder de FTK regels heeft ABP met 12% en Bouw met 14% geïndexeerd.
|
Leeftijd |
Resterende levensduur in jaren |
Effect van 2% rentesprong op pensioen verplichting = beschermings-rendement |
Totaal rendement bij beleggings-mix 65% obligaties 35% aandelen |
Indexatie ruimte |
|---|---|---|---|---|
|
67 |
17,7 |
– 17,7% |
– 15,0% |
2,7% |
|
70 |
15,5 |
– 15,5% |
– 13,6% |
1,9% |
|
75 |
11,9 |
– 11,9% |
– 11,3% |
0,7% |
|
80 |
8,9 |
– 8,9% |
– 9,3% |
– 0,4% |
|
85 |
6,4 |
– 7,6% |
– 7,6% |
– 1,3% |
|
90 |
4,5 |
– 4,5% |
– 6,4% |
– 1,9% |
|
95 |
3,2 |
– 3,2% |
– 5,6% |
– 2,4% |
|
100 |
2,5 |
– 2,5% |
– 5,1% |
– 2,6% |
a) Erkent de Minister dat als in de Wtp regels worden toegepast op de beleggingsresultaten van 2022, de pensioenen voor alle deelnemers ouder dan 75 jaar verlaagd hadden moeten worden, dan wel dat ze uit de reserves aangevuld hadden moeten worden?
b) Erkent de Minister dat ook voor de deelnemers jonger dan 75 jaar de indexatie aanmerkelijke lager uit zou vallen dan onder het FTK?
Met dit antwoord worden de deelvragen a en b van vraag 32 beantwoord. In uw vraag beschrijft u een grote financiële schok met een rentestijging van 2%-punt en een aandelenkoersdaling van 10%. Een dergelijke schok heeft effect op het projectierendement en op de rendementen uit beleggingen. In uw beschrijving gaat u daarop in. De effecten van een grote financiële schok voor de ingegane pensioenuitkeringen kunnen in de nieuwe contracten echter worden opgevangen door bijvoorbeeld de toedeling vanuit de solidariteitsreserve of door spreiding van de resultaten over de tijd. Voor een goed inzicht in de effecten van de beschreven financiële schok op ingegane pensioenuitkeringen zouden deze elementen moeten worden meegenomen.
Vooruitlopend op het nieuwe pensioenstelsel zijn de indexatieregels van het FTK versoepeld. Hierdoor is nu al zichtbaar geworden dat in het nieuwe pensioenstelsel eerder perspectief kan worden geboden op een koopkrachtig pensioen. Daarnaast is het van belang op te merken dat de indexatie van ABP en BpfBouw voor alle deelnemers en gepensioneerden geldt.
c) Volgens de gevoeligheidsanalyse van de DNB25 (zie vraag 393 50PLUS eerste ronde en vraag 120 tweede ronde) zou een 35-jarige bij 1% rentestijging zijn verwachte pensioenresultaat met 24% zien stijgen. Bij 2% rentestijging zoals in 2022 zou zijn verwacht pensioen dus met ongeveer 48% zijn gestegen. Is de Minister van mening dat het evenwichtig is dat jonge deelnemers hun verwachte pensioen met bijna 50% zien stijgen, terwijl oudere deelnemers tegelijkertijd worden gekort?
Dit is niet het beeld dat uit de gevoeligheidsanalyse van DNB naar voren komt. In deze doorrekening lijkt het pensioen voor een 35-jarige in het mediane scenario bij toepassing van de standaardmethode in de basisvariant 32% hoger te zijn als onder het ftk het geval zou zijn. Bij een renteschok van +1% daalt dit verschil ten opzichte van het ftk naar 24%, terwijl het verschil ten opzichte van het ftk tijdens een renteschok van -1% stijgt naar 37%. Uit deze berekening blijkt verder dat bij een 80-jarige de overgang naar het nieuwe contract bij toepassing van de standaardmethode in het mediaan scenario leidt tot een 5% hogere uitkering als onder het ftk-contract. Uit de gevoeligheidsanalyse blijkt dat een renteschok van +1% of -1% geen impact heeft op dit bedrag. Let wel: het gaat hier om de relatieve verschillen in uitkeringsniveaus ten opzichte van het FTK, en niet naar absolute uitkeringsniveaus. Absolute uitkeringsniveaus zullen bij een hogere rente hoger zijn dan bij een lagere rente.
d) In diverse voorbeelden wordt ervan uitgegaan dat er voor jonge deelnemers voor 100% of meer in aandelen wordt belegd.
Is de Minister van mening dat het pensioenfonds geloofwaardig is als een jonge deelnemer op zijn UPO ziet dat zijn pensioenvermogen met 10% is afgenomen, dat zijn verwacht pensioen met 48% is verhoogd, en dat hij ziet dat het pensioen van zijn ouders wordt verlaagd?
In het nieuwe pensioenstelsel kunnen risico’s gerichter worden toegedeeld. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de risico’s die mensen kunnen en willen dragen. In de praktijk zal dit er naar verwachting toe leiden dat jongere deelnemers meer risico krijgen toebedeeld dan onder het huidige pensioenstelsel het geval is. Hierbij zijn er ook financiële omstandigheden denkbaar waaronder het verwachte pensioen van jongere deelnemers stijgt, terwijl dat van reeds gepensioneerde deelnemers daalt. Daarbij geldt overigens wel dat de effecten van een grote financiële schok voor de ingegane pensioenuitkeringen in de nieuwe contracten ook kunnen worden opgevangen door de toedeling vanuit de solidariteitsreserve of door spreiding van de resultaten over de tijd.
33.
In de laatste berekeningen van DNB is de aandelenexposure van jongeren teruggebracht van (meer dan) 1600% naar 150%. De Minister heeft in een brief aan de heer Omtzigt toegelicht: «DNB heeft ten behoeve van deze analyse ook doorgerekend wat de uitkomsten zouden zijn, indien de blootstelling aan zakelijke waarden gemaximeerd zou zijn op 150% op alle leeftijden. Het toevoegen van een restrictie waarbij de blootstelling is gemaximeerd op 150% heeft slechts beperkte impact op de uitkomsten in het rapport «Transitie effecten van augustus 2022.»»26
a) Kan de Minister uitleggen waarom, als de impact op de uitkomsten van 1600% naar 150% exposure aan zakelijke waarden slechts beperkt is, dan niet gekozen is om de exposure terug te brengen naar 100%?
b) Is die resterende impact van 150% naar 100% dan wel essentieel?
c) Zou verder terugbrengen naar 100% exposure de complexiteit en de risico’s wellicht verminderen, en de begrijpelijkheid verbeteren?
d) Is de Minister bereid de 150% blootstelling verder terug te brengen naar 100%?
Met dit antwoord worden alle deelvragen van vraag 33 beantwoord. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 103 van de nadere memorie van antwoord. Het gaat bij deze vraag om een afruil tussen de kans op een negatief persoonlijk pensioenvermogen en de kans op een hoger toekomstig pensioenresultaat. Naar mijn mening is hierin een goede balans gevonden met een begrenzing op de opheffing van de leenrestrictie op 150% van het zakelijke waardenrisico. Berekeningen van Aegon Asset Management27en Ortec Finance28 laten zien dat ondanks deze begrenzing het pensioenresultaat met 5% tot 7% omhoog kan gaan ten opzichte van handhaving van de leenrestrictie, in andere woorden een beperking van de blootstelling aan beleggingsrisico tot 100%.
34.
Vraag 129 50PLUS: Verschil tussen het solidaire en het flexibele contract.
Uit de beantwoording van de vraag blijkt dat verschil tussen het flexibele en het solidaire contract niet zit in de mate van solidariteit maar alleen in de mate van keuzevrijheid voor de deelnemer. Verder wordt gesteld dat er in het solidaire contract één collectieve uniforme beleggingsportefeuille is. Maar als een fonds kiest voor gelijke indexatie voor alle lopende pensioenen moet het vermogen van de gepensioneerden afgescheiden worden van dat van de actieven om uitvoering van het amendement Palland mogelijk te maken. De Minister heeft aangegeven dat zij verwacht dat de meeste fondsen voor toepassing van het amendement Palland zullen kiezen. Verder is bij de beantwoording van eerdere vragen gebleken dat de risicohouding bepalend is voor de toedeling van beschermingsrendement en dat dit beschermingsrendement met beleggingen afgedekt moet zijn.
Bij vraag 138 van 50PLUS is geantwoord: «Uitgangspunt is dat de totale bescherming over alle leeftijdscohorten tegen renterisico via het zogenaamde indirecte beschermingsrendement overeenkomt met het totale afgedekte renterisico in de beleggingsportefeuille bijvoorbeeld via staatsobligaties». Zie b.v. ook het antwoord op vraag 118 van 50PLUS. In het flexibele contract is er een keuze mogelijk tussen verschillende beleggingsprofielen. Maar er wordt in het flexibele contract ook collectief belegd. In het flexibele contract is de pensioenuitvoerder niet verplicht om een keuze tussen verschillende beleggingsprofielen aan te bieden. In het flexibele contract kan de uitvoerder zowel een collectieve als een individuele uitkeringsfase aanbieden. De wetsartikelen 10d en 10e voor de solidariteit- en risicodelingsreserve zijn vrijwel letterlijk gelijk.
a) Is de Minister het er mee eens dat het solidaire contract vrijwel volledig overeenkomt met het flexibele contract zonder individuele keuzevrijheid?
b) Is de Minister het er mee eens dat een pensioenuitvoerder een flexibel contract zonder keuzevrijheid kan aanbieden?
c) Is de Minister het er mee eens dat het definiëren van twee contracten die uiteindelijk in de uitwerking ongeveer hetzelfde doen, de wetgeving nodeloos ingewikkeld maakt?
d) Indien de Minister van mening is dat het solidaire contract wel wezenlijk anders is dan het flexibele contract, kan zij dan aangeven op welke gebieden dit is?
e) Wat zou er dan nog aan het flexibele contract verruimd moeten worden om een volledige replicatie van het solidaire contract mogelijk te maken?
Met dit antwoord worden alle deelvragen van vraag 34 beantwoord. Het solidaire contract en het flexibele contract zijn verschillende contracten, waarbij de solidaire premieregeling als basis meer collectieve elementen kent en de flexibele premieregeling meer keuzemogelijkheden kent. Ook indien de pensioenuitvoerder ervoor kiest om de deelnemer niet te laten kiezen uit verschillende beleggingsprofielen, dit is namelijk geen verplichting, zijn de regelingen verschillend.
Conceptueel is een contract met één collectief belegd vermogen in de opbouw- en uitkeringsfase meer solidair. Praktisch is de betekenis daarvan beperkt. De mogelijkheid om alle pensioenuitkeringen in gelijke mate aan te passen zal ook als een solidair element van een contract worden gezien, dat kan zowel in geval van een solidair als een flexibel contract. Op dit specifieke aspect is er daarmee geen verschil tussen deze twee contracten. Bij de flexibele premieovereenkomst is ook sprake van collectief beleggen, maar wordt per leeftijdscohort een andere beleggingsmix gehanteerd op basis van het lifecycle-principe. In de solidaire premieovereenkomst wordt daarentegen gewerkt met de toedeling van beschermings- en overrendementen vanuit een collectief, uniform beleggingsbeleid op fondsniveau. Hier is dus sprake van een verschil tussen het solidaire en flexibele contract. Daarnaast geldt dat deelnemers met een flexibel contract op pensioendatum kunnen kiezen tussen een vaste of variabele uitkering. Deze mogelijkheid is er in een solidaire premieregeling niet. Ook kent de solidaire premieregeling een verplichte solidariteitsreserve en is een risicodelingsreserve bij de flexibele premieregeling alleen verplicht in het geval van verplichtgestelde regelingen.
Beide premieregelingen hebben dus hun specifieke kenmerken, het definiëren van twee contracten in de wetgeving maakt het niet ingewikkelder. Er zijn decentrale partijen die een voorkeur hebben voor de solidaire premieregeling, terwijl andere decentrale partijen een voorkeur hebben voor de flexibele premieregeling. Decentrale sociale partners wordt hiermee dus de mogelijkheid geboden om een contract te hanteren dat het beste past bij de kenmerken van de deelnemers en hun sector. Bovendien geldt dat de flexibele premieregeling een verder verbeterde vorm is van de reeds bestaande verbeterde premieregeling. Uit de evaluatie van de verbeterde premieregeling bleek dat dit contract in de praktijk goed werkt. De regering wil beide voorkeuren faciliteren, zoals afgesproken in het Pensioenakkoord. De mate waarin beide contracten uiteindelijk op elkaar lijken, is mede afhankelijk van de keuze die sociale partners maken in combinatie met de door de pensioenuitvoerder gekozen invulling.
35.
Vraag 3 van de VVD: Niet invaren oude rechten.
Hier is als antwoord op de vraag of het invaren van de oude rechten niet ter vrije keuze aan de deelnemers overgelaten onder andere geantwoord: «Met invaren kunnen risico’s breder gedeeld blijven worden. Bovendien wordt voorkomen dat het beleggingsbeleid conservatiever vormgegeven moet worden, omdat het achterblijvende deelnemersbestand vergrijst».
a) Met invaren wordt het vermogen opgedeeld in leeftijdscohorten met per leeftijdscohort een andere risicohouding t.g.v. het Life Cycle beleggen. Erkent de Minister dat de oudere leeftijdscohorten na invaren een conservatiever beleggingsbeleid krijgen t.g.v. het Life Cycle beleggen?
In zijn algemeenheid is niet te zeggen of oudere leeftijdscohorten in het huidige pensioenstelsel een meer of minder conservatief beleggingsbeleid krijgen ten opzichte van het nieuwe pensioenstelsel, omdat het beleggingsbeleid verschilt tussen pensioenfondsen.
b) Erkent de Minister dat de vergrijzing van een gesloten fonds hier niet uitmaakt, omdat na invaren in het Wtp stelsel er ook conservatiever belegd wordt?
Bij vergrijzing van het gesloten pensioenfonds moet het beleggingsrisico van het beleggingsbeleid worden verminderd, door het ontbreken van een premiestroom. Als het pensioenfonds invaart dan hoeft het beleggingsrisico op collectief niveau niet te worden verminderd doordat er een premiestroom is. Met die premies kan bijvoorbeeld de solidariteitsreserve worden gevuld, waardoor onder meer schokken in reeds ingegane pensioenuitkeringen kunnen worden opgevangen.
c) Erkent de Minister dat zonder invaren de risico's door alle deelnemers gezamenlijk worden gedragen in een gesloten fonds onder FTK regels en dat na invaren de risico's alleen met het eigen leeftijdscohort worden gedeeld en dat er van bredere risicodeling na invaren dus geen sprake is?
Nee, in de solidaire premieregeling wordt het vermogen collectief belegd en het rendement collectief behaald en vervolgens met verdeelregels verdeeld over de leeftijdscohorten. De risico’s worden daarmee ook gezamenlijk gedragen, waarbij de verdeling van de risico’s ook vooraf vaststaat.
d) Waarom geeft de Minister niet ter zake doende antwoorden?
36.
Vraag 10 van de VVD: RTS en herverdeling.
Volgens het antwoord op deze vraag zou een andere grondslag voor de rekenrente dan de RTS tot een ongewenste herverdeling leiden.
Nu is de RTS nogal volatiel en is de rente in 2022 met 2% gestegen.
a) Heeft deze rentestijging tot een vermogensherverdeling binnen de pensioenfondsen geleid?
b) Als dit niet tot een herverdeling van het vermogen binnen het pensioenfonds heeft geleid, hoe kan het dan dat de aan jonge deelnemers toe te kennen vermogens hierdoor aanzienlijk lager zijn geworden?
c) Als het wel tot een vermogens herverdeling heeft geleid, waarom heeft de Minister dan niets ondernomen om dit te verhinderen?
Met dit antwoord worden alle deelvragen van vraag 36 beantwoord. Een verhoging van de rentetermijnstructuur leidt inderdaad tot een andere verdeling van het pensioenvermogen tussen generaties. Hoe deze verdeling verandert is niet alleen afhankelijk van de stijging van de rentetermijnstructuur maar ook van de verandering van de curve van de risicovrije rente. Het feit dat de rentetermijnstructuur is gestegen, verandert niet het principe dat degene die het risico draagt ook het rendement verkrijgt. Dat is het verschil met kiezen voor een andere grondslag voor de rekenrente dan de rentetermijnstructuur.
37.
Vraag 4 van het CDA: Pensioen als financieel product.
De Minister heeft hier geantwoord dat het pensioen geen financieel product is, in de zin van de Wft. In het FTK is de jaarlijkse pensioenbouw een percentage van het salaris. In de Wtp is de premie de pensioenopbouw en hangt het pensioen af van het opgebouwde vermogen en de rentestand zonder enige koppeling aan het salaris. Daarin wijkt het Wtp pensioen niet af van commerciële pensioenspaarplannen.
a) Maakt de hele inrichting van het Wtp-pensioen dit niet bij uitstek tot een financieel product?
b) Wat zijn dan de wezenlijke verschillen tussen het Wtp-pensioen en een commercieel pensioenspaarplan waarbij ook op pensioendatum een levenslang pensioen wordt ingekocht?
c) Zouden, gezien de karakteristieken van de nieuwe premieregelingen, in de Wtp niet dezelfde eisen aan deze regelingen moeten worden gesteld als die in de Wft gelden voor soortelijke producten? Zo nee, waarom niet?
Met dit antwoord worden alle deelvragen van vraag 37 beantwoord. Het feit dat pensioenen voortaan worden geadministreerd in de vorm van persoonlijke pensioenvermogens op basis van een premieovereenkomst betekent dat tweede pijlerpensioenen ook bij uitvoering door pensioenfondsen wellicht meer kenmerken krijgen van een financieel product. Echter, zoals ik ook in de memorie van antwoord en de nadere memorie van antwoord heb aangegeven zijn tweedepijler pensioenen in hun aard geen zuiver financiële producten en worden derhalve ook niet gekwalificeerd als financieel product, met het daarbij behorend regelgevend kader. In tegenstelling tot een commercieel pensioenspaarplan blijft er in de nieuwe pensioencontracten sprake van allerlei vormen van risicodeling, solidariteit en de wettelijke eis dat sprake moet zijn van een levenslange pensioenuitkering. Pensioen is een van de secundaire arbeidsvoorwaarden die sociale partners op decentraal niveau met elkaar overeenkomen, ten behoeve van inkomen na de werkzame periode. Het voorgestelde wetsvoorstel toekomst pensioenen en de bijbehorende lagere regelgeving acht ik dan ook passend voor de nieuwe pensioencontracten.
38.
Vraag 10 van het CDA: Beleidsvrijheid van de fondsen in de beleggingen.
Hier heeft de Minister geantwoord: «Pensioenfondsbesturen hebben de ruimte om binnen het strategische beleggingsbeleid het beleggingsrisico aan te passen zolang het passend blijft bij de vastgestelde risicohouding per leeftijdscohort in termen van maximum beleggingsrisico en minimum rendement. Dit betekent dat het feitelijke beleggingsbeleid op korte termijn kan worden aangepast en dat het strategische beleggingsbeleid dat een lange termijn horizon heeft ook gewijzigd kan worden, zodat kan worden ingespeeld op gewijzigde omstandigheden».
In de MvT van het wetsontwerp staat dat de toedelingsregels voor beschermings- en overrendement in het solidaire contract voor langere tijd (5 jaar) vast moeten staan.
Verder blijkt uit de beantwoording van vraag 138 van 50PLUS dat het toe te delen beschermingsrendement door middel van (staats) obligaties en renteswaps afgedekt moet worden.
Blijkt hier niet uit dat het fonds voor wat betreft het vastrentende deel van de beleggingen vrijwel geen beleidsvrijheid heeft en dat het beleid in ieder geval niet op korte termijn kan worden aangepast?
De conclusie dat het pensioenfonds voor wat betreft het vastrentende deel van de beleggingen vrijwel geen beleidsvrijheid heeft en dat het beleggingsbeleid op korte termijn niet kan worden aangepast, deel ik niet. Zoals eerder is aangegeven begint het vaststellen van het beleggingsbeleid bij de risicohouding per leeftijdscohort in termen van maximum beleggingsrisico en minimum rendement. Ook op de korte termijn kan het feitelijke beleggingsbeleid aangepast worden zolang dit passend is binnen de vastgestelde risicohouding met een bandbreedte van maximum beleggingsrisico en minimum rendement. De toedelingsregels voor de rendementen in het solidaire contract moeten voor langere tijd vaststaan net zoals dit geldt voor het strategische beleggingsbeleid. Het feitelijke beleggingsbeleid zal moeten passen bij het strategisch beleggingsbeleid. De toedelingsregels worden ex-ante vastgelegd op basis van de risicohouding per leeftijdscohort. Als de vastgestelde risicohouding daar aanleiding voor geeft, kunnen dus ook toedelingsregels en het beleggingsbeleid aangepast worden. In artikel 52b van het wetsvoorstel is opgenomen dat de toetsing van de risicohouding ten minste eenmaal in vijf jaar en bij een ingrijpende wijziging plaatsvindt.
39.
Vraag 22 en 23 van het CDA: Collectieve overdracht.
Op deze vraag is geantwoord: «Overigens blijf ik gedurende de transitie monitoren of pensioenfondsen, in het kader van de evenwichtige afweging van belangen, een collectieve overdracht voor een bepaalde deelnemersgroep nodig hebben om de transitie te kunnen maken.»
a) Wordt hiermee een carve out van bepaalde groepen deelnemers bedoeld?
b) Zo niet, wat wordt er dan mee bedoeld?
Bij het antwoord is gerefereerd aan de motie van het lid Smals. In de motie wordt verzocht om gedurende de transitie te monitoren of er pensioenfondsen zijn die aangeven een carve-out voor deelnemersgroepen of gepensioneerden nodig te hebben om een evenwichtige transitie te kunnen maken.
40.
Vraag 107 van 50PLUS: Collectieve uitkeringsfase.
In het flexibele contract is er sprake van een uitkeringsrecht t.o.v. een collectief vermogen. Hierbij is geen administratie van individuele potjes nodig en is het vanzelfsprekend dat alle gepensioneerden dezelfde indexatie ontvangen. In het solidaire contract is er sprake van een administratief complexe regeling van het jaarlijks herverdelen van de individuele vermogens om tot een gelijke indexatie voor alle gepensioneerden te komen. Hierbij is het wel noodzakelijk de individuele vermogens apart bij te houden. Ook is door de leeftijdsverschillen het toe te kennen beschermingsrendement voor iedere deelnemer anders. Om de herverdeling te beperken tot de gepensioneerden onderling is het in beide regelingen nodig om het vermogen van de gepensioneerden af te scheiden van dat van de actieven (zie antwoord op eerdere vragen hierover). Beide regelingen worden betiteld als «collectieve uitkeringsfase» hoewel ze administratief totaal verschillend zijn.
a) Wie heeft er ooit gevraagd om individuele potjes in de uitkeringsfase.
b) Waarom worden in andere pensioensystemen nergens individuele potjes in de uitkeringsfase gebruikt?
c) Waarom is in het solidaire contract niet gekozen voor een eenvoudige collectieve oplossing zoals in het flexibele contract?
d) Is de regering bereid het wetsontwerp aan te passen om de eenvoudige oplossing uit het flexibele contract ook in het solidaire contract mogelijk te maken?
e) Wat is het bezwaar van de regering tegen een gelijke oplossing voor een collectieve uitkeringsfase in het flexibele en het solidaire contract?
Hiermee worden alle deelvragen van vraag 40 beantwoord. Een van de doelen van de herziening van het pensioenstelsel is om het pensioenstelsel transparanter en persoonlijker te maken. In de huidige uitkeringsovereenkomsten speelt de ontwikkeling van de dekkingsgraad een grote rol bij de ontwikkeling van de hoogte van het pensioen. De meeste deelnemers hebben beperkt inzicht hoe die zaken elkaar nou precies beïnvloeden. De nieuwe pensioencontracten vergroten de transparantie van de pensioenopbouw, onder meer door transparant te zijn over het voor de uitkering gereserveerde pensioenvermogen van de deelnemer. Dit verschijnsel is niet nieuw: ook nu al kennen we in Nederland pensioenregelingen die werken met vermogen die persoonlijk voor de uitkering bestemd zijn.
Met het amendement Palland is bij de behandeling in de Tweede Kamer een collectieve uitkeringsfase in de solidaire premieovereenkomst mogelijk gemaakt. De consequentie daarvan is dat een beperkte mate van ex ante herverdeling kan optreden, omdat gelijke aanpassingen van uitkeringen – en niet langer de persoonlijke pensioenvermogens – als uitgangspunt gehanteerd kunnen worden. Hiermee is er sprake van een collectieve uitkeringsfase in de solidaire premieovereenkomst en in de flexibele premieovereenkomst, die in beide gevallen goed uitvoerbaar zijn voor de administratie. De collectieve uitkeringsfase in het solidaire pensioencontract is overigens geen verplichting, maar een keuze voor decentrale partijen.
41.
Vraag 111 van 50PLUS: Afgescheiden vermogen.
a) Wat wordt bedoeld met de zin «Conceptueel is een contract met één collectief belegd vermogen in de opbouw- en uitkeringsfase meer solidair» gezien dat daarna staat «Praktisch is de betekenis daarvan beperkt» en «Op dit aspect zie ik geen verschillen tussen het solidaire en flexibele contract»?
b) Wat is het verschil tussen een per leeftijdscohort verschillende beleggingsmix in het flexibele contract en de per leeftijdscohort verschillende rendementstoedeling uit het solidaire contract?
c) Kan de Minister met rekenvoorbeelden aangeven wat het verschil is?
Hiermee worden alle deelvragen van vraag 41 beantwoord. Met de opmerking dat conceptueel gezien een contract met één collectief belegd vermogen in de opbouw- en uitkeringsfase meer solidair is, wordt bedoeld dat op die manier vooraf risico’s met de gehele populatie gedeeld kunnen worden. Als bijvoorbeeld een schot geplaatst zou worden tussen de opbouw- en de uitkeringsfase, dan worden ook de risico’s op die manier van elkaar gescheiden. Los van die economische theorie, heb ik aangegeven dat ook de mogelijkheid om de pensioenuitkeringen in gelijke mate aan te passen, ook als een solidair element binnen het contract gezien zal worden.
Een verschil tussen de flexibele premieregeling en de solidaire premieregeling is dat de flexibele premieregeling een keuze in beleggingsprofielen kan hebben waaruit deelnemers kunnen kiezen. Dit betekent dat het toegedeelde rendement volgt uit de beleggingsmix van het beleggingsprofiel. Bij de solidaire premieregeling wordt het rendement dat het pensioenfonds op zijn vermogen behaald, toegedeeld op basis van vooraf vastgestelde toedelingsregels. In beide contracten wordt het vermogen van het pensioenfonds collectief belegd. Een algemeen rekenvoorbeeld kan hierbij niet gemaakt worden, aangezien er uiteraard meer verschillen zijn tussen beide contracten.
42.
Vraag 112 en 113 van 50PLUS: Risicodraagvlak en individualisering.
Volgens de beantwoording van deze vragen is er geen sprake van verkleining van het risicodraagvlak door de individualisering van het pensioen in de Wtp.
a) Als er geen sprake is van een kleiner risicodraagvlak, waarom is dan het beleggen volgens het Life Cycle principe nodig waarbij het risico verminderd moet worden naarmate de deelnemer ouder wordt?
b) Is de Minister het er mee eens dat in het huidige collectieve stelsel de leeftijd van de individuele deelnemer geen invloed heeft op het beleggingsrisico?
Hiermee worden alle deelvragen van vraag 42 beantwoord. Er is geen sprake van een verkleining van het risicodraagvlak aangezien ook in het nieuwe pensioenstelsel de risico’s nog steeds collectief gedragen worden. Het feit dat de pensioenopbouw voortaan plaatsvindt in de vorm van persoonlijke pensioenvermogens doet daar niets aan af.
Daarbij worden de collectief behaalde rendementen volgens het lifecycle-beginsel over deze vermogens verdeeld, passend bij de risicohouding van deelnemers en pensioengerechtigden, zodat een zo optimaal mogelijke risicotoedeling wordt bereikt. Het feit dat risico’s verminderd worden naarmate de deelnemer ouder wordt conform het lifecycle-beginsel, zegt dus niets over het risicodraagvlak binnen het pensioenfonds maar iets over de manier waarop risico’s en rendementen over de levensloop worden toegedeeld, namelijk degene die het risico draagt, verkrijgt ook het rendement.
Ook in het huidige pensioenstelsel hebben de karakteristieken van de deelnemerspopulatie, zoals leeftijd, invloed op de mate waarin het pensioenfonds beleggingsrisico zal lopen. Dat verandert niet met de introductie van het nieuwe pensioenstelsel.
43.
Vraag 115 van 50PLUS: Commerciële NP dekking.
In het huidige stelsel bieden veel bedrijven een vrijwillige ANW hiaat verzekering aan hun medewerkers. Deze verzekeringen worden zonder individuele medische keuring aangeboden. Is de Minister het er mee eens dat de huidige praktijk laat zien dat een commerciële NP verzekering zonder individuele medische keuring goed mogelijk is?
Een algemene uitspraak over de werking van medische keuringen bij commerciële nabestaandenpensioenverzekeringen is niet mogelijk. Wanneer en hoe verzekeraars bij het sluiten van een commerciële risicoverzekering vragen stellen over de gezondheid van de aanvrager valt mijns inziens buiten het bestek van het wetsvoorstel toekomst pensioenen.
44.
Vraag 116 van 50PLUS: Markt waardering.
De vraag waarom de marktwaarde van een pensioenverplichting niet gelijk is aan de prijs waarvoor een commerciële partij in een vrije markt bereid is die verplichting over te nemen, is niet beantwoord. Bij de beantwoording heeft de Minister aangegeven dat een pensioen iets anders is dan een renteswap. Maar de rest van het antwoord gaat over de prijsvorming van renteswaps en niet over de prijsvorming van pensioen. Uit de overnames van (gesloten) pensioenfondsen door verzekeraars blijkt dat zij de pensioenverplichtingen veel lager waarderen dan volgens de risicovrije rente van de DNB. En daarbij bieden zij wel een gegarandeerd pensioen.
a) Zou de Minister de vraag alsnog willen beantwoorden?
b) In het antwoord staat «Het pensioencontract is dus niet hetzelfde, maar dat neemt niet weg dat voor de waardering van pensioenaanspraken – zowel in het geval deze bij pensioenfondsen als bij verzekeraars zijn ondergebracht – een marktrente moet worden gebruikt zonder een risico-opslag». Als pensioenfondsen en verzekeraars beide een marktrente zonder risico-opslag moeten gebruiken, hoe kan het dan dat het disconto voor de verzekeraars heel anders is dan voor de pensioenfondsen?
c) In het vervolg van het antwoordt staat «Bij uitkeringsovereenkomsten moet de hoogte van de premie altijd worden afgeleid uit de jaarlijkse pensioenaanspraken die zijn toegezegd. Daarom wordt gesproken van een kostendekkende premie. Uitgangspunt daarbij is hantering van de risicovrije rente, maar deze premie mag worden gedempt met een gemaximeerd verwacht rendement op basis van de fondsspecifieke beleggingsportefeuille».
Kan de Minister uitleggen dat de pensioenaanspraken worden gewaardeerd zonder risico-opslag, maar dat de premie waarmee ze betaald worden wel een risico-opslag heeft op basis van het verwachte rendement?
Hiermee worden alle deelvragen van vraag 44 beantwoord. Uw vraag is waarom de marktwaarde van een pensioenverplichting niet gelijk is aan de prijs waarvoor een commerciële partij in een vrije markt bereid is die verplichting over te nemen. Met commerciële partij bedoelt u een verzekeraar. Eerder heb ik u hier reeds op geantwoord dat verzekeraars voor de waardering van pensioenverplichtingen ook een marktwaarde gebruiken, maar dat die marktwaarde een andere grondslag heeft. Bovendien zal de dekkingsgraad van een pensioenfonds een rol spelen in de waardering die verzekeraars aan de portefeuille van een pensioenfonds zullen geven. Verzekeraars dienen bij uitkeringsovereenkomsten een hogere zekerheidsmaat te hanteren dan pensioenfondsen, met bovendien veel kortere hersteltermijnen als tijdelijk niet aan die zekerheidsmaat wordt voldaan. Het pensioencontract is dus niet hetzelfde, maar dat neemt niet weg dat voor de waardering van pensioenaanspraken – zowel in het geval deze bij pensioenfondsen als bij verzekeraars zijn ondergebracht – een marktrente moet worden gebruikt zonder een risico-opslag. De discontovoet voor verzekeraars is gebaseerd op de rentetermijn structuur zoals deze door EIOPA wordt vastgesteld voor de Europese Unie. Deze verschilt van de rentetermijnstructuur zoals deze wordt vastgesteld door DNB voor de pensioenfondsen. Een risico- opslag boven op de risicovrije rente bij de waardering van pensioenaanspraken leidt tot herverdeling tussen generaties.
45.
Vraag 121 van 50PLUS: Reserve om fouten te herstellen.
Er is hier gevraagd hoe hoog de reserve moet zijn die pensioenfondsen moeten aanhouden om fouten in de toedeling te kunnen herstellen.
Zou de Minister deze vraag alsnog willen beantwoorden?
Is de Minister bereid om voor de vaststelling van deze reserve een door accountantsorganisaties gedragen professionele richtlijn te laten ontwikkelen?
In antwoord op de vraag is aangegeven dat de juistheid van de pensioenadministraties en het omzetten van bestaande pensioenen de verantwoordelijkheid van de pensioenfondsen is. Pensioenfondsen moeten er voor zorgen dat zij fouten ook na de transitie nog (financieel) kunnen herstellen. Hiervoor dient het pensioenfonds een operationele reserve aan te houden zodat wijzigingen met terugwerkende kracht kunnen worden doorgevoerd of fouten kunnen worden hersteld. Het is dus afhankelijk van de beoordeling door het pensioenfonds welke omvang de reserve zal moeten hebben. Het pensioenfonds houdt hierbij rekening met pensioenfondsspecifieke kenmerken. De vaststelling van de reserve is niet aan de accountant. Een reserve wordt wel op de balans van het pensioenfonds opgenomen en is daarmee onderdeel van de jaarlijkse controle door de accountant.
46.
Vraag 122 van 50PLUS: Koopkrachtiger pensioen?
a) Erkent de regering dat het nieuwe stelsel geen koopkrachtiger pensioen op kan leveren als er op pensioenfondsniveau macro gezien niet meer risico wordt genomen en er ook niet meer premie wordt betaald?
b) Zo nee, kan de Minister dan uitleggen waar de extra middelen voor een structureel hoger of koopkrachtiger pensioen vandaan komen als er niet meer premie wordt betaald en er niet per saldo risicovoller belegd wordt?
c) Erkent de Minister dat het uitdelen van de huidige buffers een éénmalige actie is die niet tot een structureel hoger pensioen zal leiden?
Hiermee wordt antwoord gegeven op alle sub-vragen.
Het feit dat in de nieuwe pensioenregelingen geen nieuwe, hoge buffers hoeven te worden aangehouden, maakt dat rendementen eerder tot uitkering kunnen komen. Een deel van de premie en/of de gemaakte rendementen dient in het huidige pensioenstelsel bijvoorbeeld gebruikt te worden om de buffer aan te zuiveren. In het nieuwe pensioenstelsel hoeven deze buffers niet meer aangehouden te worden, en kan dit dus eerder ten gunste van het persoonlijk voor de uitkering gereserveerde vermogen van de deelnemer komen.
Als het gaat om het invaren en het verdelen van de huidige vermogens, waaronder de buffer, ben ik het met de vragensteller eens dat van het toedelen van de buffer inderdaad eenmalig sprake is.
47.
Vraag 123 van 50PLUS: Voordeel van invaren?
De Minister heeft geantwoord: »dat door bestaande pensioenopbouw in te varen deze opbouw direct profiteert van de voordelen van de nieuwe pensioenregeling».
a) Kan de Minister uitleggen om welke voordelen het gaat voor een deelnemer die nog niet met pensioen is?
b) Als er voor het fonds als geheel niet anders wordt belegd en er ook niet meer premie wordt betaald, kan voordeel voor de ene deelnemer alleen maar ten koste gaan van een nadeel voor een andere deelnemer.
Kan de Minister aangeven welke deelnemers er benadeeld worden door het invaren?
c) Als er niemand benadeeld wordt, kan de Minister dan uitleggen hoe iedereen er op vooruit kan gaan, zonder dat er meer premie wordt betaald of dat er meer beleggingsopbrengst wordt gerealiseerd?
Hiermee wordt antwoord gegeven op alle sub-vragen.
Ten aanzien van de nieuwe premieregelingen in het nieuwe pensioenstelsel geldt dat ook deelnemers die nog niet met pensioen zijn, profiteren van de voordelen van het nieuwe pensioenstelsel. Het nieuwe pensioenstelsel biedt eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen, is transparanter en persoonlijker en sluit beter aan op de arbeidsmarkt. Uit doorrekeningen van onder andere het CPB en DNB blijkt dat de nieuwe pensioenregelingen naar verwachting leiden tot een koopkrachtiger pensioen dan het huidige pensioenstelsel. Bijvoorbeeld, omdat in de nieuwe pensioenregelingen geen nieuwe, hoge buffers hoeven worden opgebouwd, aangehouden en eventueel weer aangezuiverd. Daardoor kunnen rendementen eerder tot uitkering komen en voor de deelnemer betekent dit dat de rendementen eerder worden bijgeschreven bij zijn pensioenaanspraak. In dat geval gaat een voordeel voor de ene deelnemer niet ten koste van een nadeel voor een andere deelnemer. De afruil zit er meer in dat naast het eerder tot uitkering komen van rendementen, ook verliezen eerder terug te zien zijn in de persoonlijke pensioenvermogens. Bij het invaren wordt het huidige pensioenvermogen omgezet naar aanspraken en rechten onder de nieuwe pensioenregelingen. Voor deze omzetting schrijft het wetsvoorstel een omrekenmethode voor en een kader waarbinnen keuzes gemaakt kunnen worden zoals het vullen van reserves. Hierdoor kan de transitie op evenwichtige wijze plaatsvinden.
48.
Vraag 125 van 50PLUS: Gratis compensatie.
De regering heeft geantwoord: «Compensatie is niet gratis en wordt niet betaald door de andere deelnemers» maar uit de rest van het antwoord blijkt dat de compensatie uit het fondsvermogen wordt betaald.
a) Erkent de Minister dat het huidige fondsvermogen met name de functie heeft om te voorkomen dat pensioen gekort moeten worden en primair een bron is voor de financiering van de indexatie van de bestaande pensioenrechten?
Het huidige vermogen van pensioenfondsen heeft de functie om ervoor te zorgen dat aan de rechten die deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden op grond van het pensioenreglement hebben, gestand kunnen worden gedaan. Overigens kan compensatie uit fondsvermogen gefinancierd worden, maar dat is een keuze. Financiering is ook mogelijk door extra premie-inleg.
b) Erkent de Minister dat vrijwel alle pensioenfondsen een forse indexatie achterstand hebben?
Veel pensioenfondsen hebben de afgelopen jaren niet maximaal kunnen indexeren. Dit komt onder andere door te lage dekkingsgraden (o.a. door een dalende rente), de noodzaak buffers te vormen en door hoge inflatie.
c) Erkent de Minister dat aanwending van het fondsvermogen voor andere ten koste zal gaan van de pensioenuitkeringen of van de indexatie?
d) Erkent de Minister dat compensatie ten laste van het fondsvermogen alle huidige pensioendeelnemers en gepensioneerden dus benadeelt?
Hiermee wordt antwoord gegeven op vragen c en d.
Decentrale sociale partners bekijken in de transitie wat de effecten zijn van de overstap op de nieuwe pensioenregelingen. Dat geldt dus voor alle deelnemers en gepensioneerden. Als hieruit blijkt dat bepaalde groepen onevenredig nadeel ondervinden, bepalen ze wat er nodig is om het nadeel te beperken, en hoe ze dit willen financieren. Deze compensatie kan uit het vermogen van het pensioenfonds worden gefinancierd, maar dit kan ook vanuit extra premie inleg. In veel gevallen zal compensatie niet nodig zijn vanwege de effecten van de dubbele transitie. Voor het geheel van de afspraken (invaren, contract, compensatie) moet gelden dat de overstap evenwichtig is vormgegeven. In dat kader heeft het dan weinig toegevoegde waarde om de effecten van één element van het geheel van de afspraken uit te lichten. Er moet gekeken worden naar hoe het geheel van afspraken uitpakt.
49.
Vraag 126 van 50PLUS: Compensatie voor nieuwe deelnemers.
De vraag was niet of compensatie voor nieuwe deelnemers wenselijk is maar of het rechtvaardig is dat die compensatie wordt betaald uit het vermogen van de huidige deelnemers en dus ten koste van gaat van de achterstallige indexatie.
a) Zou de Minister deze vraag alsnog willen beantwoorden?
b) Is de Minister het er mee eens dat compensatie voor nieuwe deelnemers betaald behoord te worden door de werkgever die deze mensen aanneemt.
Hiermee wordt antwoord gegeven op beide sub-vragen.
Compensatie ziet op gemiste toekomstige pensioenopbouw, omdat de wijze van pensioenopbouw in de periode waarin pensioen wordt opgebouwd, verandert. Daarom is compensatie alleen aan de orde voor deelnemers die pensioen opbouwen, oftewel actieve deelnemers. Dit geldt dus ook voor nieuwe deelnemers. Voorkomen moet worden dat werknemers zich laten weerhouden van een stap naar een nieuwe baan omdat zij daardoor geen compensatie meer zouden krijgen. Om die reden is in het wetsvoorstel vastgelegd dat werknemers die overstappen naar een nieuwe baan aanspraak krijgen op de daar geldende compensatieregeling. Daarmee wordt voorkomen dat er ongewenste arbeidsmarkteffecten ontstaan.
Decentrale sociale partners, werkgevers en werknemers, of de beroepsgenoten bekijken in de transitie wat de effecten zijn van de overstap op de nieuwe pensioenregelingen. Als hieruit blijkt dat bepaalde groepen onevenredig nadeel ondervinden, bepalen ze wat er nodig is om het nadeel te beperken én hoe ze dit willen financieren. Dit kan door het inleggen van extra premie waarbij de werkgever een rol kan spelen, maar in sommige gevallen ook uit het vermogen van het pensioenfonds. Allereerst bepalen, zoals in de vorige alinea genoemd, decentrale partijen of zij compensatie verlenen, hoeveel compensatie zij verlenen en op welke wijze zij dat financieren. Precies diezelfde vragen gelden voor inhaalindexatie. Uiteindelijk moeten de afspraken passen binnen de evenwichtige overstap naar het nieuw pensioenstelsel.
De vraagsteller lijkt ervan uit te gaan dat compensatie gefinancierd uit een compensatiedepot dat is gevuld uit het vermogen, altijd ten koste zal gaan van inhaalindexatie. Dit is een onjuiste aanname. Of en hoeveel ruimte er is voor compensatie vanuit het vermogen en/of inhaalindexatie (of andere transitiedoelen) is afhankelijk van de financiële positie van het pensioenfonds. Daarbij kunnen pensioenfondsen met een goede financiële positie ambitieuzer zijn bij het vormgeven van hun transitie. Maar er is ook ruimte geboden voor pensioenfondsen met een lage dekkingsgraad om bepaalde transitiedoelen te behalen. Indien pensioenfondsen een dekkingsgraad bij invaren hebben van 105% of lager, mag maximaal 5% van het totale fondsvermogen gebruikt worden om een compensatiedepot te vullen. Binnen deze 5% moet ook de eventuele vulling van een reserve en/of het gelijk houden van ingegane uitkeringen passen. Op deze manier is er ook bij lage dekkingsgraden ruimte om deze transitiedoelen te behalen, maar is deze ruimte tegelijkertijd beperkt om alle deelnemers te beschermen.
50.
Vraag 134 van 50PLUS: Rente risico.
Over het verschil tussen een pensioenfonds onder de Wtp en een beleggingsfonds heeft de Minister geantwoord dat het pensioenfonds een renterisico heeft door zijn verplichtingen. Uit de rest van het antwoord blijkt echter dat het pensioenfonds geen renterisico heeft. Dit ligt bij de deelnemers, zie bijv. in het antwoord: «In de premieregelingen van het nieuwe pensioenstelsel is alleen sprake van toezegging van de premie, niet meer van de uitkering».
Kan de Minister de vraag opnieuw en beargumenteerd beantwoorden, nu duidelijk is dat het Wtp pensioenfonds geen renterisico loopt?
De bewering dat het pensioenfonds geen renterisico loopt is onjuist. Het klopt dat in de premieregelingen onder het nieuwe pensioenstelsel alleen nog sprake is van een toezegging van de premie, maar pensioenfondsen keren een levenslange pensioenuitkering uit aan een deelnemer. De hoogte van deze pensioenuitkering is afhankelijk van de rentetermijnstructuur en daarmee loopt het pensioenfonds dus ook renterisico. Afhankelijk van de mate van renteafdekking door het pensioenfonds wordt hier vermogen voor gereserveerd, bijvoorbeeld om via rentederivaten dit risico af te dekken.
51.
Vraag 140 van 50PLUS: Premie nabestaandenpensioen.
In het antwoord stelt de Minister: «Bij het nabestaandenpensioen wordt de premie voor elk leeftijdscohort op risicobasis vastgesteld. Hierbij is geen sprake van herverdeling tussen cohorten». In artikel 17 lid 2 van de Wtp staat: «De door of voor een deelnemer verschuldigde premie voor pensioen op risicobasis bedraagt bij een pensioenregeling uitgevoerd door een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds een gelijk percentage van het loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen».
a) Is de Minister van mening dat het heffen van een leeftijdsafhankelijke premie voor het nabestaandenpensioen (NP) op risicobasis bij een verplichte pensioenregeling in overeenstemming is met artikel 17 lid 2 dat een gelijke premie voor alle deelnemers voorschrijft?
b) Als de Minister van mening is dat deze leeftijdsafhankelijke premie is toegestaan, kan de Minister dan aangeven hoe hoog deze premie wordt bij een NP van 50% voor iedere leeftijdsklasse?
c) Als de Minister van mening is dat een gelijke en leeftijdsonafhankelijke premie toch verplicht is, dan zij dan de oorspronkelijke vraag 140 van 50PLUS alsnog beantwoorden?
a) Artikel 17, tweede lid, van de Pensioenwet geeft aan dat een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds een gelijke premie moet rekenen voor de risicopensioenen die in de pensioenregeling zijn opgenomen. Deze risicopremie kan evenwel eerst op leeftijdscohort worden vastgesteld, waarna vervolgens door de pensioenuitvoerder een gelijke premie voor alle deelnemers wordt berekend. Verschillende leeftijdscohorten zijn daarmee solidair met elkaar, hetgeen niet hetzelfde is als herverdeling tussen leeftijdscohorten.
b) Een leeftijdsafhankelijke risicopremie is ook voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen toegestaan als het gaat om vrijwillige risicoverzekeringen, zoals de vrijwillige voortzetting van risicodekking op grond van het voorgestelde artikel 61a van de Pensioenwet. De hoogte van de risicopremie is echter niet alleen afhankelijk van het gekozen dekkingspercentage voor het partnerpensioen, maar ook van de samenstelling van het deelnemersbestand qua leeftijd, geslacht en de hoogte van het pensioengevend salaris. Een algemeen antwoord over de hoogte van de risicopremie is dan ook niet te geven.
c) Zoals uit antwoord op subvraag b blijkt heb ik deze mening niet.
52.
Vraag 146 van 50PLUS: Over risicovrije rente.
Het antwoord op vraag 146 heeft geen enkele relatie met de gestelde vraag.
Zou de Minister de vraag gewoon willen beantwoorden?
De vraag was of de risicovrije rente iets met risico te maken heeft. De risicovrije rente betreft het rendement op een risicovrije investering. Volledig risicovrije investeringen bestaan niet en daarom wordt doorgaans naar overheidsobligaties (van bepaalde overheden en bepaalde looptijden) gekeken als vergelijkbare investering. Deze risicovrije rente wordt in het ftk gebruikt om de contante waarde van de toekomstige verplichtingen te berekenen. In die berekening speelt risico geen rol. In andere woorden: het doel van de berekening is een puur waarderingsvraagstuk, niet een vraagstuk rond risico en rendement. In het huidige contract speelt risico een rol via de hoogte van het vereist eigen vermogen (VEV), dat gericht op de wettelijke zekerheidsmaat van 97,5%. Dat wil zeggen dat in de evenwichtssituatie de kans dat het pensioenfonds binnen een periode van één jaar over minder waarden beschikt dan de technische voorzieningen, kleiner is dan 2,5%. De hoogte van het vereist eigen vermogen is afhankelijk van het risicoprofiel van het pensioenfonds volgend uit het strategisch beleggingsbeleid van het pensioenfonds. Gebruik van de risicovrije rente (de rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB) om het vereist eigen vermogen te bepalen zou onvoldoende de risico’s besloten in het strategische beleggingsbeleid meenemen in de berekening van het VEV.
53.
Vraag 143 en van 50PLUS: Kostprijs van pensioen.
Bij vraag 143 is geantwoord: «Uitgangspunt bij vaststelling van deze kostendekkende premie is waardering op basis van de risicovrije rente, maar vanuit het oogpunt van premiestabilisatie mag deze premie worden gedempt met een gemaximeerd verwacht rendement op basis van de beleggingsportefeuille van het pensioenfonds. De kostprijs blijft echter de contante waarde van de toegezegde pensioenaanspraak op basis van de risicovrije rente». Bij vraag 151 is geantwoord: «Bovendien leidt een daling van werkelijke rentes tot een stijging van de kostprijs van kapitaalgedekt pensioen. Met een vaste rekenrente wordt deze economische realiteit weggedefinieerd, maar deze verdwijnt daardoor niet. Het gevolg hiervan is dat hogere pensioenuitkeringen die het gevolg zijn van een hogere vaste rekenrente niet voortkomen uit een lagere kostprijs van pensioen, maar moeten worden betaald uit het bestaande pensioenvermogen dat bestemd is voor de dekking van het toekomstige pensioen van jongere deelnemers». De afgelopen jaren was het werkelijke rendement op de beleggingen aanzienlijk hoger dan de risicovrije rente. Ook was de werkelijke betaalde premie aanzienlijk lager dan de kostprijs van het pensioen. Pensioen voor de jongere deelnemers werd daardoor structureel met verlies ingekocht.
a) Erkent de Minister dat hierdoor een groot deel van de pensioenopbouw van de jongere deelnemers is betaald uit het pensioenvermogen van de oudere actieven en gepensioneerden?
b) Erkent de Minister dat bij gebruik van een rekenrente die structureel veel lager is dan de werkelijke rendementen er uiteindelijk een structurele subsidie van oud naar jong plaatsvindt?
c) Erkent de Minister dat zolang de werkelijke rendementen hoger zijn dan de rekenrente de indexering van de pensioenen niet ten koste van het vermogen van de jongere deelnemers gaat?
d) Erkent de Minister dat ook jongere deelnemers hun eigen pensioenopbouw moeten financieren en niet moeten vertrouwen op het vermogen van de voorgaande generatie?
Hiermee wordt antwoord gegeven op alle sub-vragen.
De actuele waarde van een toegezegde (toekomstige) pensioenuitkering wordt door de marktrente bepaald, evenals de waarde van beleggingen door marktwaardes wordt bepaald. Op basis van de huidige ftk-regels mogen kostendekkende premies worden gedempt met verwacht rendement. Op het moment dat hiermee nieuwe pensioenaanspraken worden ingekocht, gaat dat ten koste van het vermogen van het pensioenfonds, omdat de kostprijs van die aanspraken op basis van de risicovrije rente hoger is. Met het nieuwe pensioenstelsel verandert de aanspraak op een uitkering in een aanspraak op een premie. Eén van de voordelen van het nieuwe pensioenstelsel op basis van persoonlijke pensioenvermogens is dat de hoogte van de premie in directere mate de hoogte van de uitkering bepaalt. De problematiek dat een te lage premie ten laste gaat van het opgebouwde vermogen behoort daarmee tot het verleden.
54.
Vraag 154 van 50PLUS: Vrije keuze voor wel of niet invaren.
Bij vraag 154 b heeft de Minister geantwoord: «In die zin heeft een individuele waardeoverdracht geen gevolgen voor het pensioenperspectief van andere deelnemers». Bij vraag 154 c is het antwoord: «De keuze van de ene individuele deelnemer heeft gevolgen voor het pensioenperspectief van de andere deelnemer». Deelnemers in het flexibele contract krijgen bij invoering van de Wtp de keuze om naar een andere pensioenuitvoerder over te stappen. Deelnemers in het solidaire contract krijgen deze keuze niet.
a) Kan de Minister uitleggen waarom individueel vertrek voor pensioendatum geen gevolgen heeft voor het pensioenperspectief van andere deelnemers maar individueel vertrek op of na pensioendatum wel gevolgen heeft voor de andere deelnemers?
b) De Minister noemt bij 154 c allerlei paternalistische argumenten om deelnemers de keuzevrijheid om naar een andere uitvoerder over te stappen te onthouden. Echter, in het flexibele contract krijgen de deelnemers die keuze wel.
Waarom gelden de paternalistische argumenten wel voor deelnemers in het solidaire contract en niet voor deelnemers in het flexibele contract?
Hiermee wordt antwoord gegeven op beide sub-vragen.
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen waarnaar wordt verwezen, wordt bij een individuele waardeoverdracht een actuarieel juiste waarde berekend die wordt overgedragen aan de nieuwe pensioenuitvoerder. De wet bepaalt wanneer individuele waardeoverdrachten kunnen plaatsvinden. Deze deelnemer stapt dus met voldoende financiering van de pensioenregeling over. In situaties van onderdekking kan geen individuele waardeoverdracht plaatsvinden en in situaties van overschotten krijgt de deelnemer zijn actuariële waarde mee, daardoor zijn er geen positieve of negatieve gevolgen voor andere deelnemers.
De stelling dat deelnemers in het flexibele contract vanwege de invoering van de Wtp een keuze krijgen om naar een andere pensioenuitvoerder over te stappen, klopt niet. Deelnemers in de huidige verbeterde premieregeling (straks de flexibele premieregeling) krijgen op pensioendatum de keuze voor een vaste of variabele uitkering. Een deelnemer bij een pensioenfonds waarbij slechts één van de twee uitkeringen worden aangeboden, heeft de mogelijkheid om voor de andere uitkeringsvorm te kiezen bij een andere pensioenuitvoerder. Dat is onderdeel van het huidig wettelijk kader en verandert niet met de invoering van de Wtp. Het tweede deel van de vraag berust daarom op een misverstand.
55.
Vraag 156 van 50PLUS: NP en onderzoek naar restitutie systeem.
Wordt met het antwoord op de vraag bedoeld dat een mogelijk restitutie systeem alleen van toepassing zou zijn op het vrijwillige NP en niet op het NP bij verplichte deelname?
In het genoemde onderzoek wordt gekeken naar een restitutievariant die naast de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting, zoals voorgesteld in dit wetsvoorstel, geïntroduceerd zou worden. Restitutie is dan alleen aan de orde wanneer de gewezen deelnemer die geen gebruik heeft gemaakt van de vrijwillige voortzetting komt te overlijden voor pensioendatum. Voor de verplichte deelname zou restitutie dan inderdaad niet van toepassing zijn, dat is ook niet nodig omdat de partner van de overleden deelnemer dan recht heeft op het nabestaandenpensioen op risicobasis.
56.
Vraag 158 Premie NP voor jonge en alleenstaande deelnemers.
De Minister heeft geantwoord: «Voor kortleven wil je de risico’s juist wel delen met elkaar, omdat je die risico’s niet alleen kunt dragen. Over de gehele carrière gezien betaalt een werknemer bij een leeftijdsonafhankelijke premie evenveel premie als bij een leeftijdsafhankelijke premie om verzekerd te zijn voor het kortlevenrisico».
a) Afschaffen van het doorsnee premiesysteem is een belangrijke motivatie voor de Wtp. Echter over de hele carrière gezien betaalt een werknemer bij het doorsneesysteem de correcte premie voor zijn pensioen. Kan de Minister uitleggen waarom het argument dat in een doorsneesysteem iedereen over de hele levensduur gemiddeld de correcte premie betaalt bij het ouderdomspensioen niet valide is maar bij het NP juist weer wel valide is?
Er bestaat een verschil tussen het heffen van een gelijke premie voor de opbouw van ouderdomspensioen, dat het langleven risico verzekert, en het heffen van een gelijke premie voor de verzekering van het risico op overlijden, het kortleven risico. Voor langleven hoef je elkaar niet per definitie te subsidiëren, maar kun je bepaalde risico’s wel delen met elkaar. Voor kortleven wil je de risico’s juist wel delen met elkaar, omdat je die risico’s niet alleen kunt dragen.
b) Alleenstaanden dragen niet bij aan het NP risico maar moeten er wel fors aan mee betalen in de Wtp. Erkent de Minister dat er hier dus geen sprake van risicodeling maar van een subsidie van alleenstaanden aan gehuwden?
Alleenstaande deelnemers zijn, net als in het huidige pensioenstelsel, solidair met deelnemers met een partner. In de premie die voor alleenstaanden wordt afgedragen zit overigens ook een deel voor de opbouw van partnerpensioen na pensioendatum. Een alleenstaande kan dit deel van het pensioenvermogen op pensioendatum uitruilen voor een hoger ouderdomspensioen. Een deelnemer met partner kan deze uitruil op pensioendatum overigens ook doen, maar dan alleen met toestemming van zijn of haar partner.
c) Erkent de Minister dat deze subsidie van alleenstaanden aan gehuwden veel groter is dan de subsidie van jonge naar oudere actieven in het doorsnee premie systeem?
Nee, dit is in algemene bewoordingen niet te zeggen omdat dit sterk afhankelijk is van de keuzes die sociale partners maken in de pensioenregeling. Daarnaast is ook de samenstelling van het deelnemersbestand hierbij relevant.
d) Is de Minister van mening dat de NP premie die van het individuele vermogen of premie wordt afgehaald op het UPO expliciet vermeld moet worden?
Zo nee, waarom is de Minister tegen een transparante pensioenafrekening?
Nee, die mening ben ik niet toegedaan. Het UPO is onder meer bedoeld om de deelnemer te informeren over de verworven pensioenaanspraken en de te bereiken pensioenaanspraken, zowel voor ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen als arbeidsongeschiktheidspensioen. Ook informatie over de werkgeverspremie en de werknemerspremie over het afgelopen jaar staat op het UPO. De elementen die verplicht op het UPO moeten staan volgen uit de Pensioenwet. Voor actieven gaat het om artikel 38 Pensioenwet en voor pensioengerechtigden om artikel 44 Pensioenwet, met de bijbehorende artikelen in het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Meer informatie, bijvoorbeeld over de hoogte van de risicopremie, op het UPO levert niet automatisch meer transparantie en duidelijkheid op voor de deelnemer. In de pensioenovereenkomst kan de deelnemer terugvinden welke premiepercentage ten goede komt aan het nabestaandenpensioen.
57.
Vraag 160 van 50PLUS: Over inflatieafdekking.
De economische theorie stelt dat aandelen en vastgoed op langere termijn de inflatie compenseren. Pensioenfondsen mogen het beschermingsrendement afdekken met een aparte beschermingsportefeuille in plaats van de DNB-RTS te gebruiken.
a) Is het mogelijk om aandelen en vastgoed in deze beschermingsportefeuille op te nemen?
b) Zo nee, waarom niet?
Hiermee wordt antwoord gegeven op beide sub-vragen.
Pensioenuitvoerders kunnen in de solidaire premieregeling kiezen tussen een beschermingsrendement op basis van de door DNB gepubliceerde nominale rentetermijnstructuur of een directe beschermingsportefeuille tegen renterisico. Het besluit toekomst pensioenen geeft aan dat pensioenuitvoerders die een direct beschermingsrendement tegen renterisico hanteren, de mate van de renteafdekking moeten onderbouwen die met een directe beschermingsportefeuille wordt geboden. De uitvoerder moet ex ante vastleggen welke rentemaatstaf voor afdekking van het renterisico wordt gehanteerd en wat wordt verstaan onder nominaal renterisico. Deze maatstaf mag geen kredietrisico bevatten. Aandelen en vastgoed zijn dus niet toegestaan. De beschermingsportefeuille kan wel (deels) bestaan uit inflatiegerelateerde beleggingen die bescherming bieden tegen een daling van reële rentes.
58.
Vraag 162 van 50PLUS: Afschaffing van de doorsneesystematiek.
Op vraag 34 van PvdA en GroenLinks in de eerste vragenronde is geantwoord: «In het wetsvoorstel toekomst pensioenen wordt voorgesteld om de impliciete herverdeling, van jongere naar oudere werknemers, die op dit moment in de doorsneesystematiek besloten zit, te beëindigen. Dit zou er in beginsel toe kunnen leiden dat een 45-jarige werknemer minder pensioen gaat opbouwen en dat pensioen afhankelijker wordt voor arbeidsparticipatie aan het begin van de loopbaan. Echter, deze effecten zullen in de praktijk beperkt zijn. Ik baseer dit op gepubliceerde berekeningen van het Centraal Planbureau (CPB)29». Bij de beantwoording van vraag 162 van 50PLUS volgt een heleboel argumenten tegen de doorsneesystematiek, echter zonder enige cijfermatige onderbouwing. De enige onderbouwing komt van het CPB, maar die concluderen nu juist dat de effecten gering zijn. Die effecten zijn er overigens niet voor de meerderheid van de deelnemers die de hele loopbaan, of in ieder geval een groot deel daarvan, in het pensioensysteem blijven deelnemen.
a) Onderschrijft de Minister de conclusie van het CPB dat de effecten van de (afschaffing van de) doorsneesystematiek gering zijn?
b) Onderschrijft de Minister dat voor een zo fundamentele beslissing als het afschaffen van de doorsneesystematiek de huidige kwalitatieve onderbouwing onvoldoende is en dat er een meer kwantitatieve onderbouwing van de voor en nadelen van de doorsneesystematiek gegeven moet worden? Zo ja, waarom doet de Minister dat dan niet?
Hiermee wordt antwoord gegeven op beide sub-vragen.
In theorie leidt het afschaffen van de doorsneesystematiek ertoe dat een 45-jarige minder pensioen gaat opbouwen. Echter, op basis van de op de praktijk gebaseerde CPB-berekeningen, die 100 duizend door CBS waargenomen loopbanen volgen, blijkt evenwel dat in de praktijk de gevolgen hiervan gering zijn. Het aangehaalde CPB-rapport licht dat toe. Voor zover sociale partners die ongunstige gevolgen wel verwachten, kan voor de cohorten die het betreft gekozen worden voor compensatie om te komen tot een evenwichtige transitie.
In het nieuwe pensioenstelsel blijft de leeftijdsonafhankelijke premie (de «doorsneepremie») gehandhaafd. Het in de vraag genoemde «afschaffen van de doorsneesystematiek» is de in het wetsvoorstel toekomst pensioenen voorgestelde wijziging van de opbouw van pensioenaanspraken, waarbij de toezegging voor een zekere pensioenuitkering vervalt. In de memorie van toelichting wordt uitgelegd waarom gekozen wordt voor premieregelingen met een opbouw van pensioenaanspraken in de vorm van een voor pensioenuitkering aan te wenden vermogen. Hiermee wordt eerder perspectief geboden op een koopkrachtig pensioen en wordt pensioen transparanter voor deelnemers. In het eerdere antwoord op vraag 162 van 50PLUS werd daar ook naar verwezen.
59.
Nabestaandenpensioen-premie.
Op basis van de overlevingstafels van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) blijkt dat bij een NP van 50% bij overlijden voor pensioendatum ongeveer 20% van de totale premiesom nodig is voor alleen de dekking van het risico op vroeg overlijden. Volgens de Wtp mag ook 10% van de premie in de solidariteitsreserve worden gestort. Volgens de ORTEC methode wordt de solidariteitsreserve alleen gebruikt voor het stabiliseren van de uitkeringen. Dit heeft bij elkaar tot gevolg dat voor jonge alleenstaanden 30% van hun pensioenpremie niet aan hun persoonlijke pensioenvermogen wordt toegevoegd, maar wordt afgeroomd ten behoeve van andere deelnemers. De Wtp had tot doel om tot een persoonlijker pensioen te komen en herverdeling tussen generaties en deelnemers te voorkomen. Is de Minister van mening dat deze 30% herverdeling gerechtvaardigd kan worden en in overeenstemming is met de doelstellingen van de Wtp?
De bewering in de vraagstelling is niet juist. Ik verwijs voor het deel wat over de premie voor nabestaandenpensioen gaat naar het antwoord op vraag 51 van deze antwoordenset. Wat het nabestaandenpensioen betreft, is er geen sprake van herverdeling. Bij de solidariteitsreserve kan inderdaad sprake zijn van herverdeling, waarbij geldt dat de solidariteitsreserve is begrensd op maximaal 15% van het totale vermogen van het pensioenfonds.
60.
Compensatie.30
In art 150 van de Wtp wordt de compensatie beschreven. In dit artikel wordt niet aangegeven wat de doelen van de compensatie zijn. In de memorie van toelichting wordt alleen compensatie voor het afschaffen van het doorsnee systeem genoemd.
a) Kan de compensatie faciliteit ook voor het compenseren van andere onevenwichtigheden gebruikt worden?
b) Zo nee, waarom is de compensatie uitsluitend voor de doorsnee premie bedoeld en niet voor andere onevenwichtigheden?
Hiermee wordt antwoord gegeven op vragen a en b.
Wanneer er in de wetsvoorstel en in de memorie van toelichting gesproken wordt over compensatie heeft dit steeds betrekking op compensatie die gegeven kan worden aan deelnemers die nadeel ondervinden als gevolg van de afschaffing van de doorsneesystematiek en de overstap naar het pensioenstelsel met leeftijdsonafhankelijke premies in combinatie met een degressieve pensioenopbouw. Compensatie die om andere redenen wordt toegekend geldt niet als compensatie in de zin van dit wetsvoorstel toekomst pensioenen. In de wetstekst is geen aparte definitie van compensatie opgenomen. In de memorie van toelichting is afdoende toegelicht wat hieronder moet worden verstaan.
c) Volgens artikel 150L wordt er niet ingevaren als dit onevenredig ongunstig is voor bepaalde groepen deelnemers, pensioengerechtigden of de werkgever. Als compensatie alleen gebruikt mag worden voor het afschaffen van het doorsneesysteem, heeft dit dan tot gevolg dat bij andere onevenwichtigheden het fonds moet kiezen voor niet invaren in plaats van het compenseren van de onevenwichtigheden?
Compensatie in de zin van dit onderliggende wetvoorstel is inderdaad alleen bedoeld voor de afschaffing van de doorsneesystematiek. De afspraken in een sector met betrekking tot invaren, het contract en eventueel compensatie zijn sterk afhankelijk van de omstandigheden in die specifieke sector. Het is aan decentrale sociale partners om te bepalen welke afspraken zij willen maken, waarbij het doel is een evenwichtige overstap te realiseren naar het nieuwe pensioenstelsel. Voor de volledigheid wil ik daarbij opmerken dat het wetsvoorstel ruimte biedt voor decentrale partijen om evenwicht vergrotende maatregelen te nemen. Dergelijke maatregelen zijn te onderscheiden van compensatiemaatregelen voor het afschaffen van de doorsneesystematiek.
61.
Pensioen ambitie en zekerheid.
Bij vraag 3 van de VVD is gevraagd naar andere methoden om tot een betere balans tussen ambitie en zekerheid te komen. De Minister heeft hierop geantwoord (in de MvA31): «In elk kapitaalgedekt pensioenstelsel hangt het gerealiseerde pensioen af van de premies, rendementen en kosten die worden gemaakt. Het garanderen van een zeker pensioen kan in theorie alleen als deze instrumenten ook daartoe worden ingezet. Door de stijgende levensverwachting, de vergrijzing van het deelnemersbestand van pensioenfondsen en de daling van de rente waarmee pensioenfondsen hun verplichtingen moeten verdisconteren, is de kostprijs van pensioen sterk toegenomen.» Hiermee wordt in één antwoord gezegd dat het pensioen zowel van het rendement als van de rente afhangt.
a) Is het de Minister bekend dat de rente en het rendement twee verschillende grootheden zijn?
b) Waarom wordt voor de geschatte kostprijs van een onzeker pensioen niet uitgegaan van het rendement?
c) Heeft de pensioenpremie enige relatie met de kostprijs van het pensioen?
d) Zo nee, wat is dan de betekenis van de term «kostendekkende premie» in de huidige wet?
e) Waarom is deze kostendekkende premie gebaseerd op het verwachte rendement en niet op de rente als volgens de Minister de kostprijs van pensioen van de rente afhangt?
f) Als de kostprijs van nieuwe pensioenopbouw afhangt van het verwacht rendement, waarom hangt de prijs van bestaande pensioenopbouw dan af van de huidige risico vrije rente?
Hiermee worden alle subonderdelen van de vraag beantwoord.
Het is mij bekend dat rente en (risicodragend) rendement twee verschillende grootheden zijn. De kostprijs van een euro uit te keren pensioen is niet anders in een zeker of een onzeker contract. In het huidige pensioenstelsel, waarbij de premie wordt afgeleid uit de toegezegde jaarlijkse pensioenaanspraak, is er een relatie met de kostprijs van deze aanspraak. Om die reden wordt ook gesproken van een kostendekkende premie. Uitgangspunt bij vaststelling van deze kostendekkende premie is waardering op basis van de risicovrije rente, maar vanuit het oogpunt van premiestabilisatie mag deze premie worden gedempt met een gemaximeerd verwacht rendement op basis van de beleggingsportefeuille van het pensioenfonds. De kostprijs blijft echter de contante waarde van de toegezegde pensioenaanspraak op basis van de risicovrije rente.
62.
Verder stelt de Minister: «Het huidige pensioenstelsel is daarom minder zeker dan het lijkt en ook in het huidige pensioenstelsel zijn pensioenkortingen niet uitgesloten.» In de huidige pensioenwet staat expliciet dat de pensioenen verlaagd kunnen worden en dus niet gegarandeerd zijn. In de wet staat ook volgens welke procedure die pensioenverlaging moet worden uitgevoerd.
Kan de Minister toelichten waarom het huidige pensioenstelsel minder zeker is dan het lijkt, terwijl expliciet in de wet staat dat het pensioen niet zeker en niet gegarandeerd is?
Inherent aan de huidige uitkeringsovereenkomsten is dat er een bepaalde mate van zekerheid wordt nagestreefd. Om deze ambitie hoog te houden, kent het huidige pensioenstelsel buffereisen, de huidige wettelijke bepalingen over pensioenverlagingen ten spijt. Echter, het garanderen van een zeker pensioen kan in theorie alleen als deze instrumenten ook daartoe worden ingezet. Door de stijgende levensverwachting, de vergrijzing van het deelnemersbestand van pensioenfondsen en de daling van de rente waarmee pensioenfondsen hun verplichtingen moeten verdisconteren, is de kostprijs van pensioen sterk toegenomen. De afgelopen 15 jaar heeft dat al geleid tot een toename van de pensioenpremies omdat de kostprijs van pensioen alsmaar toenam. Doordat de impact van de premie op de actuele financiële positie van het pensioenfonds beperkt is (in deze context wordt ook wel gezegd dat het premie-instrument bot is geworden), is het huidige pensioenstelsel al primair afhankelijk van de rendementen die pensioenfondsen kunnen behalen. Het huidige pensioenstelsel is daarom minder zeker dan het lijkt en ook in het huidige pensioenstelsel zijn pensioenkortingen niet uitgesloten.
63.
De Minister geeft ook aan: «In theorie is het denkbaar om het huidige pensioenstelsel aan te passen door de huidige uitkeringsovereenkomsten minder zeker te maken. Dat zou kunnen worden vormgegeven door de buffereisen te verlagen. Hierbij moet echter in ogenschouw worden genomen dat het verlagen van de buffereisen gevolgen heeft voor de zekerheidsmaat. Daarmee is er feitelijk ook sprake van invaren naar een nieuw contract, wat ook gepaard gaat met juridische en procedurele waarborgen voor evenwichtigheid». In 2015 zijn de buffereisen verhoogd met het verhogen van de indexatiedrempel van 105% naar 110% en de invoering van het toekomst bestendig indexeren.
a) Was er toen ook feitelijk sprake van invaren in een nieuw contract? Zo nee, waarom niet?
b) Was deze wijziging die het doel had om indexatie moeilijker te maken wel evenwichtig?
c) Is er toen wel compensatie geboden voor deelnemers die door deze wijzigingen werden benadeeld?
Hiermee wordt antwoord gegeven op alle sub-vragen.
De veranderingen op het gebied van indexatie die door de vraagsteller worden genoemd, waren onderdeel van een bredere herziening, waarbij bijvoorbeeld ook de regels omtrent pensioenkortingen zijn gewijzigd. De betreffende aanpassingen waren onderdeel van de Wet aanpassing financieel toetsingskader. Net als bij andere wetsvoorstellen is het wetsvoorstel juridisch getoetst door de Raad van State. Daarna is het wetsvoorstel behandeld en aangenomen in de Staten-Generaal. Daar heeft een afweging van alle voor- en nadelen van de wetgeving plaatsgehad.
64.
Pensioenfondsen moeten de kostprijs van pensioen berekenen op basis van de risico vrije rente.
a) Betekent de term «risico vrije rente» dat deze rente iets met risico te maken heeft?
b) Zo ja, waarom wordt dan alleen het wijzigen van de buffers en niet ook de discontorente genoemd als methode om de zekerheidsmaat van de pensioenen aan te passen?
c) Kan de overheid de disconto rente aanpassen?
d) Zo nee, hoe is het dan mogelijk dat in 2007 de disconto rente voor pensioenfondsen is gewijzigd van 4% naar de risico vrije rente?
Hiermee wordt antwoord gegeven op alle sub-vragen.
De risicovrije rente betreft het rendement op een risicovrije investering. Volledig risicovrije investeringen bestaan niet en daarom wordt doorgaans naar overheidsobligaties (van bepaalde overheden en bepaalde looptijden) gekeken als vergelijkbare investering. Deze risicovrije rente wordt in het ftk gebruikt om de contante waarde van de toekomstige verplichtingen te berekenen. In die berekening speelt risico geen rol. In andere woorden; het doel van de berekening is een puur waarderingsvraagstuk, niet een vraagstuk rond risico en rendement. Om het opgebouwde persoonlijke vermogen te kunnen verdelen over de tijd wordt gebruik gemaakt van een projectierendement. In de pensioenwet en de lagere regelgeving wordt bepaald dat dit projectierendement wordt gebaseerd op de rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB met eventueel een op- of een afslag. Om deze rentetermijnstructuur te bepalen maakt DNB gebruik van marktinformatie.
65.
Keuzevrijheid en verplichtstelling.
Bij vraag 4 van de VVD heeft de Minister geantwoord: «De pensioenopbouw in het nieuwe pensioenstelsel is echter wel degelijk persoonlijker en transparanter. Dit komt doordat deelnemers in het nieuwe pensioenstelsel meer inzicht krijgen in de ingelegde premie, het opgebouwde pensioenvermogen en de behaalde rendementen. Ook is er sprake van een directe relatie tussen de ingelegde premie en het opgebouwde pensioen, als gevolg van de afschaffing van de doorsneesystematiek». Bij vraag 7 van de VVD is echter geantwoord: «het premieniveau is ontkoppeld van de gedekte risico’s».
a) Kan de Minister uitleggen hoe het kan dat er een directe relatie tussen de ingelegde premie en het opgebouwde pensioen is, maar dat tegelijkertijd het premieniveau is ontkoppeld van de gedekte risico’s?
Er is een directe relatie tussen premie en opbouw én bepaalde risico’s zijn ontkoppeld van de premie. Ik licht beide toe. Onder de Wtp blijft de van leeftijd onafhankelijke premie (de «doorsneepremie») gehandhaafd. De bij antwoord 4 (VVD) genoemde «afschaffing van de doorsneesystematiek» is een in Wtp voorgestelde wijziging van de opbouw van pensioenaanspraken, waarbij de toezegging voor een zekere pensioenuitkering vervalt. Onder de doorsneesystemathiek was de waarde van die toegezegde pensioenuitkering niet in overeenstemming met de premie die daarvoor werd afgedragen. Voor jongere deelnemers was die premie hoger, voor oudere deelnemers lager. Onder de Wtp verandert dit en krijgt de opbouw van pensioenaanspraken de vorm van een voor pensioenuitkering aan te wenden vermogen. Hier is sprake van een directe relatie omdat de ingelegde premie direct wordt bijgeschreven bij de opgebouwde pensioenaanspraak van de betreffende deelnemer. Daarbij wordt nog opgeteld het rendement dat gemaakt wordt, uitvoeringskosten worden ervan afgetrokken.
Ook in de nieuwe premieregelingen blijft sprake van solidariteit. Voor werkgevers die onder de verplichtstelling vallen, kent het betreffende pensioenfonds een acceptatieplicht; dat pensioenfonds mag geen werkgevers deelname aan het pensioenfonds weigeren, ook niet werkgevers met een «slecht risico». Dat zijn werkgevers met een deelnemerspopulatie die extra risico kent. Denk daarbij aan werkgevers (die werknemers in dienst hebben) met een hogere kans op arbeidsongeschiktheid of werkgevers (die werknemers in dienst hebben) met een extra hoge levensverwachting. Het pensioenfonds mag ook niet de premie verhogen voor deze werkgevers, met een «slecht risico».
b) Voor de zorgverzekering is er wel individuele keuzevrijheid voor een uitvoerder. Bij de ziekteverzekering is er ook sprake van collectief gedragen risico’s en acceptatieplicht. Blijkbaar is verzekeringsplicht goed te combineren met vrije keuze voor een uitvoerder. Ook nu zijn er al bedrijven die vrijstelling hebben van deelname aan een verplicht bedrijfstakfonds omdat zij de verplichte pensioenregeling zelfstandig uitvoeren. Waarom is niet gekozen voor een bij CAO verplichte inhoud van de pensioenregeling, maar voor een vrije keuze op bedrijfs- of individueel niveau voor de uitvoerder?
c) Is de verplichtstelling wel houdbaar als uit de casus van de zorgverzekering blijkt dat de voordelen van een verplichte regeling goed te combineren zijn met een vrije keuze van de uitvoerder?
d) Is de analyse van de verplichtstelling die de overheid heeft uitgevoerd gebaseerd op een verplichte regeling of op een verplichte uitvoerder? Kan de Minister dat nader toelichten?
Hiermee wordt antwoord gegeven op vragen b, c en d.
De verplichte deelname in de pensioenregeling van een bedrijfstakpensioenfonds is sinds 1949 wettelijk geregeld. Deze verplichte deelname in de pensioenregeling van een bedrijfstakpensioenfonds is door de Europese rechter toelaatbaar geacht en een toegestane inmenging op de Europese mededingingsregels. Zoals in antwoord op eerdere vragen is aangegeven is de verwachting dat ook de nieuwe premieregelingen deze toets kunnen doorstaan. Uitgangspunt bij de vernieuwing van het pensioenstelsel was immers een zodanige vormgeving dat de verplichtstelling van pensioen houdbaar blijft gelet op het Europese mededingingsrecht (VWEU art. 102).
Het «verhangen» van de verplichtstelling naar de regeling betekent een majeure ingreep op de marktordening. Er zou dan immers een wijziging (in de vormgeving) van de verplichtstelling moeten plaatsvinden. Het wordt niet opportuun geacht om een dergelijke wijziging, met mogelijk ingrijpende consequenties – bijvoorbeeld vanwege Europeesrechtelijke mededingingsregels – nu door te voeren zonder eerst een fundamentele discussie over de verplichtstelling te hebben gevoerd met alle betrokken belanghebbenden.
66.
Voor verplichte regelingen is een solidariteits- of risicodelingsreserve verplicht. Er staat niets in de wet over de minimale omvang van deze reserves, de vulling of de doelen.
a) Is aan de wettelijke eisen voldaan met een reserve van b.v. 1 euro per deelnemer?
b) Zo nee, wat is dan de minimale omvang voor de reserves om aan de wet te voldoen?
Hiermee wordt antwoord gegeven op beide sub-vragen.
Van tevoren moeten doelen en vul- en uitdeelregels voor de solidariteitsreserve en de risicodelingsreserve worden vastgesteld. Hieruit volgt de omvang van deze reserves die het pensioenfonds hier minimaal voor nodig acht te moeten hebben. De maximale omvang is 15% van het pensioenfondsvermogen (zie ook artikel 10d, eerste lid en artikel 10e, eerste lid, van de Pensioenwet).
67.
Rendement van 9%.
Bij vraag 10 van de VVD kwam aan de orde dat er in de economische scenarioset is uitgegaan van een mediaan aandelen rendement van 9%.
a) Is het de Minister bekend dat dit aanzienlijk hoger is dan het historisch gemiddelde van 6% rendement op aandelen?
Er wordt in de vraag gesproken over twee verschillende statistieken. De Commissie Parameters 2022 heeft mede op basis van historische data van 1900 – 2021 geadviseerd om het (netto meetkundig) gemiddelde aandelenrendement op 5,2% te zetten. Het gemiddelde aandelenrendement in de P-scenarioset is gelijk aan deze geadviseerde parameter. In de betreffende scenarioset is het mediane aandelenrendement inderdaad gelijk aan circa 9%. Dit is niet gelijk aan het gemiddelde aandelenrendement en kan dus niet vergeleken worden met een historisch gemiddelde.
b) Welke rol speelt dit rendement van 9% in de analyse en doorrekeningen van de Wtp?
Hoe kan het dat deze mediaan zoveel afwijkt van het meetkundig gemiddelde van 5,2% dat de Commissie Parameters heeft voorgesteld?
De Commissie Parameters 2022 heeft, in lijn met het advies van de Commissie Parameters in 2019, in het model onderliggend aan de scenariosets a priori een aantal parameters voor de lange termijn vastgelegd. Dat geldt ook voor de parameter voor het aandelenrendement. De Commissie Parameters 2022 verwacht dat het (meetkundig) gemiddelde rendement op beursgenoteerde aandelen op de lange termijn gelijk is aan 5,2%. Dit komt overeen met een mediaan aandelenrendement van circa 9%. De P-scenarioset met onder andere deze eigenschap is gebruikt om de gemiddelde uitkering inzichtelijk te maken bij de doorrekeningen van DNB en enkele pensioenfondsen in december 2022.32 De P-scenarioset zal tevens gebruikt worden bij diverse andere wettelijke toepassingen. Dit betreft de communicatie over toekomstige pensioenuitkeringen (in zowel het huidige als het nieuwe pensioenstelsel, alsmede de transitie), de haalbaarheidstoets in het huidige pensioenstelsel en het bepalen van de fiscale premiegrens, het in beeld brengen van de balans tussen de pensioendoelstelling en de premie en het toetsen van de aansluiting van het beleggingsbeleid en toedelingsregels op de risicohouding in het nieuwe pensioenstelsel.
c) Is de Minister bereid de analyses opnieuw te doen met de parameterwaarden van de Commissie Parameters?
d) Zo nee, waarom niet? Wat is het nut van deze berekeningen als er vervolgens heel andere waarden voor de parameters worden gebruikt dan door de Commissie is geadviseerd.
Hiermee wordt zowel onderdeel c als d van vraag 67 beantwoord. DNB en enkele pensioenfondsen hebben reeds (in december 2022) doorrekeningen gemaakt met de nieuwe scenariosets zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022. Zoals uitgelegd in het antwoord op vraag 67b zijn hierbij ook de parameterwaarden van de Commissie Parameters 2022 toegepast.
68.
Buffer verplichtingen in FTK.
Bij vraag 4 van het CDA heeft de Minister geantwoord dat door de FTK regels en de hoge buffer verplichtingen er de afgelopen jaren niet geïndexeerd kon worden. De FTK regels waar het hier om gaat zijn: 1) De invoering van de risicovrije rente als discontovoet in 2007; 2) De verhoging van de indexatie grens naar 110% in 2015; De verhoging van de grens voor volledige indexatie via het Toekomst Bestendig Indexeren in 2015.
De problemen van het FTK zijn dus niet eigen aan het FTK systeem maar een gevolg van de wijzigingen in het FTK na 2007.
Is de Minister het er mee eens dat bij terugkeer naar een vaste rekenrente het probleem van het niet indexeren ondanks een excessieve toename van het pensioenvermogen ook opgelost had kunnen worden?
De tot voor kort sterke toename van het pensioenvermogen is in belangrijke mate het gevolg geweest van de daling van rentes. Die twee elementen zijn dus nauw met elkaar verbonden. Een vaste rekenrente doorbreekt deze economische relatie. Bovendien leidt een daling van werkelijke rentes tot een stijging van de kostprijs van door kapitaal gedekt pensioen. Met een vaste rekenrente wordt deze economische realiteit weggedefinieerd, maar deze verdwijnt daardoor niet. Het gevolg hiervan is dat hogere pensioenuitkeringen die het gevolg zijn van een hogere vaste rekenrente niet voortkomen uit een lagere kostprijs van pensioen, maar moeten worden betaald uit het bestaande pensioenvermogen dat bestemd is voor de dekking van het toekomstige pensioen van jongere deelnemers. Hierdoor wordt het financiële draagvlak van de tweede pijler uitgehold, maar dit blijft verborgen achter een onvermijdelijk subjectief gekozen vaste rekenrente, die los staat van de economische realiteit. Dat is geen toekomstbestendige oplossing voor de huidige problemen van ons pensioenstelsel.
69.
Pensioen ZZP.
In vraag 5 heeft het CDA zorgen geuit over pensioendeelname van ZZP-ers. De Minister heeft geantwoord dat dit beter wordt door de verruiming van de 3e pijler tot 30%.
a) Waarom denkt de Minister dat verruiming van de 3e pijler tot 30% tot meer deelname van ZZP-ers aan het pensioen systeem zal leiden als nu de ruimte van 13% al niet gebruikt wordt?
b) Daarnaast komen er experimenten met vrijwillige voortzetting bij een pensioenfonds. Waarom zou vrijwillige deelname voor ZZP-ers aantrekkelijk zijn? In het Wtp hebben zij immers geen enkele eigen zeggenschap over het beleggingsprofiel en geen vrije keuze om wel of niet een nabestaanden pensioen te verzekeren. De 3e pijler biedt deze mogelijkheden wel en zal dus voor velen aantrekkelijker zijn.
Van degenen die pensioensparen in de derde pijler (waaronder zelfstandigen) benut circa een derde nagenoeg de maximale fiscaal ruimte (90 tot 100% van de berekende maximale jaarruimte). Voor hen is de huidige beperktere fiscale ruimte mogelijk knellend. De genoemde maatregel wordt onder meer genomen zodat zelfstandigen die pensioen opbouwen in de derde pijler daarmee dezelfde fiscale ruimte voor pensioenopbouw hebben als werknemers in de tweede pijler. De maatregel draagt er in die zin aan bij dat pensioensparen door zelfstandigen beter wordt gefaciliteerd.
Op basis van de experimenteerwetgeving kan – zoals is toegelicht in hoofdstuk 12 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel33 – proefondervindelijk worden bekeken of en op welke wijze bredere en toegankelijkere mogelijkheden in de tweede pijler kunnen worden gecreëerd voor zelfstandigen om tot een betere pensioenopbouw te komen, waardoor de inkomensterugval bij pensionering voor deze groep wordt verkleind. Specifiek is gekozen voor experimenten in de tweede pijler. Zelfstandigen kunnen op deze manier profiteren van het collectieve karakter van tweedepijlerpensioenregelingen en de (solidariteits)voordelen die daarmee samenhangen, zoals de voordelen van risicodeling tussen deelnemers(groepen). Dit kan aantrekkelijk zijn voor hen. Bovendien kan het voor zelfstandigen die deels in loondienst werkzaam zijn, aantrekkelijk zijn als zij over hun gehele inkomen pensioen kunnen opbouwen bij dezelfde pensioenuitvoerder. Ook kan het aantrekkelijk zijn voor zelfstandigen om pensioen op te bouwen bij het pensioenfonds van de sector of onderneming waar(in) ze werken wanneer zij een sterke mate van binding ervaren met die sector of onderneming. Daarnaast kan het voor zelfstandigen die in het verleden enige pensioenaanspraken hebben opgebouwd in de sector waar ze werkzaam zijn en zich vertrouwd mee voelen, aantrekkelijk zijn opnieuw aan te sluiten bij de pensioenregeling. De experimenteerwetgeving biedt deze mogelijkheden. Het is tot slot goed te benadrukken dat zelfstandigen die zich niet vrijwillig willen aansluiten bij een pensioenregeling in de tweede pijler omdat dit voor hen niet aantrekkelijk is, ook de mogelijkheid hebben om een regeling te treffen in de derde pijler.
70.
Verplicht invaren.
Bij vraag 13 heeft het CDA twijfels over de noodzaak en rechtvaardigheid van het verplichte invaren. Het Wtp pensioen is in de opbouwfase een beleggingsfonds. Dit is een wezenlijk ander product dan een pensioenuitkering. Dat het pensioenvermogen mogelijk dezelfde financiële waarde heeft als de uitkering betekent nog niet dat de omzetting zonder instemming van de deelnemer gerechtvaardigd is. De waarde die de deelnemer persoonlijk toekent aan het pensioen, kan een heel andere zijn dan de waarde die een actuaris daaraan toekent. De noodzaak van invaren is niet aangetoond. In het flexibele contract krijgen alle deelnemers met lopende pensioenen de keuze om te vertrekken naar een andere aanbieder. Dit had in het solidaire contract ook gekund. Tenzij het bestaande pensioenvermogen nodig is om knelpunten of tekorten in de Wtp op te lossen. Maar is er dan geen sprake van een herverdeling die de Wtp juist probeert te voorkomen? Kunt u uw antwoord motiveren?
In het nieuwe pensioenstelsel kunnen partijen kiezen uit drie contractvormen, te weten de solidaire premieovereenkomst, de flexibele premieovereenkomst en voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen de premie-uitkeringsovereenkomst. Sociale partners zullen een keuze maken naar gelang wat het beste past bij de specifieke kenmerken en omstandigheden in een bepaalde bedrijfstak of onderneming. Voorts bepalen sociale partners of een verzoek tot invaren zal worden gedaan. Het pensioenfonds heeft vervolgens een eigen verplichting, op grond van artikel 150l lid 4 van de Pensioenwet, om het invaarverzoek te beoordelen op diverse aspecten zoals uitvoerbaarheid en naleving van wettelijke voorschriften. Het pensioenfonds besluit zelfstandig nadat de fondsorganen op de juiste wijze zijn geraadpleegd of het zal invaren, er is derhalve geen verplichting tot invaren, anders dan vragensteller suggereert. Volledigheidshalve wil ik daarbij opmerken dat ook veronderstellingen die in deze vraag besloten liggen, zoals dat met de Wtp pensioenfondsen verworden tot beleggingsfondsen en dat invaren dient om tekorten in de Wtp op te lossen (en derhalve invaren verplicht zou zijn, hetgeen niet het geval is) in diverse eerdere antwoorden zijn weerlegd.
71.
Niet invaren.
Bij vraag 14, 15 van het CDA over de gevolgen van niet invaren heeft de Minister geantwoord:
1) Dat alleen in de nieuwe regeling rendement eerder beschikbaar komt voor uitkering als pensioen. Dit is geen natuurwet. De overheid zou ook kunnen besluiten om de versoepelde regels uit 2022 en 2023 te handhaven. De blokkade op indexering is ontstaan door de wijzigingen in hef FTK die de overheid na 2007 heeft ingevoerd. Met de FTK regels van voor 2007 hadden de pensioenfondsen wel kunnen indexeren.
2) Dat in een gesloten fonds er defensiever belegd moet worden naarmate de deelnemers ouder worden. Dit argument is niet terzake omdat volgens het Wtp-Life Cycle beleggingsprincipe er voor dezelfde deelnemers ook na invaren defensiever belegd moet worden naarmate ze ouder worden. Door de individualisering in de Wtp is dit effect sterker dan onder het FTK waarin risico’s collectief gedragen worden. 3) Twee gescheiden regelingen is complexer en minder inzichtelijk voor de deelnemer. Dit is waar maar niet onoverkomelijk. Heel veel pensioenfondsen die van DB naar DC zijn overgestapt beheren een gesloten DB fonds naast een DC fonds voor de actieven. Dat blijkt geen probleem te zijn. Veel deelnemers hebben op grond van hun arbeidsverleden al pensioenrechten in meerdere fondsen. Zij zijn dus al aan de situatie van meerder fondsen gewend. 4) Minder risicodeling door 2 gescheiden fondsen. Binnen het Wtp systeem worden risico’s niet tussen deelnemers gedeeld omdat iedereen zijn eigen individuele vermogen krijgt. Het Wtp pensioen is in de opbouwfase een beleggingsfonds. Ook dit argument is dus onjuist. In het antwoord stelt de Minister: «De keuze van de ene individuele deelnemer heeft gevolgen voor het pensioenperspectief van de andere deelnemer.»
a) Kan de Minister dit toelichten, de kern van de Wtp is toch een systeem van individuele vermogensopbouw zonder herverdeling.
b) Hoe kan dan de keuze van de ene deelnemer gevolgen hebben voor het pensioenperspectief van andere deelnemers?
c) Deelnemers kunnen ook uit het fonds vertrekken door te kiezen voor een andere werkgever. Heeft dit ook gevolgen voor het pensioenperspectief van de andere deelnemers? Zo ja, wat wordt daar dan aan of tegen gedaan?
d) Als niet invaren alleen maar nadelen heeft zoals de Minister suggereert, zullen alle deelnemers wel willen invaren. Maar ongetwijfeld heeft het handhaven van het systeem met een uitkeringsrecht i.p.v. een pensioenvermogen ook voordelen voor de deelnemer. Waarom vertrouwt de overheid het niet aan de burgers toe om zelf een keuze te maken die bij hun voorkeur past?
Hiermee wordt antwoord gegeven op alle sub-vragen.
De aanname dat risico’s niet onderling gedeeld worden, is onjuist. Nog steeds worden bijvoorbeeld langlevenrisico’s gedeeld en is het mogelijk om deze en andere risico’s via een solidariteits- of risicodelingsreserve te delen. Wanneer een deel van de deelnemers wel en een deel niet invaart, ontstaan gescheiden vermogens, waartussen risico’s niet gedeeld kunnen worden. Bij het invaren heeft de keuze van de ene deelnemer gevolgen voor de andere.
Bij een individuele waardeoverdracht wordt een actuarieel juiste waarde berekend die wordt overgedragen aan de nieuwe pensioenuitvoerder. De Pensioenwet bepaalt wanneer individuele waardeoverdrachten kunnen plaatsvinden. Deze deelnemer stapt dus met voldoende financiering van de pensioenregeling over. In situaties van onderdekking kan geen individuele waardeoverdracht plaatsvinden en in situaties van overschotten krijgt de deelnemer zijn actuariële waarde mee, daardoor zijn er geen positieve of negatieve gevolgen voor andere deelnemers.
Tot slot wordt gevraagd naar de mogelijkheid voor de deelnemer om individueel te kiezen voor invaren. In de memorie van toelichting en in de memorie van antwoord waarnaar in de vraagstelling wordt verwezen is de motivering voor de collectieve vormgeving van het invaren toegelicht.
72.
Adviesrecht per geleding.
Blijkens vraag 16 CDA wijst de Minister een adviesrecht per geleding in het VO af. Er is echter een belangentegenstelling tussen de werkgever en de actieven enerzijds en de gepensioneerden anderzijds. De werkgever en de actieven kunnen beslissen over de inrichting van het stelsel en het invaren, en vervolgens de rekening daarvoor bij de gepensioneerden leggen. Die hebben geen enkele zeggenschap en nooit meer dan 1/3 deel van de zetels in het VO.
Waarom verwacht de Minister dat hier toch een evenwichtig advies wordt opgesteld als de meerderheid er belang bij heeft om dat juist niet te doen?
Sociale partners doen weliswaar een verzoek tot invaren, maar pensioenfondsbesturen zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor het invaarbesluit. Zij bepalen of zij het verzoek kunnen inwilligen en op welke wijze zij het invaarbesluit vormgeven. Zij doen dit met inachtneming van evenwichtige belangenafweging. Het wetsvoorstel stelt hierbij enkele aanvullende eisen om te borgen dat alle belangen meegewogen worden. Dit betreft onder meer het adviesrecht van het verantwoordingsorgaan op het invaarbesluit. In het verantwoordingsorgaan zijn in ieder geval deelnemers en pensioengerechtigden vertegenwoordigd, dit evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen. Dit is wettelijk niet gekoppeld aan een maximum, zoals 1/3e van het aantal zetels. Het verantwoordingsorgaan beoordeelt of het pensioenfondsbestuur de verschillende belangen evenwichtig heeft meegewogen en baseert het gezamenlijke advies hierop. Het antwoord op vraag 16 van het CDA in de memorie van antwoord ging in op het feit dat niet iedere geleding binnen het verantwoordingsorgaan de mogelijkheid heeft om de gang naar de Ondernemingskamer te maken. Die mogelijkheid bestaat alleen voor het verantwoordingsorgaan als geheel. Dat neemt niet weg dat de verschillende geledingen binnen het verantwoordingsorgaan verschillend kunnen oordelen over het voorgenomen besluit tot invaren. Het is daarbij belangrijk dat sociale partners op de hoogte worden gebracht van de bevindingen van het verantwoordingsorgaan. Het wetsvoorstel toekomst pensioenen regelt dan ook dat het pensioenfonds de werkgever of sociale partners hierover informeert. Zodoende kunnen zij hun invaarverzoek heroverwegen en aan de hand van deze bevindingen het verzoek zo nodig actualiseren.
Naast de plicht van het pensioenfondsbestuur om belangen evenwichtig af te wegen en het adviesrecht van het verantwoordingsorgaan, worden in het wetsvoorstel enkele andere waarborgen voorgesteld om een evenwichtig besluit door het pensioenfonds te borgen. Zo heeft het intern toezicht nadrukkelijk een rol. Ook wordt het invaarbesluit getoetst door de toezichthouder.
73.
Restitutie mogelijkheid NP.
Bij vraag 25 en 26 CDA over de mogelijkheid van een restitutie systeem bij overlijden voor pensioendatum heeft de Minister gezegd de kamer uiterlijk 1 juni 2023 te informeren over de uitkomsten van het onderzoek.
a) Is de Minister het er mee eens dat een restitutie systeem tot een wezenlijk andere kostenstructuur voor het pensioen leidt en dus ook tot andere pensioenuitkomsten?
b) Publicatie van het onderzoek in juni 2023 betekent dat een eventuele wetswijziging op zijn vroegst laat in het najaar van 2023 komt. Hoe moeten pensioenfondsen het nieuwe contract doorrekenen als niet bekend is hoe het Nabestaandenpensioen en restitutie geregeld gaan worden?
Hiermee wordt antwoord gegeven op vragen a en b.
Restitutie leidt inderdaad tot een wezenlijk andere kostenstructuur. Restitutie gaat namelijk uit van kapitaaldekking terwijl in het huidige wetsvoorstel wordt uitgegaan van risicodekking. Het onderzoek waar in de vraag op wordt gedoeld, richt zich op een variant van restitutiemogelijkheid die naast de vrijwillige voortzetting van het nabestaandenpensioen zou worden geïntroduceerd. Toegezegd is om dit onderzoek voor 1 juni aan de Tweede Kamer te sturen. Deze planning is zodanig om het mogelijk te maken dat een eventuele restitutieregeling, indien een dergelijk variant wenselijk wordt geacht, toegevoegd zou kunnen worden aan het wetsvoorstel keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen. Streven is dat dit wetsvoorstel rond de zomer van 2023 in internetconsultatie zal gaan. Het eventueel toevoegen van restitutie naast de vrijwillige voortzetting in het nabestaandenpensioen heeft geen effect op de transitie. Een eventuele restitutieregeling zou namelijk pas gaan gelden vanaf het moment van de transitie. Restitutie is niet met terugwerkende kracht mogelijk en heeft daarmee geen effect op het reeds (tot het moment van de transitie) gespaarde pensioenvermogen. Het speelt daarmee ook geen rol in de transitie of het overgangsrecht.
74.
Premie nabestaandenpensioen bij vrijwillige voortzetting.
Vraag 27, 28 CDA.
a) Verwacht de Minister dat pensioenfondsen bij de vrijwillige voortzetting van het nabestaandenpensioen (NP) een leeftijdsonafhankelijke doorsneepremie zullen hanteren?
Ik heb hierover geen informatie van pensioenfondsen beschikbaar.
b) Zo ja, leidt dit dan niet tot oneerlijke concurrentie met verzekeraars die een actuarieel kostendekkende premie per deelnemer moeten gebruiken?
Een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds heeft de mogelijkheid om voor de vrijwillige voortzetting van de risicodekking voor partnerpensioen een leeftijdsafhankelijke risicopremie te rekenen. Zoals bij sub a geantwoord heb ik nog geen informatie vanuit de pensioenfondsen ontvangen welke premie zij voornemens zijn om in rekening te brengen voor de vrijwillige voortzetting.
c) Als de fondsen een actuarieel neutrale premie gebruiken voor de vrijwillige voortzetting, hoe hoog wordt de premie dan op basis van leeftijd en dekkingspercentage voor het NP?
De hoogte van de premie voor het nabestaandenpensioen is naast de hoogte van het dekkingspercentage afhankelijk van bijvoorbeeld de samenstelling van het deelnemersbestand en de hoogte van het pensioengevend salaris. Er is dan ook geen algemeen antwoord te geven op deze vraag.
d) Als een deelnemer overstapt van een fonds met nabestaandenpensioen naar een fonds zonder nabestaanden pensioen, heeft dat dan tot gevolg dat er, ongeacht de hoogte van het persoonlijke pensioenvermogen, geen nabestaandendekking meer is?
Dat klopt, tenzij de deelnemer in het huidige pensioenstelsel al opgebouwd partnerpensioen heeft verworven wat beschermd wordt door het overgangsrecht nabestaandenpensioen.
e) Kan een deelnemer die over gaat naar een werkgever zonder NP, het NP bij een vorige werkgever vrijwillig voort zetten?
Een gewezen deelnemer kan bij beëindiging van het dienstverband en daarmee het einde van deelnemerschap in de pensioenregeling na afloop van de uitloopperiode ervoor kiezen om de risicodekking uit de pensioenregeling vrijwillig voort te zetten. Bij een aansluitend dienstverband, waarbij dus geen sprake is van een uitloopperiode van drie (of zes) maanden, bestaat niet de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van de risicodekking. De beslissing om een nieuwe dienstbetrekking aan te gaan, met alle arbeidsvoorwaarden die daarbij horen (waaronder ook afspraken over (partner)pensioen), ligt bij de werknemer. Het is niet passend om het nabestaandenrisico in dat geval wel door het oude collectief te laten delen
f) Er zijn nu pensioenfondsen waarbij de NP-dekking op vrijwillige basis is. Blijft dit ook in de Wtp mogelijk?
Dit blijft mogelijk in het nieuwe pensioenstelsel.
75.
Premie NP voor jonge en alleenstaande deelnemers.
Vraag 29 CDA.
a) Hoe hoog wordt de NP-premie voor de dekking van het risico op overlijden voor pensioendatum bij een NP van 50% of van 25%?
b) Klopt het dat deze premie bij een NP van 50% in ordegrootte van 1/5 deel van de totale pensioen premie zal liggen?
Met navolgend antwoord worden sub-vragen a en b gezamenlijk beantwoord.
De hoogte van de premie voor het nabestaandenpensioen is naast de hoogte van het dekkingspercentage afhankelijk van bijvoorbeeld de samenstelling van het deelnemersbestand en de hoogte van het pensioengevend salaris. Er is dan ook geen algemeen antwoord te geven op deze vraag.
c) Vindt de Minister het acceptabel en gerechtvaardigd dat in een stelsel waarin er geen herverdeling tussen deelnemersgroepen zou zijn, een relatief groot deel van de premie van alleenstaande deelnemers wordt afgenomen ten gunste van de gehuwde/ samenwonende deelnemers?
Er bestaat een verschil tussen het heffen van een gelijke premie voor de opbouw van ouderdomspensioen, dat het langleven risico verzekert, en het heffen van een gelijke premie voor de verzekering van het risico op overlijden, het kortleven risico. Voor langleven hoef je elkaar niet per definitie te subsidiëren, maar kun je bepaalde risico’s wel delen met elkaar. Voor kortleven wil je de risico’s juist wel delen met elkaar, omdat je die risico’s niet alleen kunt dragen. Binnen een pensioenfonds is men solidair met elkaar, dit geldt zowel voor alleenstaanden als voor deelnemers met een partner.
76.
Koopkrachtig pensioen.
Op vraag 3 van PvdA en GL heeft de Minister geantwoord te verwachten dat voor het fonds als geheel de beleggingsmix niet zal veranderen. Tegelijkertijd wordt verwacht dat volgens het life cycle beleggen er voor de jongere deelnemers meer in aandelen met een hoger verwacht rendement zal worden belegd. Dit heeft als gevolg dat er voor de oudere en gepensioneerde deelnemers minder in aandelen, en dus met een lager verwacht rendement wordt belegd. Blijkbaar is het concept van de Wtp om in de opbouwfase met veel risico een hoog kapitaal op de bouwen dat in de pensioenfase risicoloos belegd kan of moet worden. Voor de huidige generatie gepensioneerden heeft dat tot gevolg dat zij de periode met verhoogde opbouw door een hoger rendement hebben gemist, maar wel de uitkeringsperiode met een verlaagd rendement krijgen.
a) Zou het niet evenwichtiger zijn als de huidige generatie gepensioneerden compensatie krijgt voor dit lagere rendement op hun pensioenvermogen?
b) De leden van het CDA hebben in vragen 32, 33, 34 en 35 ook gevraagd of het Wtp systeem wel voldoende koopkracht biedt in tijden van hoge inflatie. In het antwoord van de Minister ontbreekt een cijfermatige onderbouwing van de stelling dat het Wtp-pensioen behoud van koopkracht kan bieden. Kan de Minister die onderbouwing alsnog leveren?
Hiermee wordt antwoord gegeven op vragen a en b.
Een belangrijk verschil met het huidige pensioenstelsel is dat in het nieuwe pensioenstelsel rendementen en bijbehorende risico’s gericht naar leeftijden worden toebedeeld, passend bij de risicohouding van een specifiek leeftijdscohort. De risicodeling rond financiële risico’s wordt hiermee geoptimaliseerd en bovendien wordt transparanter hoe het pensioenvermogen zich ontwikkeld. Het is in zijn algemeenheid niet te zeggen of dat gepensioneerden op basis van het huidige pensioenstelsel een te laag rendement op hun pensioenvermogen hebben ontvangen aangezien bijvoorbeeld het beleggings- en indexatiebeleid per pensioenfonds verschilt.
c) De Minister noemt inflatie-gerelateerde beleggingen als oplossing. Volgens de economische theorie bieden aandelen en vastgoed inflatie bescherming. Kunnen aandelen en vastgoed daarmee aangemerkt worden als inflatie-gerelateerde belegging?
Voor een direct beschermingsrendement tegen inflatie geldt dat zakelijke waarden en beleggingen in vastgoed rendementen kunnen genereren die enigszins gecorreleerd zijn met inflatie. Zij geven echter niet volledige bescherming tegen inflatierisico en zijn wellicht niet geschikt voor de portefeuille die direct bescherming moet bieden tegen inflatie. DNB houdt toezicht op de inrichting van de directe beschermingsportefeuille tegen inflatie. Overigens hebben bovengenoemde beleggingscategorieën geen plaats in een portefeuille voor directe bescherming tegen renterisico vanwege het aandelenrisico in deze beleggingscategorieën.
d) Verder wordt een afslag op het projectierendement genoemd. Is het de Minister bekend dat die afslag leidt tot een lager pensioen? Is de Minister het er mee eens dat 1% afslag leidt tot een ongeveer 10% lager pensioen? Is de Minister het er mee eens dat 2% afslag voor inflatie dus tot ongeveer 20% lagere pensioenen leidt?
In algemene zin is mij bekend dat een afslag op het projectierendement leidt tot een lager aanvangspensioen en projectie van de te verwachten pensioenuitkering. Wat het effect is van een 1% afslag hangt onder andere af van de te verwachte uitkeringsperiode van de betreffende fondspopulatie. Daar kan ik geen uitspraak over doen.
e) De Minister noemt ook de solidariteits- of risico delingsreserve als inflatie compensatie. Is de Minister van mening dat inflatie-compensatie voor alle deelnemers noodzakelijk is of zijn deze reserves alleen voor de inflatie compensatie van de gepensioneerden bedoeld?
f) Als de reserves voor inflatiecompensatie voor alle deelnemers gebruikt worden, heeft dit tot effect dat de deelnemers eerst vanuit premie of rendement geld in de reserves storten en dat vervolgens weer terug krijgen. Wat is het nut van dit heen en weer schuiven van geld tussen de reserve en het individuele vermogen?
g) Als de inflatiecompensatie alleen voor de gepensioneerden is, is het dan redelijk dat de actieve deelnemers de inflatie zelf niet gecompenseerd krijgen maar wel moeten betalen voor de compensatie van de gepensioneerden? Wordt hiermee niet een omslagstelsel in de pensioenen gebracht waarbij de premie van de jongeren wordt gebruikt voor de pensioenuitkeringen van de ouderen?
Hiermee wordt antwoord gegeven op de subvragen e, f en g van vraag 76.
Het pensioenfonds bepaalt de doelstellingen waarvoor zij de solidariteitsreserve wil inzetten en voor welke groepen zij de solidariteitsreserve wil inzetten. Hierdoor heeft zij de mogelijkheid via de solidariteitsreserve intergenerationele risicodeling te bewerkstellingen bijvoorbeeld door inflatiebescherming te bieden aan reeds ingegane uitkeringen. Een CPB-studie heeft laten zien dat intergenerationele risicodeling in een collectief meerwaarde heeft34. Overigens geldt bij de inrichting van de reserve dat op voorhand voorkomen moet worden dat een bepaalde generatie binnen een pensioenregeling uitsluitend baten of lasten heeft van de reserve.
h) Welke mogelijkheden heeft een pensioenfonds in het Wtp om de pensioenaanpassingen niet te koppelen aan het beleggingsrendement maar aan de prijsindex?
Bij een solidaire premieovereenkomst bepalen de betreffende sociale partners uiterlijk iedere vijf jaar of de beoogde pensioendoelstelling wordt behaald. Daarbij kan het een doelstelling zijn om pensioen voor inflatie te compenseren. Is naar inschatting de kans (te) groot dat de doelstelling niet gehaald wordt, dan kunnen de betreffende sociale partners hun doelstellingen of andere afspraken over de pensioenregeling heroverwegen zodat de doelstellingen wel gehaald worden.
77.
Wijziging met terugwerkende kracht.
De leden van het CDA (vraag 48) hebben gevraagd naar de toepassing van art 19 pensioenwet. Het huidige pensioenvermogen is opgebouwd onder artikel 19 en 20 van de pensioenwet waarin stond dat de werkgever de pensioenovereenkomst eenzijdig kan aanpassen maar dat die aanpassingen dan alleen gelden voor de nieuwe opbouw. De oude opbouw blijft ongewijzigd. Nu worden deze artikelen gewijzigd zodat zonder instemming van de deelnemer de oude aanspraken kunnen worden omgezet. Is hier nu niet sprake van wetswijziging met terugwerkende kracht?
In het betreffende antwoord is toegelicht dat er geen sprake is van een wetswijziging met terugwerkende kracht. Artikel 19 van de Pensioenwet heeft betrekking op de wijziging van een pensioenovereenkomst. Artikel 20 van de Pensioenwet regelt dat reeds opgebouwde aanspraken en rechten niet worden gewijzigd behoudens specifieke uitzonderingen. Een van de in dat artikel genoemde uitzonderingen is de collectieve waardeoverdracht. In geval van een collectieve waardeoverdracht kunnen opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten wijzigen. Voor wat betreft de interne collectieve waardeoverdracht voor het invaren is de uitzondering op artikel 20 geregeld in artikel 150l, vijfde lid van het onderliggende wetsvoorstel. Er is geen sprake van een wetswijziging met terugwerkende kracht.
78.
Nadeel van afschaffen doorsnee systeem voor vrouwen en deelnemers die pas op latere leeftijd gaan werken. Bij vragen 34 en 35 hebben GL en PvdA gevraagd naar het nadeel van het afschaffen van het doorsnee systeem voor vrouwen die enige tijd korter of niet in loondienst werken en in het algemeen voor mensen die pas op latere leeftijd aan het pensioen deelnemen. Volgens het antwoord van de Minister is het effect op het uiteindelijke pensioenresultaat verwaarloosbaar. Nu is het nadeel voor de late toetreders hetzelfde als het voordeel voor de vroege uittreders. Voor de deelnemers die hun hele leven in het pensioensysteem blijven deelnemen heeft het doorsneesysteem immers geen voor- of nadeel. Het Wtp voorstel is in belangrijke mate gemotiveerd met het idee dat het systeem niet eerlijk is voor diegenen die op latere leeftijd niet meer deelnemen. Als het effect van het afschaffen van het doorsnee systeem uiteindelijk verwaarloosbaar is, waarom doen we dat dan?
De doorsneepremie wordt niet afgeschaft met het wetsvoorstel toekomst pensioenen. De doorsneeopbouw van toezeggingen voor een zekere pensioenuitkering wordt wel afgeschaft. Belangrijke reden daarvoor is dat het niet transparant is voor deelnemers en dat de ervoor benodigde zekerheid erg duur is. Deze motivatie staat beschreven onder andere in de hoofdstukken 1 en 2 van de memorie van toelichting bij het onderliggende wetsvoorstel.
Verder geldt dat het voor een individuele deelnemer inderdaad kan zijn dat, door het afschaffen van de doorsnee-opbouw, het nadeel van enkele jaren later beginnen met pensioenopbouw toeneemt en dat het nadeel van enkele jaren eerder stoppen evenveel afneemt. Dit is een theoretische benadering, want in de praktijk zien we het aantal zelfstandigen toenemen. Voor deze mensen geldt niet dat ze slechts enkele jaren eerder stoppen met pensioenopbouw; deze mensen beginnen vaak rond het midden van hun loopbaan voor zichzelf en stoppen dan in veel voorkomende gevallen met pensioenopbouw. Voor deze grote en groeiende groep zelfstandigen is de ontbrekende pensioenopbouw die ontstaat, onder de doorsneesystematiek groter dan wat die zal zijn onder de pensioenopbouw die het wetsvoorstel toekomst pensioenen voorstelt.
79.
Compensatie.
In art 150 van de Wtp wordt de compensatie beschreven. In dit artikel wordt niet aangegeven wat de doelen van de compensatie zijn. In de MvT wordt alleen compensatie voor het afschaffen van het doorsnee systeem genoemd. Kan de compensatie faciliteit ook voor het compenseren van andere onevenwichtigheden gebruikt worden?
Wanneer er in de wetsvoorstel en in de memorie van toelichting gesproken wordt over compensatie heeft dit steeds betrekking op compensatie die gegeven kan worden aan deelnemers die nadeel ondervinden als gevolg van de afschaffing van de doorsneesystematiek en de overstap naar het stelsel met leeftijdsonafhankelijke premies in combinatie met een degressieve pensioenopbouw. Compensatie die om andere redenen wordt toegekend geldt niet als compensatie in de zin van dit wetsvoorstel toekomst pensioenen. In de wetstekst is geen aparte definitie van compensatie opgenomen. In de memorie van toelichting is afdoende toegelicht wat hieronder moet worden verstaan.
80.
De Minister geeft aan dat deelnemers aan het UPO inzake de transitie-informatie, het overzicht voor en na transitie, geen rechten kan ontlenen. Deelnemers zouden op grond van het pensioenreglement en het wettelijk kader zelf moeten onderbouwen dat ze benadeeld zijn bij het invaren. Is die conclusie correct?
Aan het UPO of de transitie-informatie kan een deelnemer geen rechten ontlenen, juridisch is het pensioenreglement leidend. Dat neemt niet weg dat pensioenuitvoerders gehouden zijn informatie te verstrekken die correct, duidelijk en evenwichtig is, conform artikel 48 van de Pensioenwet. Daarbij komt dat het invaren omgeven is met diverse waarborgen, zoals een wettelijke norm voor wat iedereen minimaal ontvangt bij de transitie, en houden DNB en AFM toezicht op de uitvoering van de transitie en de informatievoorziening vanuit de pensioenuitvoerder. Mocht een deelnemer twijfelen, bijvoorbeeld op basis van de ontvangen informatie, dan kan hij navraag doen bij zijn pensioenuitvoerder. De Pensioenwet bepaalt welke informatie op verzoek ten minste gevraagd kan en verstrekt moet worden35 en welke informatie beschikbaar dient te zijn36. Onderdeel hiervan is dat hij een indicatie van het mogelijk te bereiken kapitaal op de pensioendatum of een indicatie van de hoogte van de in te kopen periodieke uitkeringen bij aanwending van het mogelijk te bereiken kapitaal kan opvragen. Mocht een deelnemer dan nog van mening zijn dat er iets niet klopt, kan hij een klacht indienen bij zijn pensioenuitvoerder (volgens wettelijke voorschriften), de klacht voorleggen bij een externe geschilleninstantie en/of bij de rechter zijn geschil voorleggen.
81.
Is de Minister ermee bekend dat pensioenreglementen vaak wijzigen?
a) Deelt de Minister het feit dat indien een deelnemer zelf vast wil stellen wat de feitelijke hoogte is of wordt van zijn pensioenrecht, of zijn (toegerekende) pensioenvermogen, die deelnemer naast alle historische pensioenreglementen en salarisinformatie ook over alle fondsspecifieke elementen zoals dekkingsgraad, rente-afhankelijke invaarrekenregels en gedetailleerde informatie over de deelnemersbestandsopbouw, zou moeten beschikken?
b) En deelt de Minister de opvatting dat het dus in de praktijk volstrekt onmogelijk is dat een deelnemer zelf, of met hulp van een deskundige, de hoogte van zijn pensioenrecht of vermogen kan vaststellen of verifiëren zonder aanvullende informatie van de uitvoerder?
En dat het dus de (zorg)plicht van een uitvoerder is om de deelnemer onderbouwd en volledig te informeren over zijn pensioenrecht en vermogen, op een zodanige wijze dat de deelnemer zelf in staat is om met de door de uitvoerder verstrekte informatie vast te stellen of zijn pensioenrecht en vermogen juist zijn vastgesteld?
Hiermee wordt antwoord gegeven op beide sub-vragen.
Ik ben er mee bekend dat pensioenreglementen kunnen wijzigen. Ondanks beschikbaarheid van veel informatie, kan het inderdaad lastig zijn voor een individuele deelnemer om precies te controleren of zijn pensioenvermogen of -uitkering op de juiste manier is vastgesteld. Er zijn uitgebreide informatievoorschriften waaraan pensioenuitvoerders moeten voldoen, zodat de deelnemer beschikking kan hebben over de benodigde informatie. Elke pensioenuitvoerder heeft nu al de wettelijke plicht de deelnemer te voorzien van basisinformatie over de pensioenregeling. Deze verplichte informatie omvat informatie over de wijze waarop de deelnemer pensioen opbouwt. Ongeacht het soort pensioenregeling kan de deelnemer op basis van informatie over de wijze van opbouw weten hoe zijn pensioen groeit. Verder kan de deelnemer elk jaarlijks pensioenoverzicht (UPO) vergelijken met het vorige, en zo nagaan hoe zijn pensioen zich heeft ontwikkeld. Zo nodig of indien gewenst kan de deelnemer zich met vragen om uitleg en duiding wenden tot zijn pensioenuitvoerder, die de plicht heeft deze informatie op verzoek te verstrekken. Voor alle informatie geldt dat de pensioenuitvoerder de plicht heeft erin te voorzien dat deze correct is. Op de naleving van de eis is wordt toezicht gehouden door de Autoriteit Financiële Markten. Voor de transitie geldt daarnaast ook dat de deelnemer zowel voor als na de transitie specifieke transitie-informatie ontvangt. Deze informatie geeft inzicht in de situatie voor en na transitie. Indien er (grote) verschillen zitten in deze overzichten, licht de pensioenuitvoerder dat toe. Deelnemers kunnen deze overzichten vergelijken met de reguliere UPO-reeks. Bij twijfel of vragen heeft de deelnemer de mogelijkheid te vragen naar de correctheid van de informatie en zo nodig te vragen om een herberekening. De betreffende pensioenuitvoerder is verplicht deze informatie op verzoek te verschaffen, en wel zonder kosten in rekening te mogen brengen bij die deelnemer. Overigens zal de pensioenuitvoerder op verzoek ook een berekening van de transitie-effecten per leeftijdscohort beschikbaar stellen en plaatst op zijn website een kwalitatieve toelichting op de transitie-effecten.
Op deze manier worden deelnemers op een goede manier geïnformeerd over hun pensioen, zoals dat ook in het huidige pensioenstelsel gebeurt, en over de transitie, met een nadruk op welke veranderingen plaatsvinden.
82.
Blijkt uit de eerdere beantwoording van Kamervragen en de wettekst (o.a. artikel 38) dat uitvoerders volgens de Wtp in een solidair contract niet meer verplicht zijn te communiceren over de hoogte en mutatie van een persoonlijk pensioenvermogen?
a) En als dat zo is, staat dat dan niet op gespannen voet met de beginselen van dit nieuwe pensioenstelsel om meer transparant en persoonlijk te informeren en communiceren?
b) Is de Minister het er mee eens dat alleen communiceren over een verwacht pensioen dat jaarlijks sterk zal wisselen, zal leiden tot verwarring en afbreuk zal dan aan het vertrouwen van het nieuwe stelsel?
Hiermee wordt antwoord gegeven op beide sub-vragen.
Nee, dat klopt niet. Deelnemers en gewezen deelnemers krijgen als opgave van hun opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioenpensioen het voor pensioenuitkering aan te wenden vermogen of kapitaal verstrekt. Dit wordt in de artikelen 38 en 40 van de Pensioenwet en, via het Besluit toekomst pensioenen, in artikel 5a, eerste en tweede lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling geregeld.
Deelnemers worden middels het UPO geïnformeerd over zowel hun reeds opgebouwde aanspraken als het reglementair te bereiken pensioen. Dat verwachte pensioenuitkeringen kunnen fluctueren draagt ook bij aan het inzicht dat beleggingsresultaten mee of tegen kunnen vallen, en daarmee ook de pensioenuitkering. Deelnemers worden naar mijn idee goed geïnformeerd over hun pensioen. Ik ben ervan overtuigd dat het nieuwe pensioenstelsel goed en nodig is, dat zal ook haar weerklank hebben op het vertrouwen in het pensioenstelsel.
83.
Is de Minister ermee bekend dat het ABP al persoonlijke pensioenvermogens communiceerde?
a) Is de Minister ermee bekend dat die persoonlijke pensioenvermogens in de periode van januari tot april bij sommige deelnemers wel 30% zijn gedaald in de weergaven van ABP?
b) Is de Minister ermee bekend dat ABP de nu gecommuniceerde pensioenvermogens vanaf mei 2023 niet meer zal tonen?
c) Is de Minister bekend met de reden waarom de persoonlijke pensioenvermogens niet meer getoond worden?
d) Is de Minister het er mee eens dat dit niet zal bijdragen aan het vertrouwen van deelnemers in de transitie naar het nieuwe stelsel?
Hiermee wordt antwoord gegeven op alle sub-vragen.
In de «pensioenpot» van ABP kunnen deelnemers zien hoeveel geld bij benadering is gereserveerd voor hun pensioen. Dit is gebaseerd op de huidige wet- en regelgeving en factoren. Door de Wtp zal het wettelijk kader en de factoren wijzigen, waardoor de bedragen niet meer precies hetzelfde zijn. Het ABP geeft aan dat informatie goed moet zijn. Pas als de exacte regels vanuit de Wtp van kracht zijn kan de pensioenpot weer getoond worden. In de tussentijd zijn deelnemers niet van informatie verstoken, de wettelijke verplichte informatie blijft beschikbaar en van toepassing. Ik kan de redenering van het ABP om op deze manier te handelen met betrekking tot de pensioenpot volgen en ben niet van mening dat hiermee het vertrouwen in de transitie geschaad zou worden.
84.
Uitvoering:
a) De Minister geeft aan dat bij de overgangsregeling voor wezenpensioen, de voorwaarden blijven gelden die golden ten tijde van de opbouw van het wezenpensioen. Betekent dit ook dat de huidige wezen-definities daarvoor in stand blijven? En dat voor de nieuwe wezenpensioendekking nieuwe definities gaan gelden?
b) Is de Minister het er mee eens dat dit nog meer dan 20 jaar in de administraties van pensioenuitvoerders kan doorlopen? Is de Minister het er mee eens dat dit de uitvoerbaarheid van wezenpensioen flink in de weg kan gaan zitten? Omdat dan feitelijk toch nog heel lange tijd 2 regelingen naast elkaar lopen.
c) Als er meerdere definities zijn voor wezenpensioen bestaande opbouw en voor de nieuwe dekking kunnen er vreemde situaties ontstaan waarbij de ene wees iets krijgt uit bestaande opbouw, maar niet uit nieuwe dekking of omgekeerd. Is de Minister het er mee eens dat dit de uitlegbaarheid flink in de weg kan zitten?
d) Is het zo dat bij nabestaandenpensioen voor reeds opgebouwde rechten en voor nieuwe dekking van nabestaandenpensioen ook verschillende partnerdefinities gehanteerd moeten worden, namelijk de bestaande definities voor transitie en de nieuwe definities na transitie? Zo ja, is de Minister eens dat hierdoor tientallen jarenlang verschillende administratieve regels nodig zijn voor de uitvoering van het nabestaandenpensioen als gevolg van overgangsregels?
e) Is de Minister het er mee eens dat dit bovendien tot onuitlegbare situaties kan leiden dat nabestaanden volgens de ene regel wel in aanmerking komen voor nabestaandenpensioen en voor de andere niet? Heeft de Minister in het kader van uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid alternatieven overwogen?
Hiermee wordt antwoord gegeven op vragen a, b en c.
Met het wetsvoorstel waarmee keuzemogelijkheden in het nabestaandenpensioen zullen worden geïntroduceerd zal ook een voorstel gedaan worden voor een uniforme wezendefinitie. Met die geüniformeerde wezendefinitie komt een eind aan de huidige situatie dat wezendefinities tussen verschillende pensioenregelingen uiteen kunnen lopen.
In het kader van de overgangsregeling uit het onderliggende wetsvoorstel worden de reeds opgebouwde rechten gerespecteerd en zullen daarvoor de huidige wezendefinities en voorwaarden van kracht blijven. Deze worden dus niet met terugwerkende kracht aangepast. Dit ter bescherming van bestaande rechten. Dit betekent inderdaad wel dat pensioenuitvoerders de definities die zij nu al gebruiken in het kader van het overgangsrecht nog langere tijd zullen moeten hanteren en ook naast de nieuwe geüniformeerde wezendefinitie wanneer het genoemde wetsvoorstel over keuzemogelijkheden in het nabestaandenpensioen is aangenomen. Van belang is hierbij op te merken dat ernaar gestreefd wordt dat de nieuwe geüniformeerde wezendefinitie zoveel mogelijk aansluit bij de nu al gangbare definities. Mochten er in een afzonderlijke pensioenregeling toch significante verschillen zijn in de oude en nieuwe definitie, dan vergt dit een goede voorlichting vanuit de pensioenuitvoerders.
Hiermee wordt antwoord gegeven op vragen d en e.
De wijze van introductie van de nieuwe geüniformeerde partnerdefinitie is een bewuste keuze geweest. In de afweging zijn de effecten op de uitvoering wel meegenomen, maar woog uiteindelijk de wens van het behoud van rechten zwaarder. Daarom is voorgesteld dat de nieuwe partnerdefinitie alleen van toepassing is vanaf de transitiedatum. Partnerschappen die al bestonden vóór de transitie, op basis van de toen geldende definitie, worden ook na de transitie geëerbiedigd. Dit om te voorkomen dat door de voorgestelde aanpassing van de partnerdefinitie met terugwerkende kracht rechten zouden worden aangetast. Dit betekent wel dat pensioenuitvoerders met twee definities zullen moeten werken. Namelijk de oude definitie voor personen die al een partnerschap hebben op moment van transitie en een nieuwe definitie voor nieuwe partnerschappen. Dit is voor hen uitvoerbaar. Overigens is de verwachting dat de nieuwe partnerdefinitie in belangrijke mate overeen zal komen met de nu bestaande partnerdefinities. Pensioenuitvoerders moeten daarover wel goed voorlichten, zodat duidelijk is voor de deelnemers welke definitie voor hen van toepassing is.
Belangrijke winst van de geüniformeerde partnerdefinitie is dat een einde komt aan de situatie dat de partnerbegrippen tussen pensioenregelingen kunnen verschillen. Op dit moment kan het voorkomen dat een deelnemer en zijn/haar partner bij de pensioenregeling van de één worden aangemerkt als partners en bij de pensioenregeling van de ander niet. Dat leidt in de praktijk tot niet uitlegbare verschillen.
f) Is de Minister ermee bekend dat grote actuariële adviesbureaus zoals WTW, Sprenkels en Ortec niet meer zomaar nieuw werk en nieuwe klanten aannemen omdat ze daar geen tijd en mankracht voor hebben? Kan de Minister comfort geven dat er voldoende adviseurs beschikbaar zijn om deze transitie binnen de tijdsspanne en bovendien verantwoord te vervolbrengen?
Het comfort dat er voldoende adviseurs beschikbaar zijn kan ik op voorhand niet geven. Wel wil ik opmerken dat de pensioensector aangeeft dat het al geruime tijd geleden is begonnen met voorbereidende werkzaamheden, hiertoe hoort ook het inschakelen van actuariële expertise. Gedurende de transitiefase zal de voortgang van de transitie door de regering worden gemonitord. Zowel de Eerste als de Tweede Kamer zullen hierover periodiek (tenminste jaarlijks) worden geïnformeerd. Doel van de monitoring is om tijdig knelpunten in de transitie te kunnen identificeren en waar nodig aanvullende maatregelen te kunnen nemen. De monitoring zal zich hiertoe richten op de voortgang van de besluitvorming en implementatie. Sociale partners, toezichthouders en pensioenuitvoerders zullen betrokken worden bij de monitoring, waardoor ook eventuele problemen met beschikbaarheid van adviseurs tijdig naar voren kunnen komen. Naar aanleiding van signalen en voortgangsinformatie zal gedurende de transitie kunnen worden bijgestuurd waar nodig. Welke bijsturing nodig is, hangt af van de knelpunten.
85.
De Minister geeft aan dat het risicopreferentie-onderzoek moet aansluiten bij de pensioencontext en de persoonlijke situatie van de deelnemers en een realistisch beeld van de hoogte van de te verwachten uitkering en de te verwachte zekerheid van de pensioenuitkering moet geven. Daarnaast schrijft de wet voor dat berekeningen voor pensioencommunicatie moet plaatsvinden op basis van de commissie parameters 2022 scenario’s. Deze vorm van communicatie zou volgens de toelichting op de wetgeving een realistisch beeld geven.
a) Is de Minister ermee bekend dat bij doorrekeningen o.b.v. de geadviseerde parameters van de Commissie Parameters, met name jonge deelnemers een hoger verwacht pensioen krijgen, maar ook een hoger pensioen krijgen in een slecht weer scenario in geval zij meer risico nemen door meer in zakelijke waarden te beleggen?
b) Hoe kan de Minister dit verklaren? Vindt de Minister dit realistisch? En zo nee, kan de Minister er voor zorgdragen dat dit wordt aangepast in de modellen?
Hiermee wordt zowel onderdeel a als b van vraag 85 beantwoord.
Allereerst dient genoemd te worden dat pensioenuitvoerders bij het tonen van mogelijke uitkomsten aan deelnemers ten behoeve van het risicopreferentieonderzoek niet verplicht worden om de scenariosets zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022 te hanteren. Zie hiervoor het antwoord op vraag 86.
Uit berekeningen van DNB, voor een voorbeeldfonds en gebruikmakend van de scenariosets zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022, van december 202237 volgt inderdaad dat jongeren in het nieuwe pensioenstelsel er in zowel het mediane scenario als het slechtweerscenario op vooruit gaan ten opzichte van de verwachte uitkomsten onder het huidige pensioenstelsel. Als we voor deze deelnemers niet naar de gemiddelde uitkering over de pensioenperiode kijken, maar de jaarlijkse uitkering, dan zien we dat de uitkering in de solidaire premieregeling niet altijd hoger is dan in het huidig ftk-contract in het 5e percentiel. De uitkeringen in de solidaire premieregeling fluctueren sterker mee met de rendementen dan in het huidig ftk-contract. Het middelen van de uitkeringen over de pensioenperiode geeft derhalve een gunstiger beeld van de solidaire premieregeling dan het tonen van jaarlijkse uitkeringen. Daar staat tegenover dat de pensioenuitkering in het nieuwe pensioenstelsel meer onzekerheid kent dan in het huidig ftk-contract. De spreiding tussen slechtweer en verwachte uitkomsten neemt toe. Dit effect is het grootst voor de groep 25 tot 45-jarigen. De mate van onzekerheid hangt onder meer af van keuzes die het pensioenfonds maakt bij inrichting van contract en invaren.
Uit berekeningen van een aantal pensioenfondsen in december 202238 volgt dat, onder bepaalde fondsspecifieke aannames en gebruikmakend van de scenariosets zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022, een 25-jarige in het nieuwe pensioenstelsel er in het slechtweerscenario op achteruit gaat ten opzichte van het huidige pensioenstelsel. Dit komt omdat het nieuwe pensioenstelsel meer onzekerheid kent dan het huidige pensioenstelsel. Hieruit blijkt dat de daadwerkelijke effecten afhankelijk zijn van fondsspecifieke keuzes rondom het invaren, het fondsbeleid en de financiële positie van het pensioenfonds.
86.
Is de Minister ermee bekend dat de AFM een doorrekening op basis van de commissie parameters scenariosets niet acceptabel vindt bij het voorleggen van verschillende pensioenbedragen in het kader van risicopreferentieonderzoeken. Volgens de AFM moeten pensioenfondsen namelijk een economische scenarioset gebruiken die onderscheidende risico-rendementsafwegingen oplevert. Dat betekent dat deelnemers niet kunnen kiezen voor «gratis» meer risico. Hoe kan de Minister dit plaatsen in het licht dat de scenarioset in het kader van communicatie aan deelnemers als realistisch beschouwd wordt?
Pensioenuitvoerders dienen periodiek een risicopreferentieonderzoek uit te voeren, waarbij naar verwachting voor ieder cohort voldoende representatieve individuele uitkomsten opgehaald worden zodanig dat de respons per cohort een adequate weerspiegeling is van de cohortpopulatie en de cohortpopulaties tezamen een weerspiegeling zijn van de gehele deelnemerspopulatie. Door middel van het risicopreferentieonderzoek wordt de mate onderzocht waarin een groep deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden bereid is beleggingsrisico’s te lopen met het oog op hun doelstellingen. Bij de uitvraag van het risicopreferentieonderzoek wordt rekening gehouden met de mate waarin de betreffende groep beleggingsrisico’s kan dragen, gegeven de kenmerken van de groep. De exacte invulling van de uitvraag van het risicopreferentieonderzoek, binnen gestelde wettelijke kaders, is een open norm. Pensioenuitvoerders zijn dan ook niet verplicht om hierbij de scenariosets zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022 te hanteren, maar zij kunnen daar wel voor kiezen. Dit maakt het voor pensioenuitvoerders mogelijk om maatwerk toe te passen in het risicopreferentieonderzoek. Het standpunt dat het gebruik van de scenarioset zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022 onacceptabel zou zijn, klopt volgens de AFM dan ook niet. Wel wijst de AFM erop dat het van belang is dat er in de vraagstelling van het risicopreferentieonderzoek daadwerkelijk sprake is van een afweging tussen extra rendement en een verhoogd risico. Het risicopreferentieonderzoek dient aan te sluiten bij de pensioencontext en de persoonlijke situatie van deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden en geeft in de uitvraag een realistisch beeld van de hoogte van de te verwachten pensioenuitkering en de te verwachten zekerheid van de pensioenuitkering.
Het risicopreferentieonderzoek vormt een onderdeel bij de vaststelling van de risicohouding van de pensioenuitvoerder. Bij de vaststelling van de risicohouding zijn pensioenuitvoerders ook niet verplicht om de scenariosets zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022 te hanteren (maar dat kan wel). Naast het risicopreferentieonderzoek zijn wetenschappelijke inzichten en deelnemerskenmerken bij het vaststellen van de risicohouding van belang. De pensioenuitvoerder maakt een integrale afweging van de resultaten van het risicopreferentieonderzoek, de wetenschappelijke inzichten en de deelnemerskenmerken, en stelt de risicohouding vast per leeftijdscohort in voorgeschreven maatstaven.
87.
Is de Minister het eens met de conclusie dat de scenariosets van de Commissie Parameters blijkbaar niet voor ieder doel geschikt zijn? In hoeverre zijn de economische scenariosets van de Commissie Parameters dan geschikt voor invaren? Hoe kan de Minister dit onderbouwen?
Daar ben ik het niet mee eens. De scenariosets zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022 zijn geschikt voor diverse wettelijke toepassingen. De set met economische scenario’s is naast de wettelijke toepassingen in het huidige pensioenstelsel, namelijk de communicatie over toekomstige pensioenuitkeringen en de haalbaarheidstoets, in het nieuwe pensioenstelsel en de transitie daarnaartoe noodzakelijk voor het bepalen van de (maximale) fiscale premiegrens, voor het in beeld brengen van de balans tussen de pensioendoelstelling en de premie, voor het toetsen of het beleggingsbeleid en de toedelingsregels aansluiten bij de risicohouding en voor het berekenen van de pensioenverwachting als onderdeel van het toetsen van de evenwichtigheid van de transitiebesluiten. Deze wettelijke toepassingen vormen instrumenten om te borgen dat beleidsmatige overwegingen op fondsniveau kunnen worden gemaakt.
Voor de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel is tevens een nieuw type set nodig, namelijk een set met risico-neutrale scenario’s. Voor het bepalen van de vermogensverdeling bij het invaren met de vba-methode en bij het berekenen van nettoprofijteffecten moet namelijk marktconsistent gewaardeerd worden. Dit gebeurt met risico-neutrale scenario’s, die DNB tenminste ieder kwartaal publiceert. In de Wet toekomst pensioenen is voorgeschreven dat pensioenfondsen deze effecten inzichtelijk moeten maken en moeten betrekken bij de besluitvorming.
Merk op dat het pensioenfondsen vrijstaat om, naast bovenstaande, eigen scenario-analyses (met een eigen scenarioset) te hanteren bij de diverse berekeningen, ten behoeve van eigen inzichten.
88.
Is de Minister ermee bekend dat de AFM brieven over de risicopreferentieonderzoeken stuurt aan pensioenfondsen waarin zij vereist dat de gamma uit een CRRA nutsfunctie als verplicht onderdeel wordt uitgevraagd als interpretatie van de AFM van de mate van relatieve risicoaversie? Ofwel dat de AFM hier een zeer specifieke en theoretische maatstaf vereist ten aanzien van relatieve risicoaversie die verder niet in de wetgeving genoemd wordt en daarmee pensioenfondsen onder druk zet om deze maatstaf te berekenen waar pensioenfondsen deze niet nodig hebben voor de vertaling van risicopreferentie naar beleggingsbeleid maar slechts meer kosten maken en tijd verliezen.
Is de Minister het er mee eens dat de dreigende normoverdragende brieven van de AFM van afgelopen tijd ook onnodig bijdragen aan de druk die opgevoerd wordt?
a) Wat is het oordeel van de Minister over deze voortdurende verzwaring van de werkdruk voor pensioenfondsen?
b) Kan de Minister aangeven wat het nut is voor AFM om deze theoretische CRRA nutsfunctie te willen weten?
Hiermee wordt antwoord gegeven op beide sub-vragen.
Deelnemers verschillen in de mate waarin zij aangeven beleggingsrisico’s te willen en kunnen lopen. Zij hebben een verschillende risicopreferentie. Om de risicopreferentie vast te kunnen stellen, dient een risicopreferentieonderzoek uitgevoerd te worden door de pensioenuitvoerder. De vastgestelde risicopreferentie vormt een belangrijk onderdeel bij de vaststelling van de risicohouding. De exacte invulling van het risicopreferentieonderzoek is een open norm, maar het is belangrijk omdat het de pensioenuitvoerder wel voldoende inzicht moet bieden om het beleggingsbeleid op te kunnen baseren. Hiervoor volstaat een kwalitatief inzicht niet («meer» of juist «minder» risicopreferentie). In de voorlopige leidraad risicopreferentieonderzoek van de AFM39 is daarom opgenomen dat ten minste de mate van relatieve risicoaversie als maatstaf af te leiden moet zijn uit het onderzoek naar risicotolerantie.
89.
Is de Minister ermee bekend dat AFM brieven over risicopreferentieonderzoeken stuurt aan pensioenfondsen waarin zij lijkt te eisen dat in het risicopreferentieonderzoek ook het risicodraagvlak kwantitatief wordt geïnventariseerd? Dit terwijl de Minister zelf nog in de toelichting bij het concept besluit Wtp aan heeft gegeven dat dit geen onderdeel is van het risicopreferentieonderzoek, om zo het proces te vereenvoudigen. Dit is een voorbeeld waarbij de toezichthouders druk uitoefenen op pensioenfondsen met dreiging van normoverdragende brieven om een nieuw risicopreferentieonderzoek uit te voeren zodra de wetgeving ingaat.
a) Kan de Minister aangeven dat dit soort boodschappen van de AFM niet de bedoeling is van adequaat toezicht?
b) Kan de Minister de toezichthouders tot de orde roepen in geval zij zelf nadere invulling geven aan de wetgeving en buiten de voor hun geëigende kaders treden?
c) Ziet de Minister in dat er voor pensioenfondsen geen tijd te verliezen is, en dat het niet wenselijk is als toezichthouders nieuwe onderzoeken en plannen eisen die helemaal aan het begin van het ontwerptraject van een nieuwe regeling staan omdat de transitieplanning anders in gevaar komt en pensioenfondsen ten koste van de deelnemers onnodig op nog meer transitiekosten worden gejaagd?
Hiermee wordt antwoord gegeven op alle sub-vragen.
Ik ben niet bekend met specifieke correspondentie tussen AFM en pensioenuitvoerders, noch is het aan mij om een oordeel te vormen over de strekking daarvan. In algemeenheid kan ik aangeven dat in het voorgestelde artikel 14v, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (risicopreferentieonderzoek) het volgende staat:
«Het risicopreferentie-onderzoek onderzoekt de mate waarin een groep deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden bereid is beleggingsrisico’s te lopen met het oog op hun doelstellingen. Hierbij zal tenminste de mate van relatieve risicoaversie van deze groep worden afgeleid uit het onderzoek. Bij de vaststelling van de uitvraag voor het risicopreferentie-onderzoek wordt rekening gehouden met de mate waarin deze groep beleggingsrisico’s kan dragen gegeven de kenmerken van de groep, op basis van onder meer deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten. De uitkomsten van het onderzoek zijn bruikbaar voor het vaststellen van de risicohouding op cohortniveau.»
Hier is dus geregeld dat bij het risicopreferentieonderzoek ook rekening gehouden wordt met de mate waarin beleggingsrisico’s gedragen kunnen worden. Dat is zodat bij de uitvraag naar wat deelnemers kunnen dragen ook een realistisch en bruikbaar beeld naar voren komt die benut kan worden in de volgende fase van het vaststellen van de risicohouding. Dat laat echter onverlet dat het vaststellen van de risicohouding wordt gebaseerd op in ieder geval de uitkomsten van het risicopreferentieonderzoek, deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten. De pensioenuitvoerder onderbouwt uiteindelijk hoe en in welke mate deze elementen hebben bijgedragen aan de risicohouding. Binnen deze wettelijke kaders geeft de AFM het toezicht terzake vorm.
DNB en AFM zijn onafhankelijke en zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) en maken derhalve geen onderdeel uit van een ministerie, maar voeren zelfstandig openbaar gezag uit, binnen de gestelde wettelijke kaders.
Hierbij geldt dat het invullen van een open norm aan de adressant van een open norm is, vaak een pensioenuitvoerder. De toezichthouder kan in de toezichtpraktijk pensioenuitvoerders op verschillende manieren handvatten bieden, informeren en bewust maken van het standpunt van de toezichthouder. Veelal gebeurt dit door het geven van guidance, bijvoorbeeld in de vorm van een leidraad, «Good Practice» of een «Q&A». Deze uitingen binden de toezichthouder maar niet de pensioenuitvoerder. Pensioenfondsen kunnen ook andere keuzes maken mits deze aan wet- en regelgeving voldoen (zie ook bijvoorbeeld de leeswijzers van DNB en AFM over de status van beleidsuitingen).40 Ook toezichthouders kunnen niet verder kan gaan dan de wetgeving voorschrijft. Overigens geldt dat beleidsuitingen door de toezichthouders vaak opgesteld worden omdat daar een bepaalde behoefte voor bestaat vanuit de sector.
Het risicopreferentieonderzoek volgt uit wet- en regelgeving. Dit is geen onderzoek dat de toezichthouder oplegt aan de sector.
90.
Gelijke aanpassing van de uitkeringen is in het solidaire contract alleen toegestaan voor pensioengerechtigden, terwijl het wenselijk is in het kader van voorkomen van pech en gelukgeneraties om deelnemers ook geleidelijk mee te laten doen met de collectieve uitkeringsfase vanaf circa 10 jaar voor pensionering.
a) Heeft de Minister overwogen om dit ook mogelijk te maken?
b) Gelijke aanpassing van de uitkeringen is in het solidaire contract alleen toegestaan voor pensioengerechtigden, terwijl het vanuit uitvoerbaarheid en vanuit deelnemersperspectief wenselijk kan zijn om ook ingevaren reeds opgebouwde nabestaandenpensioenen van de deelnemers voor pensioenleeftijd gelijke aanpassing van de uitkering te geven. Heeft de Minister overwogen om dit mogelijk te maken?
c) Hoe ziet de Minister dit voorstel in het kader van uitvoerbaarheid? Immers als opgebouwde nabestaandenpensioenen in het solidaire contract niet mee kunnen lopen met een uitkeringencollectief, dan moet er een aparte administratie in stand worden gehouden voor de opgebouwde nabestaandenpensioenen voor de komende tientallen jaren. Vindt de Minister dit laatste wenselijk?
Met navolgend antwoord wordt antwoord gegeven op de subvragen a tot en met c.
De collectieve uitkeringsfase was een wens van de Tweede Kamer, en betekent een beperkte mate van herverdeling tussen pensioengerechtigden. Het pensioenfonds kan hiervoor kiezen. Voor deelnemers met de persoonlijke pensioenvermogens in de opbouwfase geldt dat ik de collectieve uitkeringsfase niet wil toestaan omdat dit tot herverdeling leidt. Ik vind dit vanuit het oogpunt van transparantie niet wenselijk. Deelnemers in de opbouwfase verschillen te sterk in hun leefomstandigheden van pensioengerechtigden, ook 10 jaar voor pensioen.
Deelnemers met een nabestaandenpensioen wat tot uitkering komt, verschillen in mijn ogen ook te sterk van pensioengerechtigden en wil ik daarom ook niet laten deelnemen aan een collectieve uitkeringsfase. Overigens beschrijft de memorie van toelichting ook andere methoden om tot gelijke aanpassingen te komen bijvoorbeeld door aanpassing van het projectierendement. Een dergelijke aanpassing zou ook met geheugenloos spreiden kunnen worden vormgegeven, waardoor de belasting voor de pensioenadministratie beperkt blijft.41
d) Opgebouwde nabestaandenpensioenen moeten behouden blijven waar opgebouwde ouderdomspensioenen en overgangsregelingen omgezet worden. Betekent dit niet dat de nabestaanden via de wetgeving betere bescherming krijgen dan deelnemers voor ouderdomspensioenen?
De regering acht deze bescherming voor nabestaanden passend, omdat zonder het overgangsrecht voor nabestaandenpensioen partners en toekomstige partners bij overlijden na de transitie aanzienlijk benadeeld kunnen worden. Zonder overgangsrecht wordt immers al het opgebouwd partnerpensioen voor pensioendatum omgezet in pensioenvermogen en kan niet meer tot uitkering komen bij overlijden voor pensioendatum. Zeker bij oudere deelnemers, dan wel bij deelnemers met een langere diensttijd kan dit om een behoorlijk partnerpensioen gaan, waardoor de partner in de problemen kan komen bij overlijden van de deelnemer voor pensioendatum.
91.
In de Wtp moeten pensioenfondsen allerlei afzonderlijke buffers aanhouden die allemaal niet negatief mogen worden. Een solidariteitsreserve, operationele reserve, minimaal vereist eigen vermogen, kostenvoorziening. Al die reserves zullen omdat ze niet negatief moeten worden erg prudent ingeschat moeten worden.
a) Heeft de Minister in het kader van uitvoerbaarheid en efficiëntie overwogen dat pensioenfondsen die buffers mogen samenvoegen?
b) Zo nee, kunt u dit argumenteren?
Hiermee wordt antwoord gegeven op beide sub-vragen.
Het minimaal vereist eigen vermogen volgt uit de Europese pensioenrichtlijnen (IORP I en II) en dient o.a. aangehouden te worden wanneer er biometrische risico’s gedekt worden in de pensioenregeling. Het minimaal vereist eigen vermogen is onderdeel van het eigen vermogen van het pensioenfonds, dat moet voldoen aan deze minimumeis (de beschikbare solvabiliteitsmarge). Artikel 16, tweede lid, van de IORP II-richtlijn legt vast dat deze beschikbare solvabiliteitsmarge uit het vermogen van de pensioenuitvoerder bestaat dat niet dient ter dekking van enige voorzienbare verplichting. Een kostenvoorziening is een voorziening voor alle toekomstige kosten in verband met de uitvoering van de bij het pensioenfonds ondergebrachte regelingen, die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de kosten in verband met administratie, informatieverstrekking en het doen van uitkeringen. De operationele reserve bestaat uit een voorziening voor operationele kosten en onvoorziene technische resultaten, zoals bijvoorbeeld het verwerken van mutaties met terugwerkende kracht, de situatie van geen premie, wel recht, of excassokosten. Deze operationele reserve is een (kosten)voorziening van het pensioenfonds en is derhalve geen eigen vermogen. Tot slot is de solidariteitsreserve een aparte reserve naast de voor de uitkering gereserveerde persoonlijke pensioenvermogens om vooraf bepaalde risico’s te delen. Alle reserves en voorzieningen dienen aparte doelen en het is mogelijk dat op meerdere reserves en voorziening tegelijkertijd een beroep wordt gedaan. Van samenvoegen van de solidariteitsreserve, het minimaal vereist eigen vermogen, een kostenvoorziening en de operationele reserve kan dan geen sprake zijn.
92.
De Minister geeft keer op keer aan dat alleen met de risicovrije rente gerekend mag worden omdat er anders sprake zou zijn van herverdeling. Is de Minister bekend met de verschillende rapporten die Netspar in opdracht van SZW heeft geschreven bij de invoering van de wet verbeterde premieregeling over verschillende mogelijke rekenrentes? Daar staan meer rekenrentes genoemd, waaronder verwachte rendementen, waarbij ook geen spraken is van herverdeling. Kan de Minister daarop reflecteren?
Ik ben bekend met rapporten van Netspar waarin zij (herverdelings)effecten van verschillende projectierentes in verbeterde premieregelingen onderzoeken.42 Zoals de auteurs zelf aangeven: «De analyse laat zien dat het gebruik van een projectierente anders dan de risicovrije rente, in combinatie met het gebruik van een spreidingsperiode, leidt tot herverdelingseffecten tussen leeftijdsgroepen.» De auteurs hebben in een van de rapporten varianten van projectierentes onderzocht. De varianten waarin verwacht rendement of een vaste projectierente een rol spelen, leiden tot herverdeling. De varianten waarin de risicovrije rente een basis vormt, leiden niet tot herverdeling.
93.
In de lagere regelgeving wordt voor een collectieve uitkeringsfase in het solidaire contract vereist dat met de risicovrije rente wordt gerekend om herverdeling te voorkomen. Betekent dit dat er niet met een ander projectierendement gerekend mag worden bij hanteren van gelijke aanpassingen van de uitkeringen voor pensioengerechtigden in het solidaire contract?
Waarom beperkt de Minister de mogelijkheden, mede in het licht van de vorige vraag dat er meer mogelijke rekenrentes zijn die niet tot herverdeling leiden?
a) Is het dus ook niet mogelijk om een afslag op de risicovrije rente te hanteren in het kader van inflatiebescherming in een solidair contract met gelijke aanpassingen van de uitkeringen van gepensioneerden?
Bij gebruik van een collectieve uitkeringsfase moet gebruik worden gemaakt van de risicovrije rentetermijnstructuur als projectierendement, omdat voor het realiseren van gelijke aanpassingen van uitkeringen een beperkte mate van herverdeling ten opzichte van de aan de persoonlijke vermogens toebedeelde rendementen noodzakelijk kan zijn. Alleen herverdeling die technisch noodzakelijk is voor uitsluitend dit doel is toegestaan bij gebruik van een collectieve uitkeringsfase. Dit betekent dat bij gebruik van een collectieve uitkeringsfase geen hoger projectierendement dan de risicovrije rentetermijnstructuur mag worden gebruikt. Het gebruik van een hoger projectierendement in combinatie met spreiding leidt immers tot additionele herverdeling binnen dat collectief, die niet noodzakelijk is om jaarlijks gelijke aanpassingen van ingegane pensioenuitkeringen voor alle pensioengerechtigden te realiseren.
b) De Minister en het wetsvoorstel geven aan dat er geen sprake mag zijn van ex ante herverdeling, met uitzondering van de risicodelingsreserve en dat er daarom ook gerekend moet worden met de risicovrije rente. Daarnaast geeft de Minister aan dat pensioen geen financieel product is. Terwijl hier toch duidelijk sprake lijkt van een zeer financiële benadering en een financieel contract. Kan de Minister hier nogmaals op reflecteren.
Zoals in de eerdere beantwoording aangegeven geeft de Wet op het financieel toezicht de vereisten wat kwalificeert als een financieel product. Pensioen voldoet niet aan die kwalificaties. Pensioen is een van de secundaire arbeidsvoorwaarden die sociale partners op decentraal niveau met elkaar overeenkomen, ten behoeve van inkomen na de werkzame periode. Het feit dat pensioenen voortaan worden geadministreerd in de vorm van persoonlijke pensioenvermogens op basis van een premieovereenkomst betekent dat tweede pijlerpensioenen ook bij uitvoering door pensioenfondsen wellicht meer kenmerken krijgen van een financieel product. Echter, er blijft ook in de nieuwe pensioencontracten sprake van allerlei vormen van risicodeling en solidariteit. Tevens blijft de wettelijke eis dat sprake moet zijn van een levenslange pensioenuitkering van kracht. Om te voorkomen dat het uitgestelde loon of het rendement daarop van de ene deelnemer wordt toegekend aan de andere deelnemer zet het wetsvoorstel in op geen herverdeling bij de persoonlijke vermogens. Dit wordt enerzijds bereikt door afschaffing van de doorsneesystematiek waardoor de pensioenpremies actuarieel fair zijn. En anderzijds door het principe te hanteren dat degene die het beleggingsrisico loopt ook de beloning voor het beleggingsrisico moet verkrijgen, het rendement. Om dit te bereiken dient gebruik te worden gemaakt van de risicovrije rentetermijnstructuur.
94.
Communicatie
Jaarlijkse informatie aan de deelnemer inzake pensioen en pensioenvermogen.
a) Klopt het dat uitvoerders volgens de Wtp in een solidair contract niet meer verplicht zijn te communiceren over de hoogte en mutatie van het persoonlijk pensioenvermogen van een deelnemer?
b) En als die verplichting er niet is, staat dat dan niet op gespannen voet met de beginselen van dit nieuwe pensioenstelsel om meer transparant en persoonlijk te informeren en communiceren?
c) Is de Minister het er mee eens dat alleen communiceren over een verwacht pensioen dat jaarlijks sterk zal wisselen, bij deelnemers eerder zal leiden tot verwarring en afbreuk, dan aan herstel van vertrouwen in het nieuwe stelsel?
d) Aangezien een recente rechterlijk uitspraak aangaf dat een deelnemer geen rechten kan ontlenen aan zijn UPO en een deelnemer gezien het complex aan regels en fondsspecifieke informatie zelf niet in staat is om aan de hand van enkel een pensioenreglement de hoogte van zijn uitkering of pensioenvermogen te bepalen: kan de Minister aangeven op grond van welk document een deelnemer en gepensioneerde wel rechten kan ontlenen aangaande de hoogte van zijn uitkering en/of de hoogte van het aan hem/haar toegerekende pensioenvermogen?
e) En als een dergelijk document als onder D bedoeld onverhoopt niet aan een deelnemer kan worden verstrekt, deelt de Minister dan de conclusie dat een deelnemer in feite rechtens onvoldoende geïnformeerd is en er mogelijk sprake kan zijn van «onbehoorlijk bestuur?
a) Nee, dat klopt niet. Deelnemers en gewezen deelnemers krijgen als opgave van hun opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioenpensioen het voor pensioenuitkering aan te wenden vermogen of kapitaal verstrekt. Dit wordt in de artikelen 38 en 40 van de Pensioenwet en, via het Besluit toekomst pensioenen, in artikel 5a, eerste en tweede lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling geregeld.
b) Zie antwoord a.
c) Deelnemers worden middels het UPO geïnformeerd over zowel hun reeds opgebouwde aanspraken als het reglementair te bereiken pensioen. Dat verwachte pensioenuitkeringen kunnen fluctueren draagt ook bij aan het inzicht dat beleggingsresultaten mee of tegen kunnen vallen, en daarmee ook de pensioenuitkering.
d) Het pensioenreglement is het leidende juridische document waar de afspraken over de pensioenregeling in zijn geregeld. Dat is het document waar rechten aan kunnen worden ontleend. Pensioenuitvoerders informeren hun deelnemers en gepensioneerden conform wetgeving. Dat betekent onder meer dat informatie correct, duidelijk en evenwichtig alsmede tijdig moet zijn. Aan andere informatiedragers kunnen inderdaad geen rechten worden ontleend. Dat neemt niet weg dat het er pensioenuitvoerders alles aan gelegen is om deelnemers zo goed mogelijk te informeren.
e) De conclusie dat deelnemers onvoldoende geïnformeerd zijn en dat er sprake zou zijn van onbehoorlijk bestuur deel ik niet. Deelnemers worden op verschillende momenten en op verschillende wijzen geïnformeerd, de wet biedt waarborgen voor de kwaliteit van de informatieverstrekking, er zijn toezichthouders betrokken en de deelnemer kan uitleg of hulp vragen en een klacht voorleggen aan een interne geschillencommissie, externe geschilleninstantie of aan de rechter.
95.
Nabestaandenpensioen.
In de publicatie «Uitkeringseffecten en kostendekkende premies in het nieuwe nabestaandenpensioen» van september 2022 geeft Netspar een advies over hoe de hogere kosten van een fiscaal maximaal Nabestaandenpensioen beheerst kunnen worden en hoe de verschillen in nabestaandenuitkeringen die kunnen ontstaan bij overlijden vlak voor of vlak na de pensioendatum, gerepareerd kunnen worden door aanpassing van de Wtp.43
a) Kan de Minister aangeven, waarom zij deze adviezen niet ter harte heeft genomen en het wetsvoorstel daar ook niet op aangepast heeft?
b) Erkent de Minister dat het effect van het duurder worden ven het nabestaandenpensioen tot gevolg kan en zal hebben dat in de praktijk vaak een lager dan 50% van het laatste salaris als nabestaandenpensioen zal worden verzekerd?
c) Erkent de Minister dat
(1) bij verzekerde nabestaandenpensioenen lager dan 50% van het salaris, en/of
(2) mede door bestaan van premievrije aanspraken van nabestaandenpensioen, of
(3) verschillen tussen nabestaandenpensioen voor en na pensioendatum, of
(4) het individueel over- en onderverzekerd kunnen zijn, of
(5) in het geval van lopende aanvullende Anw-hiaatpensioen-regelingen,
de beoogde doelstelling over een transparant en eenvoudig te begrijpen nabestaanden-pensioen in de Wtp vrijwel nooit in de praktijk zal worden bereikt, en er omgekeerd zelfs eerder sprake zal zijn van verwarring dan van helderheid en transparantie over het nieuwe nabestaandenpensioen?
d) Is de Minister bereid bovengenoemde tekortkomingen in het wetsvoorstel te repareren, bijvoorbeeld oor het advies van Netspar ter harte te nemen?
Hiermee wordt antwoord gegeven op alle sub-vragen.
Ik ben bekend met het rapport van Netspar. Over de voorstellen uit het genoemde paper heb ik eerder gereflecteerd waarom deze niet of in onvoldoende mate aansluiten bij de geformuleerde doelen voor het nabestaandenpensioen. De wijzigingen die in het wetsvoorstel toekomst pensioenen voorgesteld worden voor het nabestaandenpensioen zijn tot stand gekomen na een advies vanuit de Stichting van de Arbeid, hetgeen ertoe heeft geleid dat er bij sociale partners voldoende draagvlak is voor de wijzigingen die worden voorgesteld. Daarnaast is veelvuldig overleg gevoerd met de pensioensector over de uitvoerbaarheid van de voorgestelde wijzigingen. Zowel het draagvlak bij sociale partners als de uitvoerbaarheid geven mij geen aanleiding om aanpassingen te doen in de voorgestelde wijzigingen voor het nabestaandenpensioen.
Het nabestaandenpensioen is onderdeel van de pensioenovereenkomst, waarover sociale partners afspraken maken aan de CAO-tafel. Het is aan sociale partners om na te gaan welk deel van de beschikbare premie zij willen besteden aan het nabestaandenpensioen. Dit zal ook mede afhankelijk zijn van de sector of bedrijfstak waarin de pensioenovereenkomst wordt gesloten.
96.
Informatieplicht 5-jaars berekening Artikel 10a. «Solidaire premieovereenkomst».
In Artikel 10a. «Solidaire premieovereenkomst», staat omschreven dat bij een solidaire premieovereenkomst, uiterlijk iedere vijf jaar de pensioenuitvoerder de kans moet berekenen dat met de premie de beoogde pensioendoelstelling wordt behaald, en de werkgever of de partijen die de pensioenregeling zijn overeengekomen daarover moet «informeren».
a) Kan de Minister uitleggen waarom deze bepaling is opgenomen in de pensioenwet en wat die toevoegt, gezien het feit dat de solidaire regeling een premieregeling betreft en geen uitkeringsregeling, en sociale partners derhalve ook geen enkele verplichting hebben om de premie aan te passen als die berekening daar aanleiding toe zou geven?
b) Mocht de Minister dit artikel willen handhaven, kan de Minister dan aangeven waarom dit niet voor flexibele premieregelingen van toepassing is? Wordt de doelstelling van de flexibele regeling dan soms anders bepaald?
a) De genoemde bepaling is opgenomen omdat bij de solidaire premieovereenkomst er sprake is van een bepaalde pensioendoelstelling. De pensioenuitvoerder moet met een scenarioanalyse berekenen of het naar verwachting lukt om deze doelstelling waar te maken. Dat gebeurt bij aanvang en periodiek, uiterlijk iedere vijf jaar. De uitvoerder informeert hierover de sociale partners die de pensioenregelingen zijn overeengekomen. De sociale partners bepalen vervolgens of het een aanvaardbare inschatting is dat de doelstelling gehaald wordt, óf dat het nodig is om de premie te heroverwegen en/of de pensioendoelstelling. Dit is in het wetsvoorstel opgenomen.
b) De flexibele premieregeling kent geen pensioendoelstelling, zoals dat ook in het huidige pensioenstelsel niet bij de verbeterde premieregeling het geval is.
97.
Adviesplicht 5-jaars berekening Artikel 10a. «Solidaire premieovereenkomst».
Waarom is er in Artikel 10a alleen gekozen voor een informatieplicht door de pensioenuitvoerder richting de werkgever of de partijen die de pensioenregeling zijn overeengekomen, en is er niet gekozen voor een adviesplicht aan die partijen om de premie zo nodig aan te passen in lijn met de door partijen geformuleerde doelstellingen?
Is de Minister bereid om Artikel 10a aan te passen op dit punt?
Partijen kunnen zelf bepalen waar ze aanpassingen nodig achten, wanneer uit de berekening van de pensioenuitvoerder blijkt dat de doelstelling mogelijk niet gehaald wordt. Die aanpassingen kunnen zien op verschillende onderdelen van de pensioenregeling waaronder de premie, maar ook op de pensioendoelstelling. Het is niet aan mij om voor te schrijven dat in dergelijke gevallen alleen de premie herzien moet worden.
98.
Koopkrachtkader ontbreekt in Wtp
a) Waarom ontbreekt het woord of het begrip «koopkracht» als een van de belangrijkste elementen in het wetsvoorstel Wtp?
b) Is de Minister bereid in de Wtp aan te geven welk kader pensioenfondsen als leidraad (niet als verplichting) meekrijgen om in de praktijk een koopkrachtig pensioen te realiseren?
a) Op meerdere plekken in het wetsvoorstel wordt gesproken over de pensioenverwachting die wordt weergegeven op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario. Bij de berekening van die bedragen wordt rekening gehouden met de inflatieverwachting en met de mogelijkheden die de pensioenuitvoerder heeft om het pensioen in de toekomst te verhogen; het laat de deelnemer dus zien hoe de koopkracht van het pensioen zich ontwikkelt. Dat is een belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel toekomst pensioenen.
b) In het wetsvoorstel staat beschreven dat pensioenfondsen op een andere manier omgaan met collectieve buffers. De nieuwe pensioencontracten maken het mogelijk om een einde te maken aan de spagaat, die onder het financieel toezichtkader bestaat, tussen het streven naar nominale zekerheid (die hoge buffervereisten stelt) en een koopkrachtig pensioen. Gerealiseerd rendement komt bij de nieuwe pensioencontracten eerder beschikbaar voor het verhogen van de ingegane pensioenuitkeringen. Daarmee ontstaat een kader waarmee pensioenuitvoerders eerder dan in het huidige pensioenstelsel perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen.
99.
Koopkracht in URM en Wtp
Is de Minister het er mee eens dat gezien het feit dat in de Uniforme rekenmethodiek (URM) die verplicht is voorgeschreven de elementen inflatie en koopkracht een belangrijke rol spelen, deze begrippen ook in de Wtp tenminste een plaats moeten krijgen en dat wettelijk tenminste zou moeten worden bepaald dat beide begrippen onderdeel moeten uitmaken van de doelstellingen die sociale partners overeenkomen in de pensioenregeling?
Sociale partners bepalen zelf de pensioendoelstelling wanneer ze afspraken maken over de pensioenregeling. Behoud van koopkracht, rekening houdend met inflatie kan daarvan deel uitmaken. Koopkracht is een belangrijke notie in de huidige Pensioenwet en in het nieuwe pensioenstelsel. Bij de wettelijk voorgeschreven berekening van het verwachte pensioen in drie scenariobedragen wordt, naast andere relevante economische ontwikkelingen, ook rekening gehouden met de inflatieverwachting en met de mogelijkheden die de pensioenuitvoerder heeft om het pensioen in de toekomst te verhogen; het laat deelnemers dus zien hoe de koopkracht van hun pensioen zich ontwikkelt.
100.
Reëel beschermingsrendement en Inflatierendement
Kan de Minister bevestigen dat o.b.v. het huidig wetsvoorstel het voor sociale partners mogelijk is om niet alleen via de solidariteitsreserve, maar ook door middel van een reëel beschermingsrendement, of het prioritair toedelen van een gelijk inflatierendement aan alle leeftijdscohorten ten laste van het overrendement, invulling te geven aan het begrip koopkracht om zo, zonder garanties maar wel onder de voorwaarde van generatie-evenwichtigheid voor alle leeftijdscohorten, op een reëel pensioen op en na ingang van het pensioen, te sturen?
Het nieuwe pensioenstelsel kan beter met inflatie omgaan dan het huidige pensioenstelsel, omdat hierin een aantal instrumenten beschikbaar zijn die gericht ingezet kunnen worden om de inflatie zoveel mogelijk bij te houden. In het wetsvoorstel toekomst pensioenen is op verschillende manieren rekening gehouden met bescherming tegen het risico van inflatie, ook hoge inflatie. Inflatiebescherming kan (gedeeltelijk) geboden worden via (i) blootstelling aan overrendement, (ii) een direct beschermingsrendement door een beleggingsportefeuille met inflatiegerelateerde financiële producten, (iii) de solidariteits- en risicodelingsreserve en (iv) een afslag op het projectierendement. Decentrale partijen kunnen zelf bepalen in hoeverre ze van deze instrumenten gebruik willen maken.
Het prioritair toedelen van een gelijk inflatierendement aan alle leeftijdscohorten ten laste van het overrendement, is geen mogelijkheid in het nieuwe pensioenstelsel om met inflatie om te gaan. In het nieuwe pensioenstelsel wordt het rendement toegedeeld aan degene die ook het bijbehorende risico draagt. Bovendien past dit ook bij de wens om in het nieuwe pensioencontract meer transparantie te bieden en duidelijker te maken hoe het pensioenkapitaal wordt opgebouwd. Als rendement wordt toebedeeld los van het gelopen risico, wordt die doelstelling losgelaten. Zoals eerder aangegeven is het hierdoor dus niet mogelijk om alle deelnemers en gepensioneerden een rendement toe te kennen dat in alle omstandigheden de inflatie bijhoudt.
Als het gaat om het kunnen bieden van volledige, gegarandeerde inflatiebescherming, is er sprake van een discrepantie met wat in de praktijk mogelijk is. Het probleem zit in het onvoldoende beschikbaar zijn van reële beleggingen. Dit is een probleem waar ieder pensioencontract in de kapitaalgedekte tweede pijler tegenaan zal lopen. Het is hierdoor dus niet mogelijk om alle deelnemers en gepensioneerden een rendement toe te kennen dat in alle omstandigheden de inflatie bijhoudt. Zonder voldoende reële beleggingen betekent dit dat alleen bepaalde groepen binnen een pensioenfonds inflatiebescherming kan worden geboden, die wordt betaald door andere groepen binnen dat pensioenfonds. Dit zorgt dus voor herverdeling tussen generaties wat op gespannen voet staat met het oogmerk van het nieuwe contract dat deelnemers heldere persoonlijke pensioenvermogens opbouwen.
101.
Prioritair toedelen van inflatierendement aan alle leeftijdscohorten
Is de Minister bereid het wetsvoorstel zo nodig zodanig te verduidelijken dat ook het prioritair toedelen van een gelijk inflatierendement aan alle leeftijdscohorten ten laste van het overrendement, mits generatie-evenwichtig vormgegeven, expliciet tot de technische mogelijkheden binnen het Wtp kan plaatsvinden?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. Dat zou namelijk een discrepantie betekenen met wat in de praktijk mogelijk is. Het probleem zit in het onvoldoende beschikbaar zijn van reële beleggingen. Zonder voldoende reële beleggingen betekent dit dat alleen bepaalde groepen binnen een pensioenfonds inflatiebescherming kan worden geboden, die wordt betaald door andere groepen binnen dat pensioenfonds. Dit zorgt dus voor herverdeling tussen generaties wat op gespannen voet staat met het oogmerk van het nieuwe contract dat deelnemers op een transparante wijze persoonlijke pensioenvermogens opbouwen.
102.
Reële sturing op koopkracht volgens Netspar advies
Is de Minister bereid om zoals Netspar voorstelt, aan wetenschappelijke instituten zoals Netspar te vragen om wettelijk inpasbare handvatten aan te reiken om een reële sturing op koopkracht «voor alle generaties» mogelijk te maken, en die qua kaderzetting in het wetsvoorstel te verankeren, zodat sociale partners en pensioenfondsen die reële sturing in de praktijk zonder onnodige discussies of onduidelijkheden kunnen inzetten?
Netspar is een onafhankelijk denktank en kennisnetwerk die zorgt voor kennisontwikkeling en kennisverspreiding op het gebied van pensioenen. In het verleden heeft zij al diverse bijdragen geleverd op het gebied van beheersen van inflatierisico in het nieuwe pensioencontract. Ik ben ervan overtuigt dat zij dit onderwerp in de toekomst verder zal oppakken mocht zij het relevant vinden voor pensioenen in Nederland.
103.
Nieuwe pensioenbegrippen ontbreken in Wtp communicatie-eisen
Kan de Minister uitleggen waarom in de informatie-artikelen 38 en 40 en 44 van dit wetsvoorstel, over de begrippen solidariteitsreserve en risicodelingsreserve wel verplicht op deelnemersniveau gecommuniceerd moet worden, maar over andere nog meer relevante begrippen zoals bijvoorbeeld «persoonlijk pensioenvermogen» en «projectierendement» die verplichting juist ontbreekt?
Als het zo belangrijk wordt om transparanter te communiceren in het nieuwe stelsel, waarom worden dan juiste de meest belangrijke begrippen als «persoonlijk pensioenvermogen» en «projectierendement» niet genoemd in de informatieartikelen 38, 40 en 44 van dit wetsvoorstel?
Er wordt wel degelijk over vermogen geïnformeerd. Deelnemers en gewezen deelnemers krijgen als opgave van hun opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioenpensioen het voor pensioenuitkeringen aan te wenden vermogen of kapitaal verstrekt. Dit wordt in de artikelen 38 en 40 van de Pensioenwet en, via het Besluit toekomst pensioenen, in artikel 5a, eerste en tweede lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling geregeld.
Ten aanzien van het projectierendement geldt dat dit onder meer wordt gebruikt bij de vaststelling van de hoogte van het pensioen in de uitkeringsfase. Pensioenfondsen omschrijven in de actuariële en bedrijfstechnische nota hoe uitvoering wordt gegeven aan de wettelijke regels voor het projectierendement.
104.
Persoonlijk pensioenvermogen en solidair contract
Waarom staat het voor een pensioenuitvoerder wettelijk vrij om in het geval van bijvoorbeeld een solidaire premieovereenkomst niet over het persoonlijk pensioenvermogen te communiceren naar een deelnemer, terwijl dat juist de basis vormt in het nieuwe premiestelsel?
Pensioenuitvoerders dienen deelnemers te informeren conform de wet. Dat betekent dat deelnemers en gewezen deelnemers als opgave van hun opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioenpensioen het voor pensioenuitkeringen aan te wenden vermogen of kapitaal verstrekt krijgen. Dit wordt in de artikelen 38 en 40 van de Pensioenwet en, via het Besluit toekomst pensioenen, in artikel 5a, eerste en tweede lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling geregeld. Er wordt dus wel degelijk over vermogen geïnformeerd. Als het gaat om het op verzoek informeren over de hoogte van het te bereiken kapitaal, zoals bepaald in artikel 46, tweede lid, Pensioenwet dan is dat niet relevant voor de solidaire premieovereenkomst omdat een deelnemer met een dergelijke pensioenovereenkomst niet kan kiezen voor een vaste of variabele uitkering of kan shoppen met het kapitaal.
105.
Communicatie en scenario’s
Waarom wordt in de informatieartikelen 38, 40 en 44 van het wetsvoorstel wel gesproken over het verplicht communiceren van «pensioenaanspraken», maar niet over het verplicht communiceren van het verwachte pensioen in drie scenario’s, of over het verplicht communiceren van de verandering in de vaste of variabele uitkering?
En waarom is de verplichte communicatie over de variabele uitkering, die eerder in het wetsvoorstel was opgenomen, uit dit wetsvoorstel geschrapt?
Deelnemers ontvangen jaarlijks informatie over hun tot dan toe verworven pensioenaanspraken en het reglementair te bereiken pensioen, waarbij het ouderdomspensioen in drie scenario’s wordt weergeven. De gewezen deelnemer ontvangt jaarlijks een opgave van zijn opgebouwde aanspraken, waarbij het ouderdomspensioen in drie scenario’s wordt weergegeven en pensioengerechtigden ontvangen jaarlijks een opgave van hun pensioenrecht.44
Bij de invoering van de Wet verbeterde premieregeling, waarbij de variabele uitkering werd geïntroduceerd, was een variabele uitkering een novum ten opzichte van het bestaande, waar specifiek over geïnformeerd diende te worden. Specifiek informeren over de variabele uitkering is in het nieuwe pensioenstelsel niet langer relevant, aangezien een variabele uitkering gangbaar is. Bij de solidaire premieovereenkomst is er bijvoorbeeld altijd een variabele uitkering. Ook op andere plekken in de Pensioenwet waar de variabele uitkering apart genoemd staat, wordt dat met het voorliggende wetsvoorstel geschrapt.
106.
Reactie Pensioenfederatie
Ook de pensioenfederatie stelde bij haar reactie op de internetconsultatie op 21 februari 2023 het communicatiekader aan de orde in haar reactie. Het is onduidelijk of en zo ja, die reacties zijn verwerkt in het huidig wetsvoorstel. Kan de Minister puntsgewijs aangeven welke genoemde adviezen van de Pensioenfederatie nu wel of niet zijn overgenomen en verwerkt in dit wetsvoorstel, en op welke plaats in het wetsvoorstel of het besluit?45
De consultatiereactie van de Pensioenfederatie waarnaar wordt verwezen betreft een reactie op de concept-guidance van DNB. De reactie daarop zal DNB zelf publiceren. Voor wat betreft het wetsvoorstel en het besluit toekomst pensioenen is in de verantwoordingsparagraaf in de toelichting uitgebreid toegelicht hoe is omgegaan met alle reacties gedurende de internetconsultatie.
107.
Representatieve communicatietest Wtp ontbreekt
Kan de Minister aangeven waarom het nieuwe wetsvoorstel niet «vooraf» representatief is getest op begrijpelijkheid, of een betere begrijpelijkheid, bij deelnemers en gepensioneerden?
De communicatie van deze wet is nog nooit representatief getest. Weliswaar hebben verschillende hoogleraren en communicatiebureaus onder enkele tientallen deelnemers een test uitgevoerd, echter de uitkomsten hiervan zijn niet representatief en de meeste deelnemers gaven aan de getoonde overzichten (pensioennavigator), maar matig te begrijpen en voor wat betreft het begrip koopkracht de overzichten merendeels zelfs niet te begrijpen. Deze conclusies liggen in lijn met de evaluatie van de wet pensioencommunicatie uit 2019.
a) Zou niet eerst voor de definitieve besluitvorming over dit wetsvoorstel een representatieve test plaats moeten vinden waaruit blijkt dat deelnemers en gepensioneerden ook daadwerkelijk de hun aangeboden informatie (beter) begrijpen?
Wat zijn de risico’s als een dergelijke test niet plaatsvindt, en acht de Minister die aanvaardbaar?
b) Acht de Minister het niet een onaanvaardbaar risico als de communicatie pas representatief getest wordt op begrijpelijkheid bij deelnemers nadat of gedurende de ontwikkeling van nieuwe pensioen administraties, terwijl dan al een groot deel van investeringen ten bedrag van vele miljoenen heeft plaatsgevonden?
Hiermee worden beide sub-vragen beantwoord.
Het voorliggende wetsvoorstel verandert niet de essentie van de bestaande kaders ten aanzien van informatieverstrekking uit de huidige Pensioenwet. Informatie over pensioen is en blijft belangrijk. Daarvoor zijn diverse bepalingen in de wet opgenomen. De kernbepaling is de norm die voorschrijft dat informatie correct, duidelijk en evenwichtig evenals tijdig moet zijn. Die norm geldt voor alle pensioenuitvoerders en valt onder het toezicht van de AFM. Deze bepaling heeft daarnaast in zich dat informatie moet aanzetten tot relevante actie en inzicht biedt in keuzes en gevolgen daarvan. De invulling daarvan kan er bij de ene pensioenuitvoerder anders uitzien dan bij een andere pensioenuitvoerder, afhankelijk van de deelnemerspopulatie. Naast al deze wettelijke informatiebepalingen zijn overheid, sociale partners en pensioenuitvoerders zich terdege bewust van de complexiteit van het onderwerp. Daarom is er in de communicatie rondom het wetsvoorstel extra aandacht voor toegankelijk en eenvoudig taalgebruik. Op die basis bereid ik in gezamenlijkheid met de sociale partners, de pensioensector, wetenschappers en de Stichting Lezen en Schrijven ook een publiekscampagne voor over de nieuwe pensioenregels die duidelijkheid als uitgangspunt heeft.
108.
Het nieuwe pensioenstelsel wordt gecommuniceerd onder het motto dat «het pensioen directer kan meebewegen met de ontwikkeling van de economie». Juist in economisch moeilijke tijden lijkt bij deelnemers met een relatief laag inkomen juist behoefte te zijn aan stabiliteit in plaats van verlaging van het pensioen. Daarbij komt dat voor ingegane pensioenen het net als nu grotendeels zo blijft dat als de rente stijgt, het vermogen op de persoonlijke pensioenrekening fors zal dalen en andersom.
Kan de Minister bevestigen dat het «meebewegen van het pensioen met de ontwikkeling van de economie» wel is wat deelnemers in het algemeen, en gepensioneerden en »deelnemers met een relatief laag pensioen» in het bijzonder, wel wensen?
In het nieuwe pensioenstelsel wordt ernaar gestreefd dat pensioenverhogingen eerder (en dus vaker) plaatsvinden en zijn er mechanismen ingebouwd om pensioenverlagingen zo veel mogelijk te voorkomen. In economisch goede tijden kunnen pensioenen dan naar verwachting ook eerder omhoog. In economisch mindere tijden is er niet noodzakelijkerwijs sprake van een directe dan wel navenante verlaging omdat het onder andere afhangt van de invulling van de solidariteits- en risicodelingsreserve en de mogelijkheden om schokken te spreiden. Overigens betekent een stijging van de rente ook in het nieuwe pensioenstelsel niet dat de pensioenuitkering lager wordt. De kostprijs van pensioen is dan namelijk lager, er kan met minder pensioenvermogen hetzelfde pensioen gerealiseerd worden.
109.
Pensioen begrippenkader
Communicatie expert en -deskundige Annemarie van Hekken raadde in een publicatie onlangs (april 2023) aan om woorden als projectierendement, overrendement en beschermingsrendement te gebruiken, omdat die te technisch zijn.46 Dit gezegd zijnde, betekent dit dat er ondanks de eerste goede aanzet van Van Hekken, op dit moment nog geen sprake is van een voldoende volwassen algemeen geaccepteerd en representatief getoetst communicatiekader, met alle mogelijke nadelige gevolgen van dien. Is de Minister, om mogelijke verwarring over nieuwe pensioenbegrippen in de praktijk tussen fondsen en deelnemers te voorkomen, bereid om een algemeen basis communicatie-kader te laten ontwikkelen en dit in de wet te verankeren?*
Definities in de wet hebben een juridische betekenis en kunnen daarmee technisch van aard zijn. Dat is zo in de huidige pensioenwet en ook in het voorliggende wetsvoorstel. Dat neemt niet weg dat in de informatieverstrekking of communicatie pensioenuitvoerders er (aanvullend) voor moeten en/of kunnen zorgen dat deelnemers weten waar het over gaat, handelingsperspectief hebben en weten waar ze terecht kunnen met vragen. Die invulling kan er bij de ene pensioenuitvoerder anders uitzien dan bij een andere pensioenuitvoerder, afhankelijk van de deelnemerspopulatie. Ik heb geen signalen dat dit leidt tot ernstige problemen en ben dan ook niet voornemens een dergelijk kader te laten ontwikkelen en in de wet te borgen. Overheid, sociale partners en pensioenuitvoerders zijn zich overigens terdege bewust van de complexiteit van het onderwerp. Daarom is er extra aandacht voor toegankelijk en eenvoudig taalgebruik. Op die basis bereiden we in gezamenlijkheid met de sociale partners en de pensioensector ook de publiekscampagne voor over de nieuwe pensioenregels die duidelijkheid als uitgangspunt heeft.
110.
Communicatie over persoonlijk pensioenvermogen
De artikelen 38, 40 en 44 van de Wtp, in combinatie met de hernieuwde Uniforme Rekenmethodiek (URM) van DNB, wekken de indruk dat communicatie over de verwachte uitkering in het nieuwe premiestelsel centraal blijft staan en aan de communicatie en kwantitatieve informatie over de ontwikkeling van het persoonlijk pensioenvermogen onvoldoende aandacht krijgt. Deelt de Minister deze indruk?
Nee, die indruk deel ik niet. Deelnemers en gewezen deelnemers krijgen als opgave van hun opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioenpensioen het voor pensioenuitkering aan te wenden vermogen of kapitaal verstrekt. Dit wordt in de artikelen 38 en 40 van de Pensioenwet en, via het Besluit toekomst pensioenen, in artikel 5a, eerste en tweede lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling geregeld. Pensioengerechtigden krijgen bij een variabele uitkering informatie over de hoogte van de uitkering van het afgelopen jaar en het komende jaar. Dit is (en blijft) geregeld in artikel 7b van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
111.
Volatiele pensioenprognoses
Nu er voor jongeren in het nieuwe stelsel een groot deel of zelfs 100% of meer risicovol wordt belegd, betekent dit dat het persoonlijk pensioenvermogen jaarlijks tientallen procenten kan dalen of stijgen. Die vermogensschommelingen hebben tot gevolg dat ook de pensioenprognose scenario’s (verwacht, valt tegen, valt mee) dergelijke schommelingen gaan vertonen. Deze schommelingen in verwachte pensioenuitkeringen kunnen vervolgens nog volatieler en communicatief bemoeilijkt worden doordat de scenariosets an sich ook frequent door DNB worden aangepast. De solidariteitsreserve en risicodelingsreserve kunnen relatief weinig compensatie bieden bij dergelijke grote schommelingen.
Deelt de Minister de mening dat afgezien van het vraagstuk of jongeren dergelijke risico’s zouden kunnen en willen dragen, het risico erg groot is dat dergelijke volatiele ontwikkelingen in de praktijk tot veel onrust, klachten en ondermijning van het vertrouwen in het nieuwe stelsel gaan leiden?
Ik deel deze mening niet. In het nieuwe pensioenstelsel kunnen risico’s gerichter worden toegedeeld. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de risico’s die mensen kunnen en willen dragen. Het vertrouwen in het pensioenstelsel is daarbij gerelateerd aan de kwaliteit van het pensioenstelsel. Met dit wetsvoorstel wordt naar mijn mening een solide en toekomstbestendig pensioenstelsel neergezet. Volatiliteit is een gegeven omdat premies belegd worden, dat neemt niet weg dat inzichtelijker wordt voor bijvoorbeeld jongeren dat de voor hen ingelegde pensioenpremies en rendementen onderdeel zijn van hun persoonlijke pensioenvermogen. Ook geldt dat naarmate mensen ouder worden en dichter tegen hun pensioen aankomen (of zelfs al een uitkering ontvangen) zij ook in mindere mate worden geconfronteerd met grote schommelingen.
112.
Risicopreferentiebepaling
Deelnemers in een solidair contract wordt naar hun risicopreferentie gevraagd. Op grond daarvan worden deelnemers ingedeeld in 5-jaars leeftijdscohorten met voor ieder leeftijdscohort een gemiddelde risicohouding en daarvan afgeleid beleggingsrisicobeleid. Echter uit wetenschappelijk onderzoek (o.a. Netspar/Fieke van der Lecq) blijkt dat risicovoorkeuren van deelnemers substantieel verschillen, en dat slechts een kleine fractie van deze heterogeniteit kan worden verklaard door direct waarneembare kenmerken zoals leeftijd. Deze heterogeniteit betekent dat de gekozen risicohouding van een bepaald leeftijdscohort, hoe die ook tot stand is gekomen, voor de meeste deelnemers niet overeen zal komen met hun gemeten individuele risicohouding. Het beleggingsbeleid zal in de meeste gevallen of te risicovol, of te risicoavers blijken.
Deze discrepantie kan nog versterkt worden doordat de gemeten risicohouding volgens het wetsvoorstel gecorrigeerd mag worden op grond van deelnemerskenmerken en «wetenschappelijke inzichten». De gevolgen hiervan zullen (pas) zichtbaar worden als deelnemers hun jaarlijks pensioenoverzicht krijgen en daaruit gaan concluderen dat de risico’s die zich in dat pensioenoverzicht hebben gemanifesteerd, niet overeenkomen met hun feitelijke risicohouding.
Deelt de Minister bovenstaande analyse met als conclusie dat de huidige vertaling van risicopreferentie naar leeftijdscohorten in de praktijk tot veel klachten, discussies, aansprakelijkheidsstellingen en mogelijke claims zal leiden, omdat slechts in weinig gevallen de geënquêteerde risicopreferentie van een deelnemer overeen zal komen met de groeps-risicopreferentie van het leeftijdscohort waarin een deelnemer geplaatst is?
Nee, ik deel deze mening niet. Aan het risicopreferentie-onderzoek wordt in het besluit onder artikel 14v voorwaarden gesteld om een kwalitatief onderzoek mogelijk te maken waarin de deelnemer zich kan herkennen. Zo wordt de voorwaarde gesteld dat het risicopreferentie-onderzoek aansluit bij de pensioencontext en de persoonlijke situatie van deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden en dat de uitvraag een realistisch beeld geeft van de hoogte van de te verwachte pensioenuitkering en de te verwachten zekerheid van de pensioenuitkering. De inrichting van het risicopreferentie-onderzoek is zodanig dat naar verwachting voor ieder cohort voldoende representatieve individuele uitkomsten opgehaald worden. De uitvoerder streeft er verder naar dat de respons per cohort een adequate weerspiegeling is van de cohortpopulatie. De cohortpopulaties samen zijn een weerspiegeling van de deelnemerspopulatie. De uitvoerder onderbouwt daarbij dat sprake is van een adequate weerspiegeling en dat de vertaling van individuele uitkomsten naar cohortniveau zo representatief als mogelijk zijn. Het risicopreferentie-onderzoek levert een zo objectief mogelijk, controleerbaar, systematisch, reproduceerbaar en kwantitatief interpreteerbare uitkomst op.
113.
Handelingsperspectief
Is de Minister bereid om voor het solidaire contract, net als voor het flexibele contract, deelnemers handelingsperspectief te geven door hen te laten kiezen uit een aantal risicoprofielen? Zo nee, waarom niet?
Nee, introductie van beleggingsprofielen in de solidaire premieregeling zou deze premieregeling minder solidair maken, omdat risico’s in mindere mate collectief, met elkaar zouden worden gedeeld. Aparte beleggingsprofielen bij de flexibele premieregeling zijn daarmee een essentieel verschil met de solidaire premieregeling. Als decentrale sociale partners het van belang vinden om deelnemers een keuze te bieden uit verschillende beleggingsprofielen, biedt het wetsvoorstel hen de ruimte om te kiezen voor de flexibele premieovereenkomst.
114.
Communicatieoverzichten
Het nieuwe stelsel kent veel nieuwe begrippen zoals o.a. overrendement, projectierendement, beschermingsrendement, persoonlijk pensioenvermogen en solidariteitsreserve. Berichten over hoe communicatie-overzichten er uit zouden kunnen zien, zijn er nauwelijks. Een van de spaarzame voorstellen kwam van bureau Cardano die de zogenaamde «Kassabon» introduceerde, waaruit bleek dat er tenminste 18 verschillende soorten mutaties invloed kunnen hebben op het pensioenvermogen van een deelnemer. Een oplossing in de vorm van een vereenvoudigde kassabon waarin mutaties werden samengevoegd onder een noemer, bleek ook geen oplossing? Kan de Minister onderbouwd met feiten aangeven waarom zij van mening is dat ondanks de toegenomen complexiteit het voorliggend wetsvoorstel bij deelnemers toch beter op begrijpelijkheid zal scoren beter dan het huidig stelsel?48

Het nieuwe pensioenstelsel en de nieuwe pensioencontracten vergroten de transparantie van de pensioenopbouw. Deelnemers krijgen in het nieuwe pensioenstelsel meer inzicht in de ingelegde premie, het door hen opgebouwde pensioenvermogen en de behaalde rendementen. Door de communicatie van het persoonlijk (voor de uitkering gereserveerde) vermogen wordt meer inzichtelijk hoeveel pensioen er is opgebouwd. Tegelijkertijd krijgen deelnemers (net als nu) inzicht in de verwachte pensioenuitkering tijdens pensionering, in drie scenario’s. Communicatie vindt in het nieuwe pensioenstelsel niet zoals nu plaats via het uniform pensioenoverzicht (UPO). Ook in het huidige pensioenstelsel zijn er al premieregelingen met bijbehorende UPO-modellen, daarmee is derhalve reeds langere tijd ervaring met informatieoverzichten voor premieregelingen. Met de nieuwe contracten, en daarvoor voorgestelde informatievoorschriften, kunnen deelnemers de samenhang tussen die ontwikkelingen en hun pensioen beter van jaar tot jaar volgen. Dit draagt naar verwachting bij aan het begrip bij deelnemers en ook aan hun waardering voor het pensioen als arbeidsvoorwaarde. De afschaffing van de doorsneesystematiek is een ander element dat bijdraagt aan het transparanter en persoonlijker maken van het pensioenstelsel. De voor de werknemers ingelegde premies worden niet langer herverdeeld, maar komen ten goede aan diens persoonlijke pensioenvermogen. Dit biedt hen meer inzicht in het verband tussen de ingelegde premies en de ontwikkeling van haar of zijn voor het pensioen gereserveerde vermogen. Ik ben dan ook van mening dat het nieuwe pensioenstelsel bijdraagt aan de begrijpelijkheid bij deelnemers over hun pensioen.
115.
Koopkrachtig pensioen
In antwoord op vraag 9b, die samengevat «Ziet de regering mogelijkheden voor een koopkrachtig pensioen?» luidde, antwoordde de Minister dat «de mate waarin gepensioneerden een koopkrachtiger pensioen krijgen ten opzichte van het huidige contract wordt bepaald door de economische ontwikkelingen en hetgeen pensioenfondsen en sociale partners besluiten.» Waarom ontwijkt de Minister in de beantwoording van deze vraag door wederom direct te spreken over een koopkrachtiger pensioen, in plaats van een koopkrachtig pensioen?
In de memorie van antwoord is in vraag 397 de vraag gesteld: Bij het invaren moet het pensioenfonds bepalen hoeveel de deelnemers er, inclusief toekomstige opbouw, op voor- of achteruitgaan vergeleken met de huidige wet en zo mogelijk compensatie bieden voor de verschillen. Als de pensioenuitkomsten hetzelfde moeten zijn als de huidige wet, waarom is er dan een nieuwe wet nodig?
Bij het invaren en het omzetten van het vermogen van het pensioenfonds in persoonlijke vermogens, zorgt het pensioenfonds voor evenwichtige besluitvorming, waarbij zij onder andere de verdeling van de verwachte pensioenuitkering en van het netto profijt over de leeftijdscohorten in ogenschouw neemt. Dit staat los van de vraag of er een noodzaak is om tot een nieuw pensioenstelsel te komen. Een nieuw pensioenstelsel is nodig om grotere transparantie over de persoonlijke vermogens te bieden, waarbij deelnemers erop kunnen vertrouwen dat het opgebouwde persoonlijke vermogen of het rendement daarover niet verschoven wordt naar andere deelnemers, maar voor hen gereserveerd staat. Een andere reden voor het nieuwe pensioenstelsel is het eerdere perspectief op een koopkrachtig pensioen, doordat behaalde rendementen aan het persoonlijke vermogen worden toegevoegd en niet ten goede komen aan te vullen buffers zoals dat bij het huidige contract wel het geval is. Rendementen komen hierdoor eerder tot uitkering.
116.
Kan de Minister concreet antwoord geven in welk mate op basis van de berekeningen zoals die door DNB zijn gemaakt o.b.v. de adviezen van de Commissie Parameters er sprake is van een 2% koopkrachtig pensioen in een verwacht (mediaan) en slecht weer (5% percentiel) scenario, voor verschillende 5-jaars leeftijdscohorten tussen leeftijden 25 en 90 jaar?
De in de vraag genoemde DNB-berekeningen geven de transitie-effecten weer. Daarbij wordt zowel voor de maatstaf netto profijt als voor de pensioenverwachtingen weergegeven wat de uitkomsten zijn van het nieuwe pensioencontract, afgezet tegen het huidige ftk-contract. Op pagina 18 van de DNB-berekeningen is inzichtelijk gemaakt wat de reële gemiddelde uitkering is in het mediane en het 5%-scenario van het nieuwe contract, afgezet tegen het ftk-contract. Deze studie geeft geen absolute uitkomsten weer. Overigens hangt een koopkrachtig pensioen af van rendementen en premie. De verwachting in rendement kan inzichtelijk worden gemaakt aan de hand van een scenario, maar de hoeveelheid premie die wordt betaald is afhankelijk van wat sociale partners daarover afspreken.
117.
Verder antwoordde de Minister op deze vraag dat sociale partners en pensioenfondsen naast toedeling van overrendement, verschillende instrumenten in het nieuwe contract hebben om een koopkrachtig(er) pensioen te realiseren. De Minister noemde daarbij: het beschermingsrendement, de solidariteitsreserve en een afslag op het projectierendement.
a) Deelt de Minister de opvatting dat een verlaging van of afslag op het projectierendement, weliswaar perspectief biedt op een stijgende uitkering, maar dat dit ten koste gaat van een substantiële verlaging van de aanvangsuitkering, en dat derhalve het projectierendement geen financieringsinstrument voor inflatie is maar – zoals het CPB het formuleert – slechts het tempo bepaalt waarin het opgebouwde vermogen tot uitkering komt?
b) Deelt de Minister de opvatting dat de solidariteitsreserve slechts tot doel heeft om schokken op te vangen en dus een vorm van egalisatiereserve is en dan ook niet een financieringsinstrument voor inflatie kan zijn om inflatie te financieren, maar slechts een dempende werking kan hebben op vermogens en uitkeringen?
c) Deelt de Minister de opvatting dat krachtens de definitie in het wetsvoorstel Wtp het beschermingsrendement slechts tot doel heeft om de toekomstige en lopende pensioenuitkeringen nominaal stabiel te houden, en daarmee ook geen financieringsinstrument voor inflatie kan zijn?
d) Is de Minister bereid om naast dit nominaal beschermingsrendement ook, zoals professor Nijman van Netspar onlangs in deze commissie betoogde, wettelijk toe te staan dat voor een reëel beschermingsrendement kan worden gekozen?
a) Het klopt dat een lager projectierendement betekent dat de aanvangsuitkering lager wordt vastgesteld, waardoor er meer perspectief geboden wordt op een stijgende uitkering. Bij een afslag op het projectierendement wordt binnen het persoonlijk pensioenvermogen als het ware meer geld gereserveerd voor de toekomst. Zoals ook in de memorie van toelichting bij de Wtp aangegeven gaat hier dus om de afruil tussen een hoger startpensioen met minder kans op verhogingen in de toekomst en een lager startpensioen met een hogere kans op verhogingen in de toekomst. Die hogere kans op verhogingen kan bijvoorbeeld waardevol zijn in een periode met hoge inflatie. Het is aan decentrale partijen om hierin een keuze te maken.
b) Door middel van de solidariteitsreserve worden financiële mee- of tegenvallers collectief gedeeld op een wijze die op voorhand leidt tot gemiddeld stabielere of hogere toekomstige en al ingegane pensioenuitkeringen voor alle generaties, afgezet tegen de aanname dat de reserve geen onderdeel van de pensioenregeling was. De doelstellingen van de solidariteitsreserve worden door de pensioenuitvoerders – voor langere tijd – vastgesteld. Het is daarom aan decentrale partijen in hoeverre de solidariteitsreserve ingezet zal worden om tegen het inflatierisico te beschermen. Uit berekeningen van Cardano49 blijkt dat jaarlijkse schokken van inflatie van 6 of 9% kunnen worden opgevangen door de solidariteitsreserve. De berekeningen laten zien dat bij een éénjarige inflatieschok van 5% op jaarbasis (met een volledige inflatiecompensatie voor ouderen) het vijf jaar duurt voordat de reserve is hersteld. Naarmate de schok langer duurt, 2 of 3 jaar, zal het respectievelijk 10 of 15 jaar duren voordat de reserve weer op het oude niveau is. Bij een eenmalige schok van 9% en een volledige inflatiecompensatie van ouderen duurt het dus ongeveer 10 jaar.
c) Inflatie bestaat uit een vooraf verwachte inflatie en een vooraf niet-verwachte inflatie. Aangezien in de rentevergoeding op staatsobligaties reeds een vergoeding besloten ligt van de verwachte inflatie, biedt het beschermingsrendement voor renterisico reeds bescherming tegen verwachte inflatie, zoals deze verwacht wordt door de markt. De rentevergoeding biedt geen bescherming tegen onverwachte inflatie.
d) Het toevoegen van een inflatiecomponent aan het beschermingsrendement acht ik niet verstandig. Ik begrijp de voorkeur voor een reëel pensioen dat in alle gevallen de inflatie bijhoudt. Dit is alleen op een economisch verantwoorde wijze te financieren via reële beleggingen. Die zijn echter in onvoldoende mate beschikbaar voor alle pensioenuitvoerders. De realiteit is dus dat het streven naar een zo koopkrachtig mogelijk pensioen voornamelijk via andere instrumenten geregeld zal moeten worden. Die instrumenten zijn in het nieuwe pensioenstelsel in grotere mate beschikbaar dan in het huidige pensioenstelsel. Inflatiebescherming kan geboden worden via (i) blootstelling aan overrendement, (ii) een direct beschermingsrendement, (iii) de solidariteits- en risicodelingsreserve en (iv) een afslag op het projectierendement.
118.
Koopkracht perspectief in Wtp dient verbeterd te worden door advies Netspar te volgen
Is de Minister het er mee eens dat uit het in haar antwoord geciteerde Cardano-rapport «Inflatierisico en de solidariteitsreserve» niet de conclusie mag worden getrokken dat de solidariteitsreserve bij een jaarlijks inflatieniveau van structureel 1%-punt hoger (dan 2% inflatie) toereikend is als deze wordt gevuld uit zowel premies als overrendement? Het Cardano rapport stelt namelijk duidelijk dat de onderzoeksaanpak gebaseerd is op de door de Minister verfoeide methode van «deterministische inflatieschokken», waarbij de uitkomsten erg gevoelig zijn voor andere (rendements) aannames en een aantal aspecten van de solidariteitsreserve nadrukkelijk niet onderzocht zijn, waaronder: evenwichtigheid tussen generaties, premiebelasting, welvaartsaspecten, optimalisering van beleggingsbeleid, optimalisering van de vul- en uitdeelregels, en spreiding van schokken over de resterende levensduur van een leeftijdscohort.
Deelt de Minister op grond van voorgaande de conclusie dat het wetsvoorstel zoals het op dit moment geformuleerd is, onvoldoende mogelijkheden biedt om uitzicht op een daadwerkelijk koopkrachtig pensioen te realiseren en is de Minister bereid om aan Netspar te vragen om op het punt van koopkracht met een verbeteringsvoorstel te komen waarop het wetsvoorstel kan worden aangepast?
Deterministische scenario’s zijn geschikt als het doel is om een specifieke situatie na te bootsen, zoals in het onderzoek het geval was. In het Cardano-rapport is daarom gebruik gemaakt van deterministische scenario’s om inzicht te krijgen in de effecten van een structurele 1%-punt hogere inflatie. Daarbij is gebruik gemaakt van verschillende gevoeligheidsanalyses voor bijvoorbeeld de leeftijdsopbouw van een pensioenfonds, het beleggingsbeleid en de vul- en uitdeelregels. Daarnaast is gekeken wat de effecten zijn voor verschillende leeftijdscohorten bij verschillende schokken in inflatie en rente en welk cohort daarbij de lasten draagt. Het onderzoek gebruikt rendementen zoals deze te verkrijgen zijn uit een neutraal, defensief en offensief beleggingsbeleid op basis van het mediane scenario van de DNB-scenario set. Op basis hiervan kan de conclusie worden getrokken dat de solidariteitsreserve toereikend is bij een jaarlijks inflatieniveau van structureel 1%-punt hoger (dan 2% inflatie) als deze wordt gevuld uit zowel premies als overrendement. Ik deel daarom de conclusie zoals geformuleerd in de vraag niet.
119.
Is de Minister bekend met de situatie bij de militaire pensioenen zoals beschreven in het dagblad De Telegraaf van 4 mei 2023. Zijn er nog meer werkgevers dan wel pensioenfondsen die met een vergelijkbare situatie te maken hebben?
a) Is deze financiële problematiek bij de militaire pensioenen over de situatie van vóór 2001 berekend op basis van een middelloonregeling of op basis van een eindloonregeling? Hoe zou het verschil tussen beide benaderingen uitpakken?
b) Geeft deze problematiek niet aan dat de invoering van de nieuwe pensioenwet veel gecompliceerder en vooral veel duurder is dan tot nu toe door het kabinet is voorgesteld? En dat het kabinet hier veel te lichtzinnig mee is omgesprongen?
c) Kunnen we nog meer van dit soort problemen verwachten? Bijvoorbeeld bij de Algemene Pensioen-uitkeringswet Politieke Ambtsdragers, kortweg APPA geheten. Moeten ook bij de APPA-regeling bedragen worden vrijgemaakt, om zo dadelijk het invaren te kunnen betalen. Ook bij de APPA-regeling is immers indertijd een begroting gefinancierde regeling omgezet naar een kapitaal gedekte regeling. Over welke omvang van een budgettair effect spreken we dan? Of heeft deze afrekening al in een eerdere fase plaatsgevonden en om welke bedragen ging het toen?
d) Als er geen sponsor is die in vergelijkbare gevallen bijspringt, kan door de invoering van het nieuwe stelsel een zeer aanzienlijke herverdeling van het fondsvermogen plaatsvinden. Waar de deelnemers van het betrokken fonds vermoedelijk geen idee van hebben. Kent de Minister voorbeelden van pensioenfondsen waar dit mogelijk het geval kan zijn? Zo niet, zijn dergelijke fondsen bij de Pensioenfederatie bekend? Is daar navraag dan wel onderzoek naar gedaan? Weet de Minister hoe dit soort problemen dan voor een dergelijk pensioenfonds worden opgelost? Of is het voor de Minister net zo’n Black Box als voor de deelnemers?
e) Is het niet uitermate merkwaardig, om het maar vriendelijk te zeggen, dat deze invaar verliezen van ongekende omvang voor de rijksbegroting tot nu toe volledig buiten de parlementaire behandeling zijn gebleven? En dat de Kamerleden dit pas op het allerlaatste moment, vlak voor de behandeling van de Wtp, mogen vernemen? Wat zegt dit eigenlijk over de rest van de parlementaire behandeling? Hoe goed worden wij als Kamerleden geïnformeerd?
f) Zijn er andere gevallen uit de parlementaire geschiedenis bekend waarbij, vlak voor het afsluiten van de parlementaire behandeling van een wetsvoorstel, financiële lijken van een dergelijke omvang uit de kast kwamen rollen? Geeft dit niet aan dat deze nieuwe pensioenwet compleet overhaast wordt ingevoerd, zonder adequaat zicht te hebben op de enorme financiële consequenties van deze wet?
g) Laat dit probleem niet zien dat het veel verstandiger zou zijn geweest om de overgang naar het nieuwe stelsel veel geleidelijker te laten verlopen? En dat het kabinet veel beter voor een «soft» of «hard» freeze van de bestaande pensioenrechten had kunnen kiezen, in plaats van de door het kabinet voorgestelde «total» freeze?
h) Is het niet zo dat bij een meer geleidelijke overgang deze enorme kosten voor de militaire pensioenen vermeden hadden kunnen worden? Zodat we in deze moeilijke budgettaire omstandigheden in ieder geval niet met een budgettaire tegenvaller van een dergelijke omvang zouden worden geconfronteerd. Heeft het kabinet, wetende dat dit effect zou gaan optreden, dit ooit overwogen?
i) In dit onderhavige geval is het de overheid, dus de gemiddelde belastingbetaler, die voor de enorme bijkomende kosten van dit nieuwe pensioenstelsel opdraait, maar zo dadelijk zijn het, in vergelijkbare gevallen bij andere pensioenfondsen, de deelnemers die de kosten mogen betalen. Moet dat niet veel helderder en transparanter worden gecommuniceerd? Dat deze risico’s kunnen optreden en dat aan dit nieuwe pensioenstelsel vermoedelijk veel meer bijkomende kosten zijn verbonden dan tot nu toe door het kabinet is aangegeven?
j) Graag een uitvoerig antwoord op bovengenoemde vragen, want het is de fractie van 50-PLUS echt een doorn in het oog dat deze effecten van zo vele miljarden euro’s plotseling uit de hoge hoed tevoorschijn komen. Dit moet veel beter onderbouwd worden dan tot nu is gebeurd. Het kan toch niet zo zijn dat zo achteloos meer dan 10 miljard euro aan extra kosten worden gepresenteerd? Is de Minister het met ons eens dat deze hele gang van zaken zeker geen schoonheidsprijs verdient?
Ik veronderstel dat vragensteller verwijst naar het feit dat de militaire pensioenen (deels) begrotingsgefinancierd zijn. Daar ben ik mee bekend. Overheidsinstellingen waarvoor de Algemene Pensioen- en Uitkeringswet Politieke Ambtsdragers (Appa) geldt, kennen een vergelijkbare situatie.
a) De reservering die is getroffen bij Voorjaarsnota 2023 heeft betrekking op pensioenaanspraken die militairen hebben opgebouwd vóór 1 juni 2001. Destijds gold een eindloonregeling. Het is bij het aanpassen van de financieringssystematiek niet geoorloofd om een reeds opgebouwde pensioenaanspraak aan te passen.
b) Nee, voor de pensioenopbouw van militairen vóór 1 juni 2001 geldt dat er geen sprake is van kapitaaldekking (op basis van in het verleden ingelegde pensioenpremies), maar dat de uitgekeerde uitkeringen worden gefinancierd uit de begroting. Indien sociale partners besluiten om deze pensioentoezeggingen in te varen naar het nieuwe pensioenstelsel, dienen deze eerst te worden afgefinancierd. De kosten voor de toekomstige uitkeringen van de militaire pensioenen die zijn opgebouwd vóór 1 juni 2001 zijn wel reeds verwerkt op de begroting van Defensie. In de Voorjaarsnota 2023 is een reservering opgenomen om een budgetneutrale omzetting van deze begrotingsgefinancierde pensioenen naar kapitaaldekking te kunnen realiseren, wanneer sociale partners van de sector Defensie besluiten tot invaren. De kosten voor de militaire pensioenen van vóór 1 juni 2001 stijgen dus niet door invoering van voorliggend wetsvoorstel.
c) De pensioenen van politieke ambtsdragers worden nu op het moment van uitkeren uit de begrotingen van het Rijk, de provincies, de gemeenten en waterschappen betaald. Deze pensioenen zijn – evenals de militaire pensioenen van vóór 1 juni 2001 – nog niet kapitaalgedekt. Als deze pensioenen in het nieuwe pensioenstelsel worden ingevaren, moeten deze eerst worden omgezet naar kapitaaldekking om de persoonlijke pensioenvermogens te kunnen vullen. Daarvoor is inderdaad ook hier een eenmalige kapitaalstorting in een pensioenfonds noodzakelijk. De Minister van BZK is nog in gesprek met decentrale overheden over de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. De toekomstige pensioenbetalingen uit de begroting worden dan in één keer naar voren gehaald. Na het invaren in het nieuwe pensioenstelsel kunnen dan gelijk de al lopende pensioenbetalingen en toekomstige pensioenbetalingen uit de begrotingen worden beëindigd. Vanaf dat moment is namelijk het pensioenfonds verantwoordelijk. De hiervoor benodigde eenmalige inkoopsom kan nu nog niet exact worden bepaald. Er is door BZK een onderzoek uitbesteed waarbij wel de bandbreedte van de benodigde kapitaalstorting per bestuurslaag wordt uitgezocht. Op het overgangsmoment kan op basis van de dan beschikbare rekenregels het overdrachtsbedrag binnen de eerder vastgestelde bandbreedte worden berekend. Veel decentrale overheden hebben overigens al wel een voorziening op hun begroting waarmee op voorhand al een deel van de benodigde overdrachtswaarde kan worden gefinancierd.
d) Het Nederlandse pensioenstelsel, voor pensioenopbouw in de tweede pijler, is gebaseerd op een kapitaaldekkingssysteem. Pensioenaanspraken ondergebracht bij pensioenfondsen zijn derhalve gefinancierd. De pensioenen van militairen die zijn opgebouwd vóór 1 juni 2001 en de APPA-regeling zijn wettelijk uitgezonderd van het kapitaaldekkingssysteem.
e) Reeds in de memorie van toelichting op de Wet toekomst pensioenen is aangegeven dat de begrotingsgefinancierde pensioenaanspraken van militairen en politieke ambtsdragers aanvullende maatregelen kunnen vergen.50 Met de reservering, die is getroffen bij de Voorjaarsnota 2023, is het mogelijk om een budgetneutrale omzetting van begrotingsgefinancierde pensioenen naar kapitaaldekking te realiseren voor de begrotingsgefinancierde pensioenaanspraken van militairen.
In de huidige situatie is het zo dat aanspraken op ouderdomspensioen, die door militairen zijn opgebouwd vóór 1 juni 2001, worden betaald vanuit de begroting van Defensie (begrotingsgefinancierde pensioenen). Wanneer sociale partners van de sector Defensie besluiten om de begrotingsgefinancierde pensioenen in te varen, zal Defensie in één keer alle reeds opgenomen budgetten op de begroting ter dekking van de begrotingsgefinancierde pensioenen moeten «affinancieren». Met affinancieren wordt bedoeld het volledig met kapitaal dekken van de begrotingsgefinancierde pensioenen bij de pensioenuitvoerder (het ABP), door middel van het betalen van een inkoopsom. Omdat de budgetten voor uitkering van de militaire pensioenen van voor 1 juni 2001 reeds op de begroting opgenomen zijn, is er geen sprake van extra uitgaven.
f) Zie antwoord e.
g) Het gaat niet om duurdere pensioenen maar om een budgetneutrale omzetting van begrotingsgefinancierde pensioenen naar kapitaaldekking voor de begrotingsgefinancierde pensioenaanspraken van militairen. Dit heeft een eenmalig belasting van het EMU-saldo tot gevolg, die kan worden gekwalificeerd als een one-off, wat betekent dat het structurele EMU-saldo geen effect hiervan ondervindt.
h) Zie antwoord g.
i) Een dergelijk risico is er niet; zie antwoord bij d), f) en h).
j) Op pagina 173 van de Voorjaarsnota 2023 is de reservering nader toegelicht; zie ook antwoord bij b). Verder is reeds in de memorie van toelichting bij de Wet toekomst pensioenen reeds aangegeven dat de begrotingsgefinancierde pensioenaanspraken van militairen en politieke ambtsdragers aanvullende maatregelen kunnen vergen.
120.
Handelingsperspectief gepensioneerden
Kan de Minister aangeven op welke wijze de gepensioneerden populatie handelingsperspectief heeft om zich van een adequaat pensioen te kunnen voorzien wanneer pensioenen in de uitkeringsfase (mogelijk herhaaldelijk) kunnen dalen.
Het handelingsperspectief voor gepensioneerden wijzigt niet ten opzichte van het huidige pensioenstelsel. Met het nieuwe pensioenstelsel wordt eerder perspectief geboden op een koopkrachtig pensioen. Dit kan door vereisten voor nominale zekerheid los te laten. De keerzijde is dat het ook mogelijk is dat pensioenen eerder omlaaggaan. Daarvoor zijn echter ook verschillende mechanismen ingebouwd om pensioenverlagingen te voorkomen of te dempen. Zo wordt risico afgebouwd naarmate deelnemers ouder worden, kunnen schokken worden uitgesmeerd in de tijd en kan de solidariteits- dan wel risicodelingsreserve worden ingezet om schokken te dempen.
121.
Kan de Minister inzicht geven in het aantal pensioenfondsen dat verwacht over te gaan naar een SPR regeling waarbij de solidariteitsreserve aangewend wordt voor het vastklikken van de pensioenuitkering (ORTEC-methode genoemd in de markt)? Hierbij worden ingegane variabele uitkeringen niet naar beneden aangepast zolang er een solidariteitsreserve is. Deze methodiek lijkt het reproduceren van het huidige nominale systeem binnen het nieuwe wettelijk kader. Bij welke mate van toepassing van deze methodiek zijn conclusies te maken over de doeltreffendheid om af te stappen van het huidige nominaal gedreven pensioenstelsel?
Nee, dat exacte inzicht heb ik niet. Uit diverse gesprekken die het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voert met pensioenuitvoerders blijkt wel interesse te zijn voor de genoemde methode.
Verder geldt dat het afstappen van het nominaal gedreven pensioenstelsel geen doel op zich is, het is een middel om een doel te bereiken, namelijk eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen te realiseren. De solidariteits- en risicodelingsreserve zijn bij uitstek instrumenten die eventuele pensioenverlagingen kunnen voorkomen, dat is geheel in lijn met de doelen van het wetsvoorstel.
122.
Heeft de Minister onderzocht welk kennisniveau een deelnemer moet hebben om de voorgestelde «kassabon» en het jaarlijkse UPO overzicht waarin het kapitaalverloop gedurende het jaar wordt gedeeld, te kunnen begrijpen. Indien dit is onderzocht, wat waren de resultaten. Indien dit niet is onderzocht, welke verwachting heeft de Minister rondom dit onderwerp en waarop is deze gebaseerd?
De UPO-modellen worden jaarlijks door de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen vastgesteld, na voorstellen vanuit de Pensioensector, meer specifiek de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars. De AFM adviseert over de voorstellen vanuit de sector, alvorens de modellen door mij worden vastgesteld. Deze modellen zijn al lang in gebruik omdat er nu ook nu al premieregelingen zijn met een bijbehorend UPO-model. De modellen in gebruik worden elke keer weer aangescherpt op grond van ervaringen en ontwikkelingen. Er is daarom ook geen aanvullend onderzoek gedaan ten opzichte van deze bestaande en zojuist beschreven praktijk.
123.
Kan de Minister beargumenteren hoe ze wil voorkomen dat bij een te complex nieuw systeem het maatschappelijk draagvlak voor het Nederlandse pensioenstelsel minder wordt?
Een van de belangrijkste aanleidingen voor de vernieuwing van het pensioenstelsel is dat het huidige pensioenstelsel niet kan waarmaken wat burgers van het pensioenstelsel verwachten. Er wordt meer beloofd dan kan worden waargemaakt. De afgelopen 15 jaar kenmerken zich, als gevolg van achterblijvende indexatie, door teleurstelling van burgers in het pensioenstelsel, dat ondergraaft het vertrouwen bij deelnemers en pensioengerechtigden en het draagvlak voor het pensioenstelsel. Gepensioneerden hebben er steeds minder vertrouwen in dat het aanvullend pensioen de stijging van prijzen kan bijhouden en ook actieven vragen zich mede daarom af of zij nog een toereikend pensioen zullen ontvangen. Het nieuwe pensioenstelsel pakt dit in de kern aan, er is straks ruimte om de pensioenen eerder te verhogen, wat het maatschappelijk draagvlak uiteindelijk kan doen toenemen.
Tegelijkertijd hoor ik ook een brede wens om voldoende solidariteit in het pensioenstelsel te behouden. Dat is één van de sterke elementen van het huidige pensioenstelsel en is ook een belangrijk uitgangspunt geweest bij het ontwerp van het nieuwe pensioenstelsel. Het behouden van solidariteit binnen het pensioencontract leidt enerzijds tot welvaartswinst als gevolg van de risicodeling tussen en binnen generaties, en daarmee hogere en/of stabielere pensioenen. Het leidt echter ook tot meer uitgebreide wetgeving om de maatschappelijke doelen te borgen. De overgang naar premieregelingen leidt in zichzelf tot een simpeler pensioenstelsel, terwijl de solidariteitselementen meer complexiteit toevoegen. Dat is een afruilruil, waar bewust voor is gekozen en waar met het wetsvoorstel toekomst pensioenen een solide balans in is gevonden.
124.
Kan de Minister beargumenteren hoe ze wil voorkomen dat bij een volatieler en meer onzekere pensioenuitkering het maatschappelijk draagvlak voor het Nederlandse pensioenstelsel minder wordt?
De vernieuwing van het pensioenstelsel is zo ingericht dat antwoord wordt geboden op de tekortkomingen van het huidige pensioenstelsel. Een belangrijk instrument daartoe is dat pensioenen eerder omhoog kunnen in het nieuwe pensioenstelsel. Dit kan worden waargemaakt door minder buffers aan te houden, waardoor rendementen eerder kunnen worden toebedeeld aan deelnemers en gepensioneerden. Dit uitgangspunt is een rode draad in het Pensioenakkoord en het daaruit volgende wetsvoorstel toekomst pensioenen. Er is breed draagvlak voor een pensioen dat eerder omhoog kan. Het eerlijke verhaal is echter ook dat een pensioen dat sneller kan worden verhoogd, ook sneller kan worden verlaagd. Betrokkenen hebben gedurende het proces zodoende aandacht gevraagd voor mechanismen om verlagingen zo veel mogelijk te dempen. Mede daarom zijn er in het wetsvoorstel verschillende mechanismen ingebouwd om verlagingen van reeds ingegane pensioenen zo veel mogelijk te voorkomen. Zo geldt dat naarmate de pensioenleeftijd wordt genaderd, risico wordt afgebouwd zodat schommelingen in de aanstaande pensioenuitkeringen gedempt worden. Ook bestaat de mogelijkheid voor pensioenfondsen om beleggingsresultaten te spreiden over maximaal tien jaar op basis van het per deelnemer gereserveerde pensioenvermogen. Daarnaast kunnen dankzij de solidariteits- en risicodelingsreserve uitkeringen gestabiliseerd worden. Zo heeft Ortec Finance51 met berekeningen laten zien dat een solidariteitsreserve met gerichte vul- en verdeelregels effectief ingezet kan worden om dalingen van pensioenuitkeringen te voorkomen. Met een relatief kleine solidariteitsreserve kunnen huidige en toekomstige gepensioneerden meer nominale zekerheid krijgen dan bij een beleid zonder solidariteitsreserve en onder bepaalde condities ook meer zekerheid krijgen dan het huidige pensioenstelsel kan bieden. Door het inbouwen van deze verschillende mechanismen bij tegenvallers en het feit dat pensioenen eerder omhoog kunnen, is mijn verwachting niet dat het draagvlak voor het pensioenstelsel minder wordt.
125.
Kan de Minister uitleggen waarom zij het beoogde doel van de Wet Toekomst Pensioenen, «eerder uitzicht op een koopkrachtig pensioen» vindt te behalen met een pensioenuitkering die meebeweegt met de economie en financiële markten. In jaren dat het economisch minder gaat, is er ook een stijging van de uitkering nodig om koopkracht te behouden, op basis van het Wetsvoorstel zou de pensioenuitkering echter een tegengestelde beweging laten zien en kunnen dalen.
Net als in het huidige pensioenstelsel, is ook in het nieuwe pensioenstelsel het uiteindelijke pensioenresultaat afhankelijk van de economische ontwikkelingen. Ook nu spelen de economische ontwikkelingen en de ontwikkelingen op de financiële markten een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de hoogte van de pensioenuitkering. In het nieuwe pensioenstelsel wordt deze relatie transparanter, onder meer vanwege de specifieke toedeling van gemaakte rendementen aan het persoonlijk pensioenvermogen van de deelnemer.
Het nieuwe pensioenstelsel kent meerdere instrumenten om te zorgen voor een eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen. Zo biedt het wetsvoorstel mogelijkheden voor inflatiebescherming voor gepensioneerden via een direct beschermingsrendement, het projectierendement en de solidariteitsreserve. Bovendien kan ook met lifecycle beleggen in een bepaalde mate beleggingsrisico worden genomen voor pensioengerechtigden, als dit past bij hun risicohouding. Op deze wijze kunnen overrendementen worden behaald, die leiden tot een stijging van pensioenuitkeringen.
Een pessimistisch scenario betekent niet dat het eerder kunnen bieden van een uitzicht op een koopkrachtig pensioen niet meer aan de orde is. Een pensioenuitkering is namelijk van meer zaken afhankelijk dan enkel de ontwikkeling van vermogen. Zo spelen bijvoorbeeld niet alleen de rendementen op zakelijke waarden een rol, maar bijvoorbeeld ook de renteontwikkeling is van invloed op de hoogte van de pensioenuitkering. Per saldo kunnen deze tegengestelde effecten zowel leiden tot een positief als negatief resultaat op de pensioenuitkering. Overigens is deze negatief veronderstelde relatie tussen rendement en rente ook terug te vinden in het huidige pensioencontract en wordt zij zichtbaar in een daling van de waardering van het totaal vermogen van een pensioenfonds.
126.
Deelnemers die op het moment van overgang naar het nieuwe stelsel in een DC regeling zitten en vanuit de werkgever onder de overgangsregeling vallen waarbij ze een leeftijdsafhankelijke premie ontvangen, zullen pensioenopbouw mislopen indien hun nieuwe werkgever ook een DC regeling heeft en gebruik maakt van deze overgangsregeling waarbij alleen nieuwe werknemers een vlakke premie krijgen. Kan de Minister aangeven op welke wijze ze gelijkwaardigheid ziet tussen de voorgestelde regels en richtlijnen rondom compensatie voor deelnemers die nu een opbouw regeling hebben ten opzichte van de hierboven genoemde groep deelnemers van een beschikbare premieregeling?
Voor pensioenregelingen met een progressieve premie geldt dat het niet mogelijk is om een dubbele transitie uit te voeren. Als gevolg daarvan dreigt een grote groep deelnemers geconfronteerd te worden met een onevenwichtige transitie. Daarom is in lijn met het Pensioenakkoord een overgangsregeling getroffen, die inhoudt dat de mogelijkheid om progressieve premies toe te passen, onder bepaalde voorwaarden wordt geëerbiedigd. Voor deelnemers die een pensioenregeling hebben waar de dubbele transitie wel aan de orde is, wordt ook ruimte geboden voor compensatie, zodat ook in die gevallen een evenwichtige overstap mogelijk is. Voor beide situatie geldt dus dat het instrumentarium gekozen is dat past bij de concrete situatie met als doel een evenwichtige overstap mogelijk te maken voor alle deelnemers, ongeacht het type pensioenregeling dat de deelnemer nu heeft.
127.
Kan de Minister een toelichting geven over de beoogde werking van de eerbiedigende werking van het wezenpensioen?
128.
Hierbij graag expliciet aangeven welke onderdelen en voorwaarden van de oorspronkelijke toezegging in stand moeten blijven; zoals bijvoorbeeld de oorspronkelijke eindleeftijd van de dekking en de studie- en arbeidsongeschiktheid gerelateerde verlenging van de wezenpensioenuitkering. Het in stand houden van dergelijke elementen die een afwijkende werking hebben van het nieuw beoogde wezenpensioen zullen leiden tot langdurige overgangsregelingen, die in het geval van wezenpensioen zelfs na de pensionering in stand gehouden dienen te worden.
129.
Kan de Minister in haar toelichting aangeven op welke wijze de eerbiedigende werking van het wezenpensioen is getoetst op uitvoerbaar en wat de argumenten waren die bepaalden dat deze bepaling een niet-significante kostenverzwaring op de uitvoering hebben.
Met navolgend antwoord worden vraag 127, 128 en 129 gezamenlijk beantwoord. De eerbiedigende werking, in het wetsvoorstel toekomst pensioenen wordt dit geregeld in het overgangsrecht nabestaandenpensioen, houdt in dat op transitiedatum reeds ingegane wezenpensioenen ongewijzigd door lopen. Wanneer er sprake is van opbouw van wezenpensioen kan het zijn dat daarvoor andere voorwaarden gelden zoals een hogere eindleeftijd of een scholingseis. Deze opgebouwde aanspraken kunnen na de transitie ongewijzigd blijven staan en dus eventueel tot uitkering komen. Wel is het zo dat na de transitie er geen opbouw meer mogelijk is van dit wezenpensioen. Dit overgangsrecht is getroffen om bestaande rechten te beschermen. In het kader van het overgangsrecht zullen pensioenuitvoerders dus rekening moeten houden met deze oude rechten. Dit leidt waarschijnlijk tot additionele uitvoeringsinspanningen, maar de bescherming van bestaande rechten weegt hier voor mij zwaarder. Pensioenuitvoerders hebben aangegeven dat het wetsvoorstel toekomst pensioenen als geheel uitvoerbaar is, daar maakt dit overgangsrecht onderdeel van uit.
130.
Kan de regering een toelichting geven of het kapitaal dat bij pensionering tot de beschikking komt van deelnemers, volgens de huidige voorgestelde wetgeving ook aangewend mag worden voor realiseren van een wezenpensioendekking? Indien dit tot de beoogde mogelijkheden hoort, kan de Minister een toelichting geven hoe deze vormgegeven dient te worden?
Het is mogelijk om ook na pensioendatum een dekking voor wezenpensioen te realiseren. Deze dekking dient altijd op risicobasis vorm gegeven te worden. Dit is niet anders dan in het huidige pensioenstelsel het geval is.
131.
Kan de Minister een toelichting geven hoe zij wil voorkomen dat pensioenuitvoerders en pensioenuitvoeringsorganisaties op verschillende manieren de beoogde eerbiedigende werking voor het partner- en wezenpensioen vorm gaan geven.
Over het overgangsrecht voor nabestaandenpensioen is veelvuldig overleg gevoerd met pensioenuitvoerders. Het is zodanig vormgegeven, dat pensioenuitvoerders het kunnen uitvoeren op de manier die het beste past bij hun administratie. Deze vormvrijheid kan inderdaad betekenen dat pensioenuitvoerders dit op verschillende manieren in hun administratie verwerken. Echter, de bescherming die het overgangsrecht moet bieden is voor alle pensioenuitvoerders aan elkaar gelijk. Dat betekent dus dat de tot de transitie opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen geëerbiedigd moeten worden. Dit is voor mij belangrijker dan de wijze waarop pensioenuitvoerders dit praktisch vormgeven in hun administratie.
132.
Kan de regering aangeven of het beoogd is dat de eerbiedigende werking van het partner- en wezenpensioen in stand blijft bij een individuele waardeoverdracht naar een nieuwe pensioenuitvoerder? Indien dit is beoogd, kan de regering aangeven wat de consequenties zijn op de begrijpelijkheid voor, en het vertrouwen van de deelnemers indien pensioenuitvoerder op verschillende manieren de eerbiedigende werkingen vormgeven en uitvoeren?
Beoogd wordt dat het opgebouwd nabestaandenpensioen vanuit het overgangsrecht mee gaat in de individuele waardeoverdracht. Het kan zijn dat de dekking uit het overgangsrecht bij waardeoverdracht iets verandert, bijvoorbeeld door verschillen in overlevingskansen tussen het oude en het nieuwe pensioenfonds. Dat kan in het huidige pensioenstelsel ook het geval zijn bij een individuele waardeoverdracht van een deelnemer. De wijze waarop het overgangsrecht door verschillende uitvoerders wordt vormgegeven is voor deelnemers van ondergeschikt belang. In alle gevallen zien zij op het pensioenoverzicht welke dekking er is voor partner- en wezenpensioen, de wijze van financiering is daaraan ondergeschikt.
133.
Kan de Minister een aangeven of bij een collectieve uitkeringsfase van een solidaire pensioenregeling, waarbij de variabele pensioenuitkeringen zich ontwikkelen op basis van de dekkingsgraad, de informatie-eisen rondom de ontwikkeling van het kapitaal afdoende worden vervuld wanneer deze worden gebaseerd op de ontwikkelingen van het collectieve kapitaal en niet die van het individuele kapitaal? Indien dit niet afdoende is, kan de regering dan aangeven welke toegevoegde waarde het administreren van het individuele kapitaal heeft wanneer deze niet meer leidend is voor de variabele pensioenuitkering, deze kan namelijk volledig op de ontwikkeling van het collectieve kapitaal worden gebaseerd.
Bij een collectieve uitkeringsfase is sprake van gelijke aanpassing van de pensioenuitkeringen. Dat neemt niet weg dat de hoogte van de pensioenuitkeringen zullen afhangen van de verschillen in persoonlijke vermogens. Deze zijn dus medebepalend voor de hoogte van de variabele uitkering. Vanuit het oogpunt van transparantie is het goed deze persoonlijke pensioenvermogens inzichtelijk te maken voor de deelnemers.
134.
Kan de Minister aangeven op welke wijze ze (wetenschappelijk) heeft laten onderzoeken of de variabele uitkering, met een grotere onzekerheid en volatiliteit, past bij de risicohouding van de Nederlandse bevolking? Indien deze resultaten beschikbaar zijn, kunnen deze beschikbaar worden gesteld? Mocht dit niet zijn onderzocht dan graag delen op welke wijze tot de conclusie is gekomen dat het uitgangspunt van een variabele pensioenuitkering passend is voor de risicohouding van de beoogde populatie.
De variabele pensioenuitkering biedt de mogelijkheid om gedurende de uitkeringsfase door te beleggen, zodat op die manier een hoger pensioen gerealiseerd kan worden. Hoe de variabele uitkering precies wordt vormgegeven en welke mate van risico wordt genomen hangt af van het betreffende pensioenfonds en het bijbehorende deelnemersbestand. Daarom is ook geregeld dat de risicohouding moet worden vastgesteld en het beleggingsbeleid daarop moet aansluiten. Kortgezegd betekent dit dat het beleggingsbeleid moet aansluiten op het risico dat men kan en wil dragen. Er is geen onderzoek gedaan naar wat de nationale risicohouding is. Dat is ook niet nodig aangezien het beleggingsbeleid ook niet nationaal wordt vastgesteld, maar per pensioenuitvoerder.
135.
Kan de Minister aangeven op welke wijze is onderzocht wat het effect van inkomensonzekerheid is, en/of mogelijk vaker dalende inkomsten, bij de gepensioneerde bevolkingsgroep, hierbij specifiek ingaand op het spaar- en bestedingsgedrag op macro niveau? Indien resultaten beschikbaar zijn, deze graag delen en indien dit niet is onderzocht graag aangeven waarom dit niet is onderzocht en welke aannames de regering hierin heeft gemaakt met de bijbehorende onderbouwing.
Een dergelijk onderzoek neemt als vertrekpunt dat gepensioneerden inkomensonzekerheid en dalende inkomsten zullen ervaren vanwege het nieuwe pensioenstelsel. Die aanname wordt door de berekeningen die zijn gedaan naar het nieuwe pensioenstelsel niet gestaafd. Zodoende is er ook geen aanvullend onderzoek gedaan naar het spaar- en bestedingsgedrag op macro-niveau.
136.
Kan de Minister aangeven op welke manier is onderzocht of het consumentenvertrouwen wordt beïnvloed door het overgaan naar een pensioenstelsel waarbij de uitkeringen meer volatiel en onzeker zijn? Indien resultaten beschikbaar zijn, deze graag delen. Indien dit niet is onderzocht graag aangeven waarom dit niet is onderzocht en welke aannames de regering hierin heeft gemaakt met de bijbehorende onderbouwing.
Het CBS meet het consumentenvertrouwen. Dat doen zij door met een enquête onder personen de opvattingen met betrekking tot de algemene economische ontwikkeling en de financiële situatie van het eigen huishouden te peilen. De meningen van consumenten geven een indicatie over de ontwikkeling van de consumptie en de economie. De algemene economische ontwikkeling is onafhankelijk van de wijze waarop het pensioenstelsel wordt vormgegeven.
De financiële situatie van het eigen huishouden betreft meer aspecten dan enkel het aanvullend pensioen. Voor actieve deelnemers heeft de wijze waarop het aanvullend pensioen zich ontwikkelt voor pensioendatum geen invloed op de eigen financiële situatie. Voor gepensioneerden hangt de financiële situatie af van het inkomen, uitgaven maar ook van het vermogen. Het aanvullend pensioen is een onderdeel van het inkomen. Verreweg de meeste Nederlanders die een AOW ontvangen, ontvangen ook een aanvullend pensioen, volgens het CBS was dat in 2020 ongeveer 93%, waarbij de mediaan ongeveer 13,6 duizend euro bruto per jaar betrof.
In het algemeen is te zeggen dat in het nieuwe pensioenstelsel voor alle leeftijdsgroepen de mediane uitkering naar verwachting toeneemt ten opzichte van het huidige ftk. In het nieuwe pensioenstelsel kunnen pensioenen namelijk sneller en meer worden verhoogd omdat er minder buffers aangehouden hoeven te worden en omdat de ruimte voor pensioenverhogingen niet fiscaal is begrensd (loslaten van het zogenoemde «genoeg-is-genoeg» principe). Bij tegenvallende resultaten zijn er mogelijkheden om deze te dempen, denk aan het spreiden van schokken en/of de inzet van de solidariteits- of risicodelingsreserve. Hierdoor kan, bij gelijkblijvende overige variabelen, het vertrouwen in de eigen financiële situatie toenemen.
137.
Kan de Minister aangeven op welke wijze is onderzocht wat het bijeffect van de Wet Toekomst Pensioenen gaat zijn op de huizenmarkt; hebben gepensioneerden met onzekere/variabele inkomsten nog voldoende mogelijkheden om hypotheekvoorzieningen af te sluiten en wat is het risico op een verdere stagnering van de doorstroming van de huizenmarkt? Indien dit niet is onderzocht graag aangeven waarom dit niet is onderzocht en welke aannames de regering hierin heeft gemaakt met de bijbehorende onderbouwing.
De meeste kredietverstrekkers rekenen bij hypotheekaanvragen vanaf 10 jaar voor de pensioendatum al met het verwachte pensioeninkomen. In de praktijk kan dat er vaak toe leiden dat de beschikbare (standaard)bedragen die geleend kunnen worden beperkter zijn, omdat voor de meeste deelnemers geldt dat de pensioenuitkering lager zal zijn dan hun laatstverdiende loon. De kredietverstrekker kijkt namelijk standaard of de aanvrager de maandlasten van een hypotheek 30 jaar lang kan betalen. Kredietverstrekkers nemen in ieder geval in beschouwing wat het (toekomstig) pensioeninkomen is. Daarbij kunnen ze kijken naar het reeds genoten inkomen en naar de verwachtingen indien de aanvrager reeds gepensioneerd is. Er zijn ook andere factoren die de kredietverstrekker in ogenschouw neemt, zoals de lasten maar ook eventuele andere inkomstenbronnen.
Op basis van de berekeningen van het nieuwe pensioenstelsel is er geen aanleiding om aan te nemen dat vanwege het nieuwe pensioenstelsel de mogelijkheden om een hypotheek aan te vragen voor gepensioneerden beperkt zal worden. Er is zodoende ook geen vervolgonderzoek naar gedaan.
138.
Kan de Minister beargumenteren op welke wijze de hogere mate van individuele resultaattoekenning op het niveau van het individuele aandeel van het collectieve kapitaal als eenvoudiger wordt gezien als de jaarlijkse resultaatberekening van het huidige pensioensysteem.
Door de overgang op premieregelingen en persoonlijk pensioenvermogen, wordt het nieuwe pensioenstelsel in de kern eenvoudiger en wordt pensioenopbouw transparanter en persoonlijker. Deelnemers krijgen in het nieuwe pensioenstelsel immers meer inzicht in de ingelegde premie, het opgebouwde pensioenvermogen en de behaalde rendementen. Tegelijkertijd geldt dat er een brede wens bestaat om in het pensioenstelsel voldoende solidariteit te behouden. Dat leidt enerzijds tot welvaartswinst en daarmee hogere en/of stabielere pensioenen, maar leidt onlosmakelijk ook tot uitgebreidere wetgeving en daarmee samenhangende uitvoeringswerkzaamheden. Ook voor het individueel toedelen van beschermings- en overrendementen geldt dat dit uitvoeringstechnisch meer vraagt dan wanneer dit niet het geval zou zijn. Het zijn echter belangrijke elementen van solidaire premieregeling
Tot slot merk ik op dat het wetsvoorstel toekomst pensioenen uitgebreid is getoetst op uitvoerbaarheid en de uitvoeringspartijen frequent zijn betrokken bij het vormgeven van de wet. Hierbij is een balans gevonden tussen de inhoudelijke vereisten en een praktische, beheersbare uitvoering.
139.
Kan de Minister beargumenteren hoe zij tot de conclusie komt dat de pensioen technische en rekenkundige methodieken van de individuele resultaattoekenning op het niveau van het individuele aandeel van het collectieve kapitaal voor de gemiddelde deelnemer van een (bedrijfstak)pensioenfonds te begrijpen zijn? Hierbij graag de specifieke argumenten delen die bepalend zijn geweest voor de conclusie.
In het nieuwe pensioenstelsel krijgen deelnemers meer inzicht in de behaalde rendementen. Ook zullen zij zien wat het effect van het behaalde rendement is op het eigen persoonlijk pensioenvermogen. In vergelijking met het huidige pensioenstelsel wordt het daardoor voor deelnemers begrijpelijker hoe de pensioenopbouw tot stand is gekomen. Immers, in het huidige pensioenstelsel zien deelnemers bijvoorbeeld ook dat het pensioenfonds een rendement heeft behaald, maar zien zij dit tegelijkertijd niet terug in de hoogte van het pensioen. Ook de impact van de dekkingsgraad op de hoogte van de pensioenen en de buffervereisten maakt dat niet transparant is hoe het pensioen zich ontwikkelt. In het nieuwe pensioenstelsel wordt dit transparanter.
De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, C.J. Schouten
Zie bijvoorbeeld ook: https://www.dnb.nl/voor-de-sector/open-boek-toezicht/leeswijzer-beleidsuitingen-dnb/; en ook: https://www.afm.nl/nl-nl/sector/themas/belangrijke-europese-wet--en-regelgeving/overige-wetgeving-en-regels/beleidsuitingen-en-richtsnoeren.
European Securities and Markets Authority (2014). Consultation Paper MiFID II/MiFIR. ESMA/2014/1570.
SER, Balans en houdbaarheid alternatieve geschillenbeslechting voor consumentenzaken, Advies 23/02, maart 2023.
Olaf Boschman, Federatie: kosten geschilleninstantie in beginfase 3,5 miljoen, Pensioen Pro 1 mei 2023.
Zie ook Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 3, blz. 119 (in verband met bindend advies van de transitiecommissie).
https://pensioenpro.nl/pensioenpro/30051522/pensioenfondsen-in-nieuwe-stelsel-eindelijk-van-btw-af.
Voor nadere toelichting, zie ook de twee notities van het Centraal Planbureau: Het doorontwikkelde contract: beschrijving transitie, juni 2020 en Premieovereenkomsten: van 3%- en 1,5%-staffel naar een vlakke premie, juni 2020.
Zie https://open.overheid.nl/documenten/ronl-a6310bcb-cc10-4326-ba99-b9b01d6e2b4c/pdf, p. 53.
Centraal Planbureau, Nieuwe pensioenregels: effecten en opties van het doorontwikkelde contract en een overgang naar een vlak premiepercentage, 19 juni 2020, alsmede een viertal achtergrondstudies.
Zie https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/advies-commissie-parameters%20%284%29.pdf, p. 79.
Zie Technische Appendix bij Advies Commissie Parameters 2022, bijlage bij Kamerbrief I 2022/2023, 36 067, A.
Aegon Asset management, Pensioenakkoord uitgelegd Deel 5: Beleggingsbeleid in de nieuwe regelingen, april 2021.
Ortec Finance, Opheffen leenrestrictie binnen het Nieuwe Pensioencontract lijkt free lunch, augustus 2021.
De bedoeling van deze vraag is om compensatie voor gemiste indexatie en lager toekomstig rendement op pensioenvermogen door het life cycle beleggen mogelijk te maken.
CPB (2018), Welvaartswinst van risicodeling in een collectief pensioencontract, CPB Notitie, omslag-cpb-notitie.indd.
Zie bijvoorbeeld ook: https://www.dnb.nl/voor-de-sector/open-boek-toezicht/leeswijzer-beleidsuitingen-dnb/; en ook: https://www.afm.nl/nl-nl/sector/themas/belangrijke-europese-wet--en-regelgeving/overige-wetgeving-en-regels/beleidsuitingen-en-richtsnoeren.
Zie de overzichtspagina voor alle rapporten: https://www.netspar.nl/home/netspar-papers-projectierentes-wet-verbeterde-premieregeling/.
Nijman, T., Werker, B. en Muns, S., Uitkeringseffecten en kostendekkende premies in het nieuwe nabestaandenpensioen, Netspar Design paper 215.
Van Hekken, A., Eenvoudig communiceren over pensioen, April 2023, zie ook https://www.linkedin.com/posts/annemarievanhekken_pensioencommunicatie-activity-7054842640126590976-nzPw?utm_source=share&utm_medium=member_desktop.
Ottenhof, D., Pensioenpot als kassabon te ingewikkeld voor deelnemerscommunicatie, PensioenPro, 17 november 2022, https://pensioenpro.nl/pensioenpro/30053930/pensioenpot-als-kassabon-te-ingewikkeld-voor-deelnemerscommunicatie.
Ortec Finance, Chantal de Groot en Martin Bakker, Hogere en stabielere pensioenen dankzij solidariteitsreserve, maart 2022.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36067-P.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.