Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202035213 nr. G

35 213 Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong

G NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 7 april 2020

Hierbij bied ik u de nota naar aanleiding van het verslag inzake het bovenvermelde voorstel aan. Ik realiseer mij dat u heeft gevraagd om de antwoorden op 20 maart jl. te ontvangen in verband met een ordentelijke voorbereiding van de beoogde behandeling op 7 april aanstaande. In verband met de uitbraak van het coronavirus en de maatregelen die naar aanleiding hiervan worden getroffen, is het niet gelukt om de antwoorden eerder aan uw Kamer te doen toekomen. Ik vraag hiervoor om uw begrip.

Gelet op de bijzondere omstandigheden wacht ik informatie van uw Kamer over de beoogde datum van behandeling van bovenvermeld voorstel af. Als de behandeling van het wetsvoorstel (inclusief stemmingen) in de Eerste Kamer voor 1 juni 2020 wordt afgerond, kunnen de genoemde maatregelen ingevoerd worden per 1 januari 2021. Daarom heb ik het wetsvoorstel aangemeld als spoedwetgeving. Daarbij moet worden aangemerkt dat de beoogde datum van inwerkingtreding onder voorbehoud is van de gevolgen van de ontwikkelingen rond het coronavirus voor het implementatietraject.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

Inleiding

De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen van de leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de aanvullende vragen van de fractie van de PvdA. De regering dankt de leden van de fracties voor hun inbreng. Hierna gaat de regering in op de vragen. Hiervoor is de volgorde van het verslag aangehouden. De vragen zijn genummerd.

Beantwoording vragen

Vraag 1

Op 27 februari 2020 is het langverwachte breed advies, getiteld «De positie van mensen met een arbeidsbeperking van jongs af aan in het licht van het VN-verdrag handicap» uitgebracht door het College voor de Rechten van de Mens (verder: het College).1 Het rapport is op 2 maart 2020 aangeboden aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid vragen de regering om een oordeel over dit breed advies in het licht van de voorgenomen harmonisering van de verschillende Wajong-regimes en de beoogde verdere activering van jonggehandicapten. Deelt de regering de insteek van het College? Op welke punten versterkt het breed advies de voorgenomen harmonisering en activering en op welke punten is dat niet het geval? Kan de regering daarbij ook gebruik maken van de praktische wetgevingschecklist die in het advies is opgenomen? Ziet de regering licht tussen het advies van de Raad van State en dit advies van het College, of sluiten beide analyses naadloos op elkaar aan? Bevat het advies van het College concrete beleidssuggesties die de regering wil overnemen?

Antwoord 1

Het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) adviseert de regering om bij de totstandkoming van wetgeving die mensen met een arbeidsbeperking van jongs af aan raakt, uit eigen beweging een zichtbare beoordeling van ontwerpwetgeving aan het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (hierna: VN-verdrag handicap) te verrichten op een wijze die in de ogen van het College recht doet aan wat in het advies een nieuwe mindset wordt genoemd. Het College heeft hiertoe, in aanvulling op bestaande handreikingen voor de totstandkoming van wetgeving, een checklist opgesteld. Dat het VN-verdrag handicap een oproep doet tot een andere mindset herkent de regering. Niet voor niets heeft de regering met het programma «Onbeperkt meedoen!»2 benadrukt dat, als we een merkbare verbetering willen realiseren voor mensen met een beperking, dat vraagt om een andere manier van denken en doen bij overheden, bedrijven en organisaties.

Voor wat betreft het advies van het College om nieuwe wetgeving die de doelgroep raakt voortaan uit eigen beweging zichtbaar te toetsen aan het VN-verdrag handicap het volgende. Voordat ik in ga op het advies van het College vind ik het van belang om in te gaan op het karakter van de bepalingen uit het VN-verdrag handicap. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Rijkswet houdende goedkeuring van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is dit onderwerp ook uitgebreid aan de orde geweest3. Hierbij is erop gewezen dat het verdrag programmatisch van aard is en dat de meeste bepalingen een opdracht aan de staat inhouden om maatregelen te nemen met als doel de rechten van personen met een handicap te verzekeren. Deze bepalingen expliciteren echter niet precies welke maatregelen de staat dient te nemen en op welke wijze.

Dat betekent ook dat niet voor elke maatregel een exact equivalent in het verdrag te vinden is. Waar het bij de toetsing om gaat is of de in het verdrag beschreven resultaten met de maatregelen kunnen worden bereikt.

In het debat met de Tweede Kamer van 19 december 2019 over de implementatie van het VN-verdrag handicap heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Tweede Kamer toegezegd om met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in gesprek te gaan over de toetsing van nieuwe wetgeving aan het VN-verdrag handicap. Hij heeft daarbij benadrukt niet te willen vooruitlopen op de uitkomst, omdat expliciete toetsing aan dit verdrag een precedent schept voor allerlei andere internationale verdragen. Daarbij zal bekeken moet worden wat de huidige toetsing door de Raad van State en de mensenrechtentoets van het Ministerie van BZK in de praktijk inhouden en of het nodig en haalbaar is daar een aanvullende toets aan toe te voegen. De Minister van VWS zal bij de gesprekken daarover de door het College geadviseerde checklist meenemen. De Tweede Kamer wordt in het voorjaar geïnformeerd over de uitkomsten van de gesprekken.

Uw Kamer vraagt naar de verhouding tussen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het wetsvoorstel en het advies van het College over de toepassing van het VN-verdrag handicap. In reactie hierop wil de regering aangeven dat het advies van de Raad van State en het advies van het College niet vergelijkbaar zijn. Alle voorgenomen regelgeving legt de regering voor advies voor aan de Raad van State. De Raad van State let voor zijn advies op de beleidsmatige, de juridische en de wetstechnische kwaliteit van een voorstel. Conformiteit met de Grondwet en internationaal recht en daarmee internationale verdragen is hier een onderdeel van. De regering vindt het van belang om hierbij op te merken dat de Raad van State op dit punt geen opmerkingen heeft gemaakt.

Het College is toezichthouder op de uitvoering van het VN-verdrag handicap. De missie van het College als toezichthouder is om in onafhankelijkheid de uitvoering van het verdrag te bevorderen, te beschermen en te monitoren. Het advies van het College dat uit eigen beweging is opgesteld, is daar een voorbeeld van. Het advies is, zoals ook door het College zelf in het advies is benadrukt, geen oordeel over bestaande of toekomstige wet- en regelgeving. Het advies van het College geeft daarom ook geen specifieke beleidssuggesties ten aanzien van het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong.

Vanwege het belang dat ik hecht aan het advies, wil ik hierna achtereenvolgens ingaan op twee algemene conclusies van het College in relatie tot voorliggend wetsvoorstel. Het College constateert ten eerste dat veel opeenvolgende (voorgenomen) maatregelen die (mede) mensen met een arbeidsbeperking treffen in de zin dat ze (deels of soms mogelijk) nadelig voor hen zijn, terwijl veel van de maatregelen die hen meer regie en maatwerk zouden moeten kunnen bieden in de (uitvoerings)praktijk niet goed blijken te werken. In het advies wordt niet duidelijk welke (voorgenomen) maatregelen (deels of soms mogelijk) nadelig kunnen zijn. De regering deelt dan ook niet de conclusie die de FNV trekt op basis van het advies. De FNV constateert namelijk op basis van het advies dat de wetgeving die nu wordt voorbereid, zich in negatieve zin verhoudt tot het VN-verdrag. Net als het College hecht de regering belang aan maatwerk. De inzet van persoonlijke dienstverlening of instrumenten voor Wajongers is maatwerk. Bij contactmomenten wordt bijvoorbeeld op basis van de individuele situatie samen met een Wajonger bepaald welke dienstverlening passend is en het meeste zicht op resultaat biedt. Het gaat dan bijvoorbeeld om coachingsgesprekken, workshops, gerichte inkoop van re-integratietrajecten of de inzet van voorzieningen.

Het College constateert ten tweede dat de hoeveelheid en daarmee complexiteit van (bestaande en voorgenomen) maatregelen waar mensen met een arbeidsbeperking mee te maken hebben groot is. De regering erkent dat de hoeveelheid en daarmee complexiteit van (bestaande en voorgenomen) maatregelen voor de doelgroep groot kan zijn. Toegankelijke en duidelijke informatievoorziening is van groot belang, zowel voor mensen met een arbeidsbeperking als voor (kleine en middelgrote) werkgevers. Toegankelijke en duidelijke informatie is daarom een belangrijk onderdeel van de implementatie van voorliggend wetsvoorstel. SZW is samen met UWV gestart met een communicatietraject over de wijzigingen gericht op de Wajong-doelgroep. Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de motie Nijkerken-de Haan4 die is aangenomen bij de behandeling van voorliggend wetsvoorstel in de Tweede Kamer. UWV heeft een integrale communicatiestrategie ontwikkeld waarin beschreven staat op welke wijze klanten worden geïnformeerd over de wetswijziging. Bij de ontwikkeling van deze strategie hebben SZW en UWV in een vroegtijdig stadium ook mensen uit de doelgroep betrokken. Vanwege het belang van zorgvuldige communicatie wordt de nieuwe communicatie-producten bij de doelgroep getoetst door deze voor te leggen aan het klantpanel en aan de cliëntenraad van UWV.

Vraag 2

De leden van de PvdA-fractie constateren dat uit de ronde tafelgesprekken die het College heeft georganiseerd naar voren komt dat deelnemers het toekomstperspectief als klemmend ervaren. Dit perspectief bestrijkt een leven lang inkomen van nabij het sociaal minimum tot (mogelijk) een maximum rond het minimumloon. Dit is een vraagstuk dat speelt rond het voorstel tot harmonisatie van de Wajongregelingen. Deelnemers ervaren onzekerheid over het inkomen, aangezien berekeningen complex zijn en – waar het de voorgenomen harmonisatie van de Wajong betreft – deze naar verluidt pas echt kunnen worden gemaakt wanneer het wetsvoorstel aangenomen en in werking getreden is. Ook ervaren deelnemers afhankelijkheid van naasten. Graag vragen deze leden de regering een appreciatie van het voorliggende wetsvoorstel te geven tegen het licht van deze door de deelnemers geuite zorgen. Deelt de regering de zorg over een leven lang inkomen van nabij het sociaal minimum tot (mogelijk) een maximum rond het minimumloon? Kan de regering berekeningen maken voorafgaand aan de aanname en inwerkingtreding van het wetsvoorstel?

Antwoord 2

Inkomen is belangrijk voor iedereen, al helemaal als je afhankelijk bent van ondersteuning. Ik begrijp dan ook dat mensen zich hierover zorgen maken en heb begrip voor de onrust over de specifieke gevolgen van het wetsvoorstel voor individuen. De Wajong was, is en blijft een voorziening voor jonggehandicapten met een uitkering op het niveau van het sociaal minimum voor een alleenstaande, zonder een vermogens- en partnerinkomenstoets. De uitkering in de Wajong gaat daarmee net als de Participatiewet en andere uitkeringen in ons stelsel uit van het sociaal minimum als het minimale bedrag dat iemand nodig heeft om in de kosten voor levensonderhoud te kunnen voorzien.

De uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen bedraagt 70 procent van het wettelijk minimumloon (het sociaal minimum). De uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen is daarmee vanaf begin 2018 meer gelijk aan die van jonggehandicapten in de Participatiewet, vanuit de gedachte dat beide groepen jonggehandicapten zijn met arbeidsmogelijkheden. Voor Wajongers die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben is de uitkering 75 procent van het wettelijk minimumloon. Als de totale (gezins)inkomsten onder het sociaal minimum uitkomen, kan er afhankelijk van de leefsituatie sprake zijn van een compensatie via de Toeslagenwet. Daarnaast heeft een Wajonger recht op een fiscale jonggehandicaptenkorting en kan een Wajonger in aanmerking komen voor de Tegemoetkoming arbeidsongeschikten. Voor de hogere kosten als gevolg van arbeidsbeperkingen geldt dat in een aantal gevallen specifieke vergoedingen beschikbaar zijn. Dit geldt zowel voor voorzieningen via het UWV als ondersteuning via de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Het voorliggend wetsvoorstel regelt dat alle Wajongers, anders dan nu het geval is, die (meer) gaan werken er ten opzichte van dit sociaal minimum op vooruit gaan. Wanneer zij gaan werken ontvangen zij een totaalinkomen (inkomen uit loon + uitkering) dat hoger of gelijk is aan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren. Het wettelijk minimumloon is hierbij niet het maximum. Wel is het zo dat de realiteit is dat de meeste Wajongers geen fulltimebaan aankunnen en of een functie hebben die op het niveau ligt van het wettelijk minimumloon. Voor hen zal, net als nu, een maandinkomen boven het wettelijk minimumloon niet haalbaar zijn.

Om te voorkomen dat Wajongers er als gevolg van voorliggend wetsvoorstel in inkomen op achteruitgaan stelt UWV een garantiebedrag vast. Om de onzekerheid voor Wajongers over de hoogte van hun uitkering te beperken, wordt het garantiebedrag vastgesteld op basis van een gemiddeld inkomen over een periode voorafgaand aan inwerkingtreding. Inkomensgegevens van Wajongers in loondienst op het moment van inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel zijn namelijk pas na een of twee maanden definitief.

Gevraagd naar de mogelijkheid om berekeningen te maken voorafgaand aan de inwerkingtreding, het volgende. De regering heeft samen met UWV gezocht naar een werkwijze om het inkomen op het moment van inwerkingtreding te benaderen en het garantiebedrag daarop te baseren. Deze periode zal worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur waarbij de periode voor verschillende gevallen verschillend kan worden vastgesteld. De gekozen werkwijze kan ertoe leiden dat de benadering van het inkomen op het moment van inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging Wajong afwijkt van het daadwerkelijke inkomen op het moment van inwerkingtreding. De regering acht deze werkwijze gerechtvaardigd omdat deze werkwijze Wajongers rond inwerkingtreding van de wet zekerheid biedt over de inkomensondersteuning die zij van UWV zullen ontvangen na inwerkingtreding van de wet. Wajongers in loondienst (met uitzondering van diegenen die in december zijn begonnen met werken) voor wie het garantiebedrag geautomatiseerd kan worden vastgesteld, ontvangen in de eerste maand na inwerkingtreding een beslissing over de vaststelling van het garantiebedrag. Uitgaande van inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel op 1 januari 2021 is dit voordat de Wajonger medio januari de betaalspecificatie voor de maand januari krijgt. In de beslissing wordt tevens inzichtelijk gemaakt hoe het garantiebedrag door UWV berekend is.

Als onderdeel van de implementatie ontwikkelt UWV een nieuwe rekentool voor het berekenen van de hoogte van de uitkering op basis van de nieuwe inkomensregeling. Op basis van deze rekentool én de ontvangen beslissing over het garantiebedrag wordt het voor de Wajonger inzichtelijk welke inkomensondersteuning hij na inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel zal ontvangen. Hierbij moet worden aangemerkt dat Wajongers op individueel niveau pas geïnformeerd kunnen worden over de gevolgen van het wetsvoorstel voor hun persoonlijke situatie in de aanloop naar inwerkingtreding van het wetsvoorstel. De gevolgen voor de persoonlijke situatie zijn immers afhankelijk van de persoonlijke situatie op het moment van inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

Vraag 3

De toelichting op het voorstel tot harmonisatie van de verschillende regimes Wajong gaat kort in op het VN-verdrag handicap in reactie op de stelling van de Landelijke Cliëntenraad dat de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning in strijd is met het verdrag, zo schrijft het College op pagina 25 van het breed advies. Door middel van een garantiebedrag gaan mensen er in ieder geval niet direct op achteruit. Kan de regering bevestigen dat mensen er later wel op achteruit kunnen gaan? Zo ja, voor welke situaties is dit het geval?

Antwoord 3

Het garantiebedrag zorgt ervoor dat Wajongers, door de harmonisatie van de regels voor inkomensondersteuning, er bij inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel en bij verder gelijkblijvende omstandigheden niet in inkomen op achteruit gaan. Wajongers ontvangen minimaal een uitkering ter hoogte van het garantiebedrag als de nieuwe regels voor inkomensondersteuning anders voor hen leiden tot een lagere aanvullende uitkering dan de hoogte van het garantiebedrag.

Indien de uitkering op basis van de nieuwe regels voor inkomensondersteuning hoger is dan het garantiebedrag, dan komt de uitkering op basis van de nieuwe regels tot uitbetaling.

Inkomensachteruitgang kan wel plaatsvinden indien een Wajonger minder gaat werken of zijn baan verliest. Het totaalinkomen neemt in dat geval af. Deze inkomensachteruitgang is echter niet het gevolg van voorliggend wetsvoorstel. In zowel de huidige regelingen voor inkomensondersteuning als de nieuwe regeling voor inkomensondersteuning valt een Wajonger bij baanverlies, na een periode waarbij een eventuele WW-uitkering wordt verrekend als inkomen, terug op de basisuitkering van 70 procent van het wettelijk minimumloon als hij of zij arbeidsvermogen heeft.

Voor alle mensen die in aanmerking komen voor een garantiebedrag geldt dat bij baanverlies, na een periode waarbij een eventuele WW-uitkering wordt verrekend als inkomen en het vervolgens niet lukt om binnen twaalf maanden opnieuw aan de slag te gaan, de nieuwe regels voor inkomensondersteuning gaan gelden. In hoeverre het totaalinkomen bij aanvaarden van nieuw werk hoger of lager is dan het totaalinkomen dat zij hadden voor baanverlies (loon + garantiebedrag) is sterk afhankelijk van de loonwaarde, arbeidsduur en functieloon in de nieuwe dienstbetrekking.

Vraag 4

Het College schrijft in het advies op pagina 25 verder het volgende: «Bij de behandeling van het voorstel komt het VN-verdrag handicap in de Tweede Kamer aan de orde wanneer de roep klinkt dat er (nog) aan moet worden getoetst. In het plenaire debat in de Tweede Kamer over dit voorstel, in het debat over de uitvoering van het VN-verdrag handicap in Nederland op 19 december 2019, alsmede bij de schriftelijke behandeling van genoemd voorstel in de Eerste Kamer is van regeringszijde naar voren gebracht dat aan het VN-verdrag handicap in de beleidsvoorbereidende fase aandacht is besteed door de Ministeries van SZW en VWS. Relevante elementen worden genoemd, zoals het doel van de maatregelen (gerichtheid op een inclusieve arbeidsmarkt en versterking van kansen van mensen met een beperking), een overgangsregime om bestaande rechten te respecteren en het volgen van consultatieprocedures. Daarmee wordt evenwel nog geen volledig inzicht geboden in de wijze waarop inhoudelijk-systematisch tot de gekozen argumentatie is gekomen. Het College meent dat dit wel gewenst zou zijn, gezien het verdrag en vanwege de impact van het voorstel.» Daarom vragen de leden van de PvdA-fractie aan de regering om alsnog volledig inzicht te bieden in de wijze waarop inhoudelijk-systematisch tot de gekozen argumentatie is gekomen en daarbij aandacht te schenken aan elk van de relevante elementen zoals genoemd in het advies.

Antwoord 4

Uit de beleidsdoorlichting van artikel 4 van de SZW-begroting (hierna: beleidsdoorlichting Wajong)5 is naar voren gekomen dat het systeem van verschillende regelingen in de Wajong ingewikkeld is en dat er regels zijn die tot gevolg hebben dat mensen met een Wajong-uitkering juist niet meedoen. Omdat ze bijvoorbeeld niet extra gaan verdienen als ze meer gaan werken, omdat ze gekort worden als ze gaan studeren of omdat ze niet durven te gaan werken uit angst niet terug te kunnen in de Wajong als ze hun baan verliezen.

De maatregelen in voorliggend wetsvoorstel zijn daarom erop gericht een inclusieve arbeidsmarkt dichterbij te brengen door de arbeidsmarktkansen van mensen met een beperking te versterken en de mogelijkheid om financieel meer over te houden als mensen met een arbeidsbeperking (meer) gaan werken te vergroten. Het doel van het wetsvoorstel is daarmee volgens de regering in lijn met het doel van het VN-verdrag handicap. Per maatregel is in de beleidsvoorbereidende fase geanalyseerd of de betreffende maatregel in lijn is met het VN-verdrag handicap. Daarbij is in kaart gebracht of de maatregel leidt tot een vooruitgang voor de doelgroep en of de doelgroep betrokken was bij de uitwerking van de maatregel («nothing about us without us»). Bij het gros van de maatregelen bestaat er geen onduidelijkheid over dat het een positieve maatregel voor de doelgroep betreft. Dit betreft onder andere de maatregelen omtrent het volgen van onderwijs en het eindigen en herleven van het recht. Bij het harmoniseren van de regels voor inkomensondersteuning en het afsluiten van de instroom in de oWajong ligt het antwoord genuanceerder. Deze maatregelen zijn daarom nader geanalyseerd.

Om ervoor te zorgen dat (meer) werken loont, is een geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning ontworpen. Uitgangspunt hierbij was dat het gaat om een stimulerende regeling voor zowel mensen die werken als voor mensen die niet werken. Vanuit het perspectief van rechtszekerheid en eigendomsrecht is in de analyse naar de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning gekeken. Hieruit bleek dat de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning zonder overgangsregime zou kunnen leiden tot een lager bedrag aan inkomensondersteuning. Met het oog hierop is een overgangsregime met een garantiebedrag ingesteld. Het garantiebedrag moet voorkomen dat Wajongers er na inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel in totaalinkomen op achteruit gaan. Het overgangsregime met het garantiebedrag is van toepassing als de inkomensondersteuning op basis van de nieuwe regels lager is dan op basis van de huidige regels. De Wajonger blijft aanspraak maken op het garantiebedrag als hij of zij blijft werken in dezelfde baan met hetzelfde aantal uren of meer uren. Ook als de Wajonger wisselt van baan en de tussenliggende periode minder dan twaalf maanden is, blijft hij aanspraak maken op het garantiebedrag op het moment dat hij of zij weer aan het werk gaat en de uitkering onder de nieuwe regels lager is dan het garantiebedrag.

Afhankelijk van de persoonlijke kansen en mogelijkheden zal voor sommige Wajongers de mogelijk te verwachten inkomensontwikkeling wijzigen in een perspectief op een lager totaalinkomen en voor andere Wajongers juist in een perspectief op een hoger totaalinkomen. Dit is het gevolg van het aanbrengen van een wijziging in de stapeling van regelingen uit het verleden. Een stapeling die ertoe heeft geleid dat regelingen voor sommige Wajongers gunstig uitpakken en voor anderen Wajongers juist niet. Het uitgangspunt van de regering is dat voor mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen, (meer) werken moet lonen. Op basis hiervan zijn voorgestelde regels voor inkomensondersteuning ontwikkeld vanuit de verantwoordelijkheid voor de hele groep, ook de Wajongers die nog aan de kant staan.

Als gevolg van de genoemde analyse is ook besloten om de bepaling waarmee de instroom in de oWajong wordt afgesloten pas zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de wet wordt geplaatst in werking te laten treden. Dit om personen die geboren zijn vóór 1 januari 1980 en op wie het overgangsrecht Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) sinds 1998 van toepassing is, nog voldoende kans te bieden gebruik te maken van dit overgangsrecht.

In het antwoord op vraag 7 wordt conform de vraag van de leden van de fractie van de PvdA opgenomen op welke wijze in de analyse verder aandacht is geschonken aan de relevante elementen zoals genoemd in het advies van het College.

Vraag 5

Voorts schrijft het College op pagina 25 van het breed advies: «Het College ziet bij dit voorstel, evenals bij andere voorstellen ..., punten die aandacht vanuit het VN-verdrag handicap zouden behoeven. De uitvoerbaarheid is daar één van. Maar ook blijkt bijvoorbeeld uit de ronde tafels dat het vinden van de toepasselijke toeslagen en voorzieningen, die de regering noemt, voor menigeen zeer complex is.» Graag vragen de leden van de fractie van de PvdA om expliciet te reageren op deze punten van uitvoerbaarheid en complexiteit. Wordt hiermee voldaan aan de uitgangspunten zoals geformuleerd in de doenvermogentoets van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid?

Antwoord 5

De regering vindt het van belang dat de doelgroep op een voor hen begrijpelijke manier geïnformeerd wordt over de wijzigingen en dat zij hierbij ondersteund worden. Met het oog op de kwetsbare doelgroep op wie de maatregelen in voorliggend wetsvoorstel betrekking hebben, heb ik UWV gevraagd om bij de uitvoeringstoets ook een doenvermogenstoets uit te voeren. De uitkomst hiervan is als volgt. De verregaande harmonisatie van de Wajong biedt de kans om de wet voor de kwetsbare doelgroep eenvoudiger en beter uitlegbaar te maken. Met de voorgestelde harmonisatie van de Wajong-regelingen verdwijnt het onderscheid tussen de oWajong, Wajong2010 en Wajong2015. Er ontstaan twee groepen Wajongers. Wajongers met en zonder arbeidsvermogen met bijbehorende instrumenten en regels voor inkomensondersteuning. Aanpassing van de regels voor inkomensondersteuning, het garantiebedrag en het accepteren van passend werkaanbod zullen naar verwachting de grootste impact hebben op de beleving van de Wajongers. Goede communicatie richting Wajongers en het informeren van stakeholders zoals vakbonden en cliëntenraden kan helpen om de impact te verkleinen. Vanwege het belang van zorgvuldige communicatie wordt een deel van de nieuwe communicatieproducten bij de doelgroep getoetst door deze voor te leggen aan het klantpanel en aan de cliëntenraad van UWV. Hierbij moet worden aangemerkt dat Wajongers op individueel niveau pas geïnformeerd kunnen worden over de gevolgen van het wetsvoorstel voor hun persoonlijke situatie in de aanloop naar inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

De regering is van mening dat de voorgestelde inkomensregeling ten opzichte van de huidige inkomensregelingen minder complex en beter uitlegbaar is aan Wajongers die gaan werken of meer gaan werken. In de hoofdregel behouden Wajongers met arbeidsvermogen 30 cent van iedere euro. 70 procent van het inkomen wordt verrekend met de uitkering van 70 procent van het wettelijk minimumloon. Wajongers die werken met loondispensatie behouden meer dan 30 cent van iedere euro. Zij worden daarmee gecompenseerd voor hun verminderde loonwaarde en gedispenseerde loon. Daarbovenop ontvangen zij, door het amendement Renkema en Gijs van Dijk6, een aanvulling tot functieloon voor de gewerkte uren. Voor Wajongers die werkzaam zijn op het moment van inwerkingtreding van de nieuwe inkomensregeling, stelt UWV een individueel garantiebedrag vast. De inkomensondersteuning bij inkomen uit werk is voor zover dit inkomen uit werk blijvend is nooit lager dan dit garantiebedrag. Indien de inkomensondersteuning met de nieuwe regels hoger is, ontvangen zij deze hogere inkomensondersteuning. Voor Wajongers zonder arbeidsvermogen wordt 75 procent van het inkomen verrekend met de uitkering van 75 procent van het wettelijk minimumloon.

Vraag 6

Het College adviseert de regering op pagina 30 van het breed advies «om bij de totstandkoming van wetgeving die mensen met een arbeidsbeperking van jongs af aan raakt, anders dan bij recente ontwerpwetgeving tot dusverre het geval is geweest, uit eigen beweging een zichtbare beoordeling van ontwerpwetgeving in het licht van het VN-verdrag te verrichten op een wijze die recht doet aan wat in het advies een nieuwe mindset wordt genoemd. Het gaat om de kern van het verdrag: denken over mensen met een beperking in de samenleving als dragers van mensenrechten en als participanten op het nationale en lokale niveau waarop deze rechten geëffectueerd worden.» Naar de mening van de leden van de PvdA-fractie heeft de regering bij het voorliggende wetsvoorstel niet in lijn met dit advies gehandeld. Is de regering dit met deze leden eens? Zo nee, op welke wijze heeft de regering een zichtbare beoordeling van ontwerpwetgeving in het licht van het VN-verdrag verricht? En op welke wijze heeft de regering rechtgedaan aan wat in het advies een nieuwe mindset wordt genoemd? Zo ja, waarom heeft de regering hiervoor niet gekozen bij het voorliggende wetsvoorstel? En is de regering bereid dit alsnog te doen? Voorts vragen deze leden van de regering de toezegging dit te doen bij nieuwe wetgeving. Is de regering daartoe bereid?

Antwoord 6

De constatering van de PvdA-fractie dat een zichtbare beoordeling van het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong in het licht van het VN-verdrag handicap in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ontbreekt, klopt. Dit betekent echter niet dat hier geen aandacht aan is besteed. Zoals ook is toegelicht in de nadere memorie van antwoord, wordt in de voorbereidende fase van een wetsvoorstel door het verantwoordelijke ministerie zelf getoetst of een wetsvoorstel in lijn is met internationale verdragen. De wijze waarop dit is gebeurd bij voorliggend wetsvoorstel is nader toegelicht in het antwoord op vraag 4 en vraag 7. In de beleidsvoorbereidende fase is door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bijvoorbeeld aandacht besteed aan de vraag of het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong in lijn is met het VN-verdrag handicap. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt dan ook (meer impliciet) ingegaan op de punten uit de checklist bij het advies van het College. Daarnaast is voorliggend wetsvoorstel in het kader van de wetgevingsprocedure door de Raad van State als adviesorgaan van de regering beoordeeld op conformiteit met de Grondwet en internationaal recht. De Raad van State heeft op dit punt geen opmerkingen gemaakt. De regering is daarom van mening dat voorliggend wetsvoorstel wel degelijk is beoordeeld in het licht van het VN-verdrag handicap en maakt dat nu alsnog expliciet zichtbaar door de checklist van het College in het antwoord op vraag 7 te doorlopen.

De leden van de PvdA-fractie vragen van de regering om de toezegging nieuwe wetgeving te toetsen volgens de mindset van het VN-verdrag handicap. De leden van de PvdA-fractie refereren daarbij aan wat volgens het advies van het College voor de Rechten van de Mens de kern van het verdrag is, namelijk denken over mensen met een beperking in de samenleving als dragers van mensenrechten en als participanten. Dat het VN-verdrag handicap een oproep doet tot een andere mindset herkent de regering. Niet voor niets heeft de regering met het programma «Onbeperkt meedoen!»7 benadrukt dat, als we een merkbare verbetering willen realiseren voor mensen met een beperking, dat vraagt om een andere manier van denken en doen bij overheden, bedrijven en organisaties. Bij de totstandkoming van voorliggend wetsvoorstel is aandacht besteed aan wat in het advies van het College de «nieuwe mindset» wordt genoemd. Zo zijn de meeste maatregelen in voorliggend wetsvoorstel gebaseerd op signalen van Wajongers uit de praktijk in combinatie met knelpunten in de huidige wetgeving die naar voren zijn gekomen uit de beleidsdoorlichting Wajong. Hieruit is naar voren gekomen dat het systeem van verschillende regelingen in de Wajong ingewikkeld is en dat er regels zijn die tot gevolg hebben dat mensen met een Wajong-uitkering juist niet mee doen. Omdat ze bijvoorbeeld niet extra gaan verdienen als ze meer gaan werken, omdat ze gekort worden als ze gaan studeren of omdat ze niet durven te gaan werken uit angst niet terug te kunnen in de Wajong als ze hun baan verliezen. In voorliggend wetsvoorstel zijn daarom maatregelen uitgewerkt die ervoor zorgen dat meer werken loont, dat Wajongers altijd terug kunnen vallen op de Wajong en dat Wajongers hun uitkering behouden als zij onderwijs volgen.

Voor wat betreft de vraag van de leden van de PvdA-fractie om nieuwe wetgeving die de doelgroep raakt voortaan uit eigen beweging zichtbaar te toetsen het volgende. In het debat met de Tweede Kamer van 19 december 2019 over de implementatie van het VN-verdrag handicap heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Tweede Kamer toegezegd om met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in gesprek te gaan over de toetsing van nieuwe wetgeving aan het VN-verdrag handicap. Hij heeft daarbij benadrukt niet te willen vooruitlopen op de uitkomst, omdat expliciete toetsing aan dit verdrag een precedent schept voor allerlei andere internationale verdragen. Daarbij zal bekeken moet worden wat de huidige toetsing door de Raad van State en de mensenrechtentoets van het Ministerie van BZK in de praktijk inhouden en of het nodig en haalbaar is daar een aanvullende toets aan toe te voegen. De Minister van VWS zal bij de gesprekken daarover de door het College geadviseerde checklist meenemen. De Tweede Kamer wordt in het voorjaar geïnformeerd over de uitkomsten van de gesprekken.

Vraag 7

Tenslotte heeft het College in het kader van dit breed advies een checklist opgesteld die behulpzaam kan zijn bij het uit eigen beweging verrichten van een zichtbare beoordeling in het licht van het VN-verdrag bij voorstellen die raken aan de positie van mensen die van jongs af aan een arbeidsbeperking hebben. Deze checklist bevat een grondbeginselencheck, een rechten- en verplichtingencheck en een coördinatiecheck. Het College schrijft hierover op pagina 31 van het breed advies: «Deze lijst kan – mutatis mutandis – ook handvatten bieden aan anderen die een beoordeling van ontwerpwetgeving willen plaatsen in het licht van het VN-verdrag handicap, onder wie medewetgevers en adviseurs en uiteraard ook mensen met een arbeidsbeperking zelf of mensen en organisaties die opkomen voor hun belangen.» Als medewetgever vragen de leden van de PvdA-fractie aan de regering om voor het voorliggende wetsvoorstel deze checklist te doorlopen en bij elk punt een onderbouwd antwoord te geven.

Antwoord 7

I. Grondbeginselen-check

a. Geeft het voorstel mensen met een arbeidsbeperking van jongs af aan (meer eigen) regie? Laat het voorstel bijvoorbeeld vrijheid om zelf keuzes te maken en draagt het bij aan de onafhankelijkheid van deze mensen?

Het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong heeft tot doel de bestaande regelgeving zoveel mogelijk te versimpelen en de arbeidsparticipatie van Wajongers te bevorderen. De individuele Wajong-uitkering op het niveau van het sociaal minimum draagt bij aan financiële onafhankelijkheid en daarmee bestaanszekerheid. De huidige regels kunnen een negatief effect hebben op de afweging van Wajongers om al dan niet te participeren. Met de aanpassingen van de regels van het eindigen van het recht en het verbreden en uitbreiden van de regels voor het herleven van het recht beoogt de regering Wajongers meer zekerheid te geven over hun inkomenspositie en het recht op herleven van een uitkering. De verwachting is dat, door Wajongers meer zekerheid te bieden en ervoor te zorgen dat werken loont, zij meer vrijheid voelen om te participeren.

b. Behandelt het voorstel mensen met een (arbeids)beperking hetzelfde of anders dan mensen zonder beperking?

Het VN-verdrag handicap heeft als doel dat Nederland toegankelijk en inclusief wordt voor iedereen. Een van de uitgangspunten is dat mensen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen kunnen participeren in de samenleving. Op het gebied van participatie gaat het om verschillende aspecten. De regering wil in dit onderdeel en onderdeel c. op een aantal van deze aspecten specifiek ingaan in relatie tot voorliggend wetsvoorstel.

De regering merkt allereerst op dat de Wajong zich specifiek richt op mensen met een (arbeids)beperking. De Wajong was, is en blijft een voorziening voor jonggehandicapten met een uitkering op het niveau van het sociaal minimum voor een alleenstaande, zonder een vermogens- en partnerinkomenstoets. De uitkering in de Wajong gaat daarmee net als de Participatiewet en andere uitkeringen in ons stelsel uit van het sociaal minimum als het minimale bedrag dat iemand nodig heeft om in de kosten voor levensonderhoud te kunnen voorzien. Hierin wordt geen onderscheid gemaakt. De individuele Wajong-uitkering op het niveau van het sociaal minimum draagt bij aan financiële onafhankelijkheid.

Als het gaat om gelijke behandeling, ontvangen Wajongers voor de uren die zij werken in totaal meer per gewerkt uur (inkomen uit loon + uitkering) dan het wettelijk minimumloon. Door de systematiek van de Wajong is het totaalinkomen (inkomen uit loon + uitkering) voor iemand met een medische urenbeperking die vanuit de Wajong werkt namelijk hoger dan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren. Daarbovenop ontvangen Wajongers die werken met loondispensatie, door het amendement Renkema en Gijs van Dijk8, een aanvulling tot functieloon voor de gewerkte uren.

Een ander belangrijk aspect op het gebied van participatie is respect voor de zich ontwikkelende capaciteiten van kinderen en jongvolwassenen met een handicap. In het huidige systeem kan sprake zijn van een financiële drempel om onderwijs te volgen. In het voorliggend wetsvoorstel worden daarom de studieregeling in de Wajong2010 en de uitsluitingsgrond studerende in de Wajong2015 geschrapt. Het doel is om de een financiële belemmering voor jonggehandicapten om onderwijs te volgen weg te nemen. Onderwijs biedt immers mogelijkheden tot ontplooiing en een gelegenheid om nieuwe kennis en vaardigheden op te doen, ook wanneer perspectief op de arbeidsmarkt ontbreekt.

c. Op welke wijze draagt het voorstel bij aan daadwerkelijke participatie en opname van mensen met een (arbeids)beperking in de samenleving?

Uit de beleidsdoorlichting Wajong en signalen van Wajongers is, zoals eerder benoemd, naar voor gekomen dat het systeem van verschillende regelingen in de Wajong ingewikkeld is en dat er regels zijn die tot gevolg hebben dat mensen met een Wajong-uitkering juist niet mee doen. Omdat ze bijvoorbeeld niet extra gaan verdienen als ze meer gaan werken of omdat ze niet durven te gaan werken uit angst niet terug te kunnen in de Wajong als ze hun baan verliezen. In voorliggend wetsvoorstel zijn daarom maatregelen uitgewerkt waarmee wordt beoogd om volledige en daadwerkelijke participatie in en opname in de samenleving te bevorderen.

Het uitgangspunt van de regering is dat voor mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen, (meer) werken moet lonen. Op basis hiervan zijn voorgestelde regels voor inkomensondersteuning ontwikkeld. De voorgestelde regels voor inkomensondersteuning zorgen voor een verbetering voor mensen die aan de slag willen gaan en zorgt ervoor dat voor mensen die werken, meer werken gaat lonen. Met de aanpassingen van de regels van het eindigen van het recht en het verbreden en uitbreiden van de regels voor het herleven van het recht beoogt de regering Wajongers meer zekerheid te geven. Dit voor het geval zij onverhoopt toch uitvallen uit werk, of bang zijn om hun uitkering te verliezen als zij aan het werk gaan.

Een ander belangrijk aspect op het gebied van participatie is respect voor de zich ontwikkelende capaciteiten van kinderen en jongvolwassenen met een handicap. Dit is in onderdeel b van de grondbeginselen check toegelicht.

d. Is voorzien in evaluatie?

Voor wat betreft de evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van voorgestelde maatregelen geldt dat deze worden meegenomen in de periodieke doorlichting van het gevoerde beleid ten aanzien van jonggehandicapten. Deze doorlichting vloeit voort uit de wettelijke verplichting om ieder begrotingsartikel periodiek te evalueren volgens vooraf vastgestelde eisen zoals geregeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 en de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek9. Ook worden de voorgestelde maatregelen meegenomen in het kennisprogramma naar de doeltreffendheid van de re-integratie en dienstverlening voor mensen met een arbeidshandicap dat SZW en UWV gestart zijn. Het kennisprogramma is erop gericht om het inzicht in de effectiviteit van specifieke instrumenten te verbeteren.

II. Rechten en verplichtingen-check

a. Hoe is/wordt bij de totstandkoming van het voorstel invulling gegeven aan het «nauw overleg» met mensen met een (arbeids)beperking en hun organisaties?

Op verschillende momenten in het proces is de stem van belangenorganisaties, Wajongers en werkgevers gehoord. Belangenorganisaties, maar ook Wajongers via bijvoorbeeld de FNV-Wajonggroep, zijn betrokken bij het opstellen van de beleidsdoorlichting Wajong en konden zich vinden in de analyse en bevindingen van deze doorlichting. Deze organisaties konden zich echter niet vinden in alle gepresenteerde beleidsopties. Gedurende het proces zijn bij het uitwerken van de beleidsopties op verschillende momenten Wajongers en belangenorganisaties geconsulteerd en is op verschillende punten lering getrokken uit de ontvangen commentaren en adviezen. Hier is in het antwoord op vraag 45 in de memorie van antwoord op ingegaan10. Hierbij is echter ook opgemerkt dat er een aantal punten is waarop de regering van mening verschilt ten opzichte van Wajongers en hun belangenorganisaties, bijvoorbeeld als het gaat om de wijze waarop wordt omgegaan met Wajongers met een medische urenbeperking en het vervangen van de voortgezette werkregeling in de Wajong2010.

De regering en UWV vinden het van belang om mensen uit de doelgroep te betrekken bij de beleidsvormingen bij de communicatie over het wetstraject. UWV maakt gebruik van onder andere klantenpanels om communicatieboodschappen en communicatie-uitingen zoals brieven en formulieren te testen. Ook het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaat periodiek in gesprek met de doelgroep over de Wajong, knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen. Op 13 juni 2019 is bijvoorbeeld een bijeenkomst georganiseerd met Wajongers over de wijzigingen. Tijdens de bijeenkomst is aan Wajongers gevraagd waar zij informatie vandaan halen en op welke wijze zij het liefst geïnformeerd worden. Ook is besproken hoe de wijzigingen begrijpelijker gemaakt kunnen worden voor de doelgroep. De inzichten uit de bijeenkomst worden gebruikt voor het verdere traject.

b. Zijn de voorgenomen maatregelen voor hen begrijpelijk althans voor hun organisaties uitlegbaar aan de achterban?

De regering vindt het van belang om een onderscheid te maken tussen de wijze waarop de formules en teksten zijn opgenomen in de artikelen en memorie van toelichting van het wetsvoorstel en de wijze waarop de doelgroep geïnformeerd wordt over de wijzigingen. De formules en teksten zoals opgenomen in de artikelen en memorie van toelichting van het wetsvoorstel zijn noodzakelijkerwijs technisch van aard.

De regering is van mening dat de voorgestelde inkomensregeling ten opzichte van de huidige inkomensregelingen, zoals eerder benoemd in het antwoord op vraag 5, minder complex en beter uitlegbaar is aan Wajongers die gaan werken of meer gaan werken. Met het oog op de kwetsbare doelgroep op wie de maatregelen in voorliggend wetsvoorstel betrekking hebben, heb ik UWV gevraagd om bij de uitvoeringstoets ook een doenvermogenstoets uit te voeren. De uitkomst hiervan heb ik in het antwoord op vraag 5 benoemd.

Net als uw Kamer, het College en andere partijen hecht ik belang aan toegankelijke en duidelijke communicatie. Vanwege het belang van zorgvuldige communicatie wordt een deel van de nieuwe communicatieproducten bij de doelgroep getoetst door deze voor te leggen aan het klantpanel en aan de cliëntenraad van UWV. Hierbij moet worden aangemerkt dat Wajongers op individueel niveau pas geïnformeerd kunnen worden over de gevolgen van het wetsvoorstel voor hun persoonlijke situatie in de aanloop naar inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

c. Rijzen er specifieke vragen over de uitleg van het VN-verdrag handicap die nopen tot nader onderzoek of advies?

De maatregelen in voorliggend wetsvoorstel zijn erop gericht een inclusieve arbeidsmarkt dichterbij te brengen en de arbeidsmarktkansen van mensen met een beperking te versterken. Het doel van het wetsvoorstel is daarmee volgens de regering in lijn met het doel van het VN-verdrag handicap. Per maatregel is in de beleidsvoorbereidende fase geanalyseerd of de betreffende maatregel in lijn is met het VN-verdrag handicap.

De analyse is omschreven in het antwoord op vraag 4. De analyse heeft niet geleid tot vragen die nopen tot nader onderzoek of advies. De regering vindt het van belang om hierbij op te merken dat het wetsvoorstel in het kader van de wetgevingsprocedure door de Raad van State als adviesorgaan van de regering is beoordeeld op conformiteit met de Grondwet en internationaal recht. De Raad van State heeft op dit punt geen opmerkingen gemaakt.

d. Brengt het voorstel het verdrag verder ten uitvoer? Aan welke verdragsbepalingen geeft het voorstel uitvoering of raakt het (mede)?

Het voorliggend wetsvoorstel geeft in ieder geval uitvoering aan de artikelen 27 en 28 van het VN-verdrag handicap. Het gaat om het recht op de mogelijkheid in het levensonderhoud te voorzien door middel van in vrijheid gekozen of aanvaard werk en om het recht op een behoorlijke levensstandaard. De Wajong was, is en blijft zoals eerder benoemd een voorziening voor jonggehandicapten met een uitkering op het niveau van het sociaal minimum voor een alleenstaande, zonder een vermogens- en partnerinkomenstoets. De uitkering in de Wajong gaat daarmee net als de Participatiewet en andere uitkeringen in ons stelsel uit van het sociaal minimum als het minimale bedrag dat iemand nodig heeft om in de kosten voor levensonderhoud te kunnen voorzien. De huidige regels kunnen een negatief effect hebben op de afweging van Wajongers om al dan niet te aan het werk te gaan. Omdat ze bijvoorbeeld niet extra gaan verdienen als ze meer gaan werken of omdat ze niet durven te gaan werken uit angst niet terug te kunnen in de Wajong als ze hun baan verliezen. In voorliggend wetsvoorstel zijn daarom maatregelen uitgewerkt waarmee wordt beoogd om meer zekerheid te bieden en ervoor te zorgen dat (meer) werken loont.

Daarnaast speelt artikel 17 dat het recht bevat op eerbiediging van zijn lichamelijke en geestelijke integriteit. Hierbij is de eigen regie van de Wajonger van belang. De maatregelen in het voorliggend wetsvoorstel beogen om belemmeringen weg te nemen die aan die eigen regie in de weg staan. Tot slot geeft het uitvoering aan artikel 31 van het verdrag. Dit gaat om de verplichting van de regering om relevante informatie te vergaren die nodig zijn voor het opstellen van beleid voor de doelgroep. Met de eerdergenoemde beleidsdoorlichting van de Wajong zijn belemmeringen opgespoord waarmee Wajongers geconfronteerd worden bij het uitoefenen van hun rechten. De maatregelen in voorliggend wetsvoorstel beogen deze belemmeringen weg te nemen. Voor wat betreft de evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van voorgestelde maatregelen geldt dat deze worden meegenomen in de periodieke doorlichting van het gevoerde beleid ten aanzien van jonggehandicapten.

e. Indien het voorstel (deels) leidt – of niet is uit te sluiten dat het kan leiden – tot een verslechtering van de positie van mensen met een arbeidsbeperking van jongs af aan, rijst de vraag of is voldaan aan de volgende cumulatieve criteria:

  • er bestaat een redelijke rechtvaardiging voor het voorstel;

  • gedegen onderzoek naar alternatieven heeft plaatsgevonden;

  • daadwerkelijke participatie van de groepen die het voorstel betreft heeft plaatsgevonden;

  • van directe of indirecte discriminatie op grond van handicap is geen sprake;

  • er is geen sprake van een onredelijke impact op verkregen sociale zekerheidsrechten;

  • mensen met een (arbeids)beperking komen niet uit onder het sociale minimum mede gelet op de uitleg die het VN-comité handicap aan dit begrip geeft;

  • een onafhankelijke toets heeft plaatsgevonden of vindt nog plaats.

De regering is van mening dat het wetsvoorstel niet leidt tot een verslechtering van de doelgroep. Vanuit het perspectief van rechtszekerheid en eigendomsrecht is een overgangsregime met een garantiebedrag ingesteld. De reden hiervoor is dat de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning zonder overgangsregime zou kunnen leiden tot een lager bedrag aan inkomensondersteuning direct na inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Het garantiebedrag moet voorkomen dat Wajongers er na inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel in totaalinkomen op achteruit gaan. Het overgangsregime met het garantiebedrag is van toepassing als de inkomensondersteuning op basis van de nieuwe regels lager is dan op basis van de huidige regels. De Wajonger blijft aanspraak maken op het garantiebedrag als hij of zij blijft werken in dezelfde baan met hetzelfde aantal uren of meer uren. Ook als de Wajonger wisselt van baan en de tussenliggende periode minder dan twaalf maanden is, blijft hij aanspraak maken op het garantiebedrag op het moment dat hij of zij weer aan het werk gaat en de uitkering onder de nieuwe regels lager is dan het garantiebedrag.

Afhankelijk van de persoonlijke kansen en mogelijkheden zal voor sommige Wajongers de mogelijk te verwachten inkomensontwikkeling wijzigen in een perspectief op een lager totaalinkomen en voor andere Wajongers in een perspectief op een hoger inkomen. Dit is het gevolg van het aanbrengen van een wijziging in de stapeling van regelingen uit het verleden. Een stapeling die ertoe heeft geleid dat regelingen voor sommige Wajongers gunstig uitpakken en voor anderen Wajongers juist niet. Het uitgangspunt van de regering is dat voor mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen, (meer) werken moet lonen. Op basis hiervan zijn voorgestelde regels voor inkomensondersteuning ontwikkeld vanuit de verantwoordelijkheid voor de hele groep, ook de Wajongers die nog aan de kant staan.

III. Coördinatie-check

a. Maakt het voorstel onderdeel uit van het nationale programma dat uitvoering geeft aan het VN-verdrag in Nederland?

Het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong is geen onderdeel van het Nationale Programma dat uitvoering geeft aan het VN-verdrag handicap in Nederland. In de ambtelijke afstemming tussen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt aandacht besteed aan de verhouding met het nationale programma dat uitvoering geeft aan het VN-verdrag handicap.

b. Hoe verhoudt het voorstel zich tot andere (voorgenomen) maatregelen die uitvoering geven aan of relevant zijn voor de uitvoering van het VN-verdrag in Nederland?

De centrale beleidsinzet van het kabinet is dat meer mensen met een beperking aan het werk komen en blijven. Bij brief van 7 september 201811 heb ik na consultatie van alle betrokken partijen een breed offensief aangekondigd om mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen.

Het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong is onderdeel hiervan omdat, net als bij de andere maatregelen in het kader van het breed offensief, knelpunten voor mensen met een beperking om te participeren worden weggenomen.

Inmiddels is het wetsvoorstel tot wijziging van de Participatiewet tot uitvoeren van het Breed Offensief bij de Tweede Kamer ingediend. De Eerste Kamer is daarover geïnformeerd bij brief van 13 februari jl.12.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark


X Noot
1

Griffienummer 166382.

X Noot
2

Dit programma is op 13 juni 2018 door de Minister van VWS, namens het hele kabinet, aan de Eerste Kamer aangeboden (Kamerstukken I 2017/18, 24 170, nr. A).

X Noot
3

Kamerstukken II 2013/14, 33 992 (R2034), nr. 3, onderdeel 6a, p. 8, Kamerstukken II 2013/14, 33 992 (R2034), nr. 4, Kamerstukken II 2014/15, 33 990, nr. 6, Kamerstukken II 2014/15, 33 990, nr. 11.

X Noot
4

Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 20.

X Noot
5

Beleidsdoorlichting, SZW begrotingsartikel 4: Jonggehandicapten, Kamerstukken II 2017/18, 30 982, nr. 3, bijlage.

X Noot
6

Kamerstukken II, 2019/20, 35 213, nr. 26.

X Noot
7

Dit programma is op 13 juni 2018 door de Minister van VWS, namens het hele kabinet, aan de Eerste Kamer aangeboden (Kamerstukken I, 2017/18, 24 170, nr. A).

X Noot
8

Kamerstukken II, 2019/20, 35 213, nr. 26.

X Noot
9

Regeling van 15 augustus 2014 houdende regels voor periodiek evaluatieonderzoek (Stcrt. 2014, 27412).

X Noot
10

Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. C, p. 40.

X Noot
11

Kamerstukken II, 2017/18, 34 352, nr. 115.

X Noot
12

Kamerstukken I, 2019/20, 34.352/35.394, L.