Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935213 nr. 6

35 213 Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 10 september 2019

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave:

I.

Algemeen

2

     
 

Hoofdstuk 1 Doel en aanleiding van het wetsvoorstel

3

     
 

Hoofdstuk 2 Maatregelen

11

 

2.1 Regels voor inkomensondersteuning harmoniseren

11

 

2.2 Regels voor eindigen en herleven recht op oWajong en Wajong2010 aanpassen

39

 

2.3 Passend werkaanbod in de oWajong en Wajong2010 harmoniseren

43

 

2.4 Studieregeling in de Wajong2010 vanaf 2020 schrappen

44

 

2.5 Uitsluitingsgrond studerende in de Wajong2015 schrappen

46

 

2.6 Instroom in de oWajong afsluiten

46

     
 

Hoofdstuk 3 Ontvangen commentaren en adviezen

47

 

3.1 UWV

47

 

3.2 Autoriteit Persoonsgegevens

50

 

3.3 Landelijke Cliëntenraad

50

 

3.4 Internetconsultatie

51

     

II.

Artikelsgewijs

51

I. ALGEMEEN

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel over het verder activeren van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong. Deze leden onderschrijven de doelstelling van het wetsvoorstel dat meer werken moet lonen. Het wegnemen van knelpunten die voor mensen met een Wajong-uitkering een belemmering zijn en het harmoniseren en vereenvoudigen van de verschillende regelingen, zoals de bekende zaagtand-constructie in de oWajong, zijn van groot belang om dit doel te bereiken. Hierin steunen de leden van de VVD-fractie de regering. Zij hebben wel nog enkele vagen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Zij onderstrepen het doel van de regering om de belemmeringen voor mensen met een Wajong-uitkering om te kunnen participeren weg te nemen en de verschillende regelingen in de Wajong te vereenvoudigen en te harmoniseren. Zij vinden het belangrijk dat Wajongers duurzaam aan werk worden geholpen en meer kansen krijgen op een baan met toekomstperspectief. De leden van de CDA-fractie zijn het van harte eens met het uitgangspunt dat (meer) werken moet lonen. Zij zijn blij dat de studiemogelijkheden voor Wajongers worden verruimd en dat Wajongers die gaan werken het recht op een Wajong-uitkering behouden. Deze leden hebben echter ook enkele vragen en zorgen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Met name het voornemen om via harmonisering meer duidelijkheid te scheppen, het schrappen van de studiebelemmering en het uitgangspunt dat meer werken altijd meer moet lonen kan op steun rekenen van deze leden. Deze leden hebben echter nog enkele vragen die ze aan de regering willen voorleggen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de wetswijziging Wajong en hebben daar nog enkele vragen over.

De leden van de SP-fractie zijn positief over het doel van de wet, namelijk vereenvoudiging en harmonisatie van de Wajong. Ook zijn ze positief over de insteek om er voor te zorgen dat werken altijd loont in de Wajong. In het verleden hebben leden van de SP-fractie kritische schriftelijke vragen gesteld over het feit dat werken bij de Wajong geregeld niet loont en dat mensen er soms zelfs op achteruit gaan indien zij gaan werken. Dat is een slechte zaak en

deze leden zijn blij dat hier actie op ondernomen is. Ook zijn deze leden blij dat het in alle gevallen mogelijk wordt om te studeren in de Wajong zonder gekort te worden op de Wajong-uitkering of deze te verliezen. Daarover hebben de leden van de SP-fractie ook kritische schriftelijke vragen gesteld en hebben zij een aangenomen motie van het lid Siderius (Kamerstuk 31 497, nr. 188). De leden van de SP-fractie zijn blij dat studie en school nu mogelijk zijn, hoewel zij vinden dat het te lang heeft geduurd, daar de motie uit 2016 is. Deze leden vragen of nu in alle gevallen is verzekerd dat meervoudig gehandicapte leerlingen die op een cluster 3-onderwijsinstelling ingeschreven staan, aanspraak kunnen maken op een Wajong-uitkering. Hoewel deze leden positief zijn over bovenstaande hebben zij ook (grote) zorgen en bezwaren. Daarnaast hebben zij nog een aantal vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van diverse wetten in relatie tot de Wajong. Als je een handicap hebt, wil je zeker kunnen zijn van een fatsoenlijk inkomen. De wijzigingen lijken daaraan niet bij te dragen, omdat veel mensen met een Wajong-uitkering er in inkomen op achteruit kunnen gaan. Daarom hebben de leden van de PvdA-fractie de volgende vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vinden het van belang dat er een solide, sociale en betrouwbare regeling is en blijft voor Wajongers. Zij hebben grote talenten en zetten zich vaak naar beste kunnen in om mee te doen in de samenleving. Dat verdient waardering en adequate ondersteuning. De leden van de ChristenUnie-fractie onderschrijven het uitgangspunt om de regelgeving voor alle Wajongers te vereenvoudigen en te harmoniseren. Zij vinden het positief dat de voorgestelde wijzigingen ervoor zorgen dat meer werken loont, dat Wajongers altijd terug kunnen vallen op de Wajong en dat Wajongers hun uitkering behouden als zij onderwijs volgen. Genoemde leden hebben nog enkele vragen over het wetsvoorstel

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden steunen de inzet om ervoor te zorgen dat meer werken loont voor degenen die dat kunnen. Ook kan het harmoniseren van regelingen bijdragen aan het bestrijden van oneerlijke verschillen die door Wajongers worden ervaren bij vergelijking met andere regelingen. Zij vragen echter ook aandacht voor de onzekerheden die een nieuwe wijziging met zich mee brengt, bijvoorbeeld ten aanzien van de garantieregeling en voor degenen die op grond van een urenbeperking niet in staat zijn meer te werken.

De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen die de leden van de hierboven genoemde fracties hebben gesteld en de opvattingen die zij hebben over het voorstel voor Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong. De regering dankt de leden van de fracties voor hun uitgebreide inbreng.

In deze nota gaat de regering in op de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties. Voor de beantwoording van de vragen is de volgorde van het verslag aangehouden. De oorspronkelijke tekst van het verslag is integraal opgenomen in deze nota en cursief weergegeven. Na de passages met de vragen en opmerkingen volgt telkens de reactie van de regering op de daarvoor weergegeven passages.

Hoofdstuk 1 Doel en aanleiding van het wetsvoorstel

1. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan toelichten welke voor- en nadelen er zijn voor de betrokkenen aan de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning als deze ook wordt toegepast op werkenden in de Wajong 2015.

Antwoord op vraag 1

Het wetsvoorstel regelt dat de geharmoniseerde regeling voor inkomens-ondersteuning ook van toepassing is voor werkenden in de Wajong2015. In de huidige Wajong wordt het volledige inkomen van iemand in de Wajong2015 verrekend met de uitkering. Het toepassen van de geharmoniseerde regeling op werkenden in de Wajong2015 heeft alleen voordelen. Werkende Wajongers in de Wajong2015 gaan erop vooruit ten opzichte van de huidige regeling omdat het inkomen uit arbeid niet geheel in mindering wordt gebracht op de inkomensondersteuning bij een inkomen boven 20 procent van het wettelijk minimumloon (WML). De grens van 20 procent WML is getrokken vanwege de hogere uitkering voor mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben van 75 procent WML. Bij een inkomen van 20 procent WML komt het totaal inkomen op basis van de geharmoniseerde inkomensregeling uit op 76 procent WML.

Een ander belangrijk voordeel is het vergroten van eenduidigheid in de uitvoering en uitlegbaarheid aan Wajongers. Doordat de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning ook van toepassing is voor werkenden in de Wajong2015 gelden voor alle Wajongers met duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie dezelfde regels voor inkomensondersteuning. Hierbij moet worden aangemerkt dat de kans dat mensen met een Wajong2015 uitkering betaalde arbeid gaat verrichten klein is. Zo had ongeveer 1 procent van het aantal mensen met een Wajong2015 uitkering ultimo 2018 een baan.

2. Daarnaast vragen deze leden wat de stappen zijn als iemand afziet van een re-integratietraject. Wat voor soort begeleiding is er dan nog en wat kan er gebeuren met de uitkering van deze persoon?

Antwoord op vraag 2

Wajongers zijn verplicht om te werken aan hun re-integratie. UWV biedt Wajongers met arbeidsmogelijkheden hierbij actieve ondersteuning naar werk. Het accepteren van deze ondersteuning door UWV is vrijwillig. Wajongers hebben de mogelijkheid om af te zien van ondersteuning door UWV. Ook als een Wajonger afziet van dienstverlening worden door UWV met deze Wajonger afspraken gemaakt over de wijze waarop de Wajonger zelf werkt aan re-integratie. Uitgangspunt is dat deze afspraken handhaafbaar zijn. De afspraken worden opgenomen in het re-integratieplan of de re-integratievisie. UWV neemt periodiek contact op met de Wajonger om de vorderingen met hun re-integratie te monitoren. Het aanbod van ondersteuning door UWV blijft staan. Indien een Wajonger de afspraken niet nakomt, volgt een sanctie op basis van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten vanwege het niet nakomen van de verplichtingen uit het re-integratieplan of de re-integratievisie. Bijvoorbeeld een verlaging van het uitkeringsbedrag gedurende een bepaald aantal maanden.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn positief over de ambitie van de regering om de Wajong te vereenvoudigen, maar hebben wel zorgen over de nieuwe geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning. Voorts zijn deze leden positief over de overige maatregelen in het wetsvoorstel, met name het voornemen om de studieregeling in de Wajong2010, alsmede de uitsluitingsgrond studerende in de Wajong2015 te schrappen.

In het wetsvoorstel wordt erg de nadruk gelegd op het uitgangspunt dat meer werken moet lonen. 3. De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de regering kijkt naar al die Wajongers die met veel moeite een baan hebben gevonden en daar naar tevredenheid werken, zij het niet fulltime. Is de regering van mening dat deze mensen allemaal meer moeten gaan werken? 4. Is de regering het met de leden van de GroenLinks-fractie eens dat een financiële prikkel voor deze groep niet werkt, omdat zij juist gemotiveerd zijn om te werken, maar soms niet meer kunnen werken door hun arbeidsbeperking?

Antwoord op vragen 3 en 4

De wijzigingen leggen geen verplichting op om meer te gaan werken. In de huidige situatie kan het echter zo zijn dat een Wajonger die meer uren gaat werken erop achteruit gaat. De regering is van mening dat Wajongers er in inkomen op vooruit moeten gaan als ze meer gaan werken. De geharmoniseerde regeling zorgt er daarom voor dat het voor werkenden in de oWajong en Wajong2010 aantrekkelijker wordt om meer te gaan werken. Hiervan kan een financiële prikkel uit gaan om meer te gaan werken als dat voor de betrokkene mogelijk is.

De leden van de SP-fractie vragen om een reactie op de petitie «Verander de participatiewet!».1 5. Is de regering bereid de korting op de Wajong-uitkering van 75 procent naar 70 procent wettelijk minimumloon (WML) ongedaan te maken?

Antwoord op vraag 5

De uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen is met de verlaging van 75 procent naar 70 procent WML meer in lijn gebracht met de uitkering van jonggehandicapten in de Participatiewet. Omdat beide groepen jonggehandicapt zijn en zij beiden onder de banenafspraak vallen is de regering niet voornemens om de wijziging ongedaan te maken. Daarbij moet worden aangemerkt dat in het Sociaal Akkoord (april 2013) een overdracht van Wajongers met arbeidsvermogen van het UWV naar gemeenten was voorzien, met naast een uitkeringsverlaging ook de bijbehorende partnerinkomens- en vermogenstoets. In het bijstandakkoord (afspraken tussen het vorige kabinet, D66, CU en SGP; februari 2014) is ruimte gevonden om de mensen uit het zittend bestand bij het UWV te houden met behoud van een individuele Wajonguitkering. Hierbij is wel afgesproken dat voor Wajongers met arbeidsvermogen de uitkering werd verlaagd van 75 procent naar 70 procent WML.

6. De leden van de SP-fractie vinden het erg teleurstellend dat de Belastingdienst niet bereid is om te bezien of een inclusietoeslag ingevoerd kan worden. Vindt de regering dit ook spijtig? Deze leden denken dat een inclusietoeslag vanuit de Belastingdienst een mooie oplossing zou kunnen zijn, omdat mensen met een beperking die werken dan niet meer onder het bijstandsregime hoeven te vallen. Als zij wel onder het bijstandsregime gaan vallen, blijven ze altijd financieel afhankelijk van anderen, omdat ze aan allerlei verplichtingen moeten voldoen van de bijstand, zoals de kostendelersnorm en het beperkt mogen hebben van spaargeld. De leden van de SP-fractie zien graag een reactie tegemoet.

Antwoord op vraag 6

Door verschillende partijen, waaronder de LCR, vakbonden en een aantal andere maatschappelijke organisaties, is een voorstel voor een inclusietoeslag gedaan als alternatief in het kader van de uitwerking van het breed offensief. In de kern is het voorstel om een aparte toeslag in te voeren die via de werkgever aan de werknemer wordt toegekend om te voorkomen dat iemand met een beperking die werkt aangewezen blijft op aanvullende bijstand. Het voorstel beoogt vooral een alternatief te zijn voor de voorstellen tot wijziging van de Participatiewet.

De regering heeft in brieven van 20 november 2018 en 23 mei 2019 over «breed offensief» uitdrukkelijk aangegeven dat dit voorstel buiten de kaders valt van de Participatiewet en meer iets is voor de langere termijn agenda. Een onderzoek is daarom nu niet aan de orde. De inclusietoeslag zou bovendien een majeure stelselwijziging betekenen die een grote impact heeft voor de uitvoering. Omdat de regering werken voor mensen met loonkostensubsidie wel meer lonend wil maken is zij voornemens de Participatiewet te wijzigen. Door hier een aparte vrijlating te maken voor mensen die in deeltijd met loonkostensubsidie werken. Het wetsvoorstel tot wijziging van de Participatiewet zal naar verwachting in de tweede helft van dit jaar bij de Kamer wordt ingediend.

7. Kan de regering tevens reageren op de kritiek van de FNV? De FNV zegt dat arbeidsdeskundigen nu vaak niet kunnen aangeven wat een Wajonger gaat krijgen als zijn werksituatie verandert. De leden van de SP-fractie vinden dit zorgelijk. Zullen jonggehandicapten met de nieuwe wet wel die duidelijkheid kunnen krijgen?

Antwoord op vraag 7

De regering herkent het signaal van de FNV over de uitlegbaarheid van de inkomensregels en de weerbarstigheid om vast te stellen wat het effect zal zijn van een werksituatie die verandert. Ook UWV heeft hierover in de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel opmerkingen gemaakt. Voorlichting en communicatie over de wijzigingen zijn daarom onderdeel van de implementatie van de wijzigingen. Voor de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning wordt door UWV een online rekentool ontwikkeld als hulpmiddel voor Wajongers om de financiële gevolgen van bijvoorbeeld meer inkomsten te kunnen doorrekenen. De rekentool geldt voor de berekening van het totaal inkomen op basis van het inkomen uit arbeid en de inkomensondersteuning door UWV. Hierin worden de gevolgen voor de toeslagen niet meegenomen. Kernboodschap is dat Wajongers van iedere verdiende euro minimaal 30 cent behouden.

De leden van de SP-fractie kunnen zich om te beginnen herkennen in kritiek van de Raad van State dat er ongelijkheid is ten opzichte van jonggehandicapten die onder de Participatiewet vallen. Deze leden vinden het in zijn geheel onterecht dat jonggehandicapten met arbeidsvermogen geen Wajong-uitkering meer krijgen, maar worden afgescheept met de bijstand. Zij vinden dit een zeer onrechtvaardige maatregel die ervoor zorgt dat jonggehandicapten in de Participatiewet een veel slechtere positie hebben dan vergelijkbare jonggehandicapten in de Wajong, onder andere vanwege de partnerinkomens- en vermogenstoets. 8. Erkent de regering dit en is zij bereid dit kwalijke beleid terug te draaien?

Antwoord op vraag 8

De uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen is met de verlaging van 75 procent naar 70 procent WML in lijn gebracht met de uitkering van jonggehandicapten in de Participatiewet. Omdat beide groepen jonggehandicapt zijn en zij beiden onder de banenafspraak vallen is de regering niet voornemens om de wijziging ongedaan te maken. Daarbij moet worden aangemerkt dat in het Sociaal Akkoord (april 2013) een overdracht van Wajongers met arbeidsvermogen van het UWV naar gemeenten was voorzien, met naast een uitkeringsverlaging ook de bijbehorende partnerinkomens- en vermogenstoets. In het bijstandakkoord (afspraken tussen het vorige kabinet, D66, CU en SGP; februari 2014) is ruimte gevonden om de mensen uit het zittend bestand bij het UWV te houden met behoud van een individuele Wajonguitkering. Hierbij is wel afgesproken dat voor Wajongers met arbeidsvermogen de uitkering werd verlaagd van 75 procent naar 70 procent WML.

9. Erkent de regering dat haar beantwoording niks wegneemt van de ongelijkheid die de Raad van State constateert tussen vergelijkbare groepen jonggehandicapten in de Participatiewet en de Wajong? 10. Kan de regering nader ingaan op de kritiek? 11. Is zij bereid mogelijkheden te onderzoeken om het regime in de Participatiewet gelijk te trekken met het Wajong-regime op dit punt?

Antwoord op vragen 9 t/m 11

De regering erkent dat er verschillen zijn tussen jonggehandicapten in de Participatiewet en jonggehandicapten in de Wajong. De verschillen in behandeling van mensen in soortgelijke omstandigheden in de Participatiewet en de verschillende regelingen in de Wajong zijn ontstaan door het respecteren van bestaande rechten bij beleidswijzigingen. Sinds 2015 vallen mensen met een arbeidsbeperking die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben of niet-duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben onder de Participatiewet. Voor die groep die vóór 1 januari 2015 al in de oWajong en de Wajong2010 zat is destijds besloten om bestaande rechten te respecteren en hen niet onder de Participatiewet te brengen. Voor de mensen die vóór 1 januari 2015 al in de oWajong of Wajong2010 zaten geldt daarom ten opzichte van mensen in de Participatiewet andere regels, ook met betrekking tot het verrekenen van inkomen. Deze verschillen zijn inherent aan het karakter van deze regelingen. Daarbinnen zoekt de regering naar mogelijkheden om de uitgangspunten in de Wajong en de Participatiewet zoveel mogelijk met elkaar in lijn te brengen. Zo is de regering van mening dat werken voor mensen met een beperking, zowel in de Wajong als de Participatiewet, moet lonen. Dit uitgangspunt staat centraal in het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong en wordt ook gehanteerd bij het voorgenomen wetsvoorstel tot wijziging van de Participatiewet met betrekking tot het uitwerken van maatregelen in het kader van het breed offensief. Laatstgenoemd wetsvoorstel zal naar verwachting in de tweede helft van dit jaar bij de Kamer worden ingediend.

De Raad van State schrijft: «De soortgelijke jonggehandicapte in de Participatiewet kan – met behoud van uitkering – zonder inkomstenverrekening een gedeelte van zijn verdiende inkomen behouden, en vervolgens worden additionele inkomsten volledig verrekend.» 12. Op welke regeling wordt exact gedoeld? 13. In hoeverre kan iemand in de Participatiewet hier rechten aan ontlenen? 14. Hoe vaak wordt een beroep op deze regeling door een jonggehandicapte toegewezen en hoe vaak wordt dit afgewezen? 15. Hoe vaak wordt überhaupt op deze regeling een beroep gedaan, hoe vaak wordt deze toegewezen en hoe vaak afgewezen? 16. Welke onderzoeken zijn hierover bekend? 17. Erkent de regering dat gemeenten dit verschillend toepassen en er dus rechtsongelijkheid is? 18. Waarom formuleert de regering het niet als recht? 19. Erkent de regering dat de Participatiewet niet geschikt is voor jonggehandicapten?

Antwoord op vragen 12 t/m 19

De regeling waar hierop wordt gedoeld betreft de algemene vrijlatingsregeling van inkomsten uit arbeid zoals opgenomen in artikel 31, tweede lid, onder r van de Participatiewet. Het recht op bijstand zoals opgenomen in de Participatiewet is het vangnet van de Nederlandse sociale zekerheid en is complementair aan alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de belanghebbende die een beroep op bijstand doet, (redelijkerwijs) kan beschikken. De Participatiewet regelt in artikel 31 tweede lid expliciet welke inkomensbestanddelen niet tot de middelen worden gerekend. Hiertoe behoren onder andere – voor zover het betreft personen van 27 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd – inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten met een maximum van € 211,– per maand gedurende zes maanden, indien dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan de arbeidsinschakeling. De regering beschikt niet over specifieke (onderzoeks-) informatie hoe vaak jonggehandicapten een beroep op deze regeling doen. De regering heeft geen concrete aanwijzingen om te veronderstellen dat bij de toepassing sprake zou zijn van rechtsongelijkheid en wijst erop dat deze vrijlatingsregeling wettelijk is genormeerd. Voorts kent de Participatiewet een genormeerde structurele vrijlating van inkomsten uit arbeid tot 15 procent van deze inkomsten met een maximum van € 133,45 per maand indien het een persoon betreft die medisch urenbeperkt is.

Doel van de Participatiewet is om mensen met arbeidsvermogen die vallen onder de doelgroep van de Participatiewet naar werk toe te leiden, bij voorkeur naar regulier werk. Daarmee beoogt de Participatiewet geschikt te zijn voorjonggehandicapten. De uitvoering van de Participatiewet wordt gevolgd via monitoring en evaluatie. Uit de laatste monitor2 komt naar voren dat gemeenten steeds beter bekend zijn met de nieuwe doelgroep. Ook stijgt het aantal verstrekte loonkostensubsidies gestaag. In het najaar komt de evaluatie van de Participatiewet beschikbaar zodat de Kamer zich op basis van onderzoek een beeld kan vormen over de werking van de Participatiewet.

Het voorgaande laat onverlet dat de arbeidsdeelname van mensen met een arbeidsbeperking met kracht bevorderd moet worden. Het bieden van goede ondersteuning aan deze mensen vergt grote inspanningen van alle partijen: van gemeenten, werkgevers, de mensen zelf en het Rijk. Daarom heb ik in het najaar van 2018 samen met betrokken partijen het breed offensief gelanceerd om meer mensen met een beperking aan werk te helpen. Over de laatste stand van zaken van de uitwerking van het breed offensief heb ik de Kamer geïnformeerd bij brief van 23 mei 20193.

De Raad van State heeft ook kritiek op het feit dat in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) het recht op uitkering bij te veel inkomsten eerder wordt beëindigd en herleving van een eerder recht enkel plaatsvindt indien dit binnen vijf jaar na beëindiging van dat eerdere recht gebeurt. 20. Is de regering bereid om de regeling van de WIA ook tot pensioengerechtigde leeftijd herroepbaar te maken? 21. Is de regering bereid dit te onderzoeken?

Antwoord op vragen 20 en 21

De Wajong en de WIA zijn verschillende regelingen die andere doelen dienen en elk hun eigen kenmerken hebben. Een uitbreiding van de termijn waarin het recht kan herleven in de WIA en de WAO is op dit moment niet aan de orde. Dat neemt niet weg dat de regering het belangrijk vindt dat ook WIA-gerechtigden gestimuleerd worden om (meer) te gaan werken. Nu lopen WIA-gerechtigden het risico dat het accepteren van een baan dat zij, in geval van verlies van die baan, leidt tot een lagere uitkering in de toekomst. Dat vormt een drempel om werk te zoeken. De regering heeft aangekondigd deze drempel weg te nemen, door te regelen dat wanneer een WIA-gerechtigde meer gaat verdienen dan zijn of haar actuele restverdiencapaciteit dit inkomen 5 jaar lang geen aanleiding is voor het doen van een herbeoordeling. Voor WIA-gerechtigden wordt het aantrekkelijker om te gaan werken. De verschillen in karakter van Wajong (voorziening) en WIA (verzekering) rechtvaardigen een verschil in de mogelijkheid om het recht op deze uitkering te laten herleven.

De leden van de SP-fractie vinden het met de Raad van State onbegrijpelijk dat de loondispensatie in de Wajong niet gelijk is afgeschaft en vervangen door loonkostensubsidie, zoals in de Participatiewet. 22. Kan de regering nader ingaan op de kritiek van de Raad van State? Loondispensatie vinden deze leden oneerlijk, ook in de Wajong.

Antwoord op vraag 22

Uit verkenning van de invoering van loondispensatie in de Participatiewet is gebleken dat het toepassen van het instrument loondispensatie in de Participatiewet leidt tot complexiteit4. Zo lukt het niet om loondispensatie in de Participatiewet in te voeren zonder dat sprake is van zwaardere administratieve lasten voor de werknemers die het betreft. Ook hebben gemeenten aangegeven dat invoering van loondispensatie in de Participatiewet ook voor hen een aanzienlijke verzwaring van de uitvoeringslast tot gevolg heeft en een lange implementatieperiode kent. Voorts is bij de uitwerking gebleken dat de beoogde versimpeling voor werkgevers ook lastig te realiseren is.

Bovengenoemde redenen zijn aanleiding geweest om het instrument loondispensatie niet in te voeren in de Participatiewet. Deze discussie is echter niet een op een te vertalen naar de Wajong. Er is in de Wajong bijvoorbeeld geen sprake van een partnerinkomens- en vermogenstoets. Het instrument loondispensatie wordt in de Wajong daarnaast al jaren toegepast. De bezwaren van een verzwaring van de administratieve lasten voor werknemers en verzwaring van de uitvoeringslast gaat niet op voor de Wajong. Het introduceren van loonkostensubsidie in de Wajong zou juist het tegengestelde effect hebben. Voor de uitvoering betekent het vervangen van loondispensatie in de Wajong door loonkostensubsidie dat UWV loonkostensubsidie moet gaan uitbetalen aan werkgevers, daar waar vooralsnog geen directe betalingsrelatie met werkgevers bestaat. Momenteel werken circa 18.000 Wajongers met loondispensatie. Dit betekent dat bij de overgang van loondispensatie naar loonkostensubsidie naar verwachting een vorm van overgangsrecht noodzakelijk zal zijn. Voor de uitvoering van de Wajong betekent dit dat (opnieuw) verschillende regimes naast elkaar blijven bestaan. Het invoeren van het instrument loonkostensubsidie in de Wajong leidt daarmee tot het vergroten van de complexiteit voor de uitvoering van de Wajong.

23. Erkent de regering dat het verkrijgen van een volwaardig loon beter is voor het gevoel om mee te kunnen doen in de maatschappij?

Antwoord op vraag 23

De regering vindt het belangrijk dat het totaalinkomen van mensen die vanuit de Wajong gaan werken met loondispensatie hoger uitkomt dan het voor hen geldende sociaal minimum. Als mensen gaan werken, en als mensen méér gaan werken, wil de regering dat ze er echt op vooruit gaan. Verder acht de regering het van belang dat hun inkomen gaat naar een niveau conform het minimumloon, naar rato van het aantal uren dat zij werken. Daarom worden met voorliggend wetsvoorstel de regels voor inkomensondersteuning binnen de Wajong geharmoniseerd.

24. Is het waar dat ook in het voorliggend voorstel mensen met loondispensatie minder of geen pensioen opbouwen en mensen met loonkostensubsidie wel? Zo ja, erkent de regering dat dit ongelijkheid creëert tussen soortgelijke groepen in de Wajong en de Participatiewet? 25. Kan de regering een aantal rekenvoorbeelden geven over hoe de pensioenvorming uitwerkt voor verschillende groepen in de Wajong en Participatiewet met loondispensatie en loonkostensubsidie? 26. Is de regering bereid de loondispensatie in de Wajong te vervangen door loonkostensubsidie? Zo nee, is de regering bereid de pensioenopbouw voor mensen met loondispensatie met een verrekeningsfactor te verhogen analoog aan de factor loonwaarde? 27. Zijn er nog andere gevolgen voor de pensioenopbouw van mensen als gevolg van deze wetswijziging?

Antwoord op vragen 24 t/m 27

De regering kiest ervoor om het instrument loondispensatie dat in de Wajong al jaren wordt toegepast te behouden en de regels voor inkomensondersteuning binnen de Wajong te harmoniseren. Voorliggend wetsvoorstel heeft ten opzichte van de huidige situatie geen gevolg voor de pensioenopbouw voor Wajongers die werken met loondispensatie. Voor het instrument loondispensatie wordt de loonwaarde vastgesteld. De werkgever betaalt het loon dat overeenkomt met de loonwaarde. Het inkomen van de Wajonger wordt door UWV aangevuld met een uitkering. De grondslag voor de pensioenopbouw wordt gevormd door het loon dat een werknemer ontvangt. Omdat de inkomensondersteuning door UWV niet als loon wordt aangemerkt wordt hierover geen pensioen opgebouwd.

Het verhogen van de pensioenopbouw door te werken met een verrekeningsfactor analoog aan de factor loonwaarde is eerder verkend. De Stichting van de Arbeid heeft in 2010 ten behoeve van pensioenopbouw voor Wajongers – die reeds met loondispensatie kunnen werken – voorgesteld om voor loondispensanten de AOW-franchise te verlagen naar rato van iemands loonwaardefactor. Met zo’n verlaagde AOW-franchise kan iemand die werkt met loondispensatie op basis van een loonwaarde van 50 procent WML ongeveer half zo veel aanvullend pensioen opbouwen als een werknemer zonder beperking. Het voorstel van een AOW-franchise naar rato van de loonwaardefactor voor loondispensanten is in 2016 al verkend samen met de toenmalige Staatssecretaris van Financiën. Daaruit bleek dat dit een ingrijpende fiscale wijziging is die complexiteitsverhogend en daarmee lastig uitvoerbaar en handhaafbaar is5.

De leden van de SGP-fractie begrijpen dat het harmoniseren geen doel op zich is van dit wetsvoorstel. Dat laat onverlet dat de Afdeling advisering van de Raad van State volgens deze leden terecht wijst op het belang om te onderzoeken of verdergaande harmonisatie mogelijk is, zeker wanneer het gaat om vergelijkbare groepen die nu op basis van uiteenlopende wettelijke kaders verschillend behandeld worden. 28. Deze leden vragen op welke wijze de regering naast het traject van dit wetsvoorstel de komende tijd wil onderzoeken in hoeverre verdergaande harmonisatie mogelijk en nodig is.

Antwoord op vraag 28

De verschillen in behandeling van mensen in soortgelijke omstandigheden in de Participatiewet en de verschillende regelingen in de Wajong zijn ontstaan door het respecteren van bestaande rechten bij beleidswijzigingen. Zie ook het antwoord op de vragen 9 t/m 11. Daarbinnen zoekt de regering naar mogelijkheden om de regelingen te harmoniseren door bij beleidswijzigingen in de Participatiewet en in de Wajong telkens de afweging te maken of harmonisatie mogelijk en nodig is. Daarbij moet telkens rekening worden gehouden met de verschillen in karakter tussen de Wajong als voorziening en de Participatiewet als vangnet. In het kader van de brede agenda van «Breed offensief» wordt gezocht naar versterking van instrumenten om de arbeidsmarktkansen voor mensen met een beperking te vergroten. Daarbij wordt naast de Participatiewet doelgroep ook gekeken naar mensen met een arbeidshandicap die onder de verantwoordelijkheid van UWV vallen.

De leden van de SGP-fractie constateren dat het stimuleren tot meer werk voor de regering centraal staat in dit wetsvoorstel. Hoezeer deze leden dit uitgangspunt ook delen, vragen zij zich wel af hoe de regering rekenschap geeft van het feit dat voor veel Wajongers een groei niet reëel is. Deze leden hebben in de toelichting een uiteenzetting gemist van de uitgangspunten die ten grondslag (moeten) liggen aan een rechtvaardig stelsel van inkomensondersteuning in de Wajong. 29. Hoe verhouden zich bijvoorbeeld de berekeningen die uitgaan van de mogelijkheid om toe te groeien naar 100 procent WML tot het gegeven dat, gelet op de gemiddelde arbeidsduur van de doelgroep, velen dit percentage nooit zullen halen? Vindt de regering het billijk dat Wajongers zelfs meer kunnen verdienen dan 100 procent WML of dient dit percentage de grens te zijn, behoudens overgangsrecht? Deze leden ontvangen graag een nadere uiteenzetting.

Antwoord op vraag 29

De Wajong is een voorziening voor jonggehandicapten met een uitkering op het niveau van het sociaal minimum voor een alleenstaande, zonder een vermogens en partnerinkomenstoets. Voor de regering staat voorop dat mensen met een Wajonguitkering zeker moeten zijn van inkomensondersteuning. Uitgangspunt daarbij is dat voor mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen, (meer) werken moet lonen en dat ontwikkeling en eventueel uitkeringsonafhankelijkheid niet worden belemmerd. De regering kiest voor een systeem waarbij het totale inkomen stijgt naarmate iemand meer uren per week werkt tot het niveau van 100 procent WML bij voltijds werk. Door de systematiek van de Wajong is het totaal inkomen (inkomen uit arbeid en inkomens-ondersteuning) voor iemand die vanuit de Wajong met een medische urenbeperking werkt hoger dan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren. Wajongers die werken zonder loondispensatie met een functie boven WML kunnen volledig uitkeringsonafhankelijk worden en een inkomen van meer dan 100 procent WML vergaren.

Hoofdstuk 2 Maatregelen

2.1 Regels voor inkomensondersteuning harmoniseren

De leden van de VVD-fractie lezen dat oWajongers meer overhouden van extra’s boven het maandinkomen. 30. Tellen deze extra’s door de nieuwe manier van verreken nu als gewerkte uren? Om te voorkomen dat werkende Wajongers er op achteruit gaan als de geharmoniseerde regeling inwerking treedt, ontvangen zij een individueel garantiebedrag. De leden van de VVD-fractie vragen de regering wanneer een werkende Wajonger een eenmalige extra ontvangt of dit dan verrekend wordt met dit garantiebedrag.

Antwoord op vraag 30

De regering maakt van de gelegenheid gebruik om uw Kamer in de beantwoording van deze vraag te informeren over de stand van zaken van de verkenning voor opties om extra’s (zoals een bonus of gratificatie) boven het maandinkomen niet te verrekenen met de inkomensondersteuning. Deze verkenning isaangekondigd in antwoorden op de vragen van de leden Nijkerken-de Haan en Aukje de Vries (beiden VVD) over een bericht op facebook (ingezonden 4 april 2019)6. Het vrijstellen van extra’s boven het maandinkomen vergt dat UWV kan beschikken over betrouwbare gegevens over de feitelijke hoogte van deze extra’s.

UWV geeft aan dat dit slechts na aanpassing van de Wet op de loonbelasting 1964 uitvoerbaar is. Alleen door naast een extra uitkering voor 25- en 40-jaar dienstjubilea ook andere extra’s uit te sluiten van het loonbegrip, kunnen deze inkomsten buiten de verrekening van de uitkering blijven. Dit zou ertoe leiden dat deze extra uitkering en andere extra’s niet worden meegenomen in de verrekening van de uitkering. Een dergelijke uitbreiding acht de regering vanwege de generieke doorwerking naar alle werknemers disproportioneel. Dit laat onverlet dat met de voorgestelde geharmoniseerde inkomensregeling Wajongers bij het ontvangen van extra’s boven het maandinkomen in ieder geval minimaal 30 procent behouden.

Voor de Wajongers die in het kader van de garantieregeling een uitkering ontvangen ter hoogte van het garantiebedrag, geldt dat zij eenmalige beloningen volledig kunnen behouden. Bij een (tijdelijke) toename van het inkomen door bijvoorbeeld een extra bovenop het maandinkomen blijft het garantiebedrag van toepassing.

31. De leden van de VVD-fractie vragen hoelang werkende Wajongers aanspraak kunnen maken op een individueel garantiebedrag voor de Wajong-uitkering. 32. Hoe valt het voor betrokkenen na te rekenen of zij het juiste bedrag ontvangen hebben? Is de regering bereid hiertoe een eenvoudige rekentool te ontwikkelen die betrokkenen of hun begeleiders zelf kunnen invullen?

Antwoord op vragen 31 en 32

De aanspraak op het garantiebedrag is niet in duur beperkt, maar is afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden van de jonggehandicapte. De aanspraak op het garantiebedrag vervalt indien de inkomensondersteuning op grond van de nieuwe regels gedurende een aaneengesloten periode van twee maanden hoger is dan het garantiebedrag of indien gedurende een aaneengesloten periode van twee maanden geen inkomen is genoten. Dit betekent dat de jonggehandicapte aanspraak maakt op het garantiebedrag voor zolang de dienstbetrekking voortduurt en de jonggehandicapte hetzelfde aantal uren of meer uren werkt. Indien de jonggehandicapte van baan wisselt maakt de jonggehandicapte tijdens de nieuwe dienstbetrekking aanspraak op het garantiebedrag als die nieuwe dienstbetrekking binnen twee maanden na einde van de eerdere dienstbetrekking start. Als de jonggehandicapte minder uren gaat werken en daardoor minder inkomen geniet kan dat tot gevolg hebben dat de inkomensondersteuning op basis van de voorliggende wetgeving het garantiebedrag overstijgt. Als deze situatie minimaal twee maanden voortduurt vervalt de aanspraak op het garantiebedrag.

Het garantiebedrag wordt door UWV berekend op basis van het gemiddelde inkomen over een periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning. Deze periode zal worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur waarbij de periode voor verschillende gevallen verschillend kan worden vastgesteld. Op basis van de uitvoeringstoets van UWV wordt gedacht aan het gemiddelde inkomen in de maanden september, oktober en november van het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding. De maand december wordt buiten beschouwing gelaten omdat deze maand niet representatief is voor het gemiddelde inkomen gedurende een jaar.

Het vaststellen van het garantiebedrag is maatwerk. De hoogte hangt af van het gemiddelde inkomen in een voorgaande periode en de van toepassing zijnde inkomensregeling (oWajong, Breman-regeling, werkregeling, voortgezette werkregeling). Wajongers in loondienst met uitzondering van diegene die in december zijn begonnen met werken, ontvangen bij vaststelling van de hoogte van het garantiebedrag in de eerste maand na inwerkingtreding de berekening van dit garantiebedrag. Hierin wordt inzichtelijk gemaakt hoe het garantiebedrag door UWV berekend is. UWV is daarnaast voornemens om voor het berekenen van de hoogte van de uitkering op basis van de nieuwe inkomensregeling een nieuwe rekentool in het leven te roepen. Met deze rekentool én de ontvangen beslissing garantiebedrag kan de Wajonger een inschatting maken of de nieuwe inkomensregeling gunstiger of minder gunstig uitpakt. De defintieve berekening en beslissing zal door UWV worden uitgevoerd. Duidelijke communicatie richting de Wajonger is hierbij van groot belang.

33. Er staat dat werkende Wajongers er niet direct op achteruit kunnen gaan. Wat wordt bedoeld met direct?

Antwoord op vraag 33

Met direct wordt bedoeld dat Wajongers die werken er door inwerkingtreding van het wetsvoorstel in totaalinkomen niet op achteruit gaan door het instellen van het garantiebedrag. Wijzigingen in de persoonlijke (werk)situatie kunnen echter, net als onder de huidige wetgeving, wel leiden tot een inkomensachteruitgang.

34. De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel mensen met een oWajong-uitkering via de Bremanregeling meer dan het WML verdienen (tot aan maximaal 120 procent WML). 35. Kan het voor deze groep dan betekenen dat, door de systematiek van het garantiebedrag, het uitgangspunt van meer werken moet meer lonen niet gaat gelden? 36. Hoe groot is deze groep?

Antwoord op vragen 34 t/m 36

Het aantal mensen in de Bremanregeling bedraagt jaarlijks circa 3.000. Ook voor mensen in de Bremanregeling geldt het overgangsregime als zij werken op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning. De jonggehandicapte maakt aanspraak op het garantiebedrag voor zolang de dienstbetrekking voortduurt en de jonggehandicapte hetzelfde aantal uren of meer uren werkt. Als een jonggehandicapte in de Bremanregeling te maken krijgt met het garantiebedrag en de inkomsten uit arbeid nemen toe, dan neemt ook het totaal inkomen toe. Ook voor hen geldt daarmee dat meer werken gaat lonen.

In de huidige situatie is het zo dat Wajongers die stoppen met werken teruggaan naar het niveau van de grondslag. Voor Wajongers met arbeidsvermogen is dit 70 procent WML. Voor Wajongers in de Bremanregeling kan dit betekenen dat zij van 120 procent WML naar 70 procent WML gaan als zij stoppen met werken. In de nieuwe situatie vervalt de aanspraak op het garantiebedrag indien de inkomensondersteuning op grond van de nieuwe regels gedurende een aaneengesloten periode van twee maanden hoger is dan het garantiebedrag. Dit betekent bijvoorbeeld dat de jonggehandicapte aanspraak maakt op het garantiebedrag voor zolang de dienstbetrekking voortduurt of binnen twee maanden na einde dienstbetrekking een nieuwe dienstbetrekking wordt gestart, tot het moment dat de inkomensondersteuning op basis van voorliggende wetgeving het garantiebedrag gedurende twee maanden overstijgt.

Het is niet mogelijk om al te zeggen hoeveel mensen te maken krijgen met het garantiebedrag. Hiervoor is namelijk een inschatting nodig van het aantal mensen dat op de dag voor inwerkingtreding van het wetsvoorstel werkt en inkomensondersteuning ontvangt die hoger is dan de inkomensondersteuning die de betreffende Wajonger op basis van de geharmoniseerde regeling zou gaan ontvangen.

De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over mogelijk inkomensverlies voor mensen met een medische urenbeperking en over hun toekomstperspectief. In het wetsvoorstel wordt door de voorgestelde regels voor het berekenen van de uitkering en het loslaten van de Bremanregeling, naar het oordeel van deze leden, onvoldoende rekening gehouden met het feit dat mensen met een medische urenbeperking wel meer willen, maar niet meer kunnen werken. Voorkomen moet worden dat mensen die als gevolg van hun beperking niet fulltime kunnen werken, hun hele leven onder het WML blijven vallen en daarmee onder het bijstandsregime met de bijbehorende plichten en sancties. 37. Kan de regering aangeven hoe het uitgangspunt van het wetsvoorstel, dat werken moet lonen, zich verhoudt tot mensen met een medische beperking? 38. Is de regering het met deze leden eens dat het wetsvoorstel voor deze groep mensen geen vooruitgang betekent en hen niet stimuleert, integendeel demotiveert, om te studeren en te werken, omdat zij er financieel niet beter van worden? Deze leden zien graag een uitgebreide toelichting van de regering en een oplossing voor dit probleem tegemoet.

Antwoord op vragen 37 en 38

In reactie op de zorgen van de leden van de CDA-fractie dat Wajongers met een medische urenbeperking hun hele leven onder WML blijven en daarmee onder bijstandsregime en bijbehorende plichten en sancties wil ik aangeven dat de Wajong, anders dan de Participatiewet een individueel uitkeringsrecht betreft zonder vermogens- en partnerinkomenstoets. De basis voor Wajongers betreft een individueel inkomen op het niveau van het sociaal minimum voor een alleenstaande.

De regering is het niet met deze leden eens dat het wetsvoorstel mensen met een medische urenbeperking niet stimuleert om te studeren en te werken. Ook voor mensen met een medische urenbeperking geldt dat (meer) werken in de nieuwe inkomensregeling loont. Als iemand niet werkt, is zijn inkomensondersteuning per dag conform de standaard norm van 70 procent van de grondslag.

In de huidige regelingen voor inkomensondersteuning in de Wajong wordt geen onderscheid gemaakt voor de mensen met een medische uren beperking. Indien iemand niet in staat is om voltijds te werken, ontvangt diegene op basis van de regeling voor inkomensondersteuning een aanvulling op het inkomen uit arbeid.

Door de systematiek van de Wajong is het totaal inkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning) voor iemand die vanuit de Wajong met een medische urenbeperking werkt hoger dan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren.

Alleen in het geval een medisch urenbeperkte in de huidige voortgezette werkregeling in de Wajong2010 een inkomen vergaart van meer dan 20 procent WML, wordt dit inkomen aangevuld tot 100 procent WML. Juist in deze situatie worden Wajongers niet gestimuleerd om meer te gaan werken en loont meer werken ook niet. Het inkomen blijft bij meer werken aangevuld tot 100 procent WML.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering ervoor zorg te dragen de rekenregels niet te ingewikkeld te maken. Ook Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en andere instanties wijzen hierop. De voorgestelde formule voor de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning kan mensen met wisselende inkomsten onbedoeld in de problemen brengen. 39. Hoe gaat de regering voorkomen dat er uitvoeringsproblemen ontstaan en mensen van wie het inkomen afwijkt door wisselende inkomsten achteraf geconfronteerd worden met terugvorderingen?

Antwoord op vraag 39

De regering is het met deze leden eens dat de rekenregels niet te ingewikkeld moeten zijn. Daarom heeft de regering bij het vormgeven van de inkomensregeling gekozen voor eenvoud. Met de harmonisering van de regels voor inkomensondersteuning wordt het aantal regelingen teruggebracht van circa elf naar een regeling voor Wajongers met arbeidsvermogen en een regeling voor Wajongers zonder arbeidsvermogen. De regering herkent de signalen over de uitlegbaarheid van de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning en met name de compensatiefactor voor Wajongers die werken met loondispensatie. Ook UWV heeft hierover in de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel opmerkingen gemaakt. De formules en teksten zoals opgenomen in de artikelen en memorie van toelichting van het wetsvoorstel zijn noodzakelijkerwijs technisch van aard. In deze vorm zal niet over de wijzigingen gecommuniceerd worden richting Wajongers. Zo wordt voor de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning door UWV een online rekentool ontwikkeld als hulpmiddel voor Wajongers om de financiële gevolgen van bijvoorbeeld meer inkomsten te kunnen doorrekenen. De rekentool geldt voor de berekening van het totaal inkomen op basis van het inkomen uit arbeid en de inkomensondersteuning door UWV. Hierin worden de gevolgen voor de toeslagen niet meegenomen. Voorlichting en communicatie over de wijzigingen door UWV is onderdeel van de implementatie van de wijzigingen. Dit geldt niet alleen in de communicatie, maar bijvoorbeeld ook voor arbeidsdeskundigen en uitkeringsdeskundigen. Kernboodschap is dat Wajongers van iedere verdiende euro, minimaal 30 cent mogen behouden.

Het bedrag dat iemand aan aanvullende uitkering ontvangt blijft bij de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning afhankelijk van het inkomen. Als het inkomen afwijkt van de verwachting of sprake is van wisselende inkomsten, zal ook bij de geharmoniseerde regeling van inkomensondersteuning sprake zijn van herberekening en waar nodig nabetaling of terugvordering. UWV schenkt in de uitvoering veel aandacht aan het verrekenen van inkomen met de uitkering en de duidelijke communicatie hierover naar de Wajongers toe. Voorspellen wat het effect van een hoger of lager inkomen op de uitkering is, wordt met de nieuwe inkomensregeling eenvoudiger. Wajongers met wisselende inkomens kunnen daardoor beter rekening houden met dit effect.

De leden van de D66-fractie zijn content dat de regering beoogt dat niemand er in de harmonisatie op achteruitgaat door het instellen van een garantieregeling. 40. De leden van de D66-fractie vragen de regering op welke wijze de garantieregeling wordt opgezet in het geval van (sterk) wisselende inkomens of (sterk) wisselend aantal uren dat gewerkt is.

Antwoord op vraag 40

Het garantiebedrag wordt door UWV berekend op basis van het gemiddelde inkomen over een periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning. Deze periode wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur waarbij de periode voor verschillende gevallen verschillend kan worden vastgesteld. Op basis van de uitvoeringstoets van UWV wordt gedacht aan het gemiddelde inkomen in de maanden september, oktober en november van het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding. De maand december wordt buiten beschouwing gelaten omdat deze maand niet representatief is voor het gemiddelde inkomen gedurende een jaar. Als in de betreffende maanden in het jaar voorafgaand aan inwerkingtreding van het wetsvoorstel sprake was van wisselende inkomsten, bepaalt het gemiddelde van deze inkomsten de hoogte van het garantiebedrag.

41. Daarnaast vragen deze leden of de regering kan bevestigen dat (meer) werken in alle gevallen loont in de nieuwe regeling.

Antwoord op vraag 41

De regering kan bevestigen dat (meer) werken altijd loont voor Wajongers met arbeidsvermogen. Voor de Wajongers die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben loont (meer) werken bij een inkomen van minimaal 20 procent WML.

42. Hoe zorgt de regering dat, bijvoorbeeld bij het verdienen van een stagevergoeding tijdens de opleiding of bij het met terugwerkende kracht ontvangen van een salarisverhoging, er voor een Wajonger een duidelijk beeld ontstaat van rechten en plichten?

Antwoord op vraag 42

Voorlichting en communicatie zijn een belangrijk aandachtspunt in de uitvoering van de Wajong. UWV heeft alle Wajongers met arbeidsvermogen in beeld en biedt hen actieve ondersteuning. Ook heeft UWV periodiek contact met deze Wajongers. Wajongers die vragen hebben over de gevolgen van het inkomen voor de uitkeringshoogte kunnen deze vragen tijdens het periodiek contact met UWV stellen of daarvoor de rekenhulpen raadplegen die beschikbaar zijn op de website van UWV. Daarnaast kunnen Wajongers voor vragen over het verrekenen van inkomsten met de uitkering terecht bij het klantcontactcentrum van UWV.

43. In hoeverre kan het in het voorstel voorkomen dat er door een salarisverhoging via plaatsing in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse een achteruitgang van het totale inkomen plaatsvindt?

Antwoord op vraag 43

Met de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning komt ook de indeling in arbeidsongeschiktheidsklassen in de oWajong te vervallen. De zogenoemde zaagtand in de oWajong waardoor werken niet in alle gevallen loont, komt hiermee te vervallen.

De leden van de D66-fractie constateren teleurgesteld dat het in het voorstel niet mogelijk wordt om zonder uitkering 100 procent van het WML per uur te verdienen voor mensen met een medische urenbeperking die wel het maximaal aantal uren werken dat ze aankunnen. 44. Deze leden vragen de regering waarom niet meer gewicht wordt gegeven aan de inspanning van deze groep.

Antwoord op vraag 44

In reactie op de zorgen van de leden van de CDA-fractie dat Wajongers met een medische urenbeperking hun hele leven onder WML blijven en daarmee onder bijstandsregime en bijbehorende plichten en sancties wil ik aangeven dat de Wajong, anders dan de Participatiewet een individueel uitkeringsrecht betreft zonder vermogens- en partnerinkomenstoets. De basis voor Wajongers betreft een individueel inkomen op het niveau van het sociaal minimum voor een alleenstaande.

De regering is het niet met deze leden eens dat het wetsvoorstel mensen met een medische urenbeperking niet stimuleert om te studeren en te werken. Ook voor mensen met een medische urenbeperking geldt dat (meer) werken in de nieuwe inkomensregeling loont. Als iemand niet werkt, is zijn inkomensondersteuning per dag conform de standaard norm van 70 procent van de grondslag.

In de huidige regelingen voor inkomensondersteuning in de Wajong wordt geen onderscheid gemaakt voor de mensen met een medische uren beperking. Indien iemand niet in staat is om voltijds te werken, ontvangt diegene op basis van de regeling voor inkomensondersteuning een aanvulling op het inkomen uit arbeid.

Door de systematiek van de Wajong is het totaal inkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning) voor iemand die vanuit de Wajong met een medische urenbeperking werkt hoger dan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren.

Alleen in het geval een medisch urenbeperkte in de huidige voortgezette werkregeling in de Wajong2010 een inkomen vergaart van meer dan 20 procent WML, wordt dit inkomen aangevuld tot 100 procent WML. Juist in deze situatie worden Wajongers niet gestimuleerd om meer te gaan werken en loont meer werken ook niet. Het inkomen blijft bij meer werken aangevuld tot 100 procent WML.

45. Is de systematiek voor het bepalen van de medische urenbeperking voldoende precies om de uitkering op te baseren? 46. Zijn er nog verbeteringen mogelijk bij het vaststellen van de medische urenbeperking?

Antwoord op vragen 45 en 46

UWV zou op basis van een beoordeling kunnen vaststellen of sprake is van een medische urenbeperking. Op basis van theoretische gronden (los van een werkplek) vaststellen van het aantal mogelijk te werken uren is volgens de regering echter complex en onvoldoende betrouwbaar om de hoogte van de inkomensregeling op te baseren. Zo is in 2017 gebleken dat het niet uitvoerbaar is om op theoretische gronden vast te stellen wat de resterende verdiencapaciteit van iemand is. De regering verwacht daarnaast dat baseren van de hoogte van de uitkering op de hoogte van een medische urenbeperking vanwege het financiële belang zal leiden tot veel bezwaar beroep. Ook vergt het vaststellen van een medische urenbeperking artsencapaciteit. De Minister van SZW heeft uw Kamer met de stand van de uitvoering geïnformeerd over stand van zaken met betrekking tot de balans tussen benodigde en beperkt beschikbare artsencapaciteit voor uit te voeren sociaal medische beoordelingen7.

47. De leden van de D66-fractie vragen de regering daarnaast om uiteen te zetten hoeveel mensen er in de Wajong met een medische urenbeperking aan het werk zijn en hoe de gewerkte uren zich verhouden tot de uren die zij kunnen werken.

Antwoord op vraag 47

Sinds de invoering van de Wajong2015 is ook de schattingsmethodiek voor de Wajong veranderd. Dit heeft tot gevolg dat geen urenbeperkingen meer worden vastgelegd. In de oWajong en Wajong2010 gebeurde dit wel. Alleen voor de oWajong is de informatie zodanig ontsloten dat een betrouwbare telling kon plaatsvinden. Van het aantal mensen in de oWajong kon op het moment van de eerste claimbeoordeling 94 procent voltijds werken, 1 procent kan maximaal 10 uur werken, 4 procent maximaal 20 uur en 1 procent maximaal 30 uur. Op basis van de beschikbare informatie bij UWV is niet te achterhalen in hoeverre dit overeenkomt met het aantal uren dat de betreffende Wajongers daadwerkelijk werken. Wel is bekend hoeveel uren Wajongers werkend bij een reguliere werkgever eind 2018 werkten. Eind 2018 werkten ruim 39.000 Wajongers bij een reguliere werkgever. Daarvan had 29 procent een aanstelling van maximaal 12 uur per week; 16 procent een aanstelling van meer dan 12 tot maximaal 20 uur; 17 procent een aanstelling van meer dan 20 tot maximaal 30 uur en 38 procent een aanstelling van meer dan 30 uur per week. In hoeverre dat overeenkomt met de uren die zij kunnen werken, is op basis van de beschikbare informatie bij UWV niet te achterhalen.

48. Zij constateren verder dat er in de Participatiewet een vrijstelling bestaat voor mensen met een medische urenbeperking. Deze leden vragen de regering uiteen te zetten waarom er niet voor gekozen is, analoog aan de Participatiewet, een inkomensvrijlating voor deze doelgroep in de Wajong voor de nieuwe situatie in te stellen.

Antwoord op vraag 48

De Participatiewet is – anders dan de Wajong – ingericht als vangnet van de Nederlandse sociale zekerheid. Het uitgangspunt is dan ook dat de bijstand altijd complementair is op de eigen middelen (inkomen/vermogen) van de belanghebbende. In de Participatiewet zijn – onder voorwaarden – voor belanghebbenden die naast hun inkomen uit arbeid, recht hebben op aanvullende algemene bijstand, een aantal uitzonderingen op dit complementariteitsbeginsel gemaakt door een deel van het inkomen uit arbeid vrij te laten. Deze vrijlatingsregelingen zijn in beginsel tijdelijk, omdat de Participatiewet als vangnet tot doel heeft om de belanghebbenden te stimuleren door middel van het verrichten van arbeid, de bijstand uit te stromen. Belanghebbenden met een medische urenbeperking hebben vanwege hun beperking niet de mogelijkheid om méér uren te gaan werken en daardoor uit de bijstand te stromen; voor hen geldt dan ook dat de vrijlatingsregeling van inkomsten uit arbeid, een structureel karakter heeft.

In de Wajong wordt geen onderscheid gemaakt tussen Wajongers met en Wajongers zonder een medische urenbeperking. Immers, het recht op een uitkering op grond van de oWajong of de Wajong2010 is gekoppeld aan het gegeven dat iemand niet in staat in om zelfstandig 75 procent van het minimumloon te verdienen, ongeacht de oorzaak hiervan (o.a. medische urenbeperkt, anderszins urenbeperkt, verminderde loonwaarde.). Het recht op Wajong geeft deze mensen inkomensbescherming op het niveau van het sociaal minimum, zonder partnerinkomens- en vermogenstoets. In dit opzicht verschilt de Wajong van de Participatiewet. Met de nieuwe inkomensregeling in de Wajong behouden werkende Wajongers van iedere verdiende euro ten minste 30 cent.

De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat voor Wajongers met inkomen uit een onderneming specifieke maatregelen gelden. Hoewel deze leden maatwerk voor zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) in de Wajong ondersteunen, constateren zij echter ook dat er tussen de eerdere Wajong-regimes verschillen bestaan in de berekeningsmethoden voor het bepalen van de hoogte van de uitkering voor deze groep. 49. Klopt de constatering van deze leden dat de berekeningsmethoden voor de uitkering van zzp’ers in de Wajong met deze harmonisatie niet uniform zijn geworden? Zo ja, kan de regering aangeven waarom hier geen harmonisatie in is aangebracht?

Antwoord op vraag 49

De inkomensregeling voor Wajongers die werken als zelfstandige zonder personeel is gelijk aan de inkomensregeling voor Wajongers die werken als werknemers. Echter, de systematiek op basis waarvan het inkomen uit onderneming wordt vastgesteld is anders, maar wel uniform voor alle Wajongers die werken als zelfstandige zonder personeel. Het inkomen van een zelfstandige wordt vanwege de fiscale afwikkeling pas twee jaar na sluiting van een boekjaar definitief vastgesteld. In overleg met een Wajonger die werkt als zelfstandige, stelt UWV daarom een voorlopig maandinkomen vast. Op basis van dit inkomen wordt een voorlopige uitkering vastgesteld. Op basis van het vastgestelde definitieve inkomen in jaar t+2 volgt een definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering en eventuele verrekening van te veel of te weinig uitbetaalde uitkering.

50. Kan de regering daarnaast inzicht geven op welke wijze het bruto inkomen van een werknemer wordt verrekend met een Wajong-uitkering en met een Participatiewet-uitkering en hoe dat werkt bij een zzp’er in de Wajong of in de Participatiewet? 51. Hoe worden heffingskortingen (arbeidskorting en algemene heffingskorting) en aftrekposten (zoals de zelfstandigenaftrek en midden- en kleinbedrijf (MKB)-winstvrijstelling) daarbij meegenomen? 52. Kan de regering daarnaast uiteenzetten welke verschillen er verder bestaan in de fiscale behandeling van Wajongers en niet-Wajongers die werkzaam zijn als werknemer en hetzelfde in het geval van zzp-schap? De leden van de D66-fractie vragen de regering daarbij in het geval van verschillende behandeling de beweegredenen achter deze verschillen nader uiteen te zetten.

Antwoord op vragen 50 t/m 52

De Participatiewet kent als vangnet een netto-uitkering. De netto-inkomsten worden, behoudens een eventuele vrijlating, volledig verrekend met de bijstandsuitkering. Fiscale voordelen, zoals de arbeidskorting, die leiden tot hogere netto-inkomsten worden op dezelfde wijze verrekend.

De Wajong betreft een brutouitkering. Voor Wajongers die in loondienst werken wordt het brutoloon verrekend met de uitkering. Eventuele fiscale voordelen die leiden tot een hoger nettoloon zorgen voor een hoger totaalinkomen. De algemene heffingskorting is voor alle Wajongers van toepassing en geeft daarmee geen verschil in inkomen tussen werkenden en niet werkenden. Voor zelfstandigen zonder personeel geldt eenzelfde inkomensverrekening conform de geldende inkomensregeling. Zoals hiervoor aangegeven (antwoord op vraag 49) wordt voor zelfstandigen gewerkt met een voorlopige inschatting van het jaarinkomen en op basis daarvan een voorlopige uitkering vastgesteld. Specifiek voor Wajongers bestaat de jonggehandicaptenkorting. Deze leidt tot een lager fiscaal inkomen voor alle Wajongers en daarmee een hoger totaalinkomen.

53. Tot slot vragen de leden van de D66-fractie in hoeverre Wajongers die als zzp’er werken verliezen in eerdere boekjaren mogen verrekenen met de winst uit het huidige boekjaar en/of bij de verrekening met de Wajong-uitkering ook rekening wordt gehouden met verliezen uit eerdere boekjaren. Indien dit niet is toegestaan, kan de regering uiteenzetten waarom dit bij Wajongers niet het geval is?

Antwoord op vraag 53

Op basis van het Algemeen inkomensbesluit en de regeling samenloop wordt in het kader van de Wajong het inkomen in een bepaald jaar verrekend met de uitkering. UWV past daarbij het inkomen uit de onderneming toe nadat deze fiscaal is vastgesteld. In het jaar waarop de onderneming van een Wajonger verlies heeft gedraaid, stelt UWV het inkomen op nihil en ontvangt deze Wajonger een volledige uitkering.

54. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering nader kan toelichten waarom het invoeren van het instrument loonkostensubsidie zou leiden tot het vergroten van de complexiteit voor de uitvoering van de Wajong. Leidt invoering van loonkostensubsidie in de Wajong juist niet tot minder complexiteit voor werkgevers, omdat zij dan met minder regelingen te maken hebben? 55. Kan de regering bevestigen dat invoeren van loonkostensubsidie ook zou leiden tot een vermindering van de administratieve lasten voor werknemers? Deze leden vragen of dat niet is wat beoogd zou moeten beogen.

Antwoord op vragen 54 en 55

De gevolgen van het vervangen van loondispensatie in de Wajong door loonkostensubsidie zijn afhankelijk van de vormgeving van de regeling en afhankelijk van de vraag of de regeling ook gaat gelden voor bestaande arbeidsrelaties. Essentieel daarbij is de wijze waarop de verrekening van inkomen wordt vormgegeven.

Voor de uitvoering betekent het vervangen van loondispensatie in de Wajong door loonkostensubsidie dat UWV loonkostensubsidie moet gaan uitbetalen aan werkgevers, daar waar vooralsnog geen directe betalingsrelatie met werkgevers bestaat. Het instrument loondispensatie wordt al jaren toegepast in de Wajong. Momenteel werken circa 18.000 Wajongers met loondispensatie. Dit betekent dat bij de overgang van loondispensatie naar loonkostensubsidie naar verwachting een vorm van overgangsrecht noodzakelijk zal zijn. Voor de uitvoering van de Wajong betekent dit dat (opnieuw) verschillende regimes naast elkaar blijven bestaan. Het invoeren van het instrument loonkostensubsidie in de Wajong leidt daarmee tot het vergroten van de complexiteit voor de uitvoering van de Wajong.

Of werkgevers met minder regelingen te maken krijgen bij het vervangen van loondispensatie in de Wajong door loonkostensubsidie, hangt onder meer af van de vormgeving en duur van het overgangsrecht. Invoeren van loonkostensubsidie in de Wajong leidt voor werkgevers tot extra administratieve lasten omdat werknemers die zij in dienst hebben uit de Wajong die werken met loondispensatie (op den duur) te maken krijgen met een ander instrument. Over het algemeen zijn de administratieve lasten voor loondispensatie lager voor werkgevers. Dit is naar voren gekomen uit het onderzoek van APE naar de effectiviteit en werking van loondispensatie en loonkostensubsidie8. Daarnaast is het van belang om op te merken dat de kosten voor werkgevers bij omzetten van loondispensatie in een loonkostensubsidie toenemen. Veel werkende Wajongers met loondispensatie zijn ingeschaald op een functieloon boven het wettelijk minimumloon. De huidige loonkostensubsidie conform de Participatiewet compenseert werkgevers niet voor de loonkosten boven het wettelijk minimumloon. Invoering van loonkostensubsidie in de Wajong conform Participatiewet zorgt daarnaast voor een toename van de lasten voor het Rijk vanwege de opslag voor werkgeverslasten.

De vraag of het invoeren van loonkostensubsidie zou leiden tot een vermindering van de administratie lasten voor werknemers is afhankelijk van de wijze waarop de verrekening van inkomen wordt vormgegeven. De huidige en voorgestelde inkomensregelingen brengen met zich mee dat werknemers te maken hebben met twee inkomstenbronnen en het verrekenen van inkomen. Ook bij loonkostensubsidie blijven de meeste werkende Wajongers naast het inkomen uit arbeid, inkomensondersteuning ontvangen afhankelijk van de mate waarin zij werken. Bij het handhaven van de voorgestelde inkomensregeling blijft het totaalinkomen gelijk, maar neemt voor mensen met loondispensatie bij invoering van loonkostensubsidie het aandeel loon in het totaalinkomen toe.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering om uitgebreid toe te lichten wat dit wetsvoorstel voor effect heeft voor mensen met een medische urenbeperking en mensen die nu werken met een hoger maatmaninkomen. 56. Is het mogelijk een ruimere vrijlatingsregeling te creëren voor deze groepen, omdat zij al werken naar vermogen, dan wel een hogere opleiding hebben?

Antwoord op vraag 56

Door de systematiek van de Wajong is het totaalinkomen voor iemand die vanuit de Wajong met een medische urenbeperking werkt hoger dan het loon van reguliere werknemers die in dezelfde mate (slechts) in deeltijd (kunnen) werken. Ook voor mensen met een medische uren beperking geldt dat (meer) werken in de nieuwe inkomensregeling loont. Als iemand niet werkt, is zijn inkomensondersteuning per dag conform de standaard norm van 70 procent WML. Naarmate iemand gaat werken of meer gaat werken, neemt zijn totale inkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning) toe.

Het hebben van een hoger maatmaninkomen is afhankelijk van het al dan niet hebben afgerond van een hogere opleiding. Indien iemand een hoger maatmaninkomen zal mogelijk een uurloon kunnen realiseren dat hoger is dan het wettelijk minimumloon en daarmee uiteindelijk ook een hoger totaal inkomen kunnen realiseren. Voor mensen met een functieloon boven het WML en volledige loonwaarde geldt dat zij boven 100 procent WML uit kunnen komen. In dat geval is er geen sprake van inkomensondersteuning. Figuur I illustreert het verloop van inkomen voor mensen met en zonder loondispensatie bij een functieloon op WML en 120 procent WML.

Figuur I: Nieuwe regeling bij verschillende loonwaardes en functieloon

Figuur I: Nieuwe regeling bij verschillende loonwaardes en functieloon

De regering kiest er niet voor om een aparte of aanvullende vrijlatingsregeling te creëren voor mensen met een medische uren beperking en mensen die werken met een hoger maatmaninkomen. Ook in de andere arbeidsongeschiktheidswetten is bij de verrekening van inkomsten geen sprake van aparte regelingen indien sprake is van beperkte duurbelastbaarheid. Het voorliggende wetsvoorstel heeft tot doel harmonisatie en vereenvoudiging van de Wajong. Invoeren van een aparte of aanvullende vrijlating voor deze groepen maakt de uitvoering van de Wajong juist complexer. In de Wajong wordt, ook op dit moment, geen onderscheid gemaakt tussen Wajongers met en Wajongers zonder een medische urenbeperking. Door de systematiek van de Wajong is het totaal inkomen voor iemand die vanuit de Wajong met een medische urenbeperking werkt hoger dan het loon van reguliere werknemers die in dezelfde mate (slechts) in deeltijd (kunnen) werken. Met de nieuwe inkomensregeling mogen werkende Wajongers van iedere verdiende euro ten minste 30 cent houden. Een hoger loon uit arbeid leidt tot een hoger totaal inkomen van de Wajonger. Het effect van het opleidingsniveau op het inkomen is voor Wajongers gelijk aan reguliere werknemers.

57. Is de regering bereid de mogelijkheid tot maatmanwissel te behouden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 57

In principe wordt het maatmanloon eenmalig vastgesteld op het moment dat de Wajong-uitkering wordt toegekend. Als iemand geen werk heeft staat het maatmanloon gelijk aan het wettelijk minimum (jeugd)loon. Als iemand werkt wordt er gekeken of er een maatgevende functie is vast te stellen. Het maatmanloon kan dan daarmee worden bepaald. Het bijbehorende maatmanloon kan hoger zijn dan het wettelijk minimumloon. Er zijn uitzonderingen waarbij het maatmanloon opnieuw wordt vastgesteld. Dit is bijvoorbeeld het geval als iemand hoger opgeleid is of als iemand nieuwe bekwaamheden heeft verworven.

De maatmanwissel blijft behouden voor het vaststellen van het recht op Wajong. Met de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning komt de maatmanwissel als onderdeel van de inkomensregeling in de oWajong bij de indeling in arbeidsongeschiktheidsklassen te vervallen. Hiermee neemt de eenduidigheid in de uitvoering en uitlegbaarheid aan Wajongers van de regels voor inkomensondersteuning toe. De zogenoemde zaagtand in de oWajong waardoor werken niet in alle gevallen loont, komt hiermee te vervallen.

58. De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering om nader toe te lichten waarom de grens van 20 procent WML is gekozen. Hoe strookt dat het met principe van de regering dat werken moet lonen?

Antwoord op vraag 58

De grens van 20 procent WML is alleen aan de orde voor Wajongers die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, is de kans klein dat zij betaalde arbeid gaan verrichten. Zo had ongeveer 1 procent van de mensen met een Wajong2015 uitkering ultimo 2018 een beperkt inkomen uit arbeid. Voor mensen die duurzaam geen mogelijkheden hebben geldt dezelfde inkomensregeling als voor de overige Wajongers. Omdat de uitkering voor mensen die duurzaam geen mogelijkheden hebben start op 75 procent WML, wordt werken pas lonend wanneer het arbeidsinkomen hoger is dan 20 procent WML. Op dat moment wordt het totale inkomen, inclusief de uitkering hoger dan de basisuitkering van 75 procent WML. Indien iemand arbeid verricht waardoor de vraag is of iemand duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, zal een persoon door UWV opgeroepen worden voor een herbeoordeling. Reden hiervoor is dat iemand die langere tijd (meer dan) 20 procent WML kan verdienen mogelijk toch niet duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is.

59. De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom is gekozen voor een periode van twee maanden bij de overgangsregeling. 60. Realiseert de regering zich dat het voor deze doelgroep heel lastig kan zijn om binnen twee maanden een nieuwe baan te vinden en dat dit kan leiden tot angst bij Wajongers om een nieuwe baan te zoeken? 61. Is de regering bereid deze termijn te verlengen?

Antwoord op vragen 59 t/m 61

De regering realiseert zich dat het voor de doelgroep niet makkelijk is om een nieuwe baan te vinden. De periode van twee maanden is tot stand gekomen om te voorkomen dat Wajongers die al werken op het moment dat het wetsvoorstel in werking treedt ten opzichte van de huidige situatie erop achteruitgaan als zij zelfstandig van baan wisselen. De termijn is in het leven geroepen om te voorkomen dat Wajongers alleen vanwege financiële redenen niet wisselen van baan en daarmee hun mobiliteit op de arbeidsmarkt wordt belemmerd. De regering is daarom niet voornemens om de termijn te verlengen. Daarbij speelt ook een rol dat bij een langere termijn de gewenste harmonisatie in mindere mate wordt gerealiseerd.

De leden van de GroenLinks-fractie delen de analyse dat de Wajong een ontzettend complex geheel is geworden. Zij delen ook de ambitie van de regering om dit aan te pakken. Verschillende belangengroepen en ook uitvoeringsinstantie UWV constateren echter dat dit wetsvoorstel het voor Wajongers nog steeds niet begrijpelijker maakt. 62. In hoeverre voldoet dit wetsvoorstel dan aan de doelstelling om de wetgeving eenvoudiger te maken? Verschillende organisaties wijzen er ook op dat door deze complexiteit de onzekerheid bij Wajongers zal blijven, waardoor zij nog steeds een drempel zullen ervaren om te gaan werken. 63. In hoeverre heeft dit wetsvoorstel dan zijn doelstelling bereikt? 64. Ziet de regering mogelijkheden om de regels voor het berekenen van een uitkering nog eenvoudiger te maken? 65. Waarom is er voor gekozen de aanbevelingen van het UWV hierover niet over te nemen? 66. Waarom houdt de regering zo halsstarrig vast aan het principe dat (meer) werken moet lonen, terwijl alle betrokken organisaties aangeven dat begrijpelijkheid op dit moment het hoogste doel zou moeten zijn om meer Wajongers te laten participeren?

Antwoord op vragen 62 t/m 66

De regering is van mening dat het wetsvoorstel een aanzienlijke vereenvoudiging wordt gerealiseerd. Met de voorgestelde wijzigingen worden de oWajong en Wajong2010 op verschillende punten met elkaar in lijn gebracht. Na de harmonisatie gelden voor alle Wajongers dezelfde regels voor inkomensondersteuning. Daarnaast worden ook de wijze waarop wordt omgegaan met het volgen van onderwijs en de regels over de beëindiging en herleving van het recht op Wajong met elkaar in lijn gebracht.

De signalen over de uitlegbaarheid van de veranderingen en dan met name de harmonisatie van de regels voor inkomensondersteuning zijn bij de regering bekend. De regering heeft goede nota genomen van de bezwaren van UWV tegen de voorgestelde geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning in het conceptwetsvoorstel. Naar aanleiding van de opmerkingen van UWV is de formule voor mensen die werken zonder loondispensatie verder vereenvoudigd. De formule voor Wajongers die werken zonder loondispensatie komt hierdoor overeen met de systematiek van verrekening van inkomen in de WIA. De formule is eenvoudiger en de uitkomst hetzelfde.

De suggestie van UWV om het inkomen van Wajongers die werken met loondispensatie aan te vullen tot het WML als zij voldoende werken, heeft de regering niet overgenomen. Reden hiervoor is dat met het voorstel van UWV de situatie blijft bestaan dat meer werken niet in alle gevallen loont en daardoor mogelijk minder geparticipeerd zal worden. In het voorstel van UWV wordt het inkomen voor mensen die werken met loondispensatie namelijk aangevuld tot het wettelijk minimumloon ongeacht het aantal uur dat iemand werkt. Dit is niet in lijn met het uitgangspunt van de regering dat (meer) werken moet lonen. Daarnaast zou het voorstel van UWV ertoe leiden dat Wajongers die met loondispensatie werken bevoordeeld worden ten opzichte van Wajongers die zonder loondispensatie kunnen werken. Met de voorgestelde inkomensregeling ontvangen Wajongers die met loondispensatie werken Wajongers een gelijk totaalinkomen als Wajongers die zonder loondispensatie kunnen werken. Het voorstel van UWV zou bovendien vergen dat er een norm komt die stelt wanneer een Wajonger voldoende werkt. Vaststellen of een werkende Wajonger voldoet aan deze norm levert de nodige uitvoeringsproblemen. Een arbitraire ondergrens zoals nu opgenomen in de voortgezette werkregeling als invulling van de norm doet daaraan geen recht.

Belangrijk is om op te merken dat de formules en teksten zoals opgenomen in de artikelen en memorie van toelichting van het wetsvoorstel noodzakelijkerwijs technisch van aard zijn. In deze vorm zal niet over de wijzigingen gecommuniceerd worden richting Wajongers. Zo wordt voor de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning door UWV een online rekentool ontwikkeld als hulpmiddel voor Wajongers om de financiële gevolgen van bijvoorbeeld meer inkomsten te kunnen doorrekenen. De rekentool geldt voor de berekening van het totaal inkomen op basis van het inkomen uit arbeid en de inkomensondersteuning door UWV. Hierin worden de gevolgen voor de toeslagen niet meegenomen. Voorlichting en communicatie over de wijzigingen door UWV is onderdeel van de implementatie van de wijzigingen. Dit geldt niet alleen in de communicatie, maar bijvoorbeeld ook voor arbeidsdeskundigen en uitkeringsdeskundigen. Kernboodschap is dat Wajongers van iedere verdiende euro, minimaal 30 cent mogen behouden.

Hoewel de leden van de SP-fractie het doel van de wet steunen (vereenvoudiging en werken lonend maken), maken zij zich ernstig zorgen over groepen die er op achteruit gaan. Mensen met een Bremanregeling, een verlengde werkregeling en de maatmanwissel gaan er keihard in inkomen op achteruit, indien zij hun baan verliezen en niet binnen twee maanden een nieuwe baan vinden. Wat dat betreft garandeert het individuele garantiebedrag niet veel in een onzekere arbeidsmarkt.

67. Waarom heeft de regering niet gekozen voor een langere termijn, bijvoorbeeld een jaar, twee jaar of de pensioengerechtigde leeftijd?

Antwoord op vraag 67

In de huidige situatie is het zo dat Wajongers die stoppen met werken teruggaan naar het niveau van de grondslag. Voor Wajongers met arbeidsvermogen is dit 70 procent WML. Voor Wajongers in de Bremanregeling kan dit betekenen dat zij van 120 procent WML naar 70 procent WML gaan als zij stoppen met werken. Of Wajongers er met de nieuwe inkomensregeling ten opzichte van de huidige inkomensregelingen op vooruit, dan wel achteruit gaan is sterk afhankelijk van de persoonlijke situatie. Zo bepalen onder meer de loonwaarde, het functieloon en de arbeidsduur het inkomen en hebben invloed op de hoogte van de uitkering.

De periode van twee maanden is tot stand gekomen om te voorkomen dat Wajongers die al werken op het moment dat het wetsvoorstel in werking treedt ten opzichte van de huidige situatie erop achteruitgaan als zij zelfstandig van baan wisselen. De termijn is in het leven geroepen om te voorkomen dat Wajongers alleen vanwege financiële redenen niet wisselen van baan en daarmee hun mobiliteit op de arbeidsmarkt wordt belemmerd. De regering is daarom niet voornemens om de termijn te verlengen. Daarbij speelt ook een rol dat bij een langere termijn de gewenste harmonisatie in mindere mate wordt gerealiseerd.

De regering geeft aan dat een overgangstermijn van twee maanden geen financiële consequenties heeft, maar een langere termijn wel. 68. Kan de regering aangeven wat de financiële consequenties zijn van het verlengen van de termijn tussen twee banen naar drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf, achttien, vierentwintig en zesendertig maanden en tot aan de pensioengerechtigde leeftijd? Als de regering geen exacte gegevens heeft, zien de leden van de SP-fractie graag de inschattingen, die op het ministerie gemaakt zijn, tegemoet.

Antwoord op vraag 68

Het doel van het instellen van een termijn waarna het garantiebedrag komt te vervallen is gericht op het voorkomen dat Wajongers vast komen te zitten in hun baan. Het verlengen van de termijn zodat Wajongers die vanwege werkverlies na een langere periode weer aan het werk komen hun garantiebedrag behouden, kan een financieel effect hebben door een hogere uitkering. In de volgende tabel zijn de financiële effecten opgenomen. De cijfers in de tabel geven een inschatting van de cumulatieve verhoging van uitkeringslasten ten opzichte van een termijn van 2 maanden weer t/m 2025. Aandachtspunt is dat naarmate de termijn met meer maanden wordt uitgebreid, het financiële effect langer duurt. Ook kan er nog sprake zijn hogere uitvoeringskosten.

Verlengen

Financiële effect

Verlengen

Financiële effect

Verlengen

Financiële effect

Verlengen

Financiële effect

+ 3 mnd.

10 mln

+ 7 mnd.

30 mln

+ 11 mnd.

44 mln

+ 18 mnd.

55 mln

+ 4 mnd.

17 mln

+ 8 mnd.

33 mln

+ 12 mnd.

47 mln

+ 24 mnd.

67 mln

+ 5 mnd.

22 mln

+ 9 mnd.

37 mln

   

+ 36 mnd.

84 mln

+ 6 mnd.

27 mln

+ 10 mnd.

40 mln

       

69. Hoeveel jonggehandicapten vinden binnen respectievelijk twee maanden, zes maanden, een jaar en twee jaar na baanverlies weer een nieuwe baan?

Antwoord op vraag 69

Van de Wajongers met arbeidsvermogen die in 2015 hun baan verloren, kwam 17 procent binnen twee maanden weer aan het werk. 36 procent kwam binnen zes maanden weer aan het werk en 52 procent binnen een jaar. Van de Wajongers met arbeidsvermogen die in 2016 hun baan verloren, kwam 21 procent binnen twee maanden weer aan het werk. 42 procent kwam binnen zes maanden weer aan het werk en 58 procent binnen een jaar.

70. Hoeveel mensen zitten nu in respectievelijk de Bremanregeling, een verlengde werkregeling en de maatmanwissel? 71. Hoeveel hiervan lopen het risico op inkomensachteruitgang na baanverlies van meer dan twee maanden? 72. Wil de regering haar inschattingen over hoeveel mensen het betreft met de Kamer delen? 73. Hoeveel kan een persoon met respectievelijk Bremanregeling, verlengde werkregeling en maatmanwissel er maximaal op achteruit gaan?

Antwoord op vragen 70 t/m 73

In de huidige situatie is het zo dat Wajongers die stoppen met werken teruggaan naar het niveau van de grondslag. Voor Wajongers met arbeidsvermogen is dit 70 procent WML. Voor Wajongers in de Bremanregeling kan dit betekenen dat zij van 120 procent WML naar 70 procent WML gaan als zij stoppen met werken.

Het aantal mensen dat potentieel aanspraak maakt op een Breman-aanvulling bedraagt circa 3.000. Onder de voorwaarde dat een Wajonger werkt met loondispensatie, ondersteuning van een jobcoach geniet en het loon dat deze persoon zonder loondispensatie zou verdienen hoger is dan het totale inkomen op basis van de reguliere inkomensregeling, wordt het gedispenseerde loon aangevuld tot het cao-loon (gemaximeerd op 120 procent WML) dat deze persoon zou hebben verdiend als hij zonder loondispensatie aan het werk zou zijn. De Bremanregeling heeft daarmee alleen effect op Wajongers die werken in een grote deeltijdbaan met loondispensatie bij een functieloon hoger dan WML. Een Wajonger die voltijd werkt, heeft met een Breman-aanvulling een totaal inkomen van maximaal 120 procent WML. Als een Wajonger in de Bremanregeling die voltijd werkt zijn baan verliest en niet binnen twee maanden een nieuwe baan heeft, is na de beoogde wetswijziging de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning van toepassing. De geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning heeft tot gevolg dat het inkomen minimaal 70 procent WML bedraagt als de persoon niet werkt en maximaal 100 procent WML als de persoon voltijd werkt. Voor mensen met een functieloon boven het WML en volledige loonwaarde geldt dat zij boven 100 procent WML uit kunnen komen. In dat geval is er geen sprake van inkomensondersteuning.

Als een Wajonger in de voortgezette werkregeling die voltijd werkt zijn baan verliest en niet binnen twee maanden een nieuwe baan heeft, is na de beoogde wetswijziging de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning van toepassing. De geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning heeft tot gevolg dat het inkomen minimaal 70 procent WML bedraagt als iemand niet werkt en maximaal 100 procent WML als iemand voltijd werkt. Mensen met een functieloon boven het WML en volledige loonwaarde kunnen boven 100 procent WML uitkomen. In dat geval is er geen sprake van inkomensondersteuning.

Het is niet mogelijk om te zeggen hoeveel mensen het risico lopen op inkomensachteruitgang na baanverlies van meer dan twee maanden. Hiervoor is namelijk een inschatting nodig van het aantal mensen dat op 31 december 2020 werkt en inkomensondersteuning ontvangt die hoger is dan de inkomensondersteuning die de betreffende Wajonger op basis van de geharmoniseerde regeling zou gaan ontvangen. Naar verwachting maken eind 2020 circa 32.500 mensen potentieel gebruik van de voortgezette werkregeling Wajong2010. Van het aantal Wajongers die eind 2018 in de voortgezette werkregeling zat (6.050), werkte eind december 2018 33 procent in loondienst.

Bovendien is een inschatting nodig van het aantal Wajongers dat na inwerkingtreding van het wetsvoorstel zijn of haar baan verliest. Zoals ook is opgenomen in het antwoord op vraag 69 blijkt dat van de Wajongers met arbeidsvermogen die in 2015 hun baan verloren, 17 procent binnen twee maanden weer aan het werk kwam. 36 procent kwam binnen zes maanden weer aan het werk en 52 procent binnen een jaar. Van de Wajongers met arbeidsvermogen die in 2016 hun baan verloren, kwam 21 procent binnen twee maanden weer aan het werk. 42 procent kwam binnen zes maanden weer aan het werk en 58 procent binnen een jaar.

De leden van de SP-fractie vinden het eerlijk dat mensen die werken er ook nog wat op vooruit kunnen gaan, ook als zij een arbeidsbeperking hebben. 74. Wat is de mening van de regering hierover? Helaas hebben het huidige en vorige kabinetten alles boven minimumloon afgesneden voor deze doelgroep. 75. Kan de regering reageren op de uitspraak dat het minimumloon voor jonggehandicapten het maximumloon is geworden?

Antwoord op vragen 74 en 75

De regering deelt de mening van de leden van de SP-fractie dat mensen die werken erop vooruit moeten gaan als zij gaan werken, ook als zij een arbeidsbeperking hebben. De nieuwe inkomensregeling is zo vormgegeven dat (gaan) werken loont en werkende Wajongers tenminste het wettelijk minimumloon ontvangen voor de gewerkte uren. Het totaalinkomen is hoger dan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren.

Net als reguliere werknemers ontvangen Wajongers in een functie op het niveau van het WML, bij fulltime werken 100 procent WML per maand. Wanneer Wajongers werken in een functie met een loon boven het WML ontvangen zij bij fulltime werken ook een totaal inkomen boven het WML. Wajongers die werken met loondispensatie op een functieloon van 120 procent WML ontvangen bij fulltime werken een totaalinkomen van 107 procent WML. Wajongers die zonder loondispensatie werken ontvangen bij fulltime werken een inkomen gelijk aan het functieloon.

De leden van de SP-fractie informeren tevens graag of er nog enige vooruitgang is in de vaststelling van de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) beschut werk. 76. Welke actie heeft de regering ondernomen om een cao naderbij te brengen? 77. Hoeveel maanden/ jaar mag het van de regering nog duren voordat er een cao beschut werk komt, conform de motie Jasper van Dijk (Kamerstuk 34 352, nr. 121)?

Antwoord op vragen 76 en 77

Gelet op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Rijk en de sociale partners heeft de regering geen bemoeienis met de arbeidsvoorwaarden voor mensen die werken op een beschutte werkplek. De regering heeft dan ook geen actie op dat punt ondernomen en doet ook geen uitspraken over termijn waarop een cao voor beschut werk zijn beslag zou moeten krijgen.

78. Kan de regering uitleggen of voorrekenen hoe de formule voor inkomensondersteuning uitwerkt als iemand niet WML verdient, maar een hoger salaris heeft? 79. Mag de persoon met een salaris hoger dan WML ook 30 cent houden van elke verdiende euro?

Antwoord op vragen 78 en 79

Als een Wajonger met arbeidsvermogen niet werkt bedraagt de inkomens-ondersteuning 70 procent WML. Als iemand gaat werken en het inkomen uit arbeid toeneemt, neemt ook het totale inkomen toe. In Figuur II is het effect van een functieloon op 120 procent WML in de geharmoniseerde regeling opgenomen. Het functieloon vormt samen met de arbeidsduur en loonwaarde het totale arbeidsinkomen. In de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning mag de Wajonger van iedere verdiende euro ten minste 30 procent houden, ongeacht het functieloon. Bij een functieloon op WML is het totale inkomen van een iemand die voltijds werkt maximaal 100 procent WML. Als er sprake is van een functieloon van meer dan 100 procent WML kan dit percentage hoger liggen tot een maximum van het functieloon. In dat geval is er geen sprake van inkomensondersteuning.

Figuur II: Vergelijking effect maatman 150% WML en functieloon 120% WML

Figuur II: Vergelijking effect maatman 150% WML en functieloon 120% WML

De leden van de SP-fractie maken zich tevens ernstige zorgen over mensen met een medische urenbeperking. 80. Kan de regering aangeven hoeveel mensen het betreft?

Antwoord op vraag 80

Sinds de invoering van de Wajong2015 is ook de schattingsmethodiek voor de Wajong veranderd. Dit heeft tot gevolg dat geen urenbeperkingen meer worden vastgelegd. In de oWajong en Wajong2010 gebeurde dit wel. Alleen voor de oWajong is de informatie zodanig ontsloten dat een betrouwbare telling kon plaatsvinden. Van het aantal mensen in de oWajong kon op het moment van de eerste claimbeoordeling 94 procent voltijds werken, 1 procent kan maximaal 10 uur werken, 4 procent maximaal 20 uur en 1 procent maximaal 30 uur. Op basis van de beschikbare informatie bij UWV is niet te achterhalen in hoeverre dit overeenkomt met het aantal uren dat de betreffende Wajongers daadwerkelijk werken. Wel is bekend hoeveel uren Wajongers werkend bij een reguliere werkgever eind 2018 werkten. Eind 2018 werkten ruim 39.000 Wajongers bij een reguliere werkgever. Daarvan had 29 procent een aanstelling van maximaal 12 uur per week; 16 procent een aanstelling van meer dan 12 tot maximaal 20 uur; 17 procent een aanstelling van meer dan 20 tot maximaal 30 uur en 38 procent een aanstelling van meer dan 30 uur per week. In hoeverre dat overeenkomt met de uren die zij kunnen werken, is op basis van de beschikbare informatie bij UWV niet te achterhalen.

Mensen met een medische urenbeperking die bijvoorbeeld maximaal 20 uur per week kunnen werken, zullen met voorliggende regeling nooit het minimumloon kunnen verdienen. 81. Is de regering bereid om een compensatiefactor voor mensen met een medische urenbeperking in te voeren, waarbij bij bovengenoemd voorbeeld bijvoorbeeld 20 uur als fulltime wordt gerekend? Mensen met loondispensatie hebben immers ook een compensatiefactor. De leden van de SP-fractie vrezen dat mensen met een urenbeperking er bekaaid vanaf komen en zij kunnen er immers ook niks aan doen dat ze slechts een beperkt aantal uren in de week kunnen werken.

Antwoord op vraag 81

Invoeren van een aanvullende «compensatiefactor» voor mensen met een medische urenbeperking maakt de uitvoering van de Wajong complexer. Dit terwijl het doel van voorliggend wetsvoorstel is om de Wajong zowel voor Wajongers als voor de uitvoering te vereenvoudigen. De regering is daarom niet voornemens om een compensatiefactor in te voeren.

Ook voor mensen met een medische urenbeperking geldt dat (meer) werken in de nieuwe inkomensregeling loont. Als iemand niet werkt, is zijn inkomensondersteuning per dag conform de standaard norm van 70 procent van de grondslag. Indien iemand niet in staat is om voltijds te werken, ontvangt diegene op basis van de regeling voor inkomensondersteuning een aanvulling op het inkomen uit arbeid. Door de systematiek van de Wajong is het totaal inkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning) voor iemand die vanuit de Wajong met een medische urenbeperking werkt hoger dan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren.

De derde groep waar de leden van de SP-fractie zich zorgen over maken zijn de mensen die volledig arbeidsongeschikt zijn, maar toch (tijdelijk) nog een beperkt aantal uren kunnen werken. Voor hen zal werken niet lonen indien zij minder dan 20 procent werken. Dat betreuren de leden van de SP-fractie. 82. Wil de regering er iets op verzinnen dat ook voor deze groep werken gaat lonen? 83. Is de regering bijvoorbeeld bereid om een bedrag vrij te laten voor deze groep waarop niet gekort wordt, bijvoorbeeld 1.000 euro per jaar? Dit zou dan voor alle Wajongers kunnen gelden, zodat alle Wajongers een bonus of kerstgratificatie tot 1.000 euro in zijn geheel kunnen houden. Met diezelfde regeling zou de groep volledig arbeidsongeschikte Wajongers een bedrag, bijvoorbeeld 1.000 euro per jaar kunnen behouden, zonder gekort te worden als beloning op werk.

Antwoord op vragen 82 en 83

Het startpunt voor mensen in de Wajong die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, is dat zij een uitkering van 75 procent WML ontvangen. Het betreft een individuele uitkering zonder partnerinkomens- en vermogenstoets.

Van mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, is de kans klein dat zij betaalde arbeid gaan verrichten. Zo had ongeveer 1 procent van de mensen met een Wajong2015 uitkering ultimo 2018 een beperkt inkomen uit arbeid. Voor mensen die duurzaam geen mogelijkheden hebben geldt dezelfde inkomensregeling als voor de overige Wajongers. Omdat de uitkering voor mensen die duurzaam geen mogelijkheden hebben start op 75 procent WML, wordt werken pas lonend wanneer het arbeidsinkomen hoger is dan 20 procent WML. Op dat moment wordt het totale inkomen, inclusief de uitkering hoger dan de basisuitkering van 75 procent WML. Indien iemand arbeid verricht waardoor de vraag is of iemand duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, zal een persoon door UWV opgeroepen worden voor een herbeoordeling. Reden hiervoor is dat iemand die langere tijd (meer dan) 20 procent WML kan verdienen mogelijk toch niet duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is.

De regering kiest er niet voor om een aparte vrijlatingsregeling te creëren binnen het systeem van de Wajong. Een vrijlatingsregeling in aanvulling op de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning zorgt voor een extra complexiteit in het systeem, daar waar beoogd wordt om de regels voor inkomensondersteuning juist te vereenvoudigen. Vormgeven van een separate inkomensregeling voor mensen die duurzaam geen mogelijkheden hebben veroorzaakt daarnaast het risico dat een Wajonger na een herbeoordeling er in inkomen op achteruit gaat.

84. De leden van de SP-fractie vragen of de groep Wajongers zonder arbeidsvermogen nu uitgesloten is van loondispensatie en jobcoaching. Zo ja, waarom? 85. Is de regering bereid deze mensen toch een vorm van ondersteuning te bieden?

Antwoord op vragen 84 en 85

Voor mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, is de inzet van onder andere arbeidstoeleiding, proefplaatsing en loondispenstatie niet beschikbaar. Bij deze Wajongers heeft UWV immers vastgesteld dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. De regering kiest bewust om de schaarse middelen in te zetten voor de groep die wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en is daarom niet voornemens om de mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben andere ondersteuning dan een jobcoach te bieden. Iemand die niet meer duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is en in aanmerking wil komen voor ondersteuning en de inzet van deze instrumenten, kan zelf een aanvraag doen voor een herbeoordeling of herziening van de indeling in de categorie duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

Deze leden vragen wanneer precies Wajongers zonder arbeidsvermogen die toch werken, op het punt komen dat zij herkeurd gaan worden. 86. Is dit na een bepaalde tijdsperiode te hebben gewerkt, bijvoorbeeld twee jaar? 87. Hoe weten deze Wajongers waar zij aan toe zijn? Worden zij vooraf gewaarschuwd?

Antwoord op vragen 86 en 87

Indien een Wajonger zonder arbeidsvermogen aanspraak wil maken op begeleiding bij re-integratie of werkvoorzieningen kan hij zelf een herbeoordeling aanvragen. Daarnaast heeft een Wajongere een inlichtingenplicht op basis waarvan de betrokkene wijzigingen in de sociaal-medische situatie moet doorgeven. Indien iemand arbeid verricht waardoor de vraag is of iemand niet langer duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, zal een persoon door UWV opgeroepen worden voor een herbeoordeling. Hiervoor wordt geen vaste termijn gehanteerd. Als een Wajonger wordt opgeroepen voor een herbeoordeling, wordt door UWV uitgelegd wat de achtergrond is van de herbeoordeling.

Bestaanszekerheid voor alle mensen in Nederland is een fundamentele waarde voor de leden van de PvdA-fractie. 88. Kan de regering garanderen dat de hoogte van de nieuwe Wajong-uitkering voldoende bestaanszekerheid biedt en niet tot (langdurige) armoede leidt? 89. Kan daarbij expliciet worden ingegaan op de hogere kosten voor mensen als gevolg van hun arbeidsbeperking?

Antwoord 88 en 89

Het kabinet heeft continu aandacht voor de inkomenspositie van mensen met een laag inkomen. De uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen bedraagt 70 procent WML (het sociaal minimum). De uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen is daarmee vanaf begin 2018 meer gelijk aan die van jonggehandicapten in de Participatiewet, vanuit de gedachte dat beide groepen jonggehandicapten zijn met arbeidsmogelijkheden. Voor Wajongers die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben is de uitkering 75 procent WML. De Wajong kent, anders dan de Participatiewet, geen kostendelersnorm of vermogenstoets. Als de totale (gezins)inkomsten onder het sociaal minimum uitkomen, kan er afhankelijk van de leefsituatie sprake zijn van een compensatie via de Toeslagenwet. Daarnaast heeft een Wajonger recht op een fiscale jonggehandicaptenkorting en kan een Wajonger in aanmerking komen voor de Tegemoetkoming arbeidsongeschikten. Voor de hogere kosten als gevolg van arbeidsbeperkingen geldt dat in een aantal gevallen specifieke vergoedingen beschikbaar zijn. Dit geldt zowel voor voorzieningen via het UWV als ondersteuning via de Wet maatschappelijke ondersteuning.

90. Kan de regering voor verschillende groepen die recht hebben op een Wajong-uitkering aangeven hoe hun inkomen is verslechterd of dreigt te verslechteren door de wijziging van 2018 in combinatie met de nu voorgenomen wijzigingen? 91. Hoe verhoudt dit zich tot het uitgangspunt van voldoende bestaanszekerheid?

Antwoord op vragen 90 en 91

Per 1 januari 2018 is de uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen verlaagd van 75 naar 70 procent WML. Afhankelijk van de woon-en leefsituatie is voor individuele Wajongers de uitkeringsverlaging (gedeeltelijk) gecompenseerd door een aanvulling tot aan het sociaal minimum vanuit de Toeslagenwet. Voor Wajongers die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben is de uitkering 75 procent WML.

Om te voorkomen dat Wajongers die werken er met de wijziging in regelgeving op achteruitgaan, kiest de regering voor een overgangsregime. Door op basis van de huidige inkomensregelingen een garantiebedrag vast te stellen gaan mensen die werken er op het moment dat de geharmoniseerde regels voor inkomensondersteuning in werking treden niet op achteruit.

92. De regering erkent dat meer werken mogelijk niet leidt tot meer netto inkomen voor mensen met een Wajong-uitkering. Hoe verhoudt dit zich tot het streven dat werken moet lonen?

Antwoord op vraag 92

De regels voor het berekenen van de hoogte van de uitkering zijn zo opgezet dat werken in beginsel loont, in die zin dat het bruto totaal van inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning hoger uitvalt al iemand meer gaat werken. Of dit ook leidt tot een hoger netto totaalinkomen is, net als bij werknemers zonder Wajong-uitkering, afhankelijk van verschillende factoren (invloed op af te dragen belasting, recht op toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen).

Eenvoudigheid en eenduidigheid zijn belangrijke uitgangspunten voor de wijziging. 93. De leden van de PvdA-fractie vragen waarom niet is gekozen voor een systeem van inkomensaanvulling voor iedere jonggehandicapte die niet in staat is het wettelijk minimumuurloon te verdienen, ongeacht de regeling.

Antwoord op vraag 93

De verschillen in behandeling van mensen in soortgelijke omstandigheden in de Participatiewet en de verschillende regelingen in de Wajong zijn ontstaan door het respecteren van bestaande rechten bij beleidswijzigingen. Sinds 2015 vallen mensen met een arbeidsbeperking die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben of niet-duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben onder de Participatiewet. Voor die groep die vóór 1 januari 2015 al in de oWajong en de Wajong2010 zat is destijds besloten om bestaande rechten te respecteren en hen niet onder de Participatiewet te brengen. Voor de mensen die vóór 1 januari 2015 al in de oWajong of Wajong2010 zaten gelden daarom ten opzichte van mensen in de Participatiewet andere regels, ook met betrekking tot het verrekenen van inkomen. Deze verschillen zijn inherent aan het karakter van deze regelingen; de Wajong is een voorziening terwijl de Participatie dient als vangnet.

Voor veel mensen met een arbeidsbeperking geldt dat zij niet voltijd kunnen werken. In het nieuwe voorstel wordt het onmogelijk voor deze mensen om het minimumloon te verdienen. De leden van de PvdA-fractie vragen of het rechtvaardig is dat mensen die buiten hun schuld om niet meer uren kunnen werken onder het minimumloon verdienen. 94. Waarom hanteert de regering niet als uitgangspunt dat wie naar vermogen werkt, tenminste het minimumloon verdient, en daarboven dat meer werken moet lonen?

Antwoord op vraag 94

Als iemand niet werkt, is de inkomensondersteuning 70 procent WML. Naarmate iemand gaat werken of meer gaat werken, neemt het totale inkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning) toe, tot maximaal 100 procent WML bij voltijd werken. Indien iemand niet in staat is om voltijds te werken, ontvangt op basis van de regeling voor inkomensondersteuning een aanvulling op het inkomen uit arbeid. Door de systematiek van de Wajong is het totaal inkomen voor iemand die vanuit de Wajong werkt hoger dan het loon van reguliere werknemers die in dezelfde mate (slechts) in deeltijd (kunnen) werken. Voor mensen met een functieloon boven het WML en volledige loonwaarde geldt dat zij boven 100 procent WML uit kunnen komen. In dat geval is er geen sprake van inkomensondersteuning.

Het voorstel gaat zeer summier in op verschillende situaties, waardoor niet voor iedereen de gevolgen duidelijk zijn. 95. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering om meer situaties uit te werken, zodat voor meer groepen de effecten inzichtelijk zijn. 96. Kan de regering daarbij expliciet ingaan op situaties waarbij verlies van inkomen mogelijk is? 97. Kan de regering ingaan op verschillende situaties waarbij mensen met een arbeidsbeperking op dit moment meer verdienen dan het minimumloon en de nieuwe regelingen ingaan en daarbij tegelijkertijd onvoorzien omstandigheden optreden, zoals het (langduriger) verlies van een baan?

Antwoord op vragen 95 t/m 97

In de huidige situatie is het zo dat Wajongers die stoppen met werken teruggaan naar het niveau van de grondslag. Voor Wajongers met arbeidsvermogen is dit 70 procent WML. Voor Wajongers in de Bremanregeling kan dit betekenen dat zij van 120 procent WML naar 70 procent WML gaan als zij stoppen met werken. Of Wajongers er met de nieuwe inkomensregeling ten opzichte van de huidige inkomensregelingen op vooruit, dan wel achteruit gaan is sterk afhankelijk van de persoonlijke situatie. Er zijn vele factoren die de hoogte van een uitkering bepalen. De loonwaarde, het functieloon en de arbeidsduur bepalen het inkomen en hebben invloed op de hoogte van de uitkering. In het kader van de oWajong is de hoogte van het maatmaninkomen ook nog van invloed op de uitkering. oWajongers met een hoger maatmaninkomen blijven bij hetzelfde inkomen, langer in een hogere AO-klasse dan oWajongers met een standaard maatmaninkomen ter hoogte van het wettelijk minimumloon. Om in aanmerking te kunnen komen voor de Breman regeling moet sprake zijn van werken met loondispensatie én ondersteuning door een jobcoach.

In Bijlage I zijn figuren opgenomen die inzicht geven in de effecten van de geharmoniseerde inkomensregeling ten opzichte van de huidige regelingen bij een loonwaarde van 50 procent, 70 procent en 100 procent en een functieloon op WML en 120 procent WML. Het totaalinkomen is daarbij afgezet tegen de arbeidsduur in dagen. De figuren illustreren dat Wajongers in de Bremanregeling, voortgezette werkregeling en met een maatmanwisseling er zowel op voor- als achteruit kunnen gaan ten opzichte van de nieuwe regeling. Om te voorkomen dat mensen er direct op achteruitgang heeft de regering het garantiebedrag ingesteld.

De leden van de PvdA-fractie hebben grote zorgen over de garantieregeling. Het is van groot belang dat mensen hun huidige inkomen kunnen behouden. 98. Waarom is ervoor gekozen een periode van twee maanden voor het zoeken van een nieuwe baan te hanteren? 99. Heeft de regering onderzocht hoe lang het gemiddeld duurt voor mensen met een arbeidsbeperking om een nieuwe baan te vinden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot deze eis? Zo nee, kan daar onderzoek naar worden gedaan?

Antwoord op vragen 98 en 99

De periode van twee maanden is tot stand gekomen om te voorkomen dat Wajongers die al werken op het moment dat het wetsvoorstel in werking treedt ten opzichte van de huidige situatie erop achteruitgaan als zij zelfstandig van baan wisselen. Deze periode heeft daarmee geen betrekking op een zoekperiode naar een baan vanuit werk, maar de periode tussen twee banen. Met deze termijn wordt voorkomen dat Wajongers alleen vanwege financiële redenen niet wisselen van baan en daarmee hun mobiliteit op de arbeidsmarkt wordt belemmerd. De periode van twee maanden heeft expliciet niet tot doel om Wajongers die hun baan verliezen, gedurende de periode van het vinden van een nieuwe baan aan te vullen tot het oude niveau. Ook voor reguliere werknemers geldt dat bij verlies van een baan het inkomen daalt (eerst een WW-uitkering en vervolgens afhankelijk van de partnerinkomens- en vermogenstoetsbijstand) en er geen zekerheid geboden wordt dat bij een nieuwe baan het salaris ten opzichte van het oude salaris tenminste gelijk is. De regering heeft daarom niet specifiek onderzoek gedaan naar de tijd die het kost om na het wegvallen van een baan vanuit de Wajong opnieuw een baan te vinden.

In de UWV Monitor arbeidsparticipatie 2017 is wel in kaart gebracht hoe snel Wajongers die hun baan verliezen weer aan het werk komen. Hierbij is gekeken naar Wajongers die in de jaren 2012 tot en met 2015 werk hebben verloren. Van de Wajongers die in 2015 hun baan verloren, kwam bijna de helft binnen een jaar weer aan het werk. Van de Wajongers die in 2012 hun baan verloren, was dit aandeel 38 procent. Uit het onderzoek blijkt dat de meeste Wajongers die opnieuw werk vinden, binnen een jaar weer een baan vinden. Daarna loopt de kans om werk te vinden af.

100. Wordt de garantieregeling geïndexeerd?

Antwoord op vraag 100

Het garantiebedrag wordt gelijktijdig met de indexatie van het wettelijk minimumloon, geïndexeerd.

Het UWV en de Landelijke Cliëntenraad maken zich grote zorgen over de uitvoering. De leden van de PvdA-fractie vrezen dat fouten bij de uitvoering mogelijk leiden tot een terugval in inkomen voor mensen met een arbeidsbeperking. 101. Indien verkeerde gegevens worden gehanteerd waarbij mogelijk teruggevorderd wordt, een mogelijkheid die erkend wordt in de memorie van toelichting, kan de regering aangeven hoe voorkomen wordt dat mensen mogelijk te weinig besteedbaar inkomen overhouden? 102. Hoe reëel wordt de kans op schulden hierdoor geacht? 103. Wordt er rekening mee gehouden dat mensen met een arbeidsbeperking mogelijk meer hulp nodig hebben om juiste gegevens aan te leveren? 104. Worden er meer mogelijkheden getroffen om in gevallen van terugvordering betalingsregelingen te treffen, juist ook in het kader van de Brede Schuldenaanpak? 105. Is de regering bereid om extra mogelijkheden te treffen om mensen met een arbeidsbeperking proactief te helpen met aan aanleveren van de juiste gegevens en het aanvragen van regelingen?

Antwoord op vragen 101 t/m 105

Het bedrag dat iemand aan bovenop zijn inkomen uit arbeid als inkomensondersteuning ontvangt, blijft met de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning afhankelijk van het inkomen. Als het inkomen afwijkt van de verwachting of sprake is van wisselende inkomsten, zal ook bij de geharmoniseerde regeling van inkomensondersteuning sprake zijn van herberekening en waar nodig nabetaling of terugvordering.

Werkende Wajongers zijn niet verantwoordelijk voor het leveren van inkomensgegevens voor het berekenen van de hoogte van de uitkering op basis van de nieuwe regeling voor inkomensondersteuning. Inkomensgegevens komen via de Polisadministratie beschikbaar voor vaststelling van de hoogte van de uitkering. Het is daarom niet noodzakelijk om extra mogelijkheden te treffen om de doelgroep te helpen met het aanleveren van de juiste gegevens voor het aanvragen van de regelingen. Wel is het van belang dat Wajongers tijdig UWV op de hoogte stellen van wijzigingen in de hoogte van het inkomen, zodat achteraf corrigeren van de uitkering niet nodig is. UWV heeft daarom contact met werkende Wajongers met wisselende inkomsten. Wajongers die vragen hebben over de gevolgen van het inkomen voor de uitkeringshoogte kunnen daarvoor de rekenhulpen raadplegen die beschikbaar zijn op de website van UWV. Daarnaast kunnen Wajongers voor vragen over het verrekenen van inkomsten met de uitkering terecht bij het klantcontactcentrum van UWV. UWV schenkt in de uitvoering veel aandacht aan het verrekenen van inkomen met de uitkering en de duidelijke communicatie hierover naar de Wajongers toe. Dit draagt bij aan het voorkomen van schulden als op een later moment sprake is een van een terugvordering. Zo wordt bij een terugvordering van 300 euro of meer altijd een betalingsregeling aangeboden. UWV neemt contact op met de Wajonger om de reden van de terugvordering toe te lichten en afspraken te maken over een betalingsregeling. Indien een Wajonger niet in staat is om zelf zaken met UWV te regelen, zal een bewindvoerder de contacten met UWV overnemen of hierbij ondersteunen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering nog een aantal rekenvoorbeelden kan geven van het inkomen van Wajongers onder de huidige regels en onder de nieuwe regels. Bijvoorbeeld van de gevallen dat een Wajonger nu 10, 20, 30 en 40 uur per week werkt in de voortgezette werkregeling (met loonwaarde 50 procent en 100 procent) en de gevallen dat een Wajonger nu 10, 20, 30 en 40 uur per week werkt in de Bremanregeling (met loonwaarde 50 procent en 100 procent). 106. Wat is in die gevallen het huidige inkomen en wat zou het inkomen worden met de nieuwe regels?

Antwoord op vraag 106

In Bijlage I zijn figuren opgenomen die inzicht geven in de effecten van de geharmoniseerde inkomensregeling ten opzichte van de huidige regelingen bij een loonwaarde van 50 procent, 70 procent en 100 procent en een functieloon op WML en 120 procent WML. Het totaalinkomen is daarbij afgezet tegen de arbeidsduur in dagen. De figuren illustreren dat Wajongers in de Bremanregeling, voortgezette werkregeling en met een maatmanwisseling er zowel op voor- als achteruit kunnen gaan ten opzichte van de nieuwe regeling. Om te voorkomen dat mensen er direct op achteruitgang heeft de regering het garantiebedrag ingesteld.

107. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om nader te reflecteren op het vraagstuk van (medische) urenbeperking. Is het waar dat iemand die vanwege een urenbeperking niet fulltime kan werken, in de nieuwe regels nooit 100 procent van het WML zal krijgen, ook niet als hij naar vermogen werkt? 108. Hoe weegt de regering dat? 109. Voor mensen met een urenbeperking geldt namelijk dat zij gewoonweg niet meer kunnen werken, al zouden ze dat willen. Aangezien een gemiddelde baan van een Wajonger 25,5 uur is, zullen de meeste Wajongers nooit op het niveau van het WML uitkomen. Vindt de regering dit een wenselijke situatie?

Antwoord op vragen 107 t/m 109

De Wajong is een specifieke voorziening voor jonggehandicapten (inclusief medisch urenbeperkten) die voorziet, anders dan de Participatiewet, in een individueel uitkeringsrecht zonder vermogens- en partnerinkomenstoets. Wajongers starten daarmee met een individueel inkomen op het niveau van het sociaal minimum voor een alleenstaande.

Het wetsvoorstel stimuleert mensen met een medische urenbeperking om te studeren en te werken. Ook voor mensen met een medische urenbeperking geldt dat (meer) werken in de nieuwe inkomensregeling loont. Als iemand niet werkt, is zijn inkomensondersteuning per dag conform de standaard norm van 70 procent van de grondslag.

In de huidige regelingen voor inkomensondersteuning in de Wajong wordt geen onderscheid gemaakt voor de mensen met een medische uren beperking. Indien iemand niet in staat is om voltijds te werken, ontvangt diegene op basis van de regeling voor inkomensondersteuning een aanvulling op het inkomen uit arbeid.

Door de systematiek van de Wajong is het totaal inkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning) voor iemand die vanuit de Wajong met een medische urenbeperking werkt hoger dan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren.

Alleen in het geval een medisch urenbeperkte in de huidige voortgezette werkregeling in de Wajong2010 een inkomen vergaart van meer dan 20 procent WML, wordt dit inkomen aangevuld tot 100 procent WML. Juist in deze situatie worden Wajongers niet gestimuleerd om meer te gaan werken en loont meer werken ook niet. Het inkomen blijft bij meer werken aangevuld tot 100 procent WML.

Het genoemde aantal van 25,5 uur is een rekenkundig gemiddelde van het aantal uren dat arbeidsgehandicapten in het kader van de banenafspraak werken. In de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning wordt geen rekening gehouden met het gemiddelde aantal uren dat Wajongers per week werken.

110. De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat Wajongers recht houden op een voor hen vastgesteld garantiebedrag. Pas als de uitkering op basis van de nieuwe regels meer dan twee maanden achter elkaar hoger is dan het garantiebedrag, komt het garantiebedrag te vervallen. Hieruit ontstaat de indruk dat het garantiebedrag onbeperkt blijft gelden als het inkomen van een Wajonger lager dreigt te worden, bijvoorbeeld bij baanverlies. Kan de regering dit nader toelichten? 111. Indien het toch zo is dat het garantiebedrag vervalt als een Wajonger niet binnen twee maanden een andere baan heeft, acht de regering dit dan een redelijke termijn?

Antwoord op vragen 110 en 111

De aanspraak op het garantiebedrag is niet in duur beperkt, maar is afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden van de jonggehandicapte. De aanspraak op het garantiebedrag vervalt indien de inkomensondersteuning op grond van de nieuwe regels gedurende een aaneengesloten periode van twee maanden hoger is dan het garantiebedrag of indien gedurende een aaneengesloten periode van twee maanden geen inkomen is genoten. Dit betekent dat de jonggehandicapte aanspraak maakt op het garantiebedrag voor zolang de dienstbetrekking voortduurt en de jonggehandicapte hetzelfde of meer inkomen uit arbeid heeft. Indien de jonggehandicapte van baan wisselt maakt de jonggehandicapte tijdens de nieuwe dienstbetrekking aanspraak op het garantiebedrag als die nieuwe dienstbetrekking binnen twee maanden na einde van de eerdere dienstbetrekking start. Als de jonggehandicapte minder uren gaat werken en daardoor minder inkomen geniet kan dat tot gevolg hebben dat de inkomensondersteuning op basis van de voorliggende wetgeving het garantiebedrag overstijgt. Als deze situatie minimaal twee maanden voortduurt vervalt de aanspraak op het garantiebedrag.

De periode van twee maanden is tot stand gekomen om te voorkomen dat Wajongers die al werken op het moment dat het wetsvoorstel in werking treedt ten opzichte van de huidige situatie erop achteruitgaan als zij zelfstandig van baan wisselen. De termijn is in het leven geroepen om te voorkomen dat Wajongers alleen vanwege financiële redenen niet wisselen van baan en daarmee hun mobiliteit op de arbeidsmarkt wordt belemmerd. De periode van twee maanden heeft expliciet niet tot doel om Wajongers die hun baan verliezen gedurende de periode van het vinden van een nieuwe baan, weer aan te vullen tot het oude niveau. Ook voor reguliere werknemers geldt dat bij verlies van een baan het inkomen daalt (eerst een WW-uitkering en vervolgens afhankelijk van de partnerinkomens- en vermogenstoets bijstand) en er geen zekerheid geboden wordt dat bij een nieuwe baan het salaris ten opzichte van het oude salaris tenminste gelijk is. De regering heeft daarom niet specifiek onderzoek gedaan naar de tijd die het kost om na het wegvallen van een baan vanuit de Wajong opnieuw een baan te vinden.

112. De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat bij Wajongers met duurzaam geen arbeidsvermogen (DGA) het inkomen tot 20 procent WML wordt verrekend met de uitkering. Dit zal ook in de nieuwe regels zo zijn. De regering verdedigt dit door aan te halen dat de uitkering voor DGA hoger is dan voor Wajongers met arbeidsvermogen, namelijk 75 procent tegenover 70 procent. Het kan echter gemakkelijk gebeuren dat het bedrag dat aan inkomsten verkregen wordt groter is dan de vijf procentenpunten aan hogere uitkering. Door de verrekening zou het inkomen van DGA dan onder de grens van 70 procent WML komen. Met andere woorden, het verschil tussen wat er meer aan uitkering verkregen wordt en wat er verrekend moet worden, kan behoorlijk groot zijn. Hoe ziet de regering dit? Zou het niet rechtvaardiger en stimulerender zijn als de regels zo worden vormgegeven dat ook DGA met enige inkomsten niet onder de grens van 70 procent WML zakken?

Antwoord op vraag 112

De inkomensregeling voor Wajongers die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (DGA) hebben, is op hoofdlijnen gelijk aan de regeling voor Wajongers met arbeidsvermogen. Het verschil tussen beide regelingen zit in de hogere basisuitkering voor DGA. De drempel van 20 procent WML voorkomt juist dat het totale inkomen voor DGA bij verrekening van het arbeidsinkomen lager wordt dan de uitkering bij niet werken. De regels voor inkomensondersteuning voor DGA zijn dusdanig vormgegeven dat als zij minder dan 20 procent WML aan inkomen hebben zij niet onder een totaalinkomen van 75 procent WML zakken. Dit wordt met artikel I, onderdelen B, W en BB in dit wetsvoorstel vastgelegd in de artikelen 1a:4, tweede lid, 2:46, eerste lid, 3:8b, eerste lid, van de Wajong.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering onderkent dat onzekerheid voor veel Wajongers reden vormt om voorzichtig te zijn met wijzigingen in de persoonlijke situatie. In dat licht vragen deze leden zich af of de keuze dat het voorgestelde garantiebedrag reeds na twee maanden kan vervallen Wajongers zal blijven afschrikken. 113. Waarom heeft de regering niet gezocht naar een criterium dat duidelijker gekoppeld is aan een extra zekerheid die rechtvaardigt dat de garantie vervalt, bijvoorbeeld het krijgen van een vaste aanstelling. 114. Hoe voorkomt de regering dat Wajongers die op grond van een tijdelijke aanstelling slechts korte tijd boven het garantiebedrag uitkomen deze garantie kwijtraken?

Antwoord op vragen 113 en 114

Het overgangsregime is erop gericht om te voorkomen dat Wajongers die werken op het moment van inwerkingtreding van het wetsvoorstel er in inkomen op achteruit gaan. Voor Wajongers die op het moment van inwerkingtreding werken in een tijdelijke aanstelling is het overgangsregime van toepassing. Als zij hun aanstelling verliezen en binnen twee maanden een baan vinden met een nieuwe tijdelijke aanstelling, blijft het garantiebedrag in stand. Als Wajongers die op het moment van inwerkingtreding werken in een tijdelijke aanstelling een vaste aanstelling krijgen, heeft dit geen gevolgen voor het recht op het garantiebedrag. Voor Wajongers die op het moment van inwerkingtreding al werken in een vaste aanstelling blijft het garantiebedrag in stand tot het moment dat de Wajonger zijn of haar baan verliest en niet binnen twee maanden een nieuwe baan heeft.

Meer werken loont, maar wat met urenbeperking? De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering wil stimuleren dat werken voor iedereen loont, maar dat de geharmoniseerde rekenregel pas werkt vanaf 20 procent van het minimumloon. 115. Deze leden vragen welke zwaarwegende redenen er zijn om de centrale ambitie van de regering niet ten goede te laten komen aan degenen die onder deze norm blijven.

Antwoord op vraag 115

De geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning voor Wajongers met arbeidsvermogen zorgt ervoor dat, ook voor mensen met een medische urenbeperking, altijd sprake is van een toename van het totaalinkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning) als zij meer gaan werken. De inkomensregeling voor Wajongers die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, is op hoofdlijnen gelijk aan de regeling voor Wajongers met arbeidsvermogen. Het verschil tussen beide regelingen zit in de hogere basisuitkering voor DGA. De drempel van 20 procent WML voorkomt juist dat het totale inkomen voor DGA bij verrekening van het arbeidsinkomen lager wordt dan de uitkering bij niet werken. De regels voor inkomensondersteuning voor DGA zijn dusdanig vormgegeven dat als zij minder dan 20 procent WML aan inkomen hebben zij niet onder een totaalinkomen van 75 procent WML zakken. Dit wordt met artikel I, onderdelen B, W en BB in dit wetsvoorstel vastgelegd in de artikelen 1a:4, tweede lid, 2:46, eerste lid, 3:8b, eerste lid, van de Wajong.

2.2 Regels voor eindigen en herleven recht op oWajong en Wajong2010 aanpassen

De leden van de VVD-fractie onderschrijven het doel van het aanpassen van de regels voor het eindigen en het herleven van het recht op oWajong en Wajong2010 om de beleving van belemmeringen door betrokkenen om te participeren weg te nemen. Wel maken zij zich zorgen over de dossiers die het UWV zal bewaren voor langere tijd. 116. Kan de regering een garantie geven dat deze gegevens veilig opgeslagen worden en ook tot aan de Algemene Ouderdomswet (AOW) gerechtigde leeftijd beschikbaar en toegankelijk blijven?

Antwoord op vraag 116

Het waarborgen van de privacy en veiligheid van het UWV-archief is onderdeel van artikel 2a en artikel 15 van de Archiefwet 1995 en de interne protocollen van UWV. Met het verlengen van de herlevingstermijn en het uitbreiden van de bewaartermijnen voor Wajong-dossiers wijzigt niets aan het waarborgen van de privacy en veiligheid van deze gearchiveerde dossiers.

Voor het uitbreiden van de herlevingstermijn naar AOW gerechtigde leeftijd moeten de dossiers voor langere tijd bewaard worden. De bewaartermijnen gaan in op het moment dat de Wajonguitkering wordt beëindigd. De Archiefwet 1995 bepaalt in artikel 5 dat de zorgdrager (in dit geval UWV) verplicht is om selectielijsten te ontwerpen waarin wordt aangegeven welke gegevens op welk moment voor vernietiging in aanmerking komen. Om de Wajongdossiers na het beëindigen langer te kunnen bewaren, moet UWV de ingangstermijn voor de bewaartermijn van Wajong-dossiers in de bestaande selectielijst aanpassen. Dit leidt ertoe dat de dossiers van de betreffende Wajongers pas wordt vernietigd na afloop van de bewaartermijn, die ingaat als de betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.

UWV zal, conform de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel, in de bedrijfsvoering bij de bepaling of Wajong-dossiers voor vernietiging in aanmerking komen alvast rekening houden met het herlevingsrecht. Dit is mogelijk binnen de ruimte die binnen de huidige selectielijst UWV wordt geboden. Daarnaast zal UWV bij de eerstvolgende wijziging van de selectielijst UWV de aanvullende bepaling ten aanzien van het herlevingsrecht van Wajong-dossiers opnemen, zodat het moment waarop de bewaartermijn voor deze dossiers ingaat, duidelijk is vastgelegd. De eerder benoemde bewaartermijnen die worden gehanteerd voor de Wajong-dossiers wijzigen niet op grond van de aangepaste herlevingstermijn.

Verder vinden de leden van de VVD-fractie het belangrijk dat de communicatie en uitlegbaarheid naar de doelgroep voor de betrokkenen begrijpelijk en helder is. 117. Vanaf wanneer start de overheid samen met het UWV het communicatietraject over de nieuwe regeling? Deze leden vinden het belangrijk om bij de voorbereiding van het communicatietraject ook mensen uit de doelgroep en hun ouders c.q. begeleiders te betrekken. 118. Kan de regering bevestigen dat dit ook gebeurt?

Antwoord op vragen 117 en 118

De regering is samen met UWV gestart met een communicatietraject over de wijzigingen gericht op de Wajong-doelgroep. Net als de leden van de VVD vinden de regering en het UWV het van belang om mensen uit de doelgroep te betrekken bij het communicatietraject. UWV maakt gebruik van onder andere klantenpanels om communicatieboodschappen en communicatie-uitingen zoals brieven en formulieren te testen. Ook het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaat periodiek in gesprek met de doelgroep. Op 13 juni 2019 is bijvoorbeeld een bijeenkomst georganiseerd met Wajongers over de wijzigingen. Tijdens de bijeenkomst is aan Wajongers gevraagd waar zij informatie vandaan halen en op welke wijze zij het liefst geïnformeerd worden. Ook is besproken hoe de wijzigingen begrijpelijker gemaakt kunnen worden voor de doelgroep. De inzichten uit de bijeenkomst worden gebruikt voor het verdere traject.

De leden van de CDA-fractie zijn verheugd over het voorstel om het herlevingsrecht van de Wajong-uitkering uit te breiden, maar zij hebben hierbij wel een vraag. Volgens het voorstel kunnen Wajongers die gaan werken altijd terugvallen op hun Wajong-recht als ze uitvallen op basis van dezelfde reden als waarom hen het Wajong-recht is toegekend. 119. Kan de regering precies aangeven wat de gevolgen zijn als een Wajonger zijn werk verliest door een oorzaak die los staat van de handicap waarvoor de Wajong is toegekend? 120. Betekent dit dat dan het Wajong-recht niet herleeft? Dit roept bij de leden van de CDA-fractie vragen op. Immers in de praktijk zal het niet altijd duidelijk zijn (of hard te maken) dat iemand zijn baan verliest vanwege zijn of haar handicap. 121. Is de regering het met deze leden eens dat dit gegeven ertoe kan leiden dat de zorgen onder Wajongers om de Wajong-uitkering te verliezen als zij gaan werken, blijven bestaan en zij niet gaan werken? Deze leden zien graag een nadere toelichting van de regering tegemoet.

Antwoord op vragen 119 t/m 121

Het herleven van het recht is alleen aan de orde als het recht op Wajong is geëindigd. Over het algemeen is de kans op beëindiging van het recht op Wajong door het aanvaarden van werk zeer klein. Zo eindigt het recht op Wajong bijvoorbeeld niet zolang een Wajonger in de Wajong2010 gebruik maakt van structurele ondersteuning9, ongeacht wat men verdient.

Voor de mensen van wie het Wajong-recht is geëindigd, zijn net als alle werkenden, verzekerd tegen het risico op uitval door ziekte. Bij uitval door ziekte geldt in eerste instantie twee jaar loondoorbetaling, waarbij de werkgever vanuit de no-riskpolis een ziektewetuitkering ontvangt voor de doorlopende loonkosten. Na twee jaar loondoorbetaling volgt een WIA-beoordeling. Alleen op het moment dat een WIA-uitkering lager is dan een Wajong-uitkering, volgt een aanvulling vanuit de Wajong. Mocht er geen Wajong-recht meer bestaan, dan kan een WIA-uitkering in individuele situaties vanuit de Toeslagenwet aangevuld worden tot aan het sociaal minimum.

In het wetsvoorstel is opgenomen dat herleving van de Wajong tot AOW gerechtigde leeftijd (de uitbreiding van de herlevingstermijn) van toepassing is als toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan de Wajonger eerder recht op arbeidsondersteuning had. Als een Wajonger zijn werk verliest door een oorzaak die niet voorkomtuit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht op arbeidsondersteuning had, herleeft het recht op Wajong niet. De regering constateert, net als deze leden, dat dit ertoe kan leiden dat de angst van Wajongers om te gaan werken blijft bestaan. Dit is niet in lijn met het doel van het wetsvoorstel om belemmeringen voor participatie weg te nemen. Zoals hierboven gesteld wordt het risico op uitval vanwege ziekte reeds gedekt door de WIA. Om desalniettemin tegemoet te komen aan het wegnemen van deze angst bij Wajongers onderzoekt de regering, voorafgaand aan de behandeling in de Tweede Kamer, de mogelijkheid om het herlevingsrecht voor Wajongers te verbreden waarbij uitval niet te herleiden hoeft te zijn naar de oorzaak op grond waarvan een persoon een Wajong-uitkering heeft gekregen. Hiertoe worden ook de consequenties voor de samenloop met andere uitkeringen en mogelijke precedentwerking in kaart gebracht.

De leden van de D66-fractie zijn content met het voornemen van de regering om de termijn voor herleving van de Wajong op te trekken van vijf jaar naar de AOW-gerechtigde leeftijd. 122. Tegelijkertijd constateren deze leden echter dat het UWV in haar uitvoeringstoets meldt dat wanneer een Wajonger zijn baan verliest door ontslag, er geen herlevingsgrond is in de nieuwe regeling. Deze leden vragen de regering in hoeverre dit klopt, en zo ja, hoe dit rijmt met het beoogde doel van wegnemen van de angst bij Wajongers om werk te accepteren.

Verlies van een baan vanwege ontslag is geen grond voor het herleven van de Wajong-uitkering. Een persoon kan, indien eerder het recht op Wajong na meer dan vijf jaar werken is beëindigd vanwege het zelfstandig verdienen van een inkomen hoger dan 75 procent WML of hoger dan 75 procent van het maatmaninkomen, herleving aanvragen. Op het moment dat op basis van de beperkingen blijkt dat iemand voldoet aan de criteria voor de Wajong, herleeft het oude recht. Het recht kan dus ook herleven na uitval vanwege ontslag.

123. Kan de regering daarnaast kwantificeren hoe vaak een werknemer met recht op Wajong wordt ontslagen of het contract niet wordt verlengd ten opzichte van werknemers zonder een Wajongregeling?

Antwoord op vragen 123

Het aandeel van in een bepaalde maand werkende Wajongers dat in het daaropvolgende maand geen werk heeft, bedroeg in 2018 tussen de 2,1 en 3,0 procent. In absolute aantallen betekent dit dat van het gemiddelde aantal werkende Wajongers van 59.400 in de volgende maand gemiddeld 1.600 mensen geen werk hebben.

Het aandeel van in een bepaalde maand werkende Nederlanders dat in het daaropvolgende maand geen werk heeft, bedroeg in 2018 tussen de 1,8 en 3,0 procent. In absolute aantallen betekent dit dat van het gemiddelde aantal werkenden in Nederland van 7.569.000 in de volgende maand gemiddeld 186.000 mensen geen werk hebben.

124. Daarnaast constateren de leden van de D66-fractie dat het UWV in haar uitvoeringstoets meldt dat ook wanneer een Wajonger arbeidsongeschikt raakt om een andere reden dan waarvoor eerder de Wajong is toegekend, het recht op herleving niet geldt. Deze leden vragen de regering om uiteen te zetten waarom hiervoor gekozen is, ook in het licht van het feit dat er onder de doelgroep relatief vaak meerdere ziektebeelden tegelijkertijd optreden.

Antwoord op vraag 124

In het wetsvoorstel is opgenomen dat herleving van de Wajong tot AOW gerechtigde leeftijd (de uitbreiding van de herlevingstermijn) van toepassing is als toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan de Wajonger eerder recht op arbeidsondersteuning had. Als een Wajonger zijn werk verliest door een oorzaak die niet voorkomtuit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht op arbeidsondersteuning had, herleeft het recht op Wajong niet. De regering constateert, net als deze leden, dat dit ertoe kan leiden dat de angst van Wajongers om te gaan werken blijft bestaan. Dit is niet in lijn met het doel van het wetsvoorstel om belemmeringen voor participatie weg te nemen. Zoals hierboven gesteld wordt het risico op uitval vanwege ziekte reeds gedekt door de WIA. Om desalniettemin tegemoet te komen aan het wegnemen van deze angst bij Wajongers onderzoekt de regering, voorafgaand aan de behandeling in de Tweede Kamer, de mogelijkheid om het herlevingsrecht voor Wajongers te verbreden waarbij uitval niet te herleiden hoeft te zijn naar de oorzaak op grond waarvan een persoon een Wajong-uitkering heeft gekregen. Hiertoe worden ook de consequenties voor de samenloop met andere uitkeringen en mogelijke precedentwerking in kaart gebracht.

Het is de leden van de GroenLinks-fractie nog niet helemaal duidelijk wanneer het terugkeerrecht geldt. 125. Geldt het terugkeerrecht ook als iemand met een baan onafhankelijk wordt van de Wajong en na enkele jaren ontslagen wordt op bedrijfseconomische grond?

Antwoord op vraag 125

In het wetsvoorstel is opgenomen dat herleving van de Wajong tot AOW gerechtigde leeftijd (de uitbreiding van de herlevingstermijn) van toepassing is als toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan de Wajonger eerder recht op arbeidsondersteuning had. Als een Wajonger zijn werk verliest door een oorzaak die niet voorkomtuit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht op arbeidsondersteuning had, herleeft het recht op Wajong niet. De regering constateert, net als deze leden, dat dit ertoe kan leiden dat de angst van Wajongers om te gaan werken blijft bestaan. Dit is niet in lijn met het doel van het wetsvoorstel om belemmeringen voor participatie weg te nemen. Zoals hierboven gesteld wordt het risico op uitval vanwege ziekte reeds gedekt door de WIA. Om desalniettemin tegemoet te komen aan het wegnemen van deze angst bij Wajongers onderzoekt de regering, voorafgaand aan de behandeling in de Tweede Kamer, de mogelijkheid om het herlevingsrecht voor Wajongers te verbreden waarbij uitval niet te herleiden hoeft te zijn naar de oorzaak op grond waarvan een persoon een Wajong-uitkering heeft gekregen. Hiertoe worden ook de consequenties voor de samenloop met andere uitkeringen en mogelijke precedentwerking in kaart gebracht.

126. Geldt het terugkeerrecht ook als iemand met duurzaam geen arbeidsvermogen meer dan 20 procent inkomsten (loon) ontvangt en toch weer volledig uitvalt?

Antwoord op vragen 126

Het recht op herleven heeft betrekking op mensen van wie het recht op Wajong is beëindigd en weer uitvallen. Wajongers die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, verliezen het Wajong-recht niet wanneer zij meer dan 20 procent WML aan inkomen vergaren. Wel kan het voorkomen dat zij een bestendig inkomen laten zien en daarmee laten zien mogelijk over arbeidsvermogen te beschikken. UWV zal op dat moment, op basis van de criteria voor arbeidsvermogen, vaststellen of er sprake is van arbeidsvermogen. Indien sprake is van arbeidsvermogen, wordt deze persoon overgezet in de categorie «niet duurzaam geen arbeidsvermogen». Dit geldt alleen voor de Wajongers in de oWajong en de Wajong2010. Voor mensen in de Wajong2015 betekent dit theoretisch een beëindiging van het Wajong recht. Alle Wajongers hebben de mogelijkheid om bij verslechtering of verbetering van zijn of haar situatie een herbeoordeling aan te vragen. UWV beoordeelt vervolgens op basis van de criteria in hoeverre er sprake is van «duurzaam geen arbeidsvermogen». Op het moment dat op basis van de beperkingen blijkt dat iemand voldoet aan de criteria voor de Wajong, herleeft het oude recht.

127. Hoe wordt omgegaan met Wajongers die in de Werkloosheidswet (WW) terecht komen en daardoor geen recht hebben op loondispensatie of loonkostensubsidie, waardoor zij minder makkelijk aan een baan kunnen komen?

Antwoord op vragen 127

Een Wajonger die zijn baan verliest en aanspraak maakt op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangt van UWV dienstverlening op grond van het Wajong dienstverleningsconcept. Op grond van het Wajong-recht kan er voor de Wajonger ook bij een volgend dienstverband wederom loondispensatie worden aangevraagd.

2.3 Passend werkaanbod in de oWajong en Wajong2010 harmoniseren

128. De leden van de VVD-fractie vragen of, en zo ja, welke maatregelen er worden genomen wanneer iemand geen gebruik wil maken van het re-integratietraject. Kan de regering de begrippen vrijwillig maar niet vrijblijvend in dit verband nader toelichten. 129. Wat gebeurt er als iemand geen gebruik wil maken van de ondersteuning van het UWV? 130. Aan welke verplichtingen moet dan worden voldaan?

Antwoord op vragen 128 t/m 130

Voor jonggehandicapten die arbeidsvermogen hebben, staat het vinden en behouden van werk voorop. Wajongers met arbeidsvermogen zijn verplicht om te werken aan hun re-integratie. UWV biedt Wajongers met arbeidsmogelijkheden hierbij actieve ondersteuning aan. Het laten ondersteunen door UWV bij hun re-integratie is vrijwillig. Wajongers hebben ook de mogelijkheid om af te zien van deze ondersteuning door UWV. Als een Wajonger afziet van dienstverlening worden door UWV met deze Wajonger afspraken gemaakt over de wijze waarop de Wajonger zelf werkt aan re-integratie. Uitgangspunt is dat deze afspraken handhaafbaar zijn. Ook als een Wajonger afziet van dienstverlening door UWV worden de afspraken over de wijze waarop de Wajonger zelf werkt aan de re-integratie en vastgelegd in het re-integratieplan of re-integratievisie.

Het accepteren van ondersteuning door UWV is vrijwillig, maar niet vrijblijvend. Op het moment dat een Wajonger arbeidsondersteuning accepteert en UWV investeert in een Wajonger door een re-integratietraject gericht op werk in te kopen, hoort daarbij ook de afspraak dat deze Wajonger bereid is om passend werk te aanvaarden. Ook deze afspraak wordt vastgelegd in het re-integratieplan of de re-integratievisie. Indien de afspraken niet worden nagekomen, volgt een sanctie op basis van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten vanwege het niet nakomen van de afspraken uit het re-integratieplan of de re-integratievisie. Bijvoorbeeld een verlaging van het uitkeringsbedrag gedurende een bepaald aantal maanden.

Daarnaast wordt de term algemeen geaccepteerde arbeid vervangen door passende arbeid. 131. Hoe zal er worden bepaald wat passende arbeid is?

Antwoord op vraag 131

De regering is van mening dat duidelijk moet worden vastgelegd wanneer er sprake is van passend werk en wie dat vaststelt. De definitie van passend werk is vastgelegd in de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). In algemene zin vraagt de regering UWV om met het oog op handhaafbaarheid vast te leggen wanneer er sprake is van passend werk en wie dat vaststelt – ook voor de Wajong.

De leden van de D66-fractie zijn content dat de verplichting om een passend werkaanbod te accepteren wordt gewijzigd. Deze leden constateren dat een Wajonger ook zelf de regie kan nemen in het re-integratietraject, waarin er afspraken worden gemaakt met het UWV. Zij begrijpen dat het UWV de afweging maakt of er voldoende inspanningen worden verricht ter re-integratie. 132. Deze leden vragen de regering op grond van welke aspecten deze afweging van voldoende inspanning wordt gemaakt.

Antwoord op vraag 132

De afweging van voldoende inspanning wordt door UWV gemaakt op basis van de in de in het re-integratieplan of re-integratievisie opgenomen afspraken. De afspraken in het re-integratieplan of de re-integratievisie worden door UWV en de Wajonger gezamenlijk gemaakt.

2.4 Studieregeling in de Wajong2010 vanaf 2020 schrappen

De leden van de D66-fractie zijn zeer content dat het volgen van een studie in de voorstellen van de regering voor Wajongers niet langer een verlaging betekent van de inkomensondersteuning. Daarnaast kan het feit dat studerende Wajongers worden vrijgesteld van verdere re-integratiemaatregelen op de steun van deze leden rekenen. 133. Zij vragen de regering op welke wijze Wajongers op de hoogte worden gesteld van het feit dat ze hierover afspraken dienen vast te leggen in het re-integratieplan bij het UWV.

Antwoord op vraag 133

UWV heeft alle Wajongers met arbeidsvermogen in beeld en biedt hen actieve ondersteuning. Ook heeft UWV periodiek contact met deze Wajongers over de voortgang van de re-integratie. Wanneer een Wajonger te kennen geeft in het kader van re-integratie een opleiding te willen starten, kunnen UWV en de Wajonger hierover afspraken maken en vastleggen in het re-integratieplan of de re-integratievisie. Dit gebeurt ook al in de huidige studieregeling en zal worden voortgezet met de nieuwe wetgeving. Wajongers die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, hoeven logischerwijs geen afspraken vast te leggen in een re-integratieplan of de re-integratievisie.

De leden van de SP-fractie zijn blij dat jonggehandicapten nu op school kunnen blijven en kunnen studeren. Deze leden hebben echter nog wel zorgen over hoe zij het collegegeld kunnen betalen en indien zij dit lenen, hoe zij dit terug kunnen betalen. 134. Wat is de visie van de regering op dit vraagstuk? 135. Kan het levenlanglerenkrediet voor deze mensen worden omgezet in een gift indien zij het niet terug kunnen betalen of niet meer verdienen dan WML?

Antwoord op vragen 134 en 135

Het studiefinancieringsstelsel is dusdanig vormgegeven dat afgestudeerden niet meer hoeven terug te betalen dan wat naar draagkracht mogelijk is. Wanneer aan het einde van de terugbetaalperiode de lening nog niet volledig is afgelost, wordt het restant kwijtgescholden. Het terugbetalen wordt zo nooit te zwaar voor oud-studenten, omdat het maximale terugbetaalbedrag gekoppeld is aan het inkomen.

De leden van de SP-fractie zijn tevens bezorgd over jonggehandicapten die in de bijstand zitten. Soms mogen zij van de sociale dienst een studie volgen met behoud van uitkering, maar dit wordt ook geregeld geweigerd. Vaak worden mensen doorverwezen naar Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Maar mensen met een arbeidsbeperking kunnen vaak helemaal geen studielening aan, omdat hun terugverdienvermogen beperkt of nog onbekend is. 136. Wat is de visie van de regering op deze groep mensen? Waar kunnen zij terecht? Hebben zij ook recht op studiemogelijkheden? Hoe moeten zij hun studiegeld betalen? Is het wel wenselijk dat het beleid per gemeente verschilt? Leidt dit niet tot willekeur? Is de regering bereid om recht op studie en/of scholing voor deze groep vast te leggen in de wet? Erkent de regering dat het beleid verschilt per gemeente en dat jonggehandicapten bij een weigering geen poot hebben om op te staan? Zijn er cijfers of onderzoeken bekent over de vraag hoeveel mensen al dan niet mogen studeren en/of scholen in de bijstand?

Antwoord op vraag 136

Als iemand studiefinanciering of een bijdrage op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) ontvangt heeft men geen recht op bijstand en als iemand bijstand ontvangt bestaat er geen recht op studiefinanciering. Wel kan iemand met studiefinanciering of WTOS recht hebben op individuele studietoeslag uit de Participatiewet. De Participatiewet biedt mogelijkheden tot scholing. Deze scholing moet gericht zijn op arbeidsmarkttoeleiding/re-integratie. Het behoort tot de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de gemeente om te beoordelen wat daarvoor nodig is. Vanaf 1 januari 2019 wordt de voorziening training/cursus/opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, in de Statistiek Re-integratie Gemeenten (SRG) van het CBS onderscheiden. Deze gegevens zijn waarschijnlijk vanaf september 2019 beschikbaar. De regering ziet, gegeven het karakter van de Participatiewet, geen aanleiding voor het verruimen van de mogelijkheden tot studeren in de bijstand. De Participatiewet is gedecentraliseerd en heeft een vangnetkarakter. In mijn brief aan de Tweede Kamer van 8 juli heb ik overigens aangegeven op welke wijze de uitvoering van de individuele studietoeslag wordt verbeterd. Het antwoord op vraag 137 en 138 gaat hier ook op in.

2.5 Uitsluitingsgrond studerende in de Wajong2015 schrappen

De leden van de GroenLinks-fractie zijn positief over het voornemen van de regering om de uitsluitingsgrond studeren te schrappen in de Wajong2015. Deze leden delen echter de zorgen van het UWV dat dit mogelijk geen oplossing gaat bieden voor Wajongers die een Wajong2015 aanvragen, maar op dit moment nog op school zitten. Dit wetsvoorstel zou juist een oplossing moeten zijn voor kinderen die nog na hun achttiende op een voortgezet speciaal onderwijs (VSO)-school zitten en nu in een inkomensgat vallen, omdat zij pas recht hebben op Wajong als ze van school af zijn. Deze leden krijgen signalen dat jongeren nu van school worden gehaald, omdat (pleeg)ouders het financieel niet kunnen bolwerken. De individuele studietoeslag uit de Participatiewet is dan bij lange na niet genoeg. 137. Hoe kijkt de regering daar tegenaan? 138. Kan de regering garanderen dat deze groep inderdaad geholpen wordt met dit wetsvoorstel? De leden van de GroenLinks-fractie vinden de oplossing die het UWV aandraagt erg sympathiek en vragen de regering met klem om deze optie te heroverwegen.

Antwoord op vraag 137 en 138

De voorgestelde wijziging van de Wajong2015 neemt het ontbreken van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als uitgangspunt. Op het moment van de aanvraag voor een uitkering Wajong2015 beoordeelt UWV of sprake is van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Bij vaststelling van ontbreken van perspectief op de arbeidsmarkt ontstaat al tijdens de opleiding volledig recht op een uitkering. Dit in tegenstelling tot de huidige situatie. Hiermee wordt voorkomen dat jongeren die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben vanwege financiële redenen van school worden gehaald. Mensen met een Wajong-uitkering komen niet in aanmerking voor de studietoeslag in de Participatiewet omdat de Wajong voor hen de voorliggende voorziening is.

De regering is geen voorstander van het toekennen van een tijdelijke Wajong2015 uitkering als blijkt dat UWV nog niet kan vaststellen of de aanvrager duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. De Wajong2015 is vormgegeven als voorziening in de vorm van een uitkering voor jonggehandicapten die geen mogelijkheden voor arbeidsparticipatie hebben en deze ook niet zullen ontwikkelen. Introductie van een tijdelijke Wajong2015 voor studerende jonggehandicapten zonder arbeidsvermogen, waarvan UWV de duurzaamheid niet kan vaststellen kan leiden tot een teleurstelling voor jonggehandicapten. UWV zal voor een deel van hen ook na afloop van de studie de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen niet kunnen vaststellen en de Wajong2015 uitkering moeten beëindigen. Hiermee wordt het beschreven knelpunt verschoven naar een later tijdstip. Overigens kunnen mensen van wie niet is vastgesteld dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen hebben, in een later stadium een nieuwe aanvraag voor Wajong2015 indienen.

2.6 Instroom in de oWajong afsluiten

De leden van de SP-fractie vragen wat de noodzaak is van het afsluiten van de instroom in de oWajong. 139. Hoeveel mensen stroomden er nog in de oWajong de afgelopen jaren? 140. Hoeveel zou het kosten om de oWajong niet af te sluiten? 141. Erkent de regering dat er mensen zijn die hun leven lang al problemen en ziekteverschijnselen hebben maar waarbij pas op latere leeftijd geconstateerd wordt dat het ziekte A of B is? 142. Wat zijn de gevolgen van het afsluiten voor deze mensen?

Antwoord op vragen 139 t/m 142

Bij de invoering van de Participatiewet is beoogd dat de Wajong alleen nog toegankelijk is voor jonggehandicapten die duurzaam geen mogelijkheden hebben tot arbeidsparticipatie. Ondanks de invoering van de Participatiewet is de mogelijkheid blijven bestaan om op basis van overgangsrecht AAW alsnog recht op oWajong kunnen krijgen als aan de voorwaarden wordt voldaan. Voor de uitvoering brengt deze mogelijkheid problemen met zich mee. Bij een beoordeling die ziet op een lang verstreken datum kan ook de functieduiding voor UWV problematisch zijn waardoor de gebruikelijke zorgvuldigheid niet kan worden gehandhaafd. Het ligt daarnaast in de risicosfeer van de aanvrager dat de exacte gegevens over functies in een ver verleden niet meer traceerbaar zijn10. De regering is daarom voornemens om de nieuwe instroom in de oWajong af te sluiten.

Het gevolg van de aanpassing is dat voor personen die geboren zijn vóór 1 januari 1980 en op wie het overgangsrecht Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) sinds 1998 van toepassing is, de toegang tot de oude Wajong wordt afgesloten.

Het afsluiten van de oWajong voor nieuwe instroom heeft betrekking op mensen die nog nooit een recht op Wajong hebben gehad en op basis van overgangsrecht AAW alsnog recht op oWajong kunnen krijgen als zij aan de voorwaarden voldoen. Personen die al recht op Wajong hebben gehad en dit willen laten herleven, kunnen dit blijven doen. Om mensen nog voldoende kans te bieden gebruik te maken van dit overgangsrecht treedt artikel II, waarmee dit overgangsrecht wordt gewijzigd, pas zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de wet wordt geplaatst in werking.

Aan het afsluiten van de oWajong liggen geen budgettaire redenen ten grondslag. De budgettaire effecten van het afsluiten van de instroom in de oWajong zijn vanwege de beperkte aantallen nihil.

Hoofdstuk 3 Ontvangen commentaren en adviezen

3.1 UWV

143. De leden van de VVD-fractie zouden graag willen weten hoe groot de groep is die nog studeert en een Wajong2015 uitkering wil aanvragen.

Antwoord op vraag 143

Het schrappen van de uitsluitingsgrond studerende in de Wajong 2015 zal naar verwachting met name tot vervroegde instroom in de Wajong2015 van leerlingen 18 t/m 20 jaar de clusters 1 t/m 3 in het voortgezet speciaal onderwijs leiden. Dit zullen jaarlijks ongeveer 1.605 leerlingen zijn.

144. Zij vragen daarnaast of er consequenties verbonden zijn aan de doorgang van de wet en de snelheid waarmee de wet uitgevoerd kan worden, vanwege de grote impact op het ICT-systeem dat het UWV verwacht.

Antwoord op vraag 144

De beoogde datum van invoering van het wetsvoorstel is 1 januari 2020. Beoogde inwerkingtreding van de harmonisatie van de regels voor inkomensondersteuning is 1 januari 2021. Reden hiervoor is dat de harmonisatie van de regels voor inkomensondersteuning een grote impact heeft op de ICT van UWV. Hiertoe moet zowel het systeem voor het vaststellen van de uitkering als het systeem voor het leveren van beleids-, stuur- en verantwoordingsinformatie worden aangepast. Voor het realiseren van de benodigde aanpassingen voor nieuwe regels voor inkomensondersteuning is daarom meer tijd nodig.

De leden van de CDA-fractie merken op dat het UWV een voorbehoud maakt bij de invoering van onderhavig wetsvoorstel met betrekking tot de benodigde ICT-aanpassingen. Deze zijn omvangrijk en complex. De leden van de CDA-fractie zien dit als een belangrijke waarschuwing, waar serieus rekening mee gehouden moet worden. 145. Wat is de reactie van de regering op dit voorbehoud? 146. Wat betekent dit voor de beoogde datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel van 1 juli 2020?

Antwoord op vragen 145 en 146

De regering onderschrijft dat rekening moet worden gehouden met de omvangrijke en complexe aanpassingen in ICT die nodig zijn voor de harmonisatie van de regels voor inkomensondersteuning. Vanwege de omvang van het traject zal het Ministerie van SZW een aanvraag indienen voor een toets door het Bureau ICT toetsing (BIT). Omdat voor het realiseren van de benodigde aanpassingen voor nieuwe regels voor inkomensondersteuning meer tijd nodig is dan voor de andere wijzigingen, is de beoogde datum voor inwerkingtreding van de harmonisatie van de regels voor inkomensondersteuning een jaar later, op 1 januari 2021.

147. De leden van de D66-fractie constateren dat het UWV in haar uitvoeringstoets melding ervan maakt dat de voorgestelde harmonisatie het voor Wajongers niet langer te overzien maakt wat de gevolgen zijn voor het recht en de hoogte van de uitkering als zij meer gaan werken. Deze leden vragen de regering of zij dergelijke signalen herkent, en hoe zij onduidelijkheden bij de Wajongers hieromtrent kan wegnemen.

Antwoord op vraag 147

De regering herkent de signalen over de uitlegbaarheid van de veranderingen en dan met name de harmonisatie van de regels voor inkomensondersteuning. Ook UWV heeft hierover in de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel opmerkingen gemaakt. De formules en teksten zoals opgenomen in de artikelen en memorie van toelichting van het wetsvoorstel zijn noodzakelijkerwijs technisch van aard. In deze vorm zal niet over de wijzigingen gecommuniceerd worden richting Wajongers. Zo wordt voor de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning door UWV een online rekentool ontwikkeld als hulpmiddel voor Wajongers om de financiële gevolgen van bijvoorbeeld meer inkomsten te kunnen doorrekenen. De rekentool geldt voor de berekening van het totaal inkomen op basis van het inkomen uit arbeid en de inkomensondersteuning door UWV. Hierin worden de gevolgen voor de toeslagen niet meegenomen. Voorlichting en communicatie over de wijzigingen door UWV is onderdeel van de implementatie van de wijzigingen. Dit geldt niet alleen in de communicatie, maar bijvoorbeeld ook voor arbeidsdeskundigen en uitkeringsdeskundigen. Kernboodschap is dat Wajongers van iedere verdiende euro, minimaal 30 cent behouden.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het UWV vragen heeft bij de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de voorgenomen wetswijziging. De voorgestelde harmonisatie van de regels voor inkomensondersteuning is volgens het UWV niet uitlegbaar aan de doelgroep en mist zijn doel. 148. Kan de regering nader ingaan op de aangedragen bezwaren en suggesties van het UWV?

Antwoord op vraag 148

De harmonisering van de regels voor inkomensondersteuning is voor UWV uitvoerbaar en handhaafbaar. UWV heeft hierbij wel twijfels geuit over de uitlegbaarheid van de regels en de gevolgen hiervan voor het aan de slag helpen van Wajongers. Om de uitlegbaarheid van de rekenregels te verbeteren, heeft UWV ervoor gepleit om de regels voor het berekenen van de uitkering eenvoudiger te maken. Het voorstel van UWV is om de rekenregel voor Wajongers die werken zonder loondispensatie te vereenvoudigen en het inkomen van Wajongers die werken met loondispensatie aan te vullen tot het WML als zij voldoende werken.

De regering heeft goede nota genomen van de bezwaren van UWV tegen de voorgestelde geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning. Naar aanleiding van de opmerkingen van UWV is de formule voor mensen die werken zonder loondispensatie vereenvoudigd. De formule voor Wajongers die werken zonder loondispensatie komt hierdoor overeen met de systematiek van verrekening van inkomen in de WIA. De formule is eenvoudiger, de uitkomst hetzelfde.

De suggestie van UWV om het inkomen van Wajongers die werken met loondispensatie aan te vullen tot het WML als zij voldoende werken, heeft de regering niet overgenomen. Reden hiervoor is dat met het voorstel van UWV de situatie blijft bestaan dat meer werken niet in alle gevallen loont. In het voorstel van UWV wordt het inkomen voor mensen die werken met loondispensatie namelijk aangevuld tot het wettelijk minimumloon ongeacht het aantal uur dat iemand werkt. Dit is niet in lijn met het uitgangspunt van de regering dat (meer) werken moet lonen.

149. Is het UWV in staat om het thans voorliggende wetsvoorstel op de beoogde inwerkingtredingsdatum in- en uit te voeren?

Antwoord op vraag 149

De regering gaat er op basis van de uitvoeringstoets van UWV bij het wetsvoorstel vanuit dat het mogelijk is om de benodigde wijzigingen op de beoogde data voor inwerkingtreding uit te voeren. In de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel heeft UWV aangegeven dat de wijzigingen voor UWV uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Voor de harmonisatie van de regels voor inkomensondersteuning is dit per 1 januari 2021. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en UWV hebben afspraken gemaakt over het bespreken van de voortgang van de implementatie van de wijzigingen. Onderdeel hiervan is het gezamenlijk toewerken naar de beoogde data voor inwerkingtreding.

150. Hoe kan de regering borgen dat alle Wajongers die met de nieuwe regels te maken krijgen adequaat geïnformeerd worden en dat onrust voorkomen wordt?

Antwoord op vraag 150

De regering herkent de signalen over de uitlegbaarheid van de veranderingen en dan met name de harmonisatie van de regels voor inkomensondersteuning. Ook UWV heeft hierover in de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel opmerkingen gemaakt. De formules en teksten zoals opgenomen in de artikelen en memorie van toelichting van het wetsvoorstel zijn noodzakelijkerwijs technisch van aard. In deze vorm zal niet over de wijzigingen gecommuniceerd worden richting Wajongers. Zo wordt voor de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning door UWV een online rekentool ontwikkeld als hulpmiddel voor Wajongers om de financiële gevolgen van bijvoorbeeld meer inkomsten te kunnen doorrekenen. De rekentool geldt voor de berekening van het totaal inkomen op basis van het inkomen uit arbeid en de inkomensondersteuning door UWV. Hierin worden de gevolgen voor de toeslagen niet meegenomen. Voorlichting en communicatie over de wijzigingen door UWV is onderdeel van de implementatie van de wijzigingen. Dit geldt niet alleen in de communicatie, maar bijvoorbeeld ook voor arbeidsdeskundigen en uitkeringsdeskundigen. Kernboodschap is dat Wajongers van iedere verdiende euro, minimaal 30 cent behouden.

3.2 Autoriteit Persoonsgegevens

151. De leden van de D66-fractie vragen de regering om een reactie op het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens, waarin wordt opgeroepen een nadere toelichting te geven op de privacy-impact door het verlengen van de bewaartermijn van persoonsgegevens.

Antwoord op vraag 151

Voor het uitbreiden van de herlevingstermijn naar de pensioengerechtigde leeftijd bewaart het UWV dossiers van Wajongers van wie het recht op Wajong is geëindigd voor een langere tijd. Deze worden pas vernietigd na afloop van de bewaartermijn, die ingaat als de betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt of vroegtijdig is overleden. Het opslaan van deze gegevens voor langere tijd wordt door de regering aanvaardbaar geacht, omdat hier meer zekerheid voor Wajongers tegenover staat. Door het uitbreiden van de herlevingstermijn kunnen Wajongers na het eindigen van het Wajongrecht gedurende langere tijd terugvallen op de Wajong bij toegenomen arbeidsongeschiktheid.

3.3 Landelijke Cliëntenraad

152. De leden van de SGP-fractie lezen dat volgens de regering meer werken ook loont voor Wajongers met medische urenbeperking en dat de voorgestelde regeling, evenmin als de huidige regeling, onderscheid maakt op basis van urenbeperking. Deze leden vragen hoe deze stellingen te verenigen zijn met het gegeven dat Wajongers met urenbeperking in het voorgestelde model beperktere inkomensstijging hebben dan op basis van onder meer de Bremanregeling en voortgezette werkregeling mogelijk is, waarbij zelfs meer dan 100 procent van het WML kan worden verdiend.

Antwoord op vraag 152

De voortgezette werkregeling vult, bij een inkomen van minimaal 20 procent WML, het inkomen aan tot 100 procent WML. Als een Wajonger in de voortgezette werkregeling meer gaat werken (bijv. inkomen stijgt van 30 naar 50 procent) blijft het totaal inkomen 100 procent WML. Omdat meer werken in deze situatie niet loont, is de regering voornemens om de voortgezette werkregeling te schrappen.

Om te voorkomen dat er net als in het verleden een stapeling ontstaat van verschillende regels voor inkomensondersteuning kiest de regering ervoor om één systeem voor inkomensondersteuning in de oWajong, Wajong2010 en Wajong2015 te introduceren. De geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning kan in individuele gevallen leiden tot een hoger, maar ook tot een lager inkomen uit loon en inkomensondersteuning voor werkende Wajongers. Als de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning tot een lager inkomen leidt, krijgen werkende Wajongers te maken met een garantiebedrag zodat hun inkomen er door de nieuwe regels niet op achteruit gaat. Voor Wajongers die verwacht hadden op den duur in de voortgezette werkregeling of de Bremanregeling te stromen, geldt dat het perspectief verandert. Voor hen is als zij gaan werken de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning van toepassing. De geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning zorgt ervoor dat, ook voor mensen met een medische urenbeperking, altijd sprake is van een toename van het totaalinkomen als zij meer gaan werken.

De Bremanregeling vult het inkomen aan tot maximaal 120 procent WML voor het aantal gewerkte uren. De Bremanregeling komt daarom vrijwel alleen tot uitbetaling bij deeltijdbanen van circa 30 uur of meer. Mensen met een medische urenbeperking kunnen daarom vrijwel geen gebruikmaken van de Bremanregeling in de Wajong. Mocht dat wel het geval zijn, dan krijgen zij te maken met het garantiebedrag als zij werken op het moment dat de nieuwe regels voor inkomensondersteuning in werking treden.

3.4 Internetconsultatie

De leden van de VVD-fractie lezen dat de periode van twee maanden tot stand is gekomen om te voorkomen dat Wajongers erop achteruitgaan op het moment dat zij zelfstandig van baan wisselen en dat daarmee het garantiebedrag ook de mobiliteit op de arbeidsmarkt voorkomt. 153. Kan de regering dit verder toelichten? 154. Op welke manier zorgt de grens van twee maanden dat mobiliteit op de arbeidsmarkt voorkomen wordt?

Antwoord op vragen 153 en 154

In eerste instantie is overwogen dat Wajongers aanspraak blijven maken op het garantiebedrag wanneer banen elkaar aansluitend opvolgen. Bij nader inzien zou dit aanleiding kunnen zijn voor Wajongers om niet zelfstandig van baan te wisselen, met als gevolg dat mobiliteit op de arbeidsmarkt voorkomen wordt. Met het oog hierop is vanuit pragmatisch oogpunt voor twee maanden gekozen, in plaats van de eis dat banen elkaar aansluitend moeten opvolgen. De periode van twee maanden heeft niet tot doel om Wajongers die hun werk om andere redenen verliezen het garantiebedrag te laten behouden.

II. ARTIKELGEWIJS

Onderdeel UU

De leden van de SGP-fractie lezen dat het ontbreken van inkomen als grond voor het alsnog vervallen van het garantiebedrag vooral bedoeld is voor de uitkeringsgerechtigden in de voortgezette werkregeling en de Bremanregeling. 155. Deze leden vragen waarom deze groepen niet expliciet worden benoemd. Wil de regering ingaan op het risico dat andere dan de genoemde groepen Wajongers gedupeerd worden door het algemene geformuleerde criterium dat geen inkomen is genoten.

Antwoord op vraag 155

Artikel 8:8, vierde lid, bepaalt wanneer de jonggehandicapte niet langer aanspraak maakt op het garantiebedrag. Het garantiebedrag vervalt indien de jonggehandicapte gedurende een aaneengesloten periode van twee maanden geen inkomen heeft genoten. Dit is het geval voor alle Wajongers. In de artikelsgewijze toelichting worden uitkeringsgerechtigden in de voortgezette werkregeling en de Bremanregeling expliciet benoemd omdat het garantiebedrag voor deze groep in theorie hoger kan zijn dan de uitkering bij niet werken. Niet opnemen van deze bepaling zou inhouden dat deze groep ongeacht het hebben van een inkomen, altijd aanspraak kan blijven maken op een hogere uitkering. De bepaling ziet echter niet uitsluitend op die groep. Mogelijk zijn er ook andere situaties waarin het garantiebedrag hoger is dan de uitkering bij niet werken. Ook in die gevallen vindt de regering het onwenselijk dat het garantiebedrag dan niet zou komen te vervallen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

BIJLAGE I

Figuur 1 t/m 6 bieden inzicht in het effect van de loonwaarde, het functieloon, de arbeidsduur en al dan niet een verhoogd maatman (150 procent) op de hoogte van het totale inkomen bij de verschillende inkomensregelingen in de oWajong.

Figuur 1: Totaal inkomen bij 50% loonwaarde en functieloon op WML

Figuur 1: Totaal inkomen bij 50% loonwaarde en functieloon op WML

Figuur 2: Totaal inkomen bij 50% loonwaarde en functieloon op 120% WML

Figuur 2: Totaal inkomen bij 50% loonwaarde en functieloon op 120% WML

Figuur 3: Totaal inkomen bij 70% loonwaarde en functieloon op WML

Figuur 3: Totaal inkomen bij 70% loonwaarde en functieloon op WML

Figuur 4: Totaal inkomen bij 70% loonwaarde en functieloon op 120% WML

Figuur 4: Totaal inkomen bij 70% loonwaarde en functieloon op 120% WML

Figuur 5: Totaal inkomen bij 100% loonwaarde en functieloon op WML

Figuur 5: Totaal inkomen bij 100% loonwaarde en functieloon op WML

Figuur 6: Totaal inkomen bij 100% loonwaarde en functieloon op 120% WML

Figuur 6: Totaal inkomen bij 100% loonwaarde en functieloon op 120% WML

Figuur 7 t/m 12 bieden inzicht in het effect van de loonwaarde, het functieloon, de arbeidsduur op de hoogte van het totale inkomen bij de verschillende inkomensregelingen in de Wajong2010.

Figuur 7: Totaal inkomen bij 50% loonwaarde en functieloon op WML

Figuur 7: Totaal inkomen bij 50% loonwaarde en functieloon op WML

Figuur 8: Totaal inkomen bij 50% loonwaarde en functieloon op 120% WML

Figuur 8: Totaal inkomen bij 50% loonwaarde en functieloon op 120% WML

Figuur 9: Totaal inkomen bij 70% loonwaarde en functieloon op WML

Figuur 9: Totaal inkomen bij 70% loonwaarde en functieloon op WML

Figuur 10: Totaal inkomen bij 70% loonwaarde en functieloon op 120% WML

Figuur 10: Totaal inkomen bij 70% loonwaarde en functieloon op 120% WML

Figuur 11: Totaal inkomen bij 100% loonwaarde en functieloon op WML

Figuur 11: Totaal inkomen bij 100% loonwaarde en functieloon op WML

Figuur 12: Totaal inkomen bij 100% loonwaarde en functieloon op 120% WML

Figuur 12: Totaal inkomen bij 100% loonwaarde en functieloon op 120% WML

X Noot
2

Kamerstukken II 2017/18, 34 352, nr. 76.

X Noot
3

Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 163.

X Noot
4

Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 115.

X Noot
5

Zie ook de brief van de toenmalige Staatssecretaris van SZW aan de Stichting van de Arbeid d.d. 7 oktober 2016: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/10/07/aanbiedingsbrief-reactie-aan-de-star-voorstel-pensioenopbouw-wajongers-met-loondispensatie.

X Noot
6

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2471

X Noot
7

Kamerstukken II 2018/19, 26 448 nr. 625.

X Noot
8

Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 134

X Noot
9

Daaronder vallen de volgende vormen van arbeidsondersteuning: jobcoach, intermediaire voorziening (zoals bijvoorbeeld een tolk Nederlandse gebarentaal) en vervoersvoorzieningen.

X Noot
10

ECLI:NL:CRVB:2015:1111 Centrale Raad van Beroep, 08-04-2015, 13/4847 WWAJ.