Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2020-202135526 nr. E

35 526 Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19 voor de langere termijn (Tijdelijke wet maatregelen covid-19)

E VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID1, VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT2 EN VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT/ALGEMENE ZAKEN EN HUIS VAN DE KONING3

Vastgesteld 21 oktober 2020

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de commissies aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Ze staan in beginsel positief ten opzichte van dit voorstel en achten spoedige behandeling noodzakelijk. Hoewel de antwoorden op de ruim 500 schriftelijke vragen die de Tweede Kamer heeft gesteld en het debat daar veel informatie heeft opgeleverd, hebben zij – mede om een vlotte mondelinge behandeling te bevorderen – nog wel een beperkt aantal vragen.

De leden van de fractie van FVD hebben in verband met de inhoudelijke behandeling van de Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 een aantal vragen geformuleerd. De antwoorden op deze vragen helpen hen te onderzoeken of er een noodzaak is voor de wet in deze vorm.

De CDA-fractieleden hebben met belangstelling kennisgenomen van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Zij onderkennen de noodzaak van deze tijdelijk wet; het is immers van het allergrootste belang de besmettingen met het covid-19-virus in te dammen. Wel hebben deze leden nog enkele vragen.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Tijdelijke wet maatregelen covid-19, ook wel genoemd de noodwet of spoedwet covid-19. Zij verwelkomen het feit dat met deze wet de grondrechtenbeperkende maatregelen ter bestrijding van covid-19 een wettelijke basis krijgen, zoals de Grondwet vereist en dat de democratische controle op deze maatregelen zowel op landelijk als op lokaal niveau beter wordt gewaarborgd. Zij hebben nog wel enkele vragen over het wetsvoorstel, de aankomende ministeriële regelingen en de huidige en toekomstige maatregelen.

Met belangstelling hebben de leden van de fractie van D66 kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij onderschrijven het belang van een zorgvuldige, maar wel snelle behandeling, opdat maatregelen ter bestrijding van het coronavirus een adequate wettelijke grondslag zullen hebben en niet meer alleen op de aanwijzingsbevoegdheid uit de Wpg en noodverordeningen uit de Wet veiligheidsregio’s gestoeld zullen zijn. Het wetsvoorstel geeft deze leden aanleiding tot het stellen van de volgende vragen.

De leden van de fractie van de PvdA hebben met interesse kennisgenomen van deze kaderwet. Zij hebben nog wel vragen over de wet, de invulling van deze wet in lagere regelgeving en de mogelijke effecten van de wet, die zij voorafgaand aan het debat aan de regering willen stellen. Zij zien uit naar de beantwoording van hun vragen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Deze leden hebben een aantal vragen.

De leden van de SP-fractie hebben over het voorliggende (gewijzigde) wetsvoorstel nog enige vragen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Zij zijn verheugd dat met het indienen van dit wetsvoorstel – als het in de Eerste Kamer wordt aangenomen – het einde van de noodverordeningen is ingeluid. In het begin van de crisis waren noodverordeningen noodzakelijk. De Raad van State oordeelde dat noodverordeningen niet al te lang mogen duren, onder andere vanwege een gebrek aan democratische legitimatie. En nu ligt er dus een wetsvoorstel voor. Als eerste merken de leden van de fractie van de ChristenUnie op dat zij hun vragen over het wetsvoorstel vanuit wetstechnisch en staatsrechtelijk oogpunt opschorten totdat de Raad van State voorlichting heeft gegeven over het wetsvoorstel, dat door amendementen op een aantal punten ingrijpend is gewijzigd. Zij hebben echter ook enkele andere vragen over dit wetsvoorstel en zien uit naar de antwoorden van de regering.

De leden van de fractie van PvdD hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben naar aanleiding daarvan een aantal vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Het is een goede zaak dat met deze tijdelijke wet een einde wordt gemaakt aan het gebruik van noodverordeningen voor het vaststellen van maatregelen om het coronavirus te bestrijden. Uit de voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State4, die een gevolg was van de door de Tweede Kamer aangenomen motie-Van der Staaij/Jetten5 blijkt dat noodverordeningen geen geschikt en toelaatbaar middel zijn om inperkingen aan te brengen op de grondrechtelijke vrijheden, zeker als er geen sprake meer is van een acute situatie. Met belangstelling hebben de leden van de SGP-fractie gevolgd hoe, op initiatief van diverse coalitie- en oppositiepartijen, het wetsvoorstel tijdens de behandeling in de Tweede Kamer ingrijpend is aangepast. Wat de leden van de SGP-fractie betreft, is het wetsvoorstel door de aangenomen amendementen significant verbeterd. De betrokkenheid van het parlement en gemeenteraden is vergroot en de waarborgen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen om grondrechten te beschermen, zijn aangescherpt. Ook is de procedure met betrekking tot verlenging van de wet aangescherpt. Het nader gewijzigd amendement-Van der Staaij c.s.6 regelt de versterking van de informatieplicht aan het parlement en zorgt voor meer duidelijkheid over het traject voor beëindiging van de inperking van grondrechten. In dat kader zal de Afdeling advisering van de Raad van State, voorafgaand aan het besluit tot verlenging, periodiek advies uitbrengen over de noodzakelijkheid en proportionaliteit van de dan geldende maatregelen. De leden van de SGP-fractie hebben naar aanleiding van het voorstel nog enige vragen.

Vragen en opmerkingen van de VVD-fractie

De aanloop om tot dit voorstel te komen, is niet onopgemerkt gebleven. Mede door de forse kritiek tijdens de fase van de internetconsultatie is er een sfeer rond het wetsvoorstel blijven hangen die niet meer strookt met de actuele inhoud. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is daar uitvoerig op gereflecteerd. De leden van de VVD-fractie hebben begrip voor het dilemma van de regering om met inachtneming van de vereiste zorgvuldigheid toch voldoende spoed te betrachten. Zij kijken ook liever niet achteruit, maar zouden er zelf,

met het oog op de beeldvorming en het draagvlak, voor gekozen hebben om na de internetconsultatie het toenmalige wetsontwerp in te trekken en een geheel nieuw voorstel van voren af aan in procedure te brengen. Waarom heeft de regering dit niet gedaan? En wat doet de regering om de ontstane ruis rond dit wetsvoorstel weg te nemen?

Na de verschillende aanpassingen in het voorstel na de internetconsultatie en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State7 heeft ook de behandeling in de Tweede Kamer nog voor acht wijzigingen gezorgd. Dat zijn over het algemeen verbeteringen. De leden van de VVD-fractie waarderen onder meer de versteviging van de parlementaire betrokkenheid door het instemmingsrecht op de ministeriële regelingen8, de regeling van het bezoekrecht voor bewoners van zorglocaties9 en het verlagen van sancties en uitsluiten dat overtredingen gevolgen hebben voor de verklaring omtrent het gedrag (VOG)10. Zoals bekend heeft de Eerste Kamer over de wijzigingen voorlichting aan de Raad van State gevraagd.11 Maar de leden van de VVD-fractie stellen het op prijs ook van de regering zelf te vernemen hoe zij vanuit wetstechnisch en staatsrechtelijk oogpunt aankijkt tegen het uiteindelijke resultaat. Het gaat de leden van de VVD-fractie daarbij niet primair om de positie van de Eerste Kamer, maar ook om de uitvoerbaarheid van het nader gewijzigd amendement-Van der Graaf c.s. inzake het aanscherpen van de noodzakelijkheids- en proportionaliteitseisen en het afschalen waar dat kan.12

Het wetsvoorstel is gericht op een balans tussen enerzijds de noodzaak van snelheid en flexibiliteit van handelen en anderzijds de noodzaak van democratische legitimatie en waarborgen voor de bescherming van grondrechten. De crisiswetgeving zoals neergelegd in de Wet publieke gezondheid (Wpg) en de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) kan deze balans en waarborgen bij deze langdurige crisis niet bieden. Het voorliggende wetsvoorstel heeft echter een tijdelijk karakter. Ziet de regering hierin aanleiding om de thans vigerende crisiswetgeving nog eens tegen het licht te houden, zodat indien we onverhoopt in de toekomst nog eens met een pandemie van deze omvang worden geconfronteerd het wettelijk kader voor de crisiswetgeving voldoende basis biedt om onverwijld, maar met respect voor de genoemde balans en waarborgen, op te treden?

In het wetsvoorstel is de positie van de (voorzitters van de) veiligheidsregio’s (en daarmee het Veiligheidsberaad) beperkter dan in de huidige praktijk. Nu zijn veiligheidsregio’s bij uitstek ingericht ten behoeve van crisisbeheersing en rampenbestrijding en daar hebben ze ook veel ervaring mee. De leden van de VVD-fractie vinden dat daar in deze crisis maximaal gebruik van moet worden gemaakt. De schaal van de veiligheidsregio’s is ingegeven om enerzijds voldoende professionaliteit en slagkracht te kunnen garanderen, maar om anderzijds niet te ver verwijderd te zijn van de inliggende gemeenten, die nauw betrokken zijn bij de uitvoering. De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de wettelijke verankering van de – in de praktijk al vaak bestaande – betrokkenheid en de democratische controle van gemeenteraden en colleges van B&W, maar horen graag van de regering of dit ook gevolgen heeft voor de uitvoeringskracht en coördinerende rol van de veiligheidsregio’s.

Bij het hierboven genoemde amendement-Van der Graaf c.s. is in de wet gekomen dat maatregelen of onderdelen daarvan moeten worden afgeschaald wanneer dat kan. Nu leert de praktijk van de huidige crisis dat naast afschalen ook daarna weer opschalen noodzakelijk kan zijn. Betekent deze wijziging dat voor het weer opschalen dezelfde procedure gevolgd moet worden als bij het in eerste instantie invoeren van de maatregelen? Hoe voorkomt de regering dat dit mogelijk tot terughoudendheid leidt bij het afschalen?

De leden van de VVD-fractie stellen het op prijs nog eens in naar iedereen uitlegbare bewoordingen te vernemen waarom het gedragsvoorschrift «veilige afstand» bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) wordt vastgesteld13 en dat gedragsvoorschriften ten aanzien van groepsvorming, evenementen en overige zaken, zoals persoonlijke beschermingsmiddelen bij ministeriële regeling14 worden vastgesteld. Is er sprake van een hiërarchie in gedragsvoorschriften?

Vragen en opmerkingen van de FVD-fractie

Huidige (nood)situatie

De noodzaak voor een «noodwet», ruim 7 maanden nadat een pandemie zich aandiende, impliceert dat er sprake zou zijn van een nieuwe (nood)situatie. De leden van de fractie van FVD krijgen graag een duidelijke onderbouwing op dit punt.

  • 1. Welke onderbouwing gebruikt de regering om te definiëren dat er sprake is van een zogenaamde «tweede golf»?

  • 2. Kan de regering deze leden op basis van de gehanteerde getallen een nauwkeurige vergelijking geven van de «eerste golf» en de «tweede golf»? In hoeverre komen deze overeen, en welke conclusies worden hieruit getrokken?

  • 3. Heeft de regering zicht op de diverse patiëntengroepen? Wat voor doelgroepgerichte acties neemt zij daarbij? Kan dit een overweging zijn om meer op kwetsbare groepen in te zetten dan willekeurig op de hele bevolking? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer wordt dat duidelijk?

  • 4. Hoe verhoudt het aantal opnames en sterfgevallen zich tot het aantal positieve testen? En hoe pakt dit uit in vergelijking met de eerste golf?

  • 5. Bij de uitbraak van de pandemie begin dit jaar is besloten om SARS-CoV-2 als een A-status virus te classificeren. Destijds was er meer onzekerheid dan nu over het virus. Wat waren destijds de overwegingen hiervoor, welke kengetallen (zoals mortaliteit) lagen daaraan ten grondslag en hoe hebben die kengetallen zich tot op heden ontwikkeld? En in hoeverre rechtvaardigt die ontwikkeling de nog altijd van kracht zijnde A-status van dit virus?

  • 6. Waaruit blijkt of, en dat, de tot op heden ingevoerde maatregelen ook daadwerkelijk effect hebben gehad op het verloop van de pandemie in maart?

  • 7. Kan de regering de leden van de FVD-fractie een analyse verstrekken van de effectiviteit van de maatregelen die in verschillende landen zijn genomen de afgelopen maanden en hoe die zich verhouden tot de maatregelen en gevolgen van die maatregelen in Nederland? Zij verzoeken daarbij graag tenminste aandacht te besteden aan een vergelijking met Zweden (minder maatregelen) en Frankrijk (strengere maatregelen).

Voorbereiding op tweede golf

De leden van de FVD-fractie hebben tevens een aantal vragen over de voorbereiding op de «tweede golf» tijdens de afgelopen 7 maanden.

  • 1. Kan de regering inzicht verschaffen in de veranderingen van de totale intensive care (ic)-capaciteit in Nederland de afgelopen tien jaar?

  • 2. Kan de regering inzicht verschaffen in de stappen die er zijn genomen om de ic-capaciteit uit te breiden in voorbereiding op de tweede golf?

  • 3. Tijdens de eerste golf is er veel onrust ontstaan onder de bevolking door berichten dat er een triage op leeftijd of zelfs een loting zou ontstaan door gebrek aan middelen in de zorg. Wat is er gedaan om dit nu beter te regelen? En wat doet de regering om onrust hierover te voorkomen?

  • 4. Is het juist dat er een advies is dat ziekenhuispersoneel (specifiek op de Spoedeisende Hulp (SEH), operatiekamer (ok) en intensive care) ondanks klachten of zieke familieleden moeten blijven doorwerken?

  • 5. Hoe komt het dat er wederom afgeschaald moet worden in de reguliere zorg, en welke stappen heeft de regering genomen om dit te voorkomen?

  • 6. In hoeverre is het juist dat als gevolg van het afschalen van de reguliere zorg tijdens de eerste golf, inmiddels 5000 personen nog géén kanker diagnose hebben, die ze al wel hadden moeten krijgen om te starten met een juiste behandeling?

  • 7. In hoeverre is het juist dat er als gevolg van het afschalen van de reguliere zorg tijdens de eerste golf 150.000–200.000 hartpatiënten zijn die dit jaar niet de zorg krijgen waar ze recht op hebben?

  • 8. Zijn er al acties ondernomen om leegstaande ziekenhuizen om te bouwen tot specifieke covid-19-ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?

  • 9. Is het juist dat er nog steeds te weinig gezichtsmaskers zijn voor de zorg in verpleeghuizen en zorg daarbuiten?

  • 10. Klopt het dat de regering meent dat de daadwerkelijke bescherming door gezichtsmaskers in de openbare ruimte tegen covid-19 zeer beperkt is? Zo ja, waarom is ertoe besloten om hierop in te zetten?

Vrijwaring

De leden van de fractie van FVD krijgen verder graag een antwoord op de volgende vragen over vrijwaring ondanks en tijdens de werking van de wet.

  • 1. In hoeverre kunnen kerkdiensten met inachtneming van de maatregelen, inclusief de ventilatieregels, in aangepaste vorm voortgang blijven vinden?

  • 2. Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat de horeca met inachtneming van de maatregelen, inclusief de ventilatieregels, niet voortdurend overvallen wordt door gehele of gedeeltelijke sluitingen en door deze wet niet in zijn bedrijvigheid en functie beperkt worden?

  • 3. Een van de belangrijkste raadgevers van de regering, het Outbreak Management Team (OMT), heeft de regering verzocht te onderzoeken of restaurants vanaf 13 oktober open konden blijven. De regering heeft dit advies naast zich neergelegd. Wat is daarbij de doorslaggevende afweging geweest?

  • 4. Kan de regering aangeven hoe vaak zij de afgelopen 3 maanden in belangrijke mate van het advies van het OMT is afgeweken en wat daarbij de overwegingen waren?

  • 5. Hoe zorgt de regering ervoor dat (individueel) sporten en lichaamsbeweging op niveau blijft gedurende de komende periode, zodat mensen, ondanks de getroffen maatregelen, gezond van lichaam en geest blijven?

  • 6. In hoeverre is de regering voornemens om juridisch/bestuurlijk te verplichten tot het dragen van mondkapjes? Hoe wordt die eventuele verplichting verankerd in wet- en regelgeving, zodat erop zou kunnen worden gehandhaafd?

  • 7. Kan de regering bevestigen dat er voor de Nederlandse bevolking sprake zal zijn van keuzevrijheid om een toekomstig vaccin tegen SARS-CoV-2 te laten toedienen?

  • 8. Is het volgens de regering mogelijk c.q. wenselijk dat wanneer er een vaccin beschikbaar komt, bepaalde activiteiten (zoals reizen) of evenementen alleen toegankelijk zijn voor mensen met een vaccinatiebewijs?

  • 9. In hoeverre zal de regering optreden tegen een indirecte vaccinatieverplichting?

Tijdelijkheid van de wet

  • 1. De nu voorliggende wet is tijdelijk van aard. Wat is voor de regering de maximale periode dat deze tijdelijk mag zijn, los van de ontwikkeling en de aanpak van het virus?

  • 2. Hoe verhoudt deze spoedwet zich tot het tot nog toe ingenomen standpunt van de regering met betrekking tot preventie, waarbij mensen zelf verantwoordelijk zijn voor de keuzes rond gezondheid die zij maken? (Zie bijvoorbeeld de beleidslijnen van de overheid met betrekking tot de aanpak van roken door tabaksmaatregelen, het terugdringen van overgewicht door gezonde voeding en beweging, en het versterken van sociale netwerken.)

  • 3. Zowel covid-19 als de maatregelen hiertegen kunnen een negatieve impact hebben op de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de Nederlandse bevolking. Kan de regering, in het kader van de subsidiariteit en proportionaliteit, aangeven of zij met deze constatering rekening houdt en hoe zij dit mee laat wegen in haar beleid?

  • 4. De Tijdelijke wet maatregelen covid-19 geeft voorzitters van Veiligheidsregio’s verstrekkende bevoegdheden op het gebied van handhaving en uitvoering. De betrokken gemeenteraden van gemeenten die een Veiligheidsregio vormen, hebben hier geen of verminderd toezicht op. In hoeverre is de regering het met deze leden eens dat hier sprake is van een democratisch deficit? En als dat zo is, hoe stelt de regering voor dit op te lossen?

Rol Eerste Kamer

De voorgestelde wet maakt (tijdelijk) een inbreuk op de grondrechten van burgers. Bij een wijziging van de Grondwet is de Eerste Kamer uitdrukkelijk betrokken. Bij mogelijke verlenging van de maatregelen op basis van deze noodwet is alleen de Tweede Kamer betrokken.

  • 1. De Eerste Kamer krijgt geen verdere rol bij de mogelijke verlenging van de zeer ingrijpende wetgeving en de maatregelen die het kabinet voornemens is te nemen. De rol die de Tweede Kamer toebedeeld heeft gekregen, zou ook voor de Eerste Kamer moeten gelden. Graag vernemen de leden van de FVD-fractie de mening van de regering hierover.

  • 2. Is de regering bereid om bij de Eerste Kamer gemotiveerd verantwoording af te leggen over de door haar genomen maatregelen op basis van deze tijdelijke wet?

Vragen en opmerkingen van de CDA-fractie

In artikel 58b van het wetsvoorstel wordt aangegeven dat de wet gericht is op de bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan en dat de bevoegdheden slechts worden toegepast als dat gezien de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid, noodzakelijk is, in overeenstemming met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat en gelet op het in het eerste lid genoemde doel, de uitoefening van de grondrechten zo min mogelijk beperkt en aan dat doel evenredig is. De CDA-fractieleden vragen wat de overwegingen van de regering zijn geweest om bij deze reikwijdte, en dus bij dit wetsvoorstel, niet stil te staan bij de gevolgen van de maatregelen op de psychische/emotionele gezondheid van de burgers in Nederland. Is het niet steeds zoeken naar de juiste balans tussen fysieke en psychische gezondheid, tussen veiligheid en sociaal welbevinden, tussen gezondheid en economische gevolgen? Dient de proportionaliteit van de maatregelen niet in een breder kader te worden bezien?

In artikel 58c, derde lid, van het wetsvoorstel wordt aangegeven dat als naar de mening van de regering sprake is van zeer dringende omstandigheden, waarin ter beperking van het gevaar onverwijld gehandeld moet worden, een ministeriële regeling onverwijld in werking kan treden. Binnen twee dagen wordt deze regeling naar de beide Kamers gestuurd met een toelichting op de spoedeisendheid. De regeling vervalt van rechtswege indien de Tweede Kamer binnen een week na toezending besluit niet in te stemmen met deze regeling. Het kan dus voorkomen dat verschillende keren een spoedeisende ministeriële regeling alsnog wordt verworpen en dus na een week in werking te zijn geweest, weer wordt stopgezet. De CDA-fractieleden zijn van mening dat juist ten tijde van crisis een consistent en consequent beleid van groot belang is voor vertrouwen in het beleid van de overheid en dus in de overheid zelf, maar ook voor de naleving en de handhaving van de maatregelen, vallende onder deze ministeriële regeling. Zij vragen welke impact dit kan hebben op de naleving en de handhaafbaarheid van de diverse maatregelen gedurende de week dat de regeling wel van kracht was. Zij vragen ook, als het verwerpen van een ministeriële regeling enkele malen is voorgekomen, wat de impact is op de naleving en handhaafbaarheid van de andere maatregelen in het kader van covid-19. Temeer daar het reëel lijkt te veronderstellen dat spoedeisende maatregelen vaak extra beperkingen behelzen en dus ook op weerstand kunnen stuiten bij (delen van) de samenleving.

In de artikelen 58d en 58s van het wetsvoorstel wordt stilgestaan bij de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de voorzitters van de veiligheidsregio’s en de burgemeesters, en de verantwoording van het beleid door de burgemeesters en de voorzitters van de veiligheidsregio’s. In de voorliggende wetgeving wordt geregeld dat de besluiten van de Minister(s) en van de burgemeester onderworpen worden aan democratische controles. De voorzitter van de veiligheidsregio is weliswaar verantwoording schuldig aan de betrokken gemeenteraden, maar is geen onderdeel van het democratisch controlesysteem. Wat gebeurt er als bijvoorbeeld enkele gemeenteraden binnen een veiligheidsregio niet akkoord gaan met de besluiten van de voorzitter van de veiligheidsregio?

De CDA-fractieleden constateren dat er vele burgers zijn die niet geloven in deze pandemie of niet geloven in de diverse maatregelen. Dit heeft grote consequenties voor het handhaven van de vele maatregelen. Nu reeds zijn er volstrekt te weinig overheidsmedewerkers bij de controlediensten en staan zij ook onder grote mentale druk gezien de heftige weerstand bij sommige groeperingen. Voornoemde leden vernemen graag of de regering deze mening deelt. Zo nee, wat zijn daarbij de overwegingen? Zo ja, welke maatregelen neemt de regering om de handhaafbaarheid te vergroten? Overweegt zij daarbij om ook private actoren in te schakelen bij de handhaving?

De voorliggende wetgeving zou de wettelijke basis moeten geven voor de mondkapjesplicht. Op basis van welke artikelen kan de mondkapjesplicht afgekondigd worden? Gaat deze mondkapjesplicht dan gelden in publieke en private gelegenheden?

Tot slot, de ontwikkeling van dit wetsvoorstel heeft geleid tot veel emoties en onrust bij diverse groepen burgers. En dat is nog steeds het geval. Intussen is het wetsvoorstel ingrijpend gewijzigd naar aanleiding van de adviezen van de Raad van State, de aangenomen amendementen en de adviezen tijdens de consultatie van diverse betrokken instanties. Ten behoeve van de acceptatie en daarmee de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van deze wet, achten de CDA-fractieleden het van belang dat de regering bij de inwerkingtreding van de wet actief communicatie ter hand neemt om de samenleving te informeren over het waarom, het wat en het hoe van deze wetgeving. Dit geldt ook bij de start en bij de beëindiging van de diverse ministeriële regelingen. Daarbij verdient het naar de mening van de CDA-fractieleden de voorkeur niet alleen te vermelden wat er niet (meer) mag, maar ook wat wel kan en hoe dan wel. Heeft de regering ook uitgebreide communicatie voorzien rondom deze wetgeving? Graag een toelichting op de overwegingen in dezen.

Vragen en opmerkingen van de GroenLinks-fractie

De leden van de fractie van GroenLinks constateren dat hoewel de wet wordt aangeduid als spoedwet, het wetgevingsproces van het aanbieden ter consultatie van het eerste voorstel tot de stemming in de Eerste Kamer naar verwachting vijf maanden zal duren. De behandeling in de Tweede Kamer heeft drie maanden geduurd. De leden kunnen dit moeilijk zien als een spoedbehandeling. Het gevolg is dat het wetgevingstraject niet is afgerond voordat de tweede golf besmettingen ons land trof en er nu weer zeer ingrijpende maatregelen genomen zijn op basis van noodverordeningen zonder wettelijke basis. En dat de druk nu bij de Eerste Kamer ligt om alsnog de spoed te betrachten die eerder niet is betracht. De leden vragen de regering te reflecteren op de behandelduur van het wetsvoorstel tot nu toe. Is de regering het met de leden eens dat het geen spoedbehandeling is geweest? Wat was de planning van de regering voor de behandeling? Was deze planning afgestemd op de verwachte tweede golf? Is de planning afgestemd met de Tweede Kamer? Waarom is het niet gelukt de wet op tijd voor de tweede golf gerealiseerd te hebben?

De voornoemde leden constateren met instemming dat de wettekst in artikel 58b, tweede lid er expliciet melding van maakt dat de bevoegdheden alleen worden toegepast wanneer deze noodzakelijk zijn, in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat en de proportionaliteit en subsidiariteit gewaarborgd zijn.15 In zijn advies wees de Raad van State er op dat de proportionaliteit van maatregelen voortdurend gewogen moet worden; en niet alleen bij het ingaan van de maatregelen.16 Hoe zorgt de regering dat deze voortdurende weging plaatsvindt? In artikel 58c, zesde lid wordt alleen genoemd dat een regeling wordt gewijzigd of ingetrokken als deze niet langer noodzakelijk is. Geldt dit ook als de regeling niet langer proportioneel is? Wordt een wijziging of intrekking van een ministeriële regeling ook binnen twee dagen gemeld aan de beide kamers van de Staten Generaal en dient een wijziging of intrekking van een regeling ook bekrachtigd te worden door de Tweede Kamer?

Ingevolge artikel 58c, tweede lid worden ministeriële regelingen binnen twee dagen naar beide kamers van de Staten Generaal gestuurd en moet de regeling binnen een week bekrachtigd worden door de Tweede Kamer. Ziet de regering in deze bijzondere constructie nog een rol voor de Eerste Kamer weggelegd en zo ja, hoe zou deze door de Eerste Kamer kunnen worden ingevuld? Kan de Eerste Kamer op enigerlei wijze invloed uitoefenen op de ministeriële regelingen? Hoe apprecieert de regering deze rol (of het gebrek eraan)?

In artikel 58c is een vangnetbepaling voor de BES-eilanden opgenomen. De leden lezen de regeling zo dat op de BES-eilanden een speciale regeling wordt getroffen (via opdrachten tot algemeen verbindende voorschriften) voor situaties waarin niet gewacht kan worden op een ministeriële regeling. Waarom is er wel een dergelijke vangnetbepaling voor de BES-eilanden en niet voor de gemeenten in Nederland? Heeft de gezaghebber op de eilanden niet ook dezelfde bevoegdheden als die de wet toekent aan de burgemeester? Is het de bedoeling of de verwachting dat er voor de BES specifieke ministeriële regelingen worden getroffen? Hoe is de lokale democratische controle op de BES-eilanden gewaarborgd?

In artikel 58d is bepaald dat de Minister kan besluiten dat de voorzitter van de veiligheidsregio’s bij uitsluiting bevoegd is toepassing te geven aan bevoegdheden die in de wet (en enkele andere wetten) aan de burgemeester zijn toegekend. Een dergelijk besluit heeft een behoorlijke impact op de lokale bevoegdheidsverdeling en de democratische controle op lokaal niveau. Een burgemeester is door een gemeenteraad vele malen eenvoudiger ter verantwoording te roepen dan een voorzitter van een veiligheidsrisico. Het besluit van de regering om bevoegdheden van de burgemeester over te hevelen naar de voorzitter van de veiligheidsregio lijkt niet aan parlementaire controle onderhevig. Is dat juist? Acht de regering dit in overeenstemming met de maatstaven van de democratische rechtstaat? Is de regering bereid in ieder geval de beide Kamers binnen twee dagen te informeren wanneer zij een dergelijk besluit neemt?

Artikel 58e, eerste lid 1, onderdeel b maakt het mogelijk dat in ministeriële regelingen onderscheid wordt gemaakt naar leeftijd. In de wet zelf wordt bij artikel 58f, derde lid, onderdeel d een onderscheid gemaakt tussen personen tot en met de leeftijd van 12 jaar en die daarboven (). Is de regering voornemens in ministeriële regelingen andere leeftijdsgrenzen te hanteren? Zo ja welke? Zal het hierbij alleen gaan om leeftijdsgrenzen voor kinderen of jongeren (dus bijvoorbeeld de grens van 12/13 en 18/19 jaar), of acht de regering het ook mogelijk dat andere leeftijdsgrenzen zullen gaan gelden bij bepaalde maatregelen en kan het daarbij ook gaan om leeftijdsgrenzen die zien op ouderen boven een bepaalde leeftijd?

Artikel 58f bepaalt dat mensen buiten een woning een veilige afstand moeten houden. In het derde lid wordt hierop een aantal uitzonderingen geformuleerd, met name voor personen die veiligheids- of zorgberoepen uitoefenen. Voor andere uitzonderingen is een ontheffing of vrijstelling nodig, conform het vierde en vijfde lid. Kan de regering uitleggen wat precies het verschil is of zal zijn tussen de in het vierde lid genoemde ministeriële regeling en die van het vijfde lid?

Het uitoefenen van contactberoepen valt niet onder de in het derde lid genoemde uitzonderingen. Hiervoor zal derhalve bij ministeriële regeling ontheffing of vrijstelling moeten worden verleend, al dan niet onder voorwaarden of beperkingen. Is de regering het met de leden van de fractie van GroenLinks eens dat het vanuit het oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit noodzakelijk is om te beargumenteren wanneer voor de uitoefening van een bepaald contactberoep geen ontheffing of vrijstelling wordt verleend, zeker wanneer een vrijstelling voor andere contactberoepen wel wordt verleend? Kan de regering toezeggen dat voor de beroepen waarvoor geen vrijstelling of ontheffing wordt gegeven inkomensondersteunende maatregelen in gelijke mate zullen openstaan en dat de regering zal bewerkstelligen dat betrokkenen ook effectief gebruik kunnen maken van deze inkomensondersteuning?

Artikel 58g maakt het mogelijk groepsvorming of het verblijven in groepsverband te reguleren. In artikel 58a wordt groepsverband gedefinieerd als een aantal min of meer bijeen horende personen, waarbij kennelijk sprake is van een zekere samenhang of omstandigheid waardoor die personen bij elkaar zijn.17 Is deze definiëring naar het oordeel van de regering voldoende duidelijk? Weten burgers waar zij zich aan moeten houden en handhavers waarop zij kunnen handhaven? Welke waarde moet worden toegekend aan het woord «kennelijk»? Impliceert dit dat het oordeel van de handhavers doorslaggevend is en de intentie van de betrokkenen irrelevant? Is het denkbaar dat handhavers van oordeel zijn dat er «kennelijk» sprake is van een groepsverband van mensen die elkaar feitelijk in het geheel niet kennen? Is dat rechtvaardig? Is er inmiddels jurisprudentie op dit punt?

In relatie tot de groepsvorming: In het kader van de thans geldende maatregelen is de maximale groepsgrootte buiten gesteld op 4 en binnen op 30, waarbij steeds de veilige afstand moet worden gehouden. Kan de regering dit verschil uitleggen, mede gezien de inzichten in verspreiding van het virus binnen en buiten? De consequentie van deze regelgeving is dat bijvoorbeeld klasjes van sportscholen die tot voor kort buiten trainden, nu weer in een zaaltje gaan trainen omdat het buiten niet meer mag en binnen wel. Dit lijkt de leden van de GroenLinks fractie een ongewenste consequentie van de maatregelen. Hoe ziet de regering dit? Ziet zij mogelijkheden om de groepsgrootte binnen en buiten beter af te stemmen op het daadwerkelijke besmettingsgevaar?

Artikel 58o, vierde lid bepaalt dat indien de maatregelen die een zorgaanbieder neemt onvoldoende of onevenredig zijn om verspreiding van het virus naar of vanaf een zorglocatie te voorkomen, bij ministeriële regeling beperkingen of andere voorwaarden kunnen worden gesteld aan het toelaten van personen.18 Wat wordt hier bedoeld met maatregelen die onevenredig zijn? De leden lezen dit zo dat dit ziet op proportionaliteit en subsidiariteit van de maatregelen, is dat correct? Als dit juist is, lijkt het de bedoeling dat de Minister niet alleen kan ingrijpen wanneer er te weinig of te lichte maatregelen getroffen worden, maar ook wanneer er door de zorginstelling teveel of te zware maatregelen worden getroffen? Betekent dat, dat de voorwaarden die de Minister kan stellen aan het toelaten van personen ook aanwijzingen kan betreffen dat (bepaalde) personen al dan niet onder voorwaarden wel moeten worden toegelaten?

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer zijn de eerder opgenomen vangnetbepalingen uit de wet gehaald. Kan de regering aangeven of er nog een vangnet is en hoe dat er nu uitziet? Is het mogelijk dat maatregelen die door de regering noodzakelijk worden geacht maar die niet in deze wet zijn voorzien alsnog via een aanwijzing aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s tot het treffen van een noodverordening worden opgelegd, of is die route met deze wet uitgesloten?

Is het bijvoorbeeld denkbaar dat – net als in andere landen – een avondklok wordt ingevoerd, en zo ja, wat is daarvoor dan de wettelijke grondslag? Is het denkbaar dat voor niet in deze wet voorziene maatregelen gebruik gemaakt gaat worden van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden? Zo ja, wanneer is dat aan de orde?

Ministeriële regelingen die op basis van deze wet worden gemaakt worden pas van kracht na bekrachtiging door de Tweede Kamer. Blijven de noodverordeningen van de veiligheidsregio’s van kracht totdat de daarin opgenomen maatregelen worden vervangen door een ministeriële regeling, of bestaat er een risico dat er een vacuüm ontstaat tussen de inwerkingtreding van de wet, het vervallen van de noodverordeningen en het in kracht gaan van de ministeriële regelingen? Kan de regering een tijdpad maken met daarin de verwachte data voor de inwerkingtreding van de wet, het aanbieden van de ministeriële regelingen aan de Tweede Kamer en aan de Eerste Kamer, de bekrachtiging van de maatregelen door de Tweede Kamer en het vervallen van de noodverordeningen?

In zijn advies heeft de Raad van State zich afgevraagd of het in de wet verankerde stelsel voldoende eenvoudig en begrijpelijk was om een effectieve handhaving te waarborgen.19 Kan de regering aangeven of dit – ook of misschien zelfs juist – na de ingrijpende wijziging van het wetsvoorstel sedert de indiening ervan het geval is en hoe hierover gedacht wordt door de voorzitters van de veiligheidsregio’s, burgemeesters en gezaghebbers?

Kan de regering een aangepaste versie verschaffen van het overzicht van algemene gedragsnormen, overige regels en differentiatie, zoals dat was opgenomen in de memorie van toelichting?20

Wat gaat de regering doen om de kenbaarheid te vergroten, meer in het bijzonder onder mensen die minder toegang hebben tot het nieuws, zoals laaggeletterden, anderstaligen, maar ook mensen die niet naar de persconferenties of het journaal kijken en geen kranten of nieuwswebsites lezen?

In de Nota naar aanleiding van het verslag in de Tweede Kamer schrijft de regering op 30 september 2020 dat er een communicatie-aanpak wordt ontwikkeld.21 De leden van de GroenLinks-fractie vinden dit rijkelijk laat. Is deze communicatiestrategie inmiddels ontwikkeld? Hoe ziet deze er uit?

De leden van de GroenLinksfractie hebben ook nog een aantal vragen die zien op de appreciatie van het wetsvoorstel vanuit de samenleving. De leden hebben inmiddels honderden e-mails ontvangen van burgers die hen oproepen tegen de wet te stemmen. Velen uiten hun zorgen over de proportionaliteit van de wet en zijn van mening dat er een verkeerde afweging wordt gemaakt tussen het voorkomen van gezondheidsschade door Covid-19 en andere schadelijke effecten, zoals economische effecten, sociale effecten (met name voor jongeren en ouderen) en gezondheidseffecten anders dan door covid-19. Ook wordt door veel burgers gesteld dat de wet ondemocratisch is. Sommigen betwijfelen de ernst van de epidemie of ontkennen zelfs het bestaan van het coronavirus. Een kleine, maar niet te veronachtzamen groep vermoedt een complot van de overheid of de elite. De leden nemen aan dat de regering ook vele van deze e-mails ontvangt. Verwacht moet worden dat het corona-virus nog wel enige tijd onder ons zal zijn, en dat we dus geruime tijd te maken zullen hebben met meer of minder ingrijpende maatregelen. Dit brengt angst en onzekerheid met zich mee. Wij hebben allemaal behoefte aan houvast, aan perspectief. De leden vinden het van belang dat de overheid dat perspectief biedt en de zorgen die bij burgers leven over de aanpak van de coronacrisis in het algemeen en de onderhavige wet in het bijzonder serieus neemt. Is de regering dit met voornoemde leden eens? Wat gebeurt er vanuit de landelijke of lokale overheden om met burgers in gesprek te gaan over hun zorgen en onzekerheden en hun vragen te beantwoorden? Wordt gebruik gemaakt van de goede ervaringen die op andere beleidsterreinen zijn opgedaan met het in gesprek gaan met burgers over onderwerpen die discussie of weerstand oproepen, zoals de komst van asielzoekerscentra of de plaatsing van windmolens? Maakt dit onderdeel uit van de communicatiestrategie?

De leden van de GroenLinks fractie maken zich er zorgen over dat sommige van de burgers door wie zij worden aangeschreven zich baseren op dubieuze bronnen en niet wetenschappelijke informatie en zelfs complotten vermoeden. Deelt de regering deze zorgen? Wat gaat de regering doen om desinformatie of eenzijdige informatie, inclusief de «fabeltjesfuik»22, waarop een deel van de zorgen van deze burgers is gebaseerd tegen te gaan? Waarom is er op de overheidswebsites nauwelijks informatie te vinden over de wetenschappelijke consensus over het virus en de bestrijding ervan en waarom zijn de antwoorden op de vragen die de verontruste burgers aan ons stellen niet op een eenvoudige en toegankelijke manier op overheidswebsites te vinden? Is of wordt dit alles ook meegenomen in de communicatiestrategie?

Tot slot een vraag over de evaluatie. De wet zelf voorziet hier niet in en in de memorie van toelichting wordt alleen in reactie op opmerkingen van de NVvR en de VNG/NGB het belang van een evaluatie onderschreven.23 De vragen die in de Tweede Kamer zijn gesteld over evaluatie van de wet zijn zeer beknopt en vrij ontwijkend beantwoordt; het enige dat is gemeld is dat niet te verwachten is dat de evaluatie nog dit jaar zal plaatsvinden.24 De leden van de GroenLinks-fractie vernemen graag wanneer de regering voornemens is de wet te evalueren, hoe en door wie zij deze evaluatie zal laten uitvoeren en welke onderwerpen hierin zullen worden betrokken.

Naar het oordeel van de leden van de GroenLinks-fractie is het van belang niet alleen de huidige wet te evalueren, maar breder te kijken naar het bestaande staatsnoodrecht. De regering schrijft in de memorie van toelichting immers «een gedifferentieerd stelsel van op- en afschaling waarbij regels snel en flexibel kunnen worden toegesneden op hetgeen de situatie op dat moment vereist, zoals in dit wetsvoorstel wordt voorzien, is niet mogelijk op het bestaande staatsnoodrecht».25 In antwoord op vragen van het CDA heeft de regering in de Nota naar aanleiding van het verslag in de Tweede Kamer gemeld dat er een nadere beoordeling zal plaatsvinden van een (mogelijk permanenter) wettelijk kader waarbij ook de uitkomsten van een beleidsevaluatie naar de aanpak van de crisis door de Onderzoeksraad voor Veiligheid zullen worden betrokken. Wanneer en op welke wijze gaat de regering die nadere beoordeling uitvoeren?

Vragen en opmerkingen van de D66-fractie

Voor de zomer heeft de regering een wetsvoorstel in consultatie gegeven dat naar inhoud op tal van punten onvoldragen was en dat tot grote commotie heeft geleid. Niet alleen de Raad van State, maar ook allerlei rechtsgeleerden hebben op tekortkomingen in dat eerste wetsvoorstel gewezen. Ook het publiek had ernstige kritiek. De leden van de D66-fractie constateren dat de regering daarna een aangepaste versie van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer heeft ingediend, dat door de Tweede Kamer via amendering sterk is verbeterd. Tegelijkertijd constateren zij dat veel van de recente kritische reacties uit de bevolking nog steeds gebaseerd zijn op de oorspronkelijk in consultatie gegeven versie en op angst die het oorspronkelijke voorstel heeft veroorzaakt. Deze leden betreuren deze gang van zaken, die niet goed is voor het draagvlak van het voorliggende wetsvoorstel en vragen de regering te reflecteren op wat zij, terugkijkend op het wetgevingsproces, beter had kunnen doen. Hoe gaat de regering het verkeerde beeld dat in delen van de samenleving bestaat, corrigeren? Komt de regering met een uitgewerkt communicatieplan?

De meeste artikelen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen, worden via een nieuw hoofdstuk VA geïncorporeerd in de Wpg. Wat waren de overwegingen, zo vragen de leden van de D66-fractie, om niet een zelfstandige tijdelijke wet maatregelen covid-19 te maken, maar de bulk van de bepalingen in de Wpg in te voegen?

Het amendement-Buitenweg c.s.26 versterkt de parlementaire controle van vastgestelde ministeriële regelingen in artikel 58c, tweede en derde lid, van het wetsvoorstel, constateren de leden van de D66-fractie. Krachtens dit amendement moet de regering de ministeriële regeling binnen twee dagen na vaststelling aan de Tweede en Eerste Kamer overleggen. De regeling treedt niet in werking dan een week na die overlegging: «Indien binnen die termijn de Tweede Kamer besluit niet in te stemmen met de regeling, vervalt deze van rechtswege.» Eenzelfde constructie is in het derde lid van artikel 58c opgenomen voor een vastgestelde ministeriële regeling die vanwege een zeer dringende omstandigheid waarin ter beperking van gevaar direct moet worden gehandeld, onverwijld in werking is getreden. Ook hier heeft de Tweede Kamer het recht de regeling af te wijzen binnen een week na toezending, waardoor het van rechtswege vervalt. De leden van de D66-fractie constateren dat de Eerste Kamer niet dezelfde beslissingsbevoegdheid binnen de gestelde termijn van een week heeft gekregen, terwijl het hier gaat om inperking van grondrechten. Bij de behandeling van het amendement heeft de regering bij monde van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), zich niet tegen het amendement verzet. Daarnaast heeft hij een amendement27 van de SP-fractieleden ter zake ontraden, dat hetzelfde recht eveneens aan de Eerste Kamer toekende. De D66-fractieleden vragen de regering waarom zij zich niet sterk heeft gemaakt om de leden van de Eerste Kamer in de wettekst van artikel 58c gelijk te trekken met die van de Tweede Kamer.

Op dit punt heeft de Eerste Kamer voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Gesteld dat de Raad in zijn advisering kritiek uit op het feit dat de Eerste Kamer op achterstand is gezet, zoals hierboven weergegeven, op welke manieren gaat de regering dit dan redresseren?

Artikel 58b, tweede lid, van het wetsvoorstel stelt dat de bevoegdheden uit de wet alleen kunnen worden toegepast als ze gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk zijn (a), als ze in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat (b) en als de bestrijding van de (directe dreiging van de) epidemie de uitoefening van grondrechten zo min mogelijk beperkt en aan dat doel evenredig is (c).

Over de bepaling onder c hebben de leden van de D66-fractie de volgende vragen. Volgens artikel 22, eerste lid, van de Grondwet treft de regering «maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid». Dit sociale grondrecht is ook verankerd in internationale verdragen, zoals de Universele verklaring van de rechten van de mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsmede de bepalingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Het recht op gezondheidszorg is een fundamenteel onderdeel van onze mensenrechten en wordt toegespitst op het recht om aanspraak te kunnen maken op de hoogst bereikbare standaard van fysieke en geestelijke gezondheidszorg. Dit grondrecht legt de overheid de verplichting op te zorgen voor een zorgsysteem waar iedereen gelijke kansen heeft op het hoogst bereikbare niveau van gezondheid. Dit strekt zich uit tot een publieke gezondheidszorg die in voldoende mate beschikbaar moet zijn bijvoorbeeld qua zorgfaciliteiten, medicijnen en zorgverlening. De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de alarmerende berichten uit de ziekenhuizen dat door de toename van de coronapatiënten, de reguliere gezondheidszorg ernstig moet worden afgeschaald. Operaties en behandelingen worden afgezegd en uitgesteld. Welke maatregelen gaat de regering treffen om de boven beschreven verdringing tegen te gaan?

De leden van de fractie van D66 constateren dat in de zomer de roep om maatwerk bij het bestrijden van coronabesmettingen groot was, maar dat in tijden dat de besmettingen oplopen, er op harder en uniformer ingrijpen wordt aangedrongen. In dit verband wordt vaak gesproken over voorspelbaarheid van maatregelen bij een bepaald niveau van besmetting. In Ierland geldt dat bijvoorbeeld bij het aantal mensen dat je thuis mag ontvangen. Dit aantal varieert naar gelang de besmettingsgraad in het gebied. Hoe ziet de regering in dit verband de verhouding tussen landelijk geldende maatregelen en regionale? Wanneer kiest de regering in ministeriële regelingen voor het een of het ander?

Maatschappelijk draagvlak voor de wet en de maatregelen is van essentieel belang voor het welslagen van aangekondigde maatregelen. De leden van de fractie van D66 constateren dat verschillende Europese landen verschillende maatregelen nemen op basis van grosso modo dezelfde gegevens, hetgeen vragen oproept bij de bevolking. Waarom adviseert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bijvoorbeeld in Nederland een veilige afstandsnorm van 1,5 meter, terwijl een land als Frankrijk en de WHO als minimumnorm 1 meter hanteren? Op sommige punten neemt het RIVM en de regering de adviezen van de WHO meteen over, waarom dit advies dan niet? Waarom is het dragen van mondkapjes in Frankrijk in de open buitenruimte verplicht, maar in Nederland niet? Waarom beoordeelt het ene land het andere op «rood», terwijl een ander land datzelfde land op basis van dezelfde gegevens op «oranje» waardeert? De leden van de D66-fractie vragen de regering uiteen te zetten wat in de EU wordt ondernomen om gelijkluidende maatregelen te treffen en dezelfde parameters en dezelfde interpretaties daarvan te hanteren. Is de regering het met hen eens dat zulks het maatschappelijk draagvlak voor te nemen maatregelen kan vergroten?

Het amendement28 van Van Brenk in de Tweede Kamer maakt het mogelijk dat in verpleeghuizen en woonzorgcentra de toegang van ten minste een naaste altijd mogelijk moet blijven. De leden van de D66-fractie herinneren zich de zorgelijke situatie in maart en april 2020 waarbij veel besmettingen en sterfgevallen in die locaties over het hele land plaatsvonden. Toen werd er hard ingegrepen en werd er een bezoekverbod uitgevaardigd. Dit heeft voor veel verdriet, eenzaamheid en frustratie gezorgd, zowel bij bewoners, personeel als naasten. Tegelijkertijd moet worden onderkend dat mede door die rigoureuze maatregel, de eerste golf coronabesmettingen werd teruggedrongen. Hoe ziet de regering de tekst van artikel 58o, vijfde lid, van het wetsvoorstel in relatie tot plotseling toenemende besmettingshaarden? De coronapandemie is op zichzelf al een uitzonderlijke situatie. Kan de regering een aantal voorbeelden geven van «uitzonderlijke situaties» in de zin van artikel 58o, vijfde lid, onder a? In de Tweede Kamer zei de Minister van VWS dat de uitzonderlijke situatie uit het amendement toeziet op de tijdspanne van een week.29 Dit blijkt niet uit de wettekst. Is dit zo’n voorbeeld van een restrictie in een uitzonderlijke situatie? Kan de regering dat toelichten?

Ten tijde van de eerste golf van het coronavirus werd het bewoners soms niet toegestaan naar buiten te gaan. Tegen hun wil werden ze door de zorgaanbieder binnengehouden in hun verpleeghuis. Zien de leden van de D66-fractie het goed dat het binnenhouden van bewoners van verpleeghuizen op basis van dit wetsvoorstel niet afgedwongen kan worden? Geldt dit ook voor bewoners die besmet zijn? Wat is de situatie als een bewoner naar buiten is gegaan en na verloop van tijd het woonzorgcenrum weer binnen wil gaan? Kan hij/zij dan geweigerd worden? En als er wel een vrijheidsbeperking wordt afgedwongen op basis van deze wet, hoe verhoudt zich dit dan tot Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (artikel 2, eerste lid, onder b (beperking van de bewegingsvrijheid) en eerste lid, onder c (insluiting), artikel 2a, derde lid (maatregelen die bewegingsvrijheid inperken)), en tot de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (artikel 3:2, tweede lid, onder b (beperking van bewegingsvrijheid) en tweede lid, onder c (insluiting))?

Aansluitend hierop is het de leden van de D66-fractie niet geheel duidelijk of in het geval een isolatiemaatregel zoals in de Wpg beschreven (artikel 31 en verder) dan wel een quarantainemaatregel (artikel 35 en verder) vanwege corona, aan een persoon in een zorginstelling wordt opgelegd, deze dan onder de regelgeving van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg valt met de daarbij horende procedures of uitsluitend onder de Wpg-procedures. Kan de regering dit toelichten?

In artikel 58d van het wetsvoorstel regelt de regering de bevoegdheid van de voorzitter van de veiligheidsregio. Het eerste lid begint met de zinsnede: «Indien de uitoefening van die bevoegdheid leidt tot [...]». De leden van de D66-fractie vragen naar welke bevoegdheid «die» verwijst?

Artikel 58l van het wetsvoorstel regelt de zorgplicht in besloten plaatsen. In het tweede lid wordt een onderscheid gemaakt tussen een besloten ruimte waar een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend en waar dat niet het geval is. In de eerste situatie kan de Minister van VWS een schriftelijke aanwijzing geven tot het nemen van maatregelen, als bijvoorbeeld de veilige afstand niet in acht kan worden genomen, en in de tweede situatie de burgemeester. Waarom zijn de bevoegdheden zo verdeeld, vragen de leden van de D66-fractie. Wat is de ratio hierachter?

Met betrekking tot de regeling in artikel 58q van het wetsvoorstel ten aanzien van de onderwijsinstellingen merken de leden van de D66-fractie het volgende op. Het artikel regelt:

«1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het verrichten van onderwijsactiviteiten in onderwijsinstellingen geheel of gedeeltelijk verboden is en kunnen beperkingen of andere voorwaarden worden gesteld aan het verrichten van onderwijsactiviteiten in onderwijsinstellingen. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen onderwijsinstellingen of categorieën daarvan.

2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens het eerste lid zijn belast de ambtenaren van de inspectie van het onderwijs die zijn belast met het toezicht op de naleving van bij of krachtens een onderwijswet als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1, van de Wet op het Onderwijstoezicht gegeven voorschriften.»

Is het niet een curieuze figuur, zo vragen de leden van de D66-fractie, dat de inspectie inspecteert op het naleven van het niet-geven van onderwijs, terwijl het omgekeerde haar taak is: om de kwaliteit van lesgeven ook nu in deze omstandigheden te inspecteren? De kwaliteit van het niet-lesgeven is irrelevant. Krijgt de Onderwijsinspectie hier niet de facto een openbare orde-taak? Waarom acht de regering dat wenselijk?

Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie

De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering concreet uiteen te zetten welke beperkingen kunnen worden gesteld aan bijeenkomsten in gebouwen en plaatsen genoemd in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet, zoals in artikel 58a van het wetsvoorstel onder «besloten plaats» is verwoord. Kunnen er na inwerkingtreding van deze wet bijvoorbeeld beperkingen worden gesteld aan het aantal mensen dat in een kerkgebouw een kerkdienst bijwoont?

In artikel 58b van het wetsvoorstel worden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit wettelijk verankerd. Een groot aantal mensen heeft zorgen over proportionaliteit van de op grond van deze wet te nemen feitelijke maatregelen. Het grote aantal geïndividualiseerde e-mails die aan de leden van deze Kamer zijn gezonden, zijn hier illustratief voor. De fractieleden van de PvdA verzoeken de regering om toe te lichten op welke wijze de toetsing aan en de borging van de proportionaliteit en subsidiariteit bij concrete maatregelen vorm wordt gegeven. Veelvuldig wordt in dit kader in de e-mails aangegeven dat de genomen en te nemen maatregelen ter bestrijding van het coronavirus disproportioneel (zullen) zijn, omdat er geen sprake is van significante oversterfte. Wat is hierop de reactie van de regering?

Het beeld dat bij een deel van de Nederlandse bevolking over deze wet bestaat, is dat van een wet die in belangrijke mate onnodig grondwettelijke vrijheden inperkt. Dit is vermoedelijk ingegeven door de oorspronkelijke tekst van het wetsvoorstel. Achterliggend lijkt vaak de overtuiging te bestaan dat (in het bijzonder bij de tweede golf) de genomen maatregelen in geen verhouding staan tot de ernst van het virus aan de ene kant en de economische, medische en emotionele schade aan de andere kant. Wat is hierop de reactie van de regering? Gaat de regering de Nederlandse bevolking overtuigen van de aard en de noodzaak van het voorliggend wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat de regering dit aanpakken en hoe gaat zij zorgen dat daarbij aangesloten wordt bij de kennis en inzichten van verschillende bevolkingsgroepen? Is de regering voornemens om te trachten, bijvoorbeeld middels voorlichting, voornoemd beeld over deze wet die zelf geen maatregelen introduceert, maar juist de kaders stelt en de democratische controle op de maatregelen introduceert, bij te stellen? Acht de regering het met de leden van de fractie van de PvdA van belang, onder meer met goede voorlichting over de aard en werking van deze wet, het draagvlak onder de maatregelen te vergroten en de spanning in de samenleving te verminderen? Kan deze voorlichting worden meegenomen in de doelgroepencampagnes?

Artikel 58c, tweede lid, van het wetsvoorstel bevat na amendering een instemmingsregeling voor de Tweede Kamer als voorwaarde voor inwerkingtreding. De kennisgeving van de ministeriële regeling is blijkens hetzelfde lid aan beide Kamers. Welke rol ziet de regering voor de Eerste Kamer na kennisneming van de ministeriële regeling?

De PvdA-fractieleden vragen de regering op welke wijze in de praktijk geborgd wordt dat maatregelen die niet langer noodzakelijk zijn, ook daadwerkelijk ingevolge artikel 58c, zesde lid van het wetsvoorstel, zo spoedig mogelijk worden gewijzigd of ingetrokken. Artikel 58s van het wetsvoorstel verplicht de regering tot een maandelijks overzicht toe te zenden aan beide Kamers van de getroffen maatregelen. Betekent dit in de praktijk dat maatregelen alleen periodiek maandelijks komen te vervallen of wordt aan artikel 58s op zodanige wijze invulling gegeven dat ook op kortere termijn een maatregel wordt ingetrokken? Is het mogelijk voor burgers en/of maatschappelijke organisaties om georganiseerd te wijzen op in hun ogen niet langer proportionele maatregelen en, zo ja, op welke wijze kan dit dan worden gedaan?

Ingevolge artikel 58s, vierde lid, van het wetsvoorstel is de burgemeester aan de gemeenteraad verantwoording schuldig en dient hij het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad betrokken te houden. Ziet de regering een rol voor haar weggelegd om te stimuleren en te borgen dat aan deze opdracht in iedere gemeente afdoende invulling wordt gegeven? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

Ingevolge het vijfde lid, van artikel 58s is de voorzitter van de veiligheidsregio verantwoording schuldig aan de betrokken gemeenteraad. Welke bevoegdheden heeft de gemeenteraad jegens deze voorzitter als het niet de gemeente van de voorzitter van de veiligheidsregio/burgemeester zelf betreft? Wat kan de consequentie voor de voorzitter zijn als deze verantwoording niet, niet tijdig of niet goed wordt gegeven? Als deze consequentie er niet is, is de regering dan bereid te zoeken naar maatregelen die zorgen dat de gemeenteraad niet met lege handen staat? Is de regering bereid bij dit onderzoek mee te nemen of instemming achteraf in enige vorm door de gemeenteraad, analoog aan de in dit wetsvoorstel gecreëerde bevoegdheid van de Tweede Kamer, geregeld kan worden?

Op welke wijze is geborgd dat de betrokkenheid van de lokale volksvertegenwoordiging ook op de BES30-eilanden feitelijk wordt ingevuld, bijvoorbeeld in het geval de gezaghebber gebruikmaakt van de bevoegdheid die hem ingevolge artikel 58ca van het wetsvoorstel gaat toekomen? Is artikel 58s van het wetsvoorstel onverkort van kracht op de BES-eilanden? Op welke wijze heeft de Staten-Generaal invloed op een door de gezaghebber genomen besluit?

Artikel 58t van het wetsvoorstel introduceert dat de Afdeling advisering van Raad van State iedere drie maanden wordt gehoord voorafgaande aan het verlengingsbesluit. Kan de regering aangeven hoe zij dit horen nader wenst in te vullen? Wat is de verwachting van de regering over de aard en inhoud van het driemaandelijkse advies? Moet de Raad van State feitelijk adviseren over een koninklijk besluit tot verlenging? Het koninklijk besluit zelf zal vermoedelijk immers kort zijn. Op welke wijze denkt de regering dat de Raad van State feitelijk invulling kan geven aan de voorgenomen toets aan grondrechten?

De leden van de fractie van de PvdA hebben over artikel 58f van het wetsvoorstel (veilige afstand) de volgende vragen. Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om in het derde lid met de lijst van uitgezonderde beroepen niet ook het onderwijzend personeel in speciaal onderwijs op te nemen? Het houden van 1,5 meter afstand bijvoorbeeld bij het onderwijs aan leerlingen met een visuele beperking, gedragsmoeilijke en/of rolstoelafhankelijke leerlingen is redelijkerwijs onmogelijk.

Deze leden vragen de regering voorts om nader te specificeren wie als begeleider als bedoeld in het derde lid, onder d, van dit artikel kan worden aangemerkt en wat als handicap? Valt hier bijvoorbeeld onder de taxichauffeur van het speciaal vervoer van op een rolstoel aangewezen ouderen? Kan dit artikel zo worden verstaan dat iedereen die objectiveerbare hulp behoeft binnen 1,5 meter afstand, deze hulp ook kan krijgen?

Ten aanzien van de zorgplicht besloten plaatsen (artikel 58l van het wetsvoorstel) vragen deze leden hoe het toezicht en de handhaving is geregeld op de in het eerste lid gestelde norm. Kan bijvoorbeeld op basis van een anonieme tip worden binnengetreden ter controle? Kan ook zonder enige directe aanleiding, bijvoorbeeld als gevolg van steekproefsgewijs toezicht, tot binnentreden ter controle zonder toestemming worden overgegaan? Welke rechtsbescherming kan worden ingeroepen tegen vermeend onrechtmatig optreden door de overheid op grond van dit artikel?

Over artikel 58o van het wetsvoorstel (zorgaanbieders en zorglocaties) hebben de PvdA-fractieleden de volgende vragen. Hoe ver reikt de in het eerste lid geformuleerde zorgplicht van de zorgaanbieder? Moet de zorgaanbieder bijvoorbeeld mondkapjes aanbieden of andere beschermingsmiddelen? Voor wie komen de kosten die hieraan verbonden zijn?

Het tweede lid maakt beperkingen aan de toegang van de instelling mogelijk. Hiervan zijn mantelzorgers uitgezonderd, zo lezen de PvdA-fractieleden. Wie bepaalt op basis van wat wie er een mantelzorger van een cliënt is? Wat is de rol van de wettelijk vertegenwoordiger? Is deze ook altijd mantelzorger? Welke criteria worden er gehanteerd om te bepalen of iemand bij de zorg betrokken is? Wie bepaalt deze criteria? Kan op het moment dat een vaccin beschikbaar is als voorwaarde voor toegang worden gesteld dat de bezoekende persoon gevaccineerd is?

Ook het vierde lid roept bij deze leden vragen op over de concrete invulling. Op welke wijze worden de belangen van de volksgezondheid afgewogen tegen het belang van cliënten bij toegang? Worden hier criteria voor opgesteld? En als het belang van de cliënt zwaarder weegt, wat betekent dit dan voor de kans over verdere verspreiding van het covid-19-virus? Anderzijds: als het belang van tegengaan van verspreiding van het virus in de praktijk altijd zwaarder weegt, wat is dan nog de waarde van het individuele belang bij bezoek? Wie maakt deze (moeilijke) afweging en kan hier tegen worden opgekomen door de cliënt? Kan de regering voorbeelden geven waaruit de praktische invulling van deze afweging blijkt?

Kan de regering tot slot aangeven of de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en Uitvoeringswet AVG voldoende ruimte bieden voor het verzamelen van (persoons)gegevens die nodig zijn om de verspreiding van het virus in kaart te brengen door bijvoorbeeld een grote zorginstelling? Uit de omstandigheid dat geen regelgeving op dit punt in de wet is opgenomen, lijkt te kunnen worden afgeleid dat de huidige regelgeving volstaat bij voorkomende spanning tussen privacybescherming en bestrijding van het virus. Zien de PvdA-fractieleden dit juist?

Vragen en opmerkingen van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben de volgende vragen:

  • 1. Artikel 58a, eerste lid van het wetsvoorstel geeft als begripsbepaling van «epidemie»: «epidemie: de epidemie van covid-19, veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2».31 Kan de regering exact aangeven wat, in de context van deze wet, de criteria zijn voor het vaststellen en voortduren van de bedoelde epidemie, door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

  • 2. Ditzelfde artikel geeft als definitie van «persoonlijke beschermingsmiddelen»: «persoonlijke beschermingsmiddelen: uitrusting die bestemd is om te worden gedragen of vastgehouden teneinde de eigen of een andere persoon zoveel mogelijk te beschermen tegen overdracht van het virus SARS-CoV-2».32

    • a. Kan de regering aangeven hoe het element «zoveel mogelijk te beschermen» in deze context wordt bepaald, door wie en op basis van welke criteria?

    • b. Kan de regering aangeven in hoeverre in deze context ook mondkapjes worden bedoeld?

    • c. Het RIVM geeft op haar website aan: «De literatuur is niet eenduidig over het effect van het dragen van niet-medische mondkapjes in openbare ruimten. Waarschijnlijk helpen mondkapjes maar beperkt bij het voorkomen van besmetting van anderen.»33 Kan de regering aangeven of gelet op deze ontbrekende effectiviteit een niet-medisch mondkapje kan vallen onder de definitie van «persoonlijke beschermingsmiddelen», nu niet aan het aspect van «zoveel mogelijk te beschermen tegen overdracht van het virus» voldaan wordt?

    • d. Volgens een artikel in medisch wetenschappelijk tijdschrift The Lancet zouden (zelfgemaakte) stoffen mondkapjes, die ook door de overheid worden aanbevolen, niet beschermen tegen overdracht van het virus.34 The Lancet schrijft dat de meeste zelfgemaakte stoffen mondmaskers bestaan uit twee, in het beste geval vier, lagen met eventueel nog ruimte voor een bijkomende filter. Hoe dan ook is dat veel te weinig om even efficiënt te zijn als een chirurgische masker tegen een virusbesmetting.35 Puur technisch gezien biedt een stoffen mondmasker geen bescherming tegen het coronavirus omdat de mazen van de katoenen vezels veel te wijd zijn. Het coronavirus is ongeveer 0,1 micrometer groot. Dat is tienduizend keer kleiner dan een millimeter. In het beste geval houdt een stoffen masker – met filter dan nog – partikels tegen van minstens 2,5 micrometer. Kan de regering, gelet op deze constatering, aangeven of zulke niet-medische mondmaskers onder de definitie van «persoonlijke beschermingsmiddelen» vallen nu blijkt dat deze geen bescherming bieden tegen overdracht van het virus?Kan de regering derhalve uitsluiten dat op grond van deze definitie en daaraan in de wet verbonden bepaling het gebruik van dergelijke niet-effectieve mondmaskers verplicht zal worden gesteld?

    • e. Kan de regering aangeven of, nu de overheid het (verplicht) dragen van mondmaskers vooral inzet om redenen van beeldvorming en bewustwording, aan het aspect «zoveel mogelijk te beschermen tegen overdracht van het virus» uit definitie van «persoonlijke beschermingsmiddelen» voldaan wordt?

    • f. Kan de regering aangeven of de bij de persconferentie van het kabinet van 13 oktober 2020 aangekondigde mondkapjesplicht in publieke ruimten en de daarvoor benodigde juridische basis gezocht wordt in artikel 58f, vierde lid of artikel 58a, eerste lid van voorliggend wetsvoorstel? Zo ja, hoe verhoudt deze verplichting zich tot verschillende aspecten van de definitie van «persoonlijke beschermingsmiddelen» uit dit artikel? Zo nee, is er in dit kader een andere juridische samenhang met deze wet?

3.

  • a. Artikel 58b, eerste lid van het wetsvoorstel stelt: «Dit hoofdstuk is van toepassing op de bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan.»36 Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van «een directe dreiging», door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

  • b. Het tweede lid van dit artikel stelt onder onderdeel a: «gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk is». Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen hiervan, door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

4.

  • a. Artikel 58d, eerste lid van het wetsvoorstel stelt: «Indien de uitoefening van die bevoegdheid leidt tot gevolgen van meer dan plaatselijke betekenis, of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan».37 Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van deze «ernstige vrees», door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

  • b. Het tweede lid van dit artikel stelt: «Zodra een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid zich niet langer voordoet, trekt Onze Minister zijn besluit in.» Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen of een omstandigheid zich niet langer voordoet, door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

5.

  • a. Artikel 58f, eerste lid van voorliggend wetsvoorstel stelt: «Degene die zich buiten een woning ophoudt, houdt een veilige afstand tot andere personen.»38 Kan de regering nader onderbouwen, ook vanuit medisch oogpunt, waarom de (voorgenomen) verplichting voor het dragen van mondmaskers zich beperkt tot publieke binnenruimten en de «veilige afstand» in de buitenlucht wél verplicht wordt gesteld?

  • b. Met de versoepeling van de maatregelen per 1 juli 2020 is gesteld dat weer meer dan 2 personen in één auto mogen zitten, ook als zij niet behoren tot één huishouden.39 Kan de regering aangeven hoe dat uitgangspunt zich verhoudt tot voorliggend wetsvoorstel?

  • c. Het tweede lid van dit artikel stelt: «De veilige afstand wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, gehoord het RIVM.» Kan de regering aangeven in hoeverre bij het vaststellen van het AMvB kan worden afgeweken van het advies van het RIVM en op basis van welke criteria?

  • d. Het derde lid van dit artikel geeft mogelijkheden voor uitzonderingen op deze regel. In de memorie van toelichting is hierover op pagina 81 het volgende gesteld: «In het derde lid zijn uitzonderingen vastgesteld op de veiligeafstandsnorm. In de eerste plaats geldt een uitzondering voor personen die op hetzelfde adres woonachtig zijn (onderdeel a). Het gaat om een brede uitzondering; niet vereist is dat die personen een gezin of huishouding vormen. Onder de uitzondering vallen bijvoorbeeld personen die op één woonadres in de basisregistratie personen staan ingeschreven, zoals ook bij studentenhuizen het geval is, maar ook andere situaties waarin sprake is van het feitelijk woonverblijf van de betrokken personen op hetzelfde adres. Te denken valt aan pleegkinderen die tijdelijk in een gezin worden opgenomen en in gevallen van co-ouderschap, samengestelde gezinnen en meerouder- en regenbooggezinnen waarbij een kind voor een deel van de tijd bij een of meer ouders woont, studenten die een deel van de tijd bij hun ouders wonen en senioren die door een van de volwassen kinderen tijdelijk in huis zijn genomen. In het geval van minderjarige kinderen geldt overigens ook de uitzondering in onderdeel d van het vierde lid.»40 In deze uitzonderingen wordt het ingeschreven staan op hetzelfde adres als uitgangspunt genomen, maar tegelijkertijd is sprake van een brede uitzondering. In de memorie van toelichting wordt gesteld: «Het gaat onder meer om personen die op hetzelfde adres woonachtig zijn, waaronder ook verschillende familie- en zorgsituaties vallen waarbij mensen feitelijk samen op hetzelfde adres leven.»41 Kan de regering een nauwkeurige uitleg geven van «feitelijk samen»? Kan de regering aangeven in hoeverre deze «brede uitzondering» ook van toepassing kan zijn op familie- en gezinssituaties waarbij een deel van het gezin niet op hetzelfde adres staat ingeschreven, maar wel tot hetzelfde huishouden behoort, bijvoorbeeld in het geval van gezinnen met (van tafel en bed) gescheiden ouders en LAT-relaties? Kan de regering daarbij aangeven hoe een eventueel verschil hierin zich verhoudt tot het recht op «family life», zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden? Kan de regering daarbij tevens aangeven hoe dit zich bij dergelijke gevallen verhoudt tot het gebruik van de (gezins)auto?

  • e. In de memorie van toelichting wordt op pagina 14 gesteld: «De veilige afstand wordt, gehoord het RIVM, bij amvb bepaald (artikel 58f, tweede lid) en zal naar verwachting net als momenteel anderhalve meter bedragen. Niet uit te sluiten valt dat een zeer gunstig of juist zeer ongunstig verloop van de verspreiding van de epidemie reden vormt om een andere veilige afstand vast te stellen.»42 Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van het verloop van de epidemie en een andere veilige afstand, door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden? Kan de regering aangeven of dit ook kan betekenen dat de «veilige-afstandmaatregel» ook onder vigeur van deze wet als zodanig kan vervallen?

  • f. Voorts stelt pagina 15 van de memorie van toelichting: «Mede omdat wetenschappelijke inzichten snel kunnen wijzigen, is ervoor gekozen om nadere uitzonderingen mogelijk te maken bij ministeriële regeling.»43 Kan de regering aangeven hoe en op grond van welke criteria deze wetenschappelijke inzichten worden afgewogen? Kan de regering tevens aangeven of deze wetenschappelijke inzichten prevaleren boven «beeldvorming» en/of «bewustwording»?

6.

  • a. Artikel 58g, eerste lid van dit wetsvoorstel stelt: «Bij ministeriële regeling kunnen plaatsen, niet zijnde woningen, worden aangewezen, waar het niet is toegestaan zich in groepsverband op te houden met meer dan een bij die regeling vast te stellen aantal personen.»44Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van het aantal personen, door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

  • b. Kan de regering dit tevens aangeven ten aanzien van het «aantal personen» als bedoeld in artikel 58i van het wetsvoorstel?

7.

  • a. Artikel 58k, vierde lid van het voorliggende wetsvoorstel stelt: «In een spoedeisende situatie kan Onze Minister onderscheidenlijk de burgemeester een bevel geven.»45 Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van een «spoedeisende situatie», door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden? Kan de regering aangeven hoe bij toepassing van dit artikel bestuurlijke willekeur wordt voorkomen?

  • b. Kan de regering dit tevens aangeven ten aanzien de criteria voor «ernstige vrees» bij toepassing van het bevel als bedoeld in artikel 58m van het wetsvoorstel?

  • 8. Op pagina 29 van de memorie van toelichting stelt de regering: «Deze wet biedt de grondslag en het kader om bij amvb en bij ministeriële regelingen de noodzakelijke maatregelen te treffen. Deze maatregelen kunnen getroffen worden ter bescherming van de (volks)gezondheid als legitiem doel, nu er sprake is van een epidemie van een groep A-infectieziekte.»46

    • a. Kan de regering aangeven op basis van welke criteria Covid-19 is aangemerkt als een groep A-infectieziekte?

    • b. Kan de regering aangeven hoe deze passage zich verhoudt tot het feit dat het wetsvoorstel Wijziging van de Wet publieke gezondheid tot incorporatie van de Regeling 2019-nCoV nog niet is aangenomen?47

    • c. Kan de regering aangeven onder welke criteria en op basis van welke indicatoren de status van Covid-19 als groep A-infectieziekte eventueel afgeschaald kan worden?

    • d. In hoeverre wordt in dit kader rekening gehouden met de mutatie van het virus?

    • e. Kan de regering aangeven in hoeverre dit wetsvoorstel enkel van toepassing is op het Coronavirus 2019-nCoV (officiële naam SARS-CoV-2), of ook op mutanten of varianten van dit virus? Zo ja, wat zijn de criteria voor het vaststellen van mutanten of varianten van het virus, door wie en op welke wijze worden deze criteria bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

  • 9. Voorts stelt de regering op pagina 29 en30 van de memorie van toelichting: «Bij het vaststellen van de amvb en ministeriële regelingen dient aan de hand van de actuele stand van het virus, de wetenschappelijke inzichten en voortgang van de bestrijding te worden beoordeeld in hoeverre maatregelen die grondrechten beperken, noodzakelijk zijn voor het doel van de bestrijding van de epidemie.»48

    • a. Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van «de actuele stand van het virus, de wetenschappelijke inzichten en voortgang van de bestrijding», door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

    • b. Kan de regering concreet aangeven in hoeverre het testbeleid hierop van invloed is, waaronder de mate van fals positive testen en de criteria waarop getest wordt?

    • c. Kan de regering aangeven hoe in deze afwegingen ten aanzien van de «actuele stand» rekening wordt gehouden met reguliere griepgevallen?

    • d. Kan de regering aangeven of in deze afwegingen over de «actuele stand» wordt uitgegaan van een aantal (mogelijke) besmettingsgevallen, of het concrete aantal ziekenhuis/IC-opnames en/of sterftegevallen?

    • e. Kan de regering uitsluiten dat deze inzichten worden gebaseerd op de intrinsiek onbetrouwbare coronamelder app? Zo nee, kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van inzichten uit de coronamelder-app, door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

    • f. Op pagina 30 en 31 van de memorie van toelichting stelt de regering: «Ten slotte is reeds gebleken dat de voorgestelde maatregelen geschikt en effectief zijn, omdat dezelfde maatregelen eerder van kracht zijn geweest om de epidemie te bestrijden; het aantal nieuwe infecties, ziekenhuisopnames en het aantal nieuwe opnames op de IC-afdelingen is momenteel afgenomen en ook het aantal aan deze epidemie gerelateerde sterfgevallen per week neemt geleidelijk af.»49

      Kan de regering de hier veronderstelde causaliteit tussen maatregelen en effectiviteit wetenschappelijk verantwoord en cijfermatig onderbouwd boekstaven?

    • g. Arts-microbioloog Schneeberger van de Brabantse ziekenhuizen JBZ en Bernhoven stelt in het BD: «Maar het meest opvallend was toch dat de curve heel steil opliep, en vervolgens ook héél steil weer afnam. En dat gebeurde nog vóór de persconferentie van Rutte over de intelligente lockdown. Dat sterkt mij in de gedachte dat niet de maatregelen de afname hebben bewerkstelligd, maar dat het virus uitdoofde omdat het simpelweg nergens meer heen kon. Het had hier in korte tijd al te veel mensen besmet.»50 Kan de regering tevens aangeven hoe deze constatering uit de praktijk van de coronabrandhaard zich verhoudt tot de door de regering veronderstelde effectiviteit van de maatregelen?

    • h. Restauranthouders in Berlijn zijn onlangs door de rechter in het gelijk gesteld over door de overheid opgelegde coronamaatregelen voor de horeca: «De rechter zei dat de Duitse gezondheidsautoriteiten van het Robert Koch Instituut met hun statistieken hebben aangetoond dat sluiting op een bepaalde tijd geen extra voordeel oplevert naast de reeds ingevoerde beperkingen, zoals bijvoorbeeld hygiënische maatregelen of maximale aantallen klanten. De rechter ziet ook niks in het verbod alcohol te schenken na 23.00 uur.»51 Kan de regering nader onderbouwen waarom de met voorliggend wetsvoorstel beoogde soortgelijke maatregelen wél proportioneel en effectief zouden zijn, terwijl dit in Duitsland in de bestrijding van hetzelfde virus niet het geval blijkt te zijn?

    • i. Veel van de voorgestelde maatregelen leveren een inbreuk op grondrechten en worden nader uitgewerkt in ministeriële regelingen. Kan de regering nader onderbouwen hoe hij deze werkwijze ten aanzien van de waarborging van grondrechten kan verantwoorden en hoe bestuurlijke willekeur en onevenredig overheidsingrijpen in het persoonlijk leven van burgers wordt voorkomen?

  • 10. Artikel 58s van voorliggend wetsvoorstel regelt de «Verantwoording en informatievoorziening» naar de volksvertegenwoordigingen.

    • a. Kan de regering aangeven of maximale transparantie van te voeren beleid wordt betracht, zonder bijvoorbeeld voor de democratische controle belangrijke documenten niet te openbaren en/of grotendeels zwart te lakken?

    • b. Is de regering bereid om de Kamer inzage te geven in alle onderliggende stukken (zonder daarin de cruciale informatie weg te lakken) waarop de besluiten in het kader van deze wet worden genomen?

    • c. Is de regering bereid om de Kamer een volledig overzicht te verstrekken van alle laboratoria waar Nederlandse coronatests worden verwerkt?

Vragen en opmerkingen van de SP-fractie

Met betrekking tot artikel 58d van het wetsvoorstel vragen de SP-fractieleden of ook een ander dan de voorzitter van de veiligheidsregio een verzoek tot de Minister van VWS kan richten in het geval het een gemeente betreft waar de burgemeester tevens voorzitter is van de veiligheidsregio.

Behoort de burgemeester bij de afwegingen conform artikel 58e, vierde lid, van het wetsvoorstel ook mee te wegen de bovenlokale effecten van de te verlenen ontheffing? Dienen aanzuigende werking uit buurgemeenten en verspreidingsrisico’s naar buurgemeenten onderdeel te zijn van de afweging? Op welke wijze wordt voorkomen dat er in de uitvoering rechtsongelijkheid en willekeur tussen verschillende gemeenten ontstaat?

De volgende vraag komt op bij het lezen van artikel 58f, vierde lid, van het wetsvoorstel. Kan de regering aangeven hoe invulling kan worden gegeven aan door het treffen van hygiënemaatregelen, het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen of op andere wijze, een beschermingsniveau bereiken dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat bereikt wordt door het houden van de veilige afstand? Tot op heden is immers steeds door de regering gecommuniceerd dat deze genoemde maatregelen de veilige afstand niet kunnen vervangen. Is dit daarmee een niet-uitvoerbaar artikel?

Kan conform artikel 58j, eerste lid, onder d, van het wetsvoorstel de bezettingsgraad ook op nul worden vastgesteld, waarmee een feitelijk sluiting wordt bewerkt, zo vragen de SP-fractieleden.

Moet artikel 58o, vijfde lid, onder a, van het wetsvoorstel zo worden uitgelegd dat te allen tijde één familielid toegang verleend moet worden? Hoe verhoudt zich dit de situatie wanneer zich een verdenking van corona voordoet en de afdeling gedurende de periode tot de uitslag bekend is, wordt gesloten? Valt dit onder uitzonderlijke omstandigheden?

Vragen en opmerkingen van de ChristenUnie-fractie

In het geheel van de wetgeving wordt een grote rol toegekend aan de wetenschap. Zo lezen de ChristenUnie-fractieleden op pagina 13 van de memorie van toelichting: «De te treffen maatregelen zullen afhankelijk zijn van de specifieke omstandigheden en wetenschappelijke inzichten op dat moment. Het te voeren beleid zal daarom net als nu het geval is, moeten kunnen meebewegen met de ontwikkeling van de epidemie. Daarbij zal steeds een nadere afweging plaatsvinden tussen het belang van de volksgezondheid en andere relevante belangen, waaronder maatschappelijke en economische belangen.»52

Op pagina 15 lezen de leden: «Mede omdat wetenschappelijke inzichten snel kunnen wijzigen, is ervoor gekozen om nadere uitzonderingen mogelijk te maken bij ministeriële regeling.»53 In de artikelen III en IV van het wetsvoorstel wordt ook verwezen naar de «stand van de wetenschap».

Deze citaten roepen bij de leden van de fractie van de ChristenUnie enkele vragen op:

  • 1) Hoe ziet de regering de taakverdeling tussen «wetenschap» en «politiek»?

  • 2) Zou het kunnen zijn dat een scherpe scheiding tussen «wetenschap» en «politiek» vruchtbaar is? Immers, het «enige» dat wetenschap kan doen, is het in kaart brengen van de wetenschappelijke inzichten, het benoemen van wetenschappelijke controverses en op basis daarvan enkele adviezen geven. Het is de taak van de regering om deze inzichten, controverses en adviezen politiek te duiden, beleid te ontwikkelen, wetten en lagere regelgeving uit te vaardigen, de burgers goed te informeren, et cetera.

  • 3) Zou de wetenschappelijke analyse niet aan kracht kunnen winnen als de wetenschappelijke inzichten en adviezen van het OMT54/RIVM openbaar worden? Zou die analyse ook niet aan kracht kunnen winnen als bewust tegenspraak georganiseerd wordt? Bijvoorbeeld in de vorm van het Red Team of andere mogelijke integere wetenschappelijke gremia?

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat er in de media discussie is over wetenschappelijke gegevens. Op meerdere wetenschappelijke websites zijn gegevens over het virus te vinden. Zij verwijzen bijvoorbeeld naar: https://github.com/mbevand/covid19-age-stratified-ifr#comparing-covid-19-to-seasonal-influenza. In deze publicaties wordt de IFR55 van covid-19 een factor twee (20 jaar) tot dertien (ouder dan 60 jaar) hoger gezien dan die van influenza. Ook denken zij aan het John Snow Memorandum, waarin de ernst van covid-19 wordt benadrukt en de idee van «groepsimmuniteit» als een gevaarlijke gedachte wordt gezien. Het artikel stelt dat er binnen de wetenschap «academische consensus» is.56 Tot hun verbazing is er een WHO-publicatie57 waaruit sommige burgers concluderen dat de IFR wereldwijd voor alle leeftijden 0,23 is en 0,05 voor onder de 70 jaar.

De leden van de fractie van de ChristenUnie zijn er bekend mee dat de IFR door veel factoren wordt bepaald, onder andere door de leeftijdsopbouw van de populatie. Ook zijn zij er bekend mee dat de IFR aan het dalen is door onder andere betere zorg. Kan de regering aangeven hoe zij de stand van zaken van de wetenschap duidt? Hoe zij in dit verband de publicatie van de WHO vanuit wetenschappelijk oogpunt duidt? Wat is de politieke en wetenschappelijke status van dit document? Op welke basis bouwt de regering haar beleid?

De fractieleden van de ChristenUnie constateren dat er veel desinformatie op de social media wordt gedeeld. Deze desinformatie draagt bij aan maatschappelijke onrust en maatschappelijke tegenstellingen met betrekking tot het coronabeleid. Zij vragen of de regering een rol ziet voor haarzelf om desinformatie tegen te gaan, direct of indirect. Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet? Ook vragen zij welke mogelijkheden de regering ziet om a) het proces om tot academische consensus in Nederland te komen, te bevorderen, b) het bestaan van wetenschappelijke controverses (als die er zijn) eerlijk onder ogen te zien, en c) het publiek scherper voor te lichten over de stand van zaken van de wetenschap.

In artikel 58b van het wetsvoorstel wordt gesteld dat het hoofdstuk van de tijdelijke bepalingen van toepassing is op de bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering wat de woorden «directe dreiging» betekenen. Duiden die woorden op het bestaan van een bepaald risiconiveau? Bijvoorbeeld 1 of 2? Of duiden ze op de situatie dat Nederland virusvrij is? Of op de fase van de «hamer» of van de «dans»? Of duiden ze misschien op een situatie waarin Nederland virusvrij is, maar waarbij het virus in het buitenland nog wel voorkomt op een bepaald risiconiveau?

In dit licht is het ook van belang om scherp inzicht te krijgen in de relatie tussen het verlengen van de wet en het al dan niet uitvaardigen van ministeriële regelingen. Hoe ziet de regering die relatie? Wordt de wet niet meer verlengd als alle maatregelen opgeheven zijn? Wordt de wet verlengd tot Nederland virusvrij is? Of totdat er geen «directe dreiging» meer is (zie de vorige vragen)?

Vragen en opmerkingen van de PvdD-fractie

De fractieleden van de PvdD hebben de volgende vragen. Indien vragen zijn onderverdeeld in subvragen verzoeken de zij het antwoord per subvraag te geven en niet een antwoord te geven waarin meerdere vragen tegelijk worden behandeld.

Vraag 1

Vaststaat dat er dieren zijn die aantoonbaar bevattelijk zijn voor covid-19, die een reservoir kunnen vormen voor dit virus en die het virus op mensen kunnen overdragen.

Vraag 1.1

Van welke dieren is aangetoond dat zij, indien besmet met covid-19, het virus op mensen kunnen overdragen?

Vraag 1.2

Welke dieren zijn bevattelijk voor mogelijk op mensen overdraagbare zoönosen?

Vraag 1.3

Hoe beoordeelt de regering de situatie rond H5N1, het vogelgriepvirus dat volgens professor Ron Fouchier slechts enkele mutaties verwijderd zou zijn van een van mens tot mens besmettelijke variant? Op de website Kennislink is daarover het volgende te lezen: «Verschillende laboratoria van over de hele wereld doen onderzoek naar influenza A/H5N1 om meer over het virus te weten te komen. Zo ook de onderzoeksgroep van virologen Ab Osterhaus en Ron Fouchier in het Rotterdamse Erasmus Medisch Centrum. Eind vorig jaar slaagde Fouchier erin om het vogelgriepvirus dat nu in Azië rondgaat via een paar mutaties te veranderen in een variant die zeer besmettelijk is voor mensen. Die mutaties zouden ook op natuurlijke wijze kunnen ontstaan en op die manier kunnen zorgen voor de gevreesde wereldwijde epidemie.»58

Vraag 1.4

Hoeveel groter zou de mortaliteit van het gemuteerde H5N1-virus zijn volgens professor Fouchier, in relatie tot covid-19?

Vraag 1.5

Welke concrete maatregelen heeft de regering getroffen om de overdracht van zoönosen in te dammen na problemen met diergerelateerde MRSA59, Q-koorts, covid-19 en hepatitis E?

Vraag 1.6

Is het waar dat van alle hedendaagse infectieziekten meer dan 70% afkomstig is uit de dierenwereld en overdracht nauw samenhangt met de wijze waarop mensen met dieren omgaan? Zo nee, wat is dan het juiste cijfer?

Vraag 1.7

Deelt de regering de mening dat de veedichtheid van Nederland een gevaar kan vormen voor de overdracht van zoönosen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vormt dat voor haar reden tot het nemen van maatregelen, waaronder drastische verkleining van de veestapel en het creëren van meer afstand tussen veehouderijen onderling en tussen veehouderijen en burgerwoningen?

Vraag 1.8

Kan de regering aangeven waarom in het wetsvoorstel niet is geregeld dat veehouderijtakken waarin dieren op grote schaal besmet zouden kunnen raken met zoönosen, zoals onlangs de nertsensector, per direct van overheidswege verboden kunnen worden in voorkomende gevallen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is zij voornemens dergelijke preventieve maatregelen op andere wijze bij wet te regelen? Op welke termijn en op welke wijze?

Vraag 1.9

Is het juist dat aan het fokken van dieren die aantoonbaar bevattelijk zijn voor covid-19 en die het virus op mensen kunnen overdragen, een risico voor verspreiding van het virus is verbonden?

Vraag 1.10

Indien de overheid een risico van verspreiding van covid-19 wil verminderen door maatregelen te nemen die de overdracht van dieren op mensen beperken, welke bepalingen in hoofdstuk V van de Wpg (bijzondere bepalingen infectieziektebestrijding) bieden dan een grondslag om een fokkerij van dieren die besmettelijk zijn voor covid-19 en het virus op mensen kunnen overdragen, te sluiten?

Vraag 1.11

Deelt de regering de mening van de leden van de PvdD-fractie dat de op dit moment geldende noodverordeningen vereisen dat mensen die niet ziek zijn, hun gedrag en vrijheid beperken uitsluitend omdat zo het risico op verspreiding van covid-19 kan worden verminderd?

Vraag 1.12

Op welke grond worden in het kader van het verminderen van het risico op besmetting met covid-19 op dit moment geen maatregelen genomen tegen het beroepsmatig fokken van dieren die aantoonbaar bevattelijk zijn voor covid-19 en die het virus op mensen kunnen overdragen, terwijl wel van mensen die niet ziek zijn, vereist wordt dat zij in verband met dat risico zich beperkingen dienen op te leggen? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

Vraag 1.13

Wordt aan burgers en ondernemers die financieel schade lijden als gevolg van het naleven van de coronaregels, die geleden schade door de overheid vergoed?

Vraag 1.14

Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, waarom zouden exploitanten van nertsenfokkerijen dan wel aanspraak op schadevergoeding kunnen maken indien een maatregel zou worden uitgevaardigd die in verband met het verminderen van het risico van verspreiding van covid-19, sluiting van die fokkerijen zou vergen? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

Vraag 2

In artikel 58b, tweede lid, onder a, van het wetsvoorstel wordt vereist dat een maatregel die met toepassing van een in hoofdstuk VA vervatte bevoegdheid wordt vastgesteld, «noodzakelijk» moet zijn «gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid».

Vraag 2.1

Is een maatregel die niet voldoet aan artikel 58b, tweede lid, onder a om die reden onrechtmatig? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

Vraag 2.2

Is een maatregel die niet voldoet aan artikel 58b, tweede lid, onder b of c om die reden onrechtmatig? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

Vraag 2.3

In het advies van het OMT van 13 oktober 2020 is over horeca het volgende geadviseerd:

«Het OMT is van mening dat onderzocht zou moeten worden of eigenstandige restaurants (die niet een primaire bijkomende functie van drinkgelegenheid hebben) open kunnen blijven, mits de gezondheidscheck, registratie en placering en 1,5 m afstand goed geregeld zijn, en bedienend personeel gebruik maakt van faceshields of mondneuskapjes. Het aantal gasten per tafel is dan gelimiteerd tot 4, en het aantal placeringen per tafel per avond tot één. Bij voorkeur wordt de sluitingstijd vervroegd, bijv. om 22.00 uur. In alle gevallen dienen onbeperkte groepsvorming en onbeheersbare vervoersbewegingen voorkomen te worden.»60

Indien de Ministers die dit advies hebben gekregen, besluiten om restaurants voor een periode te sluiten, kunnen zij zich dan erop beroepen dat die sluiting «gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk is», zoals is vereist in artikel 58b, tweede lid, onder a?

Zo ja, op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie? Zo nee, hoe verhoudt haar conclusie zich dan tot de sluiting van restaurants die op dit moment bij noodverordening is opgelegd?

Vraag 3

Op dit moment zijn de juridische verplichtingen die in het kader van de epidemie zijn opgelegd, vervat in noodverordeningen die zijn vastgesteld door de voorzitters van de veiligheidsregio’s.

Vraag 3.1

Welke van de in de op dit moment geldende noodverordeningen vervatte geboden en verboden voldoen niet aan de voorwaarden die zijn vervat in artikel 58b, tweede lid, van het wetsvoorstel? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

Vraag 3.2

Binnen hoeveel tijd worden de geboden en verboden die zijn vervat in de op dit moment geldende noodverordeningen, na inwerkingtreding van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 omgezet in voorschriften die op grond van die wet kunnen worden vastgesteld? Geldt dat voor alle voorschriften? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

Vraag 3.3

De noodverordeningen voorzien in een bevoegdheid om ontheffing te verlenen van alle daarin vervatte voorschriften. Waarom is in het wetsvoorstel niet zo’n bevoegdheid vervat?

Vraag 4

Een onderzoek van UMC Amsterdam wijst uit: «Nederlandse kinderen voelen zich minder gezond en hebben vaker last van angst en somberheid door de coronamaatregelen. Dat blijkt uit onderzoek van het Emma Kinderziekenhuis Amsterdam UMC tijdens de eerste lockdown.

Circa 1.000 kinderen en jongeren tussen de 8 en 18 jaar deden in april 2020 mee aan het onderzoek. De voorlopige resultaten laten zien dat, vergeleken met 2018, deze kinderen aangeven dat ze zich minder gezond voelen en minder contact hebben met leeftijdgenoten. Ze hebben vijf procent meer slaapproblemen, zeven procent meer boosheid, een stijging van tien procent aan somberheid en maar liefst vijftien procent meer angstklachten. Het percentage kinderen met dusdanig ernstige angstklachten dat er op zijn minst hulp aangeboden zou moeten worden, verdubbelde van acht naar zestien procent.»61

Vraag 4.1

Acht de regering het voorkomen van de voor kinderen schadelijke psychische gevolgen van een lockdown een belang dat moet worden meegewogen bij het gebruik van bevoegdheden die worden toegekend in hoofdstuk VA van de Wpg? Op grond van welke redenering komt zij tot haar conclusie?

Vraag 4.2

Houdt de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 een wettelijke verplichting in om het in de vorige vraag bedoelde belang in de afweging te betrekken? Zo ja, uit welke bepaling vloeit die verplichting voort? Op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie?

Vraag 4.3

Worden de uit het onderzoek van het Emma Kinderziekenhuis Amsterdam UMC blijkende schadelijke gevolgen voor de psychische gezondheid van kinderen door de regering aangemerkt als een «bedreiging van de volksgezondheid» als bedoeld in artikel 58b, tweede lid, onder a, van het wetsvoorstel? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar antwoord?

Vraag 4.4

Acht de regering het voorkomen van leerachterstanden van kinderen een belang dat moet worden meegewogen bij het gebruik van bevoegdheden die worden toegekend in hoofdstuk VA van de Wpg?

Vraag 4.5

Houdt de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 een wettelijke verplichting in om het in de vorige vraag bedoelde belang in de afweging te betrekken? Zo ja, uit welke bepaling vloeit die verplichting voort? Op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie?

Vraag 4.6

Is er een wettelijke verplichting deskundigenadvies in te winnen omtrent de vraag of een bepaalde uitoefening van een in hoofdstuk VA van de Wpg toegekende bevoegdheid «noodzakelijk is» gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid? Op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie?

Vraag 4.7

Vloeit uit artikel 58b van het wetsvoorstel voort dat tot een vrijheidsbeperkende maatregel alleen mag worden overgegaan als naar algemeen aanvaarde wetenschappelijke normen voldoende vaststaat dat de maatregel die ter bestrijding van de epidemie wordt overwogen, effectief zal zijn? Op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie?

Vraag 5

Artikel 58b van het wetsvoorstel geeft een kader voor bevoegdheidsuitoefening.

Vraag 5.1

Welke van de volgende algemene belangen zijn naar het oordeel van de regering belangen die kunnen leiden tot een afzien van uitoefening van in hoofdstuk VA van de Wpg toegekende bevoegdheden indien dat belang zwaarder weegt dan het belang bij bestrijding van de epidemie:

  • a. het voorkomen van werkloosheid;

  • b. het voorkomen van eenzaamheid;

  • c. het voorkomen van armoede;

  • d. het voorkomen van een grotere kansenongelijkheid;

  • e. het voorkomen van schade aan het leefklimaat;

  • f. het voorkomen van economische neergang?

Vraag 5.2

Houdt de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 een wettelijke verplichting in om één of meer van de in de vorige vraag bedoelde belangen in de afweging te betrekken? Zo ja, uit welke bepaling vloeit die verplichting voort en met betrekking tot welke van die belangen? Op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie?

Vraag 6

Op 16 juni 2020 hebben de Federatie Medisch Specialisten en de KNMG een draaiboek Triage vastgesteld op basis van niet-medische overwegingen voor opname op de intensive care (IC) ten tijde van fase 3 in de covid-19 pandemie.

In dat draaiboek wordt aangegeven:

«Fase 3 wordt verdeeld in 3 stappen die niet strikt zijn afgegrensd; er is sprake van een fluïde grens, afhankelijk van de capaciteit van en vraag naar IC-zorg:

  • Fase 3 stap A, waarin een crisis is afgekondigd en nagenoeg alle IC-bedden bezet zijn. Triage vindt plaats conform de medisch inhoudelijke criteria zoals beschreven in het vigerende Draaiboek Pandemie

  • Fase 3 stap B, waarin triage zoals in fase 3 stat S onvoldoende is om IC-capaciteit in balans te houden met de vraag naar IC-bedden. Er zal worden overgegaan op striktere triage, volgens criteria die nog in het medisch domein liggen (zie uitgangspunten fase 3 stap B Draaiboek Pandemie)

  • Fase 3 stap C, waarin ook na de aangescherpte triage zoals in fase 3 stap B genoemd, een tekort aan IC-bedden bestaat. Op basis van medische overwegingen is er geen onderscheid meer te maken tussen verschillende mensen die een IC-bed nodig hebben. Er zal worden overgegaan op triage volgens overwegingen die buiten het medisch domein liggen.»62

Vraag 6.1

Is het juist dat de regels die blijkens het draaiboek moeten worden gehanteerd voor fase 3, stap C geen van overheidswege uitgevaardigde regels betreffen?

Vraag 6.2

Voorziet het wetsvoorstel in bevoegdheden die kunnen worden aangewend teneinde van overheidswege de regels vast te stellen die moeten worden gevolgd in fase 3, stap C? Zo ja, welke bevoegdheden zijn dat en in welke bepalingen zijn die vervat? Zo nee, waarom ontbreken die bevoegdheden? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

Vraag 6.3

Oordeelt de regering het in overeenstemming met «de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat» dat er door medici (dus door de niet-overheid) een regeling is vastgesteld die bepaalt wie met voorrang boven anderen toegang krijgt tot de IC, wat bepalend is voor de kans op overleven, terwijl vaststaat dat de in de regeling vervatte criteria buiten het medisch domein liggen? Is de toepassing van de bedoelde regeling te verenigen met het uitgangspunt dat over de vaststelling van niet-wetenschappelijke voorschriften die ingrijpen in grondrechten van burgers, democratische verantwoording moet worden afgelegd? Zo ja, op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie? Zo nee, dient dat dan niet tot de conclusie te leiden dat het wetsvoorstel op dat punt nog dient te worden aangevuld?

Vraag 6.4

Indien in fase 3, stap C patiënten toegang tot het ziekenhuis of de IC wordt ontzegd op grond van niet-medische overwegingen en met toepassing van een regeling die niet door de overheid is vastgesteld of goedgekeurd, wie handhaaft dan die regeling en op welke wijze, indien burgers in het ziekenhuis zich verzetten tegen de toepassing van die regeling? Op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie?

Vraag 7

Veel burgers die verontrust zijn over de coronamaatregelen en zich om die reden wenden tot leden van de Eerste Kamer, wijzen op een recent onderzoek dat in het WHO-bulletin is gepubliceerd en dat betrekking heeft op de infection fatality rate of COVID-19.63 Welke conclusies verbindt de regering aan dat onderzoek?

Vraag 8

Een aantal deskundigen vraagt aandacht voor «gerichte bescherming», waarbij de maatregelen gericht zouden moeten zijn op het beschermen van kwetsbaren, terwijl mensen die niet tot de kwetsbare groepen behoren, hun gewone leven weer zouden moeten kunnen oppakken, zodat groepsimmuniteit wordt opgebouwd en de door een lockdown veroorzaakte schadelijke effecten op de volksgezondheid (uitblijven van zorg voor hart- en vaatziekten en kanker, en toename van psychische problemen) worden voorkomen. Waarom is in het wetsvoorstel niet voorzien in een paragraaf die een specifieke regeling inhoudt die gebruikt kan worden als voor zo’n «gerichte bescherming» wordt gekozen?

Vragen en opmerkingen van de SGP-fractie

Doel van het wetsvoorstel

De leden van de SGP-fractie constateren dat het doel van het wetsvoorstel is om noodzakelijke en proportionele maatregelen te treffen voor de bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan (artikel 58b). Zij vragen de regering op wat voor wijze het belang van de bestrijding van het coronavirus wordt afgewogen tegen andere belangen, rechten of vrijheden. De leden van de SGP-fractie menen dat deze vraag urgenter en relevanter wordt naarmate de coronacrisis langer duurt. Kan de regering zo concreet mogelijk aangeven wanneer er volgens haar niet langer sprake is van een directe dreiging van het coronavirus? Kan het ook zijn dat de regering verlenging van de wet in verband met een zekere dreiging van het virus afweegt tegen andere belangen of vrijheden of het algehele welzijn van de bevolking? Deelt de regering de opvatting van de leden van de SGP-fractie dat deze belangenafweging uiteindelijk aan de regering en het parlement is en niet aan adviseurs van het kabinet, zoals het Outbreak Management Team (OMT)?

Tijdelijkheid van de wet

De leden van de SGP-fractie vinden het van groot belang dat de tijdelijke wet zo kort mogelijk van kracht is. De maatregelen grijpen immers diep in op onze economie en maatschappij. De leden van deze fractie constateren dat de regering vaak verwijst naar vaccinatie als belangrijkste «troef» in de strijd tegen het coronavirus. Welk perspectief kan de regering bieden wat betreft de duur en de impact van de coronamaatregelen in de periode voorafgaand en ná introductie van een vaccin? Klopt het dat ook wanneer er een vaccin tegen corona gevonden wordt, er waarschijnlijk nog maandenlang, zo niet langer, maatregelen nodig zullen zijn? Op welke wijze zou de regering het voortduren van de maatregelen in zo’n situatie willen rechtvaardigen? Begrijpt de regering de zorg van een groep mensen dat de maatregelen oneindig zullen worden verlengd, omdat de dreiging van het coronavirus wellicht nooit helemaal verdwenen zal zijn? Hoe lang verwacht de regering gebruik te moeten maken van de nu voorgestelde wet? Zou de regering het wenselijk vinden als er bijvoorbeeld 1, 2 of 5 jaar gebruik zou moeten worden gemaakt van deze wet?

Veilige afstand (artikel 58f)

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de veilige-afstandsnorm «een wezenlijk bestanddeel» noemt van de regels ter bestrijding van het coronavirus. Dit geldt natuurlijk ook voor handen wassen, ventilatie, thuis blijven bij klachten en andere hygiënevoorschriften. Waarom heeft de regering ervoor gekozen om juist de veilige-afstandsnorm wel wettelijk te verankeren, maar vele andere maatregelen niet? Heeft de regering bijvoorbeeld kennisgenomen van de regelgeving van Duitse deelstaten, waar ventilatie een veel prominentere plek heeft in de juridisch vastgelegde maatregelen? De leden van de SGP-fractie hebben geen reden om eraan te twijfelen dat de anderhalve-metermaatregel het risico beperkt van overdracht van het virus via druppels die vrijkomen bij hoesten en niezen. Toch vragen zij de regering om deze maatregel, gelet op de impact op de economie en samenleving, van nadere wetenschappelijke onderbouwing te voorzien.

Lokaal en regionaal maatwerk

De leden van de SGP-fractie hechten waarde aan de gedachte van lokaal en regionaal maatwerk, die stevig in de nu voorliggende wet verankerd is. Tegelijkertijd wijzen zij erop dat dit maatwerk de laatste maanden niet van de grond is gekomen door het tekort aan testcapaciteit, onduidelijkheid over de «gereedschapskist» met te nemen maatregelen en onwil bij lokale en regionale bestuurders om lastige besluiten te nemen, zoals het opleggen van beperkingen aan de horeca. Hoe kijkt de regering hierop terug? Welke randvoorwaarden moeten wat de regering betreft écht op orde zijn, wil de maatwerkgedachte in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 kans van slagen hebben?

Toezicht en handhaving

De leden van de SGP-fractie vinden het van groot belang dat bij het vaststellen van de coronamaatregelen zoveel mogelijk een beroep wordt gedaan op het gezond verstand en de eigen verantwoordelijkheid van burgers. Deelt de regering deze opvatting (nog steeds)? In algemene zin vragen de leden van de SGP-fractie of, en zo ja, hoe de regering in de komende periode gebruik wil blijven maken van de mogelijkheden van dringende adviezen in plaats van juridisch afdwingbare verplichtingen.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering sinds de aankondiging van de «gedeeltelijke lockdown» op 13 oktober jl. weer is overgegaan tot een «aangescherpt» handhavingsbeleid. Zij vragen hoe zich dit verhoudt tot de door de Tweede Kamer unaniem aangenomen motie-Van der Staaij/Klaver64 waarin de regering wordt opgeroepen een terughoudend boetebeleid te hanteren met betrekking tot de anderhalve-metermaatregel. Kan de regering aangeven op welk moment wordt teruggekeerd tot een terughoudend boetebeleid? Voorziet de regering een moment waarop de anderhalve-metermaatregel niet langer als een juridische verplichting wordt vormgegeven, maar eerder als een maatschappelijke norm?

Artikelsgewijs

Klopt het dat de regering artikel 58j, het eerste lid, onderdeel a, Wpg wil gebruiken als grondslag voor invoering van de landelijke mondkapjesplicht in publieke binnenruimtes? Zou het niet beter zijn om hiervoor een meer expliciete grondslag in de Tijdelijke wet covid-19 maatregelen op te nemen? Hoe onderbouwt de regering dat zo’n plicht noodzakelijk en evenredig is, gezien de voortdurende wetenschappelijke discussie over het nut van niet-medische mondneusmaskers voor het tegengaan van de verspreiding van het virus?

De leden van de SGP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het de wens is van de regering «om de uitoefening van grondrechten – ook in het geval van opleving van het virus – zoveel mogelijk doorgang te kunnen laten vinden en de noodzaak tot overheidsingrijpen tot het allernoodzakelijkste te beperken»65. De leden van deze fractie zijn verheugd dat de regering daarom voornemens is om samenkomsten van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard uit te zonderen van de bevels- en aanwijzingsbevoegdheden van artikel 58l, tweede tot en met het vierde lid. De leden van de SGP-fractie constateren echter dat hierover in de afgelopen periode veel commotie is ontstaan in de publieke opinie. Zij herinneren de regering eraan dat er druk is uitgeoefend (ook van de kant van de regering) op kerken om opnieuw vergaande maatregelen te treffen met betrekking tot het maximumaantal kerkgangers. De leden van de SGP-fractie vragen wat de bescherming van grondrechten zoals in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 wordt verwoord waard is, als er onder grote druk dringende en vergaande adviezen worden gegeven om opnieuw maximumaantallen te hanteren. Is de regering bereid om te blijven zoeken naar maatwerk voor samenkomsten van grote(re) kerkelijke gemeenschappen?

De leden van de SGP-fractie constateren dat in artikel 58n een uitzondering wordt gemaakt voor woningen. Waarom is er niet voor gekozen om samenkomsten van godsdienstige en levensbeschouwelijke aard (in de zin van artikel 6, tweede lid van de Grondwet) eveneens uit te zonderen van dit artikel? Kan de regering ten aanzien van dergelijke samenkomsten preciezer toelichten onder welke omstandigheden en op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van de bevoegdheden die artikel 58n creëert? Kan de regering concrete voorbeelden geven van situaties waarin deze bevoegdheid moet worden gebruikt? Deelt de regering de opvatting van deze leden dat met deze bevoegdheden zeer terughoudend moet worden omgegaan?

Tot slot

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid, voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning zien de antwoorden van de regering met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk vrijdag 23 oktober 2020 17.00 uur. Onder voorbehoud dat de nota naar aanleiding van het verslag de Kamer tijdig bereikt, is het plenaire debat voorzien voor maandag 26 oktober 2020 en zal de stemming over het wetsvoorstel op 27 oktober 2020 plaatsvinden.

De leden van voornoemde commissies verzoeken de regering tevens vriendelijk om alle vragen te beantwoorden en tevens ervoor te zorgen dat de beantwoording eigenstandig te lezen is, zodat zij zo min mogelijk documenten hoeven op te zoeken om een antwoord van de regering in zijn totaliteit te kunnen lezen. In dat kader vragen zij haar ook te vermijden dat in de beantwoording wordt verwezen naar hetgeen reeds aan andere fracties is geantwoord bij gelijkaardige vragen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Boer

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Adriaansens

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, Dittrich

De griffier voor dit verslag, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling Justitie en Veligheid:

Backer (D66), De Boer (GL) (voorzitter), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Nooren (PvdA), Rombouts (CDA), Bikker (CU), Baay-Timmerman (50PLUS), Adriaansens (VVD), arbouw (VVD), Bezaan (PVV), De Blécourt-Wouterse (VVD), Cliteur (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (D66), Gerbrandy (OSF), Janssen (SP), Karimi (GL), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Otten (Fractie-Otten) (ondervoorzitter), Van Pareren (FVD), Recourt (PvdA), Rietkerk (CDA), Veldhoen (GL), Van Wely (FVD).

X Noot
2

SamenstellingVolksgezondheid, Welzijn en Sport:

Ganzevoort (GL), Gerkens (SP), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Nooren (PvdA), Oomen-Ruijten (CDA), Rombouts (CDA), Bredenoord (D66), Koole (PvdA), De Bruijn-Wezeman (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV), Wever (VVD), Adriaansens (VVD) (voorzitter), Van der Burg (VVD), Gerbrandy (OSF), Van Gurp (GL), Nicolaï (PvdD), Van Pareren (FVD) (ondervoorzitter), Prins-Modderaar (CDA), Vendrik (GL), Verkerk (CU), De Vries (Fractie-Otten), Pouw-Verweij (FVD), Hermans (FVD) Van der Voort (D66).

X Noot
3

Samenstelling Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning:

Kox (SP), Koffeman (PvdD), Ganzevoort (GL), De Boer (GL), Van Hattem (PVV), Pijlman (D66), Rombouts (CDA), Schalk (SGP), Koole (PvdA). Klip-Martin (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), Wever (VVD), Bezaan (VVD), Van der Burg (VVD), Crone (PvdA), Dessing (FVD), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Frentrop (FVD), Gerbrandy (OSF), Van der Linden (FvD), Meijer (VVD), Nanninga (FVD), Nicolaï (PvdD) (ondervoorzitter), Rietkerk (CDA), Rosenmöller (GL), Verkerk (CU), De Vries (Fractie-Otten).

X Noot
5

Kamerstukken II 2019/20, 25 295, nr. 234.

X Noot
6

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 40.

X Noot
7

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr.4.

X Noot
8

Nader gewijzigd amendement-Buitenweg c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 48).

X Noot
9

Nader gewijzigd amendement-Brenk c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 38).

X Noot
10

Nader gewijzigd amendement-Veldman c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 33).

X Noot
11

Brief van 13 oktober 2020 (Kamerstukken I 2020/21, 35 526, D).

X Noot
12

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 39.

X Noot
13

Artikel 58f, tweede lid, Wpg.

X Noot
14

Artikel 58f, vierde lid, Wpg.

X Noot
15

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 3.

X Noot
16

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 4, p. 4, 8.

X Noot
17

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 2.

X Noot
18

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 9.

X Noot
19

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 4, p. 6.

X Noot
20

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 19.

X Noot
21

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 23.

X Noot
22

VPRO-televisie, Zondag met Lubach, 18 oktober 2020.

X Noot
23

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 3, p. 54, 59.

X Noot
24

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 23.

X Noot
25

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 3, p. 66.

X Noot
26

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 48.

X Noot
27

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 49.

X Noot
28

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 38.

X Noot
29

Stenogram Tijdelijke wet maatregelen covid-19, p. 35 (nog niet gepubliceerd).

X Noot
30

Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

X Noot
31

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 2.

X Noot
32

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 2.

X Noot
35

Frank Posen, «Stoffen mondmaskers beschermen niet tegen coronavirus, maar waarom worden ze dan niet afgeraden?» Het Nieuwsblad, 19 oktober 2020.

X Noot
36

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 3.

X Noot
37

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 4.

X Noot
38

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 5.

X Noot
40

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 81.

X Noot
41

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 15.

X Noot
42

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 14.

X Noot
43

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 15.

X Noot
44

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 6.

X Noot
45

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 7.

X Noot
46

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 29

X Noot
47

Kamerstukken 35 401.

X Noot
48

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 29, 30.

X Noot
49

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 30, 31.

X Noot
50

Arno Heesakkers, «Bossche arts-microbioloog: «Vergeet het maar, we komen nooit van virussen af»», BD, 19 oktober 2020.

X Noot
51

«Berlijnse rechter schrapt verplichte sluitingstijd restaurants», De Telegraaf, 16 oktober 2020.

X Noot
52

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 13.

X Noot
53

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 15.

X Noot
54

Outbreak Management Team.

X Noot
55

Infection fatality ratio.

X Noot
56

The Lancet, Published Online October 14, 2020, https://doi.org/10.1016/S0140-6736(20)32153-X.

X Noot
59

Meticilline-resistente Staphylococcus aureus.

X Noot
62

Bijlage bij: Kamerstukken I 2019/20, 25 295, nr. 423; Onderstreping in het citaat is toegevoegd.

X Noot
63

John P. A. Ioannidis, «Infection fatality rate of COVID-19 inferred from seroprevalence data», Bulletin of the World Health Organization, 14 oktober 2020. https://www.who.int/bulletin/online_first/BLT.20.265892.pdf.

X Noot
64

Kamerstukken II 2019/20, 25 295, nr. 522.

X Noot
65

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 89.