Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2006, 709AMvB

Besluit van 18 december 2006, houdende vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/88128;

Gelet op de artikelen 21, 33, 34, 38 tot en met 46, 60, 66, 69, 71, 76, 83, 84, 105, 151, 160 en 176 van de Pensioenwet, de artikelen 42, 43, 48 tot en met 57, 72, 78, 82, 91, 110, 146, 155 en 171 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, artikel 13, derde lid en 23, tweede lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, artikel 65 en 67 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman, artikel 99, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, artikel 33 en 34 van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 1, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, artikel 24, tweede lid en artikel 55, zesde lid, van de Wet op de huurtoeslag;

De Raad van State gehoord (advies van 16 november 2006, no. W12.06.0459/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/101170 B;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

– afkoopvoet: verhouding tussen het af te kopen pensioen en de daarvoor in de plaats uit te keren afkoopwaarde;

– balanstotaal: het balanstotaal zoals dat blijkt uit de jaarrekening;

– De Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

– FVP-bijdrage: bijdrage, verstrekt op grond van de Wet privatisering FVP, om te voorzien in aanvullende pensioenvoorzieningen ten behoeve van een werknemer of zijn nagelaten betrekkingen;

– fonds:

1°. pensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

2°. beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

– opbouwkeuzevoet: verhouding tussen het pensioen waarvan kan worden afgezien en het pensioen dat daarvoor in de plaats kan worden opgebouwd;

– overdrachtsdatum: aanvangsdatum van de deelname aan de pensioenregeling van de ontvangende uitvoerder;

– pensioenregeling:

1°. pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

2°. beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

– rechthebbende: degene die in aanmerking komt voor waardeoverdracht;

– ruilvoet: verhouding tussen het in te ruilen pensioen en het daarvoor in te kopen pensioen;

– uitbesteding door een uitvoerder: het door een uitvoerder verlenen van een opdracht aan een derde tot het ten behoeve van die uitvoerder verrichten van werkzaamheden die deel uitmaken van:

1°. of voortvloeien uit het uitoefenen van het bedrijf; of

2°. de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan;

– uitvoerder:

1°. pensioenuitvoerder als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

2°. pensioenuitvoerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

HOOFDSTUK 2. INFORMATIE

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 21, vierde lid, 38, derde lid, 39, tweede lid, 40, derde lid, 41, tweede lid, 42, derde lid, 43, tweede lid, 44, derde lid, 45, tweede lid en 46, vijfde lid van de Pensioenwet en de artikelen 48, derde lid, 49, derde lid, 50, tweede lid, 51, derde lid, 52, tweede lid, 53, derde lid, 54, tweede lid, 55, derde lid, 56, tweede lid en 57, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 2. Informatie over basispensioenregeling

  • 1. De informatie over de inhoud van de basispensioenregeling, bedoeld in artikel 21 van de Pensioenwet dan wel artikel 48 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bevat in ieder geval het volgende:

    a. de ingangsdatum van de pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling;

    b. de pensioensoorten, waarbij aangegeven wordt of nabestaandenpensioen, al dan niet samen met ouderdomspensioen, deel uitmaakt van de basispensioenregeling;

    c. het karakter van de pensioenovereenkomst, bedoeld in artikel 10 van de Pensioenwet, dan wel de beroepspensioenregeling, bedoeld in artikel 28 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, waarbij wordt vermeld welke risico’s door de werknemer dan wel beroepsgenoot gedragen worden;

    d. de wijze waarop de pensioenaanspraken worden vastgesteld;

    e. de ingangsdatum van het pensioen en de duur van de uitkering;

    f. de gevolgen van beëindiging van de deelneming voor de hoogte van de pensioenaanspraken waarbij aangegeven wordt welke pensioenaanspraken op risicobasis zijn;

    g. de gevolgen van arbeidsongeschiktheid voor de verwerving van pensioenaanspraken;

    h. een betalingsvoorbehoud van de werkgever;

    i. de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting, bedoeld in artikel 54 van de Pensioenwet dan wel artikel 65 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; en

    j. de informatieverplichtingen van de werknemer dan wel beroepsgenoot jegens de werkgever en de uitvoerder.

  • 2. Indien er sprake is van een premieovereenkomst dan wel premieregeling informeert de uitvoerder de werknemer dan wel beroepsgenoot over:

    a. de bestemming van de premie waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen pensioen op opbouwbasis, pensioen op risicobasis, de kosten en de ontwikkeling van deze elementen in de tijd; en

    b. het verloop van de premie.

  • 3. Tevens wordt informatie verstrekt over:

    a. het wettelijk recht op waardeoverdracht, bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling of de mogelijkheid tot waardeoverdracht, bedoeld in artikel 75 van de Pensioenwet dan wel artikel 86 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

    b. de keuzemogelijkheden die er zijn ten aanzien van uitruil;

    c. het bestaan van een vrijwillige pensioenregeling en de pensioensoort waarop deze vrijwillige pensioenregeling betrekking heeft;

    d. welke informatie op verzoek wordt verstrekt op grond van artikel 46 van de Pensioenwet, artikel 57 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 9;

    e. het actueel zijn van een korte- of langetermijnherstelplan; en

    f. de bij de uitvoerder geldende klachtenregeling.

Artikel 3. Mogelijkheid toezichthouder tot stellen nadere regels met betrekking tot informatieverstrekking bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid

De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het informeren van de deelnemer over de risico’s, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, voor zover het gaat om premieovereenkomsten dan wel premieregelingen met beleggingsvrijheid voor de deelnemer.

Artikel 4. Informatie over toeslagverlening

  • 1. De informatie over toeslagverlening die op grond van de artikelen 21 en 38 tot en met 45 van de Pensioenwet dan wel de artikelen 48 tot en met 56 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op:

    a. het ambitieniveau en de voorwaarden die gelden bij de toeslagverlening;

    b. de wijze van financiering van voorwaardelijke toeslagverlening en, indien is gekozen voor financiering als bedoeld in artikel 137, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 132, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de hoogte van de voorziening in relatie tot de benodigde voorziening;

    c. de verwachtingen ten aanzien van toekomstige toeslagverlening; en

    d. de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar waarbij wordt aangegeven of dit in overeenstemming met het gepresenteerde toeslagenbeleid is geweest.

  • 2. Bij de verlening van informatie over de verwachtingen ten aanzien van toekomstige toeslagverlening wordt door fondsen gebruik gemaakt van de continuïteitsanalyse.

Artikel 5. Verstrekken informatie aan deelnemers jaarlijks

  • 1. Aan de deelnemers wordt jaarlijks een opgave van de verworven pensioenaanspraken verstrekt waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een uitkeringsovereenkomst dan wel uitkeringsregeling, een kapitaalovereenkomst dan wel kapitaalregeling en een premieovereenkomst dan wel premieregeling.

  • 2. De opgave van de reglementair te bereiken pensioenaanspraken bevat:

    a. in geval van een uitkeringsovereenkomst dan wel uitkeringsregeling een opgave van de hoogte van het periodiek uit te keren pensioen vanaf de ingangsdatum van het pensioen;

    b. in geval van een kapitaalovereenkomst dan wel kapitaalregeling een opgave van de hoogte van het voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de ingangsdatum van het pensioen; of

    c. in geval van een premieovereenkomst dan wel premieregeling:

    1°. de hoogte van de periodieke uitkering wanneer de premie voor de ingangsdatum van het pensioen reeds daarvoor wordt aangewend; en

    2°. de hoogte van het voor periodieke uitkeringen aan te wenden verzekerd kapitaal wanneer de premie voor de ingangsdatum van het pensioen reeds daarvoor wordt aangewend.

  • 3. Bij de in het tweede lid bedoelde opgave wordt ten aanzien van nabestaandenpensioen aangegeven wat de consequenties zijn van de gekozen wijze van financieren.

Artikel 6. Verstrekken informatie aan deelnemers bij beëindiging deelneming

De uitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming informatie over:

a. de mogelijkheid van afkoop, bedoeld in artikel 66 van de Pensioenwet dan wel artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover er sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens;

b. het recht op waardeoverdracht, bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, of de mogelijkheid tot waardeoverdracht, bedoeld in artikel 75 van de Pensioenwet dan wel artikel 86 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

c. de consequenties van arbeidsongeschiktheid;

d. het actueel zijn van een korte- of langetermijnherstelplan; en

e. het vervallen van de dekking tegen het risico op overlijden indien nabestaandenpensioen werd verworven op basis van risicofinanciering.

Artikel 7. Verstrekken informatie aan gewezen partner bij scheiding

De uitvoerder verstrekt de gewezen partner bij scheiding informatie over de mogelijkheid van afkoop, bedoeld in artikel 68 van de Pensioenwet dan wel artikel 80 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens.

Artikel 8. Verstrekken informatie aan deelnemers vrijwilligepensioenregeling

  • 1. De uitvoerder informeert een deelnemer voorafgaand aan de deelneming in de vrijwillige pensioenregeling over de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling, waarbij artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 3 van overeenkomstige toepassing zijn.

  • 2. De informatie over de reglementair te bereiken pensioenaanspraken wordt overeenkomstig artikel 5, tweede lid, vastgesteld. Indien bij een premieovereenkomst of een premieregeling de premie wordt belegd wordt een indicatie gegeven van het te bereiken voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de pensioendatum en de daarbij gehanteerde veronderstellingen.

  • 3. De indicatie van het te bereiken kapitaal, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend op basis van drie scenario’s: een pessimistisch, een midden- en een optimistisch rendementsscenario.

  • 4. De regels op grond van artikel 39, vierde lid, van het Besluit financiële dienstverlening zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9. Verstrekken van informatie op verzoek

  • 1. Indien sprake is van een premieovereenkomst dan wel premieregeling waarbij de deelnemer tijdens de opbouwperiode het beleggingsrisico draagt verstrekt de uitvoerder op verzoek aan de deelnemer en de gewezen deelnemer informatie over alle beleggingsmogelijkheden, de feitelijke beleggingsportefeuille, de risicopositie en de kosten in verband met de beleggingen.

  • 2. Bij een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd verstrekt de pensioenuitvoerder op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of gewezen partner een indicatie van het te bereiken voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de pensioendatum en de daarbij gehanteerde veronderstellingen. Artikel 8, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De pensioenuitvoerder verstrekt op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of gewezen partner een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum wanneer het kapitaal, bedoeld in het tweede lid en artikel 5, tweede lid, onderdelen b en c, onder 2°, daarvoor wordt aangewend.

  • 4. Bij de indicatie, bedoeld in het derde lid, worden de op het moment van het verzoek bij de pensioenuitvoerder geldende tarieven gehanteerd. De periodieke uitkeringen worden gecorrigeerd voor te verwachten prijsinflatie. Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald met welke te verwachten prijsinflatie gecorrigeerd wordt.

  • 5. Bij het verstrekken van de indicatie, bedoeld in het derde lid, dient de pensioenuitvoerder er op te wijzen dat het risico dat de definitieve pensioenuitkering afwijkt van de indicatie bij de betrokkene ligt.

  • 6. Het fonds verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gewezen partner of de pensioengerechtigde op verzoek de verklaring inzake beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 145 van de Pensioenwet dan wel artikel 140 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 7. De uitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gewezen partner of de pensioengerechtigde op verzoek:

    a. het kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 140 van de Pensioenwet dan wel artikel 135 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

    b. het langetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 138 van de Pensioenwet dan wel artikel 133 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

    c. informatie over de hoogte van de dekkingsgraad;

    d. informatie over het van toepassing zijn van een aanwijzing als bedoeld in artikel 171 van de Pensioenwet dan wel artikel 166 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; en

    e. informatie over de aanstelling van een bewindvoerder als bedoeld in artikel 173 van de Pensioenwet dan wel artikel 168 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 8. De uitvoerder verstrekt de deelnemer of gewezen deelnemer op verzoek informatie over de consequenties van uitruil als bedoeld in artikel 60, 61 of 62 van de Pensioenwet dan wel de artikelen 72, 73 of 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling voor de deelnemer.

Artikel 10. Kosten informatieverstrekking

De informatie op grond van de artikelen 21, 38 tot en met 45 en 46, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 48 tot en met 56, 57, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt kosteloos verstrekt. De informatie op grond van artikel 9, eerste en achtste lid, wordt eveneens kosteloos verstrekt.

HOOFDSTUK 3. FONDSBESTUUR

Bepaling ter uitvoering van artikel 33, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 11. Waarborging goed bestuur

Als principes voor goed pensioenfondsbestuur als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden aangewezen de Principes voor goed pensioenfondsbestuur, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid op 16 december 2005.

HOOFDSTUK 4. UITBESTEDING

Bepalingen ter uitvoering van artikel 34, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 43, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 12. Werkzaamheden die niet mogen worden uitbesteed

Een uitvoerder besteedt niet uit:

a. taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid;

b. werkzaamheden waarvan uitbesteding de verantwoordelijkheid van de uitvoerder voor de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen en het toezicht daarop kan ondermijnen;

c. indien de uitbesteding een belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Pensioenwet dan wel de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde.

Artikel 13. Overeenkomst tot uitbesteding

  • 1. Een fonds legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed schriftelijk vast.

  • 2. In de overeenkomst wordt in ieder geval het volgende geregeld:

    a. welke werkzaamheden worden uitbesteed onder verwijzing, indien mogelijk, naar de administratieve organisatiebeschrijving van het fonds, alsmede de voorwaarden waaronder de uitbesteding plaatsvindt;

    b. de onderlinge informatie-uitwisseling tussen het fonds en de derde, met inbegrip van afspraken over het beschikbaar stellen van informatie waar de toezichthouder ter uitvoering van zijn wettelijke taak om verzoekt;

    c. de mogelijkheid voor het fonds om te allen tijde wijzigingen aan te brengen in de wijze waarop de uitvoering van de werkzaamheden door de derde geschiedt;

    d. de verplichting voor de derde om het fonds in staat te stellen blijvend te voldoen aan het bij of krachtens de Pensioenwet dan wel de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde;

    e. de mogelijkheid voor de toezichthouder om onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen bij de derde; en

    f. de wijze waarop de overeenkomst wordt beëindigd, en de wijze waarop wordt gewaarborgd dat het fonds de werkzaamheden na beëindiging van de overeenkomst weer zelf kan uitvoeren of door een andere derde kan laten uitvoeren.

  • 3. De toezichthouder maakt slechts gebruik van de mogelijkheid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, indien niet op andere wijze bij het fonds kan worden vastgesteld dat ten aanzien van de uitbestede werkzaamheden wordt voldaan aan het bij of krachtens de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde.

  • 4. Indien in de overeenkomst is opgenomen dat de derde gegevens en inlichtingen ten behoeve van het toezicht rechtstreeks aan de toezichthouder beschikbaar stelt, kan de toezichthouder zich ook wenden tot die derde. De derde is verplicht om de toezichthouder alle medewerking te verlenen.

Artikel 14. Beheersing van de risico’s

  • 1. Een fonds draagt zorg voor een systematische analyse van de risico’s die samenhangen met de uitbesteding van werkzaamheden en legt deze vast. Het fonds maakt de analyse op het niveau van zijn eigen organisatie in zijn geheel en op het niveau van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.

  • 2. Een fonds voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden, als onderdeel van een beheerste en integere bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 143 van de Pensioenwet dan wel artikel 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 3. Een fonds beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.

HOOFDSTUK 5. UITRUIL, AFKOOP EN GELIJKE BEHANDELING

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 60, elfde lid, 61, vijfde lid, 62, zesde lid, 66, elfde lid en 69, vijfde lid, van de Pensioenwet, de artikelen 72, elfde lid, 73, vijfde lid, 74, zesde lid en 78, elfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen

Artikel 15. Ruilvoet en opbouwkeuzevoet

  • 1. Per geboden keuzemogelijkheid als bedoeld in artikel 60, 61 of 62 van de Pensioenwet dan wel artikel 72, 73, 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder voor een door hem te bepalen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers dezelfde ruilvoet of opbouwkeuzevoet vastgesteld.

  • 2. De ruilvoet en opbouwkeuzevoet worden zodanig vastgesteld dat sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid als bedoeld in de artikelen 60, vijfde lid, 61, vierde lid, en 62, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 72, vijfde lid, 73, vierde lid en 74, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan aan een gewezen deelnemer de ruilvoet worden toegekend, die geldt op de dag van beëindiging van de deelneming.

Artikel 16. Afkoop kleine pensioenen en afkoop bovenmatig pensioen

  • 1. De afkoopwaarde, bedoeld in de artikelen 66 en 69, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel bedoeld in artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder vastgesteld door middel van een afkoopvoet.

  • 2. Er wordt dezelfde afkoopvoet vastgesteld voor een door de pensioenuitvoerder vast te stellen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers.

  • 3. De afkoopvoet wordt zodanig vastgesteld dat er sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.

Artikel 17. Gelijke behandeling bij pensioenovereenkomsten met onbepaalde verhouding tussen pensioensoorten

Indien met de werkgever niet uitdrukkelijk een bepaalde verhouding tussen verschillende pensioensoorten is overeengekomen wordt de beschikbaar gestelde premie of de aanspraak op kapitaal, bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen zodanig vastgesteld dat, ervan uitgaande dat slechts ouderdomspensioen is toegezegd, het in te kopen pensioen naar het inzicht op het tijdstip van vaststelling van die bijdrage voor mannen en vrouwen gelijk is.

HOOFDSTUK 6. WAARDEOVERDRACHT

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 71, zevende lid, 76, negende lid, en 83, zevende lid van de Pensioenwet en de artikelen 82, zevende lid, en 91, zevende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregelingen

Artikel 18. Verzoek opgave informatie aan overdragende uitvoerder

  • 1. De ontvangende uitvoerder vraagt binnen één maand nadat de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken, aan de overdragende uitvoerder een opgave per de overdrachtsdatum van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder:

    a. de pensioenaanspraken waarop de overdrachtswaarde is gebaseerd;

    b. de toeslagverlening;

    c. geslacht, geboortedatum en pensioendatum; en

    d. alle overige informatie die van belang is voor de uitvoering van de waardeoverdracht.

    Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien de overdragende uitvoerder een premieovereenkomst of premieregeling uitvoert waarbij de premie wordt belegd, geldt de opgave als een voorlopige opgave en is het eerste lid, onderdelen a en b, niet van toepassing.

Artikel 19. Opgave informatie aan de uitvoerder

De overdragende uitvoerder verstrekt de opgave of de voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de ontvangende uitvoerder.

Artikel 20. Opgave informatie aan de rechthebbende

De ontvangende uitvoerder verstrekt de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst aan de deelnemer onder vermelding van de aanspraken die zullen voortvloeien uit de waardeoverdracht en de wijze waarop de aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, zullen worden behandeld. Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21. Verzoek tot waardeoverdracht

  • 1. Indien de deelnemer gebruik wil maken van zijn recht op waardeoverdracht, dient hij binnen twee maanden na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, en, indien van toepassing, artikel 22, een verzoek tot waardeoverdracht in bij de ontvangende uitvoerder.

  • 2. Pensioenaanspraken die door de rechthebbende zijn of worden verkregen op grond van de FVP-bijdrage worden geacht inbegrepen te zijn in het verzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Indien de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen niet instemt met het verzoek tot waardeoverdracht met betrekking tot het partnerpensioen, is artikel 58 van de Pensioenwet dan wel artikel 69 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22. Verzoek opgave informatie aan ontvangende uitvoerder

De deelnemer kan voor het einde van de termijn genoemd in artikel 21, eerste lid, verzoeken om een aanvullende opgave voor het geval de waarde van het partnerpensioen niet wordt overgedragen. De termijnen, genoemd in de artikelen 18 tot en met 21, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23. Afhandeling waardeoverdracht

  • 1. De ontvangende uitvoerder stelt de overdragende uitvoerder terstond in kennis van de ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht.

  • 2. Het risico dat betrekking heeft op de over te dragen aanspraken, komt met ingang van de datum van het verzoek van de rechthebbende, bedoeld in artikel 21, eerste lid, voor rekening van de ontvangende uitvoerder.

  • 3. De overdrachtswaarde wordt binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht door de overdragende uitvoerder aan de ontvangende uitvoerder betaald.

  • 4. De overdragende uitvoerder is rente verschuldigd aan de ontvangende uitvoerder over de overdrachtswaarde over de periode tussen de overdrachtsdatum en de datum waarop de overdrachtswaarde wordt betaald, tenzij het de waardeoverdracht betreft van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een andere premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd. Bij overdracht van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een kapitaal- of uitkeringsovereenkomst of een kapitaal- of uitkeringsregeling wordt de rente geacht in de overdrachtswaarde begrepen te zijn. Onze Minister stelt regels over de berekening van de rente.

  • 5. De termijnen, genoemd in dit hoofdstuk, zijn op waardeoverdracht van pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 21, tweede lid, niet eerder van toepassing dan nadat de overdragende uitvoerder de FVP-bijdrage heeft ontvangen.

Artikel 24. Overschrijding termijnen

Overschrijding van de in dit hoofdstuk gestelde termijnen door de overdragende of ontvangende uitvoerder wordt de deelnemer niet tegengeworpen.

Artikel 25. Berekening overdrachtswaarde

  • 1. De overdrachtswaarde van pensioenaanspraken is ten minste gelijk aan de contante waarde van de over te dragen pensioenaanspraken op de overdrachtsdatum en wordt berekend op basis van het standaardtarief. Onze Minister stelt regels inzake het standaardtarief. Het standaardtarief wordt berekend op basis van marktwaardering.

  • 2. Indien de overdrachtswaarde niet op basis van het standaardtarief berekend kan worden, worden de pensioenaanspraken met behoud van de actuariële gelijkwaardigheid eerst omgezet in pensioenaanspraken waarop het standaardtarief wel toegepast kan worden.

  • 3. Bij de berekening van de overdrachtswaarde mogen buiten beschouwing blijven:

    a. partnerpensioen dat is verzekerd op risicobasis, wezenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen; en

    b. aanspraken op partnerpensioen die achterblijven bij de overdragende uitvoerder.

  • 4. De overdrachtswaarde wordt, in afwijking van het eerste lid, niet berekend op basis van het standaardtarief indien de pensioenaanspraken voortvloeien uit:

    a. een kapitaalovereenkomst of kapitaalregeling;

    b. een premieovereenkomst of premieregeling, waarbij de premie wordt belegd; of

    c. een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt aangewend voor de aankoop van een verzekerd kapitaal.

  • 5. Onze Minister stelt regels voor de berekening van de overdrachtswaarde in de in het vierde lid genoemde gevallen.

Artikel 26. Overdrachtswaarde niet gelijk aan waarde gefinancierde deel van de aanspraken

Indien bij een uitkeringsovereenkomst of een uitkeringsregeling de overdrachtswaarde niet gelijk is aan de waarde van het gefinancierde deel van de aanspraken, komt het verschil ten gunste, respectievelijk ten laste, van de oude werkgever of van het fonds waar de regeling was ondergebracht.

Artikel 27. Aanwenden van overdrachtswaarde

  • 1. Onze Minister stelt regels voor de berekening van de inkoop van pensioenaanspraken op grond van de overdrachtswaarde in de pensioenregeling van de ontvangende uitvoerder.

  • 2. In geval van waardeoverdracht naar een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd wordt de overdrachtswaarde binnen een week na ontvangst van de overdrachtswaarde aangewend voor de aankoop van beleggingseenheden.

Artikel 28. Behandeling aanspraken na waardeoverdracht

  • 1. De na waardeoverdracht verkregen aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, worden behandeld alsof zij in die regeling zelf zijn opgebouwd, waarbij zij ook ten aanzien van de toeslagverlening op dezelfde manier behandeld worden.

  • 2. Indien de ontvangende uitvoerder een beroepspensioenregeling uitvoert, kan worden afgeweken van het eerste lid ten aanzien van de toeslagverlening indien toepassing van het eerste lid op dat punt zou leiden tot een kennelijk onredelijk resultaat.

  • 3. Indien in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, pensioenopbouw plaatsvindt op basis van dienstjaren, wordt de overdrachtswaarde omgezet in voor de pensioenopbouw meetellende dienstjaren.

  • 4. In een pensioenregeling die voor de pensioenopbouw rekent met een maximaal te bereiken aantal dienstjaren, geldt dat, indien toepassing van het tweede lid leidt tot meer dan het maximale aantal dienstjaren, het meerdere wordt behandeld als een bij ontslag verkregen pensioenaanspraak in die regeling.

HOOFDSTUK 7. EISEN TEN AANZIEN VAN DESKUNDIGHEID EN BETROUWBAARHEID

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 105, tiende lid, van de Pensioenwet en artikel 110, tiende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 29. Toets deskundigheid en betrouwbaarheid

Voorafgaand aan de benoeming van een persoon die het beleid van een fonds gaat bepalen of mede bepalen toetst de Nederlandsche Bank de deskundigheid en betrouwbaarheid van die persoon, bedoeld in artikel 105 van de Pensioenwet dan wel artikel 110 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 30. Deskundigheid

  • 1. Voor het voldoen aan de vereiste deskundigheid is er in de kring van personen die het beleid van het fonds bepalen of mede bepalen ten minste een zodanig niveau van kennis en ervaring aanwezig dat het fonds, mede gelet op artikel 105, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 110, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, behoorlijk wordt bestuurd.

  • 2. Ten minste twee personen in de kring van personen die het beleid van het fonds bepalen of mede bepalen dienen meerjarige ervaring te hebben in het besturen van een organisatie.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde deskundigheid heeft betrekking op:

    a. het besturen van een organisatie;

    b. relevante wet- en regelgeving;

    c. pensioenregelingen en pensioensoorten;

    d. financieel technische en actuariële aspecten, waaronder financiering, beleggingen, actuariële principes en herverzekering;

    e. administratieve organisatie en interne controle; en

    f. communicatie.

  • 4. Het fonds geeft op verzoek van de Nederlandsche Bank aan:

    a. hoe het beleid van het fonds ter bevordering en handhaving van het vereiste deskundigheidsniveau luidt;

    b. welke personen belast zijn met welke beleidsbepalende taken;

    c. welke personen over welke deskundigheid beschikken; en

    d. hoe en binnen welke termijn bepaalde tekortkomingen in de vereiste deskundigheid opgeheven zullen worden.

Artikel 31. Betrouwbaarheid

De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 105, vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 110, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.

Artikel 32. Antecedenten

De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 31, in ieder geval in aanmerking de in de bijlage bij dit besluit genoemde antecedenten.

Artikel 33. Bronnen

  • 1. De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 31 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:

    a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;

    b. van de Landelijke Officier van Justitie verkregen gegevens uit de politieregisters;

    c. gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet documentatie vennootschappen;

    d. gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;

    e. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;

    f. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;

    g. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties;

    h. gegevens uit openbare bronnen;

    i. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 31 bedoelde persoon betrokken is geweest;

    j. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene; of

    k. gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen bronnen.

  • 2. Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:

    a. de reden van het nadere onderzoek;

    b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en

    c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.

Artikel 34. Strafrechtelijke veroordeling

De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 31 staat niet buiten twijfel als deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage bij dit besluit, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.

Artikel 35. Vaststelling betrouwbaarheid

De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 31, in aanmerking:

a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;

b. de belangen die de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling beogen te beschermen; en

c. de overige belangen van het fonds en de betrokkene.

HOOFDSTUK 8. TOEDELING TAKEN TOEZICHTHOUDERS

Bepalingen ter uitvoering van artikel 151, zevende lid, van de Pensioenwet en artikel 146, zevende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 36. Toedeling van taken

  • 1. De Stichting Autoriteit Financiële Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 21, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, derde lid, 28, eerste lid, indien het fonds geen deelnemersraad heeft, 29, eerste lid, 33, voor zover het betreft de klachtenregeling van verzekeraars, 36, 38 tot en met 51, 52, tweede tot en met zesde lid, 66, derde en vierde lid, 67, tweede lid, 68, tweede lid, 71, derde lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 74, tweede en derde lid, 76, derde en negende lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 83, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het informeren van de daarin genoemde personen en 134, tweede lid van de Pensioenwet.

  • 2. De Stichting Autoriteit Financiële Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 38, eerste lid, 39, eerste lid, 42, voor zover het betreft de klachtenregeling van verzekeraars, 44, 46 tot en met 62, 63, tweede tot en met zesde lid, 78, derde en vierde lid, 79, tweede lid, 80, tweede lid, 82, derde lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 85, tweede en derde lid, 91, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het informeren van de daarin genoemde personen en 129, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 3. De Nederlandsche Bank houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met uitzondering van de regels genoemd in het eerste en tweede lid.

Artikel 37. Uitzondering bevoegdheden

De Stichting Autoriteit Financiële Markten beschikt niet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 172, 173 en 174 van de Pensioenwet en de artikelen 167, 168 en 169 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 38. Wijze van samenwerking

  • 1. De Stichting Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank maken afspraken over:

    a. de uitwisseling van gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 205 van de Pensioenwet en artikel 199 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

    b. de afstemming van beleidsregels, met name over de inzet van handhavinginstrumenten;

    c. de wijze waarop en het moment wanneer informatie over de toepassing van een handhavinginstrument wordt uitgewisseld;

    d. het overnemen van elkaars oordeel.

  • 2. De afspraken, bedoeld in het eerste lid, worden schriftelijk vastgelegd en zijn openbaar. De afspraken worden ter kennisneming gezonden aan Onze Minister.

Artikel 39. Contacten toezichthouder met Onze Minister

  • 1. De toezichthouder deelt Onze Minister schriftelijk mee welk bestuurslid dan wel directielid fungeert als aanspreekpunt voor Onze Minister.

  • 2. De toezichthouder stelt Onze Minister schriftelijk in kennis van wijzigingen in de samenstelling en taakverdeling binnen het bestuur of de directie.

Artikel 40. Eisen aan de toezichthouder

  • 1. De toezichthouder richt zijn organisatie zodanig in dat de uitvoering van het toezicht onafhankelijk kan plaatsvinden.

  • 2. De toezichthouder beschikt over een beleid met betrekking tot het vervullen van nevenbetrekkingen. Dit beleid richt zich op het voorkomen van nevenbetrekkingen die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid.

  • 3. De toezichthouder besteedt de oordeelsvorming en de toepassing van handhavinginstrumenten niet uit.

  • 4. De toezichthouder beschikt over een beschrijving van de administratieve organisatie en over een systeem van periodieke interne controle.

HOOFDSTUK 9. KOSTENREGELING

Bepalingen ter uitvoering van artikel 160, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 155, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 41. Incidentele kosten

  • 1. De Nederlandsche Bank kan eenmalig een bedrag in rekening brengen aan een uitvoerder ter vergoeding van kosten van de behandeling van:

    a. de toetsing van de betrouwbaarheid van personen als bedoeld in artikel 105, negende lid, van de Pensioenwet en artikel 110, negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

    b. de toetsing van de deskundigheid van personen als bedoeld in artikel 30;

    c. een verzoek om verlening of wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 125, onderdeel a, van de Pensioenwet en artikel 25, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

    d. de inschrijving in het register, bedoeld in artikel 210 van de Pensioenwet en artikel 204 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister wordt op voorstel van de Nederlandsche Bank de hoogte van de eenmalig in rekening te brengen bedragen, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.

Artikel 42. Jaarlijkse kosten

  • 1. De toezichthouder brengt jaarlijks een bedrag in rekening aan uitvoerders ter zake van kosten als bedoeld in artikel 160 van de Pensioenwet dan wel artikel 155 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover de desbetreffende kosten niet al op grond van artikel 41 in rekening worden gebracht.

  • 2. De op grond van het eerste lid in rekening te brengen kosten worden op basis van de begroting waarmee is ingestemd door Onze Minister, geraamd voor het jaar waarop het in rekening te brengen bedrag betrekking heeft.

  • 3. De geraamde kosten worden toegerekend aan categorieën van uitvoerders naar de mate van het beslag op de werkzaamheden van de toezichthouder, bedoeld in artikel 160 van de Pensioenwet en artikel 155 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 4. De per categorie toegerekende geraamde kosten worden verminderd of vermeerderd met het aan de desbetreffende categorie toe te rekenen exploitatiesaldo als bedoeld in artikel 160, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 155, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en verminderd met de aan de desbetreffende categorie toe te rekenen opbrengsten uit bestuurlijke boetes en verbeurde dwangsommen als bedoeld in artikel 160, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 155, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling die niet reeds zijn opgenomen in het exploitatiesaldo.

  • 5. De in het derde lid bedoelde categorieën van pensioenuitvoerders zijn:

    a. fondsen;

    b. verzekeraars.

  • 6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere categorieën worden vastgesteld.

Artikel 43. Vaststelling verschuldigd bedrag

  • 1. Het bedrag, bedoeld in artikel 42, eerste lid, bestaat uit een per categorie vast te stellen minimumbedrag ter dekking van de minimale toezichtkosten per uitvoerder in de desbetreffende categorie, vermeerderd met een bedrag dat:

    a. wordt gebaseerd op de kosten die per categorie zijn toegerekend op de wijze, bedoeld in artikel 42, onder aftrek van het totaal van de aan de desbetreffende categorie in rekening te brengen minimumbedragen, en

    b. is doorberekend naar rato van de maatstafgegevens die betrekking hebben op het voorafgaande jaar dan wel, indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, het daaraan voorafgaande jaar of het lopende jaar.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister wordt op voorstel van de toezichthouder vastgesteld:

    a. het minimumbedrag per onderwerp van toezicht: gedragstoezicht, prudentieel toezicht en materieel toezicht;

    b. de maatstaf per categorie; en

    c. de maximummaatstaf per categorie.

Artikel 44. Verschuldigd bedrag bij gedeelte jaar

  • 1. Het bedrag, bepaald op basis van artikel 43, wordt voor een uitvoerder die niet eerder dan 1 februari van het lopende jaar onder een categorie valt, in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal maanden in het jaar dat de uitvoerder onder de categorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als volledige maand.

  • 2. Aan een uitvoerder die niet langer onder een categorie valt, wordt het bedrag terugbetaald naar evenredigheid van het aantal maanden van het jaar dat de uitvoerder niet langer onder de categorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als volledige maand.

Artikel 45. Gegevensverstrekking

  • 1. Een uitvoerder verstrekt binnen een door de toezichthouder te stellen redelijke termijn een opgave van de maatstafgegevens.

  • 2. Indien een uitvoerder niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn een opgave heeft gedaan of een kennelijk onjuiste of onvolledige opgave heeft gedaan, kan de toezichthouder een schatting maken van de maatstafgegevens.

Artikel 46. Betaling

  • 1. De toezichthouder bepaalt de wijze en het tijdstip van betaling van de bedragen, bedoeld in de artikelen 41 en 42.

  • 2. Indien als wijze van betaling automatische incasso is overeengekomen, kan de toezichthouder bij het in rekening brengen van het bedrag per factuur een korting toepassen.

Artikel 47. Fusie uitvoerders

Indien een uitvoerder het vermogen heeft gekregen van een uitvoerder die in het lopende jaar of in het voorafgaande jaar is opgehouden onder een categorie te vallen, wordt het bedrag ter vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 42, eerste lid, die door de toezichthouder ten aanzien van laatstbedoelde uitvoerder zijn gemaakt, in rekening gebracht bij de verkrijgende uitvoerder, voor zover deze kosten niet reeds bij de laatstbedoelde uitvoerder in rekening zijn gebracht.

HOOFDSTUK 10. BOETEREGELING

Bepalingen ter uitvoering van artikel 179, eerste en tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 174, eerste en tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 48. Hoogte boetebedragen

Voor de tariefnummers, behorend bij de in artikel 49 genoemde overtredingen, zijn de boetebedragen als volgt vastgesteld:

Tariefnummer

Boete

1

€ 1.000

2

€ 6.000

3

€ 24.000

4

€ 96.000

Artikel 49. Indeling naar tarief

  • 1. Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Pensioenwet, is als volgt beboetbaar:

    Pensioenwet

    Tariefnummer

    21, eerste lid

    3

    21, tweede lid, tweede volzin

    3

    23

    4

    25

    2

    26

    2

    28

    2

    29, eerste lid

    3

    34, eerste lid

    3

    35

    3

    36, eerste lid

    3

    38 tot en met 48

    3

    49

    3

    50, tweede en vierde lid

    2

    52

    4

    58

    3

    60, eerste tot en met tiende lid

    3

    61, eerste tot en met vijfde lid

    3

    62, eerste tot en met vijfde lid

    3

    63

    2

    66, derde, vierde, vijfde, zesde en negende lid

    4

    67, tweede lid

    4

    68, tweede lid

    4

    69, tweede en derde lid

    4

    71, eerste tot en met vijfde lid

    3

    74, tweede en derde lid

    3

    76, eerste, tweede, derde en vierde lid

    3

    83, tweede lid

    3

    84, tweede lid

    3

    85, eerste lid

    3

    86, eerste en tweede lid

    3

    87

    3

    91

    2

    94, tweede lid

    2

    95

    3

    96

    1

    98

    2

    99

    2

    100

    2

    101

    2

    102

    2

    103

    2

    105, eerste lid

    2

    105, tweede, derde en vijfde t/m achtste lid

    1

    106

    1

    109

    1

    110

    2

    111

    2

    113

    1

    114

    2

    115

    2

    116

    3

    117

    3

    118, eerste, tweede en derde lid

    4

    119, eerste, tweede en derde lid

    4

    120, eerste, tweede en derde lid

    4

    125

    3

    128

    2

    129

    2

    130

    2

    134, tweede, vierde en vijfde lid

    2

    135, eerste lid

    2

    136, eerste lid

    2

    137, eerste lid

    2

    138, eerste t/m vierde lid

    3

    139

    3

    140, eerste tot en met derde lid

    3

    143

    2

    145

    2

    146

    2

    147, eerste, tweede, derde en vijfde lid

    3

    150

    2

    167

    2

    169

    2

    170, eerste en tweede lid

    2

    170, derde en vierde lid

    1

    171, eerste lid

    3

    172, vijfde lid

    2

    194

    1

    197

    2

    199

    2

    203, derde lid

    3

    204

    3

  • 2. Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is als volgt beboetbaar:

    Wet verplichte beroepspensioenregeling

    Tariefnummer

    8

    4

    21

    3

    22

    2

    23

    4

    25

    3

    26

    1

    35

    2

    36

    2

    38

    2

    39, eerste lid

    3

    43, eerste lid

    3

    44, eerste lid

    3

    46

    4

    47

    4

    48, eerste en tweede lid

    3

    49 tot en met 59

    3

    60

    3

    61, tweede en vierde lid

    2

    63

    4

    69

    3

    72, eerste tot en met tiende lid

    3

    73, eerste tot en met derde lid

    3

    74, eerste tot en met vijfde lid

    3

    75

    2

    78, derde, vierde, vijfde, zesde en negende lid

    4

    79, tweede lid

    4

    80, tweede lid

    4

    82, eerste tot en met vijfde lid

    3

    85, tweede en derde lid

    3

    91, tweede lid

    3

    92, tweede lid

    3

    93, eerste lid

    3

    94, eerste en tweede lid

    3

    95

    3

    99

    2

    102, tweede lid

    2

    103

    3

    104

    1

    105

    2

    106

    2

    107

    2

    108

    2

    110, eerste lid

    2

    110, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid

    1

    113

    1

    114

    3

    115

    3

    116

    4

    117

    4

    118

    4

    123

    2

    124

    2

    125

    2

    129, tweede, vierde en vijfde lid

    2

    130, eerste lid

    2

    131, eerste lid

    2

    132, eerste lid

    2

    133, eerste tot en met vierde lid

    3

    134

    3

    135, eerste tot en met derde lid

    3

    138

    2

    140

    2

    141

    2

    142, eerste, tweede, derde en vijfde lid

    3

    145

    2

    162

    2

    164

    2

    165, eerste en tweede lid

    2

    165, derde en vierde lid

    1

    166, eerste lid

    3

    167, vijfde lid

    2

    191

    2

    193

    2

    197, derde lid

    3

    198

    3

  • 3. Overtreding van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht wordt beboet volgens tariefnummer 3.

  • 4. Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van dit besluit, is als volgt beboetbaar:

    Artikelnummer

    Tariefnummer

    2

    3

    5

    3

    6

    3

    7

    3

    8

    3

    9

    3

    10

    3

    11

    2

    15

    3

    16

    4

    25

    3

    26

    3

    27

    3

    28

    3

  • 5. Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, is als volgt beboetbaar:

    Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen

    Tariefnummer

    12

    2

    13

    2

    14

    2

    15

    3

    16

    3

    29

    3

    31

    3

    33

    3

Artikel 50. Boeteoplegging naar draagkracht

  • 1. Indien een boete wordt opgelegd aan een uitvoerder, houdt de toezichthouder rekening met diens draagkracht.

  • 2. De draagkracht komt in de hoogte van de boete tot uiting door het boetebedrag, zoals bepaald op grond van de artikelen 48 en 49, te vermenigvuldigen met de op grond van artikel 51 toepasselijke draagkrachtfactor.

  • 3. Indien de toezichthouder niet beschikt over de voor de bepaling van de draagkracht noodzakelijke gegevens, verzoekt hij degene aan wie de boete zal worden opgelegd deze gegevens binnen een door hem te stellen redelijke termijn te verstrekken.

  • 4. Indien de uitvoerder de in het derde lid bedoelde gegevens niet binnen de in dat lid bedoelde termijn verstrekt, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete de draagkrachtfactor vijf van toepassing.

Artikel 51. Draagkrachtfactoren

De in artikel 50, tweede lid, bedoelde draagkrachtfactoren zijn:

a. draagkrachtfactor een: uitvoerders met een balanstotaal van minder dan € 10.000.000;

b. draagkrachtfactor twee: uitvoerders met een balanstotaal van tenminste € 10.000.000, maar minder dan € 50.000.000;

c. draagkrachtfactor drie: uitvoerders met een balanstotaal van tenminste € 50.000.000, maar minder dan € 250.000.000;

d. draagkrachtfactor vier: uitvoerders met een balanstotaal van tenminste € 250.000.000, maar minder dan € 500.000.000;

e. draagkrachtfactor vijf: uitvoerders met een balanstotaal van € 500.000.000 of meer.

HOOFDSTUK 11. OVERIGE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 52. Overgangsrecht in verband met artikel 18 en artikel 22 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet

  • 1. Ten aanzien van de in artikel 18, derde lid, van de Invoerings- en aanpassingwet Pensioenwet bedoelde pensioentoezeggingen, welke op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c en vierde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet al zijn ondergebracht bij een verzekeraar en waarbij na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen verwerving van pensioen meer plaats vindt, blijft de Pensioen- en spaarfondsenwet en hoofdstuk I en III van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

  • 2. In aanvulling op artikel 22, eerste lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet blijft, tot de datum van inwerkingtreding van de artikelen 38 tot en met 45 van de Pensioenwet, artikel 8a, vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

Artikel 53. Intrekken besluiten

1. Het Besluit verplichte beroepspensioenregeling wordt ingetrokken.

2. Het Besluit minimumbedrag eigen vermogen pensioenfondsen wordt ingetrokken.

Artikel 54. Wijziging vanwege invoering Wft

Indien het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft in werking treedt komt artikel 8, vierde lid, als volgt te luiden:

  • 4. De regels op grond van artikel 66, vierde lid, van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 55. Overgangsrecht

Tot 1 januari 2008 wordt artikel 25, eerste lid, als volgt gelezen:

  • 1. De overdrachtswaarde van pensioenaanspraken is tenminste gelijk aan de contante waarde van de over te dragen pensioenaanspraken op de overdrachtsdatum en wordt berekend op basis van het standaardtarief. Onze Minister stelt regels inzake het standaardtarief.

Artikel 56. Wijziging Besluit meldingsregeling Wet Bpf 2000

Artikel 2, eerste lid, van het Besluit meldingsregeling Wet Bpf 2000 komt te luiden:

  • 1. De mededeling, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet wordt schriftelijk gedaan uiterlijk veertien kalenderdagen na de dag waarop op grond van de regeling omtrent de betaling van de premies, bedoeld in artikel 26 van de Pensioenwet, dan wel op grond van de statuten en reglementen van het bedrijfstakpensioenfonds de bijdrage behoorde te zijn voldaan.

Artikel 57. Wijziging Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000

Het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 7, derde lid, wordt de zinsnede «een verzekeraar als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet» telkens vervangen door: een verzekeraar als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet.

B

In bijlage 3 Actuariële en financiële gelijkwaardigheid wordt de zinsnede «waardeoverdracht als bedoeld in artikel 32b van de Pensioen- en spaarfondsenwet» vervangen door: waardeoverdracht als bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet.

Artikel 58. Wijziging Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004

Het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

In dit besluit wordt verstaan onder:

– deelnemingsjaren: perioden als bedoeld in artikel 10ab van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;

– pensioenuitvoerder: bestuur van een pensioenfonds, beroepspensioenfonds of verzekeraar;

– waardeoverdracht: afkoop van pensioen of aanspraken op pensioen, onder aanwending van de afkoopsom voor het verwerven van pensioen of aanspraken op pensioen bij een andere pensioenuitvoerder;

B

In artikel 3, eerste lid, wordt «de opgave, bedoeld in artikel 4 van het Besluit reken- en procedureregels waardeoverdracht» vervangen door: de opgave, bedoeld in artikel 18 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

C

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «In afwijking van artikel 1 van het Besluit pensioentoezegging, is de in de eerste volzin bedoelde toezegging geen toezegging omtrent pensioen».

2. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Bij aanspraken op grond van een beroepspensioenregeling is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

D

Artikel 6, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De pensioenuitvoerder heeft de opgave, bedoeld in artikel 17, zesde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, binnen een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit verstrekt.

E

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Pensioenuitvoerders berekenen:

    a. de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, overeenkomstig artikel 76 en 83 van de Pensioenwet en artikel 91 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

    b. de afkoopsom, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, op basis van de actuariële grondslagen; en

    c. de aanspraken, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, overeenkomstig artikel 55 van de Pensioenwet en artikel 66 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

2. Het tweede lid vervalt.

3. In het derde lid vervalt «en het tweede lid, onderdelen b en c,».

4. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. In dit artikel wordt onder de actuariële grondslagen verstaan:

    a. de grondslagen die een pensioenfonds of beroepspensioenfonds volgens zijn actuariële en bedrijfstechnische nota hanteert voor de waardering van zijn pensioenverplichtingen; onderscheidenlijk

    b. de actuariële methoden die een verzekeraar hanteert voor de vaststelling van de technische voorzieningen.

Artikel 59. Wijziging Besluit bestuursorganen WNo en Wob

In artikel 1 van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob wordt «de Pensioen- en spaarfondsenwet» vervangen door: de Pensioenwet.

Artikel 60. Wijziging Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

Het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 68b wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «pensioenvoorziening» vervangen door: pensioenregeling.

2. In onderdeel b wordt «pensioenvoorzieningen» vervangen door: pensioenregelingen.

B

Bijlage 5a wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden

a. De pensioenfondsen, bedoeld in artikel 68b, onder a:

De pensioenfondsen, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet.

De beroepspensioenfondsen, bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

De Stichting Notarieel Pensioenfonds, bedoeld in artikel 113a van de Wet op het Notarisambt.

De Stichting Pensioenfonds Nederlandse Orde van Advocaten.

De stichting, bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering FVP.

2. Onderdeel b komt te luiden:

b. De verzekeraars, bedoeld in artikel 68b, onder b:

De verzekeraars, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3. Onderdeel c komt te luiden:

c. De spaarfondsen, bedoeld in artikel 68b, onder c:

De ondernemingsspaarfondsen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, zoals de Pensioen- en spaarfondsenwet luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Pensioenwet.

Artikel 61. Wijziging bijlage Wet toezicht accountantsorganisaties

In de bijlage bij artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de Wet toezicht accountantsorganisaties wordt «artikel 10b, vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet» vervangen door: artikel 147, vijfde lid, van de Pensioenwet en wordt «artikel 63, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling» vervangen door: artikel 142, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 62. Wijziging Besluit op de huurtoeslag

Artikel 2b, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit op de huurtoeslag komt te luiden:

a. afkoopsommen van ouderdoms- of nabestaandenpensioen die in het berekeningsjaar niet meer bedragen dan het bedrag dat is opgenomen in artikel 66, eerste lid, van de Pensioen wet en artikel 78, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;.

Artikel 63. Inwerkingtreding

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007, met uitzondering van de artikelen 2 tot en met 10 en artikel 15.

  • 2. De artikelen 2 tot en met 10 treden in werking met ingang van 1 januari 2008.

  • 3. Artikel 15 geldt ten aanzien van de keuzemogelijkheid, bedoeld in artikel 61, eerste, derde, vierde en zesde lid, van de Pensioenwet en artikel 73, eerste, derde, vierde en zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling met ingang van 1 januari 2008.

  • 4. Artikel 15 geldt ten aanzien van de keuzemogelijkheid, bedoeld in artikel 61, tweede, zevende, achtste en negende lid, van de Pensioenwet en artikel 73, tweede, zevende, achtste en negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling met ingang van 1 januari 2009.

Artikel 64. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 18 december 2006

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

Uitgegeven de achtentwintigste december 2006

De Minister voor Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

BIJLAGE

behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

1. Strafrechtelijke antecedenten

Veroordelingen

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

– het in of vanuit Nederland, beschikkende over voorwetenschap, verrichten of bewerkstelligen van transacties in bepaalde effecten (artikelen 5:53 en 5:56 van de Wet op het financieel toezicht Wft);

– het doorgeven van voorwetenschap als bedoeld in de artikelen 5:53 en 5:56 van de Wft of de nadrukkelijke aanbeveling bepaalde transacties te doen zonder daarbij de voorwetenschap door te geven (artikel 5:57 van de Wft);

– deelneming aan een criminele of terroristische organisatie (artikelen 140 tot en met 140a van het Wetboek van Strafrecht (WvSr));

– valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr);

– opzettelijk verstrekken van onware gegevens (artikel 227a WvSr);

– opzettelijk schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b WvSr);

– diefstal onder verzwarende omstandigheden (artikelen 311 en 312 WvSr);

– verduistering (artikelen 321 tot en met 323 WvSr);

– benadeling van schuldeisers of rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348 WvSr);

– opzetheling (artikel 416 WvSr);

– witwassen (artikelen 420 bis tot en met 420 ter WvSr); of

– overtreding van een bepaling uit de financiële ordeningswetgeving, als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 2 juncto 6 van de Wet op de economische delicten en waarvoor betrokkene is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een geldboete van ten minste de vierde categorie; of

– overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

2.1 Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

– openbare orde en discriminatie (artikelen 131 tot en met 151a);

– gemeengevaarlijke misdrijven (artikelen 157 tot en met 175);

– openbaar gezag (artikelen 177 tot en met 207a );

– muntmisdrijven (artikelen 208 tot en met 215 WvSr);

– andere valsheiddelicten dan muntmisdrijven (artikelen 216 tot en met 235 WvSr);

– opzettelijk verstrekken van onware gegevens (artikel 227a WvSr);

– opzettelijk schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b WvSr);

– misdrijven tegen de zeden (artikelen 242, 246, 243 tot en met 245, 247 tot en met 250, 250ter WvSr);

– bedreiging met geweld of misdrijf (artikel 285 WvSr);

– geweldsmisdrijven tegen het leven (artikelen 287 tot en met 294 WvSr);

– mishandeling (artikelen 300 tot en met 306 WvSr);

– dood en lichamelijk letsel door schuld (artikelen 307 tot en met 309 WvSr);

– eenvoudige diefstal (artikel 310 WvSr);

– diefstal onder verzwarende omstandigheden (artikel 311 WvSr);

– diefstal met geweld (artikel 312 WvSr);

– afpersing (artikel 317 WvSr);

– verduistering (artikelen 321 tot en met 323 WvSr);

– bedrog (artikelen 326 tot en met 337 WvSr);

– benadeling van schuldeisers of rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348 WvSr);

– vernieling (artikelen 350 tot en met 354);

– ambtsmisdrijven (artikelen 355 tot en met 380 WvSr);

– heling en schuldheling (artikelen 416 tot en met 417 bis WvSr);

– witwassen (artikelen 420 bis tot en met 420 quinquies WvSr);

– opgave van valse naam, academische titel etc. (artikel 435 WvSr);

– indruk wekken van officieel gesteund of erkend optreden (artikel 435b WvSr);

– onbevoegd uitoefenen makelaardij (artikel 436a WvSr);

– eigenmachtig handelen tijdens surséance (artikel 442 WvSr);

– verstrekken van onware gegevens (artikel 447c WvSr); of

– schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 447d WvSr).

Algemene wet inzake de rijksbelastingen:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

– met opzet smokkelen, bereiden, verkopen, afleveren, aanwezig hebben, etc. van harddrugs (artikel 2, eerste lid);

– met opzet smokkelen, bereiden, verkopen, afleveren, aanwezig hebben en vervaardigen softdrugs (3, eerste lid); of

– voorbereidingshandelingen met betrekking tot bereiden, verkopen, afleveren etc. en smokkel harddrugs (artikel 10a, eerste lid).

Wet op de economische delicten:

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties en artikel 2, eerste, tweede en zesde lid, 5, 6, 7 en 8 van de Wet identificatie bij dienstverlening.

Wet wapens en munitie:

– zonder erkenning wapens of munitie vervaardigen etc. (artikel 9, eerste lid);

– voorhanden hebben etc. van bepaalde wapens (artikel 13, eerste lid);

– zonder consent bepaalde wapens of munitie doen binnenkomen of uitgaan etc. (artikel 14, eerste lid);

– zonder vergunning/verlof vervoeren van bepaalde wapens of munitie (artikel 22, eerste lid);

– verboden voorhanden hebben van bepaalde wapens of munitie (artikel 26, eerste lid); of

– verboden overdragen van bepaalde wapens of munitie (artikel 31, eerste lid).

Wegenverkeerswet 1994:

– dood of letsel door schuld (artikel 6);

– doorrijden na ongeval (artikel 7);

– rijden onder invloed (artikel 8);

– motorvoertuig besturen na ontzegging (artikel 9);

– joyriding (artikel 11); of

– medewerking weigeren aan onderzoek (artikel 163).

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.2 Transacties met de Officier van Justitie

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties worden ook verstaan transacties in het buitenland met de terzake bevoegde autoriteiten ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.3 (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.4 Andere relevante feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is of is geweest bij een of meer van de onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten worden ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 1 genoemde.

3. Financiële antecedenten

3. 1 Persoonlijk

– betrokkene heeft belangrijke persoonlijke financiële problemen gehad en deze hebben tot juridische, invorderings- of incassoprocedures geleid;

– ten aanzien van betrokkene is surséance van betaling, faillissement, schuldsanering of schuldeisersakkoord aangevraagd of uitgesproken;

– betrokkene is thans in Nederland of elders verwikkeld in één of meer juridische procedures naar aanleiding van persoonlijke financiële problemen, dan wel verwacht daarin betrokken te raken; of

– de persoonlijke financiële verplichtingen van betrokkene staan naar algemene maatstaven niet in een gezonde verhouding tot diens inkomsten of vermogen.

3.2 Zakelijk

– de huidige of één van de voormalige werkgevers van betrokkene of enige vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins medeverantwoordelijk of medeverantwoordelijk is of was voor het beleid, heeft belangrijke financiële problemen gehad en deze hebben tot juridische procedures in Nederland of elders geleid;

– met betrekking tot de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon beleidsbepaler of medebeleidsbepaler bekleedt/bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is surséance van betaling of faillissement aangevraagd of uitgesproken;

– betrokkene is veroordeeld tot het voldoen van openstaande schulden wegens aansprakelijkheid voor het faillissement van een vennootschap of rechtspersoon op grond van de toepasselijke bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (artikelen 50a, 138, 149, 248, 259 en 300a).

3.3 Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

4. Toezichtantecedenten

4.1 Toezichtantecedenten

– het onjuist en/of onvolledig verstrekken van gegevens aan een van overheidswege, in Nederland of in het buitenland, met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder;

– betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is een toelating, vergunning of ontheffing geweigerd door een van overheidswege (in Nederland of elders) met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder;

– een aan betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, verleende toelating, vergunning of ontheffing is ingetrokken door een van overheidswege (in Nederland of elders) met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder;

– betrokkene, of zijn huidige of één van zijn voormalige werkgevers of een vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede-)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is in conflict geweest met een van overheidswege (in Nederland of elders) met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder, en dit conflict heeft geleid tot enige maatregel jegens betrokkene dan wel jegens de vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins verantwoordelijk is of was voor het beleid;

– aan betrokkene of aan een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, een verklaring door de Minister van Justitie ter zake van de oprichting van dan wel van de wijziging van de statuten van een vennootschap geweigerd op gronden genoemd in artikel 68, tweede lid, 179, tweede lid, 125, tweede lid, onderscheidenlijk 235, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

4.2 Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten

5.1 Persoonlijk

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

– opzettelijk een onjuiste of onvolledige belastingaangifte doen (artikel 67d);

– het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten dat een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel 67e);

– het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten is dat belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is betaald (artikel 67f).

5.2 Zakelijk

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

– opzettelijk een onjuiste of onvolledige belastingaangifte doen (artikel 67d);

– het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten dat een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel 67e); of

– het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten dat belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is betaald (artikel 67f).

5.3 Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

6. Overige antecedenten

– de inschrijving van betrokkene bij het Dutch Securities Institute is door die instelling beëindigd;

– betrokkene is onderworpen of onderworpen geweest aan een procedure tot het treffen van tuchtrechtelijke, disciplinaire of vergelijkbare maatregelen door of vanwege een organisatie van zijn beroepsgenoten in of buiten Nederland en deze procedure heeft jegens betrokkene tot maatregelen geleid;

– betrokkene is betrokken of betrokken geweest bij enig conflict met zijn huidige dan wel een vorige werkgever aangaande de correcte vervulling van zijn functie of naleving van gedragsnormen in verband met die taakvervulling en dit conflict heeft geleid tot het opleggen van een arbeidsrechtelijke sanctie aan betrokkene (zoals in de vorm van een waarschuwing, berisping, schorsing of ontslag).

NOTA VAN TOELICHTING

1. Inleiding

Dit besluit bevat de nadere regels die voortvloeien uit de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (WVB), met uitzondering van de bepalingen die behoren bij het Financieel Toetsingskader. Deze zijn in een afzonderlijk besluit van nadere regels voorzien.

Het besluit is waar mogelijk gebaseerd op de besluiten behorend bij de PSW. De nadere regels die voortvloeien uit de toezichtbepalingen, die nieuw zijn, zijn zoveel mogelijk gebaseerd op de nadere regels bij de Wet financieel toezicht (Wft). Ook grotendeels nieuw zijn de regels bij de voorlichtingsbepalingen en de pension fund governance. De regels bij bepalingen over waardeoverdracht zijn slechts op een aantal punten ten opzichte van de PSW aangepast. De boetebepalingen zijn meer in lijn gebracht met de boetebepalingen op grond van de Wft.

2. Informatie en zorgplicht

1. Inleiding

De bepalingen over informatieverstrekking zijn in de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (WVB) uitgebreid en aangescherpt. Ze bevatten de hoofdelementen die bij de informatieverstrekking aan de orde moeten komen. In de bepalingen over informatieverstrekking is geregeld dat ze in lagere regelgeving nader worden uitgewerkt.

Algemeen uitgangspunt bij de uitwerking in dit besluit is dat de informatie dusdanig moet zijn dat het voor een deelnemer mogelijk wordt een financiële planning op te stellen. De meest essentiële elementen van een pensioenregeling en van de uitvoering van de pensioenregeling dienen dan ook in de informatieverstrekking aan de orde te komen. Tegelijkertijd geldt het uitgangspunt dat niet meer wordt geregeld dan strikt noodzakelijk. Voorkomen moet worden dat uitvoerders teveel aan banden worden gelegd bij het verstrekken van informatie, of de deelnemers moeten worden overladen met informatie.

2. Informatie over basispensioenregeling

In de Pensioenwet is voorgeschreven dat de werkgever ervoor moet zorgen dat de pensioenuitvoerder aan de werknemer bij het begin van de deelname in een startbrief informatie verstrekt over de inhoud van de basispensioenregeling. In de WVB is geregeld dat de uitvoerder deze informatie verstrekt bij toetreding van de deelnemer tot de regeling. Dit voorschrift wordt in dit besluit nader uitgewerkt. Geregeld wordt over welke essentiële elementen van de basispensioenregeling in ieder geval geïnformeerd moet worden. Voorzover het gaat over essentiële elementen die voor zich spreken, zoals de verplichting te informeren over de soorten pensioen die worden opgebouwd, wordt zo nodig alleen in de artikelsgewijze toelichting nadere uitleg gegeven. Deze paragraaf beperkt zich tot het toelichten van de belangrijkste voorschriften die worden geïntroduceerd. Indien in deze toelichting wordt gesproken over werknemer en overeenkomst wordt hier ook onder verstaan de beroepsgenoot en regeling zoals opgenomen in de WVB.

Karakter en risico’s ten laste van de werknemer/deelnemer

In de startbrief moet expliciet worden vermeld wat het karakter is van de pensioenovereenkomst. Bij elke pensioenvorm (ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen) moet worden aangegeven of het om een uitkeringsovereenkomst, een kapitaalovereenkomst, of een premieovereenkomst gaat. Doel hiervan is de werknemer bewust te maken van de kern van de overeenkomst. Is alleen een premie ten behoeve van de werknemer overeengekomen die op pensioendatum tot een bepaalde uitkering leidt, of is overeengekomen dat op pensioendatum een bepaald kapitaal of een bepaalde uitkering wordt uitbetaald? Zie ook paragraaf 3.3.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.

In relatie tot de eis zich te bekennen tot één van de drie karakters, moet in de startbrief expliciet worden vermeld welke risico’s door de werknemer worden gedragen. Bij bepaalde pensioenovereenkomsten komen het langlevenrisico en/of het beleggingsrisico direct ten laste van de werknemer gedurende de opbouwfase (in de uitkeringsfase geldt de eis dat een levenslange periodieke pensioenuitkering moet zijn verzekerd waardoor de risico’s bij de pensioenuitvoerder liggen). Bij zuivere premieovereenkomsten wordt zowel het beleggingsrisico als het risico op lang leven in de opbouwfase door de werknemer gedragen. Bij kapitaalovereenkomsten wordt het beleggingsrisico door de uitvoerder gedragen, maar loopt de werknemer het risico op een lagere uitkering bij langer leven dan aanvankelijk werd ingeschat, zelf.

Overigens is de plicht te informeren over de risico’s ten laste van de werknemer «principle-based» geformuleerd. Er zijn vele vormen van pensioenovereenkomsten denkbaar met verschillende mate van verdeling van risico’s tussen partijen. Het is aan de uitvoerder, afhankelijk van de exacte vorm van de pensioenovereenkomst, te bepalen welke informatie in dit kader precies wordt gegeven. De toezichthouder toetst of de informatieverstrekking naar zijn mening voldoet aan de vereisten in de wet.

Speciaal bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid voor de deelnemer krijgt de toezichthouder de mogelijkheid nadere regels te stellen over de informatieverstrekking. De regering acht het van groot belang dat uitvoerders deelnemers extra zorgvuldig informeren over de risico’s bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid. Immers, ook als de beleggingsvrijheid door de uitvoerder is begrensd, kan een deelnemer binnen de gestelde grenzen nog altijd behoorlijk wat risico’s lopen, risico’s waarmee deze zoveel mogelijk bekend moet zijn. Als uit de toezichtpraktijk van de toezichthouder na verloop van tijd blijkt dat de informatieverstrekking aan deelnemers bij dit soort regelingen onvoldoende is, heeft de toezichthouder op grond van dit besluit de mogelijkheid nadere regels te stellen. De toezichthouder kan dan eisen dat de uitvoerder een financiële bijsluiter opstelt zoals die voor vergelijkbare derdepijlerproducten geldt. Dat betekent dat aanvullend gewerkt moet worden met een risico-indicator die het risico aangeeft, en dat gewerkt moet worden volgens een voorgeschreven format. In dat geval ontstaan dus wel vormvoorschriften.

Samenstelling premie bij premieovereenkomsten en pensioenovereenkomsten waarbij niet uitdrukkelijk een bepaald soort pensioen is overeengekomen

In geval van een premieovereenkomst moet in de startbrief duidelijk gemaakt worden welk deel van de beschikbaar gestelde premie gebruikt wordt voor kosten van de uitvoering, welk deel voor aanspraken op risicobasis en welk deel voor aanspraken op kapitaalbasis. Een deelnemer kan dan weten welk deel van de premie tot aanspraken leidt die ook na beëindiging van de deelname behouden blijven.

Tevens moet in de startbrief worden geïnformeerd over het verloop in de tijd van de beschikbaar te stellen premies. Het voorschrift voor evenredige opbouw in de tijd geldt niet voor premieovereenkomsten. Voor een werknemer is het evenwel van belang te weten of de beschikbaar te stellen premie gelijk blijft, stijgt in de loop der tijd, of eventueel een ander verloop heeft.

Soms zijn pensioenovereenkomsten gegoten in de vorm van universal life verzekeringen, pensioenovereenkomsten waarbij niet uitdrukkelijk een bepaald soort pensioen is overeengekomen en die bovendien een gemengd karakter kunnen hebben. In dat geval wordt één totaalpremie beschikbaar gesteld. Uit deze premie wordt in eerste instantie een (op risicobasis gefinancierd) nabestaandenpensioen in de vorm van een uitkeringsovereenkomst betaald. Wat overblijft wordt gebruikt voor ouderdomspensioen in de vorm van een premieovereenkomst. De premie die beschikbaar gesteld wordt voor ouderdomspensioen kan dan in de loop der tijd wisselen, afhankelijk van de ontwikkeling van de gebruikte factoren en tarieven bij het nabestaandenpensioen. De premie voor het kapitaalgefinancierde ouderdomspensioen wisselt dan in de loop van de tijd, waarbij op voorhand niet duidelijk is in welke mate dit wisselt. In dat geval moet in de startbrief aangegeven worden wat de verdeling is tussen kosten, nabestaandenpensioen en ouderdomspensioen in de startsituatie. Over het verloop in de tijd moet vervolgens niet alleen worden vermeld of de totaalpremie in de loop der tijd gelijk blijft of stijgt, maar ook dat de verhouding tussen nabestaandenpensioen en ouderdomspensioen als gevolg van wijziging van de gehanteerde factoren en tarieven kan veranderen. De deelnemer weet dan dat de voor ouderdomspensioen beschikbaar te stellen premie in de loop der tijd kan fluctueren. Indien beheerskosten na beëindiging van de deelneming bij premieovereenkomsten nog van de rendementen of het kapitaal (of de participaties) afgetrokken worden, dient de deelnemer hiervan in de startbrief op de hoogte te worden gesteld.

Nabestaandenpensioen

De regering wil dat deelnemers zich goed realiseren welke pensioenvormen (ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en/of arbeidsongeschiktheidspensioen) ze verwerven. Een deelnemer die wel ouderdomspensioen, maar geen nabestaandenpensioen verwerft, zal expliciet geïnformeerd moeten worden over het feit dat hij géén nabestaandenpensioen verwerft om elke eventuele onterechte veronderstelling hierover bij de deelnemer weg te halen.

In de startbrief moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn voor de hoogte van de pensioenaanspraken in geval van beëindiging van de deelneming. Dit is vooral van belang bij nabestaandenpensioen. In sommige gevallen zal na beëindiging van de overeenkomst, de dekking vervallen, terwijl in andere gevallen opgebouwde aanspraken blijven bestaan.

Voortzetting verwerving pensioen bij arbeidsongeschiktheid

Een andere belangrijk element waar over geïnformeerd moet worden is wat de gevolgen zijn van arbeidsongeschiktheid voor verwerving van pensioenaanspraken. Veel regelingen kennen de mogelijkheid van voortzetting van pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. Een arbeidsongeschikte dient zich hiervoor vaak zelf aan te melden bij een uitvoerder. De Ombudsman Pensioenen heeft herhaaldelijk klachten gekregen van mensen die dit niet wisten en daar pas laat achterkwamen. Om dit soort problemen zoveel mogelijk te voorkomen, is bepaald dat in de startbrief moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. Daarbij wordt vermeld of een deelnemer in dat geval zelf voor de aanmelding moet zorgen of niet. In zijn algemeenheid is bepaald dat de werknemer geïnformeerd wordt over de informatieverplichtingen die hij heeft jegens de werkgever en de uitvoerder.

3. Toeslagverlening

Zowel werknemers bij de start van de deelname aan een pensioenregeling, als deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en gewezen partners tijdens de uitvoering van de pensioenregeling moeten worden geïnformeerd over de toeslagverlening. Toeslagverlening is immers een essentieel onderdeel van de pensioenovereenkomst: een werknemer of een aanspraak- of pensioengerechtigde moet goed inzicht kunnen krijgen in de mate waarin het pensioen beschermd is tegen inflatie of meegroeit met de welvaartsontwikkeling. Ook is de informatieverstrekking over toeslagverlening van belang in het kader van de financiering van toeslagverlening. Op grond van artikel 95 van de Pensioenwet en artikel 103 van de WVB hoeft voor voorwaardelijke toeslagverlening geen technische voorziening te worden getroffen als gewerkt wordt met de voorgeschreven voorwaardelijkheidsverklaring, die nog bij ministeriële regeling zal worden uitgewerkt, en overigens wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt ten aanzien van consistentie bij toeslagverlening.

Bij de informatieverstrekking over toeslagverlening moet in alle gevallen geïnformeerd worden over het toeslagbeleid enerzijds en de uitvoering van het toeslagbeleid anderzijds. Bij informatie over het toeslagbeleid gaat het over het ambitieniveau en de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan wil de overeengekomen toeslagverlening daadwerkelijk gerealiseerd worden. Ook wordt geïnformeerd over het risico dat het beoogde niveau van toeslagverlening niet gerealiseerd wordt. Bij de informatieverstrekking over de uitvoering van het toeslagbeleid is van belang of de in een periode van drie jaar verleende toeslagen conform het ambitieniveau van het toeslagbeleid zijn geweest of dat er afwijkende, lagere toeslagen verleend zijn. Daarbij zijn uitvoerders vrij aan te geven met behulp van een gemiddelde in hoeverre de toeslagen in drie jaar verleend zijn conform de gestelde ambitie, of afzonderlijk voor de drie jaren. Overigens zal de op grond van artikel 95 van de Pensioenwet vastgestelde uitwerking van de matrix uit de nota Matrix FTK (Kamerstukken II 20004/05, 28 294, nr. 16), nog nadere voorschriften bevatten over de exacte wijze waarop over toeslagen geïnformeerd moet worden.

4. Reglementair te bereiken pensioenaanspraken

In de jaaropgave voor deelnemers en voorafgaand aan deelname aan de vrijwillige regeling dient de uitvoerder een opgave te verstrekken van het reglementair te bereiken pensioen. Bij uitkerings- en kapitaalovereenkomsten is dit relatief eenvoudig. Hierbij worden immers jaarlijks aanspraken op een bepaalde uitkering (een kapitaals- of een periodieke uitkering) opgebouwd. Voor zover bij premieovereenkomsten de beschikbaar te stellen premies direct worden omgezet in een verzekerde periodieke uitkering, vermeldt de uitvoerder wat de hoogte is van de periodieke uitkering die op de pensioendatum kan zijn opgebouwd op grond van de tot aan pensioendatum beschikbaar gestelde premies. Als de beschikbaar te stellen premies worden omgezet in een kapitaalverzekering informeert de uitvoerder over de mogelijke omvang van het verzekerde kapitaal op grond van de tot aan de pensioendatum beschikbaar gestelde premies.

Bij zuivere premieovereenkomsten hoeft geen indicatie te worden verstrekt omdat er in het geheel geen aanspraak op kapitaal of een periodieke uitkering wordt opgebouwd. Er kan dan ook geen opgave van het reglementair te bereiken pensioen worden verstrekt. Overigens kan een deelnemer aan een dergelijke premieovereenkomst wel een verzoek bij de uitvoerder indienen voor een indicatie van het mogelijk te bereiken kapitaal. Zowel deelnemers aan premieovereenkomsten als kapitaalovereenkomsten kunnen bij de uitvoerder een verzoek indienen voor een indicatie van de mogelijk met het kapitaal in te kopen periodieke pensioenuitkering (zie paragraaf 6).

5. Specifieke informatie

Voor een aantal groepen gelden specifieke voorlichtingsvoorschriften. Als de deelname aan een regeling eindigt, wordt de gewezen deelnemer geïnformeerd over het recht of de mogelijkheid tot waardeoverdracht. Ingeval van uitvoering door fondsen wordt daarbij tevens vermeld of er sprake is van een korte- of langetermijnherstelplan. Dergelijke informatie over de financiële toestand van het fonds is voor de gewezen deelnemer van belang bij de vraag al dan niet aan waardeoverdracht te doen. Overigens moet in de startbrief, als de uitvoerder een fonds is, ook worden vermeld of sprake is van een korte- of langetermijnherstelplan aangezien de dekkingsgraad van het nieuwe fonds in het kader van de vraag al dan niet aan waardeoverdracht te doen, ook van belang is.

Tot slot wordt de gewezen deelnemer op het moment van beëindiging ook geïnformeerd over de mogelijkheid dat de uitvoerder gebruik maakt van het recht kleine pensioenaanspraken af te kopen. Als de behouden aanspraak lager is dan het grensbedrag, heeft een uitvoerder immers op grond van artikel 66 van de Pensioenwet en artikel 78 van de WVB het eenzijdige recht het pensioen onder bepaalde voorwaarden af te kopen. Als de deelname beëindigd is als gevolg van arbeidsongeschiktheid informeert de uitvoerder de gewezen deelnemer ook over de rechten en plichten in het kader van de pensioenregeling.

6. Informatie op verzoek

Naast genoemde informatie wordt de werknemer er in de startbrief op gewezen dat hij als deelnemer, maar ook in de toekomst als eventuele gewezen deelnemer of als gepensioneerde, het recht heeft het pensioenreglement op te vragen. Tevens wordt hij gewezen op het recht te vragen of er al dan niet een herstelplan actueel is en het bij de uitvoerder opvragen van het jaarverslag en de jaarrekening. Ook is geregeld dat deelnemers het recht krijgen de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement op te vragen. De uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement biedt de deelnemer informatie over de afspraken die een werkgever met de uitvoerder heeft gemaakt over de uitvoering van de pensioenovereenkomst.

Daarnaast krijgt de deelnemer, indien deze het beleggingsrisico draagt, het recht bij de uitvoerder informatie op te vragen over de beleggingsmogelijkheden, de feitelijke beleggingsportefeuille, de risicopositie en de kosten in verband met beleggingen. Deze verplichting vloeit voort uit de richtlijn 2003/41/EG. Het gaat hier om zuivere premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid voor de deelnemer. Of de deelnemer beleggingsvrijheid heeft bij een zuivere premieovereenkomst en in welke mate is afhankelijk van de pensioenovereenkomst.

Deelnemers aan premieovereenkomsten krijgen het recht een verzoek in te dienen voor een indicatie van het mogelijk te bereiken kapitaal (bij een zuivere premieovereenkomst) en de hiermee mogelijk in te kopen periodieke pensioenuitkering. Deelnemers aan een kapitaalovereenkomst hebben alleen het recht een verzoek in te dienen voor een indicatie van de mogelijk te bereiken pensioenuitkering: men krijgt immers al een opgave van het mogelijk te bereiken kapitaal op de pensioendatum. Voor zover bij zuivere premieovereenkomsten een indicatie van het mogelijk te bereiken kapitaal wordt gegeven, wordt door de AFM regels gesteld over de wijze van berekenen. Deze sluiten aan bij de regels die gelden bij de financiële bijsluiter (zie ook de toelichting bij de vrijwillige regelingen). In dit besluit wordt nader bepaald welke veronderstellingen uitvoerders bij het geven van een indicatie van de periodieke uitkering dienen te hanteren. Uitgangspunt daarbij is dat de berekening plaatsvindt op basis van dezelfde tarieven die de uitvoerder op het moment van het verzoek hanteert voor deelnemers die met pensioen gaan en waarvoor van het kapitaal een periodieke uitkering wordt ingekocht. Aanvullend is geregeld dat de gepresenteerde periodieke uitkering gecorrigeerd wordt voor de prijsinflatie. Immers, een deelnemer wil de uitkering kunnen vergelijken met het inkomen dat hij nu heeft. Bij ministeriele regeling zal worden bepaald welke disconteringsvoet gebruikt moet worden.

Bij het geven van die indicatie dient de deelnemer er expliciet op te worden gewezen dat het om een indicatie gaat waar geen rechten aan kunnen worden ontleend. Immers, voorkomen moet worden dat de informatieverstrekking niet meer in lijn is met het karakter van de regeling. De uitvoerder zal de deelnemer bij het toezenden van een dergelijke indicatie moeten wijzen op de onzekerheden die gepaard gaan met een dergelijke indicatie. Dat betreft bijvoorbeeld de onzekerheid of de sterftecijfers die later op de pensioendatum gebruikt worden bij het omzetten van het kapitaal in een periodieke uitkering, afwijken van de bij de indicatie gebruikte sterftecijfers. Ook kan de rente die te zijner tijd wordt gehanteerd afwijken van de rente die is gebruikt voor de berekening van de indicatie of blijkt later bij de feitelijke inkoop dat de voorbije inflatie is afgeweken van de bij de berekeningen veronderstelde inflatie. Duidelijk moet zijn dat, indien als gevolg van dergelijke onzekerheden bij de indicatie de feitelijk ingekochte periodieke uitkering later blijkt af te wijken van de indicatie van de periodieke uitkering, het risico daarop bij de deelnemer ligt.

De deelnemer of gewezen deelnemer krijgt het recht informatie op te vragen over de consequenties van het uitruilen van het partnerpensioen in ouderdomspensioen of het geheel of gedeeltelijk uitruilen van ouderdomspensioen in partnerpensioen. Niet alleen ten aanzien van aanspraken die staan bij de uitvoerder van de pensioenregeling waaraan de werknemer op dat moment deelneemt, maar ook ten aanzien van behouden aanspraken bij een oude uitvoerder moet een werknemer of ex-werknemer kunnen navragen wat een uitruil voor gevolgen heeft voor de aanspraken.

7. Verstrekken informatie bij deelname aan vrijwillige pensioenregelingen

Vrijwillige pensioenregelingen zijn regelingen die deel uitmaken van de pensioenovereenkomst, maar waaraan deelname – in tegenstelling tot de basispensioenregeling – niet verplicht is. Deelname is mogelijk vanaf het begin van de pensioenovereenkomst, maar kan in bepaalde gevallen ook op een later moment aanvangen. Om deelnemers van een basispensioenregeling bij de (verplichte) start van de deelname niet met informatie te overvoeren, hoeft op dat moment niet over de inhoud van de vrijwillige pensioenregelingen te worden geïnformeerd. Volstaan kan worden met het informeren dat er een mogelijkheid is deel te nemen aan een (de) vrijwillige pensioenregeling(en). Informatieverstrekking over de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling vindt plaats op het moment dat een deelnemer overweegt aan de vrijwillige pensioenregeling deel te gaan nemen, dat wil zeggen voorafgaand aan de deelneming.

De informatie over de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling, die voorafgaand aan deelname wordt verstrekt, komt zoveel mogelijk overeen met de informatie die bij basispensioenregelingen moet worden verstrekt. De informatie is tevens dusdanig dat een deelnemer deze gemakkelijk kan vergelijken met informatie die de deelnemer als consument kan krijgen over alternatieve producten in de derde pijler. Dat deze informatie vergelijkbaar moet zijn komt omdat de voorlichtingsvoorschriften bij basispensioenregelingen sterk lijken op de voorlichtingsvoorschriften voor vergelijkbare producten zoals die geregeld zijn bij of krachtens de Wet op het financieel toezicht (Wft).

In de Wft wordt onderscheid gemaakt tussen het geven van precontractuele informatie in algemene zin, en het voor de consument beschikbaar houden van een financiële bijsluiter in specifieke gevallen. Een financiële bijsluiter moet onder andere verstrekt worden bij producten die vergelijkbaar zijn met sommige vrijwillige regelingen, zoals levensverzekeringen. Zowel elementen uit de informatieverstrekking in de precontractuele fase als elementen uit de financiële bijsluiter komen terug in dit besluit.

Overwogen is de informatieverstrekking bij vrijwillige regelingen exact hetzelfde te maken als bij vergelijkbare producten uit de derde pijler. Daarvan is afgezien omdat vrijwillige pensioenregelingen naar hun aard op een aantal punten afwijken van vergelijkbare producten uit de derde pijler. Het gaat om de volgende punten.

– Vrijwillige pensioenregelingen ontstaan in het kader van de arbeidsrelatie. Dit komt onder andere tot uitdrukking in een eventuele werkgeversbijdrage, maar ook in de wettelijke plicht te zorgen voor de premieafdracht aan de uitvoerder ingeval van deelname aan een vrijwillige pensioenregeling.

– Op vrijwillig opgebouwde pensioenuitkeringen kunnen toeslagen verleend worden, bij een derdepijlerproduct is dat niet gebruikelijk.

– Bij beëindiging ingeval van kapitaalgefinancierde vrijwillige regelingen blijven de aanspraken behouden. Derdepijlerproducten kunnen worden afgekocht, waarbij korting op het afkoopbedrag mogelijk is in verband met kosten van het product die in het begin van de opbouw neerslaan.

– Omdat vrijwillige pensioenregelingen onder de pensioenwetgeving vallen, dienen de uitkeringen voor mannen en vrouwen gelijk te zijn. Bij derdepijlerproducten hoeft dat niet het geval te zijn.

– In afwijking van de informatie bij de start van de deelname aan een basispensioenregeling, moet bij de start van de deelname aan een vrijwillige regeling een indicatie worden gegeven van het te bereiken kapitaal.

Voor vrijwillige pensioenregelingen in de vorm van premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid voor de deelnemer geldt, zoals bij basispensioenregelingen, dat de toezichthouder de mogelijkheid krijgt nadere regels te stellen over de informatieverstrekking. Het kabinet acht het van groot belang dat uitvoerders deelnemers extra zorgvuldig informeren over de risico’s bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid (zie verder paragraaf 2).

8. Kosten in rekening brengen

Dit besluit regelt bij de uitwerking van de informatiebepalingen op welke wijze informatie wordt verstrekt en of daarbij kosten in rekening mogen worden gebracht bij degene die wordt geïnformeerd.

Uitgangspunt is dat de te informeren persoon de informatie kosteloos ontvangt voor zover het gaat om essentiële informatie. Essentiële informatie is de informatie die een werknemer ontvangt bij de start van deelname aan de basispensioenregeling, in de zogeheten startbrief, of bij het verzoek om informatie wanneer hij overweegt aan een vrijwillige pensioenregeling deel te nemen.

Ook de informatie over de uitvoering van de pensioenregeling is belangrijke informatie die kosteloos moet worden verstrekt. Hierbij gaat het om de jaarlijks te verstrekken informatie aan de deelnemer en de initiële en periodieke informatie aan de gewezen deelnemer, de gewezen partner en de pensioengerechtigde.

Bij informatie die op verzoek moet worden verstrekt mogen uitvoerders in de meeste gevallen wel kosten in rekening brengen. Het gaat hierbij immers om informatie met een kleiner rechtstreeks belang voor de geïnformeerde. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld het opsturen van het jaarverslag en de jaarrekening, van eventuele herstelplannen, of van de verklaring inzake beleggingsbeginselen.

Informatie die wel kosteloos moet worden verstrekt is het opsturen van het pensioenreglement en informatie over de consequenties van uitruil van ouderdomspensioen in partnerpensioen, of de uitruil van partnerpensioen in ouderdomspensioen, en informatie over beleggingsmogelijkheden en de beleggingsportefeuille ingeval van premieovereenkomsten of premieregelingen.

De informatie moet in beginsel schriftelijk worden verstrekt. Met toestemming van de deelnemer mag er voor worden gekozen informatie elektronisch te verstrekken.

Hoofdstuk 4. Uitbesteding

Voorop staat dat de uitbesteding van werkzaamheden door de uitvoerder op geen enkele wijze de waarborging van pensioenaanspraken en pensioenrechten in gevaar mag brengen. Dit is gewaarborgd doordat de uitbesteding van werkzaamheden de uitvoerder niet ontheft van zijn verantwoordelijkheden met betrekking tot de nakoming van de verplichtingen tot de aanspraak- en pensioengerechtigden. Bij de uitbesteding gaat het om werkzaamheden die deel uitmaken van of voortvloeien uit het uitoefenen van het bedrijf of om wezenlijke bedrijfsprocessen. Met de term «wezenlijke» wordt tot uitdrukking gebracht dat de regels voor uitbesteding niet voor elke werkzaamheid van belang zijn.

Een uitvoerder mag werkzaamheden uitbesteden aan een uitvoerende organisatie. De uitvoerder draagt bij uitbesteding zorg dat de uitvoerende organisatie de bij of krachtens de Pensioenwet en de WVB gestelde regels naleeft.

Op grond van artikel 34, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 43, tweede lid, van de WVB, kunnen werkzaamheden worden aangewezen die niet mogen worden uitbesteed en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de uitbesteding in verband met het toezicht op de naleving en de beheersing van de risico’s die verband houden met de uitbesteding.

Bij het opstellen van dit Besluit is aangesloten bij de Beleidsregel uitbesteding pensioenfondsen (Stcrt. 2004, 20) en de Regeling uitbesteding verzekeraars (Stcrt. 2004, 20) en bij het Besluit prudentiële regels Wft.

Uitbesteding van uitvoerende werkzaamheden mag niet betekenen dat het fonds werkzaamheden aan het toezicht van de toezichthouder kan onttrekken. De toezichthouder dient zijn toezicht onverkort te kunnen uitoefenen en het fonds is en blijft verantwoordelijk voor de uitbestede werkzaamheden.

Dat betekent dat ook bij uitbesteding het toezichtinstrumentarium van de toezichthouder ten aanzien van het fonds onverkort blijft gelden. Daarom dient het fonds in principe te allen tijde alle gegevens en inlichtingen, die de toezichthouder voor de uitoefening van het toezicht nodig heeft, beschikbaar te houden of binnen een door de toezichthouder te stellen redelijke termijn beschikbaar te stellen.

Dit heeft consequenties voor de overeenkomst waarmee het fonds werkzaamheden uitbesteedt aan een derde. In die overeenkomst moet worden afgesproken dat de derde alle gegevens en inlichtingen met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden aan het fonds beschikbaar stelt die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht door de toezichthouder. In principe gaat de toezichthouder dus niet in overleg met de derde waaraan de uitvoerder werkzaamheden heeft uitbesteed en vraagt daar in principe ook geen gegevens of inlichtingen op. De toezichthouder beperkt zich in zijn toezicht dus tot het fonds ook als deze werkzaamheden heeft uitbesteed.

Dit neemt niet weg dat de toezichthouder onder omstandigheden ook toezichthandelingen kan verrichten jegens partijen aan wie een fonds werkzaamheden heeft uitbesteed.

Dit zal het geval zijn wanneer een fonds met een derde is overeengekomen dat deze direct aan de toezichthouder gegevens en inlichtingen verstrekt over de werkzaamheden. Zulks dient wel, naar de beoordeling van de toezichthouder, in redelijkheid mogelijk te zijn. Het kan niet zo zijn dat er sprake is van een dergelijke constructie als de uitvoerende organisatie zich buiten Nederland bevindt, omdat de toezichthouder dan jegens die derde geen afdwingbare bevoegdheden heeft.

Indien een dergelijke afspraak is gemaakt wordt de derde verplicht om medewerking te verlenen aan het beschikbaar stellen van de gegevens en inlichtingen aan de toezichthouder.

Hoofdstuk 5. Uitruil en afkoop

Een groot deel van de bepalingen over afkoop die in de PSW in lagere regelgeving zijn uitgewerkt, zijn getild naar wetsniveau. De overgebleven bepalingen zijn qua strekking hetzelfde als die in de PSW. Dat geldt ook voor de lagere regelgeving over uitruil. Belangrijkste wijziging betreft het aanpassen aan de karakterindeling van pensioenovereenkomsten.

Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht

1. Inleiding

Inhoudelijk zijn de bepalingen over waardeoverdracht in de Pensioenwet en de WVB grotendeels hetzelfde als die in de PSW en de WVB (oud). Ook de uitwerking in dit besluit – en in de ministeriële regeling – blijft inhoudelijk grotendeels hetzelfde. Een aantal bepalingen dat in het besluit op basis van de PSW en de WVB was opgenomen, is nu in de wet geregeld. Voorts is de terminologie aangepast. Alleen op het punt van de te hanteren rekenrente vindt een belangrijke wijziging plaats.

2. Waarom marktwaardering bij waardeoverdracht

Op grond van dit besluit dient de berekening van de overdrachtswaarde plaats te vinden op grond van marktwaardering in plaats van de vaste rekenrente. Daarvoor zijn twee goede redenen.

Consistent beleid

De eerste reden is dat daarmee wordt aangesloten bij de bredere ontwikkeling in de financiële wereld om verplichtingen op basis van marktwaardering te waarderen. Zo moeten fondsen op grond van het nieuwe Financieel toetsingskader (FTK) pensioenverplichtingen bij het bepalen van de technische voorzieningen contant maken op basis van marktwaardering. De regering vindt het vanuit het oogpunt van consistente regelgeving voor de hand liggen dat bij waardeoverdracht eveneens overgegaan wordt op het hanteren van een rekenrente op basis van marktwaardering. Bij waardeoverdracht gaat het immers ook om het contant maken van pensioenverplichtingen.

Eventueel financieel voor- of nadeel beter gespreid over uitvoerders

De tweede reden om over te stappen op marktwaardering bij waardeoverdracht is dat voorkomen wordt dat onder het FTK-regime bepaalde fondsen structureel baten of lasten hebben bij waardeoverdracht. Immers, als bij waardeoverdracht een vaste rekenrente uitgangspunt zou blijven, terwijl de technische voorzieningen op marktwaardering berekend worden, kan er een voor- of nadeel ontstaan. Een fonds waarbij het aantal uitgaande waardeoverdrachten voor langere periode het aantal inkomende overtreft, heeft, indien bijvoorbeeld de bij de technische voorzieningen gebruikte marktrente lager is dan de bij de waardeoverdracht gebruikte rekenrente, een nadeel voor die periode: het moet meer meegeven dan het gereserveerd heeft. Door ook bij waardeoverdracht met marktwaardering te werken, wordt dit nadeel voorkomen. Hooguit kan een klein voor- of nadeel ontstaan omdat de marktrente zich kan hebben ontwikkeld in de periode tussen de overdrachtsdatum (het moment waarop de over te dragen waarde moet worden berekend) en het moment van feitelijke overdracht van de waarde. Omdat de rente op zo’n relatief korte termijn zowel kan dalen als kan stijgen, komt het voor- of nadeel niet meer eenzijdig terecht bij de uitvoerder met een structureel inkomend of uitgaand saldo.

3. Met welke marktrente wordt gewerkt?

De te hanteren rente wordt gebaseerd op de rentetermijnstructuur die de toezichthouder publiceert in het kader van de berekening van de technische voorzieningen. Zowel de ontvangende als de overdragende uitvoerder hanteren deze rente bij hun berekeningen. Bij ministeriële regeling zal nader bepaald worden hoe de te hanteren rente exact bepaald wordt. Uitgangspunt daarbij zal zijn dat bezien wordt wat gemiddeld genomen de nog resterende looptijd van de verplichtingen is bij waardeoverdracht, bijvoorbeeld 25 jaar. De daarbij behorende rente wordt vervolgens voor alle uitvoerders in alle situaties de rekenrente. De regering is voornemens hiervoor de rente op een vooraf vastgesteld moment, bijvoorbeeld 1 januari, verplicht te stellen voor de periode van één jaar.

Overigens is evenals in de PSW de zogeheten overdrachtsdatum (de datum waarop de deelnemer aan de nieuwe pensioenregeling is gaan deelnemen) zowel het moment waarop de oude uitvoerder de waarde bepaalt van de oude pensioenaanspraken als het moment waarop de nieuwe uitvoerder de omvang van de in te kopen pensioenaanspraken moet vaststellen. Daardoor wordt voorkomen dat een deelnemer nadeel heeft van een ontwikkeling van de rente tijdens de looptijd van de procedure met betrekking tot het verzoek om waardeoverdracht.

4. Toeslagverlening en buffers blijven buiten beschouwing bij waardeoverdracht

Evenals in de PSW blijven eventuele reserveringen voor toeslagen en buffers buiten beschouwing bij waardeoverdracht. De rekenregels met betrekking tot het bepalen van de over te dragen waarde bij waardeoverdracht zijn minimumregels en hebben alleen betrekking op de nominale toezegging en de daarbij behorende technische voorzieningen. Eventuele reserveringen voor voorwaardelijke toeslagverlening hoeven niet te worden meegegeven: het voorwaardelijke karakter van de toezegging zou daardoor verloren gaan. Er kan dan bij de nieuwe uitvoerder immers een vaste indexatie worden ingekocht. Het is niet goed te verdedigen dat op ingangsdatum pensioen de toeslagverlening voorwaardelijk is, terwijl dezelfde toeslagverlening op datum van vertrek bij een fonds onvoorwaardelijk is. Ook is er geen verplichting een deel van het eigen vermogen mee te geven. Dat zou problematisch zijn ten aanzien van verzekeraars. Immers, het eigen vermogen is in het bezit van de onderneming/aandeelhouders.

Als partijen, bijvoorbeeld fondsen, onderling wel aanvullend waarde willen overdragen, staat dit besluit hen daarbij overigens niet in de weg.

5. Karakter

Op grond van de Pensioenwet en de WVB moet een pensioenregeling gezien worden als ofwel een uitkeringsovereenkomst, ofwel een kapitaalovereenkomst, ofwel een premieovereenkomst. Premieovereenkomsten kunnen weer onderscheiden worden in diegene die na beschikbaarstelling van de premie, deze beleggen, onmiddellijk omzetten in een kapitaalovereenkomst of onmiddellijk omzetten in een uitkeringsovereenkomst. Zogeheten streefregelingen zijn nog wel mogelijk, maar dienen eveneens onderscheiden te worden naar één van de drie karakters.

Het onderscheid tussen reguliere- en niet-reguliere regelingen wordt vervangen door de karakterindeling. Bij kapitaalovereenkomsten, evenals bij premieovereenkomsten waarbij de premie wordt belegd of omgezet in een kapitaalovereenkomst na beschikbaarstelling, hoeft alleen de feitelijke waarde te worden overgedragen respectievelijk de contante waarde te worden berekend op basis van de tarieven die de uitvoerder hanteert bij de technische voorzieningen. Bij alle andere overeenkomsten moet de over te dragen waarde berekend worden op basis van het standaardtarief. Als de berekende over te dragen waarde hoger is dan het gefinancierde deel, kan dit ertoe leiden dat de uitvoerder of werkgever moet bijstorten. Als de over te dragen waarde lager is, kan de uitvoerder of werkgever geld behouden respectievelijk terugkrijgen.

Hoofdstuk 7. Deskundigheid en betrouwbaarheid

De deskundigheid en betrouwbaarheid van personen die het beleid van een fonds bepalen of mede bepalen moet buiten twijfel staan. In het kader daarvan wordt de deskundigheid en betrouwbaarheid van deze personen beoordeeld door DNB, voordat zij hun functie mogen uitoefenen. DNB voert een vergelijkbare toets uit op grond van de Wft.

De regels over deskundigheid zijn gebaseerd op de Beleidsregels beleidsbepaling en toetsing pensioenfondsen (Scrt. 2000, 183).

Het doel van de beoordeling van de betrouwbaarheid van deze personen is borging van de integriteit van en het maatschappelijke vertrouwen in de fondsen. Er mag geen twijfel bestaan over de betrouwbaarheid van fondsen en personen die daarin actief zijn. Artikel 105 van de Pensioenwet en artikel 110 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is bewust zodanig geformuleerd dat het ook personen kan betreffen die feitelijk substantiële invloed uitoefenen op het beleid of de besluitvorming gericht op de lange termijn strategie van het fonds. De aansturing en beheersing van een organisatie kan zodanig zijn ingericht dat een persoon die geen formele bestuurder is het beleid van de organisatie toch feitelijk bepaalt. In een dergelijk geval heeft DNB de mogelijkheid om de betrouwbaarheid van deze persoon te beoordelen. De ruime formulering in de wet is er niet op gericht dat DNB een ieder, die buiten de gebruikelijke kring van beleidsbepalers valt, zekerheidshalve toetst.

De artikelen bij dit onderwerp zien op de feiten en omstandigheden die in aanmerking worden genomen bij de beoordeling en de wijze waarop DNB inzicht hierin verkrijgt. De beoordeling van de betrouwbaarheid richt zich op feiten en omstandigheden, waaruit blijkt dat het vertoonde gedrag van betrokkene niet in overeenstemming is met een integere invulling en uitoefening van de functie. Voorbeelden van gedragingen die hieraan voldoen, zijn feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat betrokkene niet de waarheid heeft gesproken, geen openheid heeft gegeven over voor het toezicht relevante onderwerpen, niet discreet is omgegaan met vertrouwelijke informatie, zich niet heeft gehouden aan afspraken of in de beroepsuitoefening op een onverantwoordelijke wijze is opgetreden.

In het geval DNB tot het oordeel is gekomen dat de betrouwbaarheid van een kandidaat-(mede)beleidsbepaler niet buiten twijfel staat, is de vervolgvraag welke consequenties vervolgens aan dat negatieve betrouwbaarheidsoordeel moeten worden verbonden. Bij de beantwoording van die vervolgvraag moet DNB in beginsel alle betrokken belangen afwegen, tenzij het gaat om dermate ernstige antecedenten dat een belangenafweging achterwege kan blijven. Bij die belangenafweging moeten zowel de belangen worden afgewogen die de wet beoogt te beschermen (zoals de stabiliteit en de integriteit van het pensioenstelsel), als de overige belangen van het fonds (zoals de continuïteit van de onderneming) en van de betrokken kandidaat (zoals het verwerven van inkomen en andere persoonlijke belangen). Bij de vraag welke consequenties een negatief betrouwbaarheidsoordeel moet hebben, kunnen voorts de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging en de overige omstandigheden van het geval relevant zijn. Hierdoor zal een gedraging die geen direct verband houdt met de financiële sector in het algemeen minder verstrekkende consequenties hebben dan een financieel relevante antecedent zoals een verdenking van handel met voorkennis.

Ter uitvoering van de artikelen 105 van de Pensioenwet en 110 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is in dit hoofdstuk aansluiting gezocht bij de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheid van (kandidaat) (mede)beleidsbepalers van en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen (Stcrt. 2005, 20) (hierna: de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing) en het Besluit prudentiële regels Wft.

In afwijking van de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing zijn de antecedenten die zonder nadere afweging leiden tot het oordeel dat de betrouwbaarheid van een persoon niet buiten twijfel staat, in het eerste onderdeel van de bijlage genoemd. Voorts is vanwege het zwaarwegend karakter nu ook deelneming aan een criminele of terroristische organisatie (artikelen 140 tot en met 140a van het Wetboek van Strafrecht) als antecedent opgenomen.

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Het toezicht op de naleving van de Pensioenwet en de WVB is ondergebracht bij De Nederlandsche Bank (DNB) en de Stichting Autoriteit Financiële markten (AFM). AFM is belast met het gedragstoezicht, DNB met het prudentieel en materieel toezicht.

De AFM controleert of informatie door de uitvoerder tijdig en in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen is verstrekt. Het spreekt voor zich dat de AFM de inhoud van de informatieverstrekking toetst aan het pensioenreglement van de uitvoerder, de zogenaamde toets op juistheid. AFM heeft geen rol bij het toezicht op de interne communicatie binnen de uitvoerder, in het bijzonder de communicatie van het fonds met de deelnemersraad. De AFM houdt ook geen toezicht op de nadere uitwerking daarvan in de administratieve organisatiebeschrijving (AO) of actuariële en bedrijfstechnische nota (abtn) en de interne controle (IC), dat is een taak voor DNB.

DNB heeft tot taak het uitvoeren van het prudentieel toezicht en het materieel toezicht. Deze taak omvat het toezicht op naleving van de bij of krachtens de Pensioenwet en de WVB gestelde regels, met uitzondering van die artikelen welke aan de AFM zijn toebedeeld.

Het toezicht op de principes van goed pensioenfondsbestuur is toebedeeld aan DNB. Om dubbel toezicht te voorkomen is echter het toezicht op de klachtenregeling voor pensioenregelingen bij verzekeraars toebedeeld aan AFM, omdat AFM op grond van de Wft al toezicht houdt op de klachtenregeling van verzekeraars.

De verdeling van de taken heeft zodanig plaatsgevonden dat er een eenduidige toewijzing is van het toezicht aan de toezichthouders AFM en DNB. Er is voorkomen dat overlap optreedt door expliciet aan te geven op welke artikelen en onderdelen daarvan de AFM toezicht houdt. DNB houdt toezicht op de overige bepalingen. Er is dus ook geen witte vlek in het toezicht.

Mocht tijdens de uitvoering blijken dat de activiteiten van de ene toezichthouder in aanraking komt met de activiteiten van de andere toezichthouder dan dienen toezichthouders daarover met elkaar afspraken te maken. Artikel 31 regelt dat beide toezichthouders afspraken maken over wie gegevens en inlichtingen uitvraagt en hoe zij deze gegevens en inlichtingen uitwisselen, de afstemming van beleidsregels, de wijze waarop en het moment wanneer zij informatie over toepassing van een handhavinginstrument uitwisselen, en het overnemen van elkaars oordeel.

Op grond van artikel 151, derde lid, sub c, van de Pensioenwet en artikel 146, derde lid, sub c, van de WVB worden eisen gesteld aan de toezichthouder, waaronder een zodanige besluitvorming binnen de toezichthouder dat een onafhankelijke vervulling van zijn taken en bevoegdheden is gewaarborgd.

De eisen die aan de toezichthouder worden gesteld dienen een meerledig doel:

a. Het borgen van de kwaliteit van de uitvoering door en de onafhankelijkheid en integriteit van de toezichthouder;

b. Het scheppen van vertrouwen bij de onder toezicht gestelde uitvoerders;

c. Het vormgeven van en het inhoud geven aan het toezicht door de minister op de toezichthouder. De resultaten van dit toezicht kunnen het vertrouwen dat onder toezicht gestelde uitvoerders stellen in de toezichthouder versterken.

De eisen worden geformuleerd in de vorm van principes, zodat de toezichthouder zelf daar zijn invulling aan kan geven.

Hoofdstuk 9. Kostenregeling

De toezichthouder maakt voor de door de Pensioenwet en de WVB aan hem opgedragen taken kosten. Op grond van artikel 160 van de Pensioenwet en artikel 155 van de WVB worden regels gesteld met betrekking tot het berekenen van de kosten, de toerekening van toezichthandelingen en -kosten en de doorberekening van de toezichtkosten aan de uitvoerders. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in incidenteel en jaarlijks toe te rekenen kosten.

Met de in dit besluit te treffen kostenregeling wordt aangesloten bij de «Kostenregeling Pensioen- en spaarfondsenwet 1993» en bij het Besluit bekostiging financieel toezicht op grond van de Wft. Streven daarbij is om toezichthouders in de gelegenheid te stellen eenzelfde systematiek te hanteren voor het in rekening brengen van de toezichtkosten.

Bij het in rekening brengen van de kosten voor eenmalige handelingen zal het veelal gaan om handelingen die de toezichthouder op verzoek verricht. De toezichthouder kan deze eenmalige handelingen bij de verzoeker in rekening brengen. Het gaat hierbij om het toekennen of wijzigen van een vergunning of een ontheffing, de inschrijving in het register en het toetsen van de deskundigheid en betrouwbaarheid van een beleidsbepaler. De toezichthouder brengt de kosten, welke het karakter hebben van leges, in rekening via een vast tarief per handeling.

Gelet op de taakverdeling tussen de AFM en DNB zal, vooralsnog, alleen DNB kosten voor eenmalige handelingen in rekening kunnen brengen. Bovengenoemde handelingen worden immers allen door DNB verricht.

De jaarlijks in rekening te brengen kosten zijn de kosten die de toezichthouder maakt voor de uitvoering van het toezicht onder normale omstandigheden, dus exclusief de incidentele kosten, maar inclusief bijvoorbeeld de overhead en de kosten voor het verzamelen, bewerken en verstrekken van beleidsmatige informatie aan de minister van SZW.

Uitgangspunt is dat kruissubsidiëring, dat wil zeggen dat verzekeraars betalen voor het toezicht op fondsen en omgekeerd, wordt voorkomen. Verder worden de kosten voor het gedragstoezicht, het prudentieel toezicht en het materieel toezicht gescheiden in rekening gebracht. Dit is in overeenstemming met de wijze waarop de toezichthouder de begroting dient in te richten.

De jaarlijks in rekening te brengen kosten bestaan uit een vast minimumbedrag vermeerderd met een bedrag dat de toezichthouder van jaar tot jaar vaststelt als een percentage van de maatstaf, ook wel heffingsgrondslag. De maatstaf is gebonden aan een maximum.

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

De regelgeving ten aanzien van (de hoogte van) de bestuurlijke boete is gebaseerd op de regeling op grond van artikel 23c, eerste lid van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) en het Besluit boetes Wft. De systematiek van boeteoplegging blijft gelijk: het bedrag van de boete is enerzijds afhankelijk van de categorie waarin de overtreding is ingedeeld en anderzijds van de (eventuele) draagkrachtfactor.

Wat wel is gewijzigd is dat de betrokkene ook bij oplegging van een boete uit de laagste categorie in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen voorafgaand aan het opleggen van een boete. In de PSW bestond de regeling dat dit niet hoefde bij de oplegging van een boete met tariefnummer 1. In overeenstemming met het Besluit boetes Wft is deze bepaling niet overgenomen zodat bij het opleggen van een boete wat betreft de uitzonderingen op de hoorplicht onverkort de afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht zal gelden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Definities

Dit besluit is zowel een uitwerking van bepalingen in de Pensioenwet als de WVB. Omdat in de Pensioenwet en de WVB bepaalde begrippen, zoals pensioenuitvoerder en pensioenfonds, verschillend worden gedefinieerd, is het nodig om in dit besluit voor deze begrippen een andere term te definiëren. De begrippen fonds en uitvoerder worden in dit besluit dan ook gebruikt in plaats van de eerder genoemde begrippen.

De definities van de begrippen ruilvoet, opbouwkeuzevoet en afkoopvoet zijn gebaseerd op de definities in het Besluit gelijke behandeling bij pensioenen.

Hoofdstuk 2. Informatie en zorgplicht

Artikel 2. Informatie over de basispensioenregeling

Met het onderhavige artikel wordt de verplichting om informatie te geven over de basispensioenregeling nader uitgewerkt. Uiteraard hoeft de informatie niet pas (binnen drie maanden) na het sluiten van de pensioenovereenkomst verstrekt te worden, maar mag dit ook al voor het sluiten van de pensioenovereenkomst.

Eerste lid, onderdeel b

In de informatie wordt vermeld in welke pensioensoorten (ouderdoms-, arbeidsongeschiktheids-, partner-, of wezenpensioen) wordt voorzien. Ten aanzien van al deze pensioensoorten moet de informatie verstrekt worden die in de onderdelen c tot en met h worden genoemd. Ook als niet in nabestaandenpensioen (partnerpensioen en/of wezenpensioen) wordt voorzien moet dit worden gemeld.

Eerste lid, onderdeel c

Zoals in paragraaf 3.3. van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Pensioenwet (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3) is uiteengezet is het van essentieel belang dat een deelnemer weet wat het karakter is van de pensioenovereenkomst. Het is niet wenselijk dat de indruk kan worden gewekt dat zijn ouderdomspensioen een bepaalde hoogte zal hebben, terwijl de pensioenovereenkomst alleen maar inhoudt dat gestreefd zal worden naar een bepaald ouderdomspensioen, terwijl de hoogte van het ouderdomspensioen feitelijk afhangt van de rendementen op de ingelegde premies.

Deelnemers moeten ook expliciet gewezen worden op risico’s die door hen gedragen worden. Het gaat hierbij primair om het eventueel noemen van het beleggingsrisico of het langlevenrisico, de risico’s die bepalen, afhankelijk van wie dat risico draagt, of een overeenkomst een uitkerings-, een kapitaal-, of een premieovereenkomst is (zie paragraaf 3.3.1 van de toelichting bij het wetsvoorstel voor de Pensioenwet en paragraaf 2 van deze toelichting).

Ook bij uitkeringsovereenkomsten kunnen een aantal risico’s altijd nog ten laste komen van de deelnemer. Dit is bijvoorbeeld het geval bij toeslagen die voorwaardelijk zijn. Zowel in de opbouw- als de uitkeringsfase kan het herstellen van een situatie van onderdekking betekenen, dat tijdelijk de toeslagverlening verlaagd wordt. Voor de informatieverstrekking over dit risico gelden specifieke informatievoorschriften.

Daarnaast zijn er uitkeringsovereenkomsten in de vorm van zogeheten collectieve «defined contribution» regelingen (cdc-regelingen). Het opvangen van het risico op onderdekking ligt hierbij eenzijdig bij de aanspraak- en pensioengerechtigden omdat de werkgever niet verplicht is een hogere premie te betalen of anderszins een bijstorting te plegen. Het is van belang de werknemer dit duidelijk te melden in de startbrief.

Eerste lid, onderdeel d

Voor pensioenovereenkomsten waarbij het pensioen wordt gebaseerd op het salaris is van belang welk (deel van het) salaris daarvoor in aanmerking wordt genomen. Dit wordt wel aangeduid met de term «pensioengevend» salaris.

Wanneer de hoogte van het pensioen afhangt van het aantal dienstjaren, moet worden aangegeven welke dienstjaren daarvoor in aanmerking worden genomen. Bij hantering van een franchise moet worden vermeld hoe groot die is en waarop die wordt gebaseerd. Ook informatie over het opbouwpercentage is uiteraard relevant.

Ook moet worden uitgelegd of salarisontwikkelingen van invloed zijn op de hoogte van het pensioen en wat bijvoorbeeld een middelloonregeling inhoudt wanneer daar sprake van is.

Bij pensioenovereenkomsten waarbij een kapitaal wordt gegarandeerd moet de hoogte van dit kapitaal worden vermeld. Bij pensioenovereenkomsten die gebaseerd zijn op een door de werkgever toegezegde premie moet worden aangegeven hoe die premie wordt vastgesteld.

Eerste lid, onderdeel f

In de informatie moet worden aangegeven wat er gebeurt met de pensioenaanspraken wanneer iemand de deelneming beëindigt. Dat is met name van belang wanneer het partner- en wezenpensioen is gefinancierd op risicobasis en in geval van beëindiging van de deelneming komt te vervallen.

Indien bij premieovereenkomsten bij de beëindiging van de deelneming omzetting in een kapitaal of uitkering plaatsvindt, moet daarover eveneens worden geïnformeerd.

Bij kapitaalovereenkomsten moet worden aangegeven of het een kapitaal blijft tot de pensioendatum, dan wel bij de beëindiging van de deelneming voor de pensioendatum omzetting plaats vindt in een periodieke uitkering.

Eerste lid, onderdeel g

In de informatie moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van arbeidsongeschiktheid en of de deelnemer de mogelijkheid heeft om vrijwillig voort te zetten.

Eerste lid, onderdeel h

Als hiervan sprake is gaat het om een betalingsvoorbehoud als bedoeld in artikel 12 van de Pensioenwet.

Eerste lid, onderdeel j

Afhankelijk van de inhoud van de pensioenovereenkomst zijn er feiten die voor de werkgever of de uitvoerder van belang zullen zijn in het kader van de pensioenregeling. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een scheiding omdat dat op grond van artikel 57 van de Pensioenwet en artikel 68 van de WVB consequenties heeft voor het partnerpensioen.

Tweede lid

Deze informatieverplichting is nieuw en wordt toegelicht in paragraaf 3.4 van de toelichting bij het wetsvoorstel voor de Pensioenwet (Kamerstukken II 2004-05, 30 413, nr. 3) en paragraaf 2 van deze toelichting.

Derde lid

De uitvoerder hoeft alleen te wijzen op het wettelijk recht op waardeoverdracht. De deelnemer zal uiteraard zelf moeten (laten) onderzoeken of hij eerder opgebouwde pensioenaanspraken heeft die overdraagbaar zijn en of zo’n overdracht wenselijk is.

Een deelnemer wordt overigens ook bij beëindiging van de deelneming tevens op grond van artikel 39 van de Pensioenwet en artikel 50 van de WVB door zijn oude uitvoerder over het wettelijk recht op of de mogelijkheid van waardeoverdracht geïnformeerd.

De deelnemer moet ook gewezen worden op zijn recht om bepaalde informatie te vragen over omstandigheden die de uitvoerder betreffen. Het gaat hierbij om jaarverslag, jaarrekening en de dekkingsgraad. Indien een korte- of langetermijnherstelplan actueel is moet de deelnemer hierover geïnformeerd worden. Deze informatie is voor de deelnemer nuttig indien hij waardeoverdracht overweegt. De deelnemer krijgt diezelfde informatie ook als hij de deelneming beëindigt. Tenslotte moet de deelnemer geïnformeerd worden over het bestaan van een klachtenregeling.

Artikel 4. Informatie over toeslagverlening

Nieuw ten opzichte van de PSW is informatieverplichting over toeslagen. Hierover is al een en ander toegelicht in paragraaf 7.6.3 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Pensioenwet.

Met onderdeel a wordt gedoeld op de systematiek, (bijvoorbeeld koppeling aan een loonindexcijfer) en de voorwaarden waaronder toeslagverlening plaatsvindt (bijvoorbeeld afhankelijk van de situatie met betrekking tot de dekkingsgraad.) Indien bij voorwaardelijke toeslagverlening het al dan niet verlenen van de toeslagen afhankelijk is van de dekkingsgraad van het fonds, moet beschreven worden welk beleid het bestuur van het fonds hierin hanteert (het criterium c.q. de criteria inclusief een eventuele discretionaire bevoegdheid van het bestuur).

Bij voorwaardelijke toeslagverlening geldt het bepaalde in artikel 95 van de Pensioenwet en artikel 103 van de WVB ten aanzien van de financiering. Dit betekent dat ook informatie gegeven moet worden over de hoogte van de voorziening indien financiering plaats vindt via voorzieningen. De voorziening kan gerealiseerd zijn in een technische voorziening, een bestemmingsreserve of via vrij eigen vermogen.

Onderdeel c wordt nader ingevuld bij de uitwerking van de indexatiematrix op grond van artikel 95 van de Pensioenwet en artikel 103 van de WVB.

De in onderdeel d genoemde informatie is niet relevant wanneer er sprake is van een eindloonregeling, maar wel voor deelnemers in een middelloonregeling of een vastebedragenregeling omdat verhogingen van hun aanspraken ook gezien worden als toeslag in de zin van de Pensioenwet.

Artikel 5. Verstrekken informatie aan deelnemers jaarlijks

De verplichting om jaarlijks de in dit artikel genoemde opgaven te verstrekken is deels nieuw. Op grond van de PSW hoefde zo’n opgave wat betreft de verworven aanspraken alleen op verzoek te worden verstrekt. Voor de volledigheid zij vermeld dat bij premieovereenkomsten waar wordt belegd tot de pensioendatum, de stand van het kapitaal wordt vermeld.

Deze informatieverplichting betreft zowel de basispensioenregeling als een eventuele vrijwillige pensioenregeling. Bij kapitaalovereenkomsten moet uiteraard ook de hoogte van de toegekende rente- of winstdeling worden vermeld.

Vermeld moet worden of er sprake is van pensioenaanspraken op risico- of opbouwbasis en welke consequenties dat heeft. Dit onderscheid is met name belangrijk voor nabestaandenpensioenen. Voor een deelnemer moet duidelijk zijn of er na beëindiging van de deelneming of na pensionering nog aanspraak bestaat op nabestaandenpensioen. Hoewel het goed voorstelbaar is dat de pensioenregeling op dat punt in de loop van de tijd niet wijzigt, is het toch noodzakelijk om de deelnemer hier jaarlijks op te attenderen. De deelnemer moet zich hiervan goed bewust zijn. Tevens moet uit de opgave blijken wat de looptijd van een uitkering is. Deze informatie ontvangt de deelnemer op grond van artikel 21 van de Pensioenwet en artikel 48 van de WVB eenmalig bij het sluiten van de pensioenovereenkomst dan wel toetreding tot de pensioenregeling, maar het is belangrijk dat de deelnemer hier periodiek op gewezen wordt, met name bij arbeidsongeschiktheids- en partnerpensioen.

Onder reglementair te bereiken pensioenaanspraken wordt verstaan: de pensioenaanspraken die bereikt zullen worden wanneer iemand tot de pensioendatum in dienst blijft onder voor het overige gelijkblijvende omstandigheden. Nieuw is dat bij twee van de drie te onderscheiden vormen van premieovereenkomsten (zie paragraaf 3.3.1. van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Pensioenwet) een indicatie moet worden gegeven. Bij «zuivere» premieovereenkomsten moet geen indicatie worden gegeven van het mogelijk te bereiken kapitaal op de pensioendatum. Een dergelijke indicatie is met grote onzekerheden omgeven en is een flinke administratieve last voor uitvoerders. Wel krijgt de deelnemer een dergelijke indicatie op verzoek.

Ten aanzien van het arbeidsongeschiktheidspensioen is het ook toegestaan om in plaats van een nominaal verzekerd bedrag een percentage aan te geven tot welk niveau aanvulling plaats vindt, bijvoorbeeld dat het arbeidsongeschiktheidspensioen voorziet in een aanvulling tot 80% van het salaris.

Artikel 6. Verstrekken informatie aan deelnemers bij beëindiging deelneming

Voor de deelnemer is van belang dat gewezen wordt op de mogelijkheden van waardeoverdracht en afkoop. Het is ook belangrijk dat de uitvoerder de deelnemer wijst op de consequenties van arbeidsongeschiktheid omdat de deelnemer zich soms moet aanmelden bij de uitvoerder om eventueel in aanmerking te komen voor voortzetting van pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. Indien een korte- of langetermijnherstelplan actueel is krijgt de deelnemer hierover informatie: dit is met name relevant in het kader van een mogelijke waardeoverdracht. Het is bij beëindiging van de deelneming van belang dat de gewezen deelnemer weet dat de dekking tegen het risico van overlijden vervalt als het nabestaandenpensioen toegekend werd op basis van risicofinanciering. Dit moet op grond van dit besluit expliciet worden vermeld.

Artikel 8. Verstrekken informatie aan deelnemers inzake vrijwillige pensioenregeling

In afwijking van premieovereenkomsten als basispensioenregeling, moet bij premieovereenkomsten in de vorm van vrijwillige pensioenregelingen een indicatie van het mogelijk te bereiken kapitaal worden gegeven in verband met de vergelijkbaarheid van alternatieven voor vrijwillige regelingen in de derde pijler (zie hoofdstuk 2, paragraaf 7, van de algemene toelichting). Deze indicatie moet op basis van drie scenario’s worden berekend (een midden, een pessimistisch en een optimistisch rendementsscenario). Met betrekking tot de wijze waarop de indicatie van het mogelijk te bereiken kapitaal bij premieovereenkomsten, zoals genoemd in het tweede lid, wordt berekend zijn op grond van het vierde lid de regels die zijn gesteld op grond van artikel 39, vierde lid, van het Besluit financiële dienstverlening van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de veronderstellingen die ten aanzien van de scenario’s worden voorgeschreven bij het geven van een indicatie van het te verwachten rendement bij de financiële bijsluiter van overeenkomstige toepassing zijn.

Artikel 9. Verstrekken van informatie op verzoek

Zie voor het tweede tot en met vijfde lid het algemeen deel van de toelichting.

Het zesde lid en het zevende lid, onderdeel a, het kortertermijnherstelplan en de verklaring inzake beleggingsbeginselen, vloeien voort uit de implementatie van richtlijn 2003/41/EG. Informatieverstrekking over het actueel zijn van een kortetermijnherstelplan, het aangesteld zijn van een bewindvoerder en het aantal aanwijzingen dat een fonds heeft ontvangen van de toezichthouder, is voor de (gewezen) deelnemer van belang. Het kan immers van invloed zijn op toekomstige toeslagverlening of de zekerstelling van de aanspraken.

Hoofdstuk 3. Pension fund governance

Artikel 11. Waarborging goed bestuur

Met dit artikel worden de «Principes voor goed pensioenfondsbestuur» van de Stichting van de Arbeid van 16 december 2005 aangewezen als de na te leven principes. Een uitgebreide toelichting op de principes wordt gegeven in de eerste nota van wijziging bij het wetsvoorstel voor de Pensioenwet (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 14).

Hoofdstuk 4. Uitbesteding

Artikel 12. Werkzaamheden die niet mogen worden uitbesteed door de uitvoerder

Voor alle bestuurlijke taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden geldt dat de uitvoerder deze niet kan uitbesteden. Dat betekent dat het bestuur in ieder geval de volgende taken zelf dient uit te voeren:

a. het vaststellen van het beleid.

Daaronder wordt bijvoorbeeld verstaan het vaststellen van:

– het beleggingsbeleid met daarin opgenomen de beleggingsbeginselen,

– het beleid over informatievoorziening en transparantie,

– het beleid over de toeslagverlening,

– het beleid betreffende de uitbesteding,

– het jaarplan, met daarin de beleidsvoornemens voor het komende jaar, en de daaraan gekoppelde begroting.

b. Het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid en het vaststellen van het jaarverslag en de jaarverantwoording.

c. Het vaststellen van procedures en processen (administratieve organisatiebeschrijving), waaronder de klachtenprocedure.

d. Het vaststellen van de omvang van het domein en het vaststellen wie er tot de regelingen mogen toetreden, wie er een eigen regeling krijgen en welke risico’s worden gedeeld.

Verder geldt dat het uitbesteden van werkzaamheden, die de verantwoordelijkheid van de uitvoerder voor de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen en het toezicht daarop kunnen ondermijnen, niet zijn toegestaan (artikel 3 van de Beleidsregel uitbesteding pensioenfondsen en van de Regeling uitbesteding verzekeraars). Voorbeelden van dergelijke vormen van uitbesteding zijn:

– Het uitbesteden van werkzaamheden indien dat afbreuk doet aan de kwaliteit van de onafhankelijke interne toetsing bij de uitvoerder;

– Het uitbesteden van de financiële administratie en het opmaken van de jaarrekening aan de controlerende externe accountant van de uitvoerder, dan wel aan het kantoor waarmee de externe accountant is verbonden.

Artikel 13. Overeenkomst tot uitbesteding

Deze en de volgende bepaling gelden alleen voor fondsen. Voor verzekeraars gelden vergelijkbare regels op grond van de Wft.

Het fonds dient een schriftelijke overeenkomst te sluiten met de uitvoerende organisatie (de derde). Daarbij draagt het fonds zorg voor een duidelijke beschrijving, indien mogelijk onder verwijzing naar zijn eigen administratieve organisatiebeschrijving, van de werkzaamheden in de overeenkomst. Verder worden in de overeenkomst de voorwaarden opgenomen waaronder de uitbesteding plaatsvindt. De overeenkomst dient ook te regelen hoe met de uitbestede werkzaamheden of bedrijfsprocessen en verzamelde data wordt omgegaan bij beëindiging van de overeenkomst.

Artikel 14. Beheersing van de risico’s die verband houden met de uitbesteding

Aan uitbesteding van werkzaamheden en bedrijfsprocessen zijn risico’s verbonden. Het fonds dient dan ook een risicoanalyse te maken. Risicoanalyse is een continu proces, waarbij het fonds ten aanzien van de uitbesteding op systematische wijze rekening dient te houden met de risico’s van de bestaande uitbestedingen, evenals van wijzigingen daarin en van nieuwe vormen van uitbesteding. Het fonds maakt de analyse op het niveau van zijn organisatie in zijn geheel en op het niveau van de onderscheiden bedrijfsonderdelen. Risico’s ten aanzien van de uitbesteding kunnen betrekking hebben op de eigen organisatie en op de uitvoerende organisatie.

Het fonds dient verder te beschikken over vastgesteld beleid met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden. Het fonds dient voldoende waarborgen te verkrijgen van de derde voor het handhaven van een beheerste en integere bedrijfsvoering alsmede dat maatregelen worden genomen inzake fraudepreventie en het waarborgen van privacy. Denkbaar is bijvoorbeeld dat het fonds ter beheersing van geconstateerde risico’s bedingt dat de derde werkt in gescheiden werkomgevingen per opdrachtgever.

Omdat het fonds altijd verantwoordelijk blijft voor de naleving van de wet, ook als hij werkzaamheden uitbesteedt, dient het fonds te beschikken over een adequate controle op de uitbestede werkzaamheden. Het fonds dient aan te geven hoe de uitbestede werkzaamheden en de uitvoerende organisatie zijn opgenomen in de cyclus van periodieke interne controle. Dat betekent dat het fonds periodiek controleert of de wijze waarop de uitvoerende organisatie de uitbestede werkzaamheden uitvoert nog in overeenstemming is met de gemaakte afspraken. Het fonds beschikt daartoe over toereikende procedures, deskundigheid en informatie om de werkzaamheden van de derde op adequate wijze te kunnen beoordelen en zonodig bij te sturen.

Hoofdstuk 5. Afkoop en uitruil

Artikel 15. Ruilvoet en opbouwkeuzevoet

De tekst van dit artikel komt overeen met artikel 2 van het Besluit gelijke behandeling bij pensioenen en artikel 2 van het Besluit verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 16. Afkoop kleine pensioenen en afkoop bovenmatig pensioen

De tekst van dit artikel komt overeen met artikel 3 van het Besluit gelijke behandeling bij pensioenen en artikel 3 van het Besluit verplichte beroepspensioenregeling.

De regels die op basis van artikel 66, elfde lid, van de Pensioenwet en artikel 78, elfde lid, van de WVB moeten gelden, gelden ook ten aanzien van afkoop op grond van artikel 67 en 68 van de Pensioenwet en 79 en 80 van de WVB.

Zoals toegelicht is ervoor gekozen in het wetsvoorstel de eisen ten aanzien van sekseneutraliteit en collectieve actuariële gelijkwaardigheid ook ten aanzien van afkoop van een fiscaal bovenmatig pensioen te stellen (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, blz. 225).

Daarom is de onderhavige bepaling toegevoegd.

In de WVB is geen bepaling opgenomen over de afkoop van fiscale bovenmatigheid omdat die regeling niet geldt voor beroepsgenoten.

Artikel 17. Gelijke behandeling bij pensioenovereenkomsten met onbepaalde verhouding tussen pensioensoorten

Dit artikel is gebaseerd op artikel 4 van het Besluit gelijke behandeling bij pensioenen, met dien verstande dat het begrip «toegezegd» is vervangen is door «overeengekomen» en «geldelijke bijdrage» is vervangen door «beschikbaar gestelde premie» en «aanspraak op kapitaal» in verband met de invoering van de begrippen premieovereenkomst en kapitaalovereenkomst. Dit artikel heeft betrekking op de situatie dat de werkgever wel een premie beschikbaar stelt of opbouw van een bepaald kapitaal overeenkomt, maar waarbij op voorhand niet duidelijk is welk deel van de premie of het kapitaal bedoeld is voor ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen of arbeidsongeschiktheidspensioen, de zogeheten universal life regelingen. In dat geval wordt ervan uitgegaan dat alleen ouderdomspensioen is overeengekomen. Zoals al in de toelichting bij artikel 4 van het Besluit gelijke behandeling bij pensioenen is aangegeven is voor deze oplossing bij een onbepaalde toezegging gekozen vanuit de veronderstelling dat in de praktijk veelal in elk geval ouderdomspensioen zal worden ingekocht, en dat dit pensioen voor mannen en vrouwen gelijk moet zijn. De deelnemer kan uiteraard op eigen initiatief andere pensioensoorten dan ouderdomspensioen inkopen. Het vereiste van een gelijk ouderdomspensioen laat onverlet dat verschillen kunnen ontstaan tussen het ouderdomspensioen van mannen en vrouwen doordat de deelnemers op eigen initiatief een andere pensioensoort inkopen dan ouderdomspensioen. De werkgever en de pensioenuitvoerder hebben immers aan hun verplichting tot gelijke behandeling voldaan op het moment van het vaststellen van de premie.

Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht

Artikel 18 en 20. Verzoek opgave informatie aan overdragende uitvoerder en opgave informatie aan de rechthebbende

Voordat de deelnemer een verzoek tot waardeoverdracht van pensioenaanspraken weloverwogen kan doen, moet hij over voldoende begrijpelijke informatie beschikken om te kunnen beoordelen of waardeoverdracht in zijn geval een verstandige beslissing is. In de opgave moet de deelnemer worden geïnformeerd over de hoogte van de aanspraken (op ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en/of arbeidsongeschiktheidspensioen) vóór en na waardeoverdracht. Soms kennen de pensioenregelingen bij de oude en de nieuwe pensioenuitvoerder niet dezelfde pensioensoorten. In dat geval wordt toegelicht hoe het kapitaal dat op basis van de oude pensioenregeling wordt ingebracht, verdeeld wordt over de pensioensoorten in de nieuwe regeling. Als er géén nabestaanden- of arbeidsongeschiktheidspensioen is, wordt dit expliciet vermeld. Vermeld wordt verder hoe groot het aantal jaren is dat kan worden ingekocht ingeval er extra jaren worden toegekend en de wijze van aanpassing hiervan. Het toeslagbeleid vóór en na waardeoverdracht wordt in beeld gebracht, waarbij dat op dezelfde wijze gebeurt als bij de overige verplichtingen over het informeren over toeslagbeleid (zie artikel 4).

Dit zijn relevante gegevens voor de beoordeling van de vraag of waardeoverdracht gewenst is.

Artikel 21. Verzoek tot waardeoverdracht

Nadat de ontvangende uitvoerder de informatie heeft verstrekt beslist de deelnemer of hij op grond van deze informatie van zijn recht op waardeoverdracht gebruik maakt. Pas dan doet hij via de ontvangende uitvoerder het daadwerkelijke verzoek tot waardeoverdracht. Vanwege de financiële consequenties is het noodzakelijk dat de deelnemer binnen een redelijke termijn beslist of hij al dan niet gebruik maakt van zijn recht op waardeoverdracht.

Artikel 22. Verzoek opgave informatie aan ontvangende uitvoerder

De termijn waarbinnen een deelnemer het verzoek tot waardeoverdracht aan de nieuwe uitvoerder moet doen is zes maanden. Deze termijn vangt aan op de aanvangsdatum van de deelname aan de pensioenregeling van de deelnemer. Dit laat overigens onverlet dat de opname in de pensioenregeling met terugwerkende kracht kan plaatsvinden als gevolg van het hanteren van drempeltijd. Voor de start van de termijn waarbinnen het verzoek tot waardeoverdracht moet worden gemaakt heeft deze terugwerkende kracht geen gevolgen.

Artikel 23. Afhandeling waardeoverdracht

In het eerste lid is bepaald dat de ontvangende uitvoerder de ontvangst van het definitieve verzoek om waardeoverdracht terstond meldt aan de overdragende uitvoerder. Op grond van het tweede lid draagt de ontvangende uitvoerder het verzekerde risico ten aanzien van de over te dragen aanspraken vanaf de datum van het verzoek van deelnemer en dus moeten de termijnen zo kort mogelijk worden gehouden.

Bij de specifieke situatie van een pensioenverzekering, waarvan de financiering plaatsvindt op basis van beleggingseenheden waarvoor het koersrisico bij de verzekerde ligt (een zuivere premieovereenkomst) is de overdrachtswaarde niet eerder te berekenen dan op de datum van het contant maken (verkopen) van de beleggingseenheden. Dit gebeurt pas nadat de verzekerde daadwerkelijk een verzoek tot waardeoverdracht heeft ingediend bij de ontvangende uitvoerder. Vanwege mogelijke koersschommelingen is het zaak op zo kort mogelijke termijn daarna tot vaststelling van de overdrachtswaarde over te gaan. Om die reden is bepaald dat de betaling van de overdrachtswaarde binnen tien werkdagen nadat de verzekerde het verzoek tot waardeoverdracht heeft gedaan moet plaatsvinden (zie het derde lid). Aangezien de overdrachtswaarde op de betaaldatum en niet op de overdrachtsdatum wordt berekend, is bepaald dat in die overdrachtswaarde de interestcompensatie is begrepen (zie het vierde lid).

Artikel 24. Overschrijding termijnen

Overschrijding van termijnen door een uitvoeringsorgaan mag er niet toe leiden dat de waardeoverdracht om die reden geen doorgang meer kan vinden en daarmee het recht op waardeoverdracht wordt ontzegd aan een deelnemer.

Artikel 25. Berekening overdrachtswaarde

Dit artikel bevat de regels op basis waarvan de overdrachtswaarde wordt bepaald.

Uitgangspunt bij waardeoverdracht is dat bij aansluitende overdracht tussen identieke pensioenregelingen, bij gelijke pensioengrondslag, de pensioenaanspraken na overdracht dezelfde zijn en daarmee, indien van toepassing, tevens het aantal extra pensioenjaren in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, gelijk is aan het aantal in de pensioenregeling, ondergebracht bij de overdragende uitvoerder, tot de datum van het einde van het deelnemerschap. De rekensystematiek is zodanig, dat de pensioenaanspraken na overdracht in totaal actuarieel gelijkwaardig zijn aan de pensioenaanspraken die door de overdragende uitvoerder zijn meegegeven. Met pensioenaanspraken wordt gedoeld op de tot de datum van beëindiging van de deelneming opgebouwde tijdsevenredige aanspraak, dat wil zeggen de pensioenaanspraken zonder toekomstige voorwaardelijke toeslagen e.d.

Bij de omzetting van de meegekregen pensioenaanspraak naar de pensioenregeling ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder wordt uitgegaan van de totale bij beëindiging van de deelneming meegekregen pensioenaanspraak, dus van ouderdoms- en partnerpensioen tezamen.

Het eerste en tweede lid hebben betrekking op de wijze waarop de overdrachtswaarde wordt bepaald bij uitkeringsovereenkomsten. Het vierde lid heeft betrekking op kapitaal- en premieovereenkomsten.

De basisregel is dat de overdrachtswaarde gelijk is aan de contante waarde van de over te dragen nominale aanspraken, waarbij de overdrachtswaarde wordt berekend op basis van een door de minister te bepalen standaardtarief (eerste lid). In dit besluit is vastgelegd dat het standaardtarief wordt berekend op basis van marktwaardering (zie hoofdstuk 6, paragraaf 2 van het algemeen deel van de toelichting).

Het tweede lid bepaalt dat als voor een bepaald pensioensysteem de overdrachtswaarde niet rechtstreeks kan worden bepaald door toepassing van de grondslagen van het standaardtarief, het betreffende pensioensysteem eerst wordt omgezet in een pensioensysteem waarop het standaardtarief wel toegepast kan worden. Aangezien de grondslagen van het standaardtarief geen bepalingen bevatten omtrent onvoorwaardelijke stijgingen en bijzondere pensioensystemen, zal in die gevallen voor dat deel van het pensioen de omzetting plaats dienen te vinden. Bijvoorbeeld indien er sprake is van tijdelijk nabestaandenpensioen vindt eerst omrekening plaats naar levenslang nabestaandenpensioen op basis van de eigen contante waardefactoren, alvorens de overdrachtswaarde wordt bepaald.

Het derde lid geeft aan welke pensioenaanspraken bij de berekening van de overdrachtswaarde buiten beschouwing blijven. Bij onderdeel a kan worden opgemerkt dat onvoorwaardelijk toegekende vaste stijgingen, in tegenstelling tot voorwaardelijk toegekende stijgingen, wel worden meegenomen bij de bepaling van de overdrachtswaarde.

Voor een partnerpensioen op risicobasis vindt geen opbouw plaats. Indien er waardeoverdracht plaatsvindt vanuit een regeling waarin partnerpensioen is opgebouwd naar een regeling waarin partnerpensioen op risicobasis is verzekerd, wordt de overdrachtswaarde in zijn geheel aangewend voor ouderdomspensioen. In het omgekeerde geval – indien dus geen partnerpensioen is opgebouwd maar dit op risicobasis is verzekerd – ontstaat dezelfde situatie die ook al geldt voor het wezenpensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen en wordt voor het partnerpensioen geen waarde overgedragen. Dit is expliciet in het besluit opgenomen (derde lid, onderdeel b). Hoe de waarde bij de ontvangende uitvoerder wordt aangewend is aan sociale partners. Wel moet dit op grond van artikel 35, tweede lid, onderdeel a, van de Pensioenwet en artikel 21, tweede lid, onderdeel b, van de WVB in het pensioenreglement worden vastgelegd.

De in onderdeel c bedoelde achterblijvende aanspraken op partnerpensioen ontstaan, indien een partner niet instemt met het verzoek om waardeoverdracht. Het partnerpensioen en het bijzonder partnerpensioen blijft dan bij de overdragende uitvoerder.

Voor gewone regelingen moet de waardeberekening altijd plaatsvinden met behulp van de grondslagen die bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld. Voor regelingen waarvoor deze grondslagen niet toereikend zijn, kunnen, met behoud van de actuariële gelijkwaardigheid, de over te dragen pensioenaanspraken met behulp van de door de uitvoerder zelf gebruikte grondslagen eerst worden omgezet in pensioenaanspraken waarop het in dit besluit neergelegde standaardtarief wel toegepast kan worden. Op kapitaalovereenkomsten en premieovereenkomsten waarbij de premie wordt belegd of wordt aangewend voor de aankoop van een verzekerd kapitaal kan het voorgaande niet worden toegepast. Voor deze regelingen zal in een ministeriële regeling een andere berekeningswijze worden opgenomen.

Artikel 26. Overdrachtswaarde niet gelijk aan waarde gefinancierde deel van de aanspraken

De overdrachtswaarde van de pensioenaanspraken kan bij uitkerings- en kapitaalovereenkomsten meer of minder bedragen dan het tot dat moment gefinancierde deel van die aanspraken. Voor zover die aanspraken niet zijn gefinancierd, dient dit bij de waardeoverdracht alsnog te gebeuren. De overdragende uitvoerder moet die lasten alsnog opbrengen. Indien meer dan de overdrachtswaarde is gefinancierd, wordt slechts de overdrachtswaarde overgedragen. Het teveel gefinancierde deel van de aanspraken vloeit terug naar de oude werkgever of het overdragende fonds.

Artikel 27. Aanwenden van overdrachtswaarde

Het uitgangspunt van deze bepaling is dat de totale overdrachtswaarde wordt aangewend voor het inkopen van pensioenaanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder. Het is afhankelijk van die regeling hoe dit gebeurt.

In het tweede lid is bepaald dat bij waardeoverdracht naar een premieovereenkomst waarbij de premie wordt belegd de afkoopsom binnen een week moet worden aangewend voor beleggingseenheden. Dit met het oog op mogelijke koersschommelingen.

Artikel 28. Behandeling aanspraken na waardeoverdracht

Als uitgangspunt geldt dat met de overgedragen waarde in te kopen pensioenaanspraken gelijk dienen te worden behandeld als de pensioenaanspraken verworven in de pensioenregeling ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, bij voorbeeld door het toekennen van extra pensioenjaren. Indien de overdracht leidt tot extra pensioenaanspraken die uitstijgen boven een eventueel maximum aantal dienstjaren dat in de desbetreffende pensioenregeling wordt gehanteerd, blijft het meerdere in stand en wordt op een zelfde wijze behandeld als geldt bij een aanspraak op pensioen van een gewezen deelnemer.

Ook bij de toeslagverlening moeten de aanspraken gelijk behandeld worden. Dit kan, met name bij beroepspensioenregelingen, tot een kennelijk onredelijk resultaat leiden. Er zijn beroepspensioenregelingen waarbij de opbouw van nominale aanspraken laag is, maar de voorwaardelijke toeslagverlening – waarvoor een buffer wordt gevormd – heel hoog. Deelnemers die op latere leeftijd hun elders opgebouwde aanspraken overdragen naar dit fonds zouden, zonder nadere regeling, sterk profiteren van dergelijke regelingen. Immers, men brengt een relatief hoge nominale aanspraak in die bovendien van zeer hoge toeslagen wordt voorzien. Toeslagen waar deze deelnemer niet mee hebben helpen buffers voor te vormen. Dit kan leiden tot calculerend gedrag waardoor deelnemers die hebben meebetaald aan de buffer benadeeld worden. Dit wordt voorkomen door de uitvoerder van een beroepspensioenregeling de bevoegdheid te geven een gedifferentieerd toeslagenbeleid te voeren indien het «gewone» beleid leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Het feit dat het moet gaan om een «kennelijk» onredelijk resultaat geeft aan dat afwijking van de hoofdregel niet kan worden toegepast bij een «gewone» waardeoverdracht maar alleen in individuele situaties waarbij de hoofdregel tot een evident onredelijk resultaat zou leiden. Het gaat dan bijvoorbeeld om waardeoverdracht waarbij het gerede vermoeden bestaat dat de overstap van loondienst naar zelfstandig beroepsgenootschap vooral een papieren overstap is. Aanleiding voor dit vermoeden zou kunnen zijn dat de overstap relatief kort voor de pensioneringsdatum plaatsvindt en er nauwelijks inkomsten in die periode worden verworven. In dat geval zou de uitvoerder kunnen besluiten om een afwijkende indexering te hanteren over de ingebrachte waarde. De toeslagverlening zou dan kunnen worden gerelateerd aan het aantal jaren dat de deelnemer heeft betaald ten behoeve van de toeslagverlening.

Hoofdstuk 7. Deskundigheid en betrouwbaarheid

Artikel 29. Toets deskundigheid en betrouwbaarheid

De toets op deskundigheid en betrouwbaarheid moet gebeuren voordat de betrokken personen benoemd worden.

Artikel 30. Deskundigheid

Dit artikel geeft een nadere invulling van de deskundigheid die wordt vereist en is gebaseerd op artikel 5 van de Beleidsregels beleidsbepaling en toetsing pensioenfondsen. Het eerste lid geeft als algemene norm dat er voldoende kennis en ervaring moet zijn voor een behoorlijk bestuur van het fonds opdat adequaat sturing kan worden gegeven aan de processen en werkzaamheden van de organisatie. Dat geldt overigens ook als die voor risico van het fonds door derden worden verricht. Als bepaalde werkzaamheden zijn uitbesteed of risico’s niet voorkomen – bijvoorbeeld door (her)verzekering – zal dat zijn weerslag hebben op het noodzakelijk niveau van deskundigheid. Er zal evenwel vanuit de primaire verantwoordelijkheid van het bestuur voor de bedrijfsvoering voldoende kennis binnen het fonds aanwezig moeten zijn om in die gevallen de ontwikkelingen kritisch te kunnen volgen en zonodig adequaat te kunnen bijsturen. Voor de beoordeling van de deskundigheid kijkt de DNB naar de kring van het bestuur of (dagelijks) beleidsbepalers als geheel.

De in het tweede lid opgenomen norm is ontleend aan artikel 5, tweede lid, van de Beleidsregels beleidsbepaling en toetsing pensioenfondsen.

Het derde lid benoemt de gebieden waarop de deskundigheid betrekking moet hebben. Met het besturen van een organisatie (onder a) wordt gedoeld op de algemene vaardigheid om een organisatie te besturen (managementvaardigheid). De communicatie (onderdeel f) betreft de informatieverstrekking aan (gewezen) deelnemers en andere belanghebbenden, het rapporteren aan de toezichthouder en het uitbrengen van de jaarstukken. Het vierde lid verplicht de fondsen op verzoek bepaalde informatie te geven over de deskundigheid binnen de organisatie (deskundigheidsplan). Daarin moeten ten minste bepaalde onderwerpen aan de orde komen zoals het algemene beleid, de voorzieningen, bijvoorbeeld met betrekking tot permanente educatie en gebruik van externe expertise, de portefeuilleverdeling ten aanzien van beleidsbepalende functies en hoe / binnen welke termijn eventuele lacunes in de deskundigheid opgevuld zullen worden. Dit deskundigheidsplan stimuleert in de eerste plaats het denkproces binnen de fondsen overde deskundigheid. Het is bovendien een instrument voor de toezichthouder en wordt onder meer gebruikt bij de toetsing.

Artikel 31. Betrouwbaarheid

Dit artikel bevat de inhoud van artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing. De aan een handeling of antecedent ten grondslag liggende gedraging is bepalend voor het oordeel over de betrouwbaarheid van betrokkene. Onder gedraging wordt zowel een doen als nalaten begrepen. Ook een voorgenomen gedraging kan inzicht geven in de betrouwbaarheid van betrokkene. Een voorbeeld van een voorgenomen gedraging is dat uit onderzoek blijkt dat een voorgenomen aandelentransactie van de te toetsen kandidaat in het verleden is afgekeurd in verband met mogelijke voorkennis of (de schijn van) belangenverstrengeling. Vanzelfsprekend dient DNB relevante voornemens op objectief verifieerbare wijze vast te stellen.

Artikel 32. Antecedenten

In dit artikel is artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing opgenomen. In de bijlage bij dit besluit zijn de antecedenten opgenomen die voor de betrouwbaarheidsbeoordeling van belang zijn. Onderdeel 1 van de bijlage bevat een limitatieve opsomming van antecedenten; de opsomming in de overige onderdelen is niet limitatief. Naast de nadrukkelijk omschreven antecedenten kan DNB ook andere feiten en omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn, in haar overwegingen betrekken. Hierbij kan worden gedacht aan feiten en omstandigheden die naar hun aard vergelijkbaar zijn met de in de bijlage genoemde antecedenten.

Artikel 33. Bronnen

Dit artikel vloeit voort uit artikel 2, derde lid, van de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing. Om inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten te verkrijgen die van belang zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, kan DNB bij verschillende personen en instellingen om informatie verzoeken. De Belastingdienst is ontheven van haar geheimhoudingsverplichting, als bedoeld in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Op basis van deze ontheffing zijn DNB, AFM en de Belastingdienst een convenant overeengekomen over informatieverstrekking ten behoeve van betrouwbaarheidstoetsingen van kandidaat (mede-)beleidsbepalers in de financiële sector.

In afwijking van de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing bevat dit artikel een limitatieve lijst van bronnen die DNB kan raadplegen. Voorts kan DNB op basis van ambtsberichten van het Openbaar Ministerie kennisnemen van het feit dat een kandidaat (mede-)beleidsbepaler als verdachte wordt aangemerkt of – indien het een afgesloten strafzaak betreft – informatie verkrijgen over het achterliggende feitencomplex.

Vanwege het limitatieve karakter zijn ook bronnen opgenomen die in de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing niet geëxpliciteerd waren (gegevens en inlichtingen uit openbare bronnen, van curatoren of bewindvoerders, organisaties van beroepsgenoten). Voor gegevens uit openbare bronnen moet bijvoorbeeld gedacht worden aan gegevens uit het handelsregister of het Kadaster. De gegevens en inlichtingen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten kunnen van belang zijn vanwege mogelijke tuchtrechtelijke of disciplinaire maatregelen tegen betrokkene. Ook is de mogelijkheid opgenomen om bij ministeriële regeling andere bronnen aan te wijzen die DNB voor de betrouwbaarheidstoetsing kan raadplegen.

Het tweede lid regelt dat wanneer DNB op basis van gegevens of inlichtingen uit de in het eerste lid genoemde bronnen aanleiding heeft tot nader onderzoek, DNB aanvullende bronnen kan betrekken bij de toetsing van de betrouwbaarheid. De betrokkene krijgt hierover voorafgaand aan het nadere onderzoek een met redenen omklede kennisgeving.

Artikel 34. Strafrechtelijke veroordeling

Dit artikel verwerkt de inhoud van artikel 3, derde lid, van de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing en bepaalt dat een onherroepelijke rechterlijke veroordeling terzake een antecedent bedoeld in onderdeel 1 van de bijlage leidt tot de vaststelling dat de betrouwbaarheid van betrokkene niet (langer) buiten twijfel staat.

Gelet op de aard en ernst van de misdrijven bedoeld in dit onderdeel, worden de aan het misdrijf ten grondslag liggende gedragingen op voorhand geacht onverenigbaar te zijn met de belangen die de wet beoogt te beschermen.

De dwingende consequentie voor het oordeel over de betrouwbaarheid die verbonden is aan de onherroepelijke veroordeling terzake van strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in onderdeel 1 van de bijlage is begrensd tot een termijn van 8 jaar vanaf de datum van het onherroepelijk worden van de rechterlijke uitspraak. Deze begrenzing geldt niet voor andere antecedenten. Echter, DNB kan antecedenten die zich hebben voorgedaan voorafgaande aan de termijn van 8 jaar, minder zwaar laten meetellen in haar afweging dan antecedenten die zich binnen die termijn hebben voorgedaan.

Artikel 35. Vaststelling betrouwbaarheid

In dit artikel wordt artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing verwerkt. Met betrekking tot de in de bijlagen opgesomde antecedenten geldt dat het bestaan van een enkel antecedent, met uitzondering van de antecedenten bedoeld in onderdeel 1 van de bijlage, op zichzelf nog niet maatgevend is voor het oordeel van DNB over de betrouwbaarheid van betrokkene. DNB zal zich een eigen oordeel moeten vormen over een antecedent. Bovendien dient het onderlinge verband van voornemens, handelingen en de aan het antecedent ten grondslag liggende gedraging van betrokkene in ogenschouw te worden genomen. Dit betekent bijvoorbeeld dat een vrijspraak door de strafrechter of het anderszins uitblijven van een strafrechtelijke reactie niet op voorhand betekent dat er geen twijfel zou kunnen bestaan over de betrouwbaarheid van betrokkene. Omgekeerd is het in beginsel mogelijk dat DNB tot de conclusie komt dat het bestaan van een antecedent, met uitzondering van de antecedenten genoemd in onderdeel 1 van de bijlage, niet leidt tot doorslaggevende twijfel over de betrouwbaarheid van betrokkene.

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Artikel 36. Toedeling van taken

Dit artikel regelt de taakafbakening tussen de AFM en DNB. De artikelen waarvan het toezicht op de naleving ervan behoort tot het gedragstoezicht en daarmee tot de taak van AFM worden expliciet genoemd. DNB is belast met het toezicht op naleving van de overige regels in de wet. Zoals in de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Pensioenwet al is aangegeven zal de toezichthouder ook moeten bezien of de uitvoerder in overeenstemming met andere relevante wet- en regelgeving handelt, zoals bijvoorbeeld de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen en de Wet op de medische keuringen (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, blz. 128).

Artikel 37. Uitzondering bevoegdheden

Dit artikel regelt dat bepaalde handhavinginstrumenten, namelijk de bevoegdheid van de toezichthouder tot het aanstellen van een curator of een bewindvoerder en het onbevoegd verklaren van een accountant of actuaris, niet kunnen worden toegepast bij het gedragstoezicht. Vanuit een oogpunt van proportionaliteit ligt het niet in de rede deze instrumenten toe te passen bij overtredingen van informatieverplichtingen.

Artikel 38. Wijze van samenwerking

Uitgangspunt bij de wijze van samenwerking tussen de AFM en DNB is, waar mogelijk, het voorkomen van dubbele uitvraag van dezelfde gegevens en inlichtingen, overlap in de toezichtvelden en mogelijk strijdige oordelen.

Het voorkomen van dubbele uitvraag van dezelfde gegevens en inlichtingen is ondervangen door toe te laten dat beide toezichthouders, onder de nodige waarborgen, gegevens of inlichtingen kunnen uitwisselen. Artikel 205 is hiertoe in de Pensioenwet opgenomen en artikel 199 in de WVB.

Daarbij is het van belang dat beide toezichthouders weten welke gegevens en inlichtingen zij nodig hebben en welke gegevens en inlichtingen daarvan bij de andere toezichthouder voorhanden zijn. De toezichthouders maken afspraken over hoe zij de beschikbare gegevens en inlichtingen uitwisselen en, bij het ontbreken van die gegevens en inlichtingen, de wijze waarop die gegevens en inlichtingen alsnog beschikbaar komen.

De toezichthouders zullen vooral samenwerken bij en afstemmen over onderwerpen waarvan onderdelen zowel tot het gedragstoezicht als het prudentieel of materieel toezicht behoren. Indien dit betekent dat beide toezichthouders beleidsregels opstellen ligt het in de rede dat deze zo veel mogelijk gelijkluidend zijn. Dit geldt in het bijzonder voor de inzet van de handhavinginstrumenten. Een vergelijkbare eis is opgenomen in artikel 1:29 van de Wft.

Toezichthouders zullen ook beleid ontwikkelen over de inzet van de aan hen toebedeelde handhavinginstrumenten. De inzet van deze instrumenten dient proportioneel te zijn ten aanzien van de geconstateerde afwijking. Daarbij dienen toezichthouders ook de inzet van handhavinginstrumenten ten opzichte van elkaar af te stemmen, zodat de inzet ook onderling in proportie is.

Voor de uitvoering van het toezicht is het in een aantal gevallen wenselijk dat de ene toezichthouder op de hoogte is van een door de andere toezichthouder genomen maatregel tegen een uitvoerder. Toezichthouders dienen dan ook afspraken te maken over de wijze waarop, wanneer en van welke genomen maatregel zij elkaar op de hoogte stellen.

De toezichthouders nemen in principe het oordeel van elkaar rechtstreeks over. Zo zal de AFM het oordeel van DNB over de interpretatie van onderliggende stukken, zoals het reglement of de actuariële en bedrijfstechnische nota, rechtstreeks overnemen. DNB zal het oordeel van de AFM over de communicatie rechtstreeks overnemen.

Voorbeeld: Bij de toetsing op juistheid van de communicatie toetst de AFM de informatieverstrekking aan het pensioenreglement. Daarbij zal de AFM in veel gevallen ook het oordeel van DNB nodig hebben over het pensioenreglement en de actuariële en bedrijfstechnische nota.

De beide toezichthouders, AFM en DNB, leggen, binnen de wettelijke vereisten, werkafspraken over onderlinge samenwerking en uitvoering schriftelijk vast. Deze schriftelijke afspraken behoeven niet de instemming van de minister van SZW. Toezichthouders dienen wel de schriftelijke afspraken ter kennisneming te doen toekomen aan de minister van SZW. De afspraken zijn openbaar.

Artikel 40. Eisen aan de toezichthouder

De bedoeling van het eerste lid is dat er geen vermenging plaatsvindt van de taken op het gebied van advisering, uitvoering en oordeelsvorming.

Naast de eisen die in dit artikel worden voorgeschreven bepalen artikel 187 van de Pensioenwet en artikel 182 van de WVB dat werkzaamheden in verband met het opleggen van een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Hoofdstuk 9. Kostenregeling

Artikel 41. Incidentele kosten

Dit artikel geeft een opsomming van de toezichthandelingen waarvoor door de toezichthouder kosten kunnen worden doorberekend. Per handeling kan door de toezichthouder een eenmalig bedrag in rekening worden gebracht bij de uitvoerder ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht. De hoogte van dit bedrag wordt jaarlijks, op voorstel van de toezichthouder, door de minister vastgesteld.

Incidentele kosten hebben geen betrekking op de werkzaamheden die de toezichthouder verricht op verzoek van een andere toezichthouder. Bij de samenwerking tussen de toezichthouders zullen de werkzaamheden van de «andere» toezichthouder zo gering van omvang zijn dat doorberekenen van de daarop betrekking hebbende kosten niet efficiënt is.

Artikel 42. Jaarlijkse kosten

In dit artikel is een regeling opgenomen voor de toezichtkosten die niet op grond van artikel 41 bij de uitvoerders in rekening worden gebracht. Er wordt daarbij een relatie gelegd tussen de aan een categorie van uitvoerders in rekening te brengen bedragen en de ten aanzien van de categorie van uitvoerders te verrichten werkzaamheden.

De kosten worden geraamd op basis van de verwachte ontwikkeling van de kosten en toezichtinspanningen in het jaar waarin de bedragen in rekening worden gebracht. Dit vindt zijn grondslag in de begroting van de toezichthouder. De kosten worden toegerekend aan onderscheiden categorieën van uitvoerders. De verrekening van eventuele exploitatiesaldi en opbrengsten van bestuurlijke boetes geschiedt per categorie.

Om kruissubsidiëring te voorkomen wordt voorgeschreven dat bij de kostentoerekening onderscheid wordt gemaakt tussen fondsen en verzekeraars die pensioenregelingen uitvoeren. Ook moeten de verschillende toezichtonderwerpen onderscheiden worden dat wil zeggen dat de kosten gemaakt voor het gedragstoezicht, het prudentieel toezicht en het materieel toezicht onderscheiden worden.

Artikel 43. Vaststelling verschuldigd bedrag

Het jaarlijks in rekening te brengen bedrag bestaat uit een vast gedeelte, het minimumbedrag, en een aanvullend variabel gedeelte dat een percentage bedraagt van de maatstaf. Voor deze terminologie is aangesloten bij het Besluit bekostiging financieel toezicht. Onder maatstaf wordt hier verstaan de heffingsgrondslag zoals die term werd gebruikt in de Kostenregeling PSW 1993. Als maatstaf zou bijvoorbeeld kunnen dienen het bruto premie-inkomen of de som van de premies en de directe beleggingsopbrengsten. Het minimumbedrag sluit aan bij de kosten van de gemiddelde minimale toezichtinspanningen die door de toezichthouder met betrekking tot uitvoerders worden geleverd. Het minimum is voor fondsen en verzekeraars gelijk. Voor elke toezichtcomponent afzonderlijk – gedragstoezicht, prudentieel toezicht en materieel toezicht – bepaalt de minister (op voorstel van de toezichthouder) een minimumbedrag. Indien een toezichthouder meerdere delen van het toezicht uitvoert, zoals in het geval van DNB die op fondsen zowel het prudentiële als het materiële toezicht uitvoert, dan brengt de toezichthouder voor elk deel het voor dat deel vastgestelde minimumbedrag in rekening. De toezichthouder doet bij het indienen van de begroting een voorstel voor de hoogte van de minimumbedragen.

Op basis van de kosten die per categorie worden toegerekend, minus het totaal van de minimumbedragen binnen de desbetreffende categorie, wordt aan de hand van de toepasselijke heffingsmaatstaven vervolgens het variabele deel berekend. Als maatstaf voor de heffing zal worden aangesloten bij bestaande kostenregelingen. De maatstaf wordt daarbij in beginsel gerelateerd aan de maatstafgegevens van het voorafgaande jaar. Deze maatstafgegevens worden bij voorkeur op 31 december vastgesteld, behoudens de gevallen waarin de maatstaf niet te koppelen valt aan een bepaalde datum. Er wordt een maximale maatstaf vastgesteld. De maximale maatstaf dient om een bovengrens te leggen aan de op te leggen toezichtkosten en zo de pensioenuitvoerder te beschermen tegen excessieve kosten. De toezichthouder doet hiervoor bij het indienen van de begroting een voorstel.

Bij de berekening van het tarief zal eveneens worden aangesloten bij de «Kostenregeling Pensioen- en spaarfondsenwet 1993».

De minister stelt, op voorstel van de toezichthouder, het tarief voor verzekeraars vast door de begrote kosten voor het toezicht op verzekeraars die een pensioenregeling uitvoeren, verminderd met het totaal van de aan verzekeraars toe te rekenen basisbedragen, te delen door het totaal van de maatstaven van alle verzekeraars die een pensioenregeling uitvoeren tezamen.

Artikel 44. Verschuldigd bedrag bij gedeelte jaar

Als een uitvoerder pas gedurende het begrotingsjaar werkzaamheden als uitvoerder gaat verrichten wordt in dat jaar het jaarlijkse bedrag in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal maanden dat de uitvoerder werkzaam was. Daarbij geldt een gedeelte van een maand als volledige maand. Het omgekeerde geldt indien een uitvoerder in de loop van een jaar met de werkzaamheden stopt. Deze uitvoerder ontvangt, naar evenredigheid van het aantal maanden, het betaalde jaarlijkse bedrag terug.

Artikel 45. Gegevensverstrekking

De maatstaf van de uitvoerder is bepalend voor de hoogte van het bedrag dat aan elke uitvoerder individueel in rekening wordt gebracht. Indien de toezichthouder de maatstafgegevens niet binnen de gestelde redelijke termijn ontvangt of wanneer sprake is van een kennelijk onjuiste opgave, is de toezichthouder bevoegd een schatting te doen.

Artikel 47. Fusie uitvoerders

Dit artikel regelt de doorberekening van kosten ingeval van een juridische fusie van een uitvoerder met een andere uitvoerder. De kosten van de werkzaamheden die nog voor het moment van fusie ten behoeve van de verdwijnende uitvoerder zijn gemaakt, kunnen, voor zover deze niet reeds zijn doorberekend, in rekening worden gebracht bij de verkrijgende uitvoerder.

Dat wil zeggen: Indien een uitvoerder wordt overgenomen door een andere instelling en de aanslag is nog niet opgelegd, dan legt de toezichthouder de aanslag op aan de nieuwe instelling, waarbij voor het bepalen van de hoogte van de aanslag wordt gehandeld alsof de uitvoerder nog zelfstandig is. Als de aanslag wel is opgelegd, maar nog niet voldaan, dan dient de nieuwe instelling deze aanslag alsnog te voldoen.

De toezichthouder gaat voor dat jaar niet over op herberekening van de hoogte van de aanslag.

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Artikel 48. Hoogte boetebedragen

Dit artikel stelt de hoogte vast van de boeten die door de toezichthouders kunnen worden opgelegd bij overtreding van de in artikel 48 genoemde artikelen van de Pensioenwet, de WVB, artikel 5.20 van de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit financieel toetsingskader en dit besluit. De bedragen, ingedeeld in vier tariefnummers, zijn ten opzichte van de PSW, beperkt verhoogd in overeenstemming met het Besluit boetes Wft. Met de verhoging is een aanpassing aan de prijsontwikkeling beoogd en zijn de bedragen op ronde getallen gebracht.

Artikel 49. Indeling naar tarief

Dit artikel bepaalt de hoogte van de boete voor overtredingen door aan elke beboetbare bepaling een tariefnummer te koppelen. Het tariefnummer bepaalt in beginsel, indien van toepassing in combinatie met de draagkrachtfactor, het bedrag van de boete. Wat betreft de koppeling van overtredingen aan tariefnummers zijn de in de PSW toegekende tariefnummers kritisch bekeken, wat heeft geleid tot enkele aanpassingen.

Artikel 50. Boeteoplegging naar draagkracht

Dit artikel bepaalt dat bij het bepalen van de hoogte van de boete voor uitvoerders rekening moet worden gehouden met hun draagkracht. Het tweede lid werkt uit op welke manier dit moet gebeuren.

Ook in de PSW speelt de draagkracht van de overtreder een rol bij de bepaling van het bedrag van de boete. De manier waarop deze een rol speelt is echter gewijzigd. In de PSW zijn de overtredingen onderverdeeld in twee tabellen. Bij overtredingen in tabel 1 (die alleen door uitvoerders konden worden gepleegd) werd rekening gehouden met de draagkracht, bij overtredingen in tabel 2 niet. Conform het Besluit boetes Wft is deze indeling in tabellen verlaten en is geregeld dat alleen bij uitvoerders rekening wordt gehouden met de draagkracht.

Het vierde lid bepaalt dat bij het uitblijven van gegevens over de draagkracht een draagkrachtfactor vijf geldt. Mocht dit in bijzondere gevallen tot buitenproportionele boetes leiden dan kan de toezichthouder de hoogte van de boete via de matigingsbevoegdheid van artikel 179, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 174, derde lid, van de WVB verlagen.

Artikel 51. Draagkrachtfactoren

De draagkrachtfactoren zijn gebaseerd op de PSW. Wel zijn ze, net als de boetebedragen, aangepast aan de prijsontwikkeling en gebracht op ronde getallen.

Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen

Artikel 52

Van de in artikel 67 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet (IPW) geboden mogelijkheid om regels te stellen met het oog op een goede uitvoering wordt met het opnemen van dit artikel gebruik gemaakt. Geconstateerd is dat artikel 18 van de IPW niet regelt wat er geldt ten aanzien van bestaande C-polissen, wanneer géén pensioenopbouw meer plaats vindt na de inwerkingtreding van de Pensioenwet. Het hier opgenomen artikel voorziet hier (tijdelijk) in. Deze omissie zal op een later tijdstip door middel van een wettelijke bepaling worden aangevuld.

Verder is geconstateerd dat bij artikel 22, eerste lid, IPW ten onrechte artikel 8a, vierde lid, van de PSW niet is genoemd. Dit zou betekenen dat de verplichting om de gewezen partner een bewijs van diens aanspraak te geven in 2007 niet meer geldt, terwijl de informatieverplichting aan de gewezen partner bij scheiding van artikel 41 van de Pensioenwet pas op 1 januari 2008 in werking treedt. Om deze lacune te dichten wordt alsnog geregeld dat artikel 8a, vierde lid, van de PSW in het jaar 2007 van toepassing blijft.

Artikel 53. Intrekken besluiten

Omdat de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt ingetrokken vervallen de besluiten die op deze wet zijn gebaseerd. De WVB vervalt echter niet, maar wordt, via de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, gewijzigd. Besluiten die (ook) op de WVB zijn gebaseerd moeten daarom worden ingetrokken.

Artikel 56 tot en met 62.

De verwijzing naar artikel 3a van de Pensioen- en spaarfondsenwet in het Besluit meldingsregeling Wet Bpf 2000 is aangepast door te verwijzen naar artikel 26 van de Pensioenwet. Tevens is het begrip «bijdragen» vervangen door: premies.

De verwijzingen naar de PSW in het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 zijn aangepast.

In artikel 65 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet is voorzien is een grondslag voor het bestaande Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004.

De hier opgenomen wijzigingen zijn noodzakelijk om aan te sluiten bij de in Pensioenwet gehanteerde terminologie.

In diverse besluiten wordt de terminologie aangepast aan de Pensioenwet. De verwijzing naar het bedrag genoemd in artikel 32, vijfde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt vervangen door een verwijzing naar het bedrag genoemd in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet.

Artikel 63. Inwerkingtreding

Het overgrote deel van de bepalingen van dit besluit kan in werking treden op 1 januari 2007. Aangezien echter de in de Pensioenwet en de WvB opgenomen bepalingen die betrekking hebben op informatie pas een jaar later in werking zullen treden, geldt het zelfde ten aanzien van de regels die in het onderhavige besluit in hoofdstuk 2 met betrekking tot deze materie zijn opgenomen.

Ten aanzien van artikel 61 van de Pensioenwet en artikel 73 van de WVB wordt voor de inwerkingtreding onderscheid gemaakt tussen de verschillende leden waarbij voor het eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid een termijn van een jaar geldt en voor de overige leden een termijn van twee jaar. Dit onderscheid is daarom ook in dit besluit gemaakt.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.