Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201633931 nr. 11

33 931 EU-voorstel: Herziening van de richtlijn over regels voor bedrijfspensioenfondsen (IORP) COM (2014) 167

Nr. 11 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 februari 2016

Op 25 januari jl. heeft de Commissie Economische en monetaire zaken (ECON) van het Europees Parlement haar positie bepaald ten aanzien van het voorstel tot herziening van de IORP-richtlijn. Daarnaast heeft op 26 januari jl. de Europese toezichthouder EIOPA de resultaten van een Europese stresstest voor pensioenfondsen gepubliceerd. Met deze brief informeer ik u over het verdere proces rond de herziening van de IORP-richtlijn en de belangrijkste resultaten van de EIOPA-stresstest. Ook geef ik een reactie op het verzoek van dhr. Omtzigt van 7 december 2015 een onderzoek te doen naar de effecten van het ECB-beleid op de rente en daarmee op de pensioenfondsen.

Stand van zaken herziening IORP-richtlijn

Op 27 maart 2014 heeft de Europese Commissie een voorstel uitgebracht ter herziening van de IORP-richtlijn. Nadat de Raad op 10 december 2014 in Coreper akkoord is gegaan met een zogenaamde general approach ten aanzien van het richtlijnvoorstel, heeft op 25 januari jl. ook het Europees Parlement haar positie bepaald. Dit betekent dat de triloogfase nu van start kan gaan: de onderhandelingen tussen de beide medewetgevers (de Raad en het Parlement) en de Europese Commissie. Doel van de triloog is te komen tot een compromis tussen de standpunten van de Raad, het Parlement en de Commissie. Nederland zal hierin, als huidige voorzitter, namens de Raad optreden, waarbij het startmandaat voor Nederland de eerder overeengekomen general approach is.

Over de inhoud van het compromis in de Raad en hoe dit zich verhoudt tot het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie heb ik u op 4 december 2014 geïnformeerd (Kamerstuk 33 931, nr. 8). In de general approach van de Raad was reeds in grote mate tegemoet gekomen aan de Nederlandse bezwaren bij het Commissievoorstel. Zo waren er zorgen over de gedetailleerde en uniforme bepalingen over de pensioencommunicatie, de ruime en gedetailleerde gedelegeerde bevoegdheden voor de Europese Commissie en de Europese toezichthouder EIOPA, de gedetailleerdheid van de bepalingen over de governance en de mogelijke gevolgen hiervan voor pensioenfondsen, werkgevers en deelnemers. Op 9 december 2014 heb ik het onderhandelingsmandaat van de Raad met uw Kamer besproken. Bij die gelegenheid heb ik toegezegd u te zullen informeren over de uitkomst van de onderhandelingen in het Europees Parlement en vervolgens, voordat de Raad er over beslist, weer terug te komen in de Tweede Kamer. Met deze brief voldoe ik aan de toezegging u te informeren over de uitkomst van de onderhandelingen in het Europees Parlement.

Op 25 januari jl. is in de ECON gestemd over het standpunt van het Europees Parlement ten aanzien van de aanpassing van de richtlijn. Tevens is besloten dat er geen plenaire stemming in het Europees Parlement zal volgen voorafgaand aan de triloog. In grote lijnen gaan de aanpassingen van het Europees Parlement op het Commissievoorstel in dezelfde richting als de voorgestelde aanpassingen door de Raad. Zo vermindert ook het Europees Parlement het detailniveau van de bepalingen op het gebied van governance en communicatie en vermindert het de gedelegeerde bevoegdheden voor de Europese Commissie en EIOPA. Wel zet het Europees Parlement meer dan de Europese Commissie en de Raad in op het verminderen van obstakels voor grensoverschrijdende activiteiten voor pensioenfondsen en ziet het daarbij tevens een rol voor EIOPA. Ook geeft het Europees Parlement extra aandacht aan risico’s rond sociale en intergenerationele aspecten en klimaatverandering in het risicomanagement van pensioenfondsen.

Het startmandaat van de Raad sluit zoals gezegd aan bij de Nederlandse standpunten en biedt Nederland daarmee als voorzitter voldoende aanknopingspunten in de onderhandelingen om de discussie over de verschillen met het Europees Parlement aan te gaan. Deze constatering is met name van belang omdat de inhoudelijke beweegruimte van Nederland tijdens het voorzitterschap beperkt is. In de triloogfase zal Nederland optreden namens de Raad, en als zodanig onderhandelen namens alle andere lidstaten van de EU. Nederland zal zich in die rol in de Raad per definitie neutraal en onpartijdig opstellen en optreden als bemiddelaar. Dit betekent dat met alle binnen de Raad naar voren gebrachte standpunten naar behoren rekening wordt gehouden en dat zij op hun merites worden beoordeeld. Het eerste trilooggesprek met het Europees Parlement en de Europese Commissie staat vooralsnog gepland op 29 februari. Daaraan voorafgaand is Nederland voornemens op 10 februari en 23 februari (dit zijn voorlopige data) twee voorbereidende bijeenkomsten met de lidstaten te laten plaatsvinden, waarin de lidstaten de gelegenheid hebben hun oordeel te geven over het voorstel van het Europees Parlement en aan te geven hoe ver het voorzitterschap kan gaan in de onderhandelingen.

Zoals gezegd zal in de triloog gepoogd worden om overeenstemming te bereiken over de standpunten van de Raad en het Europees Parlement ten aanzien van het Commissievoorstel. Als in de triloog tussen partijen uiteindelijk overeenstemming wordt bereikt, zal het voorstel ter behandeling worden voorgelegd aan Coreper. Zoals eerder toegezegd zal op dat moment Uw Kamer ook hierover schriftelijk worden geïnformeerd. Besluitvorming over het voorstel zal plaatsvinden bij gekwalificeerde meerderheid.

Uitkomsten Europese stresstest pensioenen

Op 26 januari jl. heeft de Europese toezichthouder voor pensioenfondsen EIOPA de resultaten van een eerste stresstest voor pensioenfondsen naar buiten gebracht1. Het doel van deze stresstest is tweeledig: ten eerste om een indruk te krijgen in hoeverre pensioenfondsen geraakt worden door financiële schokken en veranderingen in de levensverwachting. En ten tweede om te bezien of er sprake is van systeemrisico’s, dat wil zeggen het risico dat het beleid van pensioenfondsen het effect van financiële crises versterkt.

Het rapport laat zien dat het Nederlandse pensioenstelsel kwetsbaar is voor nieuwe financiële schokken. De afgelopen jaren zijn door de financieel economische crisis de dekkingsgraden al sterk gedaald, waardoor fondsen niet of nauwelijks meer over buffers beschikken. Ook hebben we ten opzichte van andere Europese landen veel opgebouwd pensioenvermogen, waarbij fondsen risico’s in het beleggingsbeleid nemen met als doel dat dit opgebouwde vermogen rendement en dus een beter pensioen oplevert.

EIOPA vindt geen bewijs voor systeemrisico’s die ontstaan via pensioenfondsen. De redenen hiervoor zijn tweeledig. Ten eerste zijn pensioenfondsen volgens het onderzoek over het algemeen niet procyclische beleggers. Dat wil zeggen dat ze het beleggingsbeleid niet dusdanig aanpassen dat het koersbewegingen versterkt. Ten tweede krijgen in de meeste landen pensioenfondsen de tijd om schokken op te vangen. Dit geldt ook voor Nederland, waar het financieel toetsingskader ervoor zorgt dat pensioenfondsen schokken kunnen uitsmeren zodat ze niet direct leiden tot kortingen voor de deelnemer of premieverhogingen voor de werkgever of werkende.

Het is de bevoegdheid van EIOPA om als onafhankelijk Europees toezichthouder EU-brede stresstesten te initiëren en te coördineren om de veerkracht en het systeemrisico van financiële instellingen, waaronder pensioenfondsen, te beoordelen. Tegelijkertijd is het vanwege de grote verschillen in pensioenstelsels tussen de Europese lidstaten moeilijk om via een uniforme methodiek, die niet gelijk is aan de nationale toezichtkaders, de effecten op de verschillende pensioenfondsen in Europa consistent in beeld te brengen. Het is daarom terecht dat EIOPA constateert dat het aan de nationale toezichthouders is om in te grijpen indien dat noodzakelijk wordt geacht. DNB heeft in een reactie op de resultaten van de stresstest nogmaals gewezen op het voornemen in het pensioentoezicht in 2016 nadrukkelijk te kijken naar de financiële opzet van pensioenfondsen en de manier waarop pensioenfondsen de deelnemers informeren over hun financiële positie2.

Effect ECB-beleid op de rente

In het debat over de Staat van de Unie van 7 december 2015 (Kamerstuk 34 166, nr. 43) is op verzoek van het Kamerlid Omtzigt door de Minister van Buitenlandse Zaken een schriftelijke reactie toegezegd op de vraag of het effect van het ECB-beleid op de rente en daarmee op de financiële positie van de pensioenfondsen gekwantificeerd kan worden. Ten aanzien van deze vraag kan ik melden dat het huidige ECB-beleid in beginsel een drukkend effect heeft op de rente, maar dat het niet te kwantificeren is hoe dit exact doorwerkt op de rentetermijnstructuur die pensioenfondsen gebruiken voor de waardering van hun verplichtingen. De rente waartegen pensioenfondsen hun verplichtingen waarderen wordt niet alleen bepaald door het ECB-beleid maar ook door uiteenlopende vraag- en aanbodfactoren in de markt. De invloeden van deze verschillende factoren zijn niet van elkaar te onderscheiden. Bovendien ondersteunt het ECB-beleid de economie waar ook pensioenfondsen direct (via de vermogenskant) en indirect (via een gezond economisch klimaat in het eurogebied) van profiteren. Deze effecten zijn

eveneens moeilijk te kwantificeren. Het separate effect van het ECB-beleid op de financiële positie van de pensioenfondsen kan daarmee dus niet worden gegeven. Voor de totale effecten van de lage rente voor pensioenfondsen verwijs ik u naar het onderzoek «gevolgen lage rente en ufr voor de financiële positie van pensioenfondsen» van 9 oktober 2015 (Kamerstuk 32 043, nr. 285).

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma