35 946 Wijziging van wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met hoofdzakelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 20.)

Nr. 8 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 7 januari 2022

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel IV wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IVa. EXPERIMENTENWET VOOROPLEIDINGSEISEN, SELECTIE EN COLLEGEGELDHEFFING

In artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing wordt «het Centraal register opleidingen hoger onderwijs» vervangen door «de Registratie instellingen en opleidingen».

B

In artikel VI wordt na de aanhef een onderdeel ingevoegd luidende:

0A

In artikel LII vervalt onderdeel O.

C

In artikel VI, onderdeel A, in het gewijzigde onderdeel E, onderdeel 2, wordt aan het slot van onderdeel a ingevoegd «of».

D

Na artikel X worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XA. TWEEDE VERZAMELSPOEDWET COVID-19

In de artikelen 1.2, eerste lid, en 1.3 van de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 vervalt de zinsnede «op het moment van inwerkingtreding van dit artikel».

ARTIKEL XB. WET BESTUURLIJKE HARMONISATIE BEROEPSONDERWIJS

In artikel Xa van de Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs wordt na het opschrift ingevoegd: «De Wet medezeggenschap op scholen wordt als volgt gewijzigd:».

E

Artikel XI, onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het voorgestelde artikel 1.1.1 vervalt de begripsbepaling van «Centraal register».

2. In het voorgestelde artikel 1.1.1 wordt in de alfabetische volgorde een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

Registratie instellingen en opleidingen: Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1, eerste lid;.

F

In artikel XI wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

In de artikelen 1.4.1, eerste lid, onderdeel f, 6.1.4, tweede lid, onderdeel c, 6.1.5b, eerste lid, 6.2.1, eerste en tweede lid, 6.2.2, tweede lid, 6.2.3b, eerste lid, 6.3.1, eerste en tweede lid, 7.4.7, tweede lid, 10.2 en 11.2, eerste lid, wordt «het Centraal register» vervangen door «de Registratie instellingen en opleidingen».

G

In artikel XI wordt na onderdeel F een onderdeel ingevoegd, luidende:

Fa

In artikel 2.1.4, eerste lid, vervalt «van een instelling als bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel b, ».

H

In artikel XI worden na onderdeel H twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ha

Het opschrift van hoofdstuk 6, titel 4, komt te luiden «Titel 4. De Registratie instellingen en opleidingen».

Hb

Artikel 6.4.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: «Artikel 6.4.1. De Registratie instellingen en opleidingen».

2. In het eerste lid wordt «Het Centraal register beroepsonderwijs is» vervangen door «De Registratie instellingen en opleidingen omvat».

3. In het tweede en derde lid wordt «Het Centraal register» vervangen door «De Registratie instellingen en opleidingen».

I

In artikel XI wordt na onderdeel K een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ka

Aan artikel 7.4.11 wordt een lid toegevoegd, luidende:

7. Hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 is van toepassing op de examens van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs:

a. met uitzondering van de artikelen 2.51, eerste tot en met vijfde lid, 2.51a, 2.59, 2.60, eerste lid, onder d, tweede tot en met vierde lid, 2.60b, eerste tot en met derde lid, 2.60c, tweede en derde lid, 2.60d, 2.62 tot en met 2.64;

b. met dien verstande dat:

1°. «de rector of directeur» en «het bevoegd gezag» worden gelezen als «de examencommissie», behalve in de artikelen 2.52, 2.53, 2.54 en 2.55, eerste lid;

2°. de examencommissie de uitslag van het eindexamen vaststelt;

3°. de examencommissie de cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten tekent;

4°. de examencommissie een examenreglement vaststelt alsmede jaarlijks een programma van toetsing en afsluiting vaststelt;

5°. de examencommissie de vaststelling van een wijziging van het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober aan de kandidaten en de inspectie zendt.

J

In artikel XI worden na onderdeel N drie onderdelen ingevoegd, luidende:

O

In artikel 8a.1.2, eerste lid, wordt «de studenten» vervangen door «de studenten en vavo-studenten».

P

Aan artikel 8a.2.2, derde lid, worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel o in een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

p. het vaststellen of wijzigen van een examenreglement voor een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 2.60 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020;

q. het vaststellen of wijzigen van een programma van toetsing en afsluiting voor een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in de artikelen 2.60a tot en met 2.60c van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020.

Q

In artikel 12.2.7, onderdeel c, onder 1, wordt «het Centraal register opleidingen hoger onderwijs» vervangen door «het op dat moment geldende Centraal register opleidingen hoger onderwijs».

K

In artikel XII wordt voor onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

0A

Artikel 1.1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsbepaling van «Centraal register» vervalt.

2. In de alfabetische volgorde wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

Registratie instellingen en opleidingen: Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid;.

L

In artikel XII wordt na onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa

In de artikelen 1.4.1, achtste lid, 6.2.1, derde lid, onderdeel c, 6.2.4, eerste lid, 9.2 en 10.3, eerste lid, wordt «het Centraal register» vervangen door «de Registratie instellingen en opleidingen».

M

In artikel XII worden na onderdeel B drie onderdelen ingevoegd, luidende:

Ba

In het opschrift van hoofdstuk 6 wordt «Het Centraal register beroepsonderwijs BES» vervangen door «De Registratie instellingen en opleidingen».

Bb

Het opschrift van hoofdstuk 6, titel 1, komt te luiden: «Titel 1. De Registratie instellingen en opleidingen».

Bc

Artikel 6.1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden «Artikel 6.1.1. De Registratie instellingen en opleidingen».

2. In het eerste lid wordt «Het Centraal register is» vervangen door «De Registratie instellingen en opleidingen omvat» en wordt na «erkende beroepsopleidingen» ingevoegd «en de instellingen die deze verzorgen».

3. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «Het Centraal register» vervangen door «De Registratie instellingen en opleidingen».

b. Onderdeel a komt te luiden:

a. de naam van de beroepsopleiding en de opleidingscode,.

N

Aan artikel XII wordt een onderdeel F toegevoegd, luidende:

F

Aan artikel 7.4.13 wordt een lid toegevoegd, luidende:

7. Hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 is van toepassing op de examens van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs:

a. met uitzondering van de artikelen 2.51, eerste tot en met vijfde lid, 2.51a, 2.59, 2.60, eerste lid, onder d, tweede tot en met vierde lid, 2.60b, eerste tot en met derde lid, 2.60c, tweede en derde lid, 2.60d, 2.62 tot en met 2.64;

b. met dien verstande dat:

1°. «de rector of directeur» en «het bevoegd gezag» worden gelezen als «de examencommissie», behalve in de artikelen 2.52, 2.53, 2.54 en 2.55, eerste lid;

2°. de examencommissie de uitslag van het eindexamen vaststelt;

3°. de examencommissie de cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten tekent;

4°. de examencommissie een examenreglement vaststelt alsmede jaarlijks een programma van toetsing en afsluiting vaststelt;

5°. de examencommissie de vaststelling van een wijziging van het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober aan de kandidaten en inspectie zendt.

O

In artikel XVI wordt na onderdeel C een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ca

In de artikelen 5.8, eerste lid, onderdelen a en b, 5.10, eerste lid, onderdeel e, 5.21, zesde lid, 5.32, 6.2, negende lid, 6.9, vijfde lid, 6.10, tweede lid, 6.13, derde lid, 6.14, derde, vierde en vijfde lid, 7.3, vierde lid, 7.11, tweede lid, onderdeel d, 7.17, eerste en vierde lid, 18.2, tweede lid, 18.19, tweede lid, 18.29, eerste, tweede en derde lid, 18.30, eerste, tweede en derde lid, 18.53, eerste en tweede lid, 18.64, tweede lid, 18.65, tweede lid, 18.66, tweede lid, en 18.75, vierde lid, wordt «het Centraal register opleidingen hoger onderwijs» vervangen door «de Registratie instellingen en opleidingen».

P

In artikel XVI worden na onderdeel D twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Da

Het opschrift van hoofdstuk 6, titel 3, komt te luiden «Titel 3. De Registratie instellingen en opleidingen».

Db

Artikel 6.13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden «Artikel 6.13. De Registratie instellingen en opleidingen».

2. In het eerste lid wordt «Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs is» vervangen door «De Registratie instellingen en opleidingen omvat».

3. In de aanhef van het vierde en vijfde lid wordt «Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs» vervangen door «De Registratie instellingen en opleidingen».

Q

Artikel XVI, onderdeel F, komt te luiden:

F

Artikel 7.25 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste en tweede lid wordt «studenten in te schrijven van wie» vervangen door «als studenten en extranei in te schrijven degene van wie»;

2. In het vierde lid vervalt «aan aspirant-studenten».

3. In het vijfde lid vervalt «, onderdeel b, ».

4. In het zesde lid wordt «en een student hieraan niet aan voldoet, kan de student toch worden ingeschreven» vervangen door «kan degene die hier niet aan voldoet toch als student of extraneus worden ingeschreven».

R

In artikel XVI wordt na onderdeel J een onderdeel ingevoegd, luidende:

K

Het opschrift van artikel 18.2 komt te luiden «Artikel 18.2. Aanpassing Registratie instellingen en opleidingen».

S

Aan artikel XXVIII wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

G

Artikel XIIA komt te luiden:

Artikel XIIA. SAMENLOOP MET WET BEËINDIGING VERVANGINGSFONDS EN MODERNISERING PARTICIPATIEFONDS

De Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en modernisering participatiefonds) (Stb. 2021, 538) wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel B komt te luiden:

B

In artikel 115, tweede lid, onderdeel d, wordt «het vervanging» vervangen door «de vervanging» en vervalt «, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid».

2. Onderdeel C vervalt.

3. In onderdeel D wordt «artikel 157» vervangen door «artikel 143».

4. In onderdeel E wordt «artikelen 183, 183a en 187» vervangen door «artikelen 188, 189 en 194».

5. Onderdeel F wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «artikel 184» vervangen door «artikel 190».

b. Het voorgestelde artikel 184 wordt als volgt gewijzigd:

1°. In het opschrift wordt «artikel 184» vervangen door «artikel 190».

2°. In het eerste lid wordt «de artikelen 184a, 184a1, 194e en 194h» vervangen door «de artikelen 191, 191a, 214a en 214b» en wordt «artikel 184a» vervangen door «artikel «191».

6. In onderdeel G wordt «artikel 184a» vervangen door «artikel 191» en wordt «artikel 184» telkens vervangen door «artikel 190».

7. Onderdeel H wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «artikel 184a» vervangen door «artikel 191».

b. Het voorgestelde artikel 184a1 wordt als volgt gewijzigd:

1°. In het opschrift wordt «Artikel 184a1» vervangen door «Artikel 191a».

2°. In het tweede lid wordt «artikel 184» vervangen door «artikel 190».

8. In onderdeel J wordt «188» vervangen door «195».

9. Onderdeel K wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «artikel 194f» vervangen door «artikel 214».

b. Het voorgestelde artikel 194g wordt als volgt gewijzigd:

1°. In het opschrift wordt «Artikel 194g» vervangen door «Artikel 214a».

2°. In het tweede lid wordt «artikel 183, vierde lid en artikel 183a,» vervangen door «artikel 188, vierde lid, en artikel 189».

3°. In het vierde lid wordt «artikel 183, eerste lid» vervangen door «artikel 188, eerste lid».

4°. In het vijfde lid wordt «Artikel 187, derde lid, onderdeel c» vervangen door «Artikel 194, derde lid, onderdeel c», wordt «artikel 183, tweede lid» vervangen door «artikel 188, tweede lid» en wordt «artikel 183, eerste lid» vervangen door «artikel 188, eerste lid».

c. Het voorgestelde artikel 194h wordt als volgt gewijzigd:

1°. In het opschrift wordt «Artikel 194h» vervangen door «Artikel 214b».

2°. Het eerste en tweede lid komen te luiden:

1. Verzoeken tot vergoeding als bedoeld in de artikelen 138, tweede lid, en 184, vierde en vijfde lid, zoals deze artikelen luidden op 31 maart 2022, kunnen tot zes maanden na inwerkingtreding van artikel II, onderdelen C, E, F, G, I en J van de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met de kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en hervorming participatiefonds) (Stb. 2021, 538) worden ingediend bij het participatiefonds.

2. Op de afwikkeling van de aanvragen, alsmede op geschillen daarover in bezwaar en beroep of hoger beroep, zijn de artikelen 138, tweede lid, en 184, vierde en vijfde lid, en de daarop gebaseerde regelingen, zoals deze luidden op 31 maart 2022, van toepassing, met dien verstande dat vanaf de inwerkingtreding van de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met de kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en hervorming participatiefonds) (Stb. 2021, 538) de financiële afwikkeling bij het participatiefonds ligt.

B

Artikel II wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen B en C vervallen.

2. In onderdeel D wordt «artikelen 169, 169a en 172» vervangen door «artikelen 167, 168 en 173».

3. Onderdeel E wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «artikel 170» vervangen door «artikel 169».

b. Het voorgestelde artikel 170 wordt als volgt gewijzigd:

1°. In het opschrift wordt «Artikel 170» vervangen door «Artikel 169».

2°. In het eerste lid wordt «artikelen 170a, 170a1, 178f en 178g» vervangen door «artikelen 170, 170a, 188a en 188b» en wordt «artikel 170a» vervangen door «artikel 170».

4. Onderdeel F wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «artikel 170a» vervangen door «artikel 170».

b. In het eerste lid wordt «artikel 170» vervangen door «artikel 169».

c. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «artikel 170, derde lid, onderdeel b» vervangen door «artikel 169, derde lid, onderdeel b».

5. Onderdeel G wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef, wordt «artikel 170a» vervangen door «artikel 170».

b. Het voorgestelde artikel 170a1 wordt als volgt gewijzigd:

1°. In het opschrift wordt «Artikel 170a1» vervangen door «Artikel 170a».

2°. In het tweede lid, wordt «artikel 170, tweede lid» vervangen door «artikel 169, tweede lid».

6. In onderdeel I wordt «artikel 173» vervangen door «artikel 174».

7. Onderdeel J wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «artikel 178e» vervangen door «artikel 188».

b. Het voorgestelde artikel 178f wordt als volgt gewijzigd:

1°. In het opschrift wordt «Artikel 178f» vervangen door «Artikel 188a».

2°. In het tweede lid wordt «artikel 169, vierde lid en artikel 169a,» vervangen door «artikel 167, vierde lid, en artikel 168».

3°. In het vierde lid wordt «artikel 169, eerste lid» vervangen door «artikel 167, eerste lid».

4°. In het vijfde lid wordt «Artikel 172, derde lid, onderdeel c» vervangen door «Artikel 173, derde lid, onderdeel c», wordt «artikel 169, tweede lid» vervangen door «artikel 1678, tweede lid» en wordt «artikel 169, eerste lid» vervangen door «artikel 167, eerste lid».

c. Het voorgestelde artikel 178g wordt als volgt gewijzigd:

1°. In het opschrift wordt «Artikel 178g» vervangen door «Artikel 188b».

2°. Het eerste en tweede lid komen te luiden:

1. Verzoeken tot vergoeding als bedoeld in de artikelen 132, tweede lid, en 170, vierde en vijfde lid, zoals deze artikelen luidden op 31 maart 2022 kunnen tot zes maanden na inwerkingtreding van artikel II, onderdelen C, E, F, G, I en J van de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met de kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en hervorming participatiefonds) (Stb. 2021, 538) worden ingediend bij het participatiefonds.

2. Op de afwikkeling van de aanvragen, alsmede op geschillen daarover in bezwaar en beroep of hoger beroep, zijn de artikelen 132, tweede lid, en 170, vierde en vijfde lid, en de daarop gebaseerde regelingen, zoals deze luidden op 31 maart 2022, van toepassing, met dien verstande dat vanaf de inwerkingtreding van de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met de kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en hervorming participatiefonds) (Stb. 2021, 538) de financiële afwikkeling bij het participatiefonds ligt.

T

Artikel XXXI wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Een lid wordt toegevoegd, luidende:

2. In dat besluit kan worden bepaald dat:

a. artikel XA terugwerkt tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip;

b. artikel XXVIII terugwerkt tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen van genoemd artikel verschillend kan worden vastgesteld.

Toelichting

1. Algemeen

Deze nota van wijziging wordt gegeven mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media.

Deze nota van wijziging ziet in de eerste plaats op de doorvoering van de naamswijziging van het Centraal register beroepsonderwijs (CREBO) en het Centraal register opleiding hoger onderwijs (CROHO). Deze systemen zijn vervangen door een nieuw systeem, de Registratie instellingen en opleidingen (RIO).

In de tweede plaats gaat het om wijzigingen van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). Momenteel zijn de meeste examenregels voor het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) neergelegd in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), de WEB en in het Eindexamenbesluit VO (EBVO). De Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) vervangt per 1 augustus 2022 de WVO. In de WVO 2020 is een deel van de bepalingen vanuit het EBVO overgeheveld naar wetsniveau (hoofdstuk 2, paragraaf 5, WVO 2020). In de WVO 2020 zijn echter nog niet de wijzigingen meegenomen die op 1 augustus 2021 in het EBVO (Stb. 2020, 206) zijn aangebracht; dat betreft met name het vavo. Daarin voorziet deze nota van wijziging. Zie hiervoor artikel XXIV (onderdelen A, D tot en met I, L en Z) van dit wetsvoorstel. Met de wijzigingen van de WEB in deze nota van wijziging wordt geregeld dat de genoemde overgehevelde bepalingen in de WVO 2020 ook blijven gelden voor het vavo.

De overige wijzigingen zien op het herstel van technische onvolkomenheden.

2. Artikelsgewijs

Onderdelen A, E, F, H, K, L, M, O, P, R

Deze wijzigingen hebben betrekking op de naamswijziging van het Centraal register beroepsonderwijs (CREBO) en het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO). Met het CREBO en CROHO worden de systemen aangeduid waarin de Minister van OCW gegevens over instellingen en opleidingen registreert. Deze systemen zijn vervangen door een nieuw systeem, de Registratie instellingen en opleidingen (RIO).1 RIO bevat ook de gegevens met betrekking instellingen in het PO en VO (voorheen geregeld in BRIN), maar omdat niet op wetsniveau benoemd wordt, is daarvoor nu ook geen wetswijziging nodig. De RIO is de nieuwe benaming voor het register dat de systematische geordende gegevens bevat van instellingen en opleidingen in het beroepsonderwijs en in het hoger onderwijs. Naar aanleiding hiervan voorziet het wetsvoorstel in aanpassing van de terminologie in de WEB, de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing. DUO heeft de wijzigingen die betrekking hebben op de aanpassing van de terminologie beoordeeld met een uitvoeringstoets en acht deze uitvoerbaar. De voorgestelde aanpassingen hebben geen gevolgen voor derden (instellingen, onderwijspersoneel of onderwijsdeelnemers).

Onderdeel B

Door deze wijziging vervalt artikel LII, onderdeel O, van de Invoerings- en aanpassingswet WVO 2020. Het betreft een wijziging van artikel 7.4.11 WEB. Die laatste wijziging is niet meer noodzakelijk, nu hierin al wordt voorzien in onderdeel I (artikel XI, onderdeel Ka) van deze nota van wijziging.

Onderdeel C

Deze wijziging ziet op het herstel van een verschrijving.

Onderdeel D

Artikel XA

Op basis van de Subsidieregeling post-initiële leergang bewegingsonderwijs kunnen leraren in ongeveer 18 maanden een certificaat behalen waarmee zij bevoegd zijn om bewegingsonderwijs te geven aan leerlingen in het derde tot en met achtste schooljaar van het primair onderwijs of aan leerlingen vanaf zeven jaar in het speciaal onderwijs. Op basis van de artikelen 3, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het primair onderwijs en 3, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra mogen deze leraren in opleiding twee aaneengesloten schooljaren dergelijk bewegingsonderwijs geven. Echter in verband met de uitbraak van COVID-19 liepen deze leraren vertraging op bij het behalen van dit certificaat. Halverwege maart 2020 zijn immers de opleidingen stilgelegd. Om te voorkomen dat deze leraren de wettelijke termijn van twee jaar overschrijden, is in 2020 in de artikelen 1.2, eerste lid, en 1.3 van de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 geregeld dat deze leraren drie aaneengesloten schooljaren bewegingsonderwijs mogen geven.2

Deze verlenging van een schooljaar geldt alleen voor leraren aan wie op 1 augustus 2020 een subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling post-initiële leergang bewegingsonderwijs voor het behalen van een certificaat van een post-initiële leergang bewegingsonderwijs.

Anders dan verwacht dreigen nu ook de leraren aan wie na 1 augustus 2020 een dergelijke subsidie is verleend, vertraging op te lopen bij het behalen van dit certificaat. Om te voorkomen dat ook zij als gevolg van het overschrijden van de wettelijke termijn van twee jaar geen bewegingsonderwijs meer kunnen verzorgen en dientengevolge hun opleiding niet kunnen afronden, wordt hier voorgesteld om ook voor deze leraren de wettelijke termijn van twee aaneengesloten schooljaren met een schooljaar te verlengen.

Deze verlenging wordt met dit wetsvoorstel geregeld in de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19. Bij de behandeling van deze verzamelspoedwet is reeds onderzocht of er financiële gevolgen voor de Rijksbegroting verbonden zijn aan een dergelijke verlenging van de bevoegdheidstermijn. Daarvan was geen sprake. Ook heeft een dergelijke verlenging geen consequenties voor de regeldruk.

Evenals voor de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 is het verlengen van bevoegdheidstermijn wederom voorgelegd aan de PO-Raad, de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding, het Landelijk Platform Nascholing Primair Onderwijs, DUO en de Inspectie van het Onderwijs. Alle partijen stemmen in met de verlenging en zien geen verdere bezwaren of uitvoeringsproblematiek.

Artikel XB

Uit het opschrift blijkt dat de bepaling beoogt om artikel 4a van de Wet medezeggenschap op scholen te wijzigen. De aanhef ontbreekt echter abusievelijk. Deze wordt daarom alsnog ingevoegd.

Onderdeel G

Artikel XI, onderdeel Fa (artikel 2.1.4 WEB)

Met het in te voegen onderdeel Fa wordt een wijziging van artikel 2.1.4, eerste lid, van de WEB voorgesteld. Met de Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs3 worden verschillende artikelen in hoofdstuk 2, titels 1 en Ib, opnieuw vastgesteld, waaronder genoemd artikel. Daarbij is een verwijzing opgenomen naar artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel b, WEB. Deze is echter onwenselijk en evenmin nodig. Hierdoor kan namelijk de suggestie worden gewerkt dat artikel 2.1.4 WEB, en daarmee de fusietoets, alleen van toepassing zijn op de institutionele fusie. Dat is echter onjuist. Zoals ook is opgenomen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.1.4 WEB, bevat dit artikel de inhoud van het huidige artikel 2.1.9 WEB, dat bepaalt dat fusies niet tot stand worden gebracht dan nadat daarvoor goedkeuring is verleend door de Minister van OCW. Niet slechts voor de institutionele fusie als bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel b, WEB is voorgaande goedkeuring van de Minister vereist, maar voor iedere fusie.4 Schrapping van deze verwijzing neemt de mogelijke onduidelijkheid weg.

Onderdeel I

Artikel XI, onderdeel Ka (artikel 7.4.11 WEB)

Met deze wijziging van de WEB wordt geregeld dat de genoemde overgehevelde bepalingen in de WVO 2020 (zie algemeen deel van deze toelichting) ook blijven gelden voor het vavo. Aan artikel 7.4.11 WEB wordt daarom een nieuw zevende lid toegevoegd, dat regelt welke bepalingen van hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de WVO 2020 van toepassing zijn op het vavo.

Een aantal bepalingen in hoofdstuk 2, paragraaf 5, WVO 2020 zijn niet van toepassing op het vavo of worden reeds (anders) geregeld in de WEB en worden daarom expliciet uitgezonderd (nieuw zevende lid, onderdeel a). Het betreft de bepalingen in de WVO 2020 over:

  • De gelegenheid om eindexamen af te leggen, de extraneus, en de bevoegdheid tot afneming van het eindexamen (artikel 2.51, leden 1 tot en met 5, WVO 2020). Dit is reeds geregeld in artikel 7.4.11, eerste lid, 8.1.1, eerste lid, respectievelijk 7.4.8, vijfde lid, WEB. Zie ook de artikelen 7.4.13, eerste lid, 8.1.1., eerste lid, respectievelijk 7.4.4 WEB BES.

  • De examensecretaris (2.51a WVO 2020). In de WEB liggen de taken van de examensecretaris bij de examencommissie, samengesteld conform artikel 7.4.5 WEB en artikel 7.4.7 WEB BES.

  • De verklaring bij het verlaten van de school (artikel 2.59 WVO 2020). De WEB en de WEB BES kennen voor vavo-instellingen geen verplichting tot het afgeven van een verklaring.

  • De wijze van vaststelling van het examenreglement (artikel 2.60, eerste lid, onder d, tweede tot en met vierde lid, WVO 2020). In de WEB is dit een taak van de examencommissie op grond van artikel 7.4.8, vijfde lid, WEB. Zie ook artikel 7.4.9, tweede lid, WEB BES.

  • De vaststellingsprocedure van het pta (artikel 2.60b, leden 1 tot en met 3, WVO 2020). Voor vavo is het opstellen en vaststellen van het pta immers een taak van de examencommissie.

  • De wijze waarop het bevoegd gezag van de vo-school de examencommissie van de vo-school moet betrekken bij het wijzigen van een pta (artikel 2.60c, leden 2 en 3, WVO 2020). Voor het vavo is het opstellen en vaststellen van het pta immers een taak van de examencommissie.

  • De benoeming en samenstelling van de examencommissie in het vo (artikel 2.60d WVO 2020). Dit is reeds geregeld in de artikelen 7.4.5 WEB en 7.4.7 WEB BES.

  • Het intrekken van de examenbevoegdheid (artikel 2.62 WVO 2020). Dit is reeds geregeld in de artikelen 6a.2.1 WEB en 6.2.2a. WEB BES.

  • Het instellen van beroep bij een commissie van beroep voor de eindexamens (artikel 2.63 en 2.64 WVO 2020). Dit is reeds geregeld in hoofdstuk 7, titel 5, WEB en de WEB BES.

Voor de examinering van de opleiding vavo is meestal de examencommissie de verantwoordelijke actor. Daarin voorzien de overige wijzigingen in het nieuwe zevende lid van artikel 7.4.11 WEB.

Onderdeel J

Artikel XI, onderdeel O

Met de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel GG, van de Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs wordt artikel 8a.1.2, eerste lid, van de WEB gewijzigd. Daarbij is abusievelijk de vavo-student niet meer genoemd als relevant voor de studentenraad. Dit wordt hersteld met deze wijziging.

Artikel XI, onderdeel P

In de artikelen 31, vijfde lid, en 31b, vierde lid, EBVO werd geregeld dat de studentenraad van een roc instemmingsrecht heeft op het examenreglement en het pta voor opleidingen vavo. Nu de inhoud van dat besluit deels wordt overgeheveld naar de WVO 2020, worden die reeds bestaande instemmingsrechten naar hoofdstuk 8a WEB verplaatst, omdat dat hoofdstuk de medezeggenschapsregels voor instellingen in de zin van de WEB bevat.

Artikel XI, onderdeel Q

Zie hierboven de toelichting op onderdeel A.

Onderdeel N

Toelichting artikel XII, onderdeel F (artikel 7.4.13 WEB BES)

Momenteel zijn de meeste examenregels voor het vavo op de BES-eilanden neergelegd in WVO BES, in de WEB BES en in het Eindexamenbesluit VO BES (EBVO BES). De WVO BES is in de WVO 2020 opgenomen en een deel van de bepalingen vanuit het EBVO BES zijn overgeheveld naar wetsniveau (hoofdstuk 2, paragraaf 5, WVO 2020). In de WVO 2020 zijn echter nog niet de wijzigingen meegenomen die op 1 augustus 2021 in het EBVO BES (Stb. 2020, 206) zijn aangebracht. Daarin voorziet dit voorstel. Verwezen wordt naar artikel XXIV, onderdelen A, D tot en met I, L en Z van het wetsvoorstel.

Met deze wijziging van de WEB BES wordt geregeld dat de genoemde overgehevelde bepalingen in de WVO 2020 ook blijven gelden voor het vavo. Aan artikel 7.4.13 WEB BES wordt daarom een lid toegevoegd dat regelt welke bepalingen van hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de WVO 2020 van toepassing zijn op het vavo op de BES-eilanden. Zie hierboven de toelichting op onderdeel I (de wijziging van artikel 7.4.11 WEB). Voor het vaststellen van het examenreglement en het pta verandert er – anders dan voor het Europese gedeelte van het Koninkrijk – met deze wijziging niets in de rol van de medezeggenschap voor het vavo op de BES-eilanden. Wel is de aanbeveling dat de medezeggenschapsraad hierbij wordt betrokken.

Onderdeel Q

Artikel 7.25 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) bevat een grondslag voor het vaststellen van nadere vooropleidingseisen waaraan moet zijn voldaan om te worden ingeschreven voor een opleiding, en betreft daarmee zowel studenten als extraneï. Met de Wet van 7 april 2021 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs)5 is artikel 7.25 WHW gewijzigd. Deze aanpassing, die het gevolg is van het amendement van de Tweede Kamerleden Van der Molen en Paternotte6, brengt mee dat het in beginsel aan de instellingsbesturen is om te bepalen of zij de bij regeling vastgestelde nadere vooropleidingseisen hanteren. In de daarbij gekozen formulering van het nieuwe eerste, tweede, vierde en zesde lid, wordt per abuis louter gesproken van «studenten». Het is echter niet de bedoeling geweest de nadere vooropleidingseisen niet langer te laten gelden voor extraneï. Met de onderhavige nota van wijziging wordt deze omissie hersteld. Door in het vierde lid de verwijzing naar aspirant-studenten te schrappen wordt tot uitdrukking gebracht dat deze bepaling betrekking heeft op zowel degene die zich als student wil inschrijven als degene die zich als extraneus wil inschrijven.

Voorts wordt in het nieuwe artikel 7.25, eerste, tweede en zesde lid, van de WHW gesproken over «in te schrijven studenten», terwijl diegenen die ingeschreven willen worden op dat moment nog geen student aan de betreffende opleiding zijn. Ook deze redactionele omissie wordt met de onderhavige nota van wijziging hersteld.

Tot slot wordt de in artikel XVI, onderdeel F, van het wetsvoorstel opgenomen verwijzing naar artikel 7.25, vierde lid, van de WHW aangepast. De reden hiervoor is dat met de Variawet hoger onderwijs artikel 7.25, vierde lid, van de WHW is vernummerd tot vijfde lid.

Onderdeel S

Toelichting artikel XXVIII (artikel XIIA Wet vereenvoudiging bekostiging PO)

Artikel XIIA van de Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs en enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden (Stb. 2021, 171) (hierna Wet vereenvoudiging bekostiging PO) bevat een samenloopbepaling met de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en modernisering participatiefonds) (Stb. 2021, 538) (hierna:Wet beëindiging vervangingsfonds en modernisering participatiefonds). De samenloopbepaling was technisch echter niet geheel juist geformuleerd. Inmiddels is duidelijk dat de Wet beëindiging vervangingsfonds en modernisering participatiefonds later in werking zal treden dan de Wet vereenvoudiging bekostiging PO. Daarom kan de samenloopbepaling eenvoudiger vormgegeven worden.

Voor de duidelijkheid wordt in dit onderdeel wordt deze samenloopbepaling in zijn geheel opnieuw vastgesteld.

Onderdeel T

Artikel XXXI, tweede lid, onderdeel a

Voor artikel XA van deze wet wordt gestreefd naar een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding. Ingevolge artikel XXXI wordt dit bij koninklijk besluit geregeld. Deze wijziging voorziet erin dat in dat koninklijk besluit tevens kan worden bepaald dat artikel XA terugwerkt tot en met een in dat koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Zo kan worden voorkomen dat leraren in opleiding tot leraar bewegingsonderwijs hun opleiding niet kunnen afronden, doordat zij geen bewegingsonderwijs mogen geven.

Artikel XXXI, tweede lid, onderdeel b

Beoogd wordt om de Wet vereenvoudiging bekostiging PO in werking te doen treden met ingang van 1 april 2022. In artikel XXVIII van het onderhavige wetsvoorstel worden enkele technische correcties aangebracht in de Wet vereenvoudiging bekostiging PO. Deze correcties dienen in werking te treden voordat de Wet vereenvoudiging bekostiging PO zelf in werking treedt. Met onderdeel S van deze nota van wijziging wordt het mogelijk gemaakt om artikel XXVIII zo nodig terug te laten werken tot het moment van inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging bekostiging PO.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Dit register moet worden onderscheiden van het register onderwijsdeelnemers, waarover in de Wet register onderwijsdeelnemers regels zijn gesteld.

X Noot
2

Stb. 2020, 245; inwerkingtreding: Stb. 2020, 246.

X Noot
3

Stb. 2021, 548.

X Noot
4

Kamerstukken II 2020/21, 35 606, nr. 3, p. 42.

X Noot
5

Stb. 2021, 263.

X Noot
6

Kamerstukken II 2020/21, 35 582, nr. 9.

Naar boven