Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834934 nr. 3

34 934 Wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet op het financieel toezicht in verband met de implementatie van Richtlijn 2016/2341/EU van het Europees parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (PbEU 2016, L 354)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Dit wetsvoorstel dient ter implementatie van Richtlijn 2016/2341/EU van het Europees parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's) (PbEU 2016, L 354) (hierna: de richtlijn) die op 13 januari 2017 in werking is getreden. Het betreft een herziening van Richtlijn 2003/41/EG van het Europees parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PbEG 2003, L 235) (hierna: richtlijn 2003/41/EG). De uiterste implementatiedatum is 13 januari 2019. De transponeringstabellen met daarin een artikelsgewijs overzicht van de gevolgen van de richtlijn zijn in de bijlage bij deze memorie van toelichting opgenomen.

Het doel van de richtlijn is het bevorderen van de verdere ontwikkeling van tweedepijlerpensioenen in de Europese Unie. Daartoe wordt de procedure rond een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht verduidelijkt en aangescherpt. Verder worden in de richtlijn algemene regels gesteld op het gebied van governance, zoals over risicobeheer, accounting, risico-evaluaties en verslaglegging en bevat de richtlijn algemene regels ten aanzien van de informatieverstrekking aan (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Ook bevat de richtlijn regels ten aanzien van het toezicht op pensioeninstellingen, zoals de doelstellingen van het toezicht, het toezichtproces en de informatie-uitwisseling tussen de toezichthouders en andere partijen.

De belangrijkste meerwaarde van de richtlijn voor Nederland is dat de positie van (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden bij een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht wordt versterkt door goedkeuring door hun vertegenwoordigers noodzakelijk te maken en de toetsingscriteria voor De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) wettelijk te verankeren. Bij de totstandkoming van de richtlijn heeft het kabinet daar sterk op ingezet. Daarnaast is het ook in het belang van (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden dat er algemene regels op het gebied van governance en communicatie in de richtlijn zijn opgenomen. Door de verbeterde regels op dit gebied kan de richtlijn voor lidstaten met minder ver ontwikkelde tweedepijlerpensioenstelsels een bijdrage leveren aan een meer toekomstbestendige inrichting van de oudedagsvoorzieningen, hetgeen de financiële stabiliteit in de Europese Unie als geheel ten goede komt. Dit is in het belang van Nederland vanwege de grote financiële en economische verwevenheid met de andere lidstaten in de Europese Unie.

De Tweede Kamer is vanaf het uitbrengen van het voorstel voor de richtlijn door de Europese Commissie tot en met het uiteindelijke akkoord door het kabinet geïnformeerd over de voortgang1. Op 13 april 20172 is de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de gevolgen van de richtlijn voor de Nederlandse wet- en regelgeving. Op wettelijk niveau heeft de richtlijn gevolgen voor de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: Wvb) en de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). In deze memorie van toelichting wordt nader toegelicht welke gevolgen de richtlijn heeft.

2. Algemene opmerkingen over de artikelen van de richtlijn

2.1 Reikwijdte van de richtlijn (artikelen 2 t/m 5)

De richtlijn is van toepassing op pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen (hierna: ppi’s). In deze toelichting wordt – waar de gevolgen van de richtlijn voor pensioenfondsen en ppi’s hetzelfde zijn – kortheidshalve gesproken van «pensioenfondsen». Wanneer het onderscheid tussen pensioenfondsen en ppi’s relevant is, wordt dit expliciet toegelicht.

Net als bij de implementatie van richtlijn 2003/41/EG wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de richtlijn toe te passen op verzekeraars (artikel 4) en de mogelijkheid om de richtlijn niet toe te passen op kleine pensioeninstellingen (artikel 5)3.

Voor de informatievereisten richting (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden geldt dat de noodzakelijke veranderingen in de bepalingen over informatieverstrekking in de Pensioenwet en Wvb ook gevolgen hebben voor verzekeraars voor zover zij een tweede pijlerpensioenregeling uitvoeren. Reden hiervoor is het belang van een uniforme manier van communiceren richting (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Zie in dit kader ook paragraaf 2.7 van deze memorie van toelichting.

2.2 Definities en algemene bepalingen omtrent werkzaamheden pensioenfondsen (artikelen 6 t/m 10)

In de richtlijn zijn verschillende definities opgenomen (artikel 6). De definities die in de Pensioenwet, Wvb en Wft zijn opgenomen komen grotendeels overeen met deze definities. Er zijn slechts summiere wijzigingen nodig.

De richtlijn bevat voorts enkele algemene bepalingen: zo moeten pensioeninstellingen hun werkzaamheden beperken tot werkzaamheden die met de pensioenvoorziening te maken hebben (artikel 7), dienen pensioeninstellingen juridisch gescheiden te zijn van de bijdragende onderneming (artikel 8), moeten instellingen in een nationaal register zijn ingeschreven of een door de toezichthouder afgegeven vergunning hebben (artikel 9) en is voorgeschreven wat de operationele voorschriften zijn ten aanzien van de instellingen (artikel 10). Deze artikelen zijn reeds geïmplementeerd.

2.3 Grensoverschrijdende activiteiten en grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht (artikelen 11 en 12)

Met de richtlijn worden de spelregels voor grensoverschrijdende activiteiten van pensioeninstellingen en een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht verduidelijkt en aangescherpt. Belangrijkste uitgangspunt daarbij is de bescherming van de deelnemer. De bescherming van de deelnemer is via verschillende onderdelen geregeld, zowel in de bestaande wet- en regelgeving (al dan niet voortkomend uit richtlijn 2003/41/EG) als via dit wetsvoorstel. Met de implementatie van de richtlijn wordt de bescherming van de deelnemer versterkt.

De richtlijn bevat allereerst regels over de situatie waarin een pensioeninstelling een pensioenregeling uitvoert waarvan de bijdragende onderneming in een andere lidstaat is gevestigd dan waar de pensioeninstelling gevestigd is (artikel 11).

Naar huidig recht is het reeds mogelijk dat een pensioenregeling waaraan wordt bijgedragen door een in Nederland zetel hebbende bijdragende onderneming wordt uitgevoerd door een pensioeninstelling uit een andere lidstaat. Voordat een pensioeninstelling uit een andere lidstaat een pensioenregeling mag uitvoeren waaraan wordt bijgedragen door een in Nederland zetel hebbende bijdragende onderneming, dient zij hiervoor een vergunning te ontvangen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft4. Bij grensoverschrijdende activiteiten moet de sociale en arbeidswetgeving (inclusief informatievoorschriften) van de lidstaat waaruit de pensioenregeling afkomstig is in acht worden genomen.

Recent heeft het kabinet onderzoek laten uitvoeren naar de ontwikkeling van grensoverschrijdende pensioenregelingen. Uit dit onderzoek5blijkt dat de huidige omvang van het aantal Nederlandse pensioenregelingen die in een andere lidstaat worden uitgevoerd zeer beperkt is, het betreft ongeveer 0,1% van het aantal deelnemers en belegd vermogen. Voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen is het niet mogelijk om een pensioenregeling in een andere lidstaat te laten uitvoeren, omdat de verplichtstelling dan komt te vervallen. Op basis van het onderzoek lijkt de aantrekkelijkheid van het uitvoeren van een Nederlandse pensioenregeling in België ook in de toekomst vooralsnog geen grote vormen aan te nemen en beperkt te blijven tot enkele multinationals, veelal met een buitenlandse moederonderneming, die schaalvoordelen zoeken.

In het concrete geval dat een Nederlandse pensioenregeling door een pensioeninstelling uit een andere lidstaat wordt uitgevoerd, blijft de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving gelden. Het gaat dan bijvoorbeeld om de eisen ten aanzien van het verbod op afkoop van pensioen, het recht op waardeoverdracht en de informatievereisten die we in Nederland kennen. DNB en de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) houden hier toezicht op. Voor wat betreft het prudentiële kader gelden de vereisten van de lidstaat waar de pensioeninstelling haar zetel heeft.

Ook de omgekeerde situatie is mogelijk. Een (Nederlands) pensioenfonds is – met een vergunning van de toezichthouder – bevoegd om een pensioenregeling uit te voeren waaraan wordt bijgedragen door een onderneming die zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland6. Het pensioenfonds moet daarbij de sociale en arbeidswetgeving (inclusief informatievoorschriften) in acht nemen van de lidstaat waaruit de pensioenregeling afkomstig is7.

Voornoemde punten over de grensoverschrijdende uitvoering van pensioenregelingen zijn ter implementatie van richtlijn 2003/41/EG in de Nederlandse wetgeving verankerd en worden slechts op kleine punten gewijzigd. Het gaat bijvoorbeeld om de termijn waarbinnen informatie moet worden uitgewisseld tussen de toezichthouder – in dit geval DNB – en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft over de toepasselijke sociale en arbeidswetgeving in geval van grensoverschrijdende uitvoering van een pensioenregeling.

De richtlijn bevat ook regels over een collectieve waardeoverdracht van een pensioeninstelling in de ene lidstaat naar een pensioeninstelling in een andere lidstaat (artikel 12).

Deze regels hebben specifiek betrekking op een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht. De regels voor een collectieve waardeoverdracht binnen Nederland wijzigen met dit wetsvoorstel dan ook niet. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het binnen de kaders van het Verdrag inzake de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) mogelijk is om onderscheid te maken tussen een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht en een collectieve waardeoverdracht binnen Nederland. In het VWEU zijn onder andere het vrij verkeer van diensten (artikel 56 VWEU) en het vrij verkeer van kapitaal (artikel 63 VWEU) neergelegd. Om onder deze vrijheden te vallen, dient er sprake te zijn van een grensoverschrijdend element. Zogeheten interne situaties, oftewel situaties waarin alle aspecten zich in één lidstaat afspelen, worden niet door de vrijheden geraakt. Als een Nederlandse pensioenuitvoerder de waarde van een pensioenregeling overdraagt aan een andere Nederlandse pensioenuitvoerder is sprake van zo’n interne situatie. Derhalve hoeven de (aanvullende) regels die op grond van de richtlijn moeten gelden voor een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht niet te worden geïmplementeerd voor een collectieve waardeoverdracht binnen Nederland.

In de Nederlandse wet- en regelgeving zijn reeds bepalingen opgenomen over een collectieve waardeoverdracht van een (Nederlandse) pensioenuitvoerder naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat. DNB toetst een voorgenomen collectieve waardeoverdracht naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat op basis van de artikelen 83, 84 en 90 van de Pensioenwet dan wel de artikelen 91, 92 en 98 van de Wvb. DNB werkt daarbij nauw samen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft. De bescherming van (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden bij een collectieve waardeoverdracht is al op verschillende manieren geregeld in de Nederlandse wet- en regelgeving. Zo behoeft een werkgever voordat hij een definitief besluit tot collectieve waardeoverdracht kan nemen, eerst de instemming van de ondernemingsraad van de betreffende organisatie8. Ook heeft de raad van toezicht een goedkeuringsrecht bij een voorgenomen besluit tot collectieve waardeoverdracht9. Daarnaast heeft de deelnemer in geval van een collectieve waardeoverdracht die plaatsvindt op verzoek van de werkgever een individueel bezwaarrecht ten aanzien van de collectieve waardeoverdracht10.

In de richtlijn is onder andere de rol van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten bij een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht verder uitgewerkt. Het is een belangrijke meerwaarde dat op Europees niveau regels zijn vastgelegd over een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht. Allereerst wordt hierdoor het proces gestroomlijnd en de rol van de bevoegde autoriteiten verduidelijkt en versterkt gegeven de grondslag in Europees recht. Daarnaast zorgt het Europees vastleggen van de spelregels ervoor dat deze door alle lidstaten moeten worden geïmplementeerd, hetgeen leidt tot meer duidelijkheid en bescherming voor de bij de collectieve waardeoverdracht betrokken (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden in alle lidstaten.

Ter implementatie van de richtlijn worden de criteria waar DNB op toetst bij een collectieve waardeoverdracht naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat wettelijk verankerd. Het gaat daarbij om criteria die erop toezien dat de langetermijnbelangen van de eventuele achterblijvende (gewezen) deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden afdoende worden beschermd, dat de individuele pensioenaanspraken en pensioenrechten minstens gelijk blijven na de collectieve waardeoverdracht en dat er geen sprake is van onderdekking op het moment van overdracht op basis van de waarderingsregels van het Nederlandse financieel toetsingskader. Een collectieve waardeoverdracht vanuit Nederland naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat kan niet plaatsvinden zonder voorafgaande toestemming door DNB. Deze wettelijke verankering versterkt de positie van DNB.

Ook de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft, moeten de voorgenomen collectieve waardeoverdracht toetsen. Die bevoegde autoriteiten toetsen onder andere of de pensioeninstelling toegerust is op de te ontvangen waarde, of de langetermijnbelangen van de eventuele bestaande deelnemers en pensioengerechtigden van de pensioeninstelling voldoende worden gewaarborgd, of de pensioeninstelling niet in onderdekking verkeert op het moment van overdracht en of de over te dragen waarde toereikend is om de overdragende verplichtingen te dekken. De bevoegde autoriteiten moeten goedkeuring verlenen voor de collectieve waardeoverdracht.

Naast toestemming van DNB en goedkeuring van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft, is in geval van een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht op basis van de richtlijn ook goedkeuring vereist van (1) de betrokken werkgever en (2) een meerderheid van de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden of een meerderheid van hun vertegenwoordigers.

Bij de uitwerking hiervan wordt in het kader van de Pensioenwet onderscheid gemaakt tussen een pensioenfonds met een verantwoordingsorgaan en een pensioenfonds met een belanghebbendenorgaan.

Een pensioenfonds moet een verantwoordingsorgaan instellen, indien het een paritair bestuur, een paritair gemengd bestuur of een omgekeerd gemengd bestuur heeft11. In deze gevallen is de werkgever vertegenwoordigd in het bestuur. Hierdoor hoeft er voor pensioenfondsen met een verantwoordingsorgaan geen afzonderlijk goedkeuringsrecht voor de werkgever vastgelegd te worden. Daarnaast vindt een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht vaak op verzoek van de werkgever plaats12, waarmee de goedkeuring van de werkgever een gegeven is. Voor het goedkeuringsrecht van (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden is een aanpassing van de huidige wetgeving nodig. Voorgesteld wordt dat het verantwoordingsorgaan, zonder de eventuele vertegenwoordiging van de werkgever, het besluit moet goedkeuren. Hierdoor is gewaarborgd dat de vertegenwoordigers van (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden om goedkeuring worden gevraagd voor een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht.

Een pensioenfonds moet een belanghebbendenorgaan instellen, indien het een onafhankelijk bestuur of een onafhankelijk gemengd bestuur heeft13. In deze gevallen is de werkgever niet vertegenwoordigd in het bestuur. Hoewel een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht zoals gezegd meestal op verzoek van de werkgever plaatsvindt, is dat niet altijd het geval. Een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht kan ook plaatsvinden in verband met de liquidatie van de pensioenuitvoerder14. In de praktijk is de werkgever hier uiteraard bij betrokken. Ter implementatie van de richtlijn is het evenwel van belang om expliciet een goedkeuringsrecht van de werkgever in de wet vast te leggen. Voorgesteld wordt om voor pensioenfondsen met een belanghebbendenorgaan wettelijk vast te leggen dat de goedkeuring is vereist van (1) de meerderheid van de vertegenwoordigers van de werknemers of werknemersverenigingen en de vertegenwoordigers van de pensioengerechtigden in het belanghebbendenorgaan en, indien van toepassing, (2) de meerderheid van de vertegenwoordigers van de werkgever of werkgeversverenigingen in het belanghebbendenorgaan. Met de zinsnede «indien van toepassing» wordt tot uitdrukking gebracht dat er alleen goedkeuring van de vertegenwoordiging van de werkgever of werkgeversverenigingen is vereist voor zover er nog sprake is van een werkgever. Indien een pensioenregeling is beëindigd, hoeft dat niet meer het geval te zijn15.

Voor een beroepspensioenfonds geldt in alle gevallen dat goedkeuring door het verantwoordingsorgaan vereist is, waarin – vanwege het ontbreken van een werkgever -de deelnemers en pensioengerechtigden zijn vertegenwoordigd16.

Voor ppi’s is een orgaan zoals een belanghebbenden- of verantwoordingsorgaan niet vereist vanwege het andere bedrijfsmodel en het type pensioenregeling dat door ppi’s wordt uitgevoerd. Deze instellingen richten zich veelal specifiek op de opbouwfase van premieregelingen en zijn primair actief voor het midden- en kleinbedrijf. Ter implementatie van de richtlijn wordt wettelijk verankerd dat, indien van toepassing, de werkgever een voorgenomen besluit met betrekking tot een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht moet goedkeuren. Deze goedkeuring zal in veel gevallen een gegeven zijn. Ook bij ppi’s geldt namelijk dat een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht meestal op verzoek van de werkgever plaatsvindt. Zoals gezegd kan een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht echter ook plaatsvinden in verband met de liquidatie van de ppi. Dan is de goedkeuring van de werkgever nog niet wettelijk gewaarborgd. Met dit wetsvoorstel wordt daarin voorzien.

Om de administratieve lasten voortvloeiende uit de richtlijn voor ppi’s te beperken, is er voorts voor gekozen de ondernemingsraad van de bijdragende onderneming te hanteren als vertegenwoordiging van de deelnemers. Wanneer instemming door de ondernemingsraad niet mogelijk is, wordt het voorgenomen besluit tot een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht voorgelegd aan alle (gewezen) deelnemers en, indien van toepassing, pensioengerechtigden. De meerderheid van de reacties geeft dan de doorslag. Instemming door de ondernemingsraad zal onder andere niet mogelijk zijn als er op grond van artikel 27, derde lid, van de Wet op de ondernemingsraden geen instemming van de ondernemingsraad is vereist, er geen ondernemingsraad is, het gaat om de overdracht van een beroepspensioenregeling of de ppi een pensioen in de uitkeringsfase aanbiedt voor de betreffende regeling en er dus ook pensioengerechtigden zijn waardoor de ondernemingsraad geen goede vertegenwoordiging is.

De richtlijn schrijft niet voor hoe de goedkeuring van de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden precies tot stand moet komen, maar laat op dit punt beleidsruimte bestaan. Met de voorgestelde vormgeving wordt aangesloten bij – of voortgebouwd op – reeds bestaande vertegenwoordigingsorganen bij de verschillende pensioeninstellingen zoals verankerd in de Nederlandse wet- en regelgeving. Hierdoor blijven de administratieve lasten beperkt. Op dit moment heeft het belanghebbendenorgaan namelijk reeds een goedkeuringsrecht bij een voorgenomen besluit van het bestuur met betrekking tot een gehele of gedeeltelijke overdracht van de verplichtingen van het pensioenfonds. Bij ppi’s is geen belanghebbenden- of verantwoordingsorgaan aanwezig. De ondernemingsraad van de bijdragende onderneming is daar de beste afspiegeling van de belangen van deelnemers. De ondernemingsraad heeft ten aanzien van pensioen bovendien reeds een versterkte rol gekregen en dient naar huidig recht al instemming te verlenen bij vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling op grond van de pensioenovereenkomst17. Uit artikel 27, zevende lid, van de Wet op de ondernemingsraden volgt dat onder een regeling op grond van de pensioenovereenkomst wordt verstaan een regeling opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst die van invloed is op de pensioenovereenkomst. Daaronder wordt ook begrepen de keuze voor onderbrenging van de pensioenovereenkomst bij een pensioeninstelling uit een andere lidstaat.

2.4 Kwantitatieve vereisten (artikelen 13 t/m 19)

De richtlijn bevat verschillende algemene eisen ten aanzien van de financiële spelregels voor pensioenfondsen, zoals het aanhouden van toereikende technische voorzieningen om aan de verplichtingen te kunnen voldoen. De bepalingen vloeien voort uit richtlijn 2003/41/EG en zijn reeds in nationale wetgeving geïmplementeerd.

2.5 Bedrijfsuitoefening en governance (artikelen 20 t/m 32)

Meerdere bepalingen in de richtlijn hebben als doel het minimumniveau van het governancesysteem van pensioeninstellingen in Europa omhoog te tillen. Door de invoering van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen is Nederland op dit gebied al verder dan de meeste andere lidstaten. Het grootste deel van de bepalingen over governance uit de richtlijn heeft dan ook geen gevolgen voor de Nederlandse wet- en regelgeving. Wel dienen enkele reeds in de praktijk gangbare aspecten te worden verankerd in wet- en regelgeving.

De richtlijn vereist dat pensioenfondsen een deugdelijk beloningsbeleid moeten vaststellen en toepassen dat in verhouding staat tot hun omvang en werkzaamheden. In dit kader moet onder andere worden vastgelegd dat het beloningsbeleid van een pensioenfonds ook van toepassing is op dienstverleners waaraan het pensioenfonds bepaalde taken uitbesteedt. Dit uitgangspunt wordt – conform de huidige systematiek – vastgelegd in lagere regelgeving. In de praktijk zal dit voorschrift naar verwachting niet tot noemenswaardige aanpassingen leiden.

In navolging van Europese regelgeving voor verzekeraars, wordt in de richtlijn voor pensioenfondsen bepaald dat die over zogenoemde sleutelfuncties moeten beschikken.

Het gaat om de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie en actuariële functie. De risicobeheerfunctie beoordeelt, monitort en rapporteert over het risicobeheersysteem. Ook heeft de risicobeheerfunctie een initiërende en adviserende rol bij het vormgeven van het risicobeheer. De interne auditfunctie is belast met het uitvoeren van (interne) audits binnen de bedrijfsvoering van een pensioenfonds. De actuariële functie dient onder meer toe te zien op de berekeningen van de technische voorzieningen en premiestelling van een pensioenfonds. De werkzaamheden die verband houden met de sleutelfuncties worden reeds uitgevoerd bij de meeste pensioenfondsen. Ter implementatie van de richtlijn worden de functies expliciet in wet- en regelgeving vastgelegd. Voor ppi’s zijn over de sleutelfuncties al enkele bepalingen vastgelegd in het Besluit prudentiële regels Wft. Ter implementatie van de richtlijn worden deze bepalingen verder uitgewerkt. Opgemerkt zij dat voor ppi’s de actuariële functie niet vereist is. Reden hiervoor is dat een ppi geen dekking biedt tegen biometrische risico’s en ook geen bepaalde hoogte van de uitkering of een beleggingsrendement garandeert.

Een pensioenfonds mag bij de inrichting van de sleutelfuncties rekening houden met de omvang en interne organisatie van het pensioenfonds, alsmede met de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van het pensioenfonds. Uitgangspunt is dat het identificeren van de sleutelfuncties niet tot al te belastende vereisten voor een pensioenfonds mag leiden18. Er zijn dan ook verschillende mogelijkheden om binnen de wettelijke voorwaarden te voldoen aan de vereisten omtrent de sleutelfuncties. Een pensioenfonds is zelf verantwoordelijk voor het naar behoren inrichten van de sleutelfuncties. DNB ziet hierop toe.

Bij het inrichten van de sleutelfuncties is het van belang dat de richtlijn onderscheid maakt tussen «personen die sleutelfuncties vervullen» (artikel 22, eerste en tweede lid, van de richtlijn en artikel 24, tweede en derde lid, van de richtlijn) en «houders van een sleutelfunctie» (artikel 24, eerste, vierde en vijfde lid, van de richtlijn)19. De richtlijn verduidelijkt dit onderscheid niet. Beoogd uitgangspunt van de richtlijn lijkt te zijn dat de eerste categorie betrekking heeft op alle personen die betrokken zijn bij de uitvoering van de sleutelfuncties. De tweede categorie lijkt daarentegen enkel te zien op de personen die eindverantwoordelijk zijn voor de uitoefening van de taken die vallen onder een sleutelfunctie. Hierbij dient met name te worden gedacht aan de leidinggevende van een bepaalde sleutelfunctie. Bij de verschillende bepalingen uit de richtlijn over de sleutelfuncties dient dan ook steeds te worden bezien of deze gelden ten aanzien van alle betrokkenen bij het vervullen van een sleutelfunctie of alleen ten aanzien van de houder van de sleutelfunctie.

De richtlijn schrijft voor dat alle personen die betrokken zijn bij het vervullen van een sleutelfunctie geschikt en betrouwbaar dienen te zijn voor het vervullen van die functie. Het gaat hier niet alleen om de houder van de sleutelfunctie. Pensioenfondsen zijn zelf verantwoordelijk voor het toetsen van de geschiktheid en betrouwbaarheid van de personen die betrokken zijn bij het vervullen van een sleutelfunctie. DNB kan, indien zij daartoe aanleiding ziet, de personen onderwerpen aan een toets. Verplichte voorafgaande toetsing door DNB wordt niet noodzakelijk geacht. Dit is op grond van de richtlijn niet vereist en is onwenselijk gegeven de kosten van het intensieve proces dat bestaat uit volledige toetsing vooraf op geschiktheid en betrouwbaarheid van alle personen die betrokken zijn bij het vervullen van een sleutelfunctie.

Daarnaast introduceert de richtlijn in het kader van de sleutelfuncties een rapportage- en meldingsplicht. Deze verplichtingen gelden alleen voor de houders van een sleutelfunctie. De houder van een sleutelfunctie is verplicht eventuele materiële bevindingen en aanbevelingen op het gebied dat onder zijn verantwoordelijkheid valt, in ieder geval aan het bestuur van het pensioenfonds te rapporteren. De richtlijn laat beleidsruimte bestaan wat betreft het orgaan waaraan deze materiële bevindingen en aanbevelingen moeten worden gerapporteerd. Aangezien het bestuur van het pensioenfonds zorg draagt voor de naleving van wet- en regelgeving, is ervoor gekozen voor te schrijven dat materiële bevindingen en aanbevelingen in ieder geval aan het bestuur moeten worden gerapporteerd. Een materiële bevinding zal in de regel betrekking hebben op significante fouten of risico’s ten aanzien van het pensioenfonds. Daarnaast kan het uiteraard gaan om algemene aanbevelingen om de bedrijfsvoering binnen het pensioenfonds te verbeteren. Het bestuur is verantwoordelijk voor het al dan niet nemen van maatregelen ten aanzien van de bevindingen.

In de praktijk kan het – onder andere gelet op de omvang, aard, complexiteit en interne organisatie van een pensioenfonds en het feit dat de inrichting van de sleutelfuncties niet tot al te belastende vereisten voor een pensioenfonds mag leiden – voorkomen dat de houder van een sleutelfunctie tevens één van de personen is die het pensioenfonds bestuurt. In dat geval moeten materiële bevindingen en aanbevelingen in het kader van een sleutelfunctie ook aan de raad van toezicht of de visitatiecommissie worden gerapporteerd. Op die manier wordt getracht te waarborgen dat het interne toezicht van het pensioenfonds op de hoogte is van de bevindingen en aanbevelingen en op die manier het bestuur kan aanspreken, indien het bestuur niet tot handelen overgaat naar aanleiding van een materiële bevinding of aanbeveling terwijl dat gezien de omstandigheden wel vereist is. Een pensioenfonds met een gemengd bestuur hoeft geen raad van toezicht of visitatiecommissie te hebben. Het intern toezicht wordt uitgeoefend door de niet uitvoerende bestuurders. Hierdoor volstaat het dat bij een pensioenfonds met een gemengd bestuur – ook als de persoon die houder is van een sleutelfunctie tevens bestuurslid is – alleen aan het bestuur wordt gerapporteerd.

Indien de houder van een sleutelfunctie heeft gerapporteerd aan het bestuur en het bestuur van het pensioenfonds naar aanleiding daarvan geen afdoende maatregelen treft, is de houder van de sleutelfunctie in voorkomende gevallen verplicht hiervan melding te doen bij DNB. Het gaat bijvoorbeeld om de situatie waarin een significante inbreuk is geconstateerd op de wet- en regelgeving die op het pensioenfonds van toepassing is. In de huidige Pensioenwet is voor accountants en actuarissen al vastgelegd dat zij relevante zaken moeten melden aan de toezichthouder20.

Bij het melden van een bevinding aan de toezichthouder is het van belang dat de houder van een sleutelfunctie voldoende rechtsbescherming geniet. Naast de rechtsbescherming die houders van een sleutelfunctie in hun hoedanigheid van werknemer op basis van de huidige wet- en regelgeving genieten, wordt voorgesteld een algemeen benadelingsverbod voor deze situatie in de Pensioenwet en Wvb te verankeren. Daarnaast ligt het voor de hand dat pensioenfondsen, indien zij een dergelijke regeling nog niet hebben, een klokkenluidersregeling opstellen, op grond waarvan houders van een sleutelfunctie worden beschermd.

De richtlijn bepaalt dat lidstaten kunnen toestaan dat sleutelfuncties worden uitbesteed. Nederland maakt gebruik van deze optie. Hiervoor hoeft de wet- en regelgeving niet te worden aangepast. De mogelijkheid om sleutelfuncties uit te besteden wordt begrensd door artikel 31, derde lid, van de richtlijn. Dit artikellid komt grotendeels overeen met artikel 12 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb. Hierin is vastgelegd dat een pensioenuitvoerder niet uitbesteedt:

  • taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen (onderdeel a);

  • werkzaamheden waarvan uitbesteding de verantwoordelijkheid van de uitvoerder voor de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen en het toezicht daarop kan ondermijnen (onderdeel b); of

  • indien de uitbesteding een belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van hetgeen bij of krachtens de Pensioenwet dan wel Wvb is bepaald (onderdeel c).

Ter implementatie van artikel 31, derde lid, onderdelen b en d, van de richtlijn wordt artikel 12 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb aangepast. Hiermee wordt geëxpliciteerd dat een pensioenuitvoerder ook niet tot uitbesteding mag overgaan indien het operationele risico hierdoor onnodig toeneemt of de continuïteit en de toereikendheid van de dienstverlening aan deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden wordt ondermijnd. Deze beperkingen gelden ook bij de uitbesteding van de sleutelfuncties.

Indien een pensioenfonds wenst over te gaan tot uitbesteding van een sleutelfunctie, zal steeds per geval moeten worden beoordeeld of uitbesteding mogelijk is aan de hand van het kader zoals (na implementatie van de richtlijn is) neergelegd in artikel 12 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb.

Ook hier is het relevant een onderscheid te maken tussen de houder van een sleutelfunctie en alle personen die betrokken zijn bij het vervullen van een sleutelfunctie. Met het oog op de beperkingen die worden gesteld aan uitbesteding, zal het veelal niet mogelijk zijn de rol van houder van de risicobeheerfunctie en de interne auditfunctie uit te besteden. Uitbesteding van de rol van houder van de risicobeheerfunctie leidt tot bezwaren omdat dit de verantwoordelijkheid van het pensioenfonds voor de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen en het toezicht daarop kan ondermijnen. De houder van de risicobeheerfunctie moet immers in staat zijn om alle relevante risico’s en beheersmaatregelen voor het pensioenfonds integraal te overzien, inclusief de strategische risico’s en het bestuur hierover op totaalniveau te informeren. Dit verhoudt zich in veel gevallen niet met uitbesteding van deze verantwoordelijkheid.

Uitbesteding van de rol van houder van de interne auditfunctie zal in veel gevallen tot bezwaren leiden omdat onder de werkzaamheden, bedoeld in artikel 12, onderdeel b, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb onder andere werkzaamheden vallen waarbij uitbesteding afbreuk doet aan de kwaliteit van de onafhankelijke interne toetsing bij de pensioenuitvoerder.21 Hiervan zal in veel gevallen sprake zijn als de rol van houder van de interne auditfunctie wordt uitbesteed.

Het lijkt minder bezwaarlijk dat de (ondersteunende) werkzaamheden van de overige personen betrokken bij het vervullen van deze sleutelfuncties worden uitbesteed.

2.6 Bewaarder (artikelen 33 t/m 35)

Nederland maakt voor pensioenfondsen geen gebruik van de mogelijkheid uit de richtlijn om een bewaarder verplicht te stellen. Reden hiervoor is dat op grond van de huidige wet- en regelgeving reeds voldoende waarborgen gelden ter bescherming van de belangen van (gewezen) deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de eis dat het beleggingsbeleid in overeenstemming moet zijn met de prudent-person regel22. Het verplicht aanstellen van een bewaarder wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Dit laat evenwel onverlet dat een pensioenfonds vrijwillig kan besluiten een bewaarder aan te stellen. De artikelen 33 tot en met 35 van de richtlijn zijn ook voor die situatie relevant en behoeven derhalve, waar relevant, implementatie. Bij de implementatie wordt aangesloten bij de regels die in de Wft zijn opgenomen over de pensioenbewaarder. Aansluiting bij de Wft zorgt voor consistentie in de regels die gelden voor ppi’s en pensioenfondsen die vrijwillig besluiten een pensioenbewaarder aan te stellen.

Overigens is de verwachting dat in de praktijk weinig betekenis toekomt aan de implementatie van deze artikelen. Voor zover bekend zijn er op dit moment geen pensioenfondsen die vrijwillig een bewaarder hebben aangesteld. Daarnaast wordt – onder andere vanwege de extra kosten die gepaard gaan met het aanstellen van een bewaarder – niet verwacht dat dit in de toekomst (veelvuldig) gaat voorkomen.

Voor ppi’s is een pensioenbewaarder naar huidig recht alleen verplicht als er een reeël risico bestaat dat als gevolg van het beleggingsbeleid het pensioenvermogen en het eigen vermogen van de ppi onvoldoende zijn om de rechten van de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden en de beheerskosten te voldoen23. De facto is deze verplichting alleen relevant voor ppi’s die pensioenregelingen van buiten de Europese Unie uitvoeren. De vereisten aan de bewaarder uit de richtlijn behoeven deels implementatie in de Wft. Zie in dit kader ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel III, onderdeel B, van dit wetsvoorstel en de transponeringstabel bij de Wft bij de artikelen 33 tot en met 35.

In de richtlijn zijn ook generieke vereisten opgenomen voor het geval er geen bewaarder is aangesteld. Het gaat onder andere om het voorkomen van belangenconflicten en het administreren en beschermen van de activa. Deze vereisten zijn al opgenomen in de Pensioenwet, Wvb en de Wft en behoeven dus geen verdere implementatie.

2.7 Communicatie (artikelen 36 t/m 44)

Met de Wet pensioencommunicatie is in Nederland recentelijk de wet- en regelgeving op het gebied van informatievoorziening aan (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden aangepast. Uitgangspunt is dat bij de communicatie over pensioen de behoeften van (gewezen) deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden centraal staan. Doel is dat de (gewezen) deelnemer weet hoeveel pensioen ongeveer kan worden verwacht, dat kan worden nagegaan of dat voldoende is en duidelijkheid wordt geboden over de risico’s van de pensioenvoorziening. Om dat doel te bereiken is het van belang dat de informatie persoonlijk is en – waar mogelijk – wordt aangeboden in verschillende lagen.

De richtlijn bevat hoofdzakelijk algemene vereisten voor de informatieverstrekking. Lidstaten houden de ruimte om de wijze van informatieverstrekking af te stemmen op de kenmerken van het eigen pensioenstelsel. Veel van de voorschriften uit de richtlijn gaan over informatie die in Nederland al beschikbaar is voor de (gewezen) deelnemer of pensioengerechtigde en behoeven dus geen implementatie. De belangrijkste onderdelen van de richtlijn die wel implementatie behoeven, worden hierna toegelicht.

Een belangrijk onderdeel van de richtlijn is het pensioenoverzicht dat wordt voorgeschreven. De richtlijn schrijft voor dat ten minste jaarlijks aan iedere (gewezen) deelnemer een beknopt document met essentiële informatie ter beschikking moet worden gesteld. Dit document moet in de titel het woord «pensioenoverzicht» bevatten. In de richtlijn is expliciet vastgelegd wat in ieder geval als essentiële informatie moet worden aangemerkt. In Nederland kennen we al het uniform pensioenoverzicht (hierna: UPO). Een deel van de in de richtlijn voorgeschreven informatie betreft informatie die in Nederland op het UPO staat, zoals informatie over de opgebouwde pensioenaanspraken of het opgebouwde kapitaal24. Een aantal andere aspecten staat niet op het UPO vermeld. Het gaat hierbij om het bereikbaar pensioen op grond van scenario’s, een uitsplitsing van de ingehouden kosten (voor beschikbare premieregelingen) en informatie over de betaalde bijdragen door de werkgever en de werknemer. Om aan de richtlijn te voldoen wordt het UPO voor (gewezen) deelnemers met deze extra informatie uitgebreid.

Wat betreft de verstrekking van het UPO aan (gewezen) deelnemers blijven de uitgangspunten van artikel 49 van de Pensioenwet en artikel 60 van de Wvb gelden. In geval van elektronische verstrekking kan worden aangesloten bij het systeem van gelaagd communiceren. Dit betekent dat de extra informatie die op grond van de richtlijn aan het UPO moet worden toegevoegd, bij elektronische verstrekking desgewenst door middel van het doorklikken via een link kan worden bereikt. Uitgangspunt blijft evenwel dat het UPO bij elektronische verstrekking op een zodanige wijze moet worden verstrekt dat de deelnemer het UPO duurzaam kan bewaren. Dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door, zoals in de praktijk veelal het geval is, het mogelijk te maken dat het UPO integraal kan worden opgeslagen als een PDF-bestand. Bij schriftelijke verstrekking van het UPO zal de extra informatie die op grond van de richtlijn moet worden opgenomen altijd volledig uitgeschreven op het UPO moeten zijn opgenomen.

In Nederland is voorgeschreven dat de pensioenuitvoerder aan een deelnemer jaarlijks een UPO verstrekt en aan een gewezen deelnemer ten minste vijfjaarlijks. De richtlijn maakt – anders dan de Pensioenwet en de Wvb – geen onderscheid tussen het pensioenoverzicht dat aan deelnemers en gewezen deelnemers beschikbaar moet worden gesteld. De richtlijn schrijft voor dat de gewezen deelnemer, net als de deelnemer, ieder jaar wordt geïnformeerd over zijn pensioenaanspraken. De Pensioenwet en Wvb worden hiertoe aangepast. Aangezien de richtlijn niet verplicht tot het actief verstrekken van het pensioenoverzicht, wordt het mogelijk voor pensioenuitvoerders om het UPO voor gewezen deelnemers jaarlijks op een website te plaatsen, mits het UPO ten minste één keer in de vijf jaar actief wordt verstrekt. Het ligt voor de hand dat bij het op de website plaatsen van het UPO aan gewezen deelnemers, het UPO door de pensioenuitvoerder wordt geplaatst op een portal op een afgeschermd deel van de website van de pensioenuitvoerder (een «MijnOmgeving»). Zie in dit kader ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel E, en artikel II, onderdeel F, van dit wetsvoorstel.

Naast regels over het pensioenoverzicht, bevat de richtlijn regels over het informeren van pensioengerechtigden over het verminderen van hun pensioenrechten («korten»). De richtlijn schrijft voor dat pensioengerechtigden ten minste drie maanden voordat een korting wordt doorgevoerd hierover moeten worden geïnformeerd. Op dit moment is dat één maand. Door deze termijn te verlengen naar drie maanden, zal de daadwerkelijke korting later plaatsvinden. Voor (gewezen) deelnemers blijft gelden dat zij ten minste één maand voordat een korting wordt doorgevoerd hierover moeten worden geïnformeerd. Het wordt rechtvaardig geacht om voor pensioengerechtigden een langere termijn te hanteren. Een pensioengerechtigde merkt immers direct in de hoogte van het inkomen dat de pensioenuitkering gekort wordt waardoor een langere tijd om zich voor te bereiden op de korting in de rede ligt.

2.8 Toezicht (artikelen 45 t/m 59)

De richtlijn bevat verschillende regels over het prudentiële toezicht op pensioenfondsen. Een groot deel hiervan is reeds neergelegd in de Nederlandse wet- en regelgeving. Enkele bepalingen sluiten aan bij de bestaande praktijk, maar worden met dit wetsvoorstel expliciet in wetgeving verankerd.

Net als voor andere financiële instellingen gaat voor pensioenfondsen gelden dat eventuele bestuursrechtelijke sancties of andere maatregelen verplicht openbaar moeten worden gemaakt. De toezichthouder kan hierop een uitzondering maken als de openbaarmaking onevenredig is, openbaarmaking de stabiliteit van de financiële markten in gevaar brengt of openbaarmaking een lopend strafrechtelijk onderzoek of een lopend onderzoek door de toezichthouder naar mogelijke overtredingen ondermijnt.

Voorgesteld wordt de verplichting uit de richtlijn om besluiten tot het opleggen van bestuurlijke sancties of andere maatregelen openbaar te maken, niet te beperken tot bestuurlijke sancties of andere maatregelen vanwege het overtreden van verplichtingen die uit de richtlijn voortvloeien. Achtergrond hiervan is dat de verplichting voor toezichthouders om bestuurlijke sancties of andere maatregelen openbaar te maken inmiddels vast onderdeel is van het Europese regime voor openbaarmaking van besluiten van de toezichthouders en ook in de Wft deze verplichting geldt voor alle bestuurlijke sancties of maatregelen die op grond van de Wft kunnen worden opgelegd.

Uitgangspunt is dat het besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie of andere maatregel op grond van de Pensioenwet of Wvb pas openbaar wordt gemaakt, als het besluit onherroepelijk is. Dit wordt wenselijk geacht, omdat openbaarmaking van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie of een andere maatregel voor een pensioenuitvoerder ingrijpend kan zijn. De pensioenuitvoerder moet de gelegenheid hebben gehad de inhoud te onderwerpen aan een rechterlijke toets. Op dit uitgangspunt worden – anders dan in de Wft – geen uitzonderingen gemaakt. Achtergrond hiervan is dat in het kader van de Pensioenwet en Wvb de openbaarmaking niet de functie heeft van een waarschuwing, aangezien het aanspraak- en pensioengerechtigden bij een pensioenuitvoerder niet vrij staat een andere pensioenuitvoerder te kiezen. Het gaat om het algemene belang dat de toezichthouder aanspraak- en pensioengerechtigden publiek informeert over eventuele problemen. Het wordt in het licht van deze andere functie van de openbaarmaking proportioneel geacht om in alle gevallen te wachten tot het besluit onherroepelijk is.

3. Financiële gevolgen en regeldruk

Dit wetsvoorstel heeft gevolgen voor de regeldruk voor pensioenuitvoerders. In Nederland zijn er 334 pensioenuitvoerders die in totaal voor ruim 18 miljoen (gewezen) deelnemers en ruim 3 miljoen pensioengerechtigden een pensioenregeling uitvoeren. Voor burgers zijn geen verplichtingen in de richtlijn opgenomen. Voor een groot aantal bepalingen geldt dat deze niet leiden tot extra regeldruk, omdat de daarin opgenomen voorschriften in grote mate overeenkomen met de bestaande praktijk.

In een aantal gevallen leiden de bepalingen uit de richtlijn tot een wijziging van de bestaande praktijk, maar niet tot extra regeldruk. Een voorbeeld is dat ter implementatie van de richtlijn wordt vastgelegd dat een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht in geval van een pensioenfonds vooraf moet worden goedgekeurd door het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan. Dit is nieuw ten opzichte van de bestaande praktijk, waarin bij een (grensoverschrijdende) collectieve waardeoverdracht een adviesrecht voor het verantwoordingsorgaan bestaat. De werkzaamheden die in het kader van het adviesrecht moeten worden uitgevoerd wijken echter niet af van de werkzaamheden die in het kader van het goedkeuringsrecht moeten worden uitgevoerd.

In geval van een ppi moet het voornemen om de uitvoering van de pensioenregeling in een andere lidstaat onder te brengen worden voorgelegd aan de ondernemingsraad (van de werkgever) of – in voorkomende gevallen – schriftelijk aan de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden van de pensioenregeling. Een meerderheid van de respondenten zal daarbij moeten instemmen. Uit recent onderzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid blijkt dat slechts een zeer klein deel van werkgevers met een Nederlandse pensioenregeling overweegt naar het buitenland te gaan (met name buitenlandse multinationals met een sponsorverplichting). De mogelijke impact op de regeldruk wordt daarom op dit vlak als zeer beperkt gezien.

Een ander voorbeeld zijn de bepalingen uit de richtlijn ten aanzien van sleutelfuncties, te weten de risicobeheerfunctie, de interne auditfunctie en de actuariële functie. Pensioeninstellingen zijn er zelf verantwoordelijk voor dat de personen die betrokken zijn bij het vervullen van een sleutelfunctie geschikt en betrouwbaar zijn. De risicobeheerfunctie, interne auditfunctie en actuariële functie zijn voor Nederlandse pensioeninstellingen bekende functies die ook nu al bestaan. Het formeel vastleggen van deze sleutelfuncties in wetgeving levert naar verwachting geen extra regeldruk op.

Een laatste voorbeeld is de bepaling uit de richtlijn ten aanzien van stresstesten die DNB als toezichthouder kan uitvoeren. De richtlijn geeft DNB de mogelijkheid om pensioenfondsen te verplichten mee te werken aan het uitvoeren van een stresstest. DNB is niet voornemens om gebruik te maken van deze bevoegdheid. Daarom leidt deze bepaling uit de richtlijn niet tot extra regeldruk voor pensioenfondsen.

Een aantal bepalingen uit de richtlijn ten aanzien van informatieverstrekking aan (gewezen) deelnemers brengen extra regeldruk met zich mee. Ten eerste is er sprake van eenmalige regeldruk. Deze regeldruk hangt samen met de uitbreiding van het UPO met extra gegevens. Hierbij gaat het zowel om het aanpassen van de modellen van het UPO als om aanpassingen aan programmatuur en digitale infrastructuur om de benodigde extra gegevens te ontsluiten en beschikbaar te stellen. De extra regeldruk die hiermee samenhangt wordt geschat op € 12,8 miljoen.

Ten tweede is er sprake van structurele regeldruk. Voor het toevoegen van de extra informatie op het UPO van (gewezen) deelnemers maken pensioenuitvoerders meer kosten voor het jaarlijkse beheer. Daarnaast leidt het toevoegen van extra pagina’s aan de UPO’s die schriftelijk worden verzonden tot hogere papier- en printkosten. De totale regeldruk die hiermee samenhangt wordt geschat op € 12 miljoen. De verwachting is dat in de toekomst steeds minder UPO’s schriftelijk worden verstrekt. Deze structurele kosten kunnen derhalve in de toekomst dalen.

Tot slot leidt de verplichting om gewezen deelnemers jaarlijks, in plaats van vijfjaarlijks zoals in de huidige situatie, te informeren over de pensioenaanspraken tot extra regeldruk. Voor gewezen deelnemers moet het UPO vier van de vijf jaar extra ter beschikking worden gesteld, dit kan door het plaatsen van het UPO in een digitale «MijnOmgeving» (zie ook paragraaf 2.7 van deze memorie van toelichting). Voor gewezen deelnemers die niet beschikken over een «MijnOmgeving», moet het UPO elk jaar schriftelijk worden verstrekt. Voor deze schriftelijke UPO’s moet rekening worden gehouden met papier-, print- en portokosten. Een gedeelte van deze schriftelijke UPO’s moet bovendien naar het buitenland worden verzonden. Ook daarmee hangen structurele kosten samen. De totale structurele regeldruk die samenhangt met de verplichting om gewezen deelnemers jaarlijks in plaats van vijfjaarlijks te informeren over de pensioenaanspraken wordt geschat op € 21,9 miljoen.

De totale extra regeldruk die ontstaat voor pensioenuitvoerders is eenmalig 12,8 miljoen euro en structureel 33,9 miljoen euro. Uitgedrukt in kosten per (gewezen) deelnemer is de eenmalige regeldruk 0,68 euro per (gewezen) deelnemer en de structurele regeldruk jaarlijks 1,82 euro per (gewezen) deelnemer.

Als gevolg van de Wet waardeoverdracht klein pensioen kan het aantal gewezen deelnemers op termijn met 40% afnemen. De Wet waardeoverdracht klein pensioen maakt een automatische waardeoverdracht van een klein pensioen van een gewezen deelnemer naar zijn of haar nieuwe pensioenuitvoerder mogelijk. De kleine pensioenaanspraken zijn dan niet langer ondergebracht bij verschillende pensioenuitvoerders, die allemaal een UPO aan de gewezen deelnemer ter beschikking moeten stellen. Hierdoor kunnen ook de kosten voor het ter beschikking stellen van het UPO aan gewezen deelnemers op termijn aanzienlijk lager worden.

Tot slot is het de verwachting dat in de toekomst steeds minder UPO’s schriftelijk worden verstrekt. De kosten die samenhangen met het versturen van schriftelijke UPO’s kunnen derhalve in de toekomst dalen.

Het wetsvoorstel, inclusief deze regeldrukparagraaf, is voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (hierna: ATR). Het ATR concludeert dat er geen minder belastende alternatieven aan de orde zijn, aangezien het wetsvoorstel strekt ter implementatie van minimumeisen uit een Europese richtlijn25. Daarnaast geeft het ATR aan dat de beschrijving en berekening van de regeldrukgevolgen volledig zijn en geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen. Wel wijst het ATR erop dat het wetsvoorstel leidt tot aanpassing van het UPO-model, hetgeen de afgelopen jaren al verschillende malen is aangepast. Het ATR erkent dat in het kader van dit wetsvoorstel een andere keuze niet mogelijk is, maar wijst erop dat dit wel een punt van aandacht is aangezien aanpassing van het UPO-model leidt tot een stijging van de regeldruk. De regering onderschrijft dit aandachtspunt.

4. Toets DNB en AFM

De AFM en DNB hebben een toezichttoets uitgebracht bij het wetsvoorstel26.

De AFM wijst allereerst terecht op de risico’s van het uitbreiden van het UPO in termen van begrijpelijkheid voor de deelnemer. Er wordt in nauw overleg met de AFM en de pensioensector gekeken naar de mogelijkheden om de informatie waarmee het UPO op grond van de richtlijn moet worden uitgebreid op een zo goed mogelijke wijze in het UPO-model op te nemen. Doel hierbij is om zo min mogelijk af te doen aan de wijze van gelaagd communiceren die we in Nederland hebben en om op die manier een teveel aan informatie en het daarmee gepaard gaande risico voor de begrijpelijkheid zo klein mogelijk te maken. De regering onderschrijft in dat kader tevens het belang om bij het digitaal verstrekken van het UPO met links naar verdere informatie, te werken via single sign-on. Voorts ondersteunt de regering, evenals de AFM, de transitie van schriftelijke naar digitale informatieverstrekking door pensioenuitvoerders, evenwel zonder af te doen aan de mogelijkheid voor (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden om op verzoek de informatie schriftelijk te ontvangen.

De AFM merkt daarnaast op dat het verlengen van de periode tussen het melden van een korting aan pensioengerechtigden door een pensioenfonds en het daadwerkelijk ingaan van de korting van één naar drie maanden positief is. Tegelijkertijd heeft het maken van onderscheid tussen de termijn die geldt voor pensioengerechtigden en voor (gewezen) deelnemers niet de voorkeur van de AFM, omdat dit kan leiden tot een situatie waarin niet-gepensioneerde deelnemers via een andere bron dan hun pensioenuitvoerder te weten komen dat hun pensioen wordt gekort. Zoals uiteengezet in paragraaf 2.7 van deze memorie van toelichting wordt een onderscheid tussen pensioengerechtigden en (gewezen) deelnemers op dit punt rechtvaardig geacht. Pensioengerechtigden merken direct in de hoogte van het inkomen dat de pensioenuitkering gekort wordt en hebben derhalve een langere tijd nodig om zich voor te bereiden op de korting. Het onderscheid is er voorts mede op gericht om de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk van pensioenfondsen zo beperkt mogelijk te houden, aangezien het tijdig informeren volgens Nederlandse wetgeving schriftelijk dient te geschieden. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in de praktijk de AFM en DNB pensioenfondsen ook op hun verantwoordelijkheid wijzen om (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden tijdig te informeren over de mogelijkheid van een korting, zodat de schriftelijke informatie over de daadwerkelijke korting nooit het eerste moment is waarop zij over een korting vernemen27.

De AFM wijst er verder op dat het van belang is dat de Uniforme Rekenmethodiek die wordt gehanteerd bij het communiceren in scenario’s voor de hoogte van de pensioenuitkering zo snel mogelijk, maar uiterlijk 31 december 2018, in werking moet treden en dat dit synchroon loopt met de implementatie van de richtlijn uiterlijk 13 januari 2019. Deze opvatting wordt onderschreven en er wordt gestreefd naar zo snel mogelijke inwerkingtreding van de Uniforme Rekenmethodiek.

Zowel DNB als de AFM uit de wens om de nieuwe regels over de openbaarmaking van bestuurlijke sancties in de Pensioenwet en Wvb aan te laten sluiten bij het openbaarmakingsregime dat op grond van de Wft geldt.

Concreet beveelt DNB aan het wetsvoorstel zodanig te wijzigen dat in de Pensioenwet en de Wvb bij de belangenafweging die plaats moet vinden bij het openbaar maken van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie volledig aansluiting wordt gezocht bij het beoordelingskader van artikel 1:98 van de Wft. In artikel 1:98, eerste lid, van de Wft is opgenomen wanneer openbaarmaking wordt uitgesteld of geanonimiseerd plaatsvindt. In artikel 1:98, tweede lid, van de Wft is opgenomen wanneer van openbaarmaking wordt afgezien. Met dit wetsvoorstel wordt in artikel 185, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 180, derde lid, van de Wvb een soortgelijke bepaling geïntroduceerd. Anders dan in de Wft wordt in de Pensioenwet en Wvb echter niet voorgeschreven wanneer (1) openbaarmaking wordt uitgesteld of geanonimiseerd plaatsvindt of (2) van openbaarmaking wordt afgezien. Het is steeds aan de toezichthouder om af te wegen welk besluit gegeven de specifieke omstandigheden van het geval passend is. De aanbeveling van DNB om op dit punt aan te sluiten bij de Wft wordt niet overgenomen. Reden hiervoor is dat de formulering die wordt gehanteerd in de Pensioenwet en Wvb rechtstreeks voortvloeit uit artikel 48, vierde lid, van de richtlijn. In artikel 1:98 van de Wft wordt een andere formulering gehanteerd, vanwege het cross-sectorale karakter van de Wft. De tekst van artikel 1:98 van de Wft sluit aan bij de formuleringen die worden gehanteerd in verschillende richtlijnen en verordeningen die in de Wft zijn geïmplementeerd, waaronder artikel 34, eerste lid, van de Verordening marktmisbruik28.

Overigens heeft het verschil in formulering tussen de Pensioenwet en de Wvb enerzijds en de Wft anderzijds niet tot gevolg dat in soortgelijke situaties niet tot eenzelfde beslissing kan worden gekomen. De Pensioenwet en de Wvb bieden immers ruimte om – wanneer dit na een per geval uitgevoerde beoordeling passend wordt geacht – in grotendeels dezelfde gevallen als opgenomen in de Wft te besluiten tot het uitstellen van openbaarmaking, geanonimiseerde openbaarmaking of af te zien van openbaarmaking van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie.

Daarnaast beveelt DNB aan het wetsvoorstel aan te passen, omdat het niet wenselijk wordt geacht een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom te publiceren indien het besluit onherroepelijk is geworden, maar de door DNB gestelde begunstigingstermijn nog niet is verstreken. De aanbeveling van DNB wordt niet overgenomen. Uitgangspunt op basis van artikel 48, vierde lid, van de richtlijn is dat een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie onmiddellijk wordt bekendgemaakt als het besluit onherroepelijk is. Het opleggen van een last onder dwangsom is – ongeacht of deze (reeds) wordt verbeurd of niet – een bestuurlijke sanctie. Derhalve dient op grond van de richtlijn als hoofdregel te gelden dat zodra een dergelijk besluit onherroepelijk is, tot openbaarmaking wordt overgegaan. Dit wil overigens niet zeggen dat de toezichthouder in dergelijke gevallen ook altijd direct tot (volledige) openbaarmaking hoeft over te gaan. De toezichthouder moet op grond van artikel 185, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 180, derde lid, van de Wvb een belangenafweging maken. Het is denkbaar dat de toezichthouder openbaarmaking uitstelt of het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom geanonimiseerd bekendmaakt, omdat het – gezien het feit dat de begunstigingstermijn nog niet is verstreken – niet evenredig wordt geacht om het besluit (al) volledig openbaar te maken. Het is echter aan de toezichthouder om hier op grond van een per geval uitgevoerde beoordeling een beslissing over te nemen.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat – waar mogelijk binnen de kaders van de richtlijn en passend gezien de verschillende functies die openbaarmaking in het kader van de Pensioenwet en Wvb enerzijds en de Wft anderzijds heeft (zie paragraaf 2.8 van deze memorie van toelichting) – bij de vormgeving van het openbaarmakingsregime in de Pensioenwet en Wvb zoveel mogelijk is aangesloten bij de Wft. Het gaat hier bijvoorbeeld om de uitbreiding van het begrip «bestuurlijke sanctie» en het expliciet vastleggen dat een besluit tot openbaarmaking een afzonderlijk besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is.

Artikelsgewijs

Artikelen I en II

Artikel I, onderdeel A, en artikel II, onderdeel A (artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1 van de Wvb)

In verband met de herziening van de richtlijn zijn enkele technische wijzigingen noodzakelijk in artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1, eerste lid, van de Wvb. Allereerst wordt de definitie van «bevoegde autoriteiten» aangepast. De verwijzing naar artikel 6, onderdeel g, richtlijn 2003/41/EG wordt vervangen door een verwijzing naar de corresponderende bepaling uit richtlijn 2016/2341/EU. Voorts wordt de formulering van deze definitiebepaling aangepast, aangezien die nu ten onrechte de indruk wekt dat de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten geschiedt op grond van de definitiebepaling uit de richtlijn. Daarnaast wordt in de Pensioenwet de definitie van «bijdragende onderneming» gewijzigd. Deze wijzigingen hebben geen invloed op de praktijk. Ook wordt een definitie van de «pensioenbewaarder» ingevoegd, alsmede een definitie van richtlijn 2016/2341/EU. Hiermee wordt voorzien in de mogelijkheid tot verkorte aanhaling van de richtlijn in de wet. Voorts worden enkele summiere wijzigingen aangebracht in de definitie van «pensioeninstelling uit een andere lidstaat» en vervalt de definitie van richtlijn 2003/41/EG.

Artikel I, onderdeel B, en artikel II, onderdeel B (artikel 2 van de Pensioenwet en artikel 2 van de Wvb)

Artikel 63, eerste lid, van de richtlijn wijzigt de definitie van «herverzekering» in Richtlijn 2009/138/EG van het Europees parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEG 2009, L 335) (hierna: richtlijn solvabiliteit II). Ter implementatie van deze wijziging wordt in artikel 1:1 van de Wft de definitie van «herverzekering» aangepast (zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel III, onderdeel A, van dit wetsvoorstel). Op grond hiervan mogen voortaan ook herverzekeraars dekking verschaffen aan ppi’s en pensioenfondsen.

Deze wijziging heeft ook gevolgen voor de Pensioenwet en Wvb. Naar huidig recht is het niet mogelijk dat een pensioenfonds risico’s verzekert bij een herverzekeraar. In artikel 1 van de Pensioenwet is immers bepaald dat als verzekeraar enkel wordt aangemerkt de verzekeraar die op grond van de Wft in Nederland het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag uitoefenen. Ter implementatie van de richtlijn dient voor de bepalingen in de Pensioenwet en Wvb die zien op het verzekeren van risico’s door een pensioenfonds bij een verzekeraar, onder «verzekeraar» tevens te worden verstaan een herverzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft. Hiertoe wordt een nieuw artikellid toegevoegd aan artikel 2 van de Pensioenwet en artikel 2 van de Wvb.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel ook in het kader van de artikelen 112, derde lid, onderdeel e, 113, onderdeel e, 145, vierde lid, en 147, derde lid, onderdeel l van de Pensioenwet en de artikelen 107, derde lid, onderdeel e, 108, onderdeel e, 140, vierde lid, en 142, derde lid, onderdeel l, van de Wvb zowel kan gaan om een verzekering bij een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bij een herverzekeraar.

Artikel I, onderdeel C (artikel 21 van de Pensioenwet)

Op grond van artikel 41, derde lid, aanhef, van de richtlijn moet de pensioenuitvoerder ervoor zorgen dat deelnemers die automatisch bij een pensioenregeling zijn aangesloten, zodra zij zijn aangesloten bepaalde informatie ontvangen.

In artikel 21 van de Pensioenwet is neergelegd dat een werknemer binnen drie maanden na de start van de pensioenverwerving basisinformatie over zijn pensioenregeling ontvangt (Pensioen 1-2-3). Hoewel het naar huidig recht reeds de pensioenuitvoerder is die de basisinformatie stuurt, is het de werkgever die er zorg voor moet dragen dat de werknemer deze informatie daadwerkelijk ontvangt. De werkgever heeft derhalve de eindverantwoordelijkheid. Met de voorgestelde wijziging wordt gerealiseerd dat de eindverantwoordelijkheid voor het informeren van de deelnemer – conform de richtlijn – bij de pensioenuitvoerder wordt neergelegd. Hiervoor is het wel vereist dat de werkgever de pensioenuitvoerder informeert over het sluiten van een pensioenovereenkomst met een werknemer en de start van de verwerving van pensioenaanspraken door de werknemer.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in artikel 48 van de Wvb reeds is neergelegd dat de pensioenuitvoerder verantwoordelijk is voor het informeren van de deelnemer bij toetreding tot de beroepspensioenregeling. Artikel 48 van de Wvb behoeft derhalve geen aanpassing.

De basisinformatie die een deelnemer ontvangt ziet onder andere op de kenmerken en de uitvoering van de pensioenregeling. In artikel 2 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb) is opgenomen wat hieronder wordt verstaan. Deelnemers ontvangen op dit moment nog niet alle door de richtlijn voorgeschreven informatie. Deelnemers ontvangen nog geen informatie over de beleggingsopties (artikel 41, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn) en geen informatie over de vraag of en zo ja, hoe in het kader van de beleggingsbenadering rekening wordt gehouden met milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen (artikel 41, derde lid, onderdeel c, van de richtlijn). Dat hier informatie over moet worden verstrekt, zal op grond van artikel 21, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 48, derde lid, van de Wvb worden neergelegd in artikel 2 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb.

Artikel I, onderdeel D, en artikel II, onderdeel E (artikel 38 van de Pensioenwet en artikel 49 van de Wvb)

In artikel 38, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 49, eerste lid, van de Wvb is opgenomen dat de pensioenuitvoerder jaarlijks informatie aan de deelnemer verstrekt. Dit gebeurt op grond van artikel 48, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 59, vierde lid, van de Wvb door middel van een UPO. Zoals toegelicht in paragraaf 2.7 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting wordt voorgesteld het UPO voor deelnemers uit te breiden, zodat dit overzicht voldoet aan de eisen die volgen uit de artikelen 38 tot en met 40 van de richtlijn. Ter implementatie van artikel 39, eerste lid, onderdelen c, d, f, g en h, van de richtlijn wordt voorgesteld zes onderdelen aan artikel 38, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 49, eerste lid, van de Wvb toe te voegen.

Onderdeel f schrijft voor dat informatie wordt verstrekt over de reglementaire pensioenleeftijd. Dit is de leeftijd waarop het pensioen op grond van het pensioenreglement ingaat. De reglementaire pensioenleeftijd staat reeds op het UPO. Dit onderdeel heeft dan ook geen gevolgen voor de praktijk. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat, indien de pensioenovereenkomst voorziet in de mogelijkheid om de ingangsdatum van het pensioen te vervroegen of verlaten, de reglementaire pensioenleeftijd uiteraard kan afwijken van de datum waarop het pensioen in de praktijk ingaat.

Onderdeel g schrijft voor dat informatie wordt verstrekt over de reglementair te bereiken pensioenaanspraken. Voor zover het gaat om ouderdomspensioen moet daarbij tevens een pessimistisch, een verwacht en een optimistisch scenario worden opgenomen. Door middel van deze scenario’s krijgen deelnemers inzicht in de koopkracht en risico’s van hun toekomstig inkomen. De informatie dient vergezeld te gaan van een waarschuwing dat de projecties kunnen verschillen van de definitieve hoogte van de te ontvangen pensioenuitkeringen. Door deze waarschuwing wordt geëxpliciteerd dat de bedragen indicatief zijn en dat aan het te bereiken pensioen onzekerheden zijn verbonden.

Op dit moment is de informatie over de reglementair te bereiken pensioenaanspraken te raadplegen via het pensioenregister en wordt deze tevens op verzoek verstrekt. De informatie blijft te raadplegen via het pensioenregister. Het raadplegen van de reglementair te bereiken pensioenaanspraken via het pensioenregister heeft als meerwaarde dat informatie kan worden verkregen over het te bereiken totaalinkomen, dus inclusief de eventueel opgebouwde pensioenaanspraken bij andere pensioenuitvoerders en het recht op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Aangezien de informatie voortaan op het UPO zal staan, is het niet meer nodig de informatie op verzoek aan de deelnemer te verstrekken (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel H, en artikel II, onderdeel I, van dit wetsvoorstel).

Onderdeel h schrijft voor dat informatie wordt verstrekt over de werkgeverspremie en werknemerspremie (Pensioenwet) respectievelijk de premie die is betaald door de beroepsgenoot (Wvb). Op grond van artikel 38, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 49, tweede lid, van de Wvb zal in het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb worden gespecificeerd dat het hierbij gaat om informatie over de premie die de werknemer en de werkgever dan wel de beroepsgenoot hebben betaald in het jaar waarop het UPO betrekking heeft.

Onderdeel i schrijft voor dat informatie over garanties wordt verstrekt. Vermeld moet worden in hoeverre de hoogte van de te verwachten pensioenuitkering vaststaat. Indien geen garantie wordt gegeven dat de pensioenuitkering een bepaalde hoogte zal bedragen, moet duidelijk uit het UPO blijken dat de hoogte van de pensioenuitkering niet vaststaat en afhankelijk is van meerdere factoren. In de praktijk staat hierover reeds informatie op het UPO van deelnemers.

In onderdeel j wordt vastgelegd dat, voor zover van toepassing, de dekkingsgraad op het UPO van de deelnemer moet staan. Dit is in de praktijk reeds het geval. De zinsnede «voor zover van toepassing» brengt tot uitdrukking dat deze informatie niet in alle gevallen hoeft te worden verstrekt. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt indien de pensioenregeling wordt uitgevoerd door een verzekeraar, aangezien dan geen dekkingsgraad geldt.

Tot slot bepaalt onderdeel k dat, voor zover van toepassing, informatie wordt verstrekt over de ingehouden kosten. Ook hier brengt de zinsnede «voor zover van toepassing» tot uitdrukking dat deze informatie niet in alle gevallen hoeft te worden verstrekt. Deze informatie hoeft niet te worden opgenomen in geval van een uitkeringsovereenkomst, aangezien de kosten daar niet van invloed zijn op de pensioentoezeggingen. Zie in dit kader ook overweging 64 van de richtlijn.

Artikel I, onderdeel E, en artikel II, onderdeel F (artikel 40 van de Pensioenwet en artikel 51 van de Wvb)

Onder de definitie van «deelnemer» zoals opgenomen in artikel 6, onderdeel 5, van de richtlijn valt naar Nederlands recht ook de gewezen deelnemer. De eisen uit de artikelen 38 tot en met 40 van de richtlijn gelden derhalve ook voor het pensioenoverzicht dat aan gewezen deelnemers moet worden verstrekt. Om hieraan te voldoen, wordt voorgesteld artikel 40 van de Pensioenwet en artikel 51 van de Wvb op enkele punten te wijzigen.

Op dit moment wordt het UPO één keer per vijf jaar aan de gewezen deelnemer verstrekt. Achtergrond hiervan is dat het UPO voor gewezen deelnemers minder relevant is dan voor deelnemers, aangezien gewezen deelnemers geen aanspraken meer opbouwen. Artikel 38, derde lid, van de richtlijn schrijft evenwel voor dat jaarlijks een pensioenoverzicht aan de gewezen deelnemer ter beschikking moet worden gesteld. Hiertoe wordt artikel 40, eerste lid, aanhef, van de Pensioenwet en artikel 51, eerste lid, aanhef, van de Wvb aangepast.

Op basis van artikel 49, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 60, eerste lid, van de Wvb moet het UPO schriftelijk of elektronisch aan de gewezen deelnemer worden verstrekt. Het jaarlijks opstellen en (actief) verstrekken van het UPO aan gewezen deelnemers leidt tot een lastenverzwaring voor pensioenuitvoerders. Om deze lasten binnen de kaders van de richtlijn waar mogelijk te beperken, wordt voorgesteld in artikel 40, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 51, derde lid, van de Wvb vast te leggen dat de informatie aan de gewezen deelnemer door de pensioenuitvoerder ook op de website ter beschikking kan worden gesteld, mits de informatie ten minste één keer in de vijf jaar met inachtneming van artikel 49 van de Pensioenwet dan wel artikel 60 van de Wvb aan de gewezen deelnemer wordt verstrekt. Hiervoor is geen voorafgaande toestemming van de gewezen deelnemer nodig. Uitgangspunt blijft dat de informatie op een UPO wordt opgenomen. Het ligt voor de hand dat bij het via de website ter beschikking stellen van het UPO aan gewezen deelnemers, het UPO door de pensioenuitvoerder wordt geplaatst op een portal op een afgeschermd deel van de website van de pensioenuitvoerder (een «MijnOmgeving»). Op verzoek dient de pensioenuitvoerder het UPO schriftelijk of elektronisch aan de gewezen deelnemer te verstrekken. Dat de gewezen deelnemer altijd een schriftelijk afschrift van het UPO moet kunnen ontvangen, is vereist op grond artikel 38, derde lid, tweede zin, van de richtlijn.

Pensioenuitvoerders kunnen een eigen afweging maken of ze van de voornoemde mogelijkheid gebruik willen maken. Als de pensioenuitvoerder niet de mogelijkheid heeft om het UPO via de website ter beschikking te stellen aan de gewezen deelnemer, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van een «MijnOmgeving», moet het UPO jaarlijks met inachtneming van artikel 49 van de Pensioenwet dan wel artikel 60 van de Wvb aan de gewezen deelnemer worden verstrekt.

Daarnaast worden met dit onderdeel ter implementatie van artikel 39, eerste lid, onderdelen c, d, g en h, van de richtlijn verschillende onderdelen aan artikel 40, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 51, eerste lid, van de Wvb toegevoegd. Gevolg hiervan is dat ook voor de gewezen deelnemer extra informatie op het UPO moet worden opgenomen. Voor de toelichting hierbij wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel D, en artikel II, onderdeel E, van dit wetsvoorstel.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat – anders dan op het UPO voor deelnemers – op het UPO voor gewezen deelnemers geen informatie hoeft te worden opgenomen over de werkgeverspremie en werknemerspremie dan wel de premie betaald door de beroepsgenoot. Gewezen deelnemers bouwen immers geen aanspraken meer op en de ex-werkgever en gewezen deelnemer betalen geen premie meer. In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb zal in aansluiting bij artikel 9c, vierde lid, van dat besluit wel worden vastgelegd dat na beëindiging van de deelneming altijd informatie wordt verstrekt over de premies die door de werkgever en de werknemer dan wel de beroepsgenoot zijn betaald in dat betreffende kalenderjaar.

Tot slot wordt ter implementatie van artikel 37, derde lid, eerste zin, van de richtlijn voorgesteld artikel 40, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 51, tweede lid, van de Wvb te vervangen door een nieuw artikellid. Beoogd is vast te leggen dat gewezen deelnemers door de pensioenuitvoerder worden geïnformeerd over alle wijzigingen in het pensioenreglement en worden gewezen op de mogelijkheid om het gewijzigde pensioenreglement op te vragen. Uitgangspunt is dat zij deze informatie uiterlijk binnen drie maanden na wijziging van het pensioenreglement ontvangen. Hiermee wordt aangesloten bij de termijn waarbinnen deelnemers op grond van artikel 21, tweede lid, van de Pensioenwet informatie ontvangen over wijzigingen in de pensioenovereenkomst.

Op grond van het huidige tweede lid informeert de pensioenuitvoerder gewezen deelnemers binnen drie maanden na een wijziging van het toeslagbeleid over die wijziging. Het toeslagbeleid is opgenomen in het pensioenreglement. Wijzigingen van het toeslagbeleid vallen derhalve onder de reikwijdte van het nieuwe voorgestelde artikellid.

Artikel I, onderdeel F, en artikel II, onderdeel G (artikel 44 van de Pensioenwet en artikel 55 van de Wvb)

Ook een pensioengerechtigde ontvangt op grond van de artikelen 44 en 48, vierde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 55 en 59, vierde lid, van de Wvb jaarlijks een UPO. Voorgesteld wordt expliciet voor te schrijven dat op het UPO dat aan pensioengerechtigden wordt verstrekt informatie moet zijn opgenomen over garanties. Dit sluit aan bij de bestaande praktijk. Met deze bepaling wordt artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de richtlijn voor pensioengerechtigden geïmplementeerd.

Voor een toelichting bij de voorgestelde wijziging van het tweede lid wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel E, en artikel II, onderdeel F, van dit wetsvoorstel.

Artikel I, onderdeel G, en artikel II, onderdeel H (artikel 45 van de Pensioenwet en artikel 56 van de Wvb)

Artikel 41, eerste en tweede lid, van de richtlijn ziet op de informatie die moet worden verstrekt aan toekomstige deelnemers die niet automatisch bij een pensioenregeling zijn aangesloten. Dit komt in Nederland slechts voor in geval een deelnemer overweegt deel te gaan nemen in een vrijwillige pensioenregeling. Bij een reguliere pensioenregeling wordt een deelnemer immers automatisch aangesloten.

In artikel 45 van de Pensioenwet en artikel 56 van de Wvb is opgenomen welke informatie aan een deelnemer moet worden verstrekt voorafgaand aan de deelneming in een vrijwillige pensioenregeling. Voorgesteld wordt twee onderdelen aan artikel 45, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 56, eerste lid, van de Wvb toe te voegen. Hiermee wordt voorgeschreven dat een pensioenuitvoerder een deelnemer voorafgaand aan de deelneming in een vrijwillige pensioenregeling – voor zover van toepassing – ook informeert over de beleggingsresultaten en de structuur van de kosten die door deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden worden gedragen. De zinsnede «voor zover van toepassing» brengt tot uitdrukking dat deze informatie niet altijd hoeft te worden verstrekt. De informatie hoeft niet te worden verstrekt indien de vrijwillige pensioenregeling het karakter heeft van een uitkeringsovereenkomst. Bij een uitkeringsovereenkomst is immers geen sprake van een beleggingsrisico van voldoende omvang en worden niet direct kosten ingehouden bij deelnemers en pensioengerechtigden. Zie in dit kader ook overweging 64 van de richtlijn.

Op grond van artikel 45, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 56, derde lid, van de Wvb wordt in het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb nader uitgewerkt welke informatie over de beleggingsresultaten en kosten moet worden verstrekt.

Artikel I, onderdeel H, en artikel II, onderdeel I (artikel 46 van de Pensioenwet en artikel 57 van de Wvb)

Naar huidig recht wordt slechts op verzoek informatie aan deelnemers en gewezen deelnemers verstrekt over de reglementair te bereiken pensioenaanspraken respectievelijk opgebouwde pensioenaanspraken in scenario’s. Aangezien op grond van artikel I, onderdelen D en E, en artikel II, onderdelen E en F, van dit wetsvoorstel de opgave hiervan voortaan jaarlijks door middel van het UPO aan deelnemers en gewezen deelnemers wordt verstrekt, kan de huidige tekst van artikel 46, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet en artikel 57, eerste lid, onderdeel a, van de Wvb vervallen. Voor een pensioengerechtigde blijft het op grond van het voorgestelde vijfde lid (nieuw) mogelijk om op verzoek informatie over zijn pensioenrecht in scenario’s te ontvangen.

Voorgesteld wordt in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet en artikel 57, eerste lid, onderdeel a, van de Wvb op te nemen dat de pensioenuitvoerder op verzoek informatie verstrekt over de aannamen die zijn gehanteerd bij de weergave van het ouderdomspensioen volgens een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario. In dit kader kan onder andere informatie worden verstrekt over de gehanteerde uniforme scenariosets en rekenmethodiek (artikel 7e van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb). De Pensioenwet en de Wvb schrijven in meerdere gevallen informatieverstrekking over het ouderdomspensioen volgens de verschillende scenario’s voor. Zie bijvoorbeeld de artikelen 38, tweede lid, onderdeel g (nieuw), 40, eerste lid, onderdeel a (nieuw), 44a, eerste lid, 45, tweede lid, 46, vijfde lid (nieuw), 51, eerste lid, en 63b, tweede lid, van de Pensioenwet. Met de voorgestelde wijziging wordt artikel 44, onderdeel c, van de richtlijn geïmplementeerd.

Tot slot wordt voorgesteld artikel 46, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 57, vierde lid, van de Wvb aan te passen. Idee achter het huidige artikellid is dat gewezen deelnemers en gewezen partners, aangezien zij naar huidig recht slechts één keer in de vijf jaar het UPO ontvangen, behoefte kunnen hebben om ook tussentijds deze informatie op verzoek te ontvangen. Op grond van artikel I, onderdeel E, en artikel II, onderdeel F, van dit wetsvoorstel wordt het UPO voor gewezen deelnemers voortaan jaarlijks bijgewerkt en verstrekt dan wel ter beschikking gesteld. Hierdoor is het niet langer noodzakelijk dat gewezen deelnemers de informatie ook tussentijds op verzoek kunnen ontvangen. De gewezen partner blijft het UPO vijfjaarlijks ontvangen en behoudt derhalve de mogelijkheid om de informatie tussentijds op verzoek te ontvangen.

Artikel I, onderdeel I, en artikel II, onderdeel J (artikel 46a van de Pensioenwet en artikel 57a van de Wvb)

Naar huidig recht is in artikel 46a, tweede lid, onderdeel a, van de Pensioenwet en artikel 57a, tweede lid, onderdeel a, van de Wvb opgenomen dat de pensioenuitvoerder, voor zover van toepassing, de verklaring inzake beleggingsbeginselen op de gesloten website plaatst. Deze verplichting kan vervallen. Reden hiervoor is dat artikel 30, laatste zin, van de richtlijn voorschrijft dat de verklaring inzake beleggingsbeginselen volledig openbaar wordt gemaakt. Het enkel plaatsen op de gesloten website is niet langer voldoende. Met het voorgestelde derde lid (nieuw) wordt voorgeschreven dat de pensioenuitvoerder de verklaring inzake beleggingsbeginselen voortaan op de openbare website plaatst. Uitgangspunt blijft dat de pensioenuitvoerder de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde de verklaring inzake beleggingsbeginselen op verzoek elektronisch of schriftelijk verstrekt, hetgeen ook is vereist op grond van artikel 44, onderdeel b, van de richtlijn.

Op grond van artikel 37, derde lid, tweede zin, van de richtlijn dient er voor deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden een uitleg beschikbaar te zijn over de gevolgen van significante wijzigingen in de technische voorzieningen. Voorgesteld wordt dat pensioenuitvoerders informatie hierover, voor zover van toepassing, op de gesloten website plaatsen. Van een significante wijziging in de technische voorzieningen is in ieder geval sprake als de wijziging invloed heeft op de dekkingsgraad.

Artikel I, onderdeel J, en artikel II, onderdeel K (artikel 48 van de Pensioenwet en artikel 59 van de Wvb)

Voorgesteld wordt om op het UPO voortaan in zijn algemeenheid te verwijzen naar de mogelijkheden die artikel 46 van de Pensioenwet dan wel artikel 57 van de Wvb biedt om meer informatie op verzoek te ontvangen. Hiermee wordt ook voldaan aan artikel 40, tweede lid, van de richtlijn. Op grond hiervan moet op het UPO worden vermeld waar aanvullende informatie beschikbaar is over beleggingen. Deze informatie kan een deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde op grond van artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet en artikel 57, eerste lid, onderdeel b, van de Wvb op verzoek ontvangen.

Artikel I, onderdeel K, en artikel II, onderdeel L (artikel 49 van de Pensioenwet en artikel 60 van de Wvb)

Met dit onderdeel wordt vastgelegd dat een deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde die het UPO elektronisch ontvangt, op verzoek ook een papieren afschrift van het UPO kan ontvangen. Hiermee wordt artikel 38, derde lid, tweede zin, van de richtlijn geïmplementeerd. Inschatting is dat de voorgestelde wijziging weinig gevolgen heeft voor de praktijk, aangezien de verwachting is dat pensioenuitvoerders in de praktijk reeds gehoor geven aan een verzoek om een schriftelijk afschrift van het UPO te ontvangen.

Artikel I, onderdeel L, en artikel II, onderdeel M (artikel 70 van de Pensioenwet en artikel 81 van de Wvb)

Met deze wijziging wordt gerealiseerd dat artikel 92a (nieuw) van de Pensioenwet ook onder de reikwijdte van artikel 70 van de Pensioenwet valt en artikel 100a (nieuw) van de Wvb ook onder de reikwijdte van artikel 81 van de Wvb valt.

Bij deze wijzigingsopdracht is reeds rekening gehouden met de wijziging van artikel 70 van de Pensioenwet en artikel 81 van de Wvb zoals opgenomen in de Wet waardeoverdracht klein pensioen.

Artikel I, onderdeel M, en artikel II, onderdeel N (artikel 90a van de Pensioenwet en artikel 98a van de Wvb)

Met dit onderdeel wordt artikel 12 van de richtlijn geïmplementeerd voor de situatie waarin een pensioenfonds of ppi wenst over te gaan tot een collectieve waardeoverdracht naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat. Naar huidig recht is een pensioenuitvoerder met inachtneming van artikel 90 van de Pensioenwet dan wel artikel 98 van de Wvb reeds bevoegd over te gaan tot een collectieve waardeoverdracht naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat. Ter implementatie van de nadere voorwaarden uit artikel 12 van de richtlijn wordt voorgesteld een nieuw artikel 90a in de Pensioenwet en een nieuw artikel 98a in de Wvb te introduceren.

De voorgestelde artikelen zijn, gelet op de reikwijdte van de richtlijn, alleen van toepassing op een collectieve waardeoverdracht van een pensioenfonds of ppi naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat. De artikelen zijn niet van toepassing op verzekeraars. Voorts beperken de artikelen zich tot de voorwaarden waaronder een pensioenfonds of ppi bevoegd is over te gaan tot een collectieve waardeoverdracht naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat en de rol van de toezichthouder. Voor de verplichtingen van de (ontvangende) pensioeninstelling uit de andere lidstaat en de bevoegdheden en taken van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft, dient het recht van de betreffende lidstaat te worden geraadpleegd. Het is niet aan de Nederlandse wetgever hierover regels te stellen. De richtlijn biedt hiervoor evenwel duidelijke kaders. Artikel 12 van de richtlijn omschrijft immers zowel de rol van de overdragende pensioeninstelling als de ontvangende pensioeninstelling en bevat tevens regels over de taken van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten. Het recht van de lidstaat waar de ontvangende pensioeninstelling haar zetel heeft, zal dan ook grotendeels moeten overeenstemmen met het voorgestelde artikel 92a van de Pensioenwet en artikel 100a van de Wvb waarin regels zijn opgenomen over het aannemen van een collectieve waardeoverdracht van een pensioeninstelling uit een andere lidstaat.

Een pensioenfonds of ppi is slechts bevoegd over te gaan tot een collectieve waardeoverdracht naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft, goedkeuring hebben verleend voor de collectieve waardeoverdracht (eerste lid). De pensioeninstelling uit de andere lidstaat dient hiertoe een aanvraag tot goedkeuring in bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar zij haar zetel heeft. In de praktijk zal de aanvraag tot goedkeuring in samenwerking tussen het pensioenfonds of de ppi en de pensioeninstelling uit de andere lidstaat worden opgesteld, aangezien beiden hiervoor informatie moeten aanleveren.

Ten behoeve van de aanvraag tot goedkeuring moeten de aan de voorgenomen collectieve waardeoverdracht verbonden voorwaarden tijdig ter beschikking worden gesteld aan de betrokken deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden van het pensioenfonds of de ppi (tweede lid, onderdeel a). De voorwaarden moeten in ieder geval aan de betrokkenen ter beschikking zijn gesteld voordat de aanvraag tot goedkeuring is ingediend. Het ligt voor de hand dat de informatie schriftelijk wordt verstrekt aan de betrokken deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden.

Daarnaast is in het kader van de Pensioenwet bij een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht door een pensioenfonds vereist dat:

(1) het verantwoordingsorgaan, zonder de eventuele vertegenwoordiging van de werkgever, het voorgenomen besluit met betrekking tot de collectieve waardeoverdracht heeft goedgekeurd (artikel 90a, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, van de Pensioenwet); of

(2) de meerderheid van de vertegenwoordigers van de werknemers of werknemersverenigingen en de vertegenwoordigers van de pensioengerechtigden in het belanghebbendenorgaan, alsmede, indien van toepassing, de meerderheid van de vertegenwoordigers van de werkgever of werkgeversverenigingen in het belanghebbendenorgaan het voorgenomen besluit met betrekking tot de collectieve waardeoverdracht hebben goedgekeurd (artikel 90a, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, van de Pensioenwet). Zie voor een nadere toelichting hierbij paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdelen P en Q, en artikel II, onderdeel Q, van dit wetsvoorstel.

Bij een collectieve waardeoverdracht door een beroepspensioenfonds is op grond van de Wvb steeds de goedkeuring vereist van het verantwoordingsorgaan (artikel 98a, tweede lid, onderdeel b, van de Wvb).

In geval van een ppi is er allereerst voorafgaande instemming nodig door de ondernemingsraad van de werkgever (artikel 90a, tweede lid, onderdeel c, onder 1°, van de Pensioenwet). Dat de ondernemingsraad moet instemmen met een collectieve waardeoverdracht naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat volgt uit artikel 27, eerste lid, onderdeel a, en zevende lid, van de Wet op de ondernemingsraden. Indien op grond van artikel 27, derde lid, van de Wet op de ondernemingsraden geen instemming van de ondernemingsraad is vereist, de bijdragende onderneming geen ondernemingsraad heeft of de ppi ook een pensioen in de uitkeringsfase aanbiedt en er aldus ook pensioengerechtigden zijn, moeten alle deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden schriftelijk worden verzocht om aan te geven of ze de voorgenomen collectieve waardeoverdracht goedkeuren of niet. Een meerderheid van de ontvangen reacties is daarbij doorslaggevend. Daarnaast is er bij een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht door een ppi goedkeuring nodig van de werkgever, tenzij er geen sprake meer is van een werkgever (artikel 90a, tweede lid, onderdeel c, onder 2°, van de Pensioenwet).

Indien het gaat om een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht van een beroepspensioenregeling door een ppi, waarbij geen sprake is van een werkgever, geldt ook als uitgangspunt dat alle deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden schriftelijk moeten worden verzocht om aan te geven of ze de voorgenomen collectieve waardeoverdracht goedkeuren of niet. Een meerderheid van de ontvangen reacties is daarbij doorslaggevend (artikel 98a, tweede lid, onderdeel c, van de Wvb).

In de aanvraag voor de collectieve waardeoverdracht moet bewijs zijn opgenomen dat de voornoemde goedkeuring of instemming er is.

Nadat de aanvraag tot goedkeuring is ingediend, volgt uit de richtlijn dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft de aanvraag moeten doorsturen naar de toezichthouder, in dit geval DNB. De reden hiervoor is dat die bevoegde autoriteiten alleen goedkeuring kunnen verlenen voor de collectieve waardeoverdracht, indien er voorafgaande toestemming is van DNB (derde lid). In de richtlijn is door middel van een limitatieve opsomming vastgelegd waar DNB een voorgenomen collectieve waardeoverdracht op mag beoordelen. Deze voorwaarden worden in de Pensioenwet en Wvb neergelegd (vierde lid). De voorwaarden sluiten aan bij de toets die DNB in de praktijk reeds uitvoert bij een voorgenomen collectieve waardeoverdracht naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat. DNB kan slechts toestemming verlenen voor de collectieve waardeoverdracht, indien aan deze voorwaarden is voldaan. Uitgangspunt is dat DNB haar oordeel binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot goedkeuring meedeelt aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft (vijfde lid). Met het uitgangspunt dat DNB vooraf toestemming moet verlenen voor de collectieve waardeoverdracht wordt afgeweken van artikel 83, tweede lid, onderdeel c, van de Pensioenwet, artikel 84, tweede lid, onderdeel a, van de Pensioenwet, artikel 91, tweede lid, onderdeel c, van de Wvb en artikel 92, tweede lid, onderdeel a, van de Wvb.

Indien DNB toestemming heeft verleend voor de collectieve waardeoverdracht, is het aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft om de aanvraag te beoordelen. De voorwaarden waaraan die bevoegde autoriteiten de aanvraag toetsen, volgen uit artikel 12, zevende lid, van de richtlijn. Indien ook aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan er goedkeuring worden verleend voor de collectieve waardeoverdracht. Zoals gezegd nemen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft het uiteindelijke besluit tot goedkeuring.

Deze goedkeuring doet in de situatie waarin de collectieve waardeoverdracht plaatsvindt omdat de werkgever dan wel de beroepspensioenvereniging een uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten met een pensioeninstelling uit een andere lidstaat overigens niets af aan het individueel bezwaarrecht uit artikel 83, tweede lid, onderdeel a, van de Pensioenwet respectievelijk artikel 91, tweede lid, onderdeel a, van de Wvb.

De richtlijn schrijft voor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft het besluit binnen twee weken nadat het is genomen aan DNB meedelen.

Indien de collectieve waardeoverdracht in een grensoverschrijdende activiteit resulteert, stelt DNB de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft op de hoogte van de bepalingen van de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving die van toepassing zijn op de pensioenregeling waarvan de waarde is overgedragen (zesde lid). In de regel zal een collectieve waardeoverdracht die valt onder artikel 12 van de richtlijn in een grensoverschrijdende activiteit resulteren. Doorslaggevend voor de vraag of er sprake is van een collectieve waardeoverdracht die valt onder artikel 12 van de richtlijn is of het gaat om een collectieve waardeoverdracht tussen twee pensioeninstellingen die in een andere lidstaat zijn geregistreerd of een vergunning hebben verkregen. Doorslaggevend voor de vraag of het gaat om een grensoverschrijdende activiteit in de zin van de richtlijn is of er sprake is van een pensioenregeling waarbij de rechtsverhouding tussen de bijdragende onderneming en de werknemers wordt beheerst door de sociale en arbeidswetgeving van een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de pensioeninstelling die de pensioenregeling uitvoert is gevestigd of een vergunning heeft verkregen. In de praktijk zal in veruit de meeste gevallen de lidstaat waarin de overdragende pensioeninstelling is gevestigd of een vergunning heeft verkregen ook de lidstaat zijn waarvan de sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de rechtsverhouding tussen de bijdragende onderneming en de werknemers of zelfstandigen van de pensioenregeling die wordt overgedragen. De grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht resulteert dan dus in een grensoverschrijdende activiteit. Dit is echter niet het altijd geval. Te denken valt hierbij aan de situatie waarin een pensioenregeling waarop de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving van toepassing is wordt uitgevoerd door een Belgische pensioeninstelling en de Belgische pensioeninstelling in het kader van een collectieve waardeoverdracht deze pensioenregeling overdraagt aan een pensioenfonds of premiepensioeninstelling in Nederland.

Tot slot is van belang dat de kosten van de collectieve waardeoverdracht niet ten laste mogen komen van de bij het pensioenfonds of de ppi resterende deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden (zevende lid).

Artikel I, onderdeel N, en artikel II, onderdeel O (artikel 92a van de Pensioenwet en artikel 100a van de Wvb)

Met dit onderdeel wordt artikel 12 van de richtlijn geïmplementeerd voor de situatie waarin een pensioenfonds of ppi in het kader van een collectieve waardeoverdracht een waarde wenst aan te nemen van een pensioeninstelling uit een andere lidstaat. Voorgesteld wordt voor deze situatie een nieuw artikel 92a in de Pensioenwet en een nieuw artikel 100a in de Wvb te introduceren.

Deze artikelen zijn, gelet op de reikwijdte van de richtlijn, alleen van toepassing op het aannemen van een collectieve waardeoverdracht van een pensioeninstelling uit een andere lidstaat door een pensioenfonds of ppi. Het artikel is niet van toepassing op verzekeraars. De voorgestelde artikelen beperken zich voorts tot de voorwaarden waaronder een pensioenfonds of ppi bevoegd is over te gaan tot het aannemen van een waarde van een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, de rol van het pensioenfonds of de ppi en de taken van de toezichthouder. Voor de verplichtingen van de (overdragende) pensioeninstelling uit de andere lidstaat en de bevoegdheden en taken van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft, dient het recht van de betreffende lidstaat te worden geraadpleegd. Het is niet aan de Nederlandse wetgever hierover regels te stellen. Het recht van de andere lidstaat zal, gelet op de kaders die de richtlijn biedt, evenwel grotendeels moeten overeenkomen met het voorgestelde artikel 90a van de Pensioenwet en het voorgestelde artikel 100a van de Wvb.

Een pensioenfonds of ppi is slechts bevoegd tot het in het kader van een collectieve waardeoverdracht aannemen van een waarde, indien de toezichthouder daar goedkeuring voor heeft gegeven. Voor het verkrijgen van goedkeuring geldt de volgende procedure.

Het pensioenfonds of de ppi dient een aanvraag tot goedkeuring van de collectieve waardeoverdracht in bij de toezichthouder, in dit geval DNB (tweede lid). De aanvraag tot goedkeuring moet verplicht verschillende gegevens bevatten (derde lid). Na ontvangst van de aanvraag tot goedkeuring, stuurt DNB de aanvraag tot goedkeuring onverwijld door aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft (vierde lid). Reden hiervoor is dat DNB op grond van de richtlijn slechts goedkeuring kan geven voor de voorgenomen collectieve waardeoverdracht indien er voorafgaande toestemming is van die bevoegde autoriteiten. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft beoordelen de aanvraag. De bevoegde autoriteiten dienen te beoordelen of de voorgenomen collectieve waardeoverdracht voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 12, achtste lid, van de richtlijn en delen hun beoordeling binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot goedkeuring met DNB.

Na ontvangst van de beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft, neemt DNB een besluit omtrent het verlenen of weigeren van goedkeuring voor de collectieve waardeoverdracht (vijfde lid). Uitgangspunt is dat als er geen voorafgaande toestemming is verleend door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft, een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag tot goedkeuring door DNB achterwege kan blijven (vijfde lid, onderdeel a). Een dergelijke beoordeling is immers niet meer relevant, aangezien zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft de collectieve waardeoverdracht niet door kan gaan. Indien de bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend voor de collectieve waardeoverdracht, gaat DNB over tot een inhoudelijke beoordeling. DNB toetst daarbij aan de limitatief opgesomde voorwaarden (vijfde lid, onderdeel b). Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, verleent DNB goedkeuring voor de collectieve waardeoverdracht.

DNB deelt het besluit tot het verlenen of weigeren van goedkeuring voor de collectieve waardeoverdracht binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag tot goedkeuring mee aan het pensioenfonds of de ppi (zesde lid). Dit is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. DNB deelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft het besluit tot het verlenen of weigeren van goedkeuring voor de collectieve waardeoverdracht mee binnen twee weken nadat het besluit is genomen (zevende lid).

Als de grensoverschrijdende waardeoverdracht resulteert in een grensoverschrijdende activiteit, volgt uit de richtlijn de verplichting voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft om DNB op de hoogte te stellen van de op de bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke sociale en arbeidswetgeving (inclusief de informatievoorschriften). DNB is vervolgens gehouden binnen een week mededeling te doen van deze informatie aan het pensioenfonds of de ppi (achtste lid).

In geval er goedkeuring wordt verleend voor de collectieve waardeoverdracht en de collectieve waardeoverdracht daadwerkelijk plaatsvindt, is tot slot nog van belang dat de kosten van de collectieve waardeoverdracht niet ten laste mogen komen van de bij het pensioenfonds of de ppi bestaande deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden (negende lid).

Tegen het weigeren van de goedkeuring kan het pensioenfonds of de ppi – in lijn met artikel 12, tiende lid, tweede zin, van de richtlijn – bezwaar indienen en beroep instellen. Hetzelfde geldt voor het uitblijven van een besluit na het indienen van een aanvraag tot goedkeuring.

Artikel I, onderdeel O, en artikel II, onderdeel P (artikel 106 van de Pensioenwet en artikel 110c van de Wvb)

Artikel 24 van de richtlijn schrijft voor dat een pensioenfonds moet beschikken over enkele sleutelfuncties, te weten een risicobeheerfunctie, een interne auditfunctie en een actuariële functie. Deze functies vervullen een rol in het kader van de beheerste en integere bedrijfsvoering. De voorschriften hierover worden vastgelegd in hoofdstuk 6 («Financieel toetsingskader inzake pensioenfondsen») van de Pensioenwet en hoofdstuk 5 («Financieel toetsingskader inzake beroepspensioenfondsen») van de Wvb en het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen (hierna: Besluit ftk pensioenfondsen) (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel T, en artikel II, onderdeel T, en de transponeringstabel bij de artikelen 24 tot en met 27 van de richtlijn).

Op grond van artikel 22, eerste lid, van de richtlijn gelden het geschiktheidsvereiste en betrouwbaarheidsvereiste ook voor personen die betrokken zijn bij het vervullen van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie. Ter implementatie hiervan worden artikel 106 van de Pensioenwet en artikel 110c van de Wvb aangepast. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het geschiktheidsvereiste en betrouwbaarheidsvereiste gelden voor alle personen die betrokken zijn bij het vervullen van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie en niet alleen voor de houders van deze functies (zie ook paragraaf 2.5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting).

Uitgangspunt is dat het pensioenfonds erop toeziet dat de personen die de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie en actuariële functie vervullen, voldoen aan het geschiktheids- en betrouwbaarheidsvereiste. Ook de toezichthouder kan toetsen of wordt voldaan aan het geschiktheids- en betrouwbaarheidsvereiste. Een nadere uitwerking hiervan wordt op grond van artikel 106, negende lid (nieuw), van de Pensioenwet en artikel 110c, negende lid (nieuw), van de Wvb opgenomen in het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb. Beoogd uitgangspunt is dat de toezichthouder, indien daar naar het oordeel van de toezichthouder aanleiding toe bestaat, op ieder moment de geschiktheid en betrouwbaarheid kan toetsen. Hiermee wordt wat betreft de toetsing van de geschiktheid en betrouwbaarheid aangesloten bij het uitgangspunt dat geldt voor leden van de visitatiecommissie (artikel 29, tweede lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Artikel I, onderdeel P, en artikel II, onderdeel Q (artikel 115a van de Pensioenwet en artikel 110e van de Wvb)

Op grond van artikel 115a, derde lid, onderdeel f, van de Pensioenwet en artikel 110e, derde lid, onderdeel f, van de Wvb is het verantwoordingsorgaan bevoegd advies uit te brengen over een gehele of gedeeltelijke waardeoverdracht van de verplichtingen van het pensioenfonds.

Onder deze adviesbevoegdheid valt ook een collectieve waardeoverdracht van het pensioenfonds naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat. Met dit onderdeel wordt – ter implementatie van artikel 12, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn – voorgesteld om voor deze specifieke situatie een goedkeuringsrecht aan het verantwoordingsorgaan toe te kennen. Om te voorkomen dat er voor dezelfde situatie zowel een adviesrecht als goedkeuringsrecht geldt, wordt in het derde lid vastgelegd dat het adviesrecht niet geldt voor een voorgenomen collectieve waardeoverdracht van het pensioenfonds naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat.

Op grond van artikel 115, tweede lid, van de Pensioenwet kan ook de werkgever vertegenwoordigd zijn in het verantwoordingsorgaan. Het goedkeuringsrecht wordt echter toegekend aan het verantwoordingsorgaan zonder de eventuele vertegenwoordiging van de werkgever. Zie voor een nadere toelichting hierbij paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Zoals toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel M, en artikel II, onderdeel N, van dit wetsvoorstel moet de goedkeuring aan het verantwoordingsorgaan, zonder de eventuele vertegenwoordiging van de werkgever, worden gevraagd voordat de aanvraag tot goedkeuring van de collectieve waardeoverdracht wordt ingediend. In de aanvraag tot goedkeuring moet bewijs zijn opgenomen dat de benodigde goedkeuring is verkregen. Indien er geen goedkeuring is gegeven, kan de collectieve waardeoverdracht naar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat niet plaatsvinden.

Artikel I, onderdeel Q (artikel 115c van de Pensioenwet)

Naar huidig recht heeft het bestuur van het pensioenfonds op grond van artikel 115c, negende lid, onderdeel a, van de Pensioenwet reeds goedkeuring nodig van het belanghebbendenorgaan voor een collectieve waardeoverdracht van het pensioenfonds naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat. Ter implementatie van artikel 12, derde lid, onderdelen a en b, van de richtlijn wordt vastgelegd dat zowel goedkeuring is vereist van:

  • a. een meerderheid van de vertegenwoordigers van de werknemers of werknemersverenigingen en de vertegenwoordigers van de pensioengerechtigden in het belanghebbendenorgaan; als

  • b. een meerderheid van de vertegenwoordigers van de werkgever of werkgeversverenigingen in het belanghebbendenorgaan, tenzij op grond van artikel 115b, tweede lid, van de Pensioenwet is afgezien van vertegenwoordiging door de werkgever in het belanghebbendenorgaan.

Op deze wijze wordt gerealiseerd dat in beginsel zowel de goedkeuring is vereist van de vertegenwoordigers van de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden (artikel 12, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn) als van de werkgever (artikel 12, derde lid, onderdeel b, van de richtlijn). Zie voor een nadere toelichting hierbij paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Ook hier geldt dat de collectieve waardeoverdracht van het pensioenfonds naar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat niet kan plaatsvinden zonder de voornoemde goedkeuring.

Artikel I, onderdeel R, en artikel II, onderdeel R (artikel 124a van de Pensioenwet en artikel 120a van de Wvb)

De artikelen 33 tot en met 35 van de richtlijn zien op de aanstelling en taken van een bewaarder. Zoals toegelicht in paragraaf 2.6 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting behoeven deze bepalingen implementatie voor de situatie waarin een pensioenfonds vrijwillig besluit een bewaarder aan te stellen.

Bij de implementatie van deze bepalingen wordt aangesloten bij de regels die in de Wft zijn opgenomen over de pensioenbewaarder. In de Wft wordt de pensioenbewaarder naar huidig recht omschreven als de rechtspersoon die is belast met de bewaring van het vermogen van een premiepensioeninstelling voor zover dat voortvloeit uit de uitvoering van premieregelingen (artikel 1 van de Wft). Een pensioenbewaarder mag als enig statutair doel hebben het zijn van eigenaar van het pensioenvermogen en het zijn van schuldenaar van schulden van het pensioenvermogen inzake een enkele pensioenregeling (artikel 4:71b, tweede lid, van de Wft). Op grond van artikel 4:71b, eerste lid, van de Wft zijn ppi’s in voorkomende gevallen verplicht een pensioenbewaarder aan te stellen. Buiten die gevallen kan een ppi vrijwillig een bewaarder aanstellen. In beide situaties moet de pensioenbewaarder aan verschillende eisen voldoen, waaronder eisen aan de geschiktheid, betrouwbaarheid, integriteit en de structurering en inrichting (zie onder andere de hoofdstukken 4.2 en 4.3 van de Wft).

Om te realiseren dat de institutionele bepalingen over de pensioenbewaarder uit de Wft ook gelden indien een pensioenfonds besluit over te gaan tot het aanstellen van een pensioenbewaarder, wordt met artikel III, onderdeel A, van dit wetsvoorstel voorgesteld de definitie van de pensioenbewaarder in de Wft aan te passen. Hiermee wordt voorzien in de implementatie van verschillende bepalingen uit de richtlijn, waaronder artikel 33, zesde en zevende lid, van de richtlijn. Daarnaast wordt met artikel III, onderdeel L, van dit wetsvoorstel artikel 4:71b van de Wft aangepast, zodat die ook aansluit bij de situatie waarin een pensioenfonds overgaat tot het aanstellen van een pensioenbewaarder.

Voorgesteld wordt in de Pensioenwet en Wvb vast te leggen dat een pensioenfonds het eigendom over het pensioenvermogen (= het vermogen inzake een pensioenregeling) slechts kan overdragen aan een pensioenbewaarder, nadat het pensioenfonds en de pensioenbewaarder een overeenkomst inzake het beheer en de bewaring van het pensioenvermogen hebben gesloten. Hiermee wordt artikel 33, vijfde lid, van de richtlijn geïmplementeerd. Met de formulering van de bepaling is aangesloten bij artikel 4:71c, tweede lid, van de Wft. In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb worden regels vastgelegd over de inhoud van de overeenkomst. Voornemen is om aan te sluiten bij artikel 168c van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en, zoals op grond van artikel 33, vijfde lid, van de richtlijn vereist is, voor te schrijven dat in de overeenkomst afspraken worden gemaakt over de informatie-uitwisseling tussen het pensioenfonds en de pensioenbewaarder.

Daarnaast wordt voorgesteld in de Pensioenwet en Wvb vast te leggen dat het pensioenfonds maatregelen dient te treffen, zodat de pensioenbewaarder slechts met medewerking van het pensioenfonds over de bestanddelen van het pensioenvermogen zal beschikken. Achtergrond hiervan is dat het de taak van het pensioenfonds is om bijvoorbeeld het ten aanzien van het pensioenvermogen te voeren beleggingsbeleid te bepalen, te beslissen over de aan- en verkoop van beleggingen en aan te geven wanneer een onttrekking moet worden gedaan aan het pensioenvermogen ten behoeve van een uitkering van pensioengelden. Echter, aangezien het pensioenfonds geen eigenaar is van het pensioenvermogen, is het van belang dat het pensioenfonds is verzekerd van de medewerking van de pensioenbewaarder en dat de pensioenbewaarder – in lijn met de (statutair) beperkte rol van de pensioenbewaarder – alleen in samenwerking met het pensioenfonds over het pensioenvermogen zal beschikken. De bepaling strekt ter implementatie van artikel 35, eerste lid, onderdeel c, van de richtlijn. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4:71b, derde lid, van de Wft. Zie voor een nadere toelichting de artikelsgewijze toelichting bij deze bepaling29.

Artikel I, onderdeel S, en artikel II, onderdeel S (artikel 134 van de Pensioenwet en artikel 129 van de Wvb)

Met dit onderdeel wordt artikel 43, tweede lid, van de richtlijn geïmplementeerd.

Voorgesteld wordt in artikel 134, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 129, tweede lid, van de Wvb te expliciteren dat het informeren over een besluit tot vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten onverwijld geschiedt. De praktijk is hier reeds mee in overeenstemming.

De daadwerkelijke vermindering van de verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten kan naar huidig recht op zijn vroegst een maand nadat de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, toezichthouder en – in geval van een pensioenfonds, niet zijnde een beroepspensioenfonds – de werkgever hierover zijn geïnformeerd, worden gerealiseerd. Voorgesteld wordt de termijn voor pensioengerechtigden te verlengen naar drie maanden. Voor de overige betrokkenen blijft de termijn van een maand gelden. Zie voor een nadere toelichting hierbij paragraaf 2.7 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Artikel I, onderdeel T, en artikel II, onderdeel T (artikelen 143a en 143b van de Pensioenwet en artikelen 138a en 138b van de Wvb)

Met dit onderdeel wordt allereerst een nieuw artikel 143a in de Pensioenwet en een nieuw artikel 138a in de Wvb geïntroduceerd. Deze artikelen schrijven voor dat een pensioenfonds over een risicobeheerfunctie, een interne auditfunctie en een actuariële functie moet beschikken. Hiermee wordt artikel 24, eerste lid, eerste zin, van de richtlijn geïmplementeerd. De verdere uitwerking van de verschillende functies wordt neergelegd in het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. Hierin zal onder andere worden vastgelegd dat de risicobeheerfunctie zodanig moet worden opgezet dat deze bevorderlijk is voor het functioneren van het risicobeheer van het pensioenfonds (artikel 25, eerste lid, van de richtlijn), dat in het kader van de interne auditfunctie wordt toegezien op het adequaat en doeltreffend functioneren van de interne controlemechanismen en andere procedures en maatregelen ter waarborging van de integere en beheerste bedrijfsvoering van het pensioenfonds (artikel 26 van de richtlijn) en dat in het kader van de actuariële functie onder andere wordt toegezien op de berekening van de technische voorzieningen (artikel 27 van de richtlijn). Zoals opgemerkt in paragraaf 2.5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting worden de specifieke taken die vallen onder de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie en actuariële functie reeds grotendeels door pensioenfondsen uitgevoerd, maar worden deze ter implementatie van de richtlijn expliciet in wet- en regelgeving verankerd.

De houders van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie en actuariële functie zijn verplicht materiële bevindingen en aanbevelingen op het gebied dat onder hun verantwoordelijkheid valt te rapporteren aan het bestuur van het pensioenfonds. Het is vervolgens aan het bestuur van het pensioenfonds om te besluiten of en zo ja, welke maatregelen moeten worden getroffen. Indien de houder van een sleutelfunctie tevens één van de personen is die het pensioenfonds bestuurt, moeten de materiële bevindingen en aanbevelingen ook aan de raad van toezicht of de visitatiecommissie worden gerapporteerd. Zie voor een nadere toelichting hierbij paragraaf 2.5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Indien het bestuur van het pensioenfonds in voorkomende gevallen niet overgaat tot het tijdig treffen van passende corrigerende maatregelen, zijn de houders van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie verplicht dit aan de toezichthouder te melden. Deze meldingen zijn van belang voor de toezichthouder bij de uitoefening van zijn taken. Er geldt een meldplicht indien het bestuur van het pensioenfonds niet tijdig passende corrigerende maatregelen treft nadat het door de houder van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie op de hoogte is gesteld van:

  • a. een substantieel risico dat het pensioenfonds niet aan een bij of krachtens wet gesteld vereiste van significante betekenis zal voldoen en dit ernstige gevolgen kan hebben voor de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden; of

  • b. een significante inbreuk op de voor het pensioenfonds en haar activiteiten geldende bij of krachtens wet gestelde vereisten.

Naar huidig recht zijn ook de raad van toezicht (artikel 104, vijfde lid, tweede zin, van de Pensioenwet en artikel 110a, derde lid, onderdeel d, van de Wvb) en de accountant en actuaris die het onderzoek naar de staten uitvoeren (artikel 170, eerste en tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 165, eerste en tweede lid, van de Wvb) onder omstandigheden verplicht een melding te doen bij de toezichthouder.

Artikel 24, zesde lid, van de richtlijn schrijft voor dat een houder van een sleutelfunctie die een melding doet bij de toezichthouder rechtsbescherming moet genieten. Naast de rechtsbescherming die houders van een sleutelfunctie in hun hoedanigheid van werknemer op basis van de huidige wet- en regelgeving genieten, wordt voorgesteld een algemeen benadelingsverbod voor deze situatie in de Pensioenwet en Wvb te verankeren. Dit verbod houdt in dat een pensioenfonds ervoor moet zorgen dat de houder van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie die in het kader van zijn meldplicht een melding heeft gedaan bij de toezichthouder niet wordt benadeeld omdat hij deze melding heeft gedaan. Onder benadeling vallen onder andere: benadeling in promotiekansen, schorsing en ontslag.

De melding moet «te goeder trouw en naar behoren» zijn gedaan. De houder van de sleutelfunctie dient in procedureel en materieel opzicht zorgvuldig te handelen. Dit brengt onder andere met zich dat (zoals wettelijk voorgeschreven) over de betreffende bevindingen eerst is gerapporteerd aan het bestuur en de houder van de sleutelfunctie een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden heeft dat de bevindingen waar de melding betrekking op heeft juist zijn.

Met dit benadelingsverbod is aangesloten bij de rechtsbescherming die geldt voor werknemers die overgaan tot een melding van een vermoeden van een misstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Huis voor klokkenluiders (artikel 658c van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek).

Daarnaast wordt met dit onderdeel een nieuw artikel 143b in de Pensioenwet en een nieuw artikel 138b in de Wvb geïntroduceerd. Met de voorgestelde artikelen wordt gerealiseerd dat de toezichthouder een pensioenfonds de verplichting kan opleggen om een stresstest uit te voeren. Met behulp van een stresstest kan in kaart worden gebracht hoe de financiële omstandigheden van een pensioenfonds zich ontwikkelen onder verschillende situaties van de financiële markten. Met dit artikel wordt artikel 49, tweede lid, van de richtlijn geïmplementeerd. In de praktijk worden reeds stresstests uitgevoerd onder pensioenfondsen, onder andere door de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA).

Artikel I, onderdeel U, en artikel II, onderdeel U (artikel 148 van de Pensioenwet en artikel 143 van de Wvb)

Veel werkzaamheden van de actuariële functie (artikel 27, eerste lid, van de richtlijn) worden in de praktijk reeds uitgevoerd door de waarmerkende actuaris. Het betreft onder andere het houden van toezicht op de berekening van de technische voorzieningen en de beoordeling van de daarbij gehanteerde methodieken, modellen en aannames. Enkele minder omvangrijke werkzaamheden van de actuariële functie kunnen op dit moment nog niet worden uitgevoerd door de waarmerkende actuaris. Het gaat hierbij onder andere om het geven van een oordeel over (a) de algehele gedragslijn voor het aangaan van verzekeringstechnische verplichtingen en (b) de adequaatheid van de verzekeringsregelingen. De belemmering voor het verrichten van dergelijke werkzaamheden door de waarmerkende actuaris is gelegen in artikel 148, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 143, eerste lid, van de Wvb. Hierin is vastgelegd dat de waarmerkende actuaris – behoudens het waarmerken van het actuarieel verslag – geen andere werkzaamheden voor een pensioenfonds mag verrichten.

Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld een uitzondering te maken op dit uitgangspunt, waardoor het mogelijk wordt voor pensioenfondsen om de actuariële functie bij de waarmerkende actuaris te beleggen. Dit brengt met zich dat de waarmerkende actuaris in de praktijk enkele nieuwe werkzaamheden kan gaan uitvoeren, waaronder de hiervoor genoemde. De nieuwe werkzaamheden betreffen een beperkte (mogelijkheid tot) uitbreiding van de rol van de waarmerkende actuaris en zijn controlerend van aard. Het betreft dan ook een logische uitbreiding van de rol van de waarmerkende actuaris. Daarnaast kunnen op deze manier de administratieve lasten voor pensioenfondsen worden beperkt. Voorkomen kan immers worden dat bepaalde werkzaamheden, zoals het toezicht op de berekening van de technische voorzieningen, dubbel moeten worden uitgevoerd (zowel door de waarmerkende actuaris als door de actuariële functie). De precieze werkzaamheden die vallen onder de actuariële functie worden vastgelegd in het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat pensioenfondsen niet verplicht zijn de actuariële functie bij de waarmerkende actuaris te beleggen. Het staat een pensioenfonds vrij deze functie – binnen de daarvoor geldende kaders – op een andere manier in te richten. De rol van de waarmerkende actuaris blijft in dat geval beperkt tot de huidige wettelijke rol, te weten het waarmerken van het actuarieel verslag (artikel 147, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 142, vierde lid, van de Wvb).

Artikel I, onderdeel V, en artikel II, onderdeel V (artikel 151 van de Pensioenwet en artikel 146 van de Wvb)

Dit onderdeel strekt ter implementatie van artikel 45, eerste lid, van de richtlijn. Hiermee wordt geëxpliciteerd dat het prudentieel toezicht ook gericht is op het beschermen van de rechten van deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden. Dit sluit aan bij de huidige praktijk en heeft geen gevolgen voor de invulling van het prudentieel toezicht.

Artikel I, onderdeel W, en artikel II, onderdeel W (artikel 153 van de Pensioenwet en artikel 148 van de Wvb)

Met dit onderdeel wordt voorgesteld enkele algemene beginselen van het toezicht wettelijk vast te leggen. Hiermee wordt voldaan aan artikel 47, tweede, derde en vijfde lid, van de richtlijn. Met de redactie van het derde lid (nieuw) wordt aangesloten bij artikel 1:51, tweede lid, van de Wft. Achtergrond van dit artikellid is het streven naar financiële stabiliteit in de gehele Europese Unie.

Opgemerkt wordt dat de voorgestelde wijzigingen naar verwachting weinig invloed hebben op de praktijk, aangezien deze aansluiten bij de huidige wijze waarop de toezichthouders invulling geven aan hun taken.

Artikel I, onderdeel X, en artikel II, onderdeel X (artikel 185 van de Pensioenwet en artikel 180 van de Wvb)

Met dit onderdeel wordt artikel 48, vierde lid, van de richtlijn geïmplementeerd. In artikel 185, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 180, eerste lid, van de Wvb wordt vastgelegd dat de toezichthouder een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie openbaar maakt zodra het besluit onherroepelijk is geworden. Indien tegen het besluit bezwaar, beroep of hoger beroep is ingesteld, maakt de toezichthouder de uitkomst daarvan samen met het besluit openbaar.

In aansluiting bij artikel 1:97, tweede lid, van de Wft wordt voorgesteld in artikel 185, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 180, tweede lid, van de Wvb vast te leggen dat in het kader van het openbaarmakingsregime het begrip bestuurlijke sanctie wordt uitgebreid ten opzichte van de betekenis die het heeft op grond van artikel 5:2, eerste lid, onderdeel a, van de Awb. Hiermee worden alle maatregelen van de toezichthouders naar aanleiding van een overtreding van de Pensioenwet dan wel Wvb onder het openbaarmakingsregime gebracht. Maatregelen die op grond van het voorgestelde tweede lid als bestuurlijke sanctie worden aangemerkt zijn bijvoorbeeld het intrekken van een vergunning.

Voor alle besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie is hetzelfde moment van openbaarmaking gekozen. Uitgangspunt is dat het besluit pas openbaar wordt gemaakt, als het besluit onherroepelijk is. Zie voor een nadere toelichting hierbij paragraaf 2.8 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

In artikel 185, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 180, derde lid, van de Wvb zijn enkele uitzonderingen opgenomen op de verplichting van de toezichthouder om tot (volledige) openbaarmaking over te gaan. Het artikellid verplicht de toezichthouder tot een belangenafweging. De toezichthouder moet steeds afwegen hoe het belang dat is gediend met (volledige) openbaarmaking van het besluit zich verhoudt tot de in het derde lid genoemde belangen. Er dient te worden bezien of de pensioenuitvoerder of de natuurlijk persoon30 door de (volledige) openbaarmaking niet onevenredig in zijn belang wordt getroffen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de overtreder snel gevolg heeft gegeven aan een aanwijzing of last onder dwangsom en het belang dat met de openbaarmaking van de identiteit van de pensioenuitvoerder of natuurlijk persoon is gediend niet in het gedrang komt indien wordt overgegaan tot openbaarmaking zonder vermelding van de naam van de pensioenuitvoerder of natuurlijk persoon. Voorts moet worden getoetst of openbaarmaking de stabiliteit van de financiële markten in gevaar brengt of een lopend strafrechtelijk onderzoek of een lopend onderzoek door de toezichthouder naar mogelijke overtredingen ondermijnt. De uitkomst van de belangenafweging kan zijn dat openbaarmaking wordt uitgesteld, niet tot openbaarmaking wordt overgegaan of het besluit geanonimiseerd (niet herleidbaar tot afzonderlijke personen) openbaar wordt gemaakt.

Artikel I, onderdeel Y, en artikel II, onderdeel Y (artikel 188 van de Pensioenwet en artikel 183 van de Wvb)

Met dit onderdeel wordt allereerst artikel 188, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet en artikel 183, eerste lid, onderdeel b, van de Wvb aangepast. Reden hiervoor is dat de aanwijzing vanwege overtreding van hetgeen bij of krachtens de Pensioenwet of Wvb is bepaald valt onder het regime van artikel 185 van de Pensioenwet dan wel artikel 180 van de Wvb, aangezien een dergelijke aanwijzing kwalificeert als een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht. Derhalve hoeven artikel 188, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet en artikel 183, eerste lid, onderdeel b, van de Wvb enkel nog te zien op aanwijzingen die geen verband houden met een overtreding, maar met de omstandigheid dat een pensioenfonds tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit, de liquiditeit of de bedrijfsvoering van het pensioenfonds in gevaar kunnen brengen (artikel 171, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 166, tweede lid, van de Wvb).

In verband met de introductie van artikel 185 in de Pensioenwet kunnen voorts artikel 188, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioenwet en artikel 188, tweede en derde lid, van de Pensioenwet vervallen. In de Wvb kunnen in verband met de introductie van artikel 180 in de Wvb artikel 183, eerste lid, onderdeel c, van de Wvb en artikel 188, tweede en derde lid, van de Wvb vervallen.

Artikel I, onderdeel Z, en artikel II, onderdeel Z (artikelen 189 en 190 van de Pensioenwet en artikelen 184 en 185 van de Wvb)

Op grond van artikel 188 van de Pensioenwet en artikel 183 van de Wvb heeft de toezichthouder een discretionaire bevoegdheid om in bepaalde gevallen tot openbaarmaking van gegevens over te gaan, bijvoorbeeld bij overtreding van een verbodsbepaling uit de Pensioenwet of Wvb door een pensioenuitvoerder. Uit artikel 189 van de Pensioenwet en artikel 184 van de Wvb volgt dat aan de openbaarmaking altijd een besluit tot openbaarmaking ten grondslag ligt. Met artikel 185 van de Pensioenwet en artikel 180 van de Wvb wordt de toezichthouder in voorkomende gevallen verplicht om tot openbaarmaking over te gaan.

Aangezien er nu twee grondslagen zijn om tot openbaarmaking over te gaan, moeten de artikelen 189 en 190 van de Pensioenwet en de artikelen 184 en 185 van de Wvb opnieuw worden vastgesteld. Deze wijzigingen strekken ter implementatie van artikel 48, vierde lid, van de richtlijn.

Voorgesteld wordt in artikel 189 van de Pensioenwet en artikel 184 van de Wvb vast te leggen dat aan openbaarmaking op grond van artikel 185 van de Pensioenwet of artikel 188 van de Pensioenwet dan wel artikel 180 van de Wvb of artikel 183 van de Wvb altijd een besluit vooraf gaat. Hiermee wordt aangesloten bij artikel 1:99, eerste lid, van de Wft zoals voorgesteld met het wetsvoorstel transparant toezicht financiële markten31. Tegen het besluit tot openbaarmaking staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming open.

Opgemerkt zij dat op grond van artikel 185 van de Pensioenwet en artikel 180 van de Wvb een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie pas openbaar wordt gemaakt als het betreffende besluit onherroepelijk is geworden. Dit brengt met zich dat er ook pas een besluit kan worden genomen over de openbaarmaking, als het besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie rechtens vaststaat. De toezichthouder moet op dat moment – met inachtneming van artikel 185, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 180, derde lid, van de Wvb – afwegen hoe het belang dat is gediend met (volledige) openbaarmaking van het besluit zich verhoudt tot de in dat artikellid genoemde belangen. Die afweging dient naar zijn aard plaats vinden op basis van de relevante feiten en omstandigheden op het moment dat het besluit openbaar wordt gemaakt. Dat betreft in het geval van artikel 185 van de Pensioenwet en artikel 180 van de Wvb dus het moment dat het besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie onherroepelijk is geworden. Ter illustratie: een pensioenuitvoerder waaraan een bestuurlijke boete wordt opgelegd, zal worden geconfronteerd met twee besluiten die op een ander moment worden genomen. Eerst het boetebesluit en – nadat dat besluit onherroepelijk is geworden – een besluit over de openbaarmaking van dat besluit op grond van artikel 185 van de Pensioenwet dan wel artikel 180 van de Wvb.

Het besluit tot openbaarmaking moet voldoende informatie bevatten voor de belanghebbende om te kunnen beslissen of hij een rechtsmiddel wil inzetten. Daarvoor is relevant wat de toezichthouder openbaar zal gaan maken, waar de informatie openbaar gemaakt zal worden en binnen welke termijn. Deze informatie is naar huidig recht ook reeds opgenomen in het besluit tot openbaarmaking indien op grond van artikel 188 van de Pensioenwet of artikel 183 van de Wvb tot openbaarmaking wordt overgegaan. De redactie van de betreffende zin is iets aangepast, zodat (grotendeels) wordt aangesloten bij de formulering die wordt gehanteerd in artikel 1:99, eerste lid, tweede zin, van de Wft zoals voorgesteld met het wetsvoorstel transparant toezicht financiële markten. Verwachting is dat de toezichthouder in de meeste gevallen invulling zal geven aan de plicht tot openbaarmaking door de informatie op de website te plaatsen. Voor een verdere toelichting hierbij wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:99 van de Wft in het kader van het wetsvoorstel transparant toezicht financiële markten.

In verband met de introductie van artikel 185 in de Pensioenwet en artikel 180 in de Wvb wordt voorts voorgesteld om artikel 190 van de Pensioenwet en artikel 185 van de Wvb opnieuw vast te stellen, zodat de waarborgen die in dit artikel zijn opgenomen tevens gelden voor openbaarmaking op grond van artikel 185 van de Pensioenwet respectievelijk artikel 180 van de Wvb. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook voor de verplichte openbaarmaking van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie een wachttermijn van vijf dagen passend wordt geacht. Het gaat in die gevallen immers steeds om een onherroepelijk besluit. De belanghebbende weet derhalve al in grote lijnen wat er openbaar gemaakt zou kunnen worden en vanaf welk moment. Overigens is de termijn van vijf dagen een minimumtermijn. De toezichthouder kan ervoor kiezen een langere termijn te hanteren.

Artikel I, onderdeel AA, en artikel II, onderdeel AA (artikel 190a van de Pensioenwet en artikel 185a van de Wvb)

Het kan voorkomen dat door de toezichthouder gegevens openbaar zijn gemaakt en dat deze openbaarmaking achteraf gezien ten onrechte heeft plaatsgevonden. Het gaat dan om situaties dat het besluit tot openbaarmaking is ingetrokken of vernietigd door de bestuursrechter. In de voorgestelde artikelen is vastgelegd dat de toezichthouder het openbaar beschikbaar houden van de gegevens dan beëindigt (eerste lid). Als het besluit gedeeltelijk wordt ingetrokken, herroepen of vernietigd, geldt deze verplichting voor dat gedeelte. Het beëindigen van het openbaar beschikbaar houden van de gegevens zal over het algemeen betekenen dat de toezichthouder de gegevens van de website moet verwijderen.

Voorts wordt voorgesteld dat de toezichthouder aan de belanghebbende moet aanbieden een rectificatie te plaatsen, indien het besluit tot openbaarmaking is ingetrokken of vernietigd door de bestuursrechter (tweede lid). De vorm van de rectificatie moet in overleg met de belanghebbende worden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de toezichthouder niet verplicht is aan de rectificatie meer ruchtbaarheid te geven dan aan de oorspronkelijke publicatie.

Met de voorgestelde bepalingen wordt aangesloten bij artikel 1:100, vierde en vijfde lid, van de Wft zoals voorgesteld met het wetsvoorstel transparant toezicht financiële markten.

De introductie van dit artikel vloeit voort uit de implementatie van artikel 48, vierde lid, van de richtlijn.

Artikel I, onderdeel BB, en artikel II, onderdeel BB (artikel 192 van de Pensioenwet en artikel 187 van de Wvb)

Ter implementatie van richtlijn 2003/41/EG is in artikel 125 van de Pensioenwet en artikel 25 van de Wvb neergelegd dat het een pensioenfonds verboden is bijdragen te ontvangen van een bijdragende onderneming die zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland dan wel van een in een andere lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot zonder een daartoe door de toezichthouder verleende vergunning. In artikel 192, aanhef, van de Pensioenwet en artikel 187, aanhef, van de Wvb wordt hiernaar verwezen. Met de Wet van 15 juli 2008, houdende enige wijzigingen in de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en enige andere wetten (Stb. 2008, 314) is aan artikel 125 van de Pensioenwet en artikel 25 van de Wvb een tweede lid toegevoegd. Abusievelijk is hierbij de verwijzing naar artikel 125 van de Pensioenwet in artikel 192, aanhef, van de Pensioenwet en de verwijzing naar artikel 25 van de Wvb in artikel 187, aanhef, van de Wvb niet aangepast. Deze omissie wordt hierbij hersteld.

In artikel 192 van de Pensioenwet en artikel 187 van de Wvb is opgenomen onder welke voorwaarden een vergunning aan een pensioenfonds wordt verleend om bijdragen te gaan ontvangen van een bijdragende onderneming die zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland dan wel van een in een andere lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot. Een van de voorwaarden is dat wordt voldaan aan de Europese (minimum)informatievoorschriften (zie artikel 11, zesde lid, van de richtlijn). In verband met de herziening van de richtlijn wordt de verwijzing naar de informatievoorschriften uit richtlijn 2003/41/EG vervangen door een verwijzing naar de informatievoorschriften uit richtlijn 2016/2341/EU.

Artikel I, onderdeel CC, en artikel II, onderdeel CC (artikel 193 van de Pensioenwet en de artikelen 188 en 189 van de Wvb)

Voor de toelichting bij deze wijziging wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel BB, en artikel II, onderdeel BB, van dit wetsvoorstel.

Artikel I, onderdeel DD, en artikel II, onderdeel C (artikel 194 van de Pensioenwet en artikel 26 van de Wvb)

In artikel 194 van de Pensioenwet en artikel 26 van de Wvb is vastgelegd dat een pensioenfonds de toezichthouder in kennis moet stellen van het voornemen om grensoverschrijdende activiteiten te gaan verrichten en is tevens vastgelegd welke informatie daarbij precies moet worden verstrekt. Met de herziening van de richtlijn zijn daar enkele summiere wijzingen in doorgevoerd. Met dit onderdeel worden deze wijzigingen geïmplementeerd in artikel 194, tweede lid, onderdelen a en b, van de Pensioenwet en artikel 26, tweede lid, onderdeel a, van de Wvb en wordt derhalve voldaan aan artikel 11, derde lid, van de richtlijn.

Allereerst wordt in artikel 194, tweede lid, onderdeel a, van de Pensioenwet de verwijzing naar «degene die een vrij beroep uitoefent» gewijzigd naar een verwijzing naar «de zelfstandige». Hiermee wordt aangesloten bij de terminologie die wordt gehanteerd in de definitie van een «pensioeninstelling uit een andere lidstaat» zoals opgenomen in artikel 1 van de Pensioenwet. Voorts wordt in onderdeel a geëxpliciteerd dat in voorkomende gevallen de bijdragende onderneming dient op te geven van welke lidstaat de sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de rechtsverhouding tussen de bijdragende onderneming en de werknemers of op de zelfstandige(n). Het ligt evenwel in de rede dat een pensioenfonds met een concreet voornemen om bijdragen te gaan ontvangen van een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, hier zelf ook van op de hoogte is. In de praktijk zal dit doorgaans immers de sociale en arbeidswetgeving zijn van de lidstaat waar de bijdragende onderneming haar zetel heeft.

In artikel 194, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet wordt vastgelegd dat de kennisgeving niet alleen vergezeld gaat van de naam van de bijdragende onderneming, maar ook van de plaats waar de bijdragende onderneming haar hoofdbestuur heeft. Met de plaats van het hoofdbestuur wordt – conform de uitleg die daar in artikel 9, eerste lid, van de richtlijn aan wordt gegeven – de plaats bedoeld waar de voornaamste strategische beslissingen van de bijdragende onderneming worden genomen.

Artikel 26, tweede lid, onderdeel a, van de Wvb wordt op een soortgelijke manier aangepast. In onderdeel a wordt geëxpliciteerd dat in voorkomende gevallen de zelfstandige of beroepsgenoot moet opgeven in welke lidstaat hij is gevestigd.

Artikel I, onderdeel EE, en artikel II, onderdelen D en DD (artikel 196 van de Pensioenwet en de artikelen 27 en 190 van de Wvb)

De wijziging van de termijn van twee maanden naar zes weken in artikel 196, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 190 van de Wvb vloeit voort uit artikel 11, achtste lid, van de richtlijn. Gevolg hiervan is dat een pensioenfonds – wanneer er geen informatie is verkregen over de toepasselijke sociale en arbeidswetgeving – zes weken na ontvangst van de mededeling van de toezichthouder dat de kennisgeving tot het voornemen om grensoverschrijdende activiteiten te gaan ontplooien is meegedeeld aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorzieningen geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is, kan beginnen met het uitvoeren van de voorgenomen pensioenregeling.

In verband met de herziening van de richtlijn moet voorts de verwijzing naar de artikelen 11 en 18, zevende lid, van richtlijn 2003/41/EG in artikel 196, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 27 van de Wvb worden vervangen. De verwijzing naar de informatievoorschriften neergelegd in artikel 11 van richtlijn 2003/41/EG wordt vervangen door een verwijzing naar de informatievoorschriften neergelegd in titel IV van richtlijn 2016/2341/EU. In artikel 196, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 27 van de Wvb is op dit moment ook een verwijzing opgenomen naar artikel 18, zevende lid, van richtlijn 2003/41/EG. Hieruit volgt dat een pensioenfonds bij grensoverschrijdende activiteiten voorschriften die de andere lidstaat op het gebied van beleggingen heeft vastgesteld in acht moet nemen. Een dergelijke verplichting is niet in de herziene richtlijn opgenomen en deze verwijzing kan derhalve vervallen.

Artikel I, onderdeel FF, en artikel II, onderdeel EE (artikel 197 van de Pensioenwet en artikel 191 van de Wvb)

Met dit onderdeel wordt allereerst voorgesteld de zinsnede «, of het fonds niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 125, onderdeel a» te laten vervallen. Deze zinsnede bevat een onjuiste verwijzing en is bovendien overbodig. Indien een pensioenfonds niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 125, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet volgt reeds voldoende uit dat artikel dat een pensioenfonds geen bijdragen mag ontvangen van een bijdragende onderneming met een zetel in een andere lidstaat. De toezichthouder hoeft hiervoor geen apart besluit te nemen. In lijn hiermee vervalt ook de zinsnede «, of het fonds niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 25, onderdeel a» in artikel 191, eerste lid, van de Wvb. Aangezien ook hier uit artikel 25, eerste lid, onderdeel a, van de Wvb reeds voldoende blijkt dat een vergunning vereist is voor het mogen ontvangen van bijdragen van een in een andere lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot.

Voorgesteld wordt om vast te leggen dat de toezichthouder een besluit om de uitvoering van grensoverschrijdende activiteiten te verbieden om redenen als bedoeld in artikel 195, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 189, eerste lid, van de Wvb dient uit te vaardigen binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving van het pensioenfonds dat het voornemens is grensoverschrijdende activiteiten te gaan ontplooien. Het gaat hier om de situatie waarin de toezichthouder reden heeft te betwijfelen dat de administratieve structuur of de financiële positie van het pensioenfonds, of de deskundigheid en betrouwbaarheid van de personen die het pensioenfonds bestuderen verenigbaar zijn met voorgenomen grensoverschrijdende activiteiten. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 11, vierde lid, tweede alinea, van de richtlijn.

Artikel I, onderdeel GG, en artikel II, onderdeel FF (artikel 199a van de Pensioenwet en artikel 193a van de Wvb)

Een voorwaarde voor de uitvoering van een uit een andere lidstaat afkomstige pensioenregeling is dat de sociale en arbeidswetgeving uit die lidstaat in acht wordt genomen. De verplichting hiertoe vloeit onder andere voort uit artikel 11, zesde tot en met achtste lid, van de richtlijn.

Op dit moment is de verplichting voor een pensioeninstelling uit een andere lidstaat om bij de uitvoering van een Nederlandse pensioenregeling de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving in acht te nemen impliciet in de Pensioenwet en Wvb opgenomen. Zo is in artikel 200, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 194, eerste lid, van de Wvb vastgelegd dat de toezichthouder de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft informeert over de toepasselijke Nederlandse sociale en arbeidswetgeving die van toepassing is op de Nederlandse pensioenregeling. De toezichthouder is op grond van de artikelen 201 en 202 van de Pensioenwet en de artikelen 195 en 196 van de Wvb voorts bevoegd om in te grijpen indien de pensioeninstelling uit de andere lidstaat in strijd handelt met de toepasselijke Nederlandse sociale en arbeidswetgeving.

Met de introductie van een nieuw artikel in de Pensioenwet en Wvb wordt beoogd expliciet vast te leggen dat een pensioeninstelling uit een andere lidstaat bij de uitvoering van een pensioenregeling waarop de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving van toepassing is, deze wetgeving in acht dient te nemen. In artikel 2, elfde lid, van de Pensioenwet en artikel 2, zesde lid, van de Wvb is vastgelegd wat moet worden verstaan onder de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat hetgeen in de richtlijn wordt aangeduid met «de in titel IV bedoelde voorschriften (.) inzake informatievoorschriften» integraal valt onder hetgeen in de Pensioenwet en Wvb wordt aangeduid met Nederlandse sociale en arbeidswetgeving.

Artikel I, onderdeel HH, en artikel II, onderdeel GG (artikel 200 van de Pensioenwet en artikel 194 van de Wvb)

Deze wijziging vloeit voort uit artikel 11, zevende lid, van de richtlijn. Op grond hiervan heeft de toezichthouder voortaan een termijn van zes weken in plaats van twee maanden om de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft te informeren over de toepasselijke Nederlandse sociale en arbeidswetgeving.

Artikel I, onderdeel II, en artikel II, onderdeel HH (artikel 204 van de Pensioenwet en artikel 198 van de Wvb)

Met dit onderdeel wordt artikel 51, tweede lid, onderdeel c, van de richtlijn geïmplementeerd. Hiermee wordt de toezichthouder verplicht om geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de toepassing van het prudentieel kader openbaar te maken.

Artikel I, onderdeel JJ, en artikel II, onderdeel II (artikel 205a van de Pensioenwet en artikel 199a van de Wvb)

De voorgestelde artikelen strekken ter implementatie van artikel 56, eerste lid, onderdeel c, van de richtlijn. De artikelen maken het mogelijk dat de toezichthouders vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van hun taak op grond van de Pensioenwet of de Wvb verstrekken aan het Europees Comité voor Systeemrisico’s en de Europese toezichthoudende autoriteiten, te weten EIOPA, de Europese Bankautoriteit en de Europese Autoriteit voor effecten en Markten. Voorwaarde voor de informatieverstrekking is dat het gaat om informatie die dienstig is voor de uitoefening van de taken van het Europees Comité voor Systeemrisico’s of de Europese toezichthoudende autoriteiten.

Artikel 205, eerste tot en met derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 199, eerste tot en met derde lid, van de Wvb is van overeenkomstige toepassing op de informatieverstrekking. Er gelden bij het verstrekken van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen aan het Europees Comité voor Systeemrisico’s en de Europese toezichthoudende autoriteiten aldus dezelfde waarborgen als bij informatieverstrekking aan de andere toezichthouder of een toezichthoudende instantie. Dat het Europees Comité voor Systeemrisico’s en de Europese toezichthoudende autoriteiten de informatie vertrouwelijk behandelen is, tezamen met andere waarborgen, reeds verankerd in verschillende verordeningen32.

Ook in de Wft is voorzien in de mogelijkheid van informatieverstrekking aan voornoemde partijen (zie artikel 1:69, tweede lid, van de Wft en artikel 1:90, zevende lid, van de Wft).

Artikel I, onderdeel KK, en artikel II, onderdeel JJ (artikel 205b van de Pensioenwet en artikel 199b van de Wvb)

De voorgestelde wijziging van artikel 205b (nieuw), eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 199b (nieuw), eerste lid, van de Wvb vloeit voort uit artikel 9, derde lid, van de richtlijn. Hiermee wordt voorgeschreven dat de toezichthouder alle gegevens uit het register, bedoeld in artikel 210 van de Pensioenwet en artikel 204 van de Wvb, aan EIOPA meedeelt.

De voorgestelde wijziging van artikel 205b, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 199b, tweede lid, van de Wvb strekt ter implementatie van artikel 48, vijfde lid, van de richtlijn. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de toezichthouder ook een melding aan EIOPA moet doen van een besluit om de activiteiten van een pensioenfonds te beperken.

Artikel I, onderdeel LL, en artikel II, onderdeel KK (artikel 205c van de Pensioenwet en artikel 199c van de Wvb)

Met dit onderdeel wordt artikel 54 van de richtlijn geïmplementeerd. Met de voorgestelde artikelen wordt gerealiseerd dat de geheimhoudingsplicht van de toezichthouder niet in de weg staat aan het enquêterecht dat het Europees parlement heeft op grond van artikel 226 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Hiermee wordt aangesloten bij artikel 1:90, negende lid, van de Wft.

Artikel I, onderdeel MM, en artikel II, onderdeel LL (artikel 208 van de Pensioenwet en artikel 202 van de Wvb)

Deze wijziging strekt ter implementatie van artikel 56, eerste lid, onderdelen a en b, van de richtlijn. Met het voorgestelde artikellid wordt aangesloten bij artikel 1:93, eerste lid, onderdeel a, van de Wft. De verwachting is dat in het kader van de Pensioenwet en de Wvb weinig betekenis toekomt aan deze bepaling.

Artikel I, onderdeel NN, en artikel II, onderdeel MM (artikelen 208a en 208b van de Pensioenwet en artikelen 202a en 202b van de Wvb)

Deze onderdelen strekken ter implementatie van artikel 57, tweede lid, van de richtlijn. Op grond van de voorgestelde artikelen wordt het mogelijk dat de toezichthouder vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van zijn taak op grond van de Pensioenwet of Wvb onder omstandigheden verstrekt aan de Algemene Rekenkamer en een parlementaire enquêtecommissie. De redactie van de voorgestelde artikelen sluit aan bij de artikelen 1:93d en 1:93e van de Wft33.

De Algemene Rekenkamer en een parlementaire enquêtecommissie kunnen de toezichthouder verzoeken om vertrouwelijke gegevens of inlichtingen. Alvorens de toezichthouder wordt verzocht om vertrouwelijke informatie, moet de Algemene Rekenkamer respectievelijk een parlementaire enquêtecommissie zich er van vergewissen dat de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van haar taak. De noodzaak van het verkrijgen van deze informatie staat niet op voorhand vast. Van geval tot geval zal de Algemene Rekenkamer dan wel een parlementaire enquêtecommissie moeten beoordelen of sprake is van noodzakelijkheid.

Bij de Algemene Rekenkamer moet het gaan om vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die noodzakelijk zijn voor haar wettelijke taak op grond van artikel 7.24 van de Comptabiliteitswet 2016. In het kader van de Pensioenwet en Wvb gaat het dan specifiek om het doelmatigheidsonderzoek van de Algemene Rekenkamer naar het toezicht van de AFM en DNB op pensioenuitvoerders. Hierbij kan het noodzakelijk zijn dat de Algemene Rekenkamer inzicht verkrijgt in de maatregelen die de toezichthouders hebben genomen. Bij een parlementaire enquêtecommissie volgt de specifieke taak uit het besluit tot het houden van een parlementaire enquête. In dat besluit is op grond van artikel 2, derde lid, van de Wet op de parlementaire enquête 2008 een omschrijving opgenomen van het onderwerp waarop de parlementaire enquête betrekking heeft.

De Algemene Rekenkamer en een parlementaire enquêtecommissie moeten de ontvangen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen geheimhouden. Dit houdt in dat zij de verkregen informatie aan geen enkele persoon of autoriteit bekend mogen maken, ook niet aan de Staten-Generaal. Openbaarmaking is slechts toegestaan, indien de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen. Deze geheimhoudingsplicht volgt uit de richtlijn. De geheimhoudingsplicht is te beschouwen als een lex specialis ten opzichte van artikel 7.30, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2016.

Artikel 208, derde lid, van de Pensioenwet respectievelijk artikel 202, derde lid, van de Wvb is van overeenkomstige toepassing. Dit brengt met zich dat de AFM en DNB vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die zij hebben verkregen van een andere toezichthoudende instantie niet mogen verstrekken aan de Algemene Rekenkamer of een parlementaire enquêtecommissie. Uitzondering hierop is de situatie dat de toezichthoudende instantie uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.

Artikel I, onderdeel OO, en artikel II, onderdeel NN (artikel 211 van de Pensioenwet en artikel 205 van de Wvb)

Het betreft een technische wijziging. De verwijzing naar richtlijn 2003/41/EG wordt vervangen door een verwijzing naar richtlijn 2016/2341/EU.

Artikel I, onderdeel PP, en artikel II, onderdeel OO (artikel 220a van de Pensioenwet en artikel 214 van de Wvb)

Het betreft een technische wijziging. In verband met het vernummeren van artikel 106, derde lid, van de Pensioenwet naar artikel 106, vierde lid, van de Pensioenwet (artikel I, onderdeel N, van dit wetsvoorstel) en het vernummeren van artikel 110c, derde lid, van de Wvb naar artikel 110c, vierde lid, van de Wvb (artikel II, onderdeel O), moeten ook de verwijzingen naar deze artikelleden in artikel 220a, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 214, zesde lid, van de Wvb worden aangepast.

Artikel III

Onderdeel A (artikel 1:1 van de Wft)

De eerste wijzigingsopdracht implementeert artikel 63 van de richtlijn. In dit artikel wordt artikel 13, punt 7, van richtlijn solvabiliteit II aangepast. Professionele herverzekeraars mogen ingevolge artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van die richtlijn uitsluitend herverzekeringswerkzaamheden uitoefenen. Gezien de huidige definitie van herverzekering mag een herverzekeraar geen verzekeringsovereenkomst sluiten met instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (hierna: IBPV’s), want dat is nu nog het aangaan van een directe verzekeringsovereenkomst. Ingevolge de aangepaste definitie van herverzekering mogen herverzekeraars voortaan ook overeenkomsten met IBPV’s sluiten. Het betreft Nederlandse pensioenfondsen en ppi’s en IBPV’s buiten Nederland. Deze wijziging zal in de praktijk op een punt na waarschijnlijk niet veel betekenis hebben. IBPV’s moeten zich ervan bewust zijn dat indien zij een verzekeringsovereenkomst aangaan met een herverzekeraar, de voordelen van de rangregeling – namelijk het voorrecht van een directe verzekering in faillissement – hen komen te ontvallen. Dit is omdat deze overeenkomst zal worden beschouwd als een herverzekeringsovereenkomst. In geval van een faillissement van een herverzekeraar zijn zij dientengevolge concurrente schuldeisers.

De tweede wijziging bevat aanpassingen van de definitie van pensioenbewaarder. Deze wijzigingen zorgen ervoor dat een pensioenbewaarder ook het vermogen van een pensioenfonds kan bewaren en niet enkel van een ppi. Om diezelfde reden wordt opgenomen dat deze bewaring voortvloeit uit een «pensioenregeling», waaronder ook de uitvoering van een premieregeling valt.

Met de derde wijziging van dit artikel wordt voorzien in de mogelijkheid tot verkorte aanhaling van de richtlijn in de wet.

Onderdeel B (artikel 1:59.0a van de Wft)

Artikel 33, vierde lid, van de richtlijn wordt geïmplementeerd in dit nieuwe artikel. Dit regelt een spiegelbeeldige situatie als die nu al is opgenomen in artikel 3:267c, derde lid, van de Wft. Daar is de mogelijkheid opgenomen voor DNB om als toezichthouder een verzoek te doen aan de toezichthoudende instanties van andere lidstaten waar een ppi een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht om de vrije beschikking over activa te beperken of verbieden. DNB kan een dergelijk verzoek doen wanneer niet is voldaan aan de eisen die worden gesteld aan het minimum vermogen, de solvabiliteit of de prudent-person regel en de uitwerking daarvan. In artikel 1.59.0a van de Wft wordt de situatie geregeld waarbij de toezichthoudende instantie van een IBPV uit een andere lidstaat een dergelijk verzoek doet aan DNB als toezichthouder op een pensioenbewaarder met zetel in Nederland die activa bewaart voor die buitenlandse instelling.

Onderdeel C (artikel 1:76aa van de Wft)

Op grond van artikel 48, zevende lid, van de richtlijn, dient de toezichthouder de mogelijkheid te hebben een «bijzondere bewindvoerder» aan te stellen die het bestuur van een ppi geheel of gedeeltelijk vervangt. Eenzelfde bevoegdheid is in artikel 1:76a van de Wft opgenomen met de implementatie van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken ten aanzien entiteiten als bedoeld in artikel 3A:2 van de Wft (banken en bepaalde beleggingsondernemingen). Net als in dat artikel wordt ter invulling van het subsidiariteitsbeginsel als voorwaarde gesteld dat het geven van een aanwijzing (op grond van artikel 1:75 Wft) of het aanstellen van een stille curator (op grond van artikel 1:76 Wft) niet volstaat. Het andere criterium voor het aanstellen van een bijzondere bewindvoerder volgt uit de richtlijn en houdt in dat de aanstelling noodzakelijk is ter bescherming van de belangen van deelnemers of pensioengerechtigden van een pensioenregeling. Daarbij kan worden gedacht aan ernstige overtredingen of wanbestuur waarbij het aanstellen van een stille curator (die naast het bestuur wordt aangesteld) niet voldoende effectief is.

Net als bij de bijzondere bewindvoerder voor banken (artikel 1:76a van de Wft) wordt in het benoemingsbesluit geregeld welke rol, taken en bevoegdheden aan de bijzondere bewindvoerder worden toegekend. In dit besluit kan ook worden bepaald dat de bijzondere bewindvoerder bepaalde handelingen pas kan verrichten of besluiten kan nemen, nadat goedkeuring is verkregen van de toezichthouder. Het besluit tot benoeming van een bijzondere bewindvoerder bij een ppi wordt openbaar gemaakt. Dit sluit ook aan bij artikel 1:76a van de Wft. Met de overeenkomstige toepassing van onderdelen van artikel 1:76 van de Wft in het vierde lid wordt voor (i) de benoemingstermijn van in beginsel een jaar, (ii) de mogelijkheid te verzoeken om een schriftelijk verslag van de werkzaamheden en de financiële positie van de onderneming en (iii) de rechtsbescherming aangesloten bij hetgeen is geregeld voor de stille curator en de bijzondere bewindvoerder bij banken of beleggingsondernemingen.

Onderdeel D (artikel 1:118 van de Wft)

Met de toevoeging van een nieuwe zin aan artikel 1:118, eerste lid, van de Wft wordt artikel 23, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn deels geïmplementeerd. Dit onderdeel beschrijft de elementen waarmee het beloningsbeleid van een ppi in overeenstemming moet zijn. Alle elementen zijn reeds opgenomen in artikel 1:118, eerste lid, van de Wft behalve de financiële stabiliteit en de prestaties van de onderneming. In plaats van «prestaties» en «financiële stabiliteit» is gekozen voor de begrippen «resultaten» en «financiële soliditeit», daarmee aansluitend bij de terminologie die al wordt gebruikt in de wet (zie artikel 4:37z en artikel 3:17 van de Wft). Met de opname van deze elementen in artikel 1:118 van Wft worden deze elementen ook relevant voor andere financiële ondernemingen, maar dit zal naar verwachting niet voor wezenlijke verandering zorgen. Deze twee elementen kunnen namelijk worden beschouwd als een invulling of concretisering van de reeds opgenomen elementen «langetermijnbelangen» en «doelstellingen».

Onderdeel E (artikel 1:119 van de Wft)

Deze wijziging strekt tot implementatie van artikel 23, derde lid, onderdeel b, van de richtlijn. Dit onderdeel van de richtlijn schrijft voor dat het beloningsbeleid in overeenstemming moet zijn met de langetermijnbelangen van de deelnemers aan en pensioengerechtigden van een pensioenregeling. Bij de langetermijnbelangen kan allereerst worden gedacht aan het belang van het voortbestaan van de onderneming. Hiervoor is in artikel 1:118 van de Wft reeds geregeld dat het beloningsbeleid erop is gericht onaanvaardbare risico’s te voorkomen en beheersen. Daarnaast is het in het langetermijnbelang van deelnemers dat het beloningsbeleid strookt met de resultaten en soliditeit van de onderneming. Dit wordt geregeld met de wijziging van artikel 1:118 van de Wft. Voorts kan worden gedacht aan het belang van een zorgvuldige behandeling van de deelnemer en pensioengerechtigde. De wijziging van het onderhavige artikel ziet op dit aspect. Daarmee wordt geregeld dat de ppi een beloningsbeleid voert dat erop is gericht onzorgvuldige behandeling van de deelnemers of pensioengerechtigden te voorkomen. De ppi moet in zijn beloningsbeleid omschrijven welke beloningscomponenten of -structuren een risico vormen op een onzorgvuldige behandeling en ook de procedures en maatregelen ter voorkoming en beheersing van dat risico. Met deze elementen wordt invulling gegeven aan het voorschrift in de richtlijn.

Onderdelen F en G (artikelen 2:121a en 2:121b van de Wft)

In artikel 11 van de richtlijn zijn voorschriften opgenomen voor grensoverschrijdende activiteiten van IBPV’s. In de artikel 2:121a en 2:121b van de Wft zijn de voorwaarden opgenomen waaronder een ppi een buitenlandse pensioenregeling mag uitvoeren.

De wijziging in het derde lid van artikel 2:121a van de Wft en het tweede lid van artikel 2:121b Wft strekken ter verduidelijking. In het derde lid van artikel 2:121a van de Wft wordt geëxpliciteerd dat DNB binnen drie maanden een beslissing neemt op de aanvraag van instemming voor het mogen uitvoeren van grensoverschrijdende activiteiten. In artikel 2:121b van de Wft wordt verhelderd dat DNB alleen mededeling doet aan de toezichthoudende autoriteit van de betreffende lidstaat als DNB instemt met het uitvoeren van de grensoverschrijdende activiteiten. Als DNB daarmee niet instemt, is dit namelijk niet nodig.

De wijziging van het vierde lid van artikel 2:121b van de Wft betreft de wijziging van de termijn waarbinnen een ppi grensoverschrijdende werkzaamheden kan aanvangen. Deze termijn wijzigt van twee maanden naar zes weken nadat de ppi het besluit van DNB heeft ontvangen dat zij instemt met het uitvoeren van deze werkzaamheden of, als dat eerder is, de mededeling heeft ontvangen over de sociale en arbeidswetgeving die van toepassing is op de pensioenregeling. Deze wijziging volgt uit het achtste lid van artikel 11 van de richtlijn.

Onderdeel H (artikel 3:17 van de Wft)

Artikelen 33 tot en met 35 van de richtlijn stellen regels over de bewaring door een pensioenbewaarder die (deels) ook gelden indien een pensioenbewaarder vrijwillig wordt aangesteld door een pensioenfonds (zie paragraaf 2.6 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting). Deze aanpassing zorgt ervoor dat in het geval van vrijwillige aanstelling van een pensioenbewaarder door een pensioenfonds, de vereisten aan de inrichting van de bedrijfsvoering die voortvloeien uit artikel 3:17 van de Wft ook van toepassing zijn.

Onderdeel I (artikel 3:70a van de Wft)

Met het wetsvoorstel aanvullende maatregelen accountantsorganisaties34 wordt artikel 3:70a geïntroduceerd in de Wft. Dit artikel bepaalt voor ppi’s welke voorschriften uit het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zijn op het opstellen van de jaarrekening en het bestuursverslag. Met het voorgestelde nieuwe tweede lid wordt een onderdeel van artikel 29 van de richtlijn in de wet vastgelegd. Daaruit vloeit voort dat elke door de IBPV uitgevoerde pensioenregeling in de jaarrekening en het jaarverslag wordt opgenomen. Voor ppi’s geldt dat de pensioendeelnemer een bepaald beleggingsprofiel kiest op basis waarvan, samen met de pensioenrichtleeftijd van de deelnemer, wordt belegd door de ppi. Deze beleggingsprofielen komen overeen met de verschillende fondsen bij een ppi (ook wel lifecycles genoemd). Voor een ppi wordt daarom invulling gegeven aan het vereiste uit de richtlijn door te verlangen dat zij over wezenlijke kenmerken van de belangrijkste beleggingsprofielen verantwoording aflegt. Bij wezenlijke kenmerken wordt gedacht aan verantwoording over de omvang, het rendement en de beleggingsmix. Ook eventuele wijzigingen daarvan worden daaronder verstaan. Het is de bedoeling dat de ppi de belangrijkste profielen opneemt in de toelichting op de jaarrekening en het bestuursverslag. Ppi’s hebben vaak een klein aantal (twee tot vier) beleggingsprofielen (of fondsen of lifecycles) waaruit kan worden gekozen, afhankelijk van de voorkeur van de deelnemer. Daarbinnen wordt dan afhankelijk van de leeftijd van de deelnemer, defensief, neutraal of offensief belegd. Deze worden in ieder geval begrepen onder «belangrijkste beleggingsprofielen». Overigens geldt op grond van artikel 46a, eerste lid, van de Pensioenwet al dat ppi’s hun jaarrekening en bestuursverslag op hun website beschikbaar stellen voor deelnemers en pensioengerechtigden.

Onderdeel J (artikel 3:72 van de Wft)

Met deze wijziging wordt een omissie hersteld. De verplichting om periodiek staten aan DNB te verstrekken in het eerste lid is per abuis komen te vervallen voor de ppi. Dit strekt mede ter implementatie van artikel 49, eerste lid, van de richtlijn, op grond waarvan moet zijn voorzien in rapportageprocedures.

Onderdeel K (artikel 3:267a van de Wft)

Artikel 3:267a van de Wft bevat de eisen die worden gesteld aan de verklaring inzake de beleggingsbeginselen van een ppi. In de opsomming van het eerste lid is opgenomen waaruit de verklaring minimaal dient te bestaan. Met deze wijzigingsopdracht wordt een nieuw element aan deze opsomming toegevoegd, ter implementatie van artikel 21, eerste lid, en artikel 30 van de richtlijn. In de verklaring wordt voortaan ook opgenomen een toelichting op de overwegingen aangaande het milieu, maatschappelijk verantwoord ondernemen en behoorlijk bestuur (ook wel environment, social and governance (ESG-)factoren genoemd). Er kan daarbij worden gedacht aan de wijze waarop bijvoorbeeld energieverbruik, klimaat, beschikbaarheid van grondstoffen, gezondheid, veiligheid en goed ondernemingsbestuur worden meegewogen bij het beleggingsbeleid. Voor de uitleg van deze verplichting is overweging 58 van de richtlijn relevant. Daaruit volgt dat ook aan dit vereiste kan worden voldaan door te verklaren dat geen rekening is gehouden met deze factoren of door op te nemen dat de kosten van het monitoren van deze factoren buitenproportioneel is gezien de omvang, aard of complexiteit van de werkzaamheden.

Het vierde lid van dit artikel verplicht de ppi om de verklaring op verzoek van de deelnemer of pensioengerechtigde beschikbaar te stellen. Dit lid kan vervallen omdat met dit wetsvoorstel wordt voorgeschreven dat de pensioenuitvoerder de verklaring inzake beleggingsbeginselen voortaan op de openbare website plaatst (artikel I, onderdeel I en artikel II, onderdeel, J). Ook is daarbij voorzien in de verplichting om op verzoek dit stuk elektronisch of schriftelijk beschikbaar te stellen.

Onderdeel L (artikel 4:71b van de Wft)

Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat de bepalingen ten aanzien van de pensioenbewaarder in de Wft ook gelden indien een pensioenfonds vrijwillig een pensioenbewaarder aanstelt (zie ook paragraaf 2.6 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting). Het doel van artikel 4:71b, tweede lid, is om te regelen dat met het aanstellen van een pensioenbewaarder een vermogensscheiding wordt bewerkstelligd. Het oogmerk van die vermogensscheiding is te zorgen dat crediteuren ten aanzien van pensioenvermogen X of derden crediteuren geen rechten kunnen doen gelden ten opzichte van pensioenvermogen Y, waardoor dit pensioenvermogen wordt beschermd voor de rechthebbenden. De onderhavige wijziging zorgt ervoor dat «pensioenregeling» ook zo kan worden uitgelegd dat, in het geval van bewaring door een pensioenbewaarder voor een pensioenfonds, het gaat om het pensioenvermogen dat door het pensioenfonds wordt gehouden dan wel de collectiviteitkring.

Artikel IV

Dit artikel bevat de inwerkingtredingsbepaling. Het onderhavige wetsvoorstel is op grond van artikel 5, onderdeel e, van de Wet raadgevend referendum niet referendabel, nu het gaat om een voorstel dat uitsluitend strekt tot uitvoering van een richtlijn van de Europese Unie.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

Bijlage: Transponeringstabellen implementatie Richtlijn 2016/2341/EU van het Europees parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (PbEU 2016, L 354)

In deze bijlage zijn de transponeringstabellen opgenomen. De eerste tabel geeft aan welke gevolgen richtlijn 2016/2341/EU heeft voor de Pensioenwet, de Wvb en de daarop gebaseerde regelgeving. De tweede tabel geeft aan welke gevolgen richtlijn 2016/2341/EU heeft voor de Wft en de daarop gebaseerde regelgeving.

Eventuele bijzonderheden zijn steeds in de derde kolom opgenomen. Indien een bepaling uit de richtlijn in lagere regelgeving wordt geïmplementeerd, is volledigheidshalve in de derde kolom aangegeven welk onderdeel van de bepaling implementatie behoeft.

Tabel 1: Implementatie richtlijn 2016/2341/EU in Pensioenwet, Wvb en daarop gebaseerde regelgeving

Art. richtlijn 2016/2341/EU:

Te implementeren in:

Bijzonderheden (waaronder nationale beleidskeuzen en, indien nieuwe regelgeving ter implementatie niet nodig is, de reden daarvan):

Titel I: Algemene bepalingen

Art. 1

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling over het onderwerp van de richtlijn.

Art. 2

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling over de reikwijdte van de richtlijn.

Art. 3

De bepaling behoeft geen implementatie; in Nederland komen dergelijke instellingen niet voor.

Art. 4

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 5

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 6, onderdeel 1

Art. 1 Pensioenwet Art. 1, eerste lid, Wvb (onder «pensioeninstelling uit een andere lidstaat»)

Art. 6, onderdeel 2

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1 Pensioenwet, onder «pensioenregeling» en art. 1, eerste lid, Wvb, onder «beroepspensioenregeling»).

Art. 6, onderdeel 3

Art. 1 Pensioenwet (onder «bijdragende onderneming»)

De bepaling behoeft geen implementatie in de Wvb, aangezien daar geen sprake is van een bijdragende onderneming. Elke beroepsgenoot is zelf verantwoordelijk voor betaling van de pensioenpremie.

Art. 6, onderdeel 4

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1 Pensioenwet en art. 1, eerste lid, Wvb, onder «pensioen», «arbeidsongeschiktheidspensioen», «nabestaandenpensioen», «ouderdomspensioen», «partnerpensioen» en «wezenpensioen»).

Art. 6, onderdeel 5

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1 Pensioenwet en art. 1, eerste lid, Wvb, onder «deelnemer» en «gewezen deelnemer»).

Art. 6, onderdeel 6

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1 Pensioenwet en art. 1, eerste lid, Wvb, onder «pensioengerechtigde»).

Art. 6, onderdeel 7

De bepaling behoeft geen implementatie; voor de toekomstige deelnemer wordt geen aparte definitie gehanteerd. Zie verder de transponeringstabel bij art. 41 van de richtlijn.

Art. 6, onderdeel 8

Art. 1 Pensioenwet Art. 1, eerste lid, Wvb (onder «bevoegde autoriteiten»)

Art. 6, onderdeel 9

De bepaling behoeft geen implementatie; in de Pensioenwet en Wvb wordt het begrip «biometrische risico’s» niet expliciet gehanteerd. Biometrische risico’s zijn risico’s in verband met overlijden, arbeidsongeschiktheid en levensverwachting. Pensioenfondsen die pensioenregelingen uitvoeren bieden per definitie dekking tegen biometrische (actuariële) risico’s (zie onder andere art. 1 Pensioenwet en art. 1, eerste lid, Wvb, onder «pensioen»).

Art. 6, onderdeel 10

De bepaling behoeft geen implementatie; zie ook Kamerstukken II 2004/05, 30 104, nr. 3, p. 30.

Art. 6, onderdeel 11

De bepaling behoeft geen implementatie; zie ook Kamerstukken II 2004/05, 30 104, nr. 3, p. 30.

Art. 6, onderdeel 12

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1 Pensioenwet en art. 1, eerste lid, Wvb, onder «overdragende pensioenuitvoerder» en «waardeoverdracht», art. 83–84 Pensioenwet, art. 90 Pensioenwet, art. 91–92 Wvb en art. 98 Wvb. Zie voorts de volgende artikelen die met dit wetsvoorstel worden geïntroduceerd: art. 90a Pensioenwet, art. 92a Pensioenwet, art. 98a Wvb en art. 100a Wvb).

Art. 6, onderdeel 13

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1 Pensioenwet en art. 1, eerste lid, Wvb, onder «ontvangende pensioenuitvoerder» en «waardeoverdracht», art. 83–84 Pensioenwet, art. 90 Pensioenwet, art. 91–92 Wvb en art. 98 Wvb. Zie voorts de volgende artikelen die met dit wetsvoorstel worden geïntroduceerd: art. 90a Pensioenwet, art. 92a Pensioenwet, art. 98a Wvb en art. 100a Wvb).

Art. 6, onderdeel 14

Art. 13 Besluit ftk pensioenfondsen

De term «gereglementeerde markt» komt alleen voor in art. 13, derde lid, Besluit ftk pensioenfondsen. De omschrijving wordt aan dat artikel toegevoegd. Definitie sluit aan bij art. 1:1 Wft, onder «gereglementeerde markt».

Art. 6, onderdelen 15 en 16

De bepalingen behoeven geen implementatie; in de Pensioenwet en Wvb worden deze definities niet gehanteerd. Termen komen alleen voor in art. 19, zesde lid, van de richtlijn en ook deze bepaling behoeft geen implementatie.

Art. 6, onderdeel 17

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1 Pensioenwet en art. 1, eerste lid, Wvb, onder «elektronisch»).

Art. 6, onderdeel 18

De bepaling behoeft geen implementatie; het begrip «sleutelfunctie» wordt niet als zelfstandige definitie gehanteerd in de Pensioenwet en Wvb. Zie verder de transponeringstabel bij art. 24 e.v. van de richtlijn.

Art. 6, onderdeel 19

De bepaling behoeft geen implementatie; de omschrijving komt terug in de inhoudelijke bepalingen over grensoverschrijdende activiteiten in de Pensioenwet en de Wvb.

Art. 7, eerste alinea

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 116, eerste lid, Pensioenwet en art. 114, eerste lid, Wvb).

Art. 7, tweede alinea

De bepaling behoeft geen implementatie; er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die art. 4 van de richtlijn biedt.

Art. 7, derde alinea

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 105, tweede lid, Pensioenwet en art. 110b, tweede lid, Wvb).

Art. 8

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 23 Pensioenwet en art. 8 Wvb). Zie ook Kamerstukken II 2004/05, 30 104, nr. 3, p. 7–8 en Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, p. 191.

Art. 9, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1 Pensioenwet, onder «zetel», art. 210 Pensioenwet, art. 1, eerste lid, Wvb, onder «zetel» en art. 204 Wvb).

Art. 9, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 210 Pensioenwet en art. 204 Wvb).

Art. 9, derde lid

Art. 205b, eerste lid, Pensioenwet

Art. 199b, eerste lid, Wvb

Art. 10, eerste lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 35 Pensioenwet en art. 21 Wvb).

Art. 10, eerste lid, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 24 Pensioenwet, art. 26 Pensioenwet en art. 36 Wvb). Opgemerkt zij dat van het fenomeen garantstelling voor de betaling van de pensioenuitkering door de onderneming, waarop art. 10, eerste lid, onderdeel b, van de richtlijn ziet, in de Nederlandse situatie geen sprake is binnen de werkingssfeer van de richtlijn. Dit vloeit voort uit de scheiding tussen onderneming en pensioenuitvoerder die de Pensioenwet voorschrijft. Dit laat onverlet dat er ook in Nederland sprake dient te zijn van regelmatige financiële bijdragen door de onderneming (dan wel de beroepsgenoot) (art. 24 Pensioenwet, art. 26 Pensioenwet en art. 36 Wvb). Zie ook Kamerstukken II 2004/05, 30 104, nr. 3, p. 8.

Art. 10, tweede lid

De bepaling behoeft geen implementatie; het aanbieden van dergelijke bijkomende voorzieningen valt binnen de verantwoordelijkheid van sociale partners. Hiervoor zijn geen belemmeringen vastgelegd.

Art. 11, eerste lid

Art. 192–193 Pensioenwet

Art. 187–189 Wvb

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 125 Pensioenwet, art. 192 e.v. Pensioenwet, art. 25 Wvb en art. 187 e.v. Wvb). Enkel herstellen onjuiste verwijzing in art. 192 Pensioenwet, art. 193 Pensioenwet, art. 187 Wvb, art. 188 Wvb en art. 199 Wvb.

Art. 11, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 125 Pensioenwet, art. 192 Pensioenwet, art. 25 Wvb en art. 187 Wvb).

Art. 11, derde lid

Art. 194, tweede lid, onderdelen a en b, Pensioenwet

Art. 26, tweede lid, onderdeel a, Wvb

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 194 Pensioenwet en art. 26 Wvb). Enkele summiere wijzigingen in formuleringen.

Art. 11, vierde lid, eerste alinea

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 195 Pensioenwet, art. 197, eerste en derde lid, Pensioenwet, art. 189 Wvb en art. 191, eerste en derde lid, Wvb).

Art. 11, vierde lid, tweede alinea

Art. 197, eerste lid, Pensioenwet

Art. 191, eerste lid, Wvb

Art. 11, vijfde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 195 Pensioenwet, art. 197 Pensioenwet, art. 189 Wvb en art. 191 Wvb). De informatie wordt niet verstrekt aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit de andere lidstaat haar zetel heeft, indien DNB de grensoverschrijdende activiteiten verbiedt. Dit verbod geschiedt in de vorm van een aanwijzing, hetgeen een besluit is in de zin van art. 1:3 van de Awb. Hiertegen staat een rechtsgang open. Voor wat betreft de eis dat het besluit binnen drie maanden na ontvangst van alle informatie wordt meegedeeld aan het pensioenfonds, is ook de wijziging die met de implementatie van art. 11, vierde lid, van de richtlijn wordt gerealiseerd relevant.

Art. 11, zesde lid

Art. 192, onderdeel b, Pensioenwet

Art. 196, tweede lid, Pensioenwet

Art. 199a Pensioenwet

Art. 187, onderdeel b, Wvb

Art. 27 Wvb

Art. 193a Wvb

Art. 11, zevende lid

Art. 200, eerste lid, Pensioenwet

Art. 194, eerste lid, Wvb

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 195, derde lid, Pensioenwet, art. 200, eerste lid, Pensioenwet, art. 189, derde lid, Wvb en art. 194, eerste lid, Wvb). Implementatie vereist i.v.m. wijzigen termijn twee maanden naar zes weken.

Art. 11, achtste lid

Art. 196, eerste lid, Pensioenwet

Art. 190 Wvb

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 196 Pensioenwet, art. 27 Wvb en art. 190 Wvb). Implementatie vereist i.v.m. wijzigen termijn twee maanden naar zes weken.

Art. 11, negende lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 195, derde lid, Pensioenwet, art. 200, tweede lid, Pensioenwet, art. 189, derde lid, Wvb en art. 194, tweede lid, Wvb).

Art. 11, tiende en elfde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (zie o.a. art. 197, tweede lid, Pensioenwet, art. 198 Pensioenwet, art. 201 Pensioenwet, art. 202 Pensioenwet, art. 191, tweede lid, Wvb, art. 192 Wvb, art. 195 Wvb en art. 196 Wvb).

Art. 12, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaande recht (art. 83–84 Pensioenwet, art. 90 Pensioenwet, art. 91–92 Wvb en art. 98 Wvb).

Art. 12, tweede lid

Art. 90a, zevende lid, Pensioenwet

Art. 92a, negende lid, Pensioenwet

Art. 98a, zevende lid, Wvb

Art. 100a, negende lid, Wvb

Art. 12, derde lid

Art. 90a, tweede lid, Pensioenwet

Art. 115a, zevende lid Pensioenwet

Art. 115c, tiende lid, Pensioenwet

Art. 98a, tweede lid, Wvb

Art. 110e, achtste lid, Wvb

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 100 Pensioenwet, art. 101a Pensioenwet en art. 27, zevende lid, Wet op de ondernemingsraden). Beleidsruimte bij implementatie van art. 12, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn. Beoogde invulling voor pensioenfondsen is goedkeuring door het verantwoordingsorgaan (zonder de eventuele vertegenwoordiging door de werkgever) of het belanghebbendenorgaan. Beoogde invulling voor ppi’s is goedkeuring door de ondernemingsraad van de werkgever of, wanneer dit niet mogelijk is, door middel van het voorleggen aan alle deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden waarbij een meerderheid van de reacties de doorslag zal geven. Zie ook paragraaf 2.3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Art. 12, vierde lid

Art. 90a, eerste en derde lid, Pensioenwet

Art. 92a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, Pensioenwet

Art. 98a, eerste en derde lid, Wvb

Art. 100a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, Wvb

Art. 12, vijfde lid

Art. 92a, derde lid, Pensioenwet

Art. 100a, derde lid, Wvb

Art. 12, zesde lid

Art. 92a, vierde lid, Pensioenwet

Art. 100a, vierde lid, Wvb

Art. 12, zevende lid

Art. 92a, vijfde lid, onderdeel b, Pensioenwet

Art. 100a, vijfde lid, onderdeel b, Wvb

Art. 12, achtste lid

Art. 90a, vierde lid, Pensioenwet

Art. 98a, vierde lid, Wvb

Art. 12, negende lid

Art. 90a, vijfde lid, Pensioenwet

Art. 98a, vijfde lid, Wvb

Art. 12, tiende lid

Art. 92a, zesde lid, Pensioenwet

Art. 100a, zesde lid, Wvb

Het besluit tot het verlenen of weigeren van een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht is een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Uit de Awb volgt dat een besluit met redenen omkleed moet zijn en dat hiertegen bezwaar en beroep openstaat. Ook tegen het uitblijven van een besluit staat op grond van de Awb bezwaar en beroep open.

Art. 12, elfde lid

Art. 90a, zesde lid, Pensioenwet

Art. 92a, zevende en achtste lid, Pensioenwet

Art. 98a, zesde lid, Wvb

Art. 100a, zevende en achtste lid, Wvb

Art. 12, twaalfde lid

Art. 90a, eerste lid, Pensioenwet

Art. 98a, eerste lid, Wvb

Nog expliciet vastleggen dat goedkeuring van de toezichthouder/bevoegde autoriteiten vereist is, alvorens mag worden overgegaan tot het aannemen of overdragen van waarde in het kader van een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht. Bij een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht die resulteert in een grensoverschrijdende activiteit, dient tevens te zijn voldaan aan de eisen die worden gesteld aan de uitvoering van een grensoverschrijdende activiteit alvorens kan worden gestart met de uitvoering van de pensioenregeling (art. 196, eerste lid, Pensioenwet en art. 190 Wvb).

Art. 12, dertiende lid

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling over bevoegdheden EIOPA conform art. 31, tweede alinea, onderdeel c, van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

Art. 12, veertiende lid

Art. 90a, zesde lid, Pensioenwet

Art. 98a, zesde lid, Wvb

Titel II: Kwantitatieve vereisten

Art. 13, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 126, eerste lid, Pensioenwet en art. 121, eerste lid, Wvb).

Art. 13, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 126, eerste lid, Pensioenwet en art. 121, eerste lid, Wvb).

Art. 13, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 126, derde lid, Pensioenwet, art. 121, derde lid, Wvb en art. 3, eerste lid, Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 13, vierde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 126, tweede en derde lid, Pensioenwet, art. 147, derde lid, onderdeel h, Pensioenwet, art. 147, vierde lid, Pensioenwet, art. 121, tweede en derde lid, Wvb, art. 142, derde lid, onderdeel h, Wvb, art. 142, vierde lid, Wvb en art. 2 Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 13, vijfde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 126, derde lid, Pensioenwet en art. 121, derde lid, Wvb).

Art. 14, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 127 Pensioenwet, art. 133 Pensioenwet, art. 122 Wvb en art. 128 Wvb).

Art. 14, tweede lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 46a, tweede lid, onderdeel c, Pensioenwet, art. 115c, negende lid, onderdeel h, Pensioenwet, art. 115f Pensioenwet, art. 138, tweede en vijfde lid, Pensioenwet, art. 140 Pensioenwet, art. 57a, tweede lid, onderdeel c, Wvb, art. 110f Wvb, art. 133, tweede en vijfde lid, Wvb en art. 135 Wvb).

Art. 14, tweede lid, onderdeel b

De bepaling behoeft geen implementatie; zie ook Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, p. 262.

Art. 14, tweede lid, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 150 Pensioenwet en art. 145 Wvb).

Art. 14, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 138, vierde lid, Pensioenwet, art. 140, tweede lid, Pensioenwet, art. 141, tweede lid, Pensioenwet, art. 133, vierde lid, Wvb, art. 135, tweede lid, Wvb en art. 136, tweede lid, Wvb).

Art. 15, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 132, eerste lid, Pensioenwet, art. 127, eerste lid, Wvb en art. 12 Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 15, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 131, eerste lid, Pensioenwet, art. 126, eerste lid, Wvb en art. 5 t/m 11 Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 15, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 132 Pensioenwet en art. 127 Wvb).

Art. 16 tot en met 18

De bepalingen zijn reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 131 Pensioenwet, art. 126 Wvb en art. 5 t/m 11 Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 19, eerste lid, aanhef

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 135, eerste lid, aanhef, Pensioenwet en art. 130, eerste lid, aanhef, Wvb).

Art. 19, eerste lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 135, eerste lid, onderdeel a, Pensioenwet, art. 130, eerste lid, onderdeel a, Wvb en art. 13, tweede lid, Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 19, eerste lid, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 135, vierde lid, Pensioenwet en art. 130, vierde lid, Wvb).

Art. 19, eerste lid, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 13, eerste lid, Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 19, eerste lid, onderdeel d

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 13, derde lid, Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 19, eerste lid, onderdeel e

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 135 Pensioenwet, art. 130 Wvb en art. 13 Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 19, eerste lid, onderdeel f

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 13, vijfde lid, Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 19, eerste lid, onderdeel g

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 135, eerste lid, onderdeel b, Pensioenwet).

Art. 19, eerste lid, slot

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; het betreft een facultatieve bepaling waarvan gebruik is gemaakt (art. 135, derde lid, Pensioenwet en art. 130, derde lid, Wvb).

Art. 19, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 143 Pensioenwet, art. 151 Pensioenwet, art. 138 Wvb, art. 146 Wvb, art. 36 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb en art. 21b Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 19, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 136 Pensioenwet, art. 131 Wvb en art. 14 Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 19, vierde en vijfde lid

De bepalingen behoeven naar hun aard geen implementatie.

Art. 19, zesde en zevende lid

De bepalingen behoeven geen implementatie; het betreffen facultatieve bepalingen waar geen gebruik van wordt gemaakt. Zie ook Kamerstukken II 2004/05, 30 104, nr. 3, p. 26–27.

Art. 19, achtste lid

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie.

Titel III: Voorwaarden voor de bedrijfsvoering

Hoofdstuk 1: Governancesysteem

Afdeling 1: Algemene bepalingen

Art. 20, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 2:291 en 2:292 BW).

Art. 20, tweede lid

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie.

Art. 21, eerste en tweede lid

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 99 e.v. Pensioenwet, art. 135, vierde lid, Pensioenwet, art. 143 Pensioenwet, art. 106 e.v. Wvb, art. 130, vierde lid, Wvb, art. 138 Wvb en art. 18 t/m 22 Besluit ftk pensioenfondsen). Daarnaast wordt aan dit artikellid voldaan door de implementatie van art. 25 van de richtlijn in het Besluit ftk pensioenfondsen. Zie voor wat betreft de eis omtrent het rekening houden met ESG-factoren overweging 58 van de richtlijn.

Art. 21, derde lid

Paragraaf 8 Besluit ftk pensioenfondsen

Art. 14 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb

(o.a. op basis van art. 34, tweede lid, Pensioenwet, art. 143, tweede lid, Pensioenwet, art. 43, tweede lid, Wvb en art. 138, tweede lid, Wvb)

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 34, tweede lid, Pensioenwet, art. 143 Pensioenwet, art. 145 Pensioenwet, art. 43, tweede lid, Wvb, art. 138 Wvb, art. 140 Wvb, art. 14 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb, art. 18 t/m 22 en 24 Besluit ftk pensioenfondsen). Vastleggen schriftelijkheidseis en aanpassing bij belangrijke wijzigingen. Goedkeuring van het beleid vindt in de praktijk plaats door het bestuur van het pensioenfonds. Dit hoeft niet in regelgeving te worden verankerd, omdat dit reeds volgt uit de eindverantwoordelijkheid die het bestuur heeft voor het bepalen en uitvoeren van het beleid van het pensioenfonds.

Art. 21, vierde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 143 Pensioenwet, art. 145 Pensioenwet, art. 138 Wvb, art. 140 Wvb en art. 18 t/m 22 Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 21, vijfde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 143 Pensioenwet, art. 145 Pensioenwet, art. 138 Wvb, art. 140 Wvb, art. 18 t/m 22 en 29b Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 21, zesde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 105, eerste lid, Pensioenwet en art. 110b, eerste lid, Wvb). Uitgangspunt is dat het beleid van een pensioenfonds altijd door ten minste twee personen wordt bepaald. Er wordt geen gebruik gemaakt van de beleidsruimte om het beleid van een pensioenfonds onder bepaalde voorwaarden slechts door één persoon te laten bepalen.

Art. 22, eerste lid

Art. 106 Pensioenwet

Art. 110c Wvb

Art. 30 en 31 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 106, negende lid, Pensioenwet en art. 110c, negende lid, Wvb)

In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb nader definiëren eis van geschiktheid en betrouwbaarheid.

Art. 22, tweede lid

Art. 29, tweede lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 106, negende lid, Pensioenwet en art. 110c, negende lid, Wvb)

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 29, eerste lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb, voor wat betreft de toetsing op geschiktheid en betrouwbaarheid van bestuursleden van het pensioenfonds). In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb vastleggen dat de toezichthouder op ieder moment – indien daartoe naar het oordeel van de toezichthouder aanleiding bestaat – ook de geschiktheid en betrouwbaarheid kan toetsen van de personen die betrokken zijn bij het vervullen van een sleutelfunctie. Zie ook paragraaf 2.5 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Art. 22, derde tot en met zevende lid

De bepalingen behoeven geen implementatie; in de Nederlandse praktijk of regelgeving wordt er van de betrokkenen niet rechtstreeks een bewijs van goede reputatie en/of een bewijs dat er voorheen geen faillissement heeft plaatsgevonden geëist.

Art. 23, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 143 Pensioenwet, art. 138 Wvb en art. 21 en 21a, eerste tot en met derde lid, Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 23, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 21a, vierde lid, Besluit ftk pensioenfondsen en art. 14, vijfde lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 23, derde lid, onderdeel a

Art. 21a Besluit ftk pensioenfondsen

De vereisten uit art. 23, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn expliciet vastleggen in art. 21a Besluit ftk pensioenfondsen.

Art. 23, derde lid, onderdelen b tot en met d

De bepalingen zijn reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 143 Pensioenwet, art. 138 Wvb en art. 21–21a Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 23, derde lid, onderdeel e

Art. 13 en 14 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 34, tweede lid, Pensioenwet en art. 43, tweede lid, Wvb)

Vastleggen dat het beloningsbeleid van het pensioenfonds ook van toepassing moet zijn op dienstverleners aan wie activiteiten worden uitbesteed, tenzij die dienstverlener valt onder de uitzondering die in dit onderdeel is opgenomen.

Art. 23, derde lid, onderdeel f

Art. 21a Besluit ftk pensioenfondsen (op basis van art. 143, tweede lid, Pensioenwet en art. 138, tweede lid, Wvb)

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 21a Besluit ftk pensioenfondsen). In het Besluit ftk pensioenfondsen vastleggen dat het beloningsbeleid ten minste driejaarlijks moet worden geëvalueerd en geactualiseerd.

Art. 23, derde lid, onderdeel g

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 104, derde lid, onderdeel c, Pensioenwet, art. 115a, derde lid, onderdeel a, Pensioenwet, art. 115c, tweede lid, onderdeel f, Pensioenwet, art. 151, zevende lid, Pensioenwet, art. 110a, derde lid, onderdeel c, Wvb, art. 110e, derde lid, onderdeel a, Wvb, art. 146, zevende lid, Wvb, art. 21a Besluit ftk pensioenfondsen en art. 36, derde lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Afdeling 2: Sleutelfuncties

Art. 24, eerste lid

Art. 143a Pensioenwet

Art. 138a Wvb

Paragraaf 8 Besluit ftk pensioenfondsen (op basis van art. 143a, vijfde lid, Pensioenwet en art. 138a, vijfde lid, Wvb)

In het Besluit ftk pensioenfondsen wordt vastgelegd dat een pensioenfonds de houders van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie en actuariële functie in staat moet stellen deze functies op een objectieve, eerlijke en onafhankelijke wijze te vervullen.

Art. 24, tweede lid

Paragraaf 8 Besluit ftk pensioenfondsen (op basis van art. 143a, vijfde lid, Pensioenwet en art. 138a, vijfde lid, Wvb)

In het Besluit ftk pensioenfondsen wordt vastgelegd dat pensioenfondsen mogen toestaan dat de risicobeheerfunctie en actuariële functie door één persoon of organisatorische eenheid worden uitgevoerd. Uitzondering hierop is de situatie dat de actuariële functie wordt vervuld door de waarmerkende actuaris.

Art. 24, derde lid

Paragraaf 8 Besluit ftk pensioenfondsen (op basis van art. 143a, vijfde lid, Pensioenwet)

Beleidsruimte. Beoogde invulling is dat wordt toegestaan dat het pensioenfonds soortgelijke sleutelfuncties door dezelfde persoon of organisatorische eenheid laat vervullen als in de bijdragende onderneming. Dit is in lijn met art. 20, tweede lid, Besluit ftk pensioenfondsen.

Art. 24, vierde lid

Art. 143a, tweede lid, Pensioenwet

Art. 138a, tweede lid, Wvb

Beleidsruimte. Beoogde invulling is dat eventuele materiële bevindingen en aanbevelingen worden gerapporteerd aan het bestuur van het pensioenfonds. Indien de houder van een sleutelfunctie tevens één van de personen is die het pensioenfonds bestuurt, moeten de materiële bevindingen en aanbevelingen ook aan de raad van toezicht of de visitatiecommissie worden gerapporteerd. Zie paragraaf 2.5 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Art. 24, vijfde lid

Art. 143a, derde lid, Pensioenwet

Art. 138a, derde lid, Wvb

Art. 24, zesde lid

Art. 143a, vierde lid, Pensioenwet

Art. 138a, vierde lid, Wvb

Art. 25, eerste tot en met derde lid

Paragraaf 8 Besluit ftk pensioenfondsen (op basis van art. 143a, vijfde lid, Pensioenwet en art. 138a, vijfde lid, Wvb)

Er zijn reeds verschillende bepalingen over risicobeheer (paragraaf 8 en 9 Besluit ftk pensioenfondsen, hoofdstuk 4 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb). In Besluit ftk pensioenfondsen uitwerken risicobeheer en risicobeheerfunctie.

Art. 26

Paragraaf 8 Besluit ftk pensioenfondsen (op basis van art. 143a, vijfde lid, Pensioenwet en art. 138a, vijfde lid, Wvb)

In Besluit ftk pensioenfondsen uitwerken interne auditfunctie.

Art. 27, eerste lid

Art. 148, derde lid, Pensioenwet

Art. 143, derde lid, Wvb

Paragraaf 8 Besluit ftk pensioenfondsen (op basis van art. 143a, vijfde lid, Pensioenwet en art. 138a, vijfde lid, Wvb)

In de Pensioenwet en Wvb wordt mogelijk gemaakt dat de actuariële functie wordt vervuld door de waarmerkende actuaris. In Besluit ftk pensioenfondsen uitwerken actuariële functie.

Art. 27, tweede lid

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 148 Pensioenwet en art. 143 Wvb). In deze artikelen is de onafhankelijkheid expliciet gewaarborgd voor de situatie waarin de waarmerkende actuaris de houder is van de actuariële functie. Voor de situatie dat de houder van de actuariële functie een ander persoon is, zal de onafhankelijkheid ook voldoende gewaarborgd zijn door het voorschrift dat er (a) een houder van de functie moet zijn, oftewel één persoon die eindverantwoordelijk is en (b) ter implementatie van artikel 24, eerste lid, van de richtlijn in het Besluit ftk pensioenfondsen wordt vastgelegd dat de houder van de actuariële functie in de gelegenheid moet worden gesteld om deze functie op een onafhankelijke manier te vervullen.

Afdeling 3: Documenten betreffende de governance

Art. 28, eerste tot en met vierde lid

Paragraaf 8 Besluit ftk pensioenfondsen (op basis van art. 143, tweede lid, Pensioenwet en art. 138, tweede lid, Wvb)

Er zijn reeds enkele bepalingen over o.a. interne controlemechanismen en het voorkomen van onnodige risico’s (art. 102a Pensioenwet, art. 109a Wvb, art. 1a Besluit ftk pensioenfondsen, paragraaf 8 en 9 Besluit ftk pensioenfondsen, hoofdstuk 4 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb). Verdere implementatie vereist i.v.m. expliciet vastleggen eigenrisicobeoordeling.

Art. 29

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 104, derde lid, onderdeel a, Pensioenwet, art. 115c, tweede lid, onderdeel c, Pensioenwet, art. 146 Pensioenwet, art. 110a, derde lid, Wvb, art. 141 Wvb, Titel 9 van Boek 2 van het BW, waarvan in het bijzonder art. 2:362 BW, 2:391 BW, 2:393 BW t/m 2:395 BW en 2:429, eerste lid, onderdeel b, BW en art. 30 Besluit ftk pensioenfondsen). Zie ook Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, p. 267.

Art. 30

Art. 46a, derde lid, Pensioenwet

Art. 57a, derde lid, Pensioenwet

Art. 29a Besluit ftk pensioenfondsen (op basis van art. 145, derde lid, Pensioenwet en art. 140, derde lid, Wvb)

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 112, derde lid, onderdeel d, Pensioenwet, art. 113, onderdeel d, Pensioenwet, art. 145, eerste en vijfde lid, Pensioenwet, art. 107, derde lid, Wvb, art. 108, onderdeel d, Wvb, art. 140, eerste en vijfde lid, Wvb en art. 29a Besluit ftk pensioenfondsen). Verdere implementatie vereist in verband met voorschrijven openbaarmaking. In art. 29a van het Besluit ftk pensioenfondsen vastleggen dat in de verklaring inzake beleggingsbeginselen wordt opgenomen op welke wijze in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met ESG-factoren.

Hoofdstuk 2: Uitbesteding en beleggingsbeheer

Art. 31, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; het betreft een facultatieve bepaling waarvan gebruik is gemaakt (art. 34 Pensioenwet, art. 43 Wvb en art. 12 t/m 14 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 31, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 34 Pensioenwet, art. 143 Pensioenwet, art. 43 Wvb, art. 138 Wvb, art. 12 t/m 14 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb en art. 18 t/m 22 Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 31, derde lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 12 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 31, derde lid, onderdeel b

Art. 12 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb

In Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb expliciet vastleggen dat uitbesteding niet is toegestaan indien het operationele risico hierdoor onnodig toeneemt.

Art. 31, derde lid, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 12, onderdeel c, en art. 13, tweede lid, onderdelen d, f en 9, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 31, derde lid, onderdeel d

Art. 12 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb

In Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb expliciet vastleggen dat uitbesteding niet is toegestaan indien de continuïteit en de toereikendheid van de dienstverlening aan (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden hierdoor worden ondermijnd.

Art. 31, vierde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 34 Pensioenwet, art. 43 Wvb en art. 14 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 31, vijfde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 13 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 31, zesde lid

Hoofdstuk 4 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 34, tweede lid, Pensioenwet en art. 43, tweede lid, Wvb)

In Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb vastleggen dat de toezichthouder tijdig in kennis wordt gesteld van uitbesteding en latere belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot uitbestede activiteiten. Beleidsruimte bij invulling «latere belangrijke ontwikkelingen». Beoogd uitgangspunt is dat in de nota van toelichting verschillende voorbeelden worden gegeven van ontwikkelingen die hier in ieder geval onder vallen. Hierbij wordt onder meer gedacht aan het opzeggen van een uitbestedingsovereenkomst en het aangaan van een nieuwe uitbestedingsovereenkomst.

Art. 31, zevende lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 13, tweede lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb, waarvan in het bijzonder de onderdelen d, f, en g).

Art. 32

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie.

Hoofdstuk 3: Bewaarder

Art. 33, eerste en tweede lid

De bepalingen behoeven geen implementatie; er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het aanstellen van een bewaarder verplicht voor te schrijven. Zie paragraaf 2.6 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Art. 33, derde lid

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie.

Art. 33, vierde lid

De bepalingen uit de richtlijn over de bewaarder moeten, waar relevant, worden geïmplementeerd voor de situatie dat een pensioenfonds besluit vrijwillig een bewaarder aan te stellen. Hiertoe wordt de definitie van «pensioenbewaarder» in artikel 1:1 van de Wft aangepast, zodat de institutionele bepalingen uit de Wft ook van toepassing zijn als een pensioenfonds een pensioenbewaarder aanstelt. Zie transponeringstabel Wft, paragraaf 2.6 van het algemeen deel van de memorie van toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel R, artikel II, onderdeel R, en artikel III, onderdelen A en L.

Art. 33, vijfde lid

Art. 1 Pensioenwet (onder «pensioenbewaarder»)

Art. 124a, eerste lid, Pensioenwet

Art. 1, eerste lid, Wvb (onder «pensioenbewaarder»)

Art. 120a, eerste lid, Wvb

Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 124a, derde lid, Pensioenwet en art. 120a, derde lid, Wvb)

In Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb vastleggen welke eisen worden gesteld aan de overeenkomst tussen het pensioenfonds en de bewaarder. Hierbij wordt grotendeels aangesloten bij art. 168c Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (hierna: Bgfo).

Art. 33, zesde en zevende lid

Zie transponeringstabel Wft.

Art. 33, achtste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 105 Pensioenwet, art. 135 Pensioenwet, art. 143 Pensioenwet, art. 110b Wvb, art. 130 Wvb, art. 138 Wvb en paragraaf 8 Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 34, eerste lid

Zie transponeringstabel Wft.

Art. 34, tweede lid

Zie transponeringstabel Wft.

Art. 34, derde en vierde lid

Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 124a, derde lid, Pensioenwet en art. 120a, derde lid, Wvb)

In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb opnemen gelijksoortige bepaling als art. 168c, onderdeel d, Bgfo over de aansprakelijkheid van de pensioenbewaarder. De grondslag voor de aansprakelijkheid bij niet-nakoming of gebrekkige nakoming door de pensioenbewaarder is gelegen in het Burgerlijk Wetboek.

Art. 34, vijfde lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (Hoofdstuk 6 Pensioenwet, Hoofdstuk 5 Wvb en het Besluit ftk pensioenfondsen); er geldt een streng financieel toetsingskader voor pensioenfondsen. In het bijzonder kan daarbij worden gewezen op de eis dat er toereikende voorzieningen moeten worden vastgesteld m.b.t. het geheel van pensioenverplichtingen (art. 126, eerste lid, Pensioenwet en art. 121, eerste lid, Wvb), dat het beleggingsbeleid in overeenstemming moet zijn met de prudent-person regel (art. 135, eerste lid, Pensioenwet en art. 130, eerste lid, Wvb) en dat er sprake moet zijn van beheerste en integere bedrijfsvoering (art. 143 Pensioenwet en art. 138 Wvb).

Art. 34, vijfde lid, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 146–147 Pensioenwet, art. 141–142 Wvb, Titel 9 van Boek 2 van het BW en art. 30 Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 34, vijfde lid, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 105, tweede lid, Pensioenwet, art. 135 Pensioenwet, art. 143 Pensioenwet, art. 110b Wvb, art. 130 Wvb, art. 138 Wvb en paragraaf 8 Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 34, vijfde lid, onderdeel d

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 147, tweede lid, Pensioenwet, art. 167–169 Pensioenwet, art. 142, tweede lid, Wvb, art. 162–164 Wvb).

Art. 35, eerste lid, onderdelen a t/m c

Zie transponeringstabel Wft.

Art. 35, tweede lid

Zie transponeringstabel Wft.

Art. 35, derde lid

De bepaling behoeft geen implementatie; dit artikellid zal reeds geïmplementeerd zijn na implementatie van de sleutelfuncties (Titel III, Hoofdstuk 1, Afdeling 2, van de richtlijn). Daarnaast is er reeds een raad van toezicht/visitatiecommissie (art. 103–104 Pensioenwet en art. 110–110a Wvb).

Titel IV: Aan toekomstige deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken informatie

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Art. 36, eerste lid

Zie transponeringstabel bij art. 37 t/m 44 van de richtlijn.

Art. 36, tweede lid, onderdelen a t/m d

De bepalingen zijn reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 38 e.v. Pensioenwet, art. 48, eerste en tweede lid, Pensioenwet, art. 49 e.v. Wvb, art. 59, eerste en tweede lid, Wvb en art. 9e Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 36, tweede lid, onderdeel e

Hoofdstuk 2 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb

In Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb vastleggen dat informatie beschikbaar is in een officiële taal van de lidstaat waarvan de sociale en arbeidswetgeving van toepassing is. In lijn met bestaande praktijk.

Art. 36, tweede lid, onderdeel f

Art. 10 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb

Voor het grootste deel van de informatie is reeds vastgelegd dat deze kosteloos moet worden verstrekt. Voor overige informatie expliciet vastleggen dat de informatie kosteloos wordt verstrekt in het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb. In lijn met bestaande praktijk.

Art. 36, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; het betreft een facultatieve bepaling op grond waarvan lidstaten nadere bepalingen kunnen treffen of handhaven omtrent de te verstrekken informatie aan toekomstige deelnemers, (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Van deze bepaling is gebruikgemaakt, aangezien Nederland meer informatievereisten kent dan voorgeschreven in de richtlijn.

Art. 37, eerste lid, onderdeel a

Art. 2 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 21, vierde lid, Pensioenwet en art. 48, derde lid, Wvb)

In Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb vastleggen dat informatie wordt verstrekt over o.a. de pensioenuitvoerder. Zie ook de transponeringstabel bij art. 39, eerste lid, onderdeel b, van de richtlijn.

Art. 37, eerste lid, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 21 Pensioenwet, art. 46a, eerste en tweede lid, Pensioenwet, art. 48 Wvb en art. 57a, eerste en tweede lid, Wvb).

Art. 37, eerste lid, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 46, eerste lid, onderdeel b, Pensioenwet, art. 52 Pensioenwet, art. 52a Pensioenwet, art. 57, eerste lid, onderdeel b, Wvb, art. 63 Wvb en 63a Wvb).

Art. 37, eerste lid, onderdeel d

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 21, eerste lid, Pensioenwet, art. 44a, eerste lid, Pensioenwet, art. 46a, eerste lid, onderdeel a, Pensioenwet, art. 51 Pensioenwet, art. 63 Pensioenwet, art. 48, eerste lid, Wvb, art. 55a, eerste lid, Wvb, art. 57a, eerste lid, onderdeel a, Wvb, art. 62 Wvb, art. 75 Wvb, art. 2, eerste lid, onderdeel e, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb en art. 6 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 37, eerste lid, onderdeel e

Art. 40, eerste lid, onderdeel f, Pensioenwet

Art. 44, eerste lid, onderdeel e, Pensioenwet

Art. 51, eerste lid, onderdeel f, Wvb

Art. 55, eerste lid, onderdeel e, Wvb

Art. 37, eerste lid, onderdeel f

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 46a Pensioenwet, art. 145 Pensioenwet, art. 57a Wvb, art. 140 Wvb en art. 29b Besluit ftk pensioenfondsen).

Art. 37, eerste lid, onderdeel g

Hoofdstuk 2 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb

(op basis van o.a. art. 46, zesde lid, Pensioenwet en art. 57, zesde lid, van de Wvb)

Expliciet vastleggen dat het bij de relevante informatie over beleggingen (onder meer) gaat over de beleggingsresultaten van de afgelopen vijf jaar (of alle jaren dat de pensioenregeling is uitgevoerd indien dat minder dan vijf jaar is). Deze bepaling ziet niet op uitkeringsovereenkomsten, aangezien daar geen sprake is van een beleggingsrisico van voldoende betekenis en (gewezen) deelnemers geen beleggingsbeslissingen kunnen nemen. Zie ook overweging 64 van de richtlijn.

Art. 37, eerste lid, onderdeel h

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 45a Pensioenwet,

art. 46a, eerste lid, onderdeel c, Pensioenwet, art. 56a Wvb, art. 57a, eerste lid, onderdeel c, Wvb, art. 9b, 10a en 10b Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 37, eerste lid, onderdeel i

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 21, eerste lid, Pensioenwet, art. 46a, eerste lid, onderdeel a, Pensioenwet, art. 48, vierde lid, Pensioenwet, art. 60 t/m 63 Pensioenwet, art. 48, eerste lid, Wvb, art. 57a, eerste lid, onderdeel a, Wvb, art. 59, vierde lid, Wvb, art. 72 t/m 75 Wvb, art. 2, eerste lid, onderdeel d, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb en art. 7a Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 37, eerste lid, onderdeel j

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 46a, eerste lid, onderdeel a, Pensioenwet, art. 63b Pensioenwet, art. 57a, eerste lid, onderdeel a, Wvb, art. 75b Wvb, art. 2, eerste lid, onderdeel d, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb en art. 6, onderdeel b, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 37, tweede lid

Hoofdstuk 4a Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 52, zevende lid, Pensioenwet en art. 63, zevende lid, Wvb)

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 52 Pensioenwet, art. 63 Wvb en art. 3, 14d en 14e Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb). Verder implementeren i.v.m. expliciet vastleggen informatie vermeld in dit artikellid. Deze bepaling ziet niet op uitkeringsovereenkomsten, aangezien daar geen sprake is van een beleggingsrisico van voldoende betekenis. Zie ook overweging 64 van de richtlijn.

Art. 37, derde lid, eerste zin

Art. 40, tweede lid, Pensioenwet

Art. 44, tweede lid, Pensioenwet

Art. 51, tweede lid, Wvb

Art. 55, tweede lid, Wvb

Art. 37, derde lid, tweede zin

Art. 46a, tweede lid, onderdeel a, Pensioenwet

Art. 57a, tweede lid, onderdeel a, Wvb

Art. 37, vierde lid

Zie transponeringstabel bij art. 37, eerste lid, onderdelen a t/m j, van de richtlijn.

Hoofdstuk 2: Pensioenoverzicht en aanvullende informatie

Art. 38, eerste lid

Hoofdstuk 2 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 48, vijfde lid, Pensioenwet en art. 59, vijfde lid, Wvb)

Naar huidig recht wordt reeds informatie verstrekt aan deelnemers en gewezen deelnemers via een beknopt document met essentiële informatie, te weten het UPO (art. 48, vierde lid, Pensioenwet en art. 59, vierde lid, van de Wvb). Zie ook paragraaf 2.7 van het algemeen deel van de memorie van toelichting. In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb expliciet voorschrijven dat de titel van dit document het woord «pensioenoverzicht» bevat. In lijn met bestaande praktijk.

Art. 38, tweede lid

Hoofdstuk 2 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 48, vijfde lid, Pensioenwet en art. 59, vijfde lid, Wvb)

In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb voorschrijven dat de datum waarop de informatie betrekking heeft wordt vermeld op het UPO. In lijn met bestaande praktijk.

Art. 38, derde lid

Art. 40, eerste en derde lid, Pensioenwet

Art. 49, vijfde lid, Pensioenwet

Art. 51, eerste en derde lid, Wvb

Art. 60, vijfde lid, Wvb

De bepaling is gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 38, eerste lid, Pensioenwet, art. 48, eerste lid, Pensioenwet, art. 49 Pensioenwet, art. 49, eerste lid, Wvb, art. 59 Wvb, art. 60 Wvb en art. 10 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb). Implementatie vereist omdat informatie aan gewezen deelnemers voortaan jaarlijks (i.p.v. vijfjaarlijks) ter beschikking moet worden gesteld of verstrekt en vastgelegd moet worden dat ook bij elektronische informatieverstrekking altijd nog om een schriftelijk afschrift kan worden verzocht. Zie ook paragraaf 2.7 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Art. 38, vierde lid

Hoofdstuk 2 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 48, vijfde lid, Pensioenwet en art. 59, vijfde lid, Wvb)

In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb voorschrijven dat elke wezenlijke wijziging in het pensioenoverzicht ten opzichte van het voorgaande jaar wordt aangegeven.

Art. 38, vijfde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 144 Pensioenwet, art. 139 Wvb, art. 23a en 23b Besluit ftk pensioenfondsen en art. 7e Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 39, eerste lid, onderdeel a

Art. 38, eerste lid, onderdeel f, Pensioenwet

Art. 40, eerste lid, onderdeel e, Pensioenwet

Art. 49, eerste lid, onderdeel f, Wvb

Art. 51, eerste lid, onderdeel e, Wvb

Hoofdstuk 2 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb

(op basis van art. 48, vijfde lid, Pensioenwet en art. 59, vijfde lid, Wvb)

Beleidsruimte bij bepalen leeftijd die op het UPO moet worden vermeld. Beoogde invulling is vermelding van de reglementaire pensioenleeftijd. Dat de overige persoonsgegevens op het UPO moeten staan wordt opgenomen in het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb.

Art. 39, eerste lid, onderdeel b

Hoofdstuk 2 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 48, vijfde lid, Pensioenwet en art. 59, vijfde lid, Wvb)

In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb opnemen dat op het UPO informatie wordt opgenomen over o.a. de pensioenuitvoerder. In lijn met bestaande praktijk.

Art. 39, eerste lid, onderdeel c

Art. 38, eerste lid, onderdeel i, Pensioenwet

Art. 40, eerste lid, onderdeel f, Pensioenwet

Art. 49, eerste lid, onderdeel i, Wvb

Art. 51, eerste lid, onderdeel f, Wvb

Art. 39, eerste lid, onderdeel d

Art. 38, eerste lid, onderdeel g, Pensioenwet

Art. 40, eerste lid, onderdeel a, Pensioenwet

Art. 49, eerste lid, onderdeel g, Wvb

Art. 51, eerste lid, onderdeel a, Wvb

Art. 39, eerste lid, onderdeel e

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 38, eerste lid, onderdeel a, Pensioenwet, art. 40, eerste lid, onderdeel a, Pensioenwet, art. 48, vierde lid, Pensioenwet, art. 49, eerste lid, onderdeel a, Wvb, art. 51, eerste lid, onderdeel a, Wvb en art. 59, vierde lid, Wvb). Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat onder het begrip «pensioenaanspraak» tevens de aanspraak op een kapitaal valt dat nog moet worden omgezet in uitkeringen (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, p. 171–172).

Art. 39, eerste lid, onderdeel f

Art. 38, eerste lid, onderdeel h, Pensioenwet

Art. 49, eerste lid, onderdeel h, Wvb

Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb

(op basis van art. 38, tweede lid, Pensioenwet en art. 49, tweede lid, Wvb)

In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb wordt gespecificeerd dat het hierbij gaat om informatie over de premie die de werknemer en de werkgever dan wel de beroepsgenoot hebben betaald in het jaar waarop het UPO betrekking heeft.

Art. 39, eerste lid, onderdeel g

Art. 38, eerste lid, onderdeel k, Pensioenwet

Art. 40, eerste lid, onderdeel h, Pensioenwet

Art. 49, eerste lid, onderdeel k, Wvb

Art. 51, eerste lid, onderdeel h, Wvb

Art. 39, eerste lid, onderdeel h

Art. 38, eerste lid, onderdeel j, Pensioenwet

Art. 40, eerste lid, onderdeel g, Pensioenwet

Art. 49, eerste lid, onderdeel j, Wvb

Art. 51, eerste lid, onderdeel g,Wvb

Art. 39, tweede lid

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; is een verplichting tot feitelijk handelen (zie Ar 332).

Art. 40, eerste lid, onderdelen a t/m d

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; op het UPO wordt aangegeven waar meer informatie beschikbaar is (art. 46a Pensioenwet, art. 48, vierde lid, Pensioenwet, art. 57a Wvb, art. 59, vierde lid, Wvb, art. 2 en 9a Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb. Zie voorts de transponeringstabel bij art. 40, tweede lid, van de richtlijn).

Art. 40, tweede lid

Art. 48, vierde lid, Pensioenwet

Art. 59, vierde lid, van de Wvb

Hoofdstuk 3: Andere te verstrekken informatie en documenten

Art. 41, eerste lid en tweede lid

Art. 45, eerste lid, Pensioenwet

Art. 56, eerste lid, Wvb

Art. 41, derde lid, aanhef

Art. 21, eerste lid, Pensioenwet

Art. 41, derde lid, onderdeel a

Art. 2 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 21, vierde lid, Pensioenwet en art. 48, derde lid, Wvb)

In Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb vastleggen dat in laag 1 van de Pensioen 1-2-3 inzicht moet worden gegeven in beleggingsmogelijkheden.

Art. 41, derde lid, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 21 Pensioenwet, art. 48 Wvb en art. 2, eerste lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 41, derde lid, onderdeel c

Art. 2 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb (op basis van art. 21, vierde lid, Pensioenwet en art. 48, derde lid, Wvb)

In Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb vastleggen dat in laag 1 van de Pensioen 1-2-3 inzicht moet worden gegeven of/hoe bij de beleggingsbenadering rekening wordt gehouden met ESG-factoren.

Art. 41, derde lid, onderdeel d

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 21, eerste lid, tweede zin, Pensioenwet en art. 48, eerste lid, tweede zin, Wvb).

Art. 42

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 43, 44a, 46, 48 en 63b Pensioenwet, art. 54, 55a, 57, 59 en 75b Wvb, art. 7a Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb en art. 9a, derde lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 43, eerste lid

De bepaling behoeft geen implementatie; gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 44, eerste lid, Pensioenwet en art. 55, eerste lid, Wvb). De bepaling behoeft voor het overige geen implementatie, omdat er tijdens de uitbetalingsfase voor pensioengerechtigden geen keuzevrijheid meer bestaat wat betreft de uitbetalingsmogelijkheden. Deze keuzes moeten voorafgaand aan de uitbetalingsfase worden gemaakt.

Art. 43, tweede lid

Art. 134, tweede en derde lid, Pensioenwet

Art. 129, tweede en derde lid, Wvb

Art. 43, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 44 Pensioenwet, art. 55 Wvb en art. 7b Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 44, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 46a, eerste lid, onderdeel d, Pensioenwet, art. 46a, vierde lid, Pensioenwet, art. 57a, tweede lid, onderdeel a, Wvb en art. 57a, vierde lid, Wvb).

Art. 44, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 46a, tweede lid, onderdeel a, Pensioenwet, art. 46a, vierde lid, Pensioenwet, art. 57a, tweede lid, onderdeel a, Wvb en art. 57a, vierde lid, Wvb).

Art. 44, onderdeel c

Art. 46, eerste lid, onderdeel a, Pensioenwet

Art. 57, eerste lid, onderdeel a, Wvb

Titel V: Prudentieel toezicht

Hoofdstuk 1: Algemene regels betreffende het prudentieel toezicht

Art. 45, eerste lid

Art. 151, vierde lid, Pensioenwet

Art. 146, vierde lid, Wvb

Art. 45, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 147, tweede lid, Pensioenwet, art. 151 Pensioenwet, art. 167 t/m 176 Pensioenwet, art. 142, tweede lid, Wvb, art. 146 Wvb, art. 162 t/m 171 Wvb, art. 1:27a Wft, de Wet bekostiging financieel toezicht, Titel 5.2 Awb en art. 36 en 37 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 46, onderdeel a t/m i

De bepalingen zijn reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 151, zevende lid, Pensioenwet, art. 146, zevende lid, Wvb en art. 36, derde lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 46, onderdeel j

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; valt onder het gedragstoezicht (art. 151, eerste en tweede lid, Pensioenwet, art. 146, eerste en tweede lid, Wvb en art. 36, eerste en tweede lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 47, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 151 Pensioenwet en art. 146 Wvb).

Art. 47, tweede lid

Art. 153, tweede lid, Pensioenwet

Art. 148, tweede lid, Wvb

Art. 47, derde lid

Art. 153, vierde lid, Pensioenwet

Art. 148, vierde lid, Wvb

Art. 47, vierde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 19, eerste lid, onderdeel a, Kaderwet zelfstandige bestuursorganen).

Art. 47, vijfde lid

Art. 153, derde lid, Pensioenwet

Art. 148, derde lid, Wvb

Art. 48, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 143 Pensioenwet, art. 151, derde lid, Pensioenwet, art. 171 t/m 173 Pensioenwet, art. 138 Wvb, art. 146, derde lid, Wvb, art. 166 t/m 168 Wvb, art. 18, eerste lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb en art. 36, derde lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 48, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 171 t/m 173, 175, 176 en 179 Pensioenwet en art. 166 t/m 168, 170, 171 en 174 Wvb).

Art. 48, derde lid

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 48, vierde lid

Art. 185 Pensioenwet

Art. 188 t/m 190a Pensioenwet

Art. 180 Wvb

Art. 183 t/m 185a Wvb

Art. 48, vijfde lid

Art. 205b, tweede lid, Pensioenwet

Art. 199b, tweede lid, Wvb

Art. 48, zesde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 171 t/m 173 Pensioenwet en art. 166 t/m 168 Wvb).

Art. 48, zevende lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 173 Pensioenwet en art. 168 Wvb).

Art. 48, achtste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 112a, vierde en vijfde lid, Pensioenwet, art. 171 Pensioenwet, art. 197 Pensioenwet, art. 166 Wvb en art. 191 Wvb).

Art. 48, negende lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:3, eerste lid, Awb en hoofdstuk 6 e.v. Awb. Een besluit t.a.v. een pensioenfonds is een besluit in de zin van art. 1:3 van de Awb en derhalve bestaat de mogelijkheid om bezwaar in te dienen en beroep in te stellen).

Art. 49, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 147, tweede lid, Pensioenwet, art. 151 Pensioenwet, art. 167 t/m 170 Pensioenwet, art. 142, tweede lid, Wvb, art. 146 Wvb, art. 162 t/m 165 Wvb, Titel 5.2 Awb en art. 36 en 37 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 49, tweede lid

Art. 143b Pensioenwet

Art. 138b Wvb

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand van recht. De toezichthouders beschikken reeds over verschillende monitoringsinstrumenten (art. 138–139 Pensioenwet, art. 143, tweede lid, onderdeel d, Pensioenwet, art. 147, tweede lid, Pensioenwet, art. 151 Pensioenwet, art. 167 t/m 170 Pensioenwet, art. 133–134 Wvb, art. 138, tweede lid, onderdeel d, Wvb, art. 142, tweede lid, Wvb, art. 146 Wvb, art. 162 t/m 165 Wvb, art. 36 en 37 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb, art. 22 Besluit ftk pensioenfondsen en Titel 5.2 Awb). Nog expliciet vastleggen stresstest.

Art. 49, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 171 Pensioenwet en art. 166 Wvb).

Art. 49, vierde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 30 en 32 Besluit ftk pensioenfondsen en de Regeling verslagstaten pensioenfondsen 2015).

Art. 50, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 151 Pensioenwet, art. 167 t/m 169 Pensioenwet, art. 146 Wvb, art. 162 t/m 164 Wvb en Titel 5.2 Awb, waarvan in het bijzonder art. 5:16 en 5:17 Awb).

Art. 50, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 34 Pensioenwet, art. 151 Pensioenwet, art. 167–168 Pensioenwet, art. 43 Wvb, art. 146 Wvb, art. 162–163 Wvb en art. 13, tweede lid, onderdelen d en g, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 50, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 147, tweede en derde lid, Pensioenwet, art. 151 Pensioenwet, art. 167 t/m 169 Pensioenwet, art. 142, tweede en derde lid, Wvb, art. 146 Wvb, art. 162 t/m 164 Wvb, Titel 5.2 Awb, waarvan in het bijzonder art. 5:13, 5:16 en 5:17 Awb en art. 30 Besluit ftk pensioenfondsen). Zie ook Kamerstukken II 2004/05, 30 104, nr. 3, p. 10.

Art. 50, onderdeel d

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 151 Pensioenwet,

art. 167 t/m 169 Pensioenwet, art. 146 Wvb, art. 162 t/m 164 Wvb en Titel 5.2 Awb, waarvan in het bijzonder art. 5:13, 5:16 en 5:17 Awb). Zie ook Kamerstukken II 2004/05, 30 104, nr. 3, p. 10.

Art. 50, onderdeel e

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 151 Pensioenwet, art. 146 Wvb, art. 5:15 Awb, art. 12, onderdeel c, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb en art. 13, tweede lid, onderdelen d, f en g, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 50, onderdeel f

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 151 Pensioenwet,

art. 167 t/m 169 Pensioenwet, art. 146 Wvb, art. 162 t/m 164 Wvb, art. 12, onderdeel c, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb en art. 13, tweede lid, onderdelen d, f en g, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Art. 51, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 153 Pensioenwet, art. 204 t/m 208 Pensioenwet, art. 148 Wvb, art. 198 t/m 202 Wvb, art. 40 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb en art. 19 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen).

Art. 51, tweede lid, onderdelen a, b, d en e

De bepalingen behoeven naar hun aard geen implementatie; door publicatie van het geheel aan wet- en regelgeving op pensioenterrein, deze transponeringstabel en de publicatie van de implementatiewet- en regelgeving zal aan deze bepalingen worden voldaan.

Art. 51, tweede lid, onderdeel c

Art. 204, derde lid, Pensioenwet

Art. 198, derde lid, Wvb

Art. 51, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 12 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en § 1.2.1.2. Wft).

Hoofdstuk 2: Beroepsgeheim en informatie-uitwisseling

Art. 52, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel bestaand recht (art. 204 Pensioenwet, art. 207 Pensioenwet, art. 198 Wvb en art. 201 Wvb).

Art. 52, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; het betreft een facultatieve bepaling waarvan gebruik is gemaakt (art. 206, derde en vierde lid, Pensioenwet, art. 200, derde en vierde lid, Wvb en art. 165 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarnaast vaste jurisprudentie waaruit blijkt dat financiële toezichthouders zich als getuigen en deskundigen in gerechtelijke procedures niet zonder meer kunnen beroepen op het verschoningsrecht, maar dat steeds een belangenafweging dient plaats te hebben tussen het belang van het toezicht bij geheimhouding en het belang van waarheidsvinding).

Art. 53

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 204 Pensioenwet, art. 205 Pensioenwet, art. 198 Wvb en art. 199 Wvb).

Art. 54

Art. 205c Pensioenwet

Art. 199c Wvb

Art. 55, eerste lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 205 Pensioenwet en art. 199 Wvb).

Art. 55, eerste lid, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 205 Pensioenwet en art. 199 Wvb).

Art. 55, eerste lid, onderdeel c, onder i

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 205 Pensioenwet en art. 199 Wvb).

Art. 55, eerste lid, onderdeel c, onder ii

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 205, vierde lid, Pensioenwet en art. 199, vierde lid, Wvb).

Art. 55, eerste lid, onderdeel c, onder iii

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 205 Pensioenwet, art. 206 Pensioenwet en art. 199 Wvb en art. 200 Wvb).

Art. 55, eerste lid, onderdeel c, onder iv

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 205 Pensioenwet en art. 199 Wvb)

Art. 55, eerste lid, onderdeel c, onder v

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 208, eerste lid, onderdeel a, Pensioenwet en art. 202, eerste lid, onderdeel a, Wvb).

Art. 55, eerste lid, onderdeel d

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 206 Pensioenwet en art. 200 Wvb).

Art. 55, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 204, eerste lid, Pensioenwet en art. 198, eerste lid, Wvb).

Art. 55, derde lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; het betreft een facultatieve bepaling waarvan (gedeeltelijk) gebruik is gemaakt (art. 205 Pensioenwet en art. 199 Wvb).

Art. 55, derde lid, onderdeel b

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 55, derde lid, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; het betreft een facultatieve bepaling waarvan gebruik is gemaakt (art. 205 Pensioenwet, art. 208, eerste lid, onderdeel b, Pensioenwet, art. 199 Wvb en art. 202, eerste lid, onderdeel b, Wvb).

Art. 56, eerste lid, onderdelen a en b

Art. 208, eerste lid, onderdeel c, Pensioenwet

Art. 202, eerste lid, onderdeel c, Wvb

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 205, vierde lid, Pensioenwet en art. 199, vierde lid, Wvb). Verdere implementatie door opnemen gelijksoortige bepaling als art. 1:93, eerste lid, onderdeel a, Wft.

Art. 56, eerste lid, onderdeel c

Art. 205a Pensioenwet

Art. 199a Wvb

Art. 56, tweede lid

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie.

Art. 56, derde lid

Art. 205a Pensioenwet

Art. 199a Wvb

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht.

Art. 57, eerste lid

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 57, tweede lid

Art. 208a-208b Pensioenwet

Art. 202a-202b Wvb

Art. 58, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 204 t/m 208 Pensioenwet en art. 198 t/m 202 Wvb).

Art. 58, tweede en derde lid

De bepalingen behoeven geen implementatie; het betreffen facultatieve bepalingen waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 59, eerste en tweede lid

De bepalingen behoeven naar hun aard geen implementatie; verplichtingen tot feitelijk handelen (zie Ar 332).

Titel VI: Slotbepalingen

Art. 60

Art. 211 Pensioenwet

Art. 205 Wvb

Waar relevant (tweede en derde lid) is deze bepaling reeds geïmplementeerd (art. 211 Pensioenwet en art. 205 Wvb). Enkel een technische wijziging vereist. Het eerste en vierde lid behoeven naar hun aard geen implementatie.

Art. 61

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie.

Art. 62

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling betreffende evaluatie en herziening.

Art. 63, eerste lid

Art. 2, dertiende lid, Pensioenwet

Art. 2, achtste lid, Wvb

Ter implementatie van deze wijziging wordt in artikel 1:1 van de Wft de definitie van «herverzekering» aangepast. Op grond hiervan mogen voortaan ook herverzekeraars dekking verschaffen aan premiepensioeninstellingen en pensioenfondsen. Deze wijziging heeft ook gevolgen voor de Pensioenwet en Wvb. Naar huidig recht is het namelijk niet mogelijk dat een pensioenfonds risico’s verzekert bij een herverzekeraar.

Art. 63, tweede lid

De bepaling behoeft geen implementatie; de bepaling van richtlijn 2009/138/EG die wordt

gewijzigd is niet geïmplementeerd in de Pensioenwet, Wvb of daarop gebaseerde lagere regelgeving.

Art. 64

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling betreffende omzetting.

Art. 65

Art. 1 Pensioenwet

Art. 1, eerste lid, Wvb

Expliciete verwijzingen naar richtlijn 2003/41/EG wijzigen naar verwijzingen naar richtlijn 2016/2341/EU. Zie tevens de transponeringstabel bij art. 6, onderdeel 8, art. 11, onderdeel 6, en art. 60 van de richtlijn.

Art. 66

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling betreffende inwerkingtreding.

Art. 67

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling betreffende adressaten.

Tabel 2: Implementatie richtlijn 2016/2341/EU in Wft en daarop gebaseerde regelgeving

Art. richtlijn 2016/2341/EU:

Te implementeren in:

Bijzonderheden (waaronder nationale beleidskeuzen en, indien nieuwe regelgeving ter implementatie niet nodig is, de reden daarvan):

Titel I: Algemene bepalingen

Art. 1

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling over het onderwerp van de richtlijn.

Art. 2

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling over de reikwijdte van de richtlijn.

Art. 3

De bepaling behoeft geen implementatie; in Nederland komen dergelijke instellingen niet voor.

Art. 4

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 5

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 6, onderdeel 1

De bepaling behoeft geen implementatie; het begrip wordt niet gebruikt in de Wft.

Art. 6, onderdeel 2

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:1 Wft).

Art. 6, onderdeel 3

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:1 Wft). Het betreft een verwijzing naar art. 1 van de Pensioenwet, zie transponeringstabel Pensioenwet en Wvb.

Art. 6, onderdeel 4

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:1 Wft).

Art. 6, onderdeel 5

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:1 Wft).

Art. 6, onderdeel 6

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:1 Wft).

Art. 6, onderdeel 7

De bepaling behoeft geen implementatie; voor de toekomstige deelnemer wordt geen aparte definitie gehanteerd. Zie verder de transponeringstabel Pensioenwet en Wvb bij art. 41 van de richtlijn.

Art. 6, onderdeel 8

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:24, tweede lid, Wft en art. 1:25, tweede lid, Wft, in combinatie met de implementatie van deze richtlijn in de Wft).

Art. 6, onderdeel 9

De bepaling behoeft geen implementatie; het begrip wordt niet gebruikt in de Wft voor ppi’s.

Art. 6, onderdelen 10 en 11

De bepaling behoeft geen implementatie; in de Wft is het begrip «lidstaat» gedefinieerd in art. 1:1 Wft en komt de omschrijving terug in de inhoudelijke bepalingen.

Art. 6, onderdelen 12 en 13

De bepaling behoeft geen implementatie; deze begrippen worden niet gebruikt in de Wft.

Art. 6, onderdeel 14

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:1 Wft).

Art. 6, onderdeel 15

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:1 Wft, recent aangepast bij de implementatie van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PbEU 2014, L 173) (hierna: richtlijn MiFID II). Zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34 583, A).

Art. 6, onderdeel 16

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:1 Wft, recent aangepast bij de implementatie van richtlijn MIFID II).

Art. 6, onderdeel 17

De bepaling behoeft geen implementatie; deze definitie wordt alleen gebruikt in art. 38 van de richtlijn en die wordt in de Pensioenwet geïmplementeerd. Zie transponeringstabel Pensioenwet en Wvb.

Art. 6, onderdeel 18

De bepaling behoeft geen implementatie; het begrip «sleutelfunctie» wordt niet als zelfstandige definitie gehanteerd in de Wft. Zie verder de transponeringstabel bij art. 24 e.v. van de richtlijn.

Art. 6, onderdeel 19

De bepaling behoeft geen implementatie; de omschrijving komt terug in de inhoudelijke bepalingen over grensoverschrijdende activiteiten.

Art. 7, eerste alinea

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:36, eerste lid, Wft. In het tweede lid van dat artikel is een uitzondering gemaakt voor «adviseren, bemiddelen of optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent in verzekeringen». Deze kunnen worden geschaard onder «werkzaamheden die daar rechtstreeks verband mee houden»).

Art. 7, tweede alinea

De bepaling behoeft geen implementatie; er wordt geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid die art. 4 van de richtlijn biedt.

Art. 7, derde alinea

De bepaling behoeft geen implementatie; is niet relevant voor ppi’s omdat deze geen verzekeringstechnische risico’s mogen dragen.

Art. 8

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:35a, tweede lid, Wft en art. 3:36 Wft jo. art. 1:1 Wft. Tevens neergelegd in art. 23 Pensioenwet).

Art. 9

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 2:54g Wft en art. 2:54h Wft).

Art. 10, eerste lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (zie transponeringstabel Pensioenwet en Wvb.

Art. 10, eerste lid, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (zie transponeringstabel Pensioenwet en Wvb).

Art. 10, tweede lid

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt, aangezien deze bepaling niet relevant is voor ppi’s die dergelijke risico’s niet verzekeren.

Art. 11, eerste lid

De bepaling behoeft geen implementatie.

Art. 11, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 2:121a, eerste lid, Wft).

Art. 11, derde lid, eerste zin

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 2:121a, tweede lid, Wft).

Art. 11, derde lid, tweede zin en onderdelen a t/m c

Art. 31h Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 2:121a, tweede lid, Wft en art. 31h Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft). De bepaling behoeft implementatie, omdat ook kennis moet worden gegeven van de vestiging van de bijdragende onderneming wanneer men aan de toezichthouder het voornemen kenbaar maakt om grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien. Dit is een beperkte aanvulling op het bestaande kader.

Art. 11, vierde lid

Art. 2:121a en 2:121b Wft

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 2:121b Wft). De bepaling behoeft op twee punten technische aanpassing. De mededeling van DNB aan de andere toezichthouder in het tweede lid moet alleen gedaan worden als DNB heeft ingestemd (technische wijziging) en de maximumtermijn van drie maanden moet in een apart lid van art. 2:121a van de Wft worden opgenomen.

Art. 11, vijfde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (zie transponeringstabel Pensioenwet en Wvb). Voor de tweede volzin geldt dat op grond van de Awb bezwaar en beroep openstaan tegen het besluit van DNB (art. 3:41 Awb en art. 3:46 Awb).

Art. 11, zesde lid

Zie transponeringstabel Pensioenwet en Wvb.

Art. 11, zevende lid

De bepaling behoeft geen implementatie; de bepaling is reeds grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 2:121b, derde lid, Wft en (o.a.) art. 200, eerste lid, Pensioenwet) en wordt verder aangevuld in de Pensioenwet en Wvb. Zie transponeringstabel Pensioenwet en Wvb.

Art. 11, achtste lid

Art. 2:121b Wft

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 2:121b, vierde lid, Wft). Implementatie vereist i.v.m. wijzigen termijn twee maanden naar zes weken.

Art. 11, negende lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 2:121b Wft en art. 200, tweede lid, Pensioenwet, zie verder transponeringstabel Pensioenwet en Wvb).

Art. 11, tiende lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:59 Wft). Zie verder transponeringstabel Pensioenwet en Wvb.

Art. 11, elfde lid

Zie transponeringstabel Pensioenwet en Wvb.

Art. 12, eerste tot en met veertiende lid

Zie transponeringstabel Pensioenwet en Wvb.

Titel II: Kwantitatieve vereisten

Art. 13, eerste lid

De bepaling behoeft geen implementatie; is niet relevant voor ppi’s.

Art. 13, tweede lid

De bepaling behoeft geen implementatie; is niet van toepassing op ppi’s omdat deze als instelling zelf niet garant kan staan (Kamerstukken II 2008/09, 31 891, nr. 3, p. 32).

Art. 13, derde lid

De bepaling behoeft geen implementatie; is niet van toepassing op ppi’s.

Art. 13, vierde lid

De bepaling behoeft geen implementatie; is niet van toepassing op ppi’s.

Art. 13, vijfde lid

De bepaling behoeft geen implementatie; is niet van toepassing op ppi’s.

Art. 14

De bepaling behoeft geen implementatie; ppi’s hoeven geen technische voorzieningen aan te houden.

Art. 15

De bepaling behoeft geen implementatie; het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op ppi’s, aangezien een ppi niet zelf garant kan staan en ook geen risico’s verzekert. Van de facultatieve bepaling in het derde lid is gebruikgemaakt door middel van bestaand recht in art. 3:53 Wft en art. 48 Besluit prudentiële regels Wft (hierna: Bpr). Zie ook: Kamerstukken II 2008/09, 31 891, nr. 3, p. 6.

Art. 16 tot en met 18

De bepalingen behoeven geen implementatie; zijn niet van toepassing op ppi’s (zie toelichting bij art. 15 hierboven).

Art. 19, eerste lid, aanhef

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:267b, eerste lid, Wft).

Art. 19, eerste lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:267b, tweede lid, Wft).

Art. 19, eerste lid, onderdeel b

Art. 124 Bpr

De bepaling behoeft implementatie omwille van de duidelijkheid. Het betreft een invulling in de richtlijn van de prudent-person regel.

Art. 19, eerste lid, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:267b, tweede lid, Wft).

Art. 19, eerste lid, onderdeel d

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (de eerste zin in art. 3:267b, derde lid, van de Wft en de tweede zin in art. 124, eerste lid, onderdeel c, Bpr).

Art. 19, eerste lid, onderdeel e

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:267b Wft jo. art. 124, eerste lid, onderdelen b en d, en het derde lid, Bpr).

Art. 19, eerste lid, onderdeel f

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:267b Wft jo. art. 124, eerste lid, onderdeel e, Bpr).

Art. 19, eerste lid, onderdeel g

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:267b Wft jo. art. 124, eerste lid, onderdeel a, Bpr).

Art. 19, eerste lid, slot

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; het betreft een facultatieve bepaling waarvan gebruik is gemaakt (art. 3:267b Wft jo. art. 124, tweede lid, Bpr).

Art. 19, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, tweede lid, Wft en art. 26.0, derde lid, Bpr).

Art. 19, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:267b, vierde lid, en art. 124, vierde en vijfde lid, Bpr).

Art. 19, vierde en vijfde lid

De bepalingen behoeven naar hun aard geen implementatie.

Art. 19, zesde lid

Art. 124 Bpr

De bepaling in de eerste zin betreft een facultatieve bepaling waar gebruik van is gemaakt door middel van bestaand recht (art. 3:53 Wft, art. 48 Bpr, art. 50 Bpr en art. 3:57 Wft en art. 63a Bpr). Verder behoeft de bepaling implementatie voor wat betreft de onderdelen c en d omwille van de duidelijkheid. Het betreffen invullingen in de richtlijn van de prudent-person regel. Onderdelen a en b zijn voor ppi’s niet relevant omdat deze over technische voorzieningen gaan (zie de transponeringstabel bij art. 13 en 14 van de richtlijn).

Art. 19, zevende lid

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 19, achtste lid

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie.

Titel III: Voorwaarden voor de bedrijfsvoering

Hoofdstuk 1: Governancesysteem

Afdeling 1: Algemene bepalingen

Art. 20, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (de bestuurdersaansprakelijkheid is geregeld in art. 2:291 en 2:292 BW voor de stichting, art. 2:130 BW voor de naamloze vennootschap, art. 2:240 voor de besloten vennootschap en art. 51 van Vo. 2157/2001 voor de Europese naamloze vennootschap).

Art. 20, tweede lid

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie.

Art. 21, eerste lid

Art. 3:267a Wft

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, eerste en tweede lid, Wft, art. 3:267a, eerste lid, Wft en art. 17, eerste lid, aanhef, onderdelen a, b en d, en vierde lid, Bpr). In Wft vastleggen meewegen ESG-factoren bij beleggingsbeslissingen. Zie in dit kader ook overweging 58 van de richtlijn.

Art. 21, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, tweede lid, Wft jo. art. 17, tweede lid, Bpr).

Art. 21, derde lid

Art. 17, 23 en 29 Bpr

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, tweede lid, Wft jo. art. 23, eerste, derde en vijfde lid, Bpr voor risicobeheersing; art. 17, vierde lid, laatste zin, Bpr voor interne controle; en art. 3:18, derde lid, Wft jo. art. 29 Bpr voor de uitbesteding van werkzaamheden). De bepaling behoeft implementatie voor wat betreft de tweede zin; evaluatie om de drie jaar en aanpassing bij duidelijke wijziging. Voor wat betreft de goedkeuring van het beleid, zie transponeringstabel Pensioenwet en Wvb.

Art. 21, vierde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, tweede lid, Wft jo. art. 17, eerste lid, onderdeel d, en derde en vierde lid, art. 19, eerste lid en art. 3:71, tweede lid, Wft jo. Hoofdstuk 13 Bpr).

Art. 21, vijfde lid

§ 4.2 Bpr

Vastleggen dat ppi’s een noodplan opstellen. In lijn met bestaande praktijk.

Art. 21, zesde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:15, eerste lid, Wft). Uitgangspunt is dat het beleid van een ppi altijd door ten minste twee personen wordt bepaald. Er wordt geen gebruik gemaakt van de beleidsruimte om het beleid van een ppi onder bepaalde voorwaarden slechts door één persoon te laten bepalen.

Art. 22, eerste lid

Hoofdstuk 4 Bpr

Art. 1.2 en 1.4 van de Beleidsregel geschiktheid 2012

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:8 en 3:9 Wft). Nadere implementatie nodig vanwege toevoegen van personen die sleutelfuncties uitoefenen of personen aan wie deze worden uitbesteed alsmede het vereiste dat het bestuur collectief deskundig is.

Art. 22, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:24 en 1:25 Wft jo. 1:74 jo. 3:8 en 3:9 Wft en art. 5 Bpr, als de reikwijdte wordt uitgebreid naar personen die sleutelfuncties uitoefenen ingevolge aanpassing n.a.v. het eerste lid).

Art. 22, derde tot en met zevende lid

De bepalingen behoeven geen implementatie; in de Nederlandse praktijk of regelgeving wordt er van de betrokkenen niet rechtstreeks een bewijs van goede reputatie en/of een bewijs dat er voorheen geen faillissement heeft plaatsgevonden geëist.

Art. 23, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:117 Wft).

Art. 23, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:120 Wft).

Art. 23, derde lid, onderdeel a

Art. 1:118 Wft

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:117 Wft, art. 1:118 Wft). Nadere implementatie van de elementen «financiële stabiliteit en de prestaties [van de ppi]» als criteria waarmee het beloningsbeleid in overeenstemming moet zijn.

Art. 23, derde lid, onderdeel b

Art. 1:119 Wft

De pensioengerechtigden en -deelnemers moeten worden toegevoegd. Deelnemers vallen niet onder het begrip «consument», omdat niet zij maar de bijdragende onderneming contractspartij is.

Art. 23, derde lid, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3 Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2017).

Art. 23, derde lid, onderdeel d

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:118 Wft en art. 3 Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2017).

Art. 23, derde lid, onderdeel e

Hoofdstuk 5 Bpr

In het Bpr vastleggen dat het beloningsbeleid van de ppi ook van toepassing moet zijn op dienstverleners aan wie activiteiten worden uitbesteed, tenzij die dienstverlener valt onder de uitzondering die in dit onderdeel is opgenomen.

Art. 23, derde lid, onderdeel f

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:117, eerste en derde lid, Wft en art. 3 Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2017).

Art. 23, derde lid, onderdeel g

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:117, tweede en derde lid, Wft voor wat betreft «duidelijke, transparante en doeltreffende governance». Het interne toezicht is geïmplementeerd in art. 1:117, vierde lid, Wft jo. art. 3 Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2017).

Afdeling 2: Sleutelfuncties

Art. 24, eerste lid

Hoofdstuk 3 en 4 Bpr

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, tweede lid, Wft en art. 23, zesde lid, Bpr voor de risicobeheersfunctie; art. 3:17, tweede lid, Wft en art. 17, vierde lid, Bpr voor de internecontrolefunctie. Ook de onafhankelijkheid van functieoefening is vereist in genoemde artikelen in het Bpr).

In het Bpr vastleggen dat de personen die de risicobeheerfunctie en internecontrolefunctie vervullen deze functie op een objectieve en eerlijke manier moeten kunnen vervullen.

Art. 24, tweede lid

De bepaling behoeft geen implementatie; de actuariële functie wordt niet vereist voor ppi’s vanwege het niet verstrekken van dekkingen of garanties door de ppi zelf. Daarmee blijven de risicobeheerfunctie en de interne auditfunctie over en deze laatste functie mag niet worden gecombineerd.

Art. 24, derde lid

§ 4.1 en 4.2 Bpr

Beleidsruimte. Beoogde invulling is dat wordt toegestaan dat de ppi soortgelijke sleutelfuncties door dezelfde persoon of organisatorische eenheid laat vervullen als in de bijdragende onderneming. Dit is in lijn met art. 20, tweede lid, Besluit ftk pensioenfondsen. In de praktijk worden vaak al combinaties gemaakt.

Art. 24, vierde lid

§ 4.1 en 4.2 Bpr

Beleidsruimte. Beoogde invulling is dat eventuele materiële bevindingen en aanbevelingen worden gerapporteerd aan het bestuur. Zie paragraaf 2.5 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Art. 24, vijfde lid

§ 4.1 en 4.2 Bpr

Art. 24, zesde lid

§ 4.1 en 4.2 Bpr

Art. 25

§ 4.2 Bpr

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht. Er is al voorzien in een onafhankelijke risicobeheerfunctie en een zorgplicht om gesignaleerde tekortkomingen en gebreken op te heffen (art. 3:17, tweede lid, Wft jo. art. 23, zesde lid, Bpr en art. 24 Bpr). Verdere implementatie van aantal specifieke vereisten zoals het mede omvatten van milieu, sociale en governancerisico’s met betrekking tot de beleggingsportefeuille en het beheer daarvan (tweede lid, onderdeel g).

Art. 26

Hoofdstuk 4 Bpr

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, tweede lid, Wft jo. art. 17, vierde lid, Bpr). De tweede volzin behoeft implementatie.

Art. 27

De bepaling behoeft geen implementatie; niet van toepassing op een ppi. Een ppi biedt niet zelf dekking tegen biometrische risico’s of garanties voor een bepaald rendement uit beleggingen of een hoogte van uitkeringen.

Afdeling 3: Documenten betreffende de governance

Art. 28, eerste lid, eerste zin

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:1, tweede lid, Wft jo. art. 23, eerste t/m vierde lid, Bpr).

Art. 28, eerste lid, tweede zin

§ 4.1 en 4.2 Bpr

Art. 28, tweede lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, tweede lid, Wft jo. art. 23, derde lid, Bpr).

Art. 28, tweede lid, onderdeel b

§ 4.1 en 4.2 Bpr

Art. 28, tweede lid, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, tweede lid, Wft jo. art. 29 Bpr jo. art. 23 Bpr).

Art. 28, tweede lid, onderdeel d

De bepaling behoeft geen implementatie; is niet relevant voor ppi’s want daar is geen sprake van een financieringsbehoefte.

Art. 28, tweede lid, onderdeel e

De bepaling behoeft geen implementatie; is niet relevant voor ppi’s omdat zij geen risico’s verzekeren.

Art. 28, tweede lid, onderdeel f

De bepaling behoeft geen implementatie; is niet relevant voor ppi’s omdat zij geen risico’s verzekeren.

Art. 28, tweede lid, onderdeel g

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, tweede lid, Wft en art. 23, zesde lid, jo. eerste en tweede lid, Bpr).

Art. 28, tweede lid, onderdeel h

§ 4.1 en 4.2 Bpr

Art. 28, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, tweede lid, Wft en art. 23, zesde en derde lid, Bpr. Voor proportionaliteit en rapportage over de risiciobeoordeling: zie de toelichting in Stb. 2006, 519, p. 114–115).

Art. 28, vierde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, eerste en tweede lid, Wft jo. art. 23, derde, vierde en zesde lid, Bpr en art. 24 Bpr. Zie ook Stb. 2006, 519, p. 114).

Art. 29

Art. 3:70a Wft

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:71 Wft voor de jaarrekening en het bestuursverslag; art. 3:72, zevende lid, Wft en art. 129 Bpr voor de staten. De openbaarmaking is voorzien in art. 2:394, eerste en vierde lid, BW. De vereisten «juist en getrouw beeld, consistent, alomvattend en eerlijk» zijn geïmplementeerd in art. 2:362 BW en art. 2:391 BW. De goedkeuring is voorzien in art. 2:392, eerste lid, onderdeel a, BW, en de opname van een lijst van alle significant gehouden beleggingen art. 2:429 BW). Verdere implementatie in verband met de opname van de belangrijkste beleggingsprofielen in de jaarrekening en het bestuursverslag.

Art. 30

Art. 3:267a Wft

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:267a Wft. De eerste zin is opgenomen in het eerste lid van dat artikel en de tweede zin in het tweede lid. De derde zin is bijna compleet opgenomen in het eerste lid. De vierde zin (openbaarmaking) wordt geïmplementeerd in art. 46a, derde lid, Pensioenwet. Zie de transponeringstabel Pensioenwet en Wvb). In art. 3:267a Wft nog vastleggen dat in de verklaring inzake beleggingsbeginselen wordt opgenomen op welke wijze in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met ESG-factoren.

Hoofdstuk 2: Uitbesteding en beleggingsbeheer

Art. 31, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; het betreft een facultatieve bepaling waarvan gebruik is gemaakt (art. 3:18 Wft en art. 4:16 Wft jo. Hoofdstuk 5 Bpr en art. 37 en 38l Bgfo).

Art. 31, tweede lid

Deze bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:18 Wft en art. 4:16 Wft).

Art. 31, derde lid, onderdeel a

Deze bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:18, tweede lid, Wft jo. art. 27, tweede lid, Bpr).

Art. 31, derde lid, onderdeel b

Hoofdstuk 5 Bpr

Art. 31, derde lid, onderdeel c

Deze bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:18 Wft jo. art. 27, eerste lid, 31, tweede lid, onderdeel d, Bpr en art. 4:16 Wft jo. art. 37, 38l, aanhef en onderdeel c, Bgfo).

Art. 31, derde lid, onderdeel d

Deze bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 4:16 Wft jo. art. 38l, aanhef en onderdelen b en c, Bgfo).

Art. 31, vierde lid

Deze bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:18 Wft, art. 4:16 Wft, art. 30 Bpr, art. 31, tweede lid, onderdeel c, Bpr en art. 38l Bgfo).

Art. 31, vijfde lid

Deze bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:18, derde lid, Wft jo. art. 31, eerste lid, Bpr).

Art. 31, zesde lid

Hoofdstuk 5 Bpr

Vastleggen dat de toezichthouder tijdig in kennis wordt gesteld van uitbesteding en latere belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot uitbestede activiteiten. Zie verder transponeringstabel Pensioenwet en Wvb.

Art. 31, zevende lid

Deze bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (Hoofdstuk 1.4 Wft, art. 3:18 Wft jo. art. 31, tweede lid, onderdeel a, Bpr).

Art. 32

Deze bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie.

Hoofdstuk 3: Bewaarder

Art. 33, eerste en tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht: het betreft een facultatieve bepaling waarvan gebruik is gemaakt (art. 4:71b Wft. Zie ook: Kamerstukken II 2008/09, 31 891, nr. 3, p. 14–15).

Art. 33, derde lid

 

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie.

Art. 33, vierde lid

Art. 1:59.0a Wft

Art. 1:1 van de Wft (onder «pensioenbewaarder»)

Artikel 3:17 van de Wft

Art. 4:71b, tweede lid, van de Wft

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:267c, derde lid, Wft). Alleen het gehoor geven aan een inkomend verzoek door DNB moet worden geïmplementeerd.

Voorts geldt in z’n algemeenheid dat ter implementatie van de richtlijn de institutionele bepalingen over de pensioenbewaarder uit de Wft ook moeten gaan gelden voor een pensioenbewaarder die (vrijwillig) wordt aangesteld door een pensioenfonds. Hiertoe wordt de definitie van «pensioenbewaarder» in artikel 1:1 van de Wft aangepast, alsmede artikel 3:17 en 4:71b, tweede lid, van de Wft.

Art. 33, vijfde lid

Art. 168c Bgfo

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 4:71c, tweede lid, Wft). De tweede zin behoeft nadere implementatie.

Art. 33, zesde lid

Art. 34f Bgfo

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 4:71c, derde lid, Wft jo. art. 168c, aanhef en onderdeel a, Bgfo). Nadere implementatie is nodig van de vereisten dat de bewaarder in zijn handelen ook «betrouwbaar, eerlijk, professioneel en onafhankelijk» moet zijn.

Art. 33, zevende lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 4:11, eerste lid, onderdeel a, Wft. Daarnaast volgt uit art. 4:71b, tweede lid, Wft dat de pensioenbewaarder maar één statutair doel mag hebben, hetgeen andere werkzaamheden met een ander doel uitsluit. Zie art. 17 e.v. Bgfo voor de uitwerking).

Art. 33, achtste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:10, eerste lid, onderdeel a, Wft en artikel 3:17, tweede lid, onderdeel b, van de Wft).

Art. 34, eerste lid

Art. 34f Bgfo

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 4:71a Wft en art. 34f Bgfo). De wijze van bewaring behoeft nadere implementatie.

Art. 34, tweede lid

Art. 34f Bgfo

De bepaling behoeft implementatie voor wat betreft de (wijze van) verificatie van het eigendom van de activa.

Art. 34, derde en vierde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 4:71c, tweede lid, Wft jo. art. 168c, aanhef en onderdeel d, Bgfo en het aansprakelijkheidsrecht in het Burgerlijk Wetboek).

Art. 34, vijfde lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (er worden eisen gesteld aan het eigen vermogen in art. 3:53 Wft, de solvabiliteit in art. 3:57 Wft, het beleggingsbeleid in art. 3:267b Wft en de bedrijfsvoering in art. 3:17 Wft. Deze vereisten zijn nader uitgewerkt in hoofdstukken 3, 4, 9, 10 en 12a van het Bpr).

Art. 34, vijfde lid, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, tweede lid, Wft jo. art. 19 Bpr en art. 4:14, tweede en vierde lid, Wft jo. art. 34g Bgfo).

Art. 34, vijfde lid, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:10 Wft, art. 5:68, eerste lid, onderdeel c, Wft en art. 10 en 11 Bpr).

Art. 34, vijfde lid, onderdeel d

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:74 Wft jo. art. 4:14, tweede en vierde lid, Wft jo. art. 34g Bgfo jo. art. 4:71a Wft).

Art. 35, eerste lid, onderdeel a

Art. 168c Bgfo

Gedeeltelijk geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 4:71b Wft). Nadere implementatie vereist om «voert instructies uit, tenzij in strijd met nationaal recht of regels van de IORP» op te nemen.

Art. 35, eerste lid, onderdeel b

Hoofdstuk 5 Bgfo

Opnemen dat de bewaarder ervoor moet zorgen dat de tegenprestaties voor de transacties tijdig worden voldaan.

Art. 35, eerste lid, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 4:14, tweede en vierde lid, Wft jo. art. 34f, onderdeel b Bgfo en art. 4:71b, derde lid Wft: medewerking (straks instemming) is al vereist).

Art. 35, tweede lid

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 35, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17 Wft en art. 4:14, tweede en vierde lid, Wft).

Titel IV: Aan toekomstige deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken informatie

Art. 36 tot en met 44

Zie transponeringstabel Pensioenwet en Wvb. Alle aanpassingen in de Pensioenwet gelden ook voor ppi’s, aangezien ppi’s vallen onder de definitie van pensioenuitvoerder, die (waar relevant) de normadressaat zijn van de informatiebepalingen.

Titel V: Prudentieel toezicht

Hoofdstuk 1: Algemene regels betreffende prudentieel toezicht

Art. 45, eerste en tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:24 Wft, art. 1:25 Wft en art. 1:27a Wft, Hoofdstuk 1.4 Wft, de Wet bekostiging financieel toezicht en Titel 5.2 Awb).

Art. 46

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; reikwijdte van het toezicht. Alle onderwerpen worden geregeld in de richtlijn. Voor ppi’s alleen onderdelen a en g tot en met j relevant.

Art. 47, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:24 Wft en art. 1:25 Wft).

Art. 47, tweede en derde lid

Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking financiële toezichthouders Wft (hierna: Rgsft)

Vastleggen dat toezicht op een vooruitziende en risicogebaseerde benadering berust.

Art. 47, vierde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 19, eerste lid, Kaderwet zelfstandige bestuursorganen).

Art. 47, vijfde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:51, tweede lid, Wft).

Art. 48, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:17, tweede lid, Wft, art. 19, eerste lid, Bpr en art. 17, vierde lid Bpr).

Art. 48, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (Hoofdstuk 1.4.2 Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector).

Art. 48, derde lid

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 48, vierde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:97 Wft en art. 1:98 Wft. In de bepaling in de Wft wordt verder gegaan dan de richtlijn vereist, namelijk dat beroep niet wordt afgewacht maar zo spoedig mogelijk wordt gepubliceerd. Dit is toegestaan omdat de richtlijn minimumharmonisatie betreft).

Art. 48, vijfde en achtste lid

Rgsft

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (grondslag voor verbod of beperking van activiteiten is geïmplementeerd in art. 1:104 Wft en art. 1:77 Wft. Motiveringsbeginsel is opgenomen in art. 3:46 Awb. Art. 3:41 Awb vereist toezending aan betrokkene). Nadere implementatie behoeft de mededeling aan EIOPA in de Rgsft.

Art. 48, zesde lid

De bepaling behoeft voor ppi’s geen implementatie. Van de mogelijkheid om andere gevallen ook te regelen is gebruik gemaakt; zie art. 3:267c Wft. In dit artikel is de bevoegdheid gekoppeld aan het niet voldoen aan de eigen vermogenseis, de solvabiliteitseis en de eisen gesteld aan het beleggingsbeleid.

Art. 48, zevende lid

Art. 1:76aa Wft

Vastleggen dat voor ppi’s een bewindvoerder kan worden aangesteld.

Art. 48, negende lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:3, eerste lid, Awb en hoofdstuk 6 e.v. Awb. Een besluit t.a.v. een ppi is een besluit in de zin van de Awb en derhalve bestaat de mogelijkheid om bezwaar in te dienen en beroep in te stellen).

Art. 49, eerste lid

Art. 3:72 Wft en Rgsft

Grotendeels geïmplementeerd door middel van bestaand recht (de eerste zin is opgenomen in art. 1:72–74 Wft voor wat betreft de toezichtsbevoegdheden. Strategieën, processen en rapportageprocedures zijn opgenomen in art. 3:10, tweede lid, Wft jo. art. 10 t/m 12 en 14 Bpr voor wat betreft processen voor integriteitsbeleid; art. 3:17, tweede lid, Wft jo. art. 17, 20, 21, 23, 24 Bpr voor wat betreft processen voor beheerste bedrijfsvoering en risicobeheersing. Art. 14b Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb bevat de beleggingsstrategie. Rapportage is opgenomen in art. 3:71 Wft (jaarrekening en bestuursverslag). In art. 3:72, eerste lid, Wft over het verstrekken van staten dient een omissie te worden hersteld; daar moeten net als in het zevende lid ppi’s worden opgenomen). Nadere implementatie behoeven de tweede en derde zin: die moet worden opgenomen in de Rgsft.

Art. 49, tweede en vierde lid

§ 4.2 Bpr

Mogelijk maken dat een stresstest kan worden uitgevoerd door DNB.

Art. 49, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:75 Wft).

Art. 50, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:74 Wft).

Art. 50, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:18 Wft jo. art. 27 t/m 31 Bpr).

Art. 50, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:74 Wft, art. 3:17 Wft, art. 3:71 Wft, art. 3:267a Wft en art. 23 Bpr).

Art. 50, onderdeel d

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:72 Wft jo. art. 5:16 en 5:17 Awb en art. 1:74 Wft).

Art. 50, onderdeel e

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:72 Wft en art. 5:15 Awb).

Art. 50, onderdeel f

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 3:18 Wft en art 30 Bpr jo. art. 1:74 Wft).

Art. 51, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (Transparantie en verantwoording middels het jaarverslag (vereist op grond van art. 18 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen). Onafhankelijkheid is geborgd vanwege het opdragen van het toezicht aan DNB/AFM als zelfstandig bestuursorgaan (art. 3 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen). Verantwoording moet worden afgelegd aan de Minister (art. 1:42 Wft). Zie Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en Afdeling 1.2.2 Wft. Geheimhoudingsplicht toezichthouders is opgenomen in art. 1:89 e.v. Wft).

Art. 51, tweede lid

Rgsft

De bepaling behoeft implementatie voor wat betreft het doen van mededelingen aan de hand van geaggregeerde statistische gegevens over de toepassing van het prudentieel kader (onderdeel c). Zie transponeringstabel Pensioenwet en Wvb. Verder is de bepaling reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht/bestaande praktijk; alle onderdelen zijn opgenomen in de wet en toelichting. Op grond van de Bekendmakingswet wordt wetgeving openbaar gemaakt en voor een ieder beschikbaar (art. 10a Bekendmakingswet).

Art. 51, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 12 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en § 1.2.1.2. Wft).

Hoofdstuk 2: Beroepsgeheim en informatie-uitwisseling

Art. 52, eerste lid, eerste zin

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:89, eerste en derde lid, Wft).

Art. 52, eerste lid, tweede zin

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:89, tweede lid, Wft).

Art. 52, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; het betreft een facultatieve bepaling waarvan gebruik is gemaakt (art. 1:91, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, Wft).

Art. 53

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:89 Wft).

Art. 54

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:90, (tweede) achtste lid, Wft).

Art. 55, eerste lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:90, eerste lid, Wft).

Art. 55, eerste lid, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:90, eerste lid, Wft).

Art. 55, eerste lid, onderdeel c, onder i

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:90, eerste lid, Wft).

Art. 55, eerste lid, onderdeel c, onder ii

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:90, eerste lid, Wft).

Art. 55, eerste lid, onderdeel c, onder iii

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:90, eerste lid, Wft en art. 1:91, eerste lid, Wft).

Art. 55, eerste lid, onderdeel c, onder iv

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:90, eerste lid, Wft).

Art. 55, eerste lid, onderdeel c, onder v

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:93, eerste lid, onderdeel b, Wft).

Art. 55, eerste lid, onderdeel d

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:91, eerste lid, Wft).

Art. 55, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:90, eerste lid, onderdeel d, Wft).

Art. 55, derde lid, onderdeel a

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; het betreft een facultatieve bepaling waarvan gebruik is gemaakt (art. 1:91, eerste lid, Wft).

Art. 55, derde lid, onderdeel b

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; het betreft een facultatieve bepaling waarvan gebruik is gemaakt (art. 1:90, eerste lid, Wft en art. 1:93, eerste lid, onderdeel b, Wft).

Art. 55, derde lid, onderdeel c

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht; het betreft een facultatieve bepaling waarvan gebruik is gemaakt (art. 1:93, eerste lid, onderdeel b, Wft).

Art. 56, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:93, eerste lid, en art. 1:69, tweede lid, Wft).

Art. 56, tweede lid

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie.

Art. 56, derde lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:90, zevende, jo. eerste t/m derde lid, Wft).

Art. 57, eerste lid

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 57, tweede lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:93d Wft en art. 1:93e Wft).

Art. 58, eerste lid

De bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht (art. 1:89 Wft en art. 1:93, derde lid, Wft).

Art. 58, tweede en derde lid

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.

Art. 59

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; het betreft een verplichting tot feitelijk handelen (zie Ar 332).

Titel VI: Slotbepalingen

Art. 60

Waar relevant (tweede en derde lid) is deze bepaling reeds geïmplementeerd (art. 1:69, eerste en tweede lid, Wft). Het eerste en vierde lid behoeven naar hun aard geen implementatie.

Art. 61

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; de General Data Protection Regulation werkt rechtstreeks door in de Nederlandse rechtsorde en voor EIOPA.

Art. 62

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling betreffende evaluatie en herziening.

Art. 63, eerste lid

Art. 1:1 Wft

Aanpassen van de definitie van «herverzekering» in art. 1:1 Wft.

Art. 63, tweede lid

De bepaling behoeft geen implementatie; het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van is gemaakt (zie ook: Kamerstukken II 2014/15, 34 100, nr. 3, p. 6, tabel).

Art. 64

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling betreffende omzetting.

Art. 65

De bepaling behoeft geen implementatie; er zijn geen verwijzingen naar richtlijn 2003/41/EG opgenomen in de Wft of onderliggende regelgeving die wijziging behoeven.

Art. 66

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling betreffende inwerkingtreding.

Art. 67

De bepaling behoeft naar haar aard geen implementatie; bepaling betreffende adressaten.


X Noot
1

Kamerstukken II 2014/15, 33 931, nr. 7 t/m 10, Kamerstukken II 2015/16, 33 931, nr. 11 t/m 14, 17 en 18 en Kamerstukken II 2016/17, 33 931, nr. 19.

X Noot
2

Kamerstukken II 2016/17, 33 931, nr. 20.

X Noot
3

Kamerstukken II 2004/05, 30 104, nr. 3, p. 6–7.

X Noot
4

Artikel 199 van de Pensioenwet en artikel 193 van de Wvb.

X Noot
5

Kamerstukken II 2016/17, 32 043, nr. 352.

X Noot
6

Artikel 125, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 25 van de Wvb.

X Noot
7

Artikel 196, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 27 van de Wvb.

X Noot
8

Artikel 27, zevende lid, van de Wet op de ondernemingsraden.

X Noot
9

Artikel 104, derde lid, onderdeel d, van de Pensioenwet en artikel 110a, derde lid, onderdeel d, van de Wvb.

X Noot
10

Artikel 83, tweede lid, onderdeel a, van de Pensioenwet en artikel 91, tweede lid, onderdeel a, van de Wvb.

X Noot
11

Artikel 115, eerste lid, van de Pensioenwet.

X Noot
12

Artikelen 83 en 90 van de Pensioenwet.

X Noot
13

Artikel 115b, eerste lid, van de Pensioenwet.

X Noot
14

Artikelen 84 en 90 van de Pensioenwet.

X Noot
15

Artikel 115b, tweede lid, van de Pensioenwet.

X Noot
16

Artikel 110d, tweede lid, van de Wvb.

X Noot
17

Artikel 27, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de ondernemingsraden.

X Noot
18

Overweging 54 van de richtlijn en de artikelen 25 en 26 van de richtlijn.

X Noot
19

Zie ook overweging 55 van de richtlijn.

X Noot
20

Artikel 170, eerste en tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 165, eerste en tweede lid, van de Wvb.

X Noot
21

Besluit van 18 december 2006, houdende vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Stb. 2006, 709, blz. 49–50).

X Noot
22

Artikel 135, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 130, eerste lid, van de Wvb.

X Noot
23

Artikel 4:71b, eerste lid, van de Wft.

X Noot
24

De artikelen 38 en 40 van de Pensioenwet en de artikelen 49 en 51 van de Wvb.

X Noot
25

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
26

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
28

Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende machtsmisbruik (Verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PbEU 2014, L 173).

X Noot
29

Kamerstukken II 2008/09, 31 891, nr. 3, p. 43.

X Noot
30

Op grond van artikel 5:1, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht jo. artikel 51, tweede lid, onderdeel 2°, van het Wetboek van Strafrecht kan een bestuurlijke sanctie ook worden opgelegd aan een natuurlijk persoon.

X Noot
31

Kamerstukken I 2017/18, 34 769, A.

X Noot
32

Artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s (PbEU 2010, L 331), artikel 70 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese bankenautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PbEU 2010, L 331), artikel 70 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PbEU 2010, L 331) en artikel 70 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PbEU 2010, L 331).

X Noot
33

Zie ook: Kamerstukken II 2012/13, 33 729, nr. 3, p. 1–2 en Kamerstukken II 2013/14, 33 849, nr. 3, p. 34–36.

X Noot
34

Kamerstukken II 2016/17, 34 677, nr. 2.