34 725 IX Jaarverslag en slotwet Ministerie van Financiën en Nationale Schuld 2016

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN FINANCIËN EN NATIONALE SCHULD (IX)

Aangeboden 17 mei 2017

Aandeel in ontvangsten IX, paragrafen 4.1 t/m 4.7 en 5.1 t/m 5.2 (bedragen x € 1.000)

Aandeel in niet-belastingontvangsten IX, paragrafen 4.1 t/m 4.7 en 5.1 t/m 5.3 (bedragen x € 1.000)

Aandeel in uitgaven IX, paragrafen 4.1 t/m 4.7 en 5.1 t/m 5.3 (bedragen x € 1.000)

Aandeel in uitgaven Nationale Schuld, paragrafen 4.8 en 4.9 (bedragen x € 1.000)

Aandeel in ontvangsten Nationale Schuld, paragrafen 4.8 en 4.9 (bedragen x € 1.000)

Inhoudsopgave

A.

ALGEMEEN

6

 

1.

AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

6

 

2.

LEESWIJZER

8

       

B.

BELEIDSVERSLAG

10

 

3.

BELEIDSPRIORITEITEN

10

   

3.1 Inleiding

10

   

3.2 Samenvatting Nationale Schuld

12

   

3.3 Verantwoording beleidsprioriteiten

16

   

3.4 Realisatie beleidsdoorlichtingen

26

   

3.5 Overzicht risicoregelingen

39

 

4.

BELEIDSARTIKELEN

48

   

4.1 Belastingen

48

   

4.2 Financiële markten

69

   

4.3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

74

   

4.4 Internationale financiële betrekkingen

81

   

4.5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

88

   

4.6 Btw-compensatiefonds

95

   

4.7 Beheer materiële activa

100

   

4.8 Financiering staatsschuld

102

   

4.9 Kasbeheer

118

 

5.

NIET-BELEIDSARTIKELEN

122

   

5.1 Apparaat kerndepartement

122

   

5.2 Algemeen

125

   

5.3 Nominaal en onvoorzien

126

 

6.

BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

127

       

C.

JAARREKENING

135

 

7.

VERANTWOORDINGSSTATEN IXA en IXB

135

 

8.

SALDIBALANS IXA EN IXB

137

   

8.1 Saldibalans Nationale Schuld IXA

137

   

8.2 Saldibalans Ministerie van Financiën IXB

144

 

9.

WNT-VERANTWOORDING 2016 – Ministerie van Financiën

161

       

D.

BIJLAGEN

164

 

BIJLAGE 1: TOEZICHTSRELATIES ZBO’S/RWT’S

164

 

BIJLAGE 2: OVERZICHT NIET-FINANCIELE INFORMATIE OVER INKOOP VAN ADVISEURS EN TIJDELIJK PERSONEEL (INHUUR EXTERNEN)

172

 

BIJLAGE 3: AFGEROND EVALUATIE- EN OVERIG ONDERZOEK

173

 

AFKORTINGENLIJST

175

A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer van de Staten-Generaal

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Financiën (IX) over het jaar 2016 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Financiën decharge te verlenen over het in het jaar 2016 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieel beheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalansen;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel Jaarverslag van het Rijk over 2016;

  • b. het voorstel van de slotwet over 2016 dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel Jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel Jaarverslag van het Rijk over 2016 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2016 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2016 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

Algemeen

Het begrotingshoofdstuk IX (Financiën en Nationale Schuld) omvat het beleidsterrein van het Ministerie van Financiën. In het jaarverslag worden de gerealiseerde beleidsdoelen, instrumenten en ingezette middelen ten opzichte van de ontwerpbegroting 2016 verantwoord.

De focus ligt op beleidsmatige hoofdpunten. Waar relevant wordt verwezen naar Kamerstukken. Voor een toelichting op de belastingontvangsten wordt verwezen naar het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

Vanwege tussentijdse afrondingen op gehele duizenden, miljoenen of miljarden euro’s kan de som der delen afwijken van het totaal in de tabellen.

Opbouw van het jaarverslag

Het jaarverslag begint met een algemeen deel: de aanbieding van het jaarverslag/dechargeverlening en de leeswijzer (paragrafen 1 en 2). Daarna komt in paragraaf 3 het beleidsverslag waarin de samenvatting Nationale Schuld en de beleidsprioriteiten uit de beleidsagenda van de ontwerpbegroting IX over 2016 staan. Verder zijn nog de overzichten «Realisatie beleidsdoorlichtingen» en «Overzicht risicoregelingen» opgenomen.

Het beleidsverslag bevat financiële en niet-financiële gegevens. Deze zijn aan verschillende kwaliteitsnormen onderhevig.

Paragraaf 4 bevat de beleidsartikelen:

  • 4.1 Belastingen;

  • 4.2 Financiële markten;

  • 4.3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector;

  • 4.4 Internationale financiële betrekkingen;

  • 4.5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen;

  • 4.6 Btw-compensatiefonds en

  • 4.7 Beheer materiële activa.

De beleidsartikelen bestaan hoofdzakelijk uit:

  • de beleidsdoelstelling: in de beleidsmatige (niet-financiële) toelichting wordt, waar relevant, nader ingegaan op de belangrijkste beleidsresultaten en op opmerkelijke verschillen ten opzichte van de ontwerpbegroting;

  • de budgettaire gevolgen van beleid met een financiële toelichting, waarin opmerkelijke verschillen tussen de ontwerpbegroting en de realisatie in het verslagjaar worden toegelicht. Dit betreft de toelichting op de verantwoordingsstaat uit de jaarrekening. Hierbij worden de volgende grensbedragen aangehouden:

    • uitgaven en niet-belastingontvangsten: > 5% van het bedrag van de ontwerpbegroting en > € 2,5 miljoen en

    • belastingontvangsten: > 5% van bedrag ontwerpbegroting en > € 25 miljoen.

    Als het beleidsmatig wenselijk is, wordt zo nodig ook beneden deze norm een toelichting gegeven. Verder worden de belangrijke posten in de saldibalans toegelicht.

De beleidsartikelen voor de Nationale Schuld zijn:

  • 4.8 Financiering staatsschuld en

  • 4.9 Kasbeheer.

Het verslag van de Nationale Schuld heeft twee specifieke eigenschappen. De eerste eigenschap is dat de rente-uitgaven en rente-ontvangsten op transactiebasis worden verantwoord. Met de registratie van rente op transactiebasis voor de Nationale Schuld wordt aangesloten bij de Europese voorschriften van het ESR (Europees Stelsel van Rekeningen) 2010. Het ESR 2010 is de Europese methode om onder meer het EMU(Europese en Monetaire Unie)-saldo en het geharmoniseerde BNI (Bruto Nationaal Inkomen) als grondslag voor de afdracht van de eigen middelen aan de Europese Unie (EU) te berekenen. De tweede eigenschap is dat voor beide artikelen wordt verondersteld dat de aangegane financiële verplichtingen gelijk zijn aan de uitgaven.

In paragraaf 5 komen de niet-beleidsartikelen aan bod. De niet-beleidsartikelen zijn:

  • 5.1 Apparaat kerndepartement;

  • 5.2 Algemeen en

  • 5.3 Nominaal en Onvoorzien.

Paragraaf 6 is de bedrijfsvoeringparagraaf. In de bedrijfsvoeringparagraaf wordt verslag gedaan van opmerkelijke zaken in de bedrijfsvoering, mede gebaseerd op een risico-analyse. De bedrijfsvoeringparagraaf heeft het karakter van een uitzonderingsrapportage, maar alle onderdelen worden verplicht vermeld, ook wanneer zich geen noemenswaardige bevindingen hebben voorgedaan.

De paragrafen 7 t/m 9 vormen de jaarrekening. Het gaat om de verantwoordingsstaten IXA en IXB (paragraaf 7), de saldibalansen IXA en IXB (paragraaf 8) en de WNT-verantwoording 2016 (paragraaf 9).

Tot slot zijn drie bijlagen opgenomen. Bijlage 1 bevat een overzicht van Zelfstandige BestuursOrganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s), waarvoor Financiën beleidsmatig verantwoordelijk is. In bijlage 2 staat informatie betreffende de externe inhuur. Bijlage 3 bevat een overzicht van afgeronde evaluatie- en overig onderzoeken.

Groeiparagraaf

Het overkoepelende focusonderwerp dat de Tweede Kamer voor de verslaglegging over 2016 heeft benoemd, is het thema «Focus op beleidstoetsing». Voor de begroting van Financiën en Nationale Schuld heeft de vaste commissie voor Financiën drie beleidsdoorlichtingen geselecteerd om de kwaliteit te toetsen. De drie beleidsdoorlichtingen zijn: Export- en kredietverzekering 2014, Risicomanagement staatsschuld 2015 en Belastingen en toeslagen (2016).

Deze beoordeling staat opgenomen in paragraaf 3.4 van dit jaarverslag.

B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

3.1 Inleiding

In 2016 waren in de werkzaamheden van het Ministerie van Financiën twee zaken dominant. Natuurlijk, zoals altijd, de financieel-economische ontwikkelingen en de problemen die bloot kwamen te liggen bij de Belastingdienst.

Het afgelopen jaar is de Belastingdienst herhaaldelijk negatief in het nieuws geweest. De gang van zaken rond de afgesloten vertrekregeling en de daarop volgende onderzoeken naar het functioneren van de Belastingdienst hebben het nodige bloot gelegd. De vertrekregeling kan de toets der kritiek niet doorstaan. De totale kosten van de regeling zijn geraamd op € 714 miljoen1 waarmee het budget met € 66 miljoen is overschreden. Een belangrijk deel van deze kosten betreft een fiscale eindhefffing die de Belastingdienst aan het Rijk moet afdragen. De afgesproken besluitvormingsprocedures zijn niet gevolgd en ingebouwde checks en balances hebben onvoldoende gewerkt. Naar aanleiding hiervan is besloten de financiële besluitvorming van de Belastingdienst onder curatele te stellen, de aansturing van de Belastingdienst terug te brengen naar een DG-model, een projectplaatsvervangend SG aan te stellen om de ophanging van de Belastingdienst onder het kerndepartement versneld aan te passen en een Commissie onderzoek Belastingdienst2 in te stellen om onderzoek naar de besluitvormingsprocessen binnen de Belastingdienst te verrichten. Als gevolg van de vertrekregeling vertrekken er deels andere medewerkers dan wier werk verdwijnt en medewerkers stromen ook sneller uit dan met het werkbedrijf Switch gepland was. In de continuïteitsrapportage3 zijn beheersmaatregelen opgenomen waarmee de continuïteit op dit moment kan worden geborgd. Voor de Investeringagenda wordt een haalbare aanpak met bijbehorend realistisch tijdpad ontwikkeld om deze stapsgewijs te implementeren en daarbij de continuïteit van de lopende processen leidend te laten zijn. Binnen de begroting van Financiën zijn extra middelen vrijgemaakt voor de werving van 140 fte. Binnen de begroting van de Belastingdienst worden de beschikbare middelen zodanig ingezet dat deze maximaal gericht zijn op het borgen van de continuïteit en is in het begrote budget ruimte voor een vervangingswerving van nog eens 350 fte in 2017. Het betreft in alle gevallen bedrijfskritische functies.

In januari jl. is de Commissie onderzoek Belastingdienst met zijn advies gekomen. De belangrijkste conclusie van de commissie is dat een verbetering van de sturing en beheersing van de processen binnen de Belastingdienst en in relatie met het departement dringend noodzakelijk is. Zoals richting de Tweede Kamer is aangegeven worden alle aanbevelingen overgenomen. Er lopen op dit moment verschillende verbetertrajecten. De bedrijfsvoeringsparagraaf gaat hier nader op in (paragraaf 6).

De Nederlandse economie herstelde in 2016 verder. De omvang van de economie groeide met 2,2 procent, het hoogste tempo sinds het uitbreken van de financiële crisis in 2008. Het inkomen per inwoner bereikte weer het niveau van voor de crisis. De economische groei was voor een belangrijk deel binnenlands gedragen, geholpen door de toename van private consumptie en investeringen. Het consumentenvertrouwen bereikte in 2016 het hoogste punt in 9 jaar. Ook op de arbeidsmarkt ging het beter: de werkloosheid daalde van 6,9 procent in 2015 tot 6,0 procent in 2016 en het aantal werkenden nam toe met ongeveer 110.000 mensen.

Het economisch herstel vertaalt zich ook in een verbetering van de overheidsfinanciën. Voor het eerst sinds 2008 noteert het kabinet een overschot op de begroting. Dit overschot was in 2016 0,4 procent van het bbp (bruto binnenlands product). Dat is opmerkelijk omdat er in de Miljoenennota nog werd uitgegaan van een EMU-tekort van 1,5 procent van het bbp. De overheidsfinanciën zijn dus in korte tijd sterk verbeterd. Deze verbetering wordt enerzijds verklaard doordat de aantrekkende economie heeft geleid tot fors hogere belasting- en premieopbrengsten. Tegelijkertijd zijn de overheidsuitgaven minder gegroeid dan geraamd. Ook de overheidsschuld daalt snel. De EMU-schuld bedroeg eind 2016 62,3 procent. Dat is een daling van maar liefst 2,9 procentpunt ten opzichte van een jaar eerder. De overheidsschuld daalt niet alleen doordat het begrotingstekort is weggewerkt, maar ook door eenmalige opbrengsten uit bijvoorbeeld het (deels) verkopen van staatsdeelnemingen als ABN AMRO en Propertize. Met deze positieve cijfers is het kabinet Rutte-Asscher geslaagd in de opdracht de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Dat was een van de pijlers van het regeerakkoord uit 2012.

Verder staat in dit beleidsverslag een samenvattende paragraaf inzake de Nationale Schuld (paragraaf 3.2), de verantwoording over de beleidsprioriteiten van de ontwerpbegroting (paragraaf 3.3) en de realisatie van de beleidsdoorlichtingen inclusief het focusonderwerp dat door de Tweede Kamer is benoemd (paragraaf 3.4). In paragraaf 3.5 worden de risicoregelingen toegelicht.

Het overzicht van de maatregelen die door het Ministerie van Financiën zijn genomen bij het bestrijden van de kredietcrisis en de Europese schuldencrisis staat opgenomen in het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

3.2 Samenvatting Nationale Schuld

De Nationale Schuld was aan het eind van 2016 € 363 miljard. Dit is € 31 miljard lager dan opgenomen in de begroting. De belangrijkste oorzaken zijn de sterk verbeterde kassaldi in 2015 en 2016, vooral als gevolg van meevallers bij de belastinginkomsten en de verkoop van aandelen ABN AMRO.

Kerncijfers ontwerpbegroting en realisaties 2016 (in € mld.)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

EMU-schuld

434

466

– 32

Staatsschuld

363

394

– 31

Schuldverhouding met ABN AMRO

– 0,8

– 0,8

0

Interne schuldverhouding

– 12,4

– 20,4

8,0

       

Rentelasten relevant voor het EMU-saldo

     

Rentelasten vaste en vlottende schuld (art. 11)

7,4

7,9

– 0,5

Rentelasten interne schuldverhouding (art. 12)

– 0,1

– 0,1

0,0

Totaal rentelasten art. 11 en 12

7,2

7,8

– 0,6

       

Niet relevant voor het EMU-saldo

     

Rentelasten derivaten

– 1,1

– 1,6

0,5

Voortijdige beëindiging derivaten

– 5,4

0

– 5,4

Voortijdige beëindiging schuld

0,3

0

0,3

De voor het EMU-saldo relevante rentelasten voor de financiering van de staatsschuld zijn uitgekomen op € 7,2 miljard. De rentelasten zijn de gesaldeerde rentelasten en rentebaten op de vaste en de vlottende schuld (artikel 11) en de rentelasten op de interne schuldverhouding (artikel 12). Dit is € 0,6 miljard lager dan in de begroting 2016 werd geraamd. De belangrijkste oorzaak hiervoor is dat de Staat op de uitgegeven leningen lagere rentetarieven heeft betaald dan de tarieven waarmee in de begroting rekening werd gehouden en dat minder schuld is uitgegeven vanwege een lagere financieringsbehoefte.

De Nederlandse Staat heeft eind 2016 nog een vordering op ABN AMRO van € 0,8 miljard. De rente die op deze vordering van ABN AMRO is ontvangen is meegeteld in de rentelasten van artikel 11. Zonder deze ontvangsten zouden de rentekosten uit zijn gekomen op € 7,3 miljard.

In 2015 was reeds begonnen met het voortijdig beëindigen van langlopende receiverswaps. In 2016 is hiermee verder gegaan. Deze voortijdige beëindigingen hebben plaats gevonden om de gemiddelde looptijd van de schuldportefeuille te verhogen, hetgeen in lijn is met de uitgangspunten van het nieuwe renterisicokader 2016–20194. Dit heeft geleid tot eenmalige, staatsschuldverlagende ontvangsten van in totaal € 5,4 miljard. Op receiverswaps die de Staat in het verleden heeft afgesloten ontvangt de Staat een vaste rente en betaalt hij een variabele rente. Doordat rentes sterk gedaald zijn, hebben receiverswaps een relatief hoge marktwaarde. Door de langlopende receiverswaps voortijdig te beëindigen, ontvangt de Staat de marktwaarde die de swap op dat moment heeft. Deze marktwaarde is de contant gemaakte waarde van alle toekomstige renteontvangsten en -betalingen die nu in één keer worden ontvangen. Dit houdt in dat er lagere toekomstige rentebaten zijn. In bovenstaande is te zien dat de rentebaten op derivaten met € 0,5 miljard zijn gedaald. Het voortijdig beëindigen van derivaten is de belangrijkste reden hiervoor.

De € 0,3 miljard uitgaven bij een voortijdige beëindiging van de schuld zijn het gevolg van het vervroegd aflossen van leningen. Er is voor een bedrag van € 11,4 miljard aan leningen vervroegd afgelost. Dit betreft voor € 7,9 miljard leningen die anders in 2017 of 2018 afgelost zouden moeten worden. De resterende € 3,5 miljard betreft vroegtijdig in 2016 afgeloste leningen. Het vervroegd inkopen is een manier om de aflossingen beter over de tijd te spreiden, wat gunstig is voor het financieringsbeleid en het cash management.

Er bestaat een schuldverhouding tussen de Staat en de publieke instellingen die deelnemen aan het schatkistbankieren. Het schatkistbankieren kent een aantal groepen deelnemers. Voor de groepen gelden verschillende voorwaarden en rentetarieven. In 2016 is gestart met een initiatief om de rentes te harmoniseren tussen verschillende deelnemers5. Ook verschilt het per groep of de deelnemers verplicht schatkistbankieren of dat zij daar vrijwillig voor kunnen kiezen. De volgende groepen doen mee aan schatkistbankieren: ministeries, de sociale fondsen, agentschappen, rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s), decentrale overheden en een aantal derden.

Deelnemers hebben vorderingen (bij rekening-couranttegoeden en deposito’s) en schulden bij de Staat (bij leningen en roodstand op de rekening-courant). Het saldo van de vorderingen en schulden wordt de interne schuldverhouding genoemd. De interne schuldverhouding is ultimo 2016 € 12,4 miljard negatief. Dit houdt in dat de deelnemers aan het schatkistbankieren per saldo een schuld hebben bij de Staat.

Deze netto schuld wordt veroorzaakt doordat er leningen zijn verstrekt aan de deelnemers van schatkistbankieren (€ 11,4 miljard) en doordat het saldo van alle rekeningen-courant van de deelnemers samen ook negatief is (€ 2,4 miljard negatief). Tegenover deze leningen en (per saldo) roodstand staat een vordering van de deelnemers op de Staat vanwege de bij de schatkist gestalde deposito’s (€ 1,4 miljard positief).

De interne schuldverhouding is lager uitgevallen dan in de begroting werd geraamd. Dit komt voornamelijk doordat de roodstand van de sociale fondsen sneller afneemt dan geraamd. Eind 2016 stonden de sociale fondsen gezamenlijk € 17,6 miljard rood op hun rekeningen-courant bij de schatkist. Eind 2015 was dit nog € 23,4 miljard.

Desondanks is de interne schuldverhouding nog negatief en zijn de daarbij horende rentekosten (artikel 12) € 0,1 miljard negatief. Er is per saldo sprake van rentebaten. De deelnemers aan het schatkistbankieren betalen netto meer rente aan de Staat (op leningen en rekening-courantkredieten) dan dat zij van de Staat ontvangen (op rekening-couranttegoeden en deposito’s).

Opbouw en dekking financieringsbehoefte

De financieringsbehoefte bedroeg in 2016 € 65,1 miljard en bestond voornamelijk uit leningen die moesten worden afgelost. Deze aflossingen waren de obligaties die gedurende het jaar afliepen en uit de omvang van de geldmarkt eind 2015. Leningen op de geldmarkt lopen per definitie korter dan een jaar en worden dus allemaal afgelost in het volgende jaar. Het kassaldo van het Rijk was positief en droeg voor € 5,8 miljard bij aan de verlaging van de financieringsbehoefte.

De financieringsbehoefte is gedekt met de uitgifte van nieuwe langlopende leningen op de kapitaalmarkt en nieuwe kortlopende leningen op de geldmarkt. In 2016 is ondanks de lagere rentestanden het onderpand in contanten afgenomen dankzij de afname van de omvang van de swapportefeuille. Per saldo is de hoeveelheid onderpand het afgelopen jaar met € 3,6 miljard afgenomen.

De volgende tabel laat zien dat een deel van de financieringsbehoefte gedekt kon worden doordat het onderpand in contanten eind 2016 € 15,8 miljard bedroeg. Het betreft kasgeld dat banken bij de Staat plaatsen wanneer swapcontracten een positieve marktwaarde hebben voor de Staat. Hiermee wordt het kredietrisico, het risico dat de tegenpartij niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen, ondervangen. Onderpand in contanten is daarmee een vorm van financiering voor de Staat. De omvang van het onderpand is afhankelijk van de marktwaarde van de swapcontracten.

De resterende afname van € 1,0 miljard komt voort uit de zogeheten mutatie van overige banksaldi. Het betreft het saldo dat op 31 december nog uitstaat op bankrekeningen van het Rijk.

Opbouw en dekking van de financieringsbehoefte van het Rijk in 2016, inclusief de geldmarkt (in € mld.)1
 

Realisatie

Financieringsbehoefte

 

Aflossingen kapitaalmarkt

36,3

Geldmarkt ultimo 2015

15,2

Onderpand in contanten ultimo 2015

19,4

Kasoverschot Rijk 2016

– 5,8

Totaal

65,1

   

Dekking door

 

Kapitaalmarktuitgifte2

31,0

Geldmarkt ultimo 2016

19,3

Mutatie overige banksaldi

– 1,0

Onderpand in contanten ultimo 2016

15,8

Totaal

65,1

X Noot
1

In tegenstelling tot de overige tabellen van de artikelen Nationale Schuld worden in deze tabel cijfers op kasbasis weergegeven in plaats van op transactiebasis.

X Noot
2

De post «Kapitaalmarktuitgifte» is inclusief de overname van leningen van Propertize.

3.3 Verantwoording beleidsprioriteiten

Realisatie beleidsprioriteiten begroting

1.

Houdbare overheidsfinanciën

 

Hoofddoelstelling

Het terugdringen van het overheidstekort en de overheidsschuld.

 

Prestaties in 2016

Zowel het tekort als de schuld zijn in 2016 verbeterd.

2.

Investeringsagenda

 

Hoofddoelstelling

betere interactie met de belastingbetaler en

   

informatiegestuurd toezicht en inning.

 

Prestaties in 2016

De doelstelling is op onderdelen gerealiseerd:

   

interactie:

     

°

portaal MijnBelastingdienst is beschikbaar gekomen en

     

°

pilots zijn nog in ontwikkeling voor een directe betaalmogelijkheid via internet, eenvoudige betalingsregelingen en het aanbieden van schuldenoverzichten.

   

informatiegestuurd toezicht en inning:

     

°

implementatie risicomodel IH niet-winst;

     

°

uitvoering pilot early warning system;

     

°

uitvoering pilot risicomodel omzetbelasting en

     

°

implementatie dynamisch monitoren op verhaalsmogelijkheden bij belastingschuldigen.

3.

Fiscale voornemens

 

Hoofddoelstelling

Het inzetten op een evenwichtige verbetering van de koopkracht, het tegengaan van belastingontwijking en het verminderen van de complexiteit en het verbeteren van de uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving.

 

Prestaties in 2016

In 2016 is een omvangrijk pakket opgenomen in het Belastingplan 2017 waarmee met name wordt beoogd de uitvoerbaarheid van de wet- en regelgeving te verbeteren en de complexiteit ervan te verminderen. Verder is gedurende het Nederlandse voorzitterschap een Europese richtlijn tegen belastingontwijking, de Anti Tax Avoidance Directive (ATAD) aangenomen.

4.

Vorming kapitaalmarktunie

 

Hoofddoelstelling

Verdere versterking, verdieping en verbreding van de financieringsmogelijkheden voor de reële economie door verdere integratie van kapitaalmarkten in de verschillende lidstaten van de EU.

 

Prestaties in 2016

in de eerste helft van 2016 is een raadsakkoord bereikt over de herziening van de prospectusrichtlijn. Ook het Europees Parlement (EP) heeft in 2016 haar positie op dit dossier bepaald, waarna de trilogen eind 2016 zijn afgerond;

   

het EP heeft eind 2016 over de voorstellen voor securitisaties haar positie bepaald. De trilogen zijn begin dit jaar van start gegaan, nadat de Raad eind 2015 al een akkoord bereikt had;

   

de Raad heeft eind 2016 een akkoord bereikt over voorstellen voor de herziening van de EuVECA (European VEnture CApital fund regulation)- en EuSEF (European Social Entrepeneurship) -verordeningen. Wanneer het EP over deze herzieningen zijn positie heeft bepaald kunnen de trilogen van start gaan en

   

de Europese Commissie heeft eind 2016 een voorstel gepubliceerd tot invoering van een Europees kader voor herstel en afwikkeling van centrale tegenpartijen (Central CounterParties, CCPs). De Raad en het EP zullen hierover nog een positie moeten bepalen.

5.

Financieel beheer en verkoop van de financiële deelnemingen

 

Hoofddoelstelling

Substantiële reductie van de belangen in de financiële sector waarbij gestreefd wordt naar het volledig terugverdienen van de publieke middelen.

 

Prestaties in 2016

vervolgplaatsing ABN AMRO heeft plaatsgevonden;

   

a.s.r. is beursgenoteerd;

   

Propertize is verkocht aan Lone Star Funds/J.P. Morgan securities en

   

de toekomstplannen voor SNS Bank zijn bekend gemaakt.

6.

Effectieve Europese economische beleidscoördinatie

 

Hoofddoelstelling

Actieve inzet voor versterking van de Europese economische beleidscoördinatie

 

Prestaties in 2016

Mede dankzij de rol van Nederland als voorzitter van de Raad is er op belangrijke financiële dossiers vooruitgang geboekt.

7.

Implementatie nieuw beleid risicomangement staatsschuld

 

Hoofddoelstelling

Inwerkingstellen van het nieuwe risicokader voor de uitvoering van de schuldfinanciering.

 

Prestaties in 2016

Het nieuwe risicobeleid is in 2016 succesvol geïmplementeerd.

1. Houdbare overheidsfinanciën

Over heel 2016 bedroeg de economische groei 2,2%, terwijl de economie in 2015 met 2,0% groeide. Het EMU-saldo is in 2016 uitgekomen op een overschot van 0,4% van het bbp. Daarmee is 2016 het eerste jaar sinds 2008 dat het EMU-saldo een overschot laat zien. In de Miljoenennota 2016 werd nog rekening gehouden met een EMU-tekort van 1,5% bbp. Het EMU-saldo is dus in een relatief korte tijd fors verbeterd. Over heel 2015 was er immers nog sprake van een tekort van 2,1% bbp. De verbetering van de overheidsfinanciën is niet alleen zichtbaar in het EMU-saldo, maar ook in de EMU-schuld. De schuld bedroeg eind 2016 62,3% van het bbp. Dit is een flinke daling ten opzichte van eind 2015, toen de schuld nog 65,2% van het bbp was. Ook in nominale termen wordt de daling van de EMU-schuld die in 2015 begon voortgezet; de schuld was eind 2016 € 434 miljard.

Het Regeerakkoord van het kabinet kent drie pijlers, waaronder het op orde brengen van de overheidsfinanciën. De overheidsfinanciën hebben zich ook in 2016 gunstiger ontwikkeld dan bij de start van het kabinet werd verwacht. De overheidsschuld is hard op weg naar de Europese begrotingsgrens van 60% van het bbp. Het overheidstekort is sterk verbeterd en in 2016 omgeslagen in een overschot. Ook het structurele EMU-saldo is sterk verbeterd, waardoor de overheidsfinanciën ook op de lange termijn weer houdbaar zijn.

In 2016 is in het kader van de Studiegroep Begrotingsruimte ook een beleidsdoorlichting uitgevoerd naar het begrotingsbeleid. Deze beleidsdoorlichting is gepubliceerd als bijlage bij het vijftiende rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte6.

Beleidsmatige conclusie

Het jaar 2016 is het laatste jaar waarvoor het kabinet Rutte-Asscher het jaarverslag afrondt. Net als in eerdere jaren is ook in 2016 het uitgavenkader gehandhaafd. Zowel het begrotingstekort als de schuld hebben in 2016 een verbetering laten zien.

2. Investeringsagenda

De Investeringsagenda (IA) waarmee de Belastingdienst in mei 2015 is gestart moet leiden tot een dienst die op termijn beter kan presteren, goedkoper wordt en meer in control is. In de Investeringsagenda worden de volgende verandergebieden onderscheiden:

  • 1. interactie met burgers en bedrijven;

  • 2. informatiegestuurd toezicht en inning;

  • 3. ontwikkeling Data & Analytics;

  • 4. sturing, verantwoording en effectmeting en

  • 5. ondersteuning door informatievoorziening.

De verandergebieden 1 en 2 voert de Belastingdienst uit binnen de kaders van zijn handhavingstrategie. De verandergebieden 3 tot en met 5 zijn randvoorwaardelijk en ondersteunend aan de twee eerste verandergebieden.

De noodzaak om te komen tot een verbetering in de productiviteit was en is evident. In de loop van 2015 en 2016 is een aantal projecten gestart.

De Investeringsagenda loopt nog enige jaren. Het is belangrijk dat de aandacht nu uitgaat naar de implementatie. De Belastingdienst herijkt voor de zomer van 2017 het tijdpad, gekoppeld aan de middelen en doelen, om de Investeringsagenda stapsgewijs te implementeren. Daarbij zal de continuïteit van de processen leidend zijn. De continuïteit kon in 2016 worden geborgd, maar aan de implementatie van de Investeringsagenda is onvoldoende toegekomen.

Aan de Tweede Kamer is bij brief van 27 januari 2017 (Kamerstuk II 2016–2017, 31 066, nr. 331) bericht dat doorgaan op de huidige weg er toe zou leiden dat de structureel beoogde effecten van de Investeringsagenda niet in het voorziene tempo gehaald worden. Daarom is een herijking van de Investeringsagenda aangekondigd voor de zomer van 2017. De herijking moet zorgen voor versnelling van de implementatie. De IA-projecten die nu in ontwikkeling zijn, worden verder uitgerold en afgerond. De Belastingdienst zorgt met deze herijking voor een haalbare aanpak met bijbehorend realistisch tijdpad. Voor de herijking zijn de doelen van de Belastingdienst het uitgangspunt en staat de continuïteit van de organisatie voorop. Het is van groot belang om de verandering in de organisatie te borgen.

De herijking wordt in actieve samenspraak met de werkvloer tot stand gebracht. Juist de medewerkers die dagelijks met de processen bezig zijn hebben zicht op de ruimte voor verbetering. Dit moet leiden tot procesoptimalisatie. De verandering slaagt niet zonder een gelijktijdige aanpassing van de topstructuur die voorziet in herstel van de verbinding met de werkvloer en in een gezonde balans voor fiscale, bedrijfseconomische en technologische afwegingen. Daarnaast is samenhangende informatie nodig over budget, prestaties en de inzet van personeel en ondersteunende middelen. Deze nu vaak ontbrekende managementinformatie moet beschikbaar komen in het kader van een sterke verbetering van de huidige planning- en controlcyclus.

Vrijgegeven budget

In totaal heeft de Belastingdienst in 2016 voor € 246,7 miljoen aan middelen voor de Investeringsagenda ontvangen, waarvan € 185 miljoen voor Switch (apparaat, premies, RVU) en € 61,7 miljoen voor projecten. Van de in 2016 op de «Aanvullende post» beschikbare middelen voor de Investeringsagenda is € 63 miljoen niet uitgeput.

Prestaties

Er waren in 2016 41 Investeringsagendaprojecten in uitvoering voor de realisatie van de doelen beter, goedkoper en meer in control. In het afgelopen jaar zijn het programmamanagement en de projectbeheersing van de Investeringsagenda intern ingericht. De doelstellingen zijn vastgesteld en de rapportagecyclus van de projecten en het portfolio is opgezet. Hierdoor is inzicht en overzicht ontstaan in de voortgang. Geconstateerd is dat het huidige portfolio van 41 projecten nog onvoldoende is om de doelen in het geplande tempo te realiseren. Er wordt gewerkt aan een gevalideerde methodiek voor het schatten en monitoren van de baten.

Voordat de generieke vertrekregeling met de bonden overeengekomen werd was sprake van een verwachte uitstroom Investeringsagenda van in totaal 4.800 fte. De uiteindelijke uitstroom – gebaseerd op de generieke overeengekomen vertrekregeling – bedraagt circa 5.100 fte, de FIOD en de douane inbegrepen. De medewerkers stromen echter sneller uit dan met het werkbedrijf Switch gepland was. Daarnaast verdwijnen als gevolg van de vertrekregeling er deels andere medewerkers dan wier werk verdwijnt. Er is dus sprake van een mismatch in zowel tijd als functie.

Realisatie beleidsprioriteiten begroting

Toegespitst op de in de begroting 2016 benoemde beleidsprioriteiten voor de Investeringsagenda kunnen de prestaties als volgt worden toegelicht.

Interactie

Het portaal Mijn BD is voor iedereen beschikbaar gekomen. In de komende jaren worden steeds functionaliteiten toegevoegd. Een pilot voor een directe betaalmogelijkheid via internet is in ontwikkeling. Dit als onderdeel van de Investeringsagenda. Ook voor eenvoudige betalingsregelingen en het aanbieden van schuldenoverzichten zijn pilots in ontwikkeling.

Informatiegestuurd toezicht en inning

Er zijn vanuit de Investeringsagenda eerste stappen gezet in het informatiegestuurd toezicht en inning met een risicomodel IH niet-winst, een pilot early warning system, een pilot risicomodel omzetbelasting en met dynamisch monitoren op verhaalsmogelijkheden bij belastingschuldigen. Het risicomodel IH (Inkomensheffing) niet-winst laat met behulp van data analytics beter dan de methoden in het verleden zien, waar de risico’s in belastingaangiften van particulieren zitten, waarmee de kans op een positieve correctie wordt vergroot.

In de pilot Early warning system werd gesignaleerd of een bedrijf mogelijk in betalingsproblemen gaat komen. De Belastingdienst kan daarop anticiperen. Verdere implementatie wordt onderzocht. Voor het Midden- en KleinBedrijf (MKB) is in 2016 een pilot uitgevoerd met het risicomodel van de omzetbelasting. Hiermee kan op basis van een betere risicoscore worden vastgesteld welke (negatieve) aangiften omzetbelasting worden onderzocht. Met dynamisch monitoren wordt continu in de gaten gehouden of er verhaalsmogelijkheden zijn bij belastingplichtigen die niet aan hun betalingsverplichtingen voldoen. Dit instrument is in 2016 geïmplementeerd bij het segment MKB (klein).

Beleidsmatige conclusie

In 2016 is veel aandacht besteed aan het intern inrichten van het programmamanagement en de projectbeheersing. Een van de resultaten daarvan is centraal zicht op de projecten in het portfolio. Belangrijke stap was vervolgens de aan de Tweede Kamer toegezegde opzet voor de voortgangsrapportage. De hoofddoelstellingen Beter, Goedkoper en Meer in control en het overzicht van mensen en middelen vormen hierin de rode draad. In augustus 2016 zijn de doelen van de Investeringsagenda vastgesteld door de Raad van Bestuur van de Belastingdienst. Eind 2016 werd duidelijk dat de voortgang onvoldoende is om de doelen op tijd te realiseren. Deze risico’s zijn mede ontstaan door de grote animo voor de vertrekregeling. Aan de Tweede Kamer is vervolgens begin 2017 toegezegd de Investeringsagenda te herijken. De herijking moet zorgen voor een overkoepelende aanpak, met bijzondere aandacht voor de versnelling van de implementatie van IA-initiatieven binnen de organisatie. Gepland is de herijking vóór het zomerreces (7 juli 2017) aan de Tweede Kamer aan te bieden.

3. Fiscale voornemens

Ten aanzien van de fiscaliteit had het kabinet voor 2016 drie doelstellingen. Allereerst wilde het kabinet zich blijven inzetten voor een evenwichtige verbetering van de koopkracht. Verder was het tegengaan van belastingontwijking voor het kabinet een belangrijk thema. Tot slot wilde het kabinet de belastingwetgeving begrijpelijker en beter uitvoerbaar maken. Met de vereenvoudiging werd met name ingezet op een vermindering van administratieve lasten voor burgers en bedrijven en een vermindering van de uitvoeringskosten van de Belastingdienst. In het pakket Belastingplan 2017 zijn diverse vereenvoudigingmaatregelen opgenomen die tot een daling van de uitvoeringskosten hebben geleid. Naast de wetsvoorstellen in het pakket Belastingplan 2017 zijn ook het wetsvoorstel Wet uitwisseling inlichtingen over rulings en het wetsvoorstel Wet uitwerking Autobrief II in 2016 behandeld. Daarnaast zijn op Prinsjesdag 2016 de voortgangsrapportage «Heffing box 3 op basis van werkelijk rendement» en een brief over het vestigingsklimaat naar de Kamer verstuurd. De internationale fiscale agenda heeft onder meer in het teken gestaan van verplichtingen in het kader van samenwerking binnen de Europese Unie (EU) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Zo was Nederland het eerste half jaar van 2016 voorzitter van de Raad van Ministers van de Europese Unie (het voorzitterschap). Ook is in 2016 verder gewerkt aan de resultaten van het Base Erosion Profit Shifting (BEPS)-project en de totstandkoming en implementatie van de Anti Tax Avoidance Directive (ATAD).

Beleidsmatige conclusie

De fiscale voornemens voor 2016 zijn merendeels gerealiseerd. Er zijn in het Belastingplan 2017 maatregelen getroffen die hebben bijgedragen aan een evenwichtige verbetering van de koopkracht. Verder zijn er praktische vereenvoudigingen van het belastingstelsel gerealiseerd. Het kabinet heeft in het pakket Belastingplan 2017 ook stappen gezet om belastingontwijking tegen te gaan. Het kabinet neemt hiervoor onder andere maatregelen met betrekking tot arbitrage tussen box 2 en box 3. Het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige pensioenmaatregelen is, nadat het in 2016 in de Eerste Kamer was aangehouden, in maart 2017 aangenomen. Het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing is in 2016 door de Tweede Kamer aangehouden.

4. Vormgeving kapitaalmarktunie

Het streven om te komen tot een verdere integratie van de Europese kapitaalmarkten is door de Europese Commissie begin 2015 middels het groenboek voor de kapitaalmarktunie gelanceerd. Het groenboek voor de kapitaalmarktunie is eind 2015 opgevolgd middels het actieplan Kapitaalmarktunie. Voltooiing van de kapitaalmarktunie moet leiden tot een verdere versterking, verdieping en verbreding van de financieringsmogelijkheden voor de reële economie. In 2016 is verder gewerkt aan de totstandkoming van de kapitaalmarktunie door het uitwerken van de voorgestelde acties uit het actieplan Kapitaalmarktunie onder het Nederlands raadsvoorzitterschap. Dit is voorspoedig verlopen daar de voorgenomen doelen behaald zijn.

Zo is in de eerste helft van 2016 een raadsakkoord bereikt over de herziening van de prospectusrichtlijn. Ook het Europees Parlement (EP) heeft in 2016 haar positie op dit dossier bepaald, waarna de trilogen tussen de Raad en het Europees Parlement eind 2016 zijn afgerond. Ten tweede heeft het EP eind 2016 over de voorstellen voor securitisaties haar positie bepaald. De trilogen zijn begin dit jaar van start gegaan, nadat de Raad eind 2015 al een akkoord bereikt had. Voorts heeft de Raad eind 2016 een akkoord bereikt over voorstellen voor de herziening van de Europese durfkapitaal- en socialeondernemerschapsfondsenverordeningen. Wanneer het EP over deze herzieningen zijn positie heeft bepaald kunnen de trilogen van start gaan. Als laatste heeft de Europese Commissie eind 2016 een voorstel gepubliceerd tot invoering van een Europees kader voor herstel en afwikkeling van centrale tegenpartijen (CCPs). De Raad en het EP zullen hierover nog een positie moeten bepalen.

Daarnaast zijn ook op niet-wetgevende terreinen stappen gezet in het kader van de korte- en middellangetermijnagenda onder de kapitaalmarktunie. Wat betreft het verbeteren van kredietinformatie heeft Nederland in 2016 actief geparticipeerd in de uitwisseling van good practices. Daarnaast heeft Nederland gereageerd op het groenboek over financiële retaildiensten en de consultaties aangaande beleggingsinstellingen, gedekte obligaties en het faillissementsrecht. Ook heeft de Europese Commissie een mogelijkheid tot technische bijstand van lidstaten met kleinere kapitaalmarkten in 2016 nader uitgewerkt. Tot slot heeft de Europese Commissie in 2016 op meerdere terreinen workshops georganiseerd, waaronder toegang van financiering voor het MKB en crowdfunding.

Beleidsmatige conclusie

Met de ontwikkelingen op het gebied van de herziening van de prospectusrichtlijn, securitisatie, EuVECA en EuSEF en CCP’s zijn er in 2016 duidelijke stappen gezet ten aanzien van de belangrijkste wetgevende voorstellen op de korte termijn onder de agenda van de totstandkoming van een kapitaalmarktunie. In 2016 zijn de kortetermijnacties verder uitgewerkt en zijn ook stappen gezet op het gebied van de middellangetermijnacties. Hiermee ligt de uitvoering van de agenda van de totstandkoming van een kapitaalmarktunie in 2019 op koers. De voortgang van de totstandkoming van een kapitaalmarktunie zal in 2017 worden getoetst bij het uitkomen van de mid-term review van de kapitaalmarktunie van de Europese Commissie. Ter voorbereiding hierop loopt sinds 20 januari jl. een consultatie van de Europese Commissie waarbij nadere input gevraagd wordt voor de oorspronkelijke middellange- en langetermijnvoorstellen. Nederland zal zich in de verschillende lopende trajecten onder de noemer van de kapitaalmarktunie blijven inspannen voor het verbeteren van toegang tot financiering, het vergroten van de beschikbaarheid van kapitaal en het vergroten van de efficiëntie van markten.

5. Financieel beheer en verkoop financiële deelnemingen

Het beleid is gericht op een afgewogen, zakelijk verantwoorde exit uit ASR, ABN AMRO, het voormalige SNS REAAL en op de ondernemingsstrategie die deze exit mogelijk moet maken. De stichting NL Financial Investments (NLFI) adviseert de Minister van Financiën over de te volgen exitstrategie.

In 2015 is een eerste plaatsing van 23% van de certificaten van ABN AMRO genoteerd aan de Euronext Amsterdam. Op 17 november 2016 heeft de Staat in een vervolgplaatsing ongeveer 7% van de certificaten van ABN AMRO verkocht met een totale opbrengst van € 1.326 miljoen. Het aandelenbelang van de Staat in ABN AMRO komt daarmee uit op circa 70%. Ook a.s.r. is naar de beurs gebracht: vanaf 10 juni 2016 zijn de eerste aandelen van a.s.r. genoteerd aan de Euronext Amsterdam. De totale omvang van deze eerste plaatsing is 36,3% van de aandelen, met een totale opbrengst van de beursgang van circa € 1.065 miljoen.

Op 1 juli 2016 is een brief gestuurd aan de Tweede Kamer met betrekking tot de toekomst van SNS Bank7. Hierin staat dat SNS Bank meer tijd nodig heeft om een sterke positie binnen het Nederlandse bankenlandschap te verwerven en om zich strategisch te positioneren in Nederland. Zodra SNS Bank voldoende gereed is – naar verwachting in twee tot drie jaren – zullen de opties voor toekomstige eigendomsstructuren verder worden uitgewerkt. Wel is in 2016 Propertize, de voormalige vastgoedtak van SNS, verkocht. Op 28 juni 2016 is Propertize officieel verkocht aan het consortium Lone Star Funds/J.P. Morgan Securties Plc voor een koopprijs van € 895,3 miljoen, waarna op 27 september de aandelen zijn overgedragen.

Beleidsmatige conclusie

Met de vervolgplaatsing van certificaten ABN AMRO, de beursgang van a.s.r., de verkoop van Propertize en het bekendmaken van de toekomstplannen voor SNS Bank heeft de Minister van Financiën invulling gegeven aan de doelstelling van een afgewogen en zakelijk verantwoorde exit uit de tijdelijke deelnemingen in de financiële instellingen.

6. Effectieve Europese economische beleidscoördinatie

De eerste helft van 2016 was Nederland voorzitter van de Raad van de Europese Unie. De agenda van Nederland in de Ecofin (Economic and Financial affairs council) was gericht op het verbeteren van de omstandigheden voor structurele economische groei en welvaart in de unie en een schokbestendige eurozone. In de Ecofinraad hebben de lidstaten ingestemd met het compromisvoorstel van het Nederlandse voorzitterschap voor de richtlijn van anti-belastingontwijking (Anti Tax Avoidance Directive, ATAD). Ook is onder meer een akkoord bereikt over country by country reporting tussen belastingdiensten. Voor wat betreft de bankenunie is een roadmap overeengekomen die de stappen vastlegt om te komen tot de vervolmaking van de bankenunie, waarin is opgenomen dat er eerst risicoreducerende maatregelen zullen worden genomen alvorens over te gaan tot verdere risicodeling. Deze roadmap geeft het commitment van de lidstaten weer om het proces ten aanzien van de vervolmaking van de bankenunie tot een goed einde te brengen. Ten behoeve van het verbeteren van de EU-begrotingssystematiek is onder het Nederlands voorzitterschap onder meer een akkoord bereikt over de uitvoeringsverordening bij het Eigenmiddelenbesluit (de zogenaamde Making Available Regulation). Hiernaast is er ook goede voortgang gemaakt op het gebied van de kapitaalmarktunie (zoals een raadsakkoord over de Prospectusverordening) en is gedurende het Europees Semester het accent gelegd op de implementatie van landenspecifieke aanbevelingen door discussies hierover te agenderen in meerdere vakraden, waarbij is besloten om op meer reguliere basis de implementatie van hervormingen te bespreken. Tot slot heeft ook de actualiteit zijn weerslag gekregen in de Ecofin: in februari is naar aanleiding van de terroristische aanslagen in Parijs het actieplan tegen financiering van terrorisme overeengekomen. De Commissie heeft een actieplan opgesteld dat heeft geleid tot het op korte termijn oprichten van een platform voor het delen van nationale bevriezingslijsten en tot het besluit van de ECB (Europese Centrale Bank) om vanaf eind 2018 te stoppen met het produceren van 500 eurobiljetten. Naar aanleiding van de publicatie van de Panama papers hebben alle lidstaten aangegeven in te kunnen stemmen met het voorstel om de gegevens over de uiteindelijk belanghebbende (UBO, Ultimate Benificial Owner) tussen autoriteiten automatisch uit te wisselen.

Op aandringen van onder andere Nederland, vormen de aanbevelingen van de Europese Commissie in het kader van het Europees Semester voor de eurozone als geheel nu het startsein van economische beleidscoördinatie. De uitdagingen voor de eurozone kunnen zodoende beter worden vertaald naar landenspecifieke aanbevelingen, die in het voorjaar worden geformuleerd. Daarnaast is er onder het Nederlandse EU-voorzitterschap tijdens de Ecofin een discussie gevoerd over de implementatie van landenspecifieke aanbevelingen. Dit sluit aan bij de ambitie van het kabinet en kan helpen om de peer pressure op achterblijvende lidstaten te vergroten. De Eurogroep heeft in 2016 opnieuw verschillende thematische discussies gevoerd over hervormingsterreinen waar voor de eurozone uitdagingen liggen. Politieke discussies over belangrijke hervormingsterreinen dragen bij aan een brede overeenstemming over de belangrijkste uitdagingen voor de eurozone, faciliteren het uitwisselen van beleidservaringen en vergroten het ownership bij lidstaten. Nederland mengt zich actief in deze discussies. In 2016 is onder meer gesproken over de houdbaarheid van pensioenstelsels en zorgstelsels, het verbeteren van insolventieraamwerken en de kwaliteit van overheidsfinanciën. Ook heeft Nederland tijdens de informele Ecofinraad een bespreking over versimpeling van het SGP (Stability and Growth Pact) geagendeerd. Dit heeft er mede toe geleid dat de uitgavenregel een grotere rol krijgt in de correctieve arm en in de preventieve arm de uitgavenregel en het structurele saldo consistenter met elkaar worden gemaakt.

Beleidsmatige conclusie

Nederland heeft zich actief ingezet voor versterking van de Europese economische beleidscoördinatie. Mede dankzij de rol van Nederland als voorzitter van de Raad is er op belangrijke financiële dossiers vooruitgang geboekt.

7. Implementatie nieuw beleid risicomanagement staatsschuld

In 2015 is het nieuwe risicokader voor de financiering van de staatsschuld voor de jaren 2016–2019 opgesteld en aan de Tweede Kamer gepresenteerd. Bij het opstellen van het risicobeleid wordt een afweging gemaakt tussen risico en kosten. Voor het beheersen van de risico’s op korte en lange termijn zijn daarbij voor de jaren 2016–2019 twee nieuwe maatstaven geïntroduceerd, de gemiddelde looptijd en het RenteRisicoBedrag8 (RRB). Dit laatste is de schuld waarover de rente binnen een jaar vastgesteld moet worden en het (netto) bedrag aan lopende renteswaps waarover de rente de eerstvolgende 12 maanden opnieuw moet worden vastgesteld.

Voor deze maatstaven zijn ook doelstellingen gedefinieerd. De doelstelling voor de gemiddelde looptijd van de schuld (inclusief derivaten) was om deze te verlengen tot 5,5 jaar aan het einde van 2016 en tot 6,4 jaar eind 2019. Het RRB dient in de periode 2016 tot en met 2019 onder 18% van de staatsschuld te blijven. Het RRB is gemaximeerd op een waarde die realistisch is gezien de omvang en samenstelling van de schuld en die past bij een nagestreefde looptijd van de schuldportefeuille van 6,4 jaar. In 2016 is dit nieuwe beleid geïmplementeerd en bij de uitvoering van de schuldfinanciering wordt op beide nieuwe maatstaven gestuurd. In dit jaarverslag zal daarover voor de eerste keer verantwoording worden afgelegd. De gemiddelde looptijd van de staatsschuld bedraagt eind 2016 5,6 jaar. Het RRB is over 2016 uitgekomen op 15,3%.

Beleidsmatige conclusie

Het nieuwe risicobeleid is in 2016 succesvol geïmplementeerd.

3.4 Realisatie beleidsdoorlichtingen

Realisatie beleidsdoorlichtingen
 

Realisatie

Wanneer gepland

Geheel artikel?

Behandeling in Tweede Kamer

Beleidsartikel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

     

1.

Belastingen

v link

             

2010

Ja

Technische briefing, besproken in het AO op 15 juni 2011.

1.

Belastingen/Dienstverlening

         

v link

   

2015

Nee

Technische briefing, besproken in het AO op 1 juni 2016.

1.

Belastingen/Toeslagen

           

v link

 

2016

Nee

De beleidsdoorlichting van artikel 1 (onderdeel Uitvoering toeslagen) en de

vragen/antwoorden over de beleidsdoorlichting worden geagendeerd voor een

(verzamel AO, besluitenlijst Financiën 1 februari 2017).

1.

Belastingen/Toezicht en opsporing en massale processen

               

2017

Nee

N.v.t.

2.

Financiële Markten

 

v

           

2011

Ja

Kamerstukken II 2010–2011, 32 013, nr. 16.

3.

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

     

v

   

v link

 

2016

Nee

Schriftelijke vragen ingediend op 14 december 2016

(http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/fin/documenten-en-publicaties/ kamerstukken/2013/03/01/bijlage-ibo-staatsdeelnemingen.html).

4.

Internationale financiële betrekkingen

v

         

v link

 

2016

Ja

Betrokken bij overleg (in AO/wetgevingsoverleg/ notaoverleg).

5.

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen/exportkredietgaranties

       

v link

     

2014

Nee

Schriftelijk overleg of schriftelijke vragen met antwoorden voor kennisgeving aangenomen.

5.

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen/exportkredietgaranties

           

v link

 

2016

Ja

Nog in behandeling. Feitelijke vragen ingediend 1 december 2016 (Kamerstukken II 2016–2017, 31 935, nr. 312).

6.

Btw-compensatiefonds

v

         

v link

 

2016

Ja

Voor kennisgeving aangenomen.

7.

Beheer materiële activa

v

   

v

       

2013

 

Kamerstukken II 2013–2014, 31 935, nr. 12.

8.

Overig

                     
 

Financieel en economisch beleid van de overheid

v

             

2010

 

Kamerstukken II 2009–2010, 31 123, nr. 52, bijlage 59 692.

 

Projectdirectie vastgoed

 

v

           

2011

 

Uitvoeringsprogramma compacte Rijksdienst.

11.

Financiering staatsschuld

 

v

     

v link

   

2015

Ja

Schriftelijk overleg of schriftelijke vragen met antwoorden voor kennisgeving aangenomen

(http://rijksbegroting.nl/system/files/169/f4.pdf).

12.

Schatkistbankieren

       

v link

     

2014

 

Voor kennisgeving aangenomen

(http://www.rijksbegroting.nl/system/files/18/fin-beidsdoorlichting-schatkistbankieren.pdf),

Kamerstukken II 2014–2015, 31 935, nr. 13).

Toelichting

In de RPE (Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek) is vastgelegd dat al het beleid met een zekere regelmaat dient te worden geëvalueerd in een beleidsdoorlichting. Dit kan bijvoorbeeld eens in de vier jaar en ten minste eens in de zeven jaar. Er moet volgens de RPE sprake zijn van een dekkende programmering van beleidsdoorlichtingen. De meerjarige programmering van beleidsdoorlichtingen voor Financiën wordt in de begroting opgenomen. In dit jaarverslag wordt over de realisatie hiervan teruggeblikt.

In 2016 waren er 5 beleidsdoorlichtingen gepland, alle vier zijn ook afgerond in 2016.

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen: http://www.rijksbegroting.nl/beleidsevaluaties/evaluaties-en-beleidsdoorlichtingen/2016/planning-beleidsdoorlichtingen/ix-financi%C3%ABn-en-nationale-schuld.

Artikel 1 Belastingen

In 2010 is het beleidsartikel voor het eerst doorgelicht, daarna zijn delen van het artikel doorgelicht. De RPE 2014 biedt de mogelijkheid delen van het beleidsartikel door te lichten. De Belastingdienst kent drie beleidsinstrumenten om zijn doelstelling te realiseren: dienstverlening, toezicht en opsporing en massale processen. Deze beleidsinstrumenten hebben elk hun eigen operationele doelstelling. In 2015 is de dienstverlening door de Belastingdienst doorgelicht. In 2016 is de uitvoering van de toeslagenregelingen doorgelicht. In 2017 worden de andere twee beleidsinstrumenten (toezicht en opsporing en massale processen) doorgelicht.

Artikel 1 Belastingen (2010)

Conclusies

De eerste conclusie van de doorlichting is dat de Belastingdienst zijn instrumenten heeft gekozen en vormgegeven op basis van theorieën en inzichten die in de wetenschappelijke literatuur als complianceverhogend worden aangemerkt. Dit laat onverlet dat een directe relatie tussen de verschillende ingezette instrumenten en de bereikte compliance in de praktijk moeilijk aantoonbaar is. Op basis van de beschikbare informatie kan niet worden vastgesteld in welke mate het beleid doelmatig en doeltreffend is.

Vervolgacties

In lijn met de rijksbrede wens om beleid in effecten zichtbaar te maken, wordt door de Belastingdienst bezien hoe de huidige input- en outputindicatoren kunnen worden aangevuld met outcome-indicatoren. Aan de fiscale kant staat het effect op de belastingopbrengsten centraal. Het streven is om een zo groot mogelijke zekerheid te krijgen over de juistheid en volledigheid van de belastingopbrengsten. Net als andere landen wil de Belastingdienst ervaring opdoen met het meten van het effect van ingezette instrumenten op deze aspecten. Daarnaast zal de Belastingdienst als regel bij de uitvoering van zijn taken vooraf bepalen welke effecten worden beoogd en hoe deze moeten worden gemeten, op het onderhouden en versterken van de compliance, en daarover ook verantwoorden.

Artikel 1 Belastingen/onderdeel Dienstverlening (2015)

Conclusies

De doorlichting richt zich op de effectiviteit en efficiency van kanalen en instrumenten van dienstverlening in de periode 2010–2014. Afgaande op de huidige normen in de begroting en de beschikbare gegevens hebben de dienstverleningskanalen telefoon, balie en website in de onderzoeksperiode in ieder geval adequaat en in de meeste gevallen goed gefunctioneerd, met uitzondering van de bereikbaarheid van de BelastingTelefoon. Op basis van het beschikbare materiaal kunnen echter geen concrete uitspraken worden gedaan over de effecten van dienstverlening op de compliance en belastingopbrengst, noch over de efficiency van de dienstverleningsinspanningen. In het rapport wordt geconstateerd dat de Belastingdienst steeds meer inzet op digitale dienstverlening (website, portalen, webcare, VoorIngevulde Aangifte (VIA), berichtenbox), maar dat het aantal telefoontjes dat bij de BelastingTelefoon binnenkomt nog niet sterk afneemt. Er is met andere woorden nog veel potentie voor kostenefficiency. De onderzoekers merken op dat de Belastingdienst ten behoeve van de dienstverlening nog maar nauwelijks gebruik maakt van de informatie die hij al in huis heeft over belastingplichtigen ten behoeve van gerichte dienstverlening. Verder wordt geadviseerd meer onderzoek te doen naar de klantbeleving van burgers en bedrijven.

Vervolgacties

In de kabinetsreactie wordt aangesloten bij de initiatieven uit de Brede agenda en de Investeringsagenda. Voor dienstverlening zijn dat de volgende:

  • er komt een webportaal waarin burgers en bedrijven alle zaken in één keer kunnen afhandelen. Dat betekent op termijn veel minder telefoontjes. Met de wet EBV (Elektronisch BerichtenVerkeer) wordt een start gemaakt met de overgang van communicatie per brief naar communicatie op digitale wijze;

  • in lijn met de aanbeveling van de Commissie de Jong wordt gewerkt aan een nieuw bekostigingsmodel. Daarmee kunnen kosten in relatie worden gebracht tot prestaties, waardoor inzicht ontstaat in de bijdrage van processen aan compliance en belastingopbrengst en in de mogelijke ruimte voor kostenefficiency en

  • om een sluitend stelsel van normen te krijgen, die een volledig en juist beeld schetsen van de prestaties van de Belastingdienst, wordt de algemene doelstelling van de Belastingdienst vertaald naar doelstellingen op strategisch, tactisch en operationeel niveau. De doelen worden vervolgens meetbaar gemaakt door het definiëren van kritische prestatie-indicatoren die worden opgenomen in de begroting.

Bij de Investeringsagenda zijn al besparingen ingeboekt als het gaat om het veranderen van de interactie met burger en bedrijf. Deze besparing wordt onder andere gevonden in de afbouw van capaciteit en de afname van het aantal telefoontjes dat de BelastingTelefoon in behandeling neemt. Naar de mening van het kabinet zal een extra 20% besparing onwenselijke gevolgen hebben voor de dienstverlening.

Artikel 1 Belastingen/onderdeel Toeslagen (2016)

Conclusies

Deze beleidsdoorlichting betreft de (doeltreffendheid en doelmatigheid van de) uitvoering van de toeslagenregelingen door de Belastingdienst/Toeslagen in de periode 2012–2015. Het oordeel over het functioneren van de instrumenten die de Belastingdienst tot zijn beschikking heeft (te weten: dienstverlening en communicatie, toezicht en fraudebestrijding en terugvordering) is neutraal tot positief. Wel wordt geconstateerd dat de huidige prestatie-indicatoren niet allemaal even informatief zijn over de beoogde doelen (te weten toekenningzekerheid voor de burger en rechtmatigheid toekenning toeslagen). Ook is de kwaliteit van de bestuurlijke informatie (over resultaten en kosten) nog niet op voldoende niveau. Daardoor kunnen over de effectiviteit geen harde uitspraken worden gedaan in de zin van causaliteit. Wel is het volgens de onderzoekers aannemelijk dat de geconstateerde verbeteringen op het terrein van toekenningzekerheid en rechtmatigheid het resultaat zijn van het beleid en de inspanningen van de dienst. In het rapport wordt een aantal aanbevelingen gedaan:

  • de indicatoren dienen nog eens te worden bezien op doelbereiking en meetbaarheid en invulling van de «witte vlekken»;

  • meer investeren in effectmeting, door het opzetten van een doorlopend evaluatieprogramma waarin periodiek wordt gemeten en op tijd nieuwe indicatoren worden ontwikkeld bij gewijzigd beleid;

  • periodiek aselecte steekproeven doen om een beter beeld te krijgen van het «nalevingtekort» (i.c. ten onrechte toeslagen aanvragen).

Vervolgacties

De aanbeveling om aselecte steekproeven uit te voeren, wordt onderschreven. Ook de aanbeveling om meer inzicht te verkrijgen in de doeltreffendheid van de handhaving wordt onderschreven. Waar mogelijk zal bij nieuwe initiatieven worden gewerkt met een nulmeting of een controlegroep. Belastingdienst/Toeslagen bouwt daarnaast verder aan een set indicatoren om de effectiviteit van het handhavingsbeleid beter te kunnen meten. Verder zal de Belastingdienst een tweetal nieuwe beleidsopties uitwerken, gericht op verdere verhoging van effectiviteit en efficiency:

  • de burger machtigt de Belastingdienst/Toeslagen om lopende het toeslagjaar wijzigingen door te voeren op grond van beschikbare contra-informatie en

  • de betaling van de toeslag vindt maandelijks plaats achteraf in plaats van vooraf.

De in het kader van de 20%-besparingsvariant genoemde opties neemt het kabinet niet over omdat ze contrair zijn aan de lopende initiatieven van de Belastingdienst op het gebied van dienstverlening.

Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

In 2016 heeft de Minister van Financiën door middel van een beleidsdoorlichting onderzoek gedaan naar het deel van dit begrotingsartikel dat zich richt op publiek-private investeringen. In dit deel van de begroting staat de ambitie van het Rijk centraal om een optimaal financieel resultaat te bereiken bij de realisatie van publieke doelen. Met name bij overheidsinvesteringen waarbij samenwerking met de markt plaatsvindt. Het kabinet wil value for money realiseren: meer kwaliteit en/of lagere kosten.

Conclusies

Uit de beleidsdoorlichting blijkt dat de inzet van bedrijfseconomische expertise alsmede toepassing van businesscases én bedrijfseconomische principes leiden tot meer transparantie, kostenbewustzijn en betere prikkels. Door middel van een brede mix van instrumenten, activiteiten en (interdepartementale) regels/afspraken stimuleert Financiën dat departementen op zoek gaan naar meer kwaliteit en/of lagere kosten bij hun investeringen. Hiertoe worden mensen met de juiste kennis, instrumenten en wet- en regelgeving ingezet. Financiën fungeert binnen het Rijk als spil en deelt en verspreidt expertise tussen verschillende onderdelen van het Rijk.

Het kabinet onderschrijft de hoofdconclusie van de beleidsdoorlichting dat Financiën in de onderzochte periode succesvol een optimaal resultaat bij de realisatie publieke doelen heeft gestimuleerd en dat meerwaarde is gecreëerd. Zo constateert het kabinet op basis van het onderzoek in de beleidsdoorlichting dat bij dossiers zoals DBFM(O) (Design, Build, Finance and Maintain (and Operate)), de verdeling van telecomfrequenties en financiële zekerheid van de ontmanteling van kernreactoren, de inzet van bedrijfseconomische expertise, businesscases en bedrijfseconomische principes veel geld en/of extra kwaliteit heeft opgeleverd voor het Rijk.

Vervolgacties

Het kabinet steunt de aanbeveling uit de beleidsdoorlichting om in de toekomst bij overheidsprojecten meer gestructureerd gebruik te maken van een analysemethodologie op basis van bedrijfseconomische principes. Hierbij zal rekening worden gehouden met de analyse-instrumenten die nu al worden gebruikt, zoals de MKBA (Maatschappelijke Kosten- en BatenAnalyse), PPC (Publiek Private Comparator) en gateway reviews. Tevens wordt aangemoedigd dat een analyse-instrument wordt gebruikt voor zowel de besluitvorming als voor monitoring en sturing gedurende de gehele looptijd van een overheidsproject. De analysemethodologie moet uiteraard voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen en verankerd worden binnen de organisatie van de vakdepartementen. Ook is het wenselijk dat op de correcte toepassing hiervan enige vorm van toezicht gehouden wordt. Het kabinet vindt het daarom verstandig om hierover interdepartementaal afspraken te maken, bijvoorbeeld over het stellen van eisen aan een businesscase en de toepassing daarvan. In de komende periode zal Financiën hierover in overleg treden met betrokken departementen om concrete stappen te zetten naar verdere verbetering van de besluitvorming en uitvoering van overheidsinvesteringen door middel van analyse-instrumenten en bedrijfseconomische principes. De Tweede Kamer zal over de uitkomsten hiervan uiterlijk medio 2017 worden geïnformeerd.

Artikel 4 Internationale financiële betrekkingen

De beleidsdoorlichting van artikel 4 van begroting IX, Internationale financiële betrekkingen, is vanwege de aard van het beleidsterrein een kwalitatieve analyse van de wijze waarop het Ministerie van Financiën opereert in internationale onderhandelingen.

Conclusies

Het ministerie komt uit het onderzoek naar voren als een actieve speler die telkens goed voorbereid aan onderhandelingen deelneemt. Nederland beschikt over meer ambtelijke capaciteit dan kleinere spelers en heeft snelle besluitvormingsprocedures en is daardoor goed in staat om actief en goed voorbereid aan onderhandelingstrajecten deel te nemen. Om invloed te kunnen uitoefenen op de uitkomst van internationale onderhandelingen is het sluiten van coalities met gelijkgezinde landen of instellingen en internationale samenwerking van groot belang. Een enkele uitzondering daargelaten is het voor geen enkel land mogelijk en zeker niet comfortabel om alleen de uitkomst van onderhandelingen te bepalen. Uit het onderzoek blijkt verder dat het ministerie er binnen zijn mogelijkheden in slaagt om invloed uit te oefenen. Een belangrijke nuance die het rapport hierbij geeft is dat Nederland in het Europese en internationale krachtenveld niet eigenstandig de agenda kan bepalen. Een voorzitterschaprol van een internationaal gremium kan een land eerder toegang geven tot informatie en betrokkenheid in een eerdere fase van onderhandelingen mogelijk maken. Het voorzitterschap van de Eurogroep is hier een duidelijk voorbeeld van. De beleidsdoorlichting concludeert ook dat de opstelling van Nederland in de casussen noodzakelijkerwijs per onderwerp verschilt. De besluitvormingsprocedure en de positie van Nederland ten opzichte van het internationale krachtenveld variëren. Gebruik van coalitievorming en samenwerking maken dat de gewenste opstelling en inzet sterk kan verschillen. Nederland neemt gegeven het speelveld de rol die bij de specifieke positie in het krachtenveld past. In samenwerking met andere actoren kan Nederland op die wijze invloed uitoefenen op het verloop en de uitkomst van de onderhandelingen. De manier waarop dit gebeurt, het doel dat hiermee wordt bereikt en de mate waarin een uitkomst aan Nederland kan worden toegeschreven varieert sterk, afhankelijk van het traject en de onderhandelingskwestie.

Vervolgacties

De conclusies en lessen uit de beleidsdoorlichting worden, zoals blijkt uit de beleidsdoorlichting, al in de praktijk gebracht en zullen bij toekomstige onderhandelingen eveneens in acht worden genomen.

Artikel 5 Exportkredietverzekering, -garanties en investeringsverzekeringen (onderdeel Exportkredietgaranties)

Dit betrof een doorlichting die specifiek over de ExportKredietGarantie (EKG) ging. Dit onderdeel van de exportkredietverzekeringfaciliteit was aanvankelijk tijdelijk toegevoegd aan het instrumentenpalet na de kredietcrisis. De exportkredietgarantie beoogde de beschikbaarheid van concurrerend geprijsd exportkrediet te vergroten. De beleidsdoorlichting is gebruikt om een besluit te kunnen nemen over het handhaven van de exportkredietgarantie. In 2016 is het gehele beleidsartikel doorgelicht in een nieuwe beleidsdoorlichting.

Conclusies

In de beleidsdoorlichting wordt geconstateerd dat het aannemelijk is dat de exportkredietgarantie doeltreffend en voor zover dat kon worden beoordeeld doelmatig is. Sinds een wijziging van het instrument in 2012 werd en wordt er in toenemende mate gebruik van gemaakt en wordt de doelstelling om de beschikbaarheid van concurrerend geprijsd exportkrediet te vergroten bereikt. Er hebben zich geen schades voorgedaan dus voor zover bekend is de premie (ruimschoots) kostendekkend. Maar aangezien de kans op het zich voordoen van schade bij de exportkredietgarantie bijzonder klein is, kan dat beter beoordeeld worden na een (veel) langere periode. De onafhankelijk deskundige onderschreef de conclusies en vond het van groot belang dat de exportkredietgarantie zou worden gecontinueerd. Gezien de uitkomsten van de beleidsdoorlichting heeft de Staatssecretaris van Financiën besloten het instrument te handhaven als onderdeel van het gehele instrumentarium. In die hoedanigheid is de EKG ook opnieuw geëvalueerd in de beleidsdoorlichting van 2016.

Artikel 5 Exportkredietverzekering, -garanties en -investeringsverzekeringen

De doorlichting EKI (ExportKrediet- en Investeringsverzekering) 2016 had het doel om het gehele beleidsartikel te evalueren. Hiertoe is onderzocht in hoeverre de middelen die op de begroting aan het beleidsartikel zijn toegewezen doeltreffend en doelmatig zijn ingezet in de periode 2008–2015.

Conclusies

De beleidsdoorlichting 2016 concludeert dat het aannemelijk is dat de exportkredietverzekering doeltreffend en doelmatig is. De faciliteit is ruimschoots kostendekkend: in de onderzochte periode 2008–2015 heeft de Staat in totaal € 721 miljoen meer ontvangen dan uitgekeerd. Ook wanneer rekening wordt gehouden met het uitstaande risico van circa € 11 miljard is volgens het zogeheten BERB-model sprake van een duidelijk positief resultaat. Uit berekeningen van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) blijkt dat in de periode 2010–2015 ongeveer € 7,8 miljard aan bruto (dus inclusief toeleveranciers) toegevoegde waarde is gegenereerd met EKV-gedekte transacties, of bijna 20.000 arbeidsjaren per jaar. Een internationaal gelijkwaardig speelveld wordt grotendeels, maar niet volledig gerealiseerd. Door de zogeheten risicodracht wordt geborgd dat de EKV in Nederland aanvullend op de markt is.

Vervolgacties

De beleidsdoorlichting bevat een aantal aanbevelingen, die in de loop van 2017 zullen worden uitgevoerd of die onderdeel zullen blijven uitmaken van het beleid voor exportkredietverzekeringen. Het gaat om:

  • het (blijven) inzetten in internationaal overleg op het verder realiseren van een internationaal gelijkwaardig speelveld (voortgang IWG (Internationale WerkGroep), minimumpremies voor schepen, toetsing van milieu- en sociale effecten voor kortlopende transacties, omkopingsbeleid);

  • het monitoren van de concurrentiepositie van Nederlandse exporteurs op het gebied van beschikbaarheid van exportfinanciering;

  • het (blijven) inzetten op uitbreiding van de Club van Parijs;

  • vereenvoudiging van de (lagere) regelgeving;

  • het beëindigen van een niet langer benodigd memorandum of understanding met MIGA;

  • vereenvoudigen van begrotingsartikel 5;

  • bezien of bredere inzet van het instrumentarium mogelijk en wenselijk is;

  • updaten van het BERB-model;

  • afschaffen en aanpassen van een aantal verouderde of niet meer benodigde product(variant)en en bij de volgende beleidsdoorlichting opnieuw bezien of dit nodig is en

  • vooruitlopend op de volgende beleidsdoorlichting onderzoeken of er een methode te bedenken valt waarmee de additionaliteit beter kan worden aangetoond.

Artikel 6 Btw-compensatiefonds

In 2016 is er een beleidsdoorlichting van het Btw-CompensatieFonds (BCF) uitgevoerd. De beleidsdoorlichting gaat over de periode van 2010 tot en met 2015. In de doorlichting wordt met name ingegaan op de beleidswijzigingen sindsdien, in het bijzonder het per 2015 ingevoerde uitgavenplafond op het BCF.

Conclusies

De conclusie luidt dat de algemene en operationele doelstelling van het BCF worden behaald: door de invoering van het BCF speelt btw geen rol meer bij de afweging zelf doen of uitbesteden. Hierdoor ontstaat er een grotere vrijheid voor gemeenten en provincies in de keuze tussen in- en uitbesteden en kan er een efficiëntievoordeel worden bereikt. Verder is geconcludeerd dat het plafond niet afdoet aan de effectiviteit van het BCF. Wat betreft doelmatigheid wordt het BCF gekenmerkt door relatief lage uitvoeringskosten ten opzichte van de totale uitgaven van het BCF van € 2,9 miljard. Het BCF kent jaarlijks een totaal van circa € 10 miljoen aan uitvoeringskosten bij gemeenten, provincies en de Belastingdienst tezamen.

Vervolgacties

In het rapport wordt gesteld dat de uitvoering verder vereenvoudigd kan worden door de afschaffing van voorschotten en de voorlopige afrekening van het plafond. Momenteel wordt, in overleg met de gemeenten en provincies, gekeken of en zo ja hoe deze opties tot vereenvoudiging in praktijk kunnen worden gebracht.

Artikel 11 Financiering staatsschuld

Conclusies

De beleidsdoorlichting heeft laten zien dat het huidige risicokader de afgelopen jaren in grote lijnen heeft voldaan aan de hoofddoelstelling om de staatsschuld te financieren tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting. De doelmatigheid komt onder andere tot uiting in het feit dat de combinatie van schulduitgifte en swaps in de periode 2012–2015 nagenoeg dezelfde rentelasten kende als financiering volgens de benchmark. Door het toepassen van de afwijkingen op de benchmark is dit gepaard gegaan met lagere renterisico’s op lange termijn. Dit beleid heeft bijgedragen aan budgettaire zekerheid doordat rentelasten voor een relatief lange periode worden vastgelegd. In de doorlichting wordt geconstateerd dat het beleid in grote lijnen doeltreffend is geweest.

Vervolgacties

Hoewel het risicokader in grote lijnen doeltreffend is geweest, zijn om verschillende redenen voor de jaren na 2015 andere keuzes gemaakt. Allereerst maken ontwikkelingen ten aanzien van zowel kosten als risico’s een nieuwe afweging noodzakelijk. De kosten van verlengen zijn op dit moment historisch gezien laag. Dit geldt voor zowel de relatieve als absolute kosten. De relatieve kosten worden bepaald door de mate waarin het renteniveau oploopt als leningen voor langere tijd worden vastgezet, bijvoorbeeld het verschil in rente tussen een 5-jaars en een 20-jaars lening. De absolute kosten worden bepaald door het niveau van de rentecurve. Hierdoor is het nu mogelijk om lage rentes voor langere tijd vast te zetten. Tegelijkertijd leiden de uitzonderlijk lage rentes van dit moment tot een toename van het renterisico. De potentiële omvang van een renteschok en het effect daarvan op de begroting is nu groter dan bij de hogere renteniveaus uit het verleden. Dit effect wordt nog versterkt door de toename van de staatsschuld.

Om bovenstaande redenen wordt in de periode tot en met 2019 de looptijd van de schuld verder verlengd en daarmee het sinds 2012 ingezette beleid voortgezet. Er wordt naar gestreefd om de gemiddelde looptijd in 2019 uit te laten komen op 6,4 jaar, binnen een bandbreedte van +/- 0,25 jaar, in vergelijking met een looptijd van 4,5 jaar eind 2014. Een dergelijke verlenging is in lijn met keuzes die veel andere landen hebben gemaakt. Mocht de situatie op de financiële markten significant wijzigen en rentes sterk toenemen, zal het risicokader tussentijds heroverwogen worden.

Tenslotte zal getracht worden de afhankelijkheid van renteswaps verder te verminderen om eerdergenoemde problemen te adresseren. Dit betekent dat bij nieuwe leningen niet meer automatisch renteswaps worden afgesloten. Dit laat onverlet dat swaps in het nieuwe beleidskader een regulier instrument blijven om renterisico’s bij te sturen.

Artikel 12 Kasbeheer

Dit betrof een doorlichting van het schatkistbankieren. Schatkistbankieren houdt in dat instellingen hun publieke middelen risicoarm aanhouden in de schatkist. Hiermee worden de doelstellingen van risicoreductie, doelmatig kasbeheer en een verlaging van de EMU-schuld nagestreefd. Schatkistbankieren leidt tot risicoreductie omdat publieke middelen niet langer worden uitgezet in de markt. Het kasbeheer wordt door schatkistbankieren doelmatiger doordat binnen de collectieve sector geldstromen gebundeld worden. Hierdoor hoeft het Rijk minder op de kapitaalmarkt te lenen en daalt de EMU-schuld.

Conclusies

De conclusie van deze beleidsdoorlichting is dat de beoogde effecten van schatkistbankieren ook daadwerkelijk worden behaald. Doordat deelnemers hun collectieve middelen in de schatkist aanhouden en niet bij commerciële partijen, wordt er minder risico gelopen. De doelmatigheid van het kasbeheer wordt vergroot doordat tekorten en overschotten van deelnemers in de schatkist worden gebundeld. Door alle tekorten en overschotten te bundelen in de schatkist kan het Rijk de externe financiering van de benodigde middelen verzorgen. Het Rijk kan dit tegen gunstigere rentetarieven doen dan individuele deelnemers. Doordat deelnemers hun liquide middelen in de schatkist aanhouden is ook de EMU-schuld aantoonbaar lager (2% van het bbp) dan zonder schatkistbankieren het geval was geweest. Het beleid is in het algemeen doeltreffend en doelmatig. Alternatieve manieren om het kasbeheer doelmatig in te richten gaan gepaard met hogere uitvoeringskosten en risico’s.

Vervolgacties

In het licht van het maatschappelijke debat over de wenselijkheid van schulden aflossen, zal nog voor de volgende beleidsdoorlichting in 2018 nagegaan worden op welke manier belemmeringen voor vervroegd aflossen van leningen bij de schatkist weggenomen kunnen worden. Daarbij zullen ook de budgettaire gevolgen voor het Rijk meegewogen worden.

Voor verschillende groepen deelnemers gelden verschillende rentetarieven voor dezelfde producten. Onderzocht zal worden welke mogelijkheden er zijn om hier meer uniformiteit in aan te brengen. Dit komt de transparantie, uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid ten goede. In 2016 is gestart met het vormgeven van de renteharmonisatie voor verschillende deelnemers. De aanpassingen van de rentetarieven zullen naar verwachting in werking treden met de Comptabiliteitswet 2016 per 1 januari 2018.

In 2016 is een enquête uitgevoerd onder de (potentiële) deelnemers van het schatkistbankieren en de banken die het schatkistbankieren faciliteren. Onderzocht is welke voor- en nadelen deelnemers ervaren bij het schatkistbankieren, welke overwegingen bestaan om vrijwillig deel te nemen en welk effect schatkistbankieren heeft op de kosten die banken voor het betalingsverkeer van de deelnemers in rekening brengen. De uitkomsten van de enquête zullen op de website9 van het Agentschap gepresenteerd worden.

Specifiek focusonderwerp

Voor de begroting van Financiën en Nationale Schuld heeft de vaste commissie voor Financiën de volgende beleidsdoorlichtingen als casus geselecteerd om de kwaliteit van de betreffende doorlichting te toetsen in de verantwoording over 2016: exportkredietgarantie 2014, risicomanagement staatsschuld 2015 en belastingen en toeslagen 2016.

 

Eisen

Exportkredietgarantie (2014)

Risicomanagement staatsschuld (2015)

Belastingen en toeslagen (2016)

1

Tijdigheid van verzending

De beleidsdoorlichting is in december 2014 naar de Tweede Kamer gestuurd.

De doorlichting is in juni 2015 op tijd naar de Tweede Kamer gestuurd.

De doorlichting is niet voor Prinsjesdag 2016 aan de Kamer gestuurd, maar wel voor het jaareinde, namelijk op 9 december.

2

Afbakening van beleidsonderdelen, budget en periode

De beleidsdoorlichting gaat specifiek over de EKG, een onderdeel van het EKV-instrumentarium. Het gehele artikel is in 2016 doorgelicht. De EKG is in 2009 ingevoerd en in 2013 voor het eerst toegepast. De onderzoeksperiode was dus 2009–2014. In de onderzoeksperiode is € 620.000 aan premie geïnd waar geen uitgaven tegenover stonden.

De doorlichting richt zich op de periode 2012–2015 en beslaat het gehele artikel conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE).

De doorlichting richt zich op de uitvoering van de toeslagen over de periode 2009–2016. Budgettair gezien beslaat dit +/- 10% van het gehele artikel.

3

Inzicht en dekkendheid van de onderliggende evaluaties voor synthese

Er zijn geen onderliggende (externe) evaluaties.

De beleidsdoorlichting is een volledige, op zichzelf staande evaluatie geweest die niet gebaseerd was op onderliggende evaluaties.

Een overzicht van onderliggende evaluaties, inclusief bronvermelding, is niet in de doorlichting opgenomen.

       

Het onderliggende materiaal bestaat voornamelijk uit door de Belastingdienst opgestelde indicatoren, weinig andere bronnen die dekkendheid van de evaluaties kunnen vergroten.

4

Onderzoeksmethode, beleidstheorie en beleidsreconstructie

Het onderzoek is uitgevoerd door middel van bureauonderzoek. De aanleiding voor het beleid wordt beschreven en is actueel.

Het onderzoek is uitgevoerd door middel van bureauonderzoek. De aanleiding voor het beleid wordt beschreven en is actueel. De beleidstheorie en wijzigingen daarin worden in de doorlichting beschreven.

Het onderzoek is uitgevoerd door middel van bureauonderzoek en door gebruik te maken van indicatoren. Op basis van deze methode kan geen uitspraak worden gedaan over doeltreffendheid en doelmatigheid.

   

In de beleidsdoorlichting wordt toegelicht waarom de Staat kiest voor het aanbieden van de EKG en niet voor marktverstorende instrumenten.

 

De doorlichting benut de beschikbare informatie optimaal.

       

De aanleiding voor de doorlichting wordt beschreven en is actueel.

       

De doorlichting kijkt alleen naar de uitvoering, niet naar het beleid van de toeslagen.

5

Planning

Aan de Kamer was toegezegd dat een beslissing zou worden genomen over het continueren van de EKG op basis van een evaluatie. Hieraan is invulling gegeven met een volledige beleidsdoorlichting van het instrument.

De doorlichting is conform planning afgerond.

De doorlichting is conform planning afgerond.

6

Invulling van beleidsopties bij significant minder middelen

Dit was bij de start van de beleidsdoorlichting nog geen verplicht onderdeel van een beleidsdoorlichting. Het budgettair beslag van de EKG was € 620.000 aan inkomsten voor de Staat in twee jaar.

In de beleidsdoorlichting wordt uitgelegd dat bij significant minder middelen (20%) de randvoorwaarde van acceptabel risico wordt losgelaten. De beleidsopties zijn zo bezien beperkt.

De «– 20% variant» is opgenomen, waarbij vijf maatregelen zijn gepresenteerd die samen iets meer dan 20% besparing opleveren.

7

Rol van onafhankelijke deskundige

De onafhankelijk deskundige was werkzaam bij De Nederlandsche Bank (DNB), maar opereerde op persoonlijke titel. Hij onderschreef de conclusies en wees op het grote belang van continuering van de EKG.

De onafhankelijke deskundigen van het CBS en DNB zijn gedurende het proces betrokken geweest in een klankbordgroep. Zij hebben de conclusies van het rapport onderschreven en een aantal aanbevelingen geformuleerd.

De onafhankelijke deskundige was gelieerd aan de Vrije Universiteit (VU) en gaf aan dat de doorlichting, voor zover mogelijk, zorgvuldig is uitgevoerd.

8

Behandeling door de Tweede Kamer

Schriftelijk overleg of schriftelijke vragen met antwoorden zijn voor kennisgeving aangenomen.

Er heeft een technische briefing plaatsgevonden in de vaste Kamercommissie voor Financiën. Daarnaast zijn er Kamervragen1 over de beleidsdoorlichting beantwoord.

 
X Noot
1

Kamerstukken 2015–2016, 31 935, nr. 24 en 25.

3.5 Overzicht risicoregelingen

Verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Nr.

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2015

Verleend 2016

Vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Garantie-plafond 2016

Totaal plafond

Stand begrotingsreserve

1

Belastingen

Garantie procesrisico's

298

153

216

235

400

   

2

Financiële markten

Schatkistbankieren (faciliteit AFM)

55.000

55.000

 

55.000

 

3

Financiële markten

Terrorismeschaden

50.000

50.000

 

50.000

 

4

Financiële markten

Kernongevallen

9.768.901

9.768.901

 

9.768.901

 

5

Financiële markten

Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

146

146

 

146

 

6

Financiële markten

NBM

2.500

2.500

 

2.500

 

7

Financiële markten

Waarborgfonds motorverkeer

2.500

2.500

 

2.500

 

8

Financiële markten

SRF

4.163.500

4.163.500

 

4.163.500

 

9

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

DNB-winstafdracht

5.700.000

5.700.000

 

5.700.000

 

10

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie Propertize

2.623.100

2.623.100

 

 

11

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

952.832

2.670

556.998

398.504

 

398.504

25.644

12

Internationale financiële betrekkingen

EFSF

49.640.411

15.486.252

34.154.159

 

34.154.159

 

13

Internationale financiële betrekkingen

EFSM

2.817.000

3.000

2.820.000

 

2.820.000

 

14

Internationale financiële betrekkingen

ESM

35.445.400

35.445.400

 

35.445.400

 

15

Internationale financiële betrekkingen

EIB-kredietverlening in ACP en OCT

170.100

120.990

49.110

 

49.110

 

16

Internationale financiële betrekkingen

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

2.347.500

2.500

2.350.000

 

2.350.000

 

17

Internationale financiële betrekkingen

MIGA

30.774

1.010

31.784

 

31.784

 

18

Internationale financiële betrekkingen

Wereldbank Groep

4.335.997

586.830

4.922.827

 

4.922.827

 

19

Internationale financiële betrekkingen

EBRD

589.100

589.100

 

589.100

 

20

Internationale financiële betrekkingen

EIB

9.895.547

9.895.547

 

9.895.547

 

21

Internationale financiële betrekkingen

DNB – deelneming in kapitaal IMF

49.761.890

731.714

19.295.536

31.198.068

 

31.198.068

 

22

Internationale financiële betrekkingen

AIIB

757.785

24.873

782.658

 

782.658

 

23

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

MIGA – herverzekering

150.000

 

365.214

24

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Regeling investeringsverzekeringen

164.783

62.060

72.186

154.657

453.780

 

25

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Exportkredietverzekering

15.728.563

6.850.122

6.819.869

15.758.816

10.000.000

 
 

Totaal

 

190.840.128

12.428.432

44.975.147

158.293.412

10.604.180

142.379.704

 
Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Nr.

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2015

Ontvangsten 2015

Saldo 2015

Uitgaven 2016

Ontvangsten 2016

Saldo 2016

Mutatie begrotingsreserve 2016

1

Belastingen

Garantie procesrisico's

184

– 184

245

– 245

 

2

Financiële markten

Schatkistbankieren (faciliteit AFM)

             

3

Financiële markten

Terrorismeschaden

1.075

1.075

900

900

 

4

Financiële markten

Kernongevallen

608

608

610

610

 

5

Financiële markten

Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

 

6

Financiële markten

NBM

             

7

Financiële markten

Waarborgfonds motorverkeer

             

8

Financiële markten

SRF

             

9

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

DNB-winstafdracht

 

10

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie Propertize

11.533

11.533

7.800

7.800

 

11

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

5.724

5.724

 

5.715

5.715

4.800

12

Internationale financiële betrekkingen

EFSF

 

13

Internationale financiële betrekkingen

EFSM

 

14

Internationale financiële betrekkingen

ESM

 

15

Internationale financiële betrekkingen

EIB-kredietverlening in ACP en OCT

 

16

Internationale financiële betrekkingen

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

 

17

Internationale financiële betrekkingen

MIGA

 

18

Internationale financiële betrekkingen

Wereldbank Groep

 

19

Internationale financiële betrekkingen

EBRD

 

20

Internationale financiële betrekkingen

EIB

 

21

Internationale financiële betrekkingen

DNB – deelneming in kapitaal IMF

 

22

Internationale financiële betrekkingen

AIIB

 

23

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

MIGA – herverzekering

 

24

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Regeling investeringsverzekeringen

788

788

700

700

 

25

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Exportkredietverzekering

95.708

221.901

126.193

13.897

329.558

315.662

157.360

 

Totaal

 

95.892

241.629

145.737

14.142

345.283

331.142

 

Toelichting per risicoregeling

Garanties groter dan € 5 miljoen worden toegelicht, mits deze niet vallen onder de algemene faciliteit voor het schatkistbankieren.

3. Terrorismeschaden

De Nederlandse Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden (NHT) is in 2003 opgericht, nadat herverzekeraars en verzekeraars terrorismerisico’s niet meer wilden (her)verzekeren. Binnen de NHT leveren verzekeraars, herverzekeraars en de Staat gezamenlijk een dekkingscapaciteit van € 1 miljard per jaar. De Staat heeft een garantie afgegeven voor de laatste € 50 miljoen van deze dekkingscapaciteit. De Staat en de NHT zijn overeengekomen om de participatie van de Staat na 2018 te beëindigen.

4. WAKO (Wet Aansprakelijkheid KernOngevallen)

De WAKO regelt de aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire installaties voor kernongevallen. De exploitant is verantwoordelijk voor schade bij kernongevallen. De exploitant is verplicht deze aansprakelijkheid te verzekeren tot een maximumbedrag van € 1,2 miljard. Voor de staatsgarantie betaalt de exploitant jaarlijks een vergoeding aan de Nederlandse Staat.

Het doel van deze risicoregeling is tweeledig: enerzijds schadeloosstelling van slachtoffers indien zich een ernstig kernongeval in Nederland voordoet en anderzijds het internaliseren van kosten die met het gebruik van kernenergie samenhangen. De Staat staat voor 7 installaties garant voor een bedrag van € 1,5 miljard tot € 2,3 miljard per ongeval. Het totaalrisico voor deze installaties bedraagt € 9,8 miljard.

8. SRF

De tweede pijler onder de bankenunie betreft het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor banken (Single Resolution Mechanism of SRM). In dat kader is een afwikkelingsfonds (Single Resolution Fund of SRF) opgericht. Gedurende de overgangsperiode (2016–2023) zal het SRF worden opgebouwd tot minimaal 1% van de gedekte deposito’s van alle banken(groepen) in de bankenunie. Op dit moment is de minimale omvang van het SRF bepaald op € 55 miljard, waarvan Nederlandse banken € 4,16 miljard zullen bijdragen.

Tijdens de Ecofin-raad van 18 december 2013 is afgesproken dat voor de periode tot en met 2023, wanneer het SRF nog niet gevuld is, voorzien zal worden in een systeem waarbij in laatste instantie een beroep kan worden gedaan op brugfinanciering. Deze brugfinanciering bestaat uit garanties (of kredietlijnen) van de lidstaten aan de SRB (Single Resolution Board) voor een bedrag van maximaal de hoogte van het aandeel van die lidstaat in het fonds (voor Nederland € 4,16 miljard). Er kan alleen in laatste instantie een beroep worden gedaan op deze garantie als een Nederlandse bank(engroep) in afwikkeling wordt geplaatst.

Brugfinanciering is noodzakelijk aangezien zich situaties kunnen voordoen waarbij de aanwezige middelen in het SRF ontoereikend zijn om de kosten voortkomend uit een afwikkelingscasus mee te financieren en er vervolgens niet (voldoende) ex-postbijdragen bij banken in de betreffende lidstaat kunnen worden geïnd. Voor de geloofwaardigheid is het van cruciaal belang dat het SRF effectief en voldoende gefinancierd is.

9. DNB-winstafdracht

Een deel van de winst die DNB maakt vloeit, via een vooraf bepaalde verdeelsleutel, in de staatskas. De winsten die worden gemaakt met crisisgerelateerde transacties vallen ook onder de winstuitkering. DNB heeft hierdoor tijdelijk grotere risico’s op haar balans staan. Het Ministerie van Financiën heeft in 2013 besloten om een garantie af te geven voor de toegenomen risico’s op de balans van DNB. DNB betaalt hiervoor geen premie. Als gevolg van de door de Staat afgegeven garantie heeft DNB ook de crisisgerelateerde winst afgedragen aan het Ministerie van Financiën.

10. Garantie Propertize

Op 27 september 2016 heeft de Staat Propertize (voorheen SNS Property Finance) verkocht aan Lone Star/JP Morgan. Bij deze transactie heeft de Staat de gehele gegarandeerde schuld van Propertize overgenomen. De garantie is daarmee volledig komen te vervallen.

11. Garantie en vrijwaring staatsdeelnemingen

Op de post Garantie en vrijwaring staatsdeelnemingen staan garanties en vrijwaringen die de Staat tijdens het verkooptraject van de staatsdeelnemingen Sdu, Connexxion en de WesterScheldeTunnel heeft afgegeven. Daarnaast heeft de Staat specifieke garanties en vrijwaringen afgegeven om de financiering van bepaalde staatsdeelnemingen mogelijk te maken, zoals de NS en TenneT.

In 2016 is de garantie op de leningen die de NS heeft afgesloten via Eurofima fors afgenomen, aangezien de NS deze leningen grotendeels heeft afgelost. De garantie is met € 390 miljoen afgenomen naar € 59 miljoen. Daarnaast is de garantie aan de Provincie Zeeland in het kader van de verkoop van de WesterScheldeTunnel (€ 167 miljoen) komen te vervallen, aangezien de Belastingdienst heeft aangegeven niet langer aanspraak te maken op een bedrag aan belasting rondom deze transactie. Tot slot zijn er garanties verstrekt aan de kopende partij bij de verkoop van de KNM, de Koninklijke Nederlandse Munt (€ 2,7 miljoen).

De Staat ontvangt garantiepremie van de NS en TenneT. De premieontvangsten van TenneT (€ 4,8 miljoen) worden afgestort in een begrotingsreserve.

12. EFSF, 13. EFSM en 14. ESM

In 2010 is besloten tot de oprichting van de Europese noodmechanismen EFSM (European Financial Stabilisation Mechanism) en EFSF (European Financial Stability Facility) en tot de oprichting van een permanent noodmechanisme: ESM. Deze noodmechanismen zijn opgericht naar aanleiding van de onrust op de Europese kapitaalmarkten die de financiële stabiliteit in het eurogebied bedreigde. De noodmechanismen kunnen onder strikte beleidscondities steun verstrekken aan landen in nood. Op dit moment heeft Nederland een garantieplafond van € 34,2 miljard voor het EFSF en staat voor € 2,8 miljard garant voor het EFSM en voor € 35,4 miljard voor het ESM (European Stability Mechanism). De noodfondsen ontvangen rentevergoedingen voor de verstrekte leningen. Het garantieplafond voor het EFSF is dit jaar met € 15,5 miljard naar beneden bijgesteld. In 2013 is op basis van toenmalige inschattingen van de uiteindelijke omvang van de toen nog lopende EFSF-programma’s voor Ierland, Portugal en Griekenland een garantieplafond van € 49,6 miljard voor het EFSF vastgesteld. Naar aanleiding van het beëindigen van deze programma’s is het garantieplafond opnieuw bekeken. Het nu vastgestelde garantieplafond is gebaseerd op een maximale schulduitgifte door het EFSF van € 241 miljard, de hoogte van het Guaranteed debt issuance programme. Naast de hoofdsom van EFSF-schuldbewijzen worden ook couponbetalingen gegarandeerd, de zogenaamde rentegarantie. In eerdere berekeningen werd de rentegarantie berekend op basis van de looptijd van de door het EFSF verstrekte leningen. Bij de huidige herziening van het plafond is deze rentegarantie, conform de wijze waarop de garanties verstrekt worden, gebaseerd op de looptijd van de door het EFSF aangetrokken financiering. Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is de bestaande garantieverplichting voor het EFSM dit jaar met € 3 miljoen naar boven bijgesteld.

15. EIB-kredietverlening in ACP en OCT

De Europese InvesteringsBank (EIB) verricht activiteiten in landen in de regio Sub-Sahara Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (Africa, Caribbean and Pacific, ACP-landen), alsmede Europese overzeese gebieden (Overseas Countries and Territories, OCT-landen). De projecten richten zich op de economische ontwikkeling van deze landen via de ontwikkeling van de private sector en de financiële sector, investeringen in infrastructuur en het verbeteren van het ondernemingsklimaat. Een deel van deze activiteiten wordt bekostigd met een revolverend fonds dat gefinancierd wordt door het European Development Fund (EDF). De EIB financiert daarnaast ook met eigen middelen. De lidstaten hebben vanwege het politieke risico dat gelopen wordt in deze gebieden een garantie afgegeven op de financiering door de EIB met de eigen middelen.

16. Kredieten EU-betalingsbalanssteun

De Europese betalingsbalansfaciliteit is bedoeld voor niet-eurolanden met feitelijke of ernstig dreigende moeilijkheden met betrekking tot de lopende rekening van de betalingsbalans of het kapitaalverkeer. De EU draagt bij aan de stabiliteit door het verstrekken van leningen via de betalingsbalansfaciliteit. Alleen lidstaten die de euro (nog) niet hebben ingevoerd kunnen aanspraak maken op de betalingsbalansfaciliteit. Om de financiële ondersteuning te kunnen financieren is de Europese Commissie gemachtigd om namens de EU geld aan te trekken op de kapitaalmarkten. Deze leningen worden gegarandeerd door de EU-lidstaten via de EU-begroting. Uit de betalingsbalansfaciliteit kan voor een maximum van € 50 miljard aan leningen worden verstrekt. Het Nederlandse aandeel in deze garantie is circa € 2,35 miljard. Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is de bestaande garantieverplichting voor EU-betalingsbalanssteun dit jaar met € 2,5 miljoen naar boven bijgesteld.

17. en 18. Wereldbank Groep

De Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) is een onderdeel van de Wereldbank Groep. Deze organisatie ondersteunt de private sector bij het verzekeren van buitenlandse investeringen. De activiteiten van MIGA worden gefinancierd door aandelenkapitaal (paid-in), en de rest wordt verstrekt in de vorm van garanties (callable capital).

Een ander onderdeel van de Wereldbank Groep is de International Bank for Reconstruction and Development (IBRD). Op basis van door lidstaten ingelegd aandeelkapitaal en afgegeven garanties, leent de IBRD op de kapitaalmarkt en worden leningen verstrekt aan landen met een middeninkomen. In 2016 is de betaling voldaan van de laatste tranche van aandelen als gevolg van de in 2010 overeengekomen kapitaalverhoging van de IBRD, waarbij de door Nederland verstrekte garantie evenredig is toegenomen. Daarnaast zijn technische wijzigingen in de administratie van de uitstaande garantieverplichtingen doorgevoerd. De totale verstrekte garanties zijn ultimo 2016 met € 587 miljoen toegenomen.

19. EBRD10

De European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) is opgericht om landen in Midden- en Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie bij te staan in hun transitie naar democratie en een markteconomie. Inmiddels is het operatiegebied uitgebreid met een aantal Centraal-Aziatische landen en enkele landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Op basis van door lidstaten ingelegd aandeelkapitaal en afgegeven garanties, leent de EBRD op de kapitaalmarkt voor haar investeringen.

20. EIB

De EIB heeft als taak om met een beroep op de kapitaalmarkten en haar eigen middelen bij te dragen aan een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt die in het belang van de EU is. De lidstaten hebben zowel kapitaal als garanties verstrekt aan de EIB. Hierdoor is de EIB in staat kapitaal op te halen, waarmee de EIB investeert in de publieke en private sector.

21. DNB – deelneming in kapitaal IMF

De Staat heeft een garantie aan DNB verstrekt om het risico te dekken indien het IMF in gebreke blijft. De garantieverstrekking is daarmee dus in feite een nationale aangelegenheid. Deze garantie is opgenomen op de begroting van het Ministerie van Financiën, maar wordt alleen ingeroepen als het IMF niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en een beroep doet op middelen van DNB. Door de inwerkingtreding van de in 2010 overeengekomen quota- en governancehervormingen is de garantie voor de zogeheten New Arrangement to Borrow (NAB) afgebouwd met SDR (Special Drawing Right) 4,45 miljard (circa € 5,67 miljard), daarnaast zijn de middelen ten behoeve van het Poverty Reduction Growth Trust (PRGT) verhoogd met SDR 500 miljoen (circa € 638 miljoen11), is de bilaterale lening (€ 13,6 miljard) aan het IMF verlopen en was er een wisselkoersaanpassing (circa € 100 miljoen). Om deze reden is de garantie aan DNB inzake het IMF momenteel verlaagd met circa € 18,6 miljard. Nederland staat positief ten aanzien van het verzoek aan Nederland om opnieuw een lening van € 13,61 miljard te verstrekken zoals uiteengezet in Kamerstuk II 2016–2017, 21 501-07 nr. 1398. Onder voorbehoud van parlementair akkoord zou de garantie in het voorjaar van 2017 met eenzelfde bedrag worden opgehoogd.

22. AIIB

In 2015 is besloten om toe te treden tot de nieuw op te richten AIIB (Asian Infrastructure Investment Bank), welke ondertussen operationeel is. Op basis van een door de oprichtende aandeelhouders bepaalde verdeelsleutel heeft Nederland een aandeel toegewezen gekregen en zich hierop ingeschreven. Dit aandeel bestaat uit een gedeelte ingelegd (paid-in) kapitaal en een gedeelte garantiekapitaal. Deze verplichting betreft het garantiekapitaal.

23. MIGA-herverzekering

De post MIGA-herverzekering betreft de herverzekering van investeringsverzekeringen die zijn afgesloten door Nederlandse exporteurs onder de MIGA-faciliteit van de Wereldbank. Om de herverzekeringscapaciteit af te bakenen is er een garantieplafond van € 150 miljoen ingesteld. De MIGA faciliteit is niet gebruikt en er staan geen verplichtingen uit. Zoals aanbevolen in de beleidsdoorlichting zal het memorandum of understanding met MIGA worden beëindigd.

24. Regeling investeringsverzekering

De Staat kan jaarlijks voor maximaal € 454 miljoen aan verplichtingen aangaan voor nieuwe investeringsverzekeringen. Via deze verzekeringen kunnen Nederlandse bedrijven die langdurig investeren in het buitenland zich verzekeren tegen het politieke risico dat zij kunnen lopen in het buitenland. In 2016 is € 62 miljoen aan nieuwe verplichtingen aangegaan. De aangegane verplichtingen bedragen in totaal € 155 miljoen. Aangezien de investeringsverzekering een van de producten is die de EKV-faciliteit aanbiedt, zal de RIV (Regeling InvesteringsVerzekeringen) vanaf volgend jaar worden geïncorporeerd in de regeling Uitvoering EKI en zal het aparte garantieplafond vervallen.

25. Exportkredietverzekering

De Staat biedt exporteurs de mogelijkheid om betalingsrisico’s verbonden aan het handels- en dienstenverkeer met het buitenland te verzekeren. Het productenassortiment van de EKV-faciliteit omvat momenteel onder andere de kapitaalgoederenverzekering, de verzekering voor uitvoering van werken («aannemerijverzekering»), de financieringsverzekering, de koersrisicoverzekering, de werkkapitaaldekking, de exportkredietverzekering en de verzekering van garanties. In 2016 is er voor € 6,9 miljard aan verzekeringen afgegeven. Het uitstaande obligo van de EKV bedraagt in totaal € 15,8 miljard.

Voor de totale exportkredietverzekeringsfaciliteit, waaronder de RIV en de MIGA-herverzekeringsfaciliteit, is in 2014 een risicovoorziening EKV opgericht. Ultimo 2016 bedroeg deze voorziening ruim € 365 miljoen. Daarnaast valt de Seno-Gom (Stichting economische samenwerking Nederland Oost-Europa en Garantiefaciliteit opkomende markten) faciliteit onder de EKV. Deze faciliteit wordt afbeheerd en de middelen uit de bijbehorende begrotingsreserve SenoGom vallen de komende jaren vrij. In 2016 is er € 12,5 miljoen uit de begrotingsreserve van de Seno-Gomfaciliteit vrijgevallen.

4. BELEIDSARTIKELEN

4.1 Belastingen

A. Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgen ervoor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het beleid en de uitvoering op het terrein van de belastingen. Het beleid is gericht op een eenvoudig, solide en fraudebestendig belastingstelsel. Een belastingstelsel dat begrijpelijk is en dat de administratieve lasten voor burgers en bedrijven en de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst waar mogelijk reduceert. Een belastingstelsel dat een solide belastingopbrengst oplevert, zonder willekeurige schommelingen. Een eerlijk belastingstelsel waarbij uitholling van de belastinggrondslag effectief kan worden bestreden zodat ieder zijn deel bijdraagt.

C. Beleidsconclusies

Compliance moet zorgen voor de borging van de continuïteit van belastingopbrengsten en de rechtmatige betaling van toeslagen. De Belastingdienst bevordert compliance door passende dienstverlening te leveren, massale processen juist en tijdig uit te voeren, adequaat toezicht uit te oefenen en waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen. Compliance wordt afgemeten aan de mate waarin burgers en bedrijven tijdig, juist en volledig aangifte doen en tijdig betalen. De uitkomst van deze kengetallen laat ten opzichte van 2015 een lichte daling zien van het nalevingstekort. De compliante betaling van belastingen en premies is ongewijzigd ten opzichte van 2015. De gerelateerde doelstellingen zijn grotendeels gerealiseerd, behalve de doelstellingen voor de bereikbaarheid van de BelastingTelefoon, het tijdig afdoen van bezwaren, het aantal boekenonderzoeken, het aantal processen-verbaal dat leidt tot een veroordeling of schikking en de controles op passagiersvluchten. Hierna wordt bij de verschillende onderdelen op de oorzaken ingegaan.

Om te zorgen dat de Belastingdienst ook in de toekomst de compliance van burgers kan beïnvloeden en belastingopbrengsten kan generen, zijn in de Investeringsagenda Belastingdienst maatregelen aangekondigd om de portalen, gericht op een gedeelde informatiepositie van burgers en bedrijven, door te ontwikkelen en zo de interactie via de BelastingTelefoon en bezwaarschriften op termijn aanzienlijk terug te brengen. Voor 2016 werden de volgende doelstellingen nagestreefd:

  • Het portaal (Mijnbelastingdienst, MijnBD) voor burgers en bedrijven is volledig operationeel. Het portaal bevat statusinformatie waardoor veel telefoontjes naar de BelastingTelefoon overbodig worden. Resultaat 2016: het portaal MijnBD is voor iedereen beschikbaar gekomen. In de komende jaren worden steeds functionaliteiten toegevoegd;

  • Er worden pilots met compliante burgers uitgevoerd, waarbij een directe betaalmogelijkheid en de mogelijkheid om een eenvoudige betalingsregeling te treffen wordt geboden. Resultaat 2016: pilots voor een directe betaalmogelijkheid via internet en eenvoudige betalingsregelingen zijn nog niet gerealiseerd en

  • de werkwijze met informatiegestuurd toezicht en inning is volledig operationeel. Resultaat 2016: de werkwijze met informatiegestuurd toezicht is operationeel voor de IH niet-winst en nog niet voor andere belastingmiddelen. De werkwijze met informatiegestuurde inning is volledig operationeel.

Om de beoogde resultaten uit 2016 volledig te realiseren dient nog een aanzienlijke inspanning te worden geleverd waarvoor een herijking van de Investeringsagenda nodig is. Deze vindt plaats voor de zomer van 2017. De voortgang op de Investeringsagenda wordt toegelicht in het beleidsverslag (paragraaf 3.3).

Compliance

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling (jaar1)

Kengetal (in %)

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Percentage aangiften omzetbelasting tijdig ontvangen

n.v.t.

95,3

95,1

95,3

94,9

Percentage aangiften loonheffingen tijdig ontvangen

n.v.t.

99,1

99,2

99,2

99,2

Juist en volledig aangifte doen; percentage nalevingstekort op basis van de steekproef Particulieren (uitgedrukt als percentage van de totale belastingopbrengst voor dit segment)2

n.v.t.

1,1

n.v.t.

1,1

1,0

Juist en volledig aangifte doen; percentage nalevingstekort op basis van de steekproef Midden- en kleinbedrijf (uitgedrukt als percentage van de totale belastingopbrengst voor dit segment)

n.v.t.

4,4

n.v.t.

6,0

5,2

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

X Noot
1

Het jaartal is het jaar waarin de uitkomsten van de metingen worden gerapporteerd.

X Noot
2

Exclusief IB-aangiften van ondernemers en partners van ondernemers.

Toelichting

Percentage tijdig ontvangen aangiften

De tijdigheid van het aangiftegedrag voor de OmzetBelasting (OB) en loonheffing (LH) laat over de afgelopen jaren geen bijzondere ontwikkeling zien.

Juist en volledig aangifte doen

Om het nalevingstekort te meten doet de Belastingdienst steekproeven in de segmenten Particulieren en Midden- en kleinbedrijf. De onderzochte aangiften worden aselect getrokken en leveren inzicht in het fiscaal relevante gedrag van belastingplichtigen en mogelijke nalevingstekorten. De uitkomsten van de steekproef Particulieren en Midden- en kleinbedrijf die in 2016 zijn vastgesteld hebben respectievelijk betrekking op de aangiftejaren 2014 en 2013. De uitkomsten mogen niet worden verabsoluteerd aangezien het om een schatting gaat.

Belastingmoraal

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Kengetal (in %)

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Belastingontduiking is onaanvaardbaar

93

92

92

93

92

Zelf belasting ontduiken is uitgesloten

88

88

87

90

89

Belasting betalen betekent iets bijdragen

37

35

37

35

37

Ervaren kans op ontdekking

81

80

82

83

84

Bron: Fiscale monitor.

Toelichting

De cijfers over de belastingmoraal zijn stabiel over de jaren. Alleen voor de ervaren kans op ontdekking is sinds 2013 elk jaar een lichte stijging te zien.

In de webrapportage www.fiscalemonitor.nl zijn ook de overige resultaten van de Fiscale monitor 2016 te bekijken.

Op verzoek van de Tweede Kamer heeft de Algemene RekenKamer (ARK) onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het handhavingsbeleid van de Belastingdienst. De ARK heeft een positief beeld van de opzet van het handhavingsbeleid, omdat het systematisch en gestructureerd inspeelt op (de oorzaken van) het gedrag van burgers en bedrijven. De focus op (oorzaken van) gedrag biedt de mogelijkheid om gericht de naleving van belastingwet- en regelgeving te bevorderen en eventuele risico’s van gemiste belastingopbrengsten aan te pakken met een optimale mix van handhavingsinstrumenten. Tegelijkertijd stelt de ARK vast dat de Belastingdienst nog informatie mist voor de verdere onderbouwing van de keuzes in het handhavingsbeleid. Wat betreft kennis van (het gedrag van) de belastingplichtige, samenhang tussen hoofddoelstellingen en bereikte resultaten en efficiënte inzet van mensen en middelen, zijn zeker nog slagen te maken. Hiervoor zijn in de Brede agenda en Investeringsagenda de nodige initiatieven op dit terrein benoemd. De volledige uitkomsten van het onderzoek zijn opgenomen op de site van de ARK.

D. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 1 Belastingen (bedragen x € 1.000)
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

Verplichtingen

3.357.051

3.273.683

2.933.935

3.259.300

3.651.055

3.114.765

536.290

               

Uitgaven (1) + (2)

3.268.814

3.187.000

3.210.167

3.190.076

3.323.566

3.114.765

208.801

               

(1) Programma-uitgaven

445.016

241.860

229.451

199.670

136.211

238.304

– 102.093

waarvan:

             

Rente

440.182

236.375

223.783

193.420

130.422

232.390

– 101.968

Belasting- en invorderingsrente

440.182

236.375

223.783

193.420

130.422

232.390

– 101.968

Rentevergoeding depotstelsel

 

0

0

0

0

0

0

               

Bekostiging

4.834

5.485

5.668

6.250

5.789

5.914

– 125

Proceskosten

3.872

3.749

3.865

4.677

4.089

3.536

553

Overige programma-uitgaven

962

1.736

1.803

1.573

1.700

2.378

– 678

               

(2) Apparaatuitgaven

2.823.798

2.945.140

2.980.716

2.990.406

3.187.355

2.876.461

310.894

waarvan uitvoering fiscale wet- en regelgeving en douanetaken Caribisch Nederland

   

13.211

17.897

11.885

13.000

– 1.115

               

Personele uitgaven

2.063.064

2.105.757

2.235.931

2.216.312

2.464.980

2.090.805

374.175

waarvan: Eigen personeel

1.877.434

1.875.697

1.995.071

2.019.909

2.203.409

1.920.364

283.045

waarvan: Inhuur externen

185.630

230.060

240.860

196.403

261.571

170.441

91.130

               

Materiële uitgaven

760.734

839.382

744.785

774.093

722.375

785.656

– 63.281

waarvan: ICT

232.263

247.976

237.586

249.311

224.413

252.673

– 28.260

waarvan: Bijdrage SSO's

222.993

228.255

211.555

204.720

216.934

185.412

26.143

               

Ontvangsten (3) + (4)

105.863.956

108.151.202

116.225.745

117.090.239

121.876.136

116.447.338

5.428.798

               

(3) Programma-ontvangsten

105.838.010

108.124.386

116.204.039

117.069.316

121.850.938

116.415.523

5.435.415

waarvan:

             

Belastingontvangsten

105.037.894

107.503.003

115.402.186

116.240.772

121.044.798

115.517.770

5.527.028

               

Rente

             

Belasting- en invorderingsrente

432.004

255.029

372.452

367.668

361.879

441.500

– 79.621

               

Boetes en schikkingen

             

Ontvangsten boetes en schikkingen

168.749

167.381

218.885

257.964

245.675

238.977

6.698

               

Bekostiging

             

Kosten vervolging

199.363

198.973

210.516

202.912

198.586

217.276

– 18.690

               

(4) Apparaatontvangsten

25.946

26.816

21.706

20.923

25.198

31.815

– 6.617

Verplichtingen (+ € 536 miljoen)

Gedurende het begrotingsjaar is het verplichtingenbudget in lijn met de uitgavenmutaties bijgesteld (kas = verplichting). Voor een toelichting op de verplichtingen wordt verwezen naar de toelichting op de uitgaven. Daarnaast is met 2de suppletoire begroting 2016 de verplichtingenraming bijgesteld met + € 533 miljoen voor de verplichting die is aangegaan voor de vertrekregeling (zie voor een nadere toelichting: Kamerstukken II 2016–2017, nr. 34 620 IX). Ten opzichte van de 2de suppletoire begroting zijn per saldo minder verplichtingen gerealiseerd dan geraamd. Dit wordt verklaard doordat enerzijds voor de verplichting voor de vertrekregeling abusievelijk een te hoog bedrag was begroot en anderzijds doordat het bedrag aan openstaande betalingsverplichtingen ultimo 2016 is afgenomen ten opzichte van ultimo 2015.

Uitgaven (+ € 209 miljoen)

Belasting- en invorderingsrente

De uitgaven zijn lager dan oorspronkelijk geraamd. De Belastingdienst hoeft namelijk minder rente te vergoeden, omdat de teruggaven als gevolg van definitieve aanslagen lager uitvallen dan in voorgaande jaren.

Bekostiging

De uitgaven voor de vergoedingsregeling voor proceskosten zijn hoger dan geraamd door een toegenomen beroep op de regeling. Daarentegen zijn de overige programma-uitgaven lager uitgevallen, met name door lager dan geraamde uitgaven in verband met garanties voor procesrisico’s.

Apparaatuitgaven Belastingdienst

In 2016 heeft de Belastingdienst per saldo ca € 366 miljoen aan extra middelen ontvangen voor onder andere de uitvoering van de Investeringsagenda, de uitvoering van fiscale wetgeving en loon- en prijscompensatie (een nadere toelichting is opgenomen in de betreffende suppletoire begrotingen). Rekening houdend met de aanvullende middelen, is per saldo circa € 43 miljoen minder gerealiseerd dan geraamd. Dit betreft meevallers in de uitvoering, zoals onder andere meevallers op de facilitaire uitgaven en uitgaven die zijn doorgeschoven naar volgend jaar.

De uitgaven voor het gespecialiseerde financiële adviesbureau Oliver Wyman, waaraan het realiseren van een aantal producten op verschillende verandergebieden in het kader van de Investeringsagenda is uitbesteed, bedroeg € 5,4 miljoen exclusief btw over de periode van 1 januari 2016 tot en met 18 maart 2016 (beëindiging van het contract). Na beëindiging van het contract voor ondersteuning van de Investeringsagenda zijn medewerkers van Oliver Wyman ingehuurd op basis van nadere overeenkomsten onder een raamovereenkomst met een broker (inhuurbemiddelaar). Dit betrof de periode juni tot medio oktober 2016. De kosten daarvan bedroegen € 1,2 miljoen exclusief btw.

Ontvangsten (+ € 5.429 miljoen)

Belasting- en invorderingsrente

De ontvangsten zijn lager dan oorspronkelijk geraamd. Door de introductie van ondergrenzen in de belasting- en invorderingsrente zijn belastingplichtigen eerder aan hun verplichtingen gaan voldoen, teneinde latere rentebetalingen te voorkomen. Dit effect is het sterkst zichtbaar bij de vpb (vennootschapsbelasting). De verhoging van de belastingrente naar de ondergrens van 8% heeft ertoe geleid dat bedrijven steeds meer op tijd aan hun verplichtingen voldoen.

Boetes en schikkingen

In 2016 was over het algemeen sprake van meevallende realisaties, aangezien meer verzuimboetes werden opgelegd vanwege te late aangifte of te late betaling. De boetes bij de motorrijtuigenbelasting brachten minder op dan geraamd, omdat als gevolg van een rechterlijke uitspraak het tarief van de verzuimboete verlaagd moest worden. Per saldo is een meevaller van € 7 miljoen gerealiseerd.

Kosten vervolging

Ten opzichte van de Ontwerpbegroting 2016 zijn de aan burgers en bedrijven doorbelaste kosten van vervolging lager uitgevallen, omdat een groter deel van de belasting- en premieontvangsten op compliante wijze is voldaan.

Apparaatontvangsten

De uitgaven als gevolg van het doorbelasten van uitgaven voor werkzaamheden aan derden vallen structureel lager uit. In de Ontwerpbegroting 2017 zijn zowel de uitgaven als de ontvangsten structureel neerwaarts bijgesteld.

E. Toelichting op de instrumenten

Fiscaal beleid en wetgeving

E.1. Genereren van inkomsten – fiscale wet- en regelgeving

Het genereren van inkomsten ten behoeve van uitgaven voor de rijksbegroting, de sociale fondsen en de zorgverzekeringen door middel van het ontwikkelen van solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving die ook in internationale context werkbaar is.

Ten aanzien van de fiscaliteit had het kabinet voor 2016 drie doelstellingen. Allereerst wilde het kabinet zich blijven inzetten voor een evenwichtige verbetering van de koopkracht. Verder wilde het kabinet de belastingwetgeving begrijpelijker en beter uitvoerbaar maken. Tot slot was het tegengaan van belastingontwijking voor het kabinet een belangrijk thema.

Belastingplan 2017

Het pakket Belastingplan 2017 bevatte in totaal zes wetsvoorstellen: het wetsvoorstel Belastingplan 2017, het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2017, het wetsvoorstel Fiscale vereenvoudigingswet 2017, het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen, het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing en het wetsvoorstel Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen. Van voornoemde wetsvoorstellen zijn alleen de wetsvoorstellen Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige pensioenmaatregelen en Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing aangehouden, de overige wetsvoorstellen zijn in 2016 aangenomen. In maart 2017 is het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige pensioenmaatregelen alsnog aangenomen.

In het Belastingplan 2017 zijn maatregelen opgenomen die een budgettair effect hebben. Er zijn onder andere maatregelen getroffen die positief bijdragen aan een evenwichtige verbetering van de koopkracht. Daarnaast zijn er vereenvoudigingen voor de Belastingdienst gerealiseerd in het wetsvoorstel Fiscale vereenvoudigingwet 2017. Ook in het tot 2017 aangehouden wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen is een belangrijke vereenvoudiging opgenomen, namelijk het uitfaseren van het pensioen in eigen beheer. Het wetsvoorstel waarin is voorgesteld de monumentenaftrek en de aftrek van scholingsuitgaven om te zetten in niet-fiscale regelingen is, op verzoek van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die primair voor dit wetsvoorstel verantwoordelijk is, door de Tweede Kamer aangehouden tot 2017 met de intentie deze in 2018 in werking te laten treden. Verder zijn in het Belastingplanpakket 2017 enkele maatregelen opgenomen in het kader van het bestrijden van belastingontwijking die ongewenst gebruik van fiscale regels tegen dienen te gaan. Hierbij valt te denken aan maatregelen op het terrein van de innovatiebox en de renteaftrekbeperkingen.

In lijn met eerdere jaren bevatte het pakket Belastingplan 2017 een wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen. In deze wet zijn maatregelen opgenomen ten behoeve van het noodzakelijke onderhoud en andere maatregelen die meer technisch van aard zijn en die geen budgettaire gevolgen hebben. Dit wetsvoorstel bevatte onder meer een wijziging in de heffing van buitenlandse commissarissen en bestuurders die ondernemers zijn.

Het kabinet heeft in 2016 de keuze gemaakt om het belang van vereenvoudiging extra te onderstrepen door een afzonderlijk vereenvoudigingswetsvoorstel op te nemen, te weten de Fiscale vereenvoudigingswet 2017. Met dit wetsvoorstel is ingezet op een vermindering van de administratieve lasten van burgers en bedrijven, een vermindering van de uitvoeringskosten van de Belastingdienst en een vermindering van de regeldruk. Begin 2016 heeft een externe consultatie plaatsgevonden om burgers en het bedrijfsleven de kans te geven ideeën voor vereenvoudiging van het belastingstelsel aan te dragen. Een deel van de maatregelen in het wetsvoorstel is voortgekomenuit deze externe consultatie. Zo is het voorstel om de teruggaafregeling voor oninbare debiteuren in de btw en de milieubelastingen te vereenvoudigen – na de internetconsultatie – opgenomen in de Fiscale vereenvoudigingswet 2017. Naast het onderhavige wetsvoorstel bevatte het pakket Belastingplan 2017 nog een aantal andere belangrijke vereenvoudigingen. Deze zijn opgenomen in het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen en het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing.

In het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen is ingezet op de uitfasering van het zogenoemde pensioen in eigen beheer voor de directeur-grootaandeelhouder. De mogelijkheid van opbouw van een pensioen in eigen beheer wordt daarmee afgeschaft, gecombineerd met een tijdelijke maatregel die voorziet in de mogelijkheid van een fiscaal gefaciliteerde afkoop van het reeds opgebouwde pensioen in eigen beheer. Voor directeur-grootaandeelhouders die hier geen gebruik van kunnen of willen maken, voorziet het wetsvoorstel in andere oplossingen. Het wetsvoorstel is in maart 2017 aangenomen, hiermee is op een aanvaardbare wijze een einde gekomen aan de discussie over het pensioen in eigen beheer die is gestart in de Eerste Kamer in december 2012 tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Belastingplan 2013. De behandeling van het wetsvoorstel was aanvankelijk in 2016 is in de Eerste Kamer aangehouden op verzoek van de Staatssecretaris van Financiën.

Tot slot heeft het kabinet in het Belastingplan 2017 een wetsvoorstel opgenomen dat ziet op de verlaging van energiebelasting voor openbare laadpalen door een tijdelijk verlaagd tarief in de energiebelasting op te nemen voor laadpalen met een zelfstandige aansluiting op het distributienet.

Uitwisseling inlichtingen over rulings

In het wetsvoorstel Uitwisseling inlichtingen over rulings is de Europese richtlijn tot wijziging van de Richtlijn 2011/16/EU geïmplementeerd. De richtlijn is geïmplementeerd in de Wet op de Internationale Bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB). Hiermee is de automatische uitwisseling van inlichtingen over voorafgaande, grensoverschrijdende afspraken tussen de belastingdiensten en bedrijven (rulings) tussen de lidstaten geregeld. Het uitwisselen van rulings was een van de maatregelen van Europa tegen internationale belastingontwijking door het bedrijfsleven. De uitwisseling van informatie over rulings met de landen waarmee overeenkomstig de OESO-richtlijnen wordt uitgewisseld, vindt plaats op basis van het Verdrag inzake Wederzijdse Administratieve Bijstand in Belastingzaken (WABB-verdrag) of op basis van een belastingverdrag. De uitwisseling volgens de OESO-richtlijnen vergt geen implementatie in nationale wetgeving omdat de WIB daarvoor al voldoende basis biedt.

Autobelastingen

Tijdens de eerste helft van 2016 heeft de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet uitwerking Autobrief II plaatsgevonden. Daarnaast is een onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden in de CO2- en NOX-uitstoot van enkele automerken uitgevoerd en is de Kamer hierover geïnformeerd. Ook heeft de wetswijziging ter implementatie van de nieuwe Europese CO2-testmethode, de WLTP (Worldwide harmonized Light vehicles Test Procedure) -testmethode, de nodige inzet gevergd. Met de Belastingdienst is afgesproken verder te werken aan mogelijke vereenvoudigingen en technische aanpassingen in de autobelastingen. Dit leidt in 2017 mogelijk tot enkele (wets)wijzigingen. Verder is veel bijstand verleend aan het Ministerie van Economische Zaken in het dossier «Elektrisch rijden». Tot slot is meer capaciteit beschikbaar gemaakt voor het wijzigingsprotocol Eurovignet en de werkgroep Bereikbaarheid in het kader van de studiegroep Duurzame groei.

Voortgangsrapportage box 3 heffing

In 2016 is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van een heffing op het werkelijke, individueel behaalde rendement. Dit heeft geresulteerd in de voortgangsrapportage «Heffing box 3 op basis van werkelijk rendement» die op Prinsjesdag 2016 naar de Eerste en de Tweede Kamer is gestuurd. In de rapportage zijn drie varianten van een mogelijke belastingheffing in box 3 geschetst die het werkelijke, individueel behaalde rendement beter benaderen. Deze rapportage is op 27 oktober in een AO met de Tweede Kamer besproken.

Ten behoeve van de formatie wordt een keuzedocument opgesteld. In dit document worden de drie varianten verder uitgewerkt. Ook wordt hierbij een juridische analyse uitgevoerd en worden alternatieve mogelijkheden verkend binnen een forfaitair systeem.

Vestigingsklimaat

Naar aanleiding van internationale ontwikkelingen heeft het kabinet bij brief van 20 september 2016 zijn toekomstvisie op het fiscale vestigingsklimaat uiteengezet. Centraal in deze visie staat een gelijktijdige beweging op twee fronten:

  • de proactieve aanpak van belastingontwijking krachtig voortzetten waarbij Nederland internationaal het voortouw neemt én

  • het tarief van de vennootschapsbelasting verlagen tot een concurrerend niveau, zodat Nederland aantrekkelijk blijft voor investeerders.

In het pakket Belastingplan 2017 zijn reeds maatregelen opgenomen die kunnen worden gezien als ondersteuning van deze visie. Voor belastingontwijking kan bijvoorbeeld worden gewezen op de aanpassingen van de innovatiebox of van de specifieke renteaftrekbeperkingen. Wat betreft het vennootschapsbelastingtarief verwijst het kabinet naar de gerealiseerde schijfverlenging in de vennootschapsbelasting.

Nederlands voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie

In het eerste halfjaar van 2016 is Nederland voor de twaalfde keer voorzitter van de Raad van de Europese Unie geweest. Nederland heeft de vergaderingen van de Raad voorgezeten en nam het voortouw bij de onderhandelingen tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de andere Europese instellingen over nieuwe Europese regelgeving. Het voorzitterschap bestond met name uit het opstellen van de agenda. De Europese Commissie (EC) heeft het initiatiefrecht en maakt de voorstellen voor wetgeving (verordeningen, richtlijnen, etc). De lidstaten besluiten in het geval van belastingen bij unanimiteit en ten aanzien van douaneonderwerpen bij gekwalificeerde meerderheid. Bij de indirecte belastingen lag de focus op de fraudebestrijding in de btw. Bij de directe belastingen zijn de richtlijnvoorstellen over country-by-country reporting (tussen belastingdiensten) en over de anti-BEPS-richtlijn (ATAD) aangenomen met daarin uiteenlopende anti-misbruikmaatregelen in lijn met de uitkomst van het BEPS-project van de OESO. Op douanegebied hebben de inwerkingtreding van het Douanewetboek van de Unie en de verschillende onderdelen van de «governance» binnen douane (waaronder de totstandkoming van het Strategic policy framework douane) veel aandacht gekregen.

Project Base Erosion Profit Shifting

In 2016 zijn verdere wettelijke maatregelen die uit het BEPS-project zijn voortgevloeid aan het parlement voorgelegd zoals wijzigingen in de innovatiebox, de Wet internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen (in verband met automatische uitwisseling van informatie over rulings) en maatregelen ter invulling van de BEPS-taakstelling als gevolg van het wetsvoorstel Wet aanpassing fiscale eenheid. Ook in 2016 is Nederland betrokken geweest bij de verdere uitwerking van de resultaten van het BEPS-project. Dat heeft geleid tot de definitieve teksten van het multilaterale instrument en zal in 2017 uitmonden in een nieuwe update van het OESO-modelverdrag.

Richtlijn tegen belastingontwijking

In juni 2016 is onder het Nederlandse voorzitterschap een Europese richtlijn belastingontwijking, de ATAD, aangenomen. De richtlijn bevat verschillende maatregelen om ervoor te zorgen dat winst wordt belast op de plek waar de waarde wordt gecreëerd. De maatregelen uit de richtlijn zijn: een renteaftrekbeperking, een exitheffing, een algemene antimisbruikbepaling, een Controlled Foreign Corporation (CFC)-maatregel en een maatregel om hybride mismatches binnen de EU tegen te gaan. Nederland streeft naar een voortvarende implementatie van deze maatregelen. Het voornemen is dat in de tweede helft van 2017 een conceptwetsvoorstel voor consultatie wordt aangeboden. De maatregelen dienen per 1 januari 2019 in de nationale wetgeving te zijn geïmplementeerd. De uitwerking hiervan zal in 2017 plaatsvinden. De EC heeft daarnaast op 25 oktober 2016 een richtlijnvoorstel gepresenteerd om hybride mismatches tegen te gaan voor geldstromen van en naar landen buiten de EU (ATAD 2). De Raad (Ecofin) heeft inmiddels ingestemd met het richtlijnvoorstel, Nederland zal ook op dit punt een voortvarende implementatie nastreven.

Belastingverdragen

In 2016 heeft Nederland geen nieuwe verdragen getekend. Wel zijn de wetsvoorstellen voor inwerkingtreding van de in 2015 getekende verdragen met Kenia, Zambia en Malawi ingediend. Onderhandelingen hebben in 2016 plaatsgevonden met Iran, Irak, Indonesië, Vietnam, Oezbekistan, Kirgizië, Oekraine, Duitsland, Zwitserland, Spanje, Chili, Ghana en Zimbabwe.

Naar aanleiding van een in 2014, tijdens het AO over een internationaal fiscaal verdragsbeleid, gedane toezegging van de Staatssecretaris heeft Nederland ook in 2016 prioriteit gegeven aan het opnemen van anti-misbruikbepalingen in verdragen met 23 ontwikkelingslanden. In 2014 zijn de 23 ontwikkelingslanden die het betreft reeds benaderd. In 2015 en 2016 hebben er met verschillende landen gesprekken plaatsgevonden over opname van anti-misbruikbepalingen. De landen waarvan we geen (officiële) reactie hebben ontvangen zijn inmiddels meerdere malen benaderd. In 2016 is daarnaast verder gewerkt aan de ontwikkeling van het multilaterale instrument van de OESO. Daarmee kunnen op efficiënte wijze bestaande bilaterale verdragen aangepast worden. Het is een alternatief instrument om de in het BEPS-project afgesproken anti-misbruikmaatregelen in verdragen op te nemen.

Belastingdienst

E.2. Belastingdienst – Dienstverlening

De Belastingdienst bevordert met passende dienstverlening dat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

Doelbereiking

De bereikbaarheid van de BelastingTelefoon over het jaar 2016 ligt onder de streefwaarde en de afhandeling van bezwaren is niet binnen de Awb-termijn gerealiseerd. De overige realisaties zijn op het gewenste niveau.

Dienstverlening

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator (in %)

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Streefwaarde

20161

Realisatie

2016

Bereikbaarheid BelastingTelefoon (BT)

82

79

63

77

80–85

76

Kwaliteit beantwoording fiscale vragen BT

86

86

88

89

80–85

86

Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn

94

93

87

87

90–95

81

Afgehandelde klachten binnen Awb-termijn

95

98

93

97

90–95

98

Klanttevredenheid2:

           

internet

90

91

94

91

80–90

91

balie

89

85

92

88

80–90

86

telefonie:

           
 

– 

algemeen

81

85

79

84

70–80

82

 

– 

intermediairs

87

89

83

89

80–90

89

Bron: Fiscale monitor en Belastingdienst/Centrale Administratie.

X Noot
1

De streefwaarden van de Belastingdienst worden weergegeven in bandbreedtes. Hiermee geeft de Belastingdienst per prestatie-indicator aan wat de onder- en de bovengrens is.

X Noot
2

De in de tabel opgenomen realisatie heeft betrekking op klanten die neutraal tot zeer positief scoren.

Toelichting

Bereikbaarheid BelastingTelefoon

Het telefonieaanbod bedroeg in 2016 14,2 miljoen belpogingen ten opzichte van 15,8 miljoen belpogingen in 2015. De telefonische bereikbaarheid van de BelastingTelefoon blijft met 76% achter bij de norm. De lagere bereikbaarheid in 2016 heeft zich vooral voorgedaan in enkele kortere periodes bij de telefoniestromen Toeslagen en Particulieren. Daarnaast in een groter deel van 2016 bij de telefoniestroom Ondernemingen. In deze periodes was het telefonieaanbod hoger dan voorspeld, waardoor niet alle telefonie meteen door informanten afgehandeld kon worden en tevens herhaalverkeer ontstond. Buiten de genoemde periodes was de bereikbaarheid hoger. De lagere bereikbaarheid uit genoemde periodes is niet gecompenseerd door een hogere bereikbaarheid in de overige periodes in 2016. Om dit te bereiken zou namelijk een uit het oogpunt van doelmatigheid onevenredige grote inzet aan extra personeel nodig zijn.

Door het beschikbaar komen van technische mogelijkheden worden steeds meer burgers en bedrijven geholpen zonder een informant te spreken. Het gaat dan om het bestellen van een formulier of doen van een uitstelverzoek door in het gespreksmenu de juiste keuze te maken en vervolgens het burgerservicenummer in te toetsen. De burgers en bedrijven die op deze wijze geholpen worden, worden niet meegenomen in de definitie van bereikbaarheid. De zogenaamde technische bereikbaarheid houdt wel rekening met deze stroom geholpen burgers en bedrijven en ligt met 88% hoger.

Kwaliteit beantwoording fiscale vragen BelastingTelefoon

Externe bureaus meten of de fiscaal juiste antwoorden worden gegeven. De streefwaarde is gerealiseerd. Een klein deel van de vragen had het karakter van een verzoek om een individueel belastingadvies. In die gevallen werd de belastingplichtige verwezen naar een fiscaal adviseur.

Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn

De tijdige afdoening van bezwaarschriften ligt 9% onder de streefwaarde. Voor de douane en de belastingmiddelen Vpb en LH is de streefwaarde nagenoeg gerealiseerd maar de afhandeling van bezwaren IH, OB en Toeslagen blijft achter bij de doelstelling.

Het niet realiseren van de Awb-doelstelling voor bezwaren IH is veroorzaakt door het meer en eerder opleggen van definitieve aanslagen zonder voorafgegaan te worden door voorlopige aanslagen. Een groot deel van de aanvullingen kon daardoor niet meer bij de aangiftes worden gevoegd en diende daardoor in het bezwaarproces te worden meegenomen.

Het niet realiseren van de Awb-doelstelling voor bezwaren OB is veroorzaakt door de hoge voorraad niet-tijdige bezwaarschriften OB aan het begin van 2016, die in de maanden maart en april 2016 grotendeels is weggewerkt, en een piek in het aanbod van bezwaren over kwartaalaangiften, waardoor de voorraad in september 2016 weer is opgelopen.

Het niet realiseren van de Awb-doelstelling voor bezwaren Toeslagen houdt verband met het afhandelen van een oude voorraad van vóór 2016. De nieuwe instroom wordt Awb-conform afgehandeld.

Afgehandelde klachten binnen Awb-termijn

De streefwaarde voor de Awb-conforme afhandeling van klachten is gerealiseerd. In 2016 heeft de Belastingdienst 13.105 klachten ontvangen. Dat is 10,2% minder dan in 2015. Vooral Belastingen, FIOD en Toeslagen ontvingen minder klachten. B/CA en Douane ontvingen in 2016 ongeveer evenveel klachten als in 2015. De BelastingTelefoon ontving als enig dienstonderdeel meer klachten: 7,9% meer dan in 2015.

Klanttevredenheid

De realisatie van de klanttevredenheid over internet, balie en telefonie ligt binnen de bandbreedte van de streefwaarden of zelf iets daar boven. De score bevat, in tegenstelling tot eerdere jaren, niet de tevredenheid van ondernemers omdat het aantal respondenten te laag was voor een betrouwbare meting.

Kengetallen BelastingTelefoon
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Afgehandeld belvolume (aantallen)

15.236.020

14.154.450

12.807.020

Wachttijd: beleving (sec.)

67

731

79

Wachttijd: feitelijk (sec.)

145

111

109

X Noot
1

Waarde januari tot en met mei 2015.

Toelichting

Uit bovenstaande kengetallen kan worden afgeleid dat het aantal aangenomen telefoongesprekken met ruim 1,3 miljoen is afgenomen. Deze daling is mede het gevolg van de acties die de BelastingTelefoon heeft ingezet om te sturen op het gebruik van de andere interactiekanalen (website, MijnBD en de online aangifte). De vernieuwde website is begin 2016 live gegaan. Door de nieuwe opzet kunnen bezoekers sneller en eenvoudiger de meest gezochte informatie vinden. Verder is de website aangevuld met informatie op basis van gegevens over de meest gestelde vragen aan de BelastingTelefoon. Via MijnBD is het mogelijk geworden om een verzoek tot uitstel in te dienen voor het doen van aangifte. De vragen en toelichtingen op de online aangifte voor de IH zijn dusdanig aangepast dat voor het controleren en aanvullen van de gegevens geen fiscale voorkennis nodig is. Tot slot wordt in verzonden brieven bij onder meer de werkstroom Auto verwezen naar de website in plaats van de BelastingTelefoon.

Uit de kengetallen van de wachttijd kan worden afgeleid dat de feitelijke wachttijd is verbeterd. Dit betreft het aantal seconden vanaf het moment waarop de klant zijn laatste keuze heeft gemaakt in het keuzemenu tot het moment waarop de klant wordt geholpen door een belmedewerker.

Vooringevulde aangifte

Eén van de maatregelen om de aangifte makkelijker te maken is de VoorIngevulde Aangifte (VIA) waarmee burgers gegevens die al bij de Belastingdienst bekend zijn elektronisch bij de Belastingdienst ophalen. Zij hoeven de gegevens alleen nog te controleren. Het aantal mensen dat gebruik maakt van deze service steeg van 7,9 miljoen in 2015 naar 9,0 miljoen in 2016. Dit houdt verband met het nog steeds groeiend aantal mensen dat VIA-gegevens downloadt en/of de app gebruikt, de groei van het aantal belastingplichtigen IB/IH en het feit dat belastingconsulenten en buitenlandse belastingplichtigen sinds 2016 de VIA-aangifte kunnen doen met behulp van commerciële software. Het beschikbaar komen van de VIA voor de winstaangifte (de aangifte van inkomstenbelasting voor ondernemers) heeft vertraging opgelopen door gebrek aan IV (InformatieVoorziening)-ontwikkelcapaciteit. In het afgelopen jaar zijn wel de specificaties voor de vooringevulde aangifte IH ondernemers uitgewerkt.

Mijnbelastingdienst.nl

Sinds 2015 is het webportaal Mijnbelastingdienst.nl in gebruik. Hiermee kunnen burgers online aangifte doen, uitstel aanvragen en rekeningnummers wijzigen. Het portaal wordt de komende jaren in functionaliteit verder uitgebreid en speelt een belangrijke rol in de interactie met de burger. In 2016 heeft de burger de mogelijkheid gekregen om zelf zijn inkomensgegevens in te zien en af te drukken. Hierdoor is het niet meer nodig om een inkomensverklaring (IB-60) aan te vragen. Ook kan de burger nu vanuit het portaal digitaal bezwaar maken en is het C-biljet toegevoegd. Daarnaast is in 2016 een start gemaakt met het beproeven van andere inlogmethodes naast DigiD. Deze proef wordt in 2017 voortgezet.

Elektronische berichtenverkeer

Het berichtenverkeer met de Belastingdienst wordt op grond van de Wet Elektronisch BerichtenVerkeer Belastingdienst (Wet EBV) geleidelijk gedigitaliseerd. De eerste stap was de digitale verzending van de voorschotbeschikkingen (automatische continueringen) van toeslagen voor 2016. Deze zijn vanaf eind november 2015 in de berichtenbox op MijnOverheid geplaatst. Bij wijze van service worden deze berichten ook op het portaal MijnToeslagen geplaatst. In 2016 zijn ook de voorlopige en definitieve aanslagen voor de inkomstenbelasting weer in de berichtenbox van MijnOverheid bezorgd, naast verzending op papier. Daarnaast zijn vanaf het najaar van 2016 zeven nieuwe berichtstromen in het kader van de inkomstenbelasting (vanaf belastingjaar 2014) behalve op papier ook digitaal verzonden naar de berichtenbox van MijnOverheid. Het gaat om ambtshalve aanslagen, navorderingsaanslagen, ambtshalve verminderingen, beslissingen op bezwaar, carry back, reacties op verzoeken voor een voorlopige aanslag en teruggaven bij middeling.

Verder is het in 2016 mogelijk geworden om de aangifte van erf- en schenkbelasting digitaal in te dienen via een elektronisch formulier op MijnBelastingdienst. Ook kan (op basis van het authentieke inkomensgegeven uit de basisregistratie Inkomen) voortaan een inkomensverklaring worden gedownload vanaf het onderdeel Persoonlijke gegevens van MijnOverheid.

In de periode november-december 2016 zijn de continueringsbeschikkingen van toeslagen voor 2017 wederom digitaal naar de berichtenbox van MijnOverheid gestuurd. Daarnaast zijn deze berichten ook weer op MijnToeslagen geplaatst. De Belastingdienst houdt een zogenoemde maatwerkoplossing in stand voor mensen die geen mogelijkheid hebben om berichten in de berichtenbox te (laten) raadplegen. Zij ontvangen een papieren kopie van berichten die de Belastingdienst uitsluitend digitaal bezorgt in de berichtenbox (tot op heden alleen de continueringsbeschikking van toeslagen). Zij kunnen bellen met de speciale helpdesk Digitale post als ze hiervoor in aanmerking willen komen.

E.3. Belastingdienst – Handhaving

De Belastingdienst oefent adequaat toezicht uit en dwingt, zo nodig, naleving af zodat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

Doelbereiking

De streefwaarden van de prestatie-indicatoren voor validatie van grote ondernemingen en boekenonderzoeken zijn niet gerealiseerd. De realisaties van het aantal behandelde aangiften Inkomensheffing, het beoogde percentage processen-verbaal dat leidt tot een veroordeling/ transactie en de douanecontroles zijn in geringe mate achtergebleven op de streefwaarde. Bij de toelichting van de desbetreffende prestatie-indicatoren wordt ingegaan op de oorzaken. De overige realisaties zijn op het gewenste niveau.

Misbruik en oneigenlijk gebruik

Belastingheffing en toeslagen zijn gevoelig voor Misbruik en Oneigenlijk gebruik (MenO), omdat de hoogte van de heffing en de verplichting tot betalen afhankelijk zijn van gegevens die belastingplichtigen en toeslaggerechtigden zelf verstrekken. Dit kan van invloed zijn op de volledigheid van de belastingontvangsten en de juiste uitbetaling van toeslagen. Het tegengaan van MenO bij de uitvoering van wet- en regelgeving vormt derhalve een geïntegreerd onderdeel van het rechtshandhavingsbeleid.

De bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik richt zich niet meer uitsluitend op de achterkant van een proces, wanneer het geld al is uitgekeerd, maar steeds meer op de voorkant: bij de aanvraag of de aangifte. Met behulp van data-analyse worden risicovolle posten beoordeeld en geselecteerd. Zowel bij Toeslagen, Belastingen en de Douane is gewerkt aan de ontwikkeling en implementatie van gerichte query’s en risicoclassificatiemodellen om misbruik, oneigenlijk gebruik en fouten te detecteren en tijdig onterechte uitbetalingen te voorkomen. Dat heeft erin geresulteerd dat in 2016 voor € 226 miljoen aan onterechte uitbetalingen inzake IH is voorkomen (2015: € 234 miljoen).

Belastingplichtigen die hun vermogen in binnen- of buitenland verborgen hielden voor de Belastingdienst konden in 2016 nog gebruik maken van de inkeerregeling. Onder deze regeling hebben zich in 2016 1.211 inkeerders gemeld (2015: 2.187)12 met een aangegeven ingekeerd vermogen van € 358 miljoen (2015: € 1,3 miljard). Hiermee bedraagt over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2016 het totaal aantal inkeerders 17.907, met een aangegeven ingekeerd vermogen van € 6,3 miljard. De inkeerregeling heeft in 2016 € 154 miljoen aan extra belastinginkomsten opgeleverd (2015: € 559 miljoen).

Belastingdienst/Toeslagen past thematisch toezicht toe op lopende toekenningen. Dit vindt plaats op die situaties waarin het vaak fout gaat, waarin burgers vergeten op cruciale momenten mutaties door te voeren. Afhankelijk van de toeslagsoort is er sprake van meer of minder opbrengst. In 2016 heeft dit bij ruim 185.000 (inclusief de definitieve toekenning van de kinderopvangtoeslag en exclusief de 4-jarigen-attentiebrief) burgers geleid tot een vermindering van € 95 miljoen aan toeslagen (2015: ruim € 105 miljoen). De meest in het oog springende thema's zijn:

  • slechte schatters: bij circa 10.000 burgers (2015: ruim 61.000) is de toeslag verminderd met in totaal € 7 miljoen (2015: ruim € 58 miljoen). Het aantal verminderingen en het bedrag van de vermindering is ten opzichte van 2015 lager omdat de inkomensgegevens voor het Massaal automatisch continueren zijn verbeterd en

  • kinderopvang 4-jarigen: bij circa 10.000 burgers is de toeslag verminderd met in totaal circa € 16 miljoen.

Ter voorkoming van misbruik of oneigenlijk gebruik van toeslagen zijn maatregelen uitgevoerd die toezien op een extra beoordeling van mutaties, voordat een voorschot bij een verhoogd risico wordt uitgekeerd. In 2016 zijn 105.000 mutaties beoordeeld (2015: 90.900). Bij circa 70.000 heeft dit geleid tot een correctie van het toeslagbedrag. Met de maatregelen is een (bruto) vermindering gemoeid van € 87 miljoen (2015: € 81 miljoen). Netto is (conform de afgesproken rekenmethodiek) een bedrag van € 28,3 miljoen aan uitbetaling tegengehouden (2015: € 26,1 miljoen).

Voor de kinderopvangtoeslag is het deel (circa 16,7%) dat betrekking heeft op het toekennen van de gastouderopvang onzeker in verband met niet objectief vast te stellen uren. Deze onzekerheid bestond ook al vóór 2016 en is het gevolg van beperkingen in wet- en regelgeving en als gevolg daarvan beperkingen in de controlemogelijkheden voor Belastingdienst/Toeslagen.

De FIOD (Fiscale Inlichtingen en OpsporingsDienst) vervult een belangrijke taak in de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, ondermijning en het afpakken van crimineel vermogen. Met het strafrechtelijk afpakken van wederrechtelijk verkregen voordeel was in 2016 een bedrag gemoeid van € 543 miljoen (2015: € 198 miljoen). Verder is voor € 224,5 miljoen conservatoir beslag gelegd (2015: € 101 miljoen).

Bij brief van 10 december 201213 van de Staatssecretaris van Financiën aan de Kamer zijn maatregelen voorgesteld om het toezicht te intensiveren (Intensivering Toezicht en Invordering, ITI). Deze maatregelen betreffen ondermeer de versnelling van de aanslagregeling voor particulieren, de uitvoering van boekenonderzoeken, de uitvoering van controles voor de omzetbelasting en de vennootschapsbelasting en het realiseren van structureel extra opbrengsten uit invordering. Hiervoor is in 2012 een business case gemaakt. De ITI-opbrengsten zijn onderdeel van de totale belastingontvangsten zoals deze zijn opgenomen in het jaarverslag van het Ministerie van Financiën (IX). Het deel van de totale belastingontvangsten dat wordt toegerekend aan opbrengsten ten gevolge van de intensivering wordt door de Belastingdienst gemonitord en gerapporteerd. Vanwege beperkingen in de rapportages had de Belastingdienst behoefte om de totstandkoming van de financiële gegevens in de monitor en de hierover opgenomen toelichtingen door de AuditDienst Rijk (ADR) te laten onderzoeken. De ADR heeft hiertoe de verantwoordingen 2013 en 2014 over de businesscase onderzocht en vastgesteld dat deze tekortkomingen en onzekerheden kennen. Deze worden veroorzaakt door onduidelijkheid in definities, uitgangspunten en grondslagen van de businesscase en tekortkomingen in het monitormodel. Ook is geconstateerd dat de businesscase geen rekening houdt met autonome ontwikkelingen en dat een mechanisme ontbreekt om de businesscase aan te passen. De precieze omvang van de onzekerheden kan niet worden vastgesteld. Om deze reden zijn de realisatiecijfers van ITI niet opgenomen in het jaarverslag. De door de ADR geconstateerde onzekerheden in de ITI-verantwoording hebben betrekking op de toerekening aan de businesscase van de intensivering.

Fiscaal Toezicht

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Streefwaarde

2016

Realisatie

2016

Percentage gevalideerde grote ondernemingen voor horizontaal toezicht

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

85

81

Aantal MKB-ondernemingen onder een horizontaaltoezichtconvenant

87.000

89.000

109.000

112.600

75.000–100.000

143.000

Aantal behandelde aangiften IH (betreft Particulieren en MKB)

855.500

1.076.000

1.048.500

1.009.000

845.000–1.000.000

839.400

Aantal behandelde aangiften VpB

28.000

29.000

34.000

36.000

29.000–37.000

37.000

Aantal boekenonderzoeken

29.900

40.700

38.300

26.300

30.750–33.250

27.900

Percentage bezwaren ingediend na een correctie door de Belastingdienst

n.v.t.

n.v.t.

10

n.v.t.

8–12

8,6

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

Toelichting

Percentage gevalideerde grote ondernemingen voor horizontaal toezicht

Voor elke grote onderneming wordt beoordeeld of de onderneming in aanmerking komt voor horizontaal toezicht. Het streven om deze toets eind 2016 voor 85% van alle categorie 1- en 2-klanten van het segment Grote ondernemingen te hebben uitgevoerd is niet gerealiseerd. Door de uitstroom van personeel in het kader van de vertrekregeling, in combinatie met een reeds bestaande onderbezetting, was het niet mogelijk om deze doelstelling volledig te realiseren.

Aantal behandelde aangiften IH

Vanaf 2015 is de focus bij de aangiftebehandeling van IH verlegd naar posten met een groter fiscaal belang en risico. Deze aangiften kenmerken zich door een hogere tijdsbesteding. Het aantal behandelde aangiften IH is daardoor in geringe mate achtergebleven op de streefwaarde.

Aantal boekenonderzoeken

Vanaf 2015 is de focus bij boekenonderzoeken verlegd naar posten met een groter fiscaal belang en risico. Deze boekenonderzoeken kenmerken zich door een hogere tijdsbesteding en hogere opbrengst. Het aantal beoogde boekenonderzoeken is niet gerealiseerd. Met een gemiddelde bruto correctieopbrengst per boekenonderzoek in 2016 van € 36.455 is sprake van een stijging van circa € 5.500 ten opzichte van 2015.

Toeslagen

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Streefwaarde

2016

Realisatie

2016

Rechtmatige toekenning van toeslagen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

gerealiseerd

de score van fouten en onzekerheden ligt onder de rapporteringsgrens op artikelniveau

gerealiseerd

Aantal terug te betalen bedragen onder € 500 als percentage van het totale aantal terugbetalingen in een gegeven toeslagjaar

93,1

91,5

92,3

91,9

91

91,6

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

Toelichting

Terug te betalen bedragen zoveel mogelijk beperken

De Belastingdienst streeft er naar het ontstaan van terug te betalen bedragen bij het definitief toekennen zoveel mogelijk te beperken tot bedragen die inherent zijn aan de systematiek van de inkomensafhankelijke regelingen. De streefwaarde hiervoor is gerealiseerd (< € 500).14

Douane

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Streefwaarde

2016

Realisatie

2016

Controles op goederenstromen (aantal)

352.000

338.300

357.100

386.000

350.000–420.000

366.400

Gecertificeerde goederenstromen (percentage)

85

91

91

89

>90

88

Controles op passagiersvluchten (aantal)

13.100

13.600

14.7001

13.000

12.000–15.000

11.600

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

X Noot
1

Het cijfer was in het jaarverslag 2015 abusievelijk afgerond op 15.000 in plaats van afronding op honderdtallen.

Toelichting

Controles op goederenstromen

De aantallen controles zijn lager dan vorig jaar, maar vallen nog binnen de planning van de jaardoelstelling.

Gecertificeerde goederenstromen

De omvang van het gecertificeerde deel van de goederenstromen blijft iets achter bij de planning. Dit wordt veroorzaakt door een toename van het aantal aangiften afkomstig van niet-gecertificeerde bedrijven.

Controles op passagiersvluchten

De voortgang is vanaf het begin van het verslagjaar achtergebleven bij de doelstelling doordat in de zomer een deel van de capaciteit is ingezet voor bijstand van de Koninklijke Marechaussee (KMar). De capaciteit voor controles op passagiersvluchten heeft zich in het najaar iets hersteld, maar niet in de mate die was verwacht. Daarmee is de doelstelling van het aantal gecontroleerde vluchten niet gerealiseerd.

De aantallen correcties en processen-verbaal die voortvloeien uit de controles van de Douane zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Correcties en processen-verbaal VGEM (Veiligheid, Gezondheid, Economie en Milieu) en fiscaal

Prestatie-indicator (aantallen x 1.000)

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Correcties scan- en fysieke controles vracht

3,6

2,6

6,2

7,8

9

Correcties koeriers en postzendingen

14

15

14

6,5

10,8

Correcties passagiers

19

18

19

20

15

Correcties ambulante controles binnen/buitengrens

1,7

1,6

1,5

1,1

1,2

Correcties administratieve controles

0,6

0,5

0,7

0,7

0,7

Processen-verbaal

22

26

27

16

15

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

FIOD

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator (in %)

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Streefwaarde

2016

Realisatie

2016

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie

84

85

83

82

82–85

80

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

Toelichting

De keuze voor de te vervolgen zaken vindt plaats in het overleg tussen het Openbaar Ministerie (OM), de toezichthouders en de FIOD. In 2016 zijn 543 processen verbaal afgerond (2015: 466). Omdat de verwerking van processen-verbaal vaak enige tijd duurt, hebben nog niet al deze processen-verbaal in 2016 geleid tot een uitspraak. Het OM heeft in 2016 225 FIOD-zaken behandeld (2015: 190), waaronder zaken uit eerdere jaren. Van de 225 zaken zijn 45 zaken geseponeerd of hebben geleid tot vrijspraak. 180 zaken hebben wel tot een veroordeling geleid. Hieruit volgt het percentage van 80%, wat onder de streefwaarde is.

Invordering

Realisatie meetbare gegevens

Kengetal (in %)

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie

2015

Streefwaarde 2016

Realisatie 2016

Achterstand invordering

2,3

2,4

2,3

2,2

2,5–3,0

2,6

Betaling belastingen en premies op compliante wijze

 

98,2

98,3

98,4

98–99

98,4

Inning invorderingsposten binnen een jaar

 

57,0

58,5

57,0

55–65

57,2

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

Toelichting

De streefwaarden zijn gerealiseerd.

E.4. Belastingdienst – Massale processen

De Belastingdienst voert zijn massale processen efficiënt uit.

Doelbereiking

De doelstelling wordt afgemeten aan het aantal postzendingen zonder fouten. De doelstelling is gerealiseerd.

Realisatie meetbare gegevens

Kengetal (in %)

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie

2015

Streefwaarde 2016

Realisatie 2016

Postzendingen zonder fouten

100

99,3

99,9

100

>99

100

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

Toelichting

Op verschillende plaatsen in het ontvangstproces zijn maatregelen getroffen om er op toe te zien dat belastingplichtigen de juiste berichten en gegevens ontvangen. Grote stromen beschikkingen (aangiften, aanslagen, toeslagen) worden voor verzending systematisch gecontroleerd op juistheid, volledigheid en inhoudelijke (fiscale) kwaliteit. In 2016 zijn 11.385 partijen gecontroleerd. Deze partijen waren in totaal goed voor circa 148 miljoen poststukken.

Daarnaast wordt het aantal damages bijgehouden. Een damage is een verstoring in het primaire proces die leidt tot directe gevolgen voor burgers of bedrijven. Het aantal damages is ten opzichte van 2015 afgenomen (56 verstoringen in 2016 tegen 76 in 2015). Op de website van de Belastingdienst is een aparte pagina ingericht waarop direct de verstoringen worden gemeld, inclusief een instructie voor burgers en bedrijven hoe te handelen.

Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van het aantal belastingplichtigen en toeslaggerechtigden over de afgelopen jaren weer.

Volumeontwikkeling belastingplichtigen en toeslaggerechtigden

Kengetal (aantallen x 1.000)

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Belastingplichtigen IB/IH

8.003

7.845

7.847

8.003

8.268

Belastingplichtigen VpB

853

886

909

925

952

Inhoudingsplichtigen LB/LH

638

639

647

665

678

Belastingplichtigen OB

1.571

1.637

1.754

1.784

1.854

Toeslaggerechtigden

6.465

6.104

5.829

5.493

5.570

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

Toelichting

De cijfers tonen een groei van het aantal belastingplichtigen bij de vier grote belastingmiddelen aan, met name bij de IB/IH en de OB. Het volume van toeslaggerechtigden wisselt over de jaren en is in 2016 licht toegenomen.

Ingediende aangiften inkomstenbelasting

Kengetal (belastingjaar t-1; aantal x 1.000)

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Ontvangen aangiften:

10.968

11.148

11.282

11.503

11.705

waarvan digitaal

10.448

10.705

10.891

11.130

11.403

waarvan papier

520

443

391

373

302

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

Toelichting

Steeds meer belastingplichtigen kiezen voor de digitale aangifte. Dit heeft geleid tot een verdere daling van het aantal aangiften op papier.

Tijdige afhandeling aangiften

Kengetal (in %)

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Tijdigheid afhandelen aangiften IB

98,5

99,9

99,4

99,1

99,5

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

Toelichting

Als regel ontvangen degenen die vóór 1 april hun aangifte inkomstenbelasting doen, vóór 1 juli bericht van de Belastingdienst. De doelstelling voor het tijdig afhandelen van aangiften IB bedraagt 98–100% en is met 99,5% ruimschoots gerealiseerd.

4.2 Financiële markten

A. Algemene doelstelling

Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, waarin financiële instellingen betrouwbare diensten verlenen aan burgers en bedrijven.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën bevordert het goed functioneren van het financiële stelsel en heeft een regisserende rol. De Minister is verantwoordelijk voor de Nederlandse wetten en regels ten aanzien van de financiële markten en de institutionele structuur van het toezicht. Het daadwerkelijke toezicht op de financiële markten wordt uitgevoerd door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en sinds 4 november 2014 ook in belangrijke mate door de Europese Centrale Bank (ECB) voor het toezicht op grote en grensoverschrijdende Europese banken.

De randvoorwaarden die de Minister stelt voor een integer en stabiel systeem hebben hun basis in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Het gaat hierbij om (het toezicht op nakoming van) regelgeving die financiële instellingen stimuleert en verplicht om op integere en transparante wijze te werk te gaan. Met deze regelgeving en dit toezicht wordt eraan bijgedragen dat consumenten en bedrijven met voldoende informatie en vertrouwen financiële producten kunnen afnemen.

De Minister bevordert de educatie van de burger op financieel gebied, streeft naar een integer financieel stelsel met passende regelgeving in de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) en is verantwoordelijk voor de ongestoorde voorziening van voldoende munten in circulatie.

C. Beleidsconclusies

De verantwoordelijkheden op het terrein van de financiële markten zijn onder te verdelen in een aantal onderwerpen. Ten eerste de verantwoordelijk voor het bevorderen van de stabiliteit van de financiële markten in Nederland. De eerste helft van 2016 was Nederland voorzitter van de Raad van de Europese Unie, waardoor voor Nederland en de financiële stabiliteit belangrijke onderwerpen extra aandacht konden krijgen. Hierdoor zijn tijdens het voorzitterschap op het gebied van de bankenunie, kapitaalmarktunie en het actieplan tegen terrorismefinanciering stappen gezet. Voor wat betreft de bankenunie is een roadmap overeengekomen die deze stappen vastlegt om te komen tot de vervolmaking van de bankenunie.

Om wanordelijk falen van een verzekeraar te voorkomen is in overleg met DNB (beoogd afwikkelingsautoriteit) een nieuw wettelijk kader ontworpen voor de afwikkeling van verzekeraars, zodat indien een verzekeraar in de financiële problemen raakt, deze ordentelijk kan worden afgewikkeld, zonder al te grote gevolgen voor de financiële stabiliteit. Het wetsvoorstel daartoe is in de zomer openbaar geconsulteerd en op 23 december door de ministerraad aanvaard. Om ook in de toekomst over adequate regelgeving te beschikken is gestart met de verkenningsfase van het project Herziening van de Wft. Dit heeft ertoe geleid dat voor input voor de herziening van de Wft een document ter openbare consultatie op internet is gezet. Eenieder die zich daartoe geroepen voelt kan op het document reageren.

Ten aanzien van het beleid ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering is in 2016 verder gegaan met het ontwikkelen van een register met informatie over uiteindelijk belanghebbenden (Ultimate Benificial Owner, UBO). In antwoorden op schriftelijke vragen is in detail ingegaan op deze contouren (Kamerstukken II 2015–2016, 31 477, nr. 11). Nadat het UBO-register operationeel is, per 1 januari 2018, is duidelijk welke personen achter bepaalde vennootschappen zitten. Dit zal uiteindelijk bijdragen aan het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering. We kunnen concluderen dat Financiën op veel verschillende terreinen heeft bijgedragen aan de stabiliteit van de financiële markten.

Tot slot is het aan de Staat om erop toe te zien dat er voldoende munten voor circulatiedoeleinden beschikbaar zijn. Tot eind 2016 is de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) steeds betrokken geweest bij de vervaardiging van nieuwe munten. KNM raakte in financiële problemen door problemen met een buitenlandse order. Aan de onzekerheid rondom het voortbestaan van KNM is een einde gekomen vanwege de verkoop aan Groep Heylen. Om te blijven voldoen aan de verantwoordelijkheid dat er voldoende munten beschikbaar zijn, zijn de munttaken overgedragen aan DNB (Stb. 2016, 508).

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Financiële markten (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

Realisatie 2016

Vastgestelde begroting 2016

Verschil 2016

Verplichtingen

– 15.864.348

– 7.291.534

– 9.827.776

– 4.225.045

4.185.048

4.185.879

– 831

               

waarvan garantieverpichtingen

             

Garantie verhoging plafond kredietfaciliteit AFM

0

0

0

18.000

0

0

0

Garantieregeling bancaire leningen

– 15.932.477

– 7.349.358

– 9.892.984

0

0

0

0

Garantie WAKO

0

0

0

– 4.254.099

0

0

0

Garantie stichting Waarborgfonds

   

– 58

– 10

0

0

0

Garanie SRF

       

4.163.500

4.163.500

0

               

Uitgaven

71.169

60.866

58.451

17.286

18.834

22.379

– 3.545

               

Subsidies

1.467

2.870

4.584

6.324

436

4.363

– 3.927

Afwikkeling Geldmuseum en collectiebeheer

689

1.500

0

0

0

0

0

CDFD

778

1.370

4.584

6.324

436

4.363

– 3.927

               

Bekostiging

9.775

12.203

10.633

6.568

8.879

13.775

– 4.896

Rechtspraak financiële markten

687

1.092

988

1.119

1.163

1.250

– 87

Muntcirculatie

8.500

10.895

9.645

5.425

7.606

12.385

– 4.779

Afname munt in circulatie

0

0

0

0

0

0

0

Overig

588

216

0

24

110

140

– 30

               

Opdrachten

2.091

1.212

1.456

1.688

6.686

1.404

5.282

Wijzer in geldzaken

2.091

1.212

1.456

1.688

2.025

1.404

621

Vakbekwaamheid

0

0

0

0

4.661

0

4.661

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

57.432

44.201

41.358

2.306

2.073

2.437

– 364

Bijdrage BES-toezicht en FEC

57.432

44.201

41.358

2.306

2.073

2.437

– 364

               

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

403

380

420

400

760

400

360

Caribbean Financial Action Taskforce

23

0

40

20

0

20

– 20

IASB

380

380

380

380

760

380

380

               

Ontvangsten

586.778

362.270

814.597

80.674

56.555

10.311

46.244

               

Garanties

230.242

164.972

99.636

0

0

0

0

Feeopbrengsten garantieregeling bancaire leningen

230.242

164.972

99.636

0

0

0

0

               

Leningen

293.150

77.107

623.085

58.491

0

0

0

Ontvangsten voorfinanciering DNB (DGS)

2.285

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten (uit boedel) Icesave

290.865

77.107

623.085

58.491

0

0

0

               

Bekostiging

60.313

75.451

86.992

11.185

26.970

5.184

21.786

Ontvangsten muntwezen

1.767

10.937

3.288

4.698

10.576

5.184

5.392

Toename munten in circulatie

58.546

64.514

83.704

6.487

16.394

0

16.394

               

Overig

3.073

44.740

4.884

10.998

29.585

5.127

24.458

Overige programma-ontvangsten

3.073

44.740

4.884

10.998

29.585

5.127

24.458

Bij het opstellen van dit jaarverslag kon nog geen gebruik worden gemaakt van de definitieve, van een accountantsverklaring voorziene, jaarrekening van de KNM.

E. Toelichting op de instrumenten

Uitgaven (– € 3,5 miljoen)

Muntcirculatie (– € 4,9 miljoen)

Aangezien er minder munten zijn geslagen dan aanvankelijk was verondersteld, zijn de kosten lager uitgevallen.

WIG (+ € 0,6 miljoen)

Voor één van de projecten van Wijzer in geldzaken – te weten de Nationale onderwijs tentoonstelling – is een aantal activiteiten naar voren gehaald, waardoor de uitgaven in 2016 vallen in plaats van in 2017.

Bijdrage BES en FEC (– € 0,4 miljoen)

De AFM en DNB ontvangen jaarlijks een voorschot voor het toezicht op de BES-eilanden (Bonaire, St. Eustatius en Saba) en DNB ontvangt een bijdrage vanwege haar rol als tussenpersoon voor het FEC (Financieel Expertise Centrum). Indien deze voorschotten niet worden uitgeput, worden deze terugbetaald aan Financiën.

CFATF (– € 20.000)

In de begroting is voor de Caribbean Financial Action Task Force (CFATF) – een zusterorganisatie van de FATF (Financial Action Task Force) waar Nederland lid van is – een bijdrage gereserveerd ter hoogte van € 20.000. In 2016 is besloten deze bijdrage te verlagen naar € 10.000 waarbij de CFATF zelf met voorstellen dient te komen van geschikte projecten waarvoor zij financiering wenst. De gerealiseerde bijdrage aan de CFATF kan dus jaarlijks variëren, maar zal niet meer bedragen dan € 10.000. De factuur voor 2016 is in 2017 betaald.

IASB (+ € 0,4 miljoen)

Het International Accounting Standards Board (IASB) ontvangt jaarlijks € 380.000. In 2016 is niet alleen voor 2016 betaald, maar ook voor 2017. Dit leidt tot een overschrijding op deze post van € 380.000.

Ontvangsten (+ € 46,2 miljoen)

Ontvangsten muntwezen (+ € 5,4 miljoen)

Voornamelijk door de verkoop van ontwaarde munten zijn de ontvangsten van het muntwezen hoger uitgevallen dan aanvankelijk was voorzien.

Toename munten in circulatie (+ € 16,4 miljoen)

De toename van de munten in circulatie hangt samen met de conversie van de opgelopen vordering van de Staat op KNM. In juni 2016 is een groot deel van de vordering van het Ministerie van Financiën op de KNM geconverteerd naar eigen vermogen (€ 15,9 miljoen). Mede dankzij het normaliseren van het vermogen kon KNM een noodzakelijke verlenging van de bankgarantie voor de Chili-order bewerkstelligen. Tevens kan KNM daardoor ook weer nieuwe orders financieren. Daarmee was er een betere uitgangspositie gecreëerd voor de verkoop van KNM (Kamerstukken II 2015–2016, 28 165, nr. 255). Deze mutatie van de conversie hangt samen met de mutaties op beleidsartikelen 3 en 10.

Overig (+ € 24,5 miljoen)

Sinds 1 januari 2015 is in de wet neergelegd dat opbrengsten die zijn ontvangen uit verbeurde dwangsommen of opgelegde bestuurlijke boetes, opgelegd door de toezichthouders op de financiële sector (AFM en DNB) – voor zover deze het bedrag van € 2,5 miljoen per toezichthouder overschrijden – toekomen aan de Staat. Deze opbrengsten worden na sluiting van het boekjaar afgedragen.

4.3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

A. Algemene doelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij het investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën stimuleert en regisseert een verantwoorde en doelmatige besteding van overheidsmiddelen. Bedrijfseconomische expertise wordt ingezet bij staatsdeelnemingen, politiek belangrijke investeringsprojecten en transacties van de rijksoverheid en publiek-private investeringen in Nederland. De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor:

  • een optimaal financieel resultaat bij het beheren, aangaan en afstoten van staatsdeelnemingen met inachtneming van de betrokken publieke belangen;

  • het toetsen en adviseren op bedrijfseconomische doelmatigheid bij het realiseren van grote publieke investeringsprojecten, zodat vakdepartementen hun projecten binnen het budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit kunnen realiseren. Voorbeelden van deze projecten zijn DBFM(O)-projecten, bedrijfsvoerings- en duurzaamheidsprojecten, en veilingen waarbij exclusieve rechten in de markt worden gezet;

  • het overkoepelende DBFM(O)-beleid en de regie van het systeem dat ervoor moet zorgen dat DBFM(O) in Nederland structureel goed verankerd is en toegepast wordt;

  • het beheren en afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde financiële instellingen. In dit kader is de Minister van Financiën verantwoordelijk voor zwaarwegende en/of principiële beslissingen (onder andere de exitstrategie en het beloningsbeleid) van, alsmede het houden van toezicht op NLFI;

De Minister beoogt jaarlijks de effecten van zijn aandeelhouderschap in de reguliere staatsdeelnemingen te meten. Daartoe waren in de begroting twee meetbare indicatoren/streefwaarden opgenomen. In de onderstaande tabel is de realisatie van 2016 afgezet tegen de streefwaarde zoals deze in de begroting van 2016 is opgenomen.

Realisatie meetbare gegevens

Kengetal1 (in %)

Realisatie 2015

Streefwaarde 2016

Realisatie 2016

1.

% deelnemingen waarvan nieuwe statuten en investeringsdrempel zijn vastgesteld

71

(n=7)

100

71

(n=7)

2.

% deelnemingen waar een specifieke minimum rendementseis is vastgesteld

81

(n=16)

100

81

(n=16)

X Noot
1

Deelnemingen waarop de Staat als aandeelhouder beperkte invloed heeft (minderheidsbelang) of de statuten reeds voldoende waarborgen kende, zijn bij de indicator buiten beschouwing gelaten (kengetal 1) of meegeteld als voldaan (kengetal 2).

De Staat heeft een algemene standaard ontwikkeld voor de statuten van staatsdeelnemingen welke in de afgelopen jaren is doorgevoerd bij de deelnemingen. Deze standaard geeft de aandeelhouder de bevoegdheden die nodig zijn om zijn doelstellingen te bereiken, zoals die zijn vastgelegd in de nota deelnemingenbeleid. Met alle deelnemingen waar aanpassing van de statuten nodig dan wel mogelijk was, is inmiddels overeenstemming bereikt over de wijzigingen die nodig zijn om te voldoen aan de algemene standaard. Bij Holland Casino (in afwachting van de transformatie naar een kapitaalvennootschap) en Schiphol (in afwachting van een beoordeling van een bestendiging van het predicaat «Koninklijk») moeten die gewijzigde statuten alleen nog worden vastgesteld. In 2017 wordt dus een 100%-score verwacht.

Om de financiële waarde van staatsdeelnemingen voor de toekomst te behouden beoordeelt de Staat actief het rendement dat iedere staatsdeelneming maakt. Daartoe is in 2014 gestart om voor elke staatsdeelneming individueel een rendementseis vast te stellen. Dat is een rendementseis die gegeven het risicoprofiel van die deelneming nodig is voor financieel waardebehoud en continuïteit van de onderneming. De voortgang van de implementatie hiervan wordt met kengetal 2 gemeten. De streefwaarde is niet gehaald omdat bij de Staatsloterij eerst de fusie afgerond moest zijn en Holland Casino en Urenco (mogelijk) verkocht zouden worden.

C. Beleidsconclusies

Deelnemingen

In oktober 2013 heeft de Minister van Financiën zijn Nota deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013 gepresenteerd. In 2016 is er verder gewerkt aan het afronden van de implementatie van dit beleid, waaronder het vaststellen van statuten en een rendementseis. Er zijn daarnaast in totaal vierentwintig investeringsvoorstellen beoordeeld aan de hand van het opgestelde investeringskader, waarvan er slechts één geen goedkeuring van de aandeelhouder heeft ontvangen. Verder heeft de Staat in 2016 ingestemd met de benoeming van twaalf commissarissen en acht bestuurders bij staatsdeelnemingen. Per eind 2016 voldoet 83% van de raden van commissarissen van staatdeelnemingen aan het streven naar 30% vrouwen, waar dit eind 2015 nog 77% was. Daarnaast is in 2016 het bezoldigingsbeleid van BNG Bank, FMO (Nederlandse FinancieringsMaatschappij voor Ontwikkelingslanden), SENS (Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij), UCN (Ultra-Centrifuge Nederland) en COVRA (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) herzien. Deze herzieningen hebben als gevolg dat er vanaf 2017 geen enkele bestuurder meer is die meer dan 20% variabele beloning ontvangt.

Door invulling te geven aan al deze onderdelen van het deelnemingenbeleid heeft de Staat als aandeelhouder een goede bijdrage geleverd aan de borging van publieke belangen op korte en lange termijn. De inspanningen van de Staat dragen ook bij aan goed ondernemingsbestuur bij de ondernemingen. Wij kijken terug op een succesvol jaar waarin het staatsdeelnemingenbeleid verder is verdiept en zichtbare resultaten zijn geboekt op de doelstellingen. In het Jaarverslag beheer staatsdeelnemingen 2016 rapporteert de Staat uitgebreid over de prestaties van de staatsdeelnemingen.

Naast de implementatie van de Nota deelnemingenbeleid heeft er in 2016 een aantal wijzigingen plaatsgevonden in de deelnemingenportefeuille. Ten eerste is op 1 april 2016 de Nederlandse Loterij ontstaan uit een fusie van Staatsloterij met De Lotto. Dit nieuwe fusiebedrijf is nu de grootste aanbieder van loterijen in Nederland. Daarnaast is in november de KNM verkocht aan Groep Heylen. Onder deze nieuwe eigenaar kan KNM weer werken aan een financieel gezonde toekomst. Tot slot is ook de portefeuille financiële deelnemingen fors gereduceerd. Dit past in het beleid dat is gericht op een afgewogen, zakelijk verantwoorde exit uit de financiële deelnemingen en op de ondernemingsstrategie die deze exit mogelijk moet maken. In 2016 is a.s.r. naar de beurs gebracht, Propertize verkocht, een 2e tranche van ABN Amro verkocht en heeft het kabinet een toekomstvisie op SNS gepresenteerd.

Publiek-private investeringen

Uit de beleidsdoorlichting voor de periode 2010–2015 blijkt dat Financiën succesvol is geweest bij het bevorderen van een efficiënte overheid. Ook in 2016 heeft de Minister van Financiën ingezet op het bevorderen van een efficiënte overheid. Het SGO-project «Governance en sourcing» is afgerond en heeft geleid tot een verbeterde aansturing van de generieke bedrijfsvoering en meer grip op kosten en kwaliteit. Ook is er toezicht gehouden op en expertise geleverd bij diverse financieringsvraagstukken, waaronder het voorstel voor de oprichting van de investeringsinstelling Invest-NL, de financiële zekerheidstelling voor de ontmanteling van kerncentrales, Delta/EPZ (ElektriciteitsProduktiemaatschappij Zuid-Nederland) en de scenario’s voor het uitfaseren van de kolencentrales in Nederland. Ten derde is er een seminar gehouden met als thema «Succesvolle overheidsprojecten» waarbij opdrachtgevers en uitvoerders van grote overheidsprojecten kennis en ervaringen gedeeld hebben. Verder heeft Financiën op het gebied van DBFM(O) samen met vakdepartementen en concerndienstverleners het contractmanagement verder ingevuld en betere sturing van op de kwaliteit mogelijk gemaakt.

D. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

Realisatie 2016

Vastgestelde begroting 2016

Verschil 2016

Verplichtingen

68.581

13.595.835

– 1.435.070

1.760.839

223.513

19.401

204.112

Waarvan betalingsverplichting:

       

3.400.941

0

3.400.941

Kapitaalinjectie Tennet

       

780.000

0

780.000

               

Waarvan garantieverplichting:

       

– 3.177.428

0

– 3.177.428

Regeling BF

– 1.600

– 387

0

0

0

0

0

Garantie Counter indemnity

0

0

– 950.000

0

0

0

0

Garanties en vrijwaringen staatsdeelnemingen

– 13.000

– 13.025

– 2.010

0

– 554.328

0

– 554.328

Garantie DNB-winstafdracht

 

5.700.000

0

0

0

0

0

Garantie SNS Propertize

 

4.166.410

– 566.410

– 976.900

– 2.623.100

0

– 2.623.100

               

Uitgaven

2.993.758

8.674.220

2.805.899

1.137.790

2.615.449

19.401

2.596.048

               

Vermogensverschaffing

300.000

2.700.000

0

0

15.900

0

15.900

Kapitaalstorting Tennet

300.000

0

0

0

0

0

0

Kapitaalinjectie SNS REAAL

 

2.200.000

0

0

0

0

0

Kapitaalinjectie Propertize

 

500.000

0

0

0

0

0

Conversie schuld KNM

       

15.900

0

15.900

               

Bijdrage aan RWT

5.250

5.250

17.100

17.920

24.729

10.000

14.729

NLFI (voorheen STAK)

5.250

5.250

17.100

17.920

24.729

10.000

14.729

               

Garantie

4.800

5.381

4.806

4.836

4.824

4.900

– 76

Regeling BF

0

6

6

0

24

100

– 76

Dotatie begrotingsreserve TenneT

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

0

Uitbetalingen garanties en vrijwaringen

 

575

0

0

0

0

0

Overig

     

36

0

0

0

               

Lening

2.677.577

5.953.378

2.778.719

0

2.386.461

0

2.386.461

Overgenomen schuld Propertize

       

2.386.461

0

2.386.461

Management fee IABF

33.206

26.457

272

0

0

0

0

Funding fee IABF

2.644.371

4.807.961

2.778.201

0

0

0

0

Incidentele uitgaven IABF

 

18.960

246

0

0

0

0

Overbruggingskrediet SNS

 

1.100.000

0

0

0

0

0

               

Acquisitie

     

1.101.950

0

0

0

Aankoop SNS Bank

     

1.101.950

0

0

0

               

Opdrachten

6.131

10.211

5.274

13.084

5.716

4.501

1.215

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

6.131

10.211

5.274

13.084

5.716

4.501

1.215

               

Vermogensonttrekking

       

177.819

0

177.819

Afdrachten Staatsloterij

       

177.819

0

177.819

               

Ontvangsten

5.131.796

9.603.301

8.858.957

7.518.712

7.921.995

1.881.850

6.040.145

               

Vermogensonttrekking

1.295.785

3.580.406

2.311.287

6.375.036

5.531.581

1.860.000

3.671.581

Opbrengst verkoop vermogenstitels

38

131.965

4.111

3.838.194

3.264.213

0

3.264.213

Dividend en afdrachten staatsdeelnemingen

533.812

1.178.186

1.188.537

1.633.590

1.915.857

1.195.000

720.857

Afdrachten Staatsloterij

       

177.819

0

177.819

Winstuitkering DNB

749.494

1.974.773

1.118.639

903.252

173.692

665.000

– 491.308

waarvan Griekse inkomsten ANFA

 

43.882

27.427

35.000

46.899

44.000

2.899

waarvan Griekse inkomsten SMP

 

163.852

134.897

98.000

70.402

67.000

3.402

Opbrengst onttrekking vermogenstitels

12.441

0

0

0

0

0

0

Rijksbijdrage landwinning Havenbedrijf Rotterdam

0

295.482

0

0

0

0

0

               

Bijdrage aan RWT

2.419

4.134

15.417

16.276

20.902

9.250

11.652

NLFI

2.419

4.134

15.417

16.276

20.902

9.250

11.652

               

Leningen

3.802.577

5.985.276

6.503.836

1.111.533

2.355.822

0

2.355.822

Overgenomen schuld Propertize

       

2.355.822

0

2.355.822

Verwachte portefeuille ontvangsten IABF

2.433.653

4.275.292

4.231.221

0

0

0

0

Garantie Fee IABF

73.054

58.205

0

0

0

0

0

Additionele fee IABF

46.350

35.319

1.229

0

0

0

0

Additionele garantie fee IABF

109.713

87.413

163

0

0

0

0

Verhandelbaarheidsfee

14.807

17.659

615

0

0

0

0

Incidentele ontvangst IABF

 

379.490

0

0

0

0

0

Overbruggingskrediet SNS

     

1.100.000

0

0

0

Rente SNS krediet

 

6.898

20.608

11.533

0

0

0

Aflossing kapitaalverstrekkingen ING, Aegon en SNS Reaal

750.000

750.000

1.500.000

0

0

0

0

Couponbetaling en/of boetebetaling kapitaalversterking ING, Aegon en SNS Reaal

375.000

375.000

750.000

0

0

0

0

               

Garantie

30.565

30.633

20.129

15.365

13.515

12.600

915

Garantie overig

210

278

916

924

915

0

915

Premie-ontvangsten garantie TenneT

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

0

Premie-inkomsten Counter indemnity

25.555

25.555

12.493

0

0

0

0

Garantie fee Propertize

   

1.920

9.641

7.800

7.800

0

               

Opdrachten

450

2.852

8.288

502

175

0

175

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

450

2.852

8.288

502

175

0

175

Bij het opstellen van dit jaarverslag kon nog geen gebruik worden gemaakt van de definitieve, van een accountantsverklaring voorziene, jaarrekeningen van NIBC.

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen (+ € 204,1 miljoen)

Kapitaalinjectie TenneT (+ € 780 miljoen)

Op 25 november 2016 is de kapitaaluitbreiding TenneT in een contract geformaliseerd. Dit leidt tot een betalingsverplichting van de volledige kapitaaluitbreiding in 2016.

Garanties en vrijwaringen staatsdeelnemingen (– € 554,3 miljoen)

De garantie aan Eurofima is in 2016 fors afgenomen (– € 389,5 miljoen) als gevolg van aanzienlijke aflossingen door de NS op de leningen. Daarnaast is de garantie aan de provincie Zeeland in het kader van de Westerscheldetunnel (– € 167,4 miljoen) komen te vervallen. Tot slot is er bij de verkoop van KNM een garantie van maximaal € 2,7 miljoen afgegeven aan de kopende partij.

Garantie SNS Propertize (– € 2,6 miljard)

Als gevolg van de verkoop van SNS Propertize is de garantie komen te vervallen.

Uitgaven (+ € 2,6 miljard)

Conversie schuld KNM (+ € 15,9 miljoen)

Door twee forse verliesjaren bij KNM (2014 en 2015) is een negatieve vermogenspositie ontstaan. De conversie van € 15,9 miljoen op de vordering van de lening bij het Ministerie van Financiën was onvermijdelijk en gaf een betere uitgangspositie voor de verkoop van KNM. KNM is in november 2016 verkocht, waaruit het resterende deel van de vordering is afgelost.

NLFI (+ € 14,7 miljoen)

De kosten zijn hoger uitgevallen door de verkoop van SNS Propertize, de beursgang van a.s.r. en de vervolgplaatsing van aandelen ABN AMRO. Omdat deze kosten grotendeels worden doorberekend aan de financiële deelnemingen zijn ook de ontvangsten hoger dan geraamd.

Overgenomen schuld Propertize (+ € 2,4 miljard)

Bij de verkoop van Propertize heeft de Staat de staatsgegarandeerde schuld van € 2,36 miljard van Propertize overgenomen. De netto contante waarde van deze schuld bedroeg op de dag van de verkoop € 2,39 miljard en dit bedrag is daarom overgedragen aan het Agentschap voor verdere afhandeling.

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (+ € 1,2 miljoen)

Vanwege de kosten die samenhangen met procedures rondom de onteigening van SNS Reaal vallen de uitvoeringskosten in 2016 hoger uit dan begroot.

Afdrachten Staatsloterij (+ € 177,8 miljoen)

Om te voldoen aan de Wet op de kansspelen wordt in de begroting en verantwoording een technische post opgenomen bij zowel de uitgaven als de ontvangsten (beide € 101,5 miljoen) ter hoogte van de afdrachten van de Staatsloterij. Daarnaast is er eveneens bij zowel uitgaven als ontvangsten een niet-geldelijke post opgenomen van € 76,4 miljoen in verband met de overdracht van eigen vermogen van de Staatsloterij naar de nieuwe fusieorganisatie Nederlandse Loterij.

Ontvangsten (+ € 6,0 miljard)

Opbrengst verkoop vermogenstitels (+ € 3,3 miljard)

Deze post betreft met name de opbrengsten van de verkoop van Propertize (€ 873 miljoen), de beursgang van a.s.r. (€ 1,07 miljard) en de vervolgplaatsing van aandelen ABN AMRO (€ 1,33 miljard). Daarnaast zijn er ook nog kleinere bedragen ontvangen rondom de verkoop van KNM (€ 0,7 miljoen) en de afhandeling van Kliq (€ 0,1 miljoen).

Dividenden en afdrachten staatsdeelnemingen (+ € 720,9 miljoen)

De realisatie is hoger dan geraamd vanwege meevallers in de resultaten van met name TenneT, Gasunie en de financiële deelnemingen. Daarnaast hebben ingecalculeerde risico’s zich niet voorgedaan, wat ook leidt tot een hogere dividendrealisatie.

Afdrachten Staatsloterij (+ € 177,8 miljoen)

Zie de post Uitgaven: afdrachten staatsloterij.

Winstuitkering DNB (– € 491,3 miljoen)

Vanwege de voorziening die DNB opbouwt in reactie op de toegenomen financiële risico’s als gevolg van QE (Quantitative Easing), is de winstafdracht in 2016 fors lager dan geraamd15.

NLFI (+ € 11,7 miljoen)

Zie de post uitgaven: NLFI.

Overgenomen schuld Propertize (+ € 2,4 miljard)

Zie de post Uitgaven: overgenomen schuld Propertize.

4.4 Internationale financiële betrekkingen

A. Algemene doelstelling

Een bijdrage leveren aan een financieel gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Nederlandse economie wordt door zijn openheid en relatief beperkte grootte sterk beïnvloed door internationale financieel-economische ontwikkelingen waaronder ontwikkelingen in de lidstaten van de EU. Verreweg het grootste deel van de Nederlandse export en import gaat naar of komt uit andere Europese landen. Een sterke Europese economie heeft daarmee een directe weerslag op de Nederlandse economie. Mede om die reden is Nederland gebaat bij een gezonde financieel-economische ontwikkeling en een stabiele budgettaire en monetaire ontwikkeling in de EU en haar lidstaten, waarbij ook de financiële stabiliteit binnen de eurozone gewaarborgd is.

De Minister van Financiën speelt op dit gebied een regisserende rol in Nederland en maakt daarbij gebruik van een aantal instrumenten. In de eerste plaats neemt de Minister actief deel aan internationale overleggen (onder andere de Ecofin (Economic and Financial Affairs) raad en de Eurogroep) ter bevordering van de begrotingsdiscipline van de lidstaten van de EU en een stabiele macro-economische omgeving in de eurozone. In de eerste helft van 2016 zat de Minister van Financiën de Ecofinraad voor, aangezien Nederland voorzitter was van de Raad van de Europese Unie. Daarnaast heeft de Minister in zijn rol als voorzitter van de Eurogroep, de functie die hij sinds januari 2013 bekleedt, de mogelijkheid om uitvoering te geven aan de gezamenlijke Europese inzet.

Verder neemt de Minister van Financiën besluiten over het Nederlandse oordeel over aanvragen voor het European Exchange Rate Mechanism (ERM) II en over toetreding van nieuwe landen tot de eurozone. Tevens draagt de Minister van Financiën het Nederlandse standpunt over de EU-begroting uit. De Minister ziet er op toe dat deze EU-begroting volgens de afspraken van het Meerjarig financieel kader (2014–2020) wordt vormgegeven.

In internationaal verband zijn maatregelen getroffen om de wereldeconomie minder gevoelig te maken voor financieel-economische crises en te zorgen dat de gevolgen, mocht een dergelijke crisis toch plaatsvinden, zo beperkt mogelijk blijven. De Minister van Financiën draagt bij aan het beheer van stabilisatiemechanismen zoals de European Financial Stability Facility (EFSF) en het European Stability Mechanism (ESM) ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit in de eurozone.

Internationale financiële instellingen beïnvloeden economische ontwikkelingen in hun rol bij het financieel-economische beleidstoezicht enerzijds en als financieel vangnet in geval van een crisis anderzijds. Goed beleid van deze instellingen draagt daarom bij aan een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling en de ontwikkeling van lage- en middeninkomenlanden. De Minister draagt hieraan bij door toezicht te houden op de uitvoering van de taken van de Internationale Financiële Instellingen (IFI’s) en hun financiële soliditeit. Daarnaast levert de inbreng van de Minister bij discussies in internationale fora en de verschillende IFI’s een bijdrage aan de beïnvloeding van de internationale beleidsdiscussie en beleidsrespons, naast de directe invloed die de Minister heeft op het beleid via de verschillende raden van Europese instellingen en IFI’s.

C. Beleidsconclusies

In 2016 heeft Nederland zich bij de IFI’s ingezet voor het vergroten van de effectiviteit en efficiëntie, en heeft Nederland door samen op te trekken met gelijkgezinde landen en actieve betrokkenheid bij discussies kunnen bijdragen aan verbeteringen.

Zo heeft Nederland bij de 18e middelenaanvulling van IDA (International Development Association), het financieringsloket voor lage inkomenslanden van de Wereldbank, ingezet op het innovatief en efficiënter gebruik maken van de financiële bijdragen van donoren. Nederland heeft zich er samen met andere donoren succesvol sterk voor gemaakt dat IDA vanaf 2017 voor het eerst obligaties uitgeeft op de kapitaalmarkt op basis van de nieuw verkregen triple A-rating. Door deze transformatie kan de ontwikkelingsimpact van elke ingelegde donor-euro sterk worden vergroot. Nederland vindt het van belang dat de Wereldbank een leidende positie blijft spelen en voor alle landen een relevante ontwikkelingspartner blijft. Door tijdens de discussies rondom de nieuwe Wereldbank-strategie tot aan 2030 niet alleen aandacht te hebben voor de thematische focus van de Wereldbank, maar ook in te zetten op maatregelen die de Wereldbank slagvaardiger maken, heeft Nederland relatief veel invloed op de uitkomst uitgeoefend.

In het eerste operationele jaar van de AIIB heeft Nederland – mede door het vervullen van de rol van plaatsvervangend bewindvoerder – voor de Eurogroep-kiesgroep een belangrijke rol kunnen vervullen bij de vaststelling en nadere uitwerking van het belangrijkste beleid en de financiering van de eerste projecten. Door efficiënte afstemming binnen de eigen kiesgroep, en met andere gelijkgezinde kiesgroepen, heeft Nederland onder meer haar stempel kunnen drukken op de door de AIIB gehanteerde sociale en milieustandaarden, een solide governance-systeem en een zo sterk mogelijke focus op duurzame energie.

In 2016 hebben de EU-lidstaten een akkoord bereikt over een raadpositie om het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI), dat wordt uitgevoerd door de EIB, te verlengen tot eind 2020 en te vergroten tot € 500 miljard mobilisatie. Nederland heeft zich bij de besluitvorming over deze verlenging ingezet voor een grondige evaluatie van het EFSI nu en in de toekomst, meer focus op additionaliteit zodat de EFSI-middelen effectief worden ingezet en extra aandacht voor het wegnemen van investeringsbelemmeringen.

In 2016 zijn verdere stappen gezet om de Europese economische beleidscoördinatie te versterken. Nederland heeft aangedrongen op stroomlijning en versterking van het Europees semester. Het feit dat de aanbevelingen voor de eurozone nu aan het begin van het semester worden vastgesteld past in deze ambitie van het kabinet. Daarnaast is er onder het Nederlandse EU-voorzitterschap tijdens de Ecofinraad een discussie gevoerd over de implementatie van landenspecifieke aanbevelingen. Ook heeft Nederland tijdens de informele Ecofinraad een bespreking over versimpeling van het Stabiliteits- en groeipact geagendeerd.

Cyprus heeft in maart 2016 het ESM-programma beëindigd. Griekenland rondde in 2016 de eerste voortgangsmissie van het ESM-programma af. De Eurogroep kwam in mei tot afspraken over mogelijke schuldmaatregelen. Implementatie van een aantal maatregelen voor de korte termijn werd in december goedgekeurd. Aan het einde van het programma, in 2018, zal worden bekeken of de overige mogelijke schuldmaatregelen noodzakelijk zijn.

In de brede agenda van de Ecofin zijn er tijdens het actieve Nederlandse voorzitterschap doorbraken bereikt op het terrein van belastingontwijking en de bankenunie. Tegelijkertijd is er goede voortgang gemaakt op het gebied van de kapitaalmarktunie, de EU-begroting en maatregelen tegen terrorismefinanciering.

In 2016 heeft de Minister samen met de Minister van Buitenlandse Zaken een voorzitterschapsconferentie over de toekomst van het Meerjarig financieel kader georganiseerd. Hiermee heeft de Minister de eerste stap gezet naar hervorming van dit kader. Daarnaast heeft de Minister voorstellen gepresenteerd voor een transparantere EU-begrotingssystematiek en beter voorspelbare EU-afdrachten. Dit heeft onder meer geleid tot verbeterde afspraken over de jaarlijkse nacalculatie en tot minder aanvullende begrotingen. De tussentijdse evaluatie van het Meerjarig financieel kader, die de Europese Commissie in 2016 presenteerde, is echter nog niet volledig afgerond. Als laatste heeft de Europese begroting zich binnen de afspraken van het Meerjarig financieel kader ontwikkeld.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 4 Internationale financiële betrekkingen (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

Realisatie 2016

Vastgestelde begroting 2016

Verschil 2016

Verplichtingen

38.336.697

– 49.193.450

3.649.277

3.729.791

– 33.540.633

268.782

– 33.809.415

Waarvan betalingsverplichtingen

3.585.959

139.000

787.228

195.028

12.218

86.941

– 74.723

EIB

448.222

0

0

0

0

0

0

Lening Griekenland

– 1.505.643

0

0

0

0

0

0

Kapitaal ESM

4.573.600

0

0

0

0

0

0

Kapitaal AIIB

     

189.492

5.562

0

5.562

               

Waarvan garantieverplichtingen:

34.750.738

– 49.332.450

2.862.049

3.534.763

– 33.552.851

181.841

– 33.734.692

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

120.110

26.588

725.439

447.175

466.850

181.841

285.009

Garantie aan DNB inzake IMF en BIS

– 825.772

– 1.140.268

2.158.610

2.258.303

– 18.563.822

0

– 18.563.822

Kredieten EU-betalingssteun

5.000

– 35.000

– 10.000

32.500

2.500

0

2.500

EFSM

6.000

– 42.000

– 12.000

39.000

3.000

0

3.000

EFSF

0

– 48.141.770

0

0

– 15.486.252

0

– 15.486.252

ESM

35.445.400

0

0

0

0

0

0

Garantie AIIB

     

757.785

24.873

0

24.873

               

Uitgaven

2.005.213

2.599.623

1.093.524

356.416

597.440

439.981

157.459

               

Deelneming multilaterale (ontwikkelings) banken en fondsen

             

Deelnemingen multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

158.227

631.183

52.864

355.313

518.329

280.031

238.298

EFSF

0

0

0

0

0

0

0

ESM

1.829.440

1.829.440

914.720

0

0

0

0

Deelname AIIB

       

77.688

73.009

4.679

Uitkering rente aan Griekenland

13.000

139.000

125.000

0

0

85.265

– 85.265

               

Leningen

             

Lening Griekenland

4.546

0

0

0

0

0

0

               

Opdrachten

             

TA kiesgroeplanden

   

940

1.103

1.423

1.676

– 253

               

Ontvangsten

50.131

34.336

19.969

18.702

10.053

22.992

– 12.939

               

Deelneming multilaterale (ontwikkelings) banken en fondsen

             

Ontvangsten IFI's

9.454

8.630

5.951

5.385

4.620

672

3.948

               

Lening

             

Rente en servicefee ontvangsten lening Griekenland

40.677

25.706

14.018

13.317

5.433

22.320

– 16.887

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Deelnemingen multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen (+ € 285 miljoen)

De aanpassing van deze garantieverplichting wordt voornamelijk veroorzaakt door de wisselkoersaanpassing van de garanties afgegeven aan de Wereldbank en omdat door de aankoop van Wereldbank-aandelen (paid-in-kapitaal) ook de garantie ten aanzien van de Wereldbank stijgt (oproepbaar kapitaal), de totale Wereldbankgarantie stijgt € 586,8 miljoen. Daarnaast is de wijze gewijzigd waarop een garantie de EU-lidstaten (waaronder Nederland) afgeven aan de EIB ten aanzien van de politieke en soevereine risico’s die de EIB loopt bij haar activiteiten in de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen), alsmede de Europese Landen en Gebieden Overzee (LGO). Afgelopen jaar is het garantieplafond in het jaarverslag opgenomen, omdat afhankelijk van het exacte bedrag dat de EIB in deze landen heeft geïnvesteerd, deze garantie wijzigt. Vanaf dit jaar is besloten om alleen de uitstaande leningen op 31 december als basis voor de Nederlandse garantieverplichting te nemen, omdat op deze wijze exact wordt aangegeven hoeveel risico de EIB liep op 31 december en voor welk bedrag Nederland garant stond. Dit bedrag is € 121 miljoen lager dan het garantieplafond. Het netto resultaat is een garantieverhoging van circa € 466,9 miljoen.

Garantie aan DNB inzake IMF (– € 18,6 miljard)

In januari 2016 zijn de in 2010 overeengekomen quota- en governancehervormingen formeel in werking getreden. Als gevolg hiervan is de totale garantie van de Staat aan DNB inzake het IMF afgebouwd met SDR 4,45 miljard (circa € 5,67 miljard). Daarnaast heeft het IMF verzocht om middelen voor het PRGT, de speciale faciliteit die het IMF beheert die ter beschikking staat aan lage-inkomenslanden. Deze leningen staan los van de overige IMF-middelen in een niet-revolverend fonds. Om de komende jaren voldoende middelen ter beschikking te kunnen blijven stellen voor PRGT-programma’s heeft het IMF hiervoor nieuwe middelen nodig. Om dit mogelijk te maken heeft de Nederlandse Staat een nieuwe garantie van SDR 500 miljoen (circa € 638 miljoen) verstrekt aan DNB voor een Nederlandse bilaterale lening aan de PRGT. Daarnaast is de bilaterale lening aan het IMF van € 13,6 miljard verlopen en wordt op dit moment gesproken over een nieuwe bilaterale lening die hiervoor in de plaats zou komen. Tot slot was er sprake van wisselkoersfluctuaties (circa € 100 miljoen).

Garante AIIB (+ € 24,9 miljoen)

Als gevolg van wisselkoersfluctuaties is de garantie aan de AIIB verhoogd.

EU-betalingsbalanssteun (+ € 2,5 miljoen)

Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is de bestaande garantieverplichting bijgesteld.

EFSM (+ € 3,0 miljoen)

Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is de bestaande garantieverplichting bijgesteld.

EFSF (– € 15,5 miljard)

Het garantieplafond voor het EFSF is met € 15,5 miljard naar beneden bijgesteld. In 2013 is op basis van toenmalige inschattingen van de uiteindelijke omvang van de toen nog lopende EFSF-programma’s voor Ierland, Portugal en Griekenland een garantieplafond van € 49,6 miljard voor het EFSF vastgesteld. Naar aanleiding van het beëindigen van deze programma’s is het garantieplafond opnieuw bekeken. Het nu vastgestelde garantieplafond is gebaseerd op een maximale schulduitgifte door het EFSF van € 241 miljard, de hoogte van het Guaranteed debt issuance programme. Naast de hoofdsom van EFSF-schuldbewijzen worden ook couponbetalingen gegarandeerd, de zogenaamde rentegarantie. In eerdere berekeningen werd de rentegarantie berekend op basis van de looptijd van de door het EFSF verstrekte leningen. Bij de huidige herziening van het plafond is deze rentegarantie, conform de wijze waarop de garanties verstrekt worden, gebaseerd op de looptijd van de door het EFSF aangetrokken financiering.

Uitgaven

Uitkeringen aan Griekenland (– € 85,3 miljoen)

Onderdeel van het tweede leningenprogramma voor Griekenland was dat de inkomsten van de nationale centrale banken uit de Griekse staatsobligaties (Securities Market Programme, SMP en de Agreement on Net Financial Assets, ANFA), die niet zijn meegenomen in de obligatieomruil van februari 2012, werden doorgegeven aan Griekenland. Het tweede leningenprogramma liep op 30 juni 2015 af en daarmee was deze afspraak komen te vervallen. In 2015 en 2016 hebben er geen uitkeringen plaatsgevonden. Onderdeel van het derde steunprogramma, waar de Raad van Gouverneurs van het ESM op 19 augustus 2015 definitief mee heeft ingestemd, was wel dat de Eurogroep, indien nodig, klaar staat om aanvullende maatregelen te overwegen om de bruto financieringsbehoefte van Griekenland op een houdbaar niveau te houden. Op 24 mei 2016 is de Eurogroep een pakket schuldmaatregelen overeengekomen. Een van de afspraken is dat vanaf het begrotingsjaar 2017 de toekomstige SMP- en ANFA-winsten, conform de afspraak uit het tweede leningenprogramma, weer kunnen worden doorgegeven aan Griekenland.

Deelnemingen multilaterale ontwikkelingsbanken en fondsen (+ € 238,3 miljoen)

Om het uitgavenkader in 2017 te ontlasten is er voor gekozen om circa € 235 miljoen van de voor 2017 geplande IDA-betalingen naar 2016 te verschuiven, daarnaast is de aankoop van Wereldbank-aandelen iets duurder uitgevallen omdat de realisatie van de dollarkoers hoger was dan de origineel gebruikte ramingskoers.

Ontvangsten

Rente-ontvangsten Griekenland (– € 16,9 miljoen)

Door een lagere rente dan tijdens het opstellen van de begroting werd verwacht, zijn de ontvangsten op de bilaterale leningen aan Griekenland lager uitgevallen.

Ontvangsten IFI’s (+ € 3,95 miljoen)

De terugbetalingen van leningen door de EIB en de Wereldbank zijn hoger dan geraamd. Bij de EIB gaat het om leningen aan ACS-landen, en de LGO onder het Europees ontwikkelingsfonds in het kader van de verdragen van Lomé en Cotonou. Bij de Wereldbank gaat het om de EEC Special action account, waarbij in EEG (Europese Economische Gemeenschap)-verband via de Wereldbank speciale kredieten zijn verstrekt op concessionele basis aan ontwikkelingslanden, welke over langere periode worden terugbetaald.

4.5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

A. Algemene doelstelling

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export naar en investeringen in het buitenland (in aanvulling op de markt) en het creëren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën heeft de rol van regisseur van de uitvoering van de exportkredietverzekeringsfaciliteit (EKV-faciliteit). De Minister stelt de randvoorwaarden vast waaronder de uitvoerder van de faciliteit verzekeringen mag afgeven. De Staat treedt op als verzekeraar en Atradius Dutch State Business N.V. (ADSB) voert de EKV-faciliteit uit, op naam en voor rekening en risico van de Staat. De Minister van Financiën is budgetverantwoordelijk. De Minister van Financiën is, samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, beleidsverantwoordelijk voor het verstrekken van de verzekeringen en beide Ministers stimuleren een gelijkwaardig speelveld op het gebied van de exportondersteunende maatregelen.

Op basis van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën biedt de Nederlandse Staat, in aanvulling op de private markt, faciliteiten aan waarmee Nederlandse ondernemers en hun financiers betalingsrisico’s kunnen afdekken bij de Staat. Met de verschillende producten binnen de exportkrediet- en investeringsverzekeringen kunnen Nederlandse bedrijven meer exportorders binnenhalen, in het bijzonder op (middel)lange termijn gefinancierde exportorders.16 Dit heeft een positief effect op de Nederlandse concurrentiekracht en de werkgelegenheid.

De randvoorwaarden voor de afgifte van verzekeringen – bijvoorbeeld het landenbeleid – kunnen ieder moment worden aangepast zodat onverantwoord grote risico’s worden vermeden. Het risicoprofiel van de bestaande EKV-portefeuille en van nieuwe aanvragen wordt daarom nauwlettend gevolgd door het Ministerie van Financiën door middel van een uitgebreid risicokader.

Om zo veel mogelijk te voorkomen dat de Staat risico’s in verzekering neemt die door de markt kunnen worden gedekt, is de risicodracht opgezet. In de risicodracht staat vermeld welke risico’s (landen, looptijd en omvang) op de markt verzekerd kunnen worden en waarop de Staat dus geen dekking aanbiedt. De risicodracht wordt periodiek aangepast na overleg met de uitvoerder van de faciliteit (ADSB) of indien reacties van marktpartijen hiertoe aanleiding geven.

Onderdeel van het beleid van de Minister is het bevorderen van een internationaal gelijkwaardig speelveld op het gebied van de exportondersteunende maatregelen. Om Nederlandse exporteurs en hun financiers internationaal onder gelijke voorwaarden te kunnen laten concurreren, wordt door Nederland in internationaal verband overlegd over de exportondersteunende maatregelen. Zo worden in Arrangement17-verband afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder exportkredietverzekeringen mogen worden verstrekt, zoals kostendekkendheid, minimumpremies, maximale looptijden, het gebruik van ontwikkelingshulpgelden en verantwoord leenbeleid. Dit gentlemen’s agreement is op basis van een verordening voor EU-lidstaten juridisch bindend. In de IWG wordt een actieve dialoog gevoerd met opkomende economieën die niet deelnemen aan de Arrangement om mogelijke verstoringen van het speelveld zoveel mogelijk te beperken.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen krijgt internationaal, maar ook nationaal steeds meer aandacht. De Nederlandse Staat heeft hierin een voorbeeldfunctie. Dat geldt ook voor de instrumenten waarmee zij bedrijven ondersteunt, zoals de exportkredietverzekering. Er is continu aandacht voor een gedegen uitvoering van het beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen.

C. Beleidsconclusies

Eind 2016 staat er in totaal voor € 15,8 miljard aan verplichtingen uit hoofde van de EKV-faciliteit uit en € 0,15 miljard voor de RIV. Dit is een combinatie van definitieve verplichtingen (afgegeven verzekeringspolissen) en voorlopige verplichtingen (dekkingstoezeggingen, een wederzijdse juridische verplichting tussen Staat enerzijds en exporteur of bank anderzijds). De onderstaande figuur geeft de ontwikkeling van de totale uitstaande verplichtingen weer. Deze nemen al een aantal jaren toe. In 2016 is het uitstaand obligo € 20,1 miljoen hoger dan in 2015.

De doelstelling van het EKV-instrumentarium is het bevorderen van export en investeringen in het buitenland. Voor EKV-gedekte export is aannemelijk dat in vrijwel alle gevallen geldt dat deze zonder EKV-dekking niet tot stand was gekomen of zou verschuiven naar een buitenlandse concurrent die wel gebruik kan maken van EKV-dekking. Door deze transacties toch mogelijk te maken levert de EKV-faciliteit een positieve bijdrage aan de concurrentiepositie van het Nederlandse exporterende bedrijfsleven en aan het behoud van bedrijvigheid en werkgelegenheid in Nederland. Uit onderzoek van het CBS dat is gebruikt voor de beleidsdoorlichting van beleidsartikel 5 die in 2016 is uitgevoerd, blijkt dat jaarlijks bruto circa een kwart procent van het bpp en bijna 20.000 arbeidsjaren wordt mogelijk gemaakt met de EKV. De beoogde doelstelling van de EKV is daarmee ook in 2016 gerealiseerd.

Totaal uitstaande garantieverplichtingen (bedragen x € 1 miljard)

Totaal uitstaande garantieverplichtingen (bedragen x € 1 miljard)

Het aangaan van verplichtingen brengt vanzelfsprekend risico’s met zich mee. Tegenover de premie-inkomsten staan daarom schade-uitgaven. Vaak is het mogelijk om (een deel van) de uitgekeerde schade te recupereren. Recuperaties van schades uit het verleden vormen een belangrijke instroom van middelen op beleidsartikel 5. De EKV-faciliteit heeft dit jaar € 13,9 miljoen aan schade uitgekeerd, aanzienlijk minder dan de ontvangen premies van € 102,5 miljoen. Sinds 1999 is de EKV-faciliteit duidelijk kostendekkend geweest met een cumulatief positief resultaat van € 402 miljoen in bedrijfseconomische termen op basis van het zogeheten BERB-model.

Hoewel de EKV-faciliteit steeds meer producten aanbiedt die gericht zijn op het faciliteren van kleinere exporttransacties voor bijvoorbeeld het MKB, zijn de grotere transacties nog altijd bepalend voor het totaalbeeld van de portefeuille: één of enkele zeer grote transacties kunnen namelijk direct verantwoordelijk zijn voor een groot aandeel in het totale obligo.

Met name vanwege hoge premie-ontvangsten en schaderestituties is het financiële resultaat over 2016 ruim positief. Samen met uitvoerder ADSB wordt gestreefd naar een EKV-faciliteit die zich inzet als een «broad supporter»: een faciliteit die nadrukkelijk meedenkt met exporteurs over de manier waarop de export het beste bevorderd kan worden. Daarbij wordt continu gewerkt aan verbeteringen in de producten om exporteurs beter te kunnen bedienen. Ook wordt het acceptatiebeleid voortdurend aangepast aan de veranderende realiteit in de buitenwereld om de risico’s beheersbaar te houden, de financiële resultaten op peil te houden en tegelijkertijd de Nederlandse export te blijven bevorderen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Exportkredietverzekering en investeringsgaranties (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

Verplichtingen

2.934.821

3.590.788

– 7.294.439

2.475.497

206.840

10.616.436

– 10.409.596

waarvan betalingsverplichtingen:

12.412

14.299

198.043

35.130

172.817

12.656

160.161

waarvan kostenvergoeding Atradius DSB

12.126

12.490

11.678

12.805

14.579

12.600

1.979

               

waarvan garantieverplichtingen:

2.922.409

3.576.489

– 7.492.482

2.440.367

34.023

10.603.780

– 10.569.757

EKV

2.942.882

3.523.570

– 7.441.016

2.450.593

44.149

10.000.000

– 9.955.851

RIV

– 20.473

52.919

– 51.466

– 10.227

– 10.126

453.780

– 463.906

MIGA

0

0

0

0

0

150.000

– 150.000

               

Uitgaven

70.109

103.647

241.419

130.837

186.714

88.056

98.658

Garanties

             

Schade-uitkering EKV

57.697

89.348

43.376

95.708

13.897

74.900

– 61.003

Storting begrotingsreserve EKV

   

186.365

21.489

157.360

0

157.360

Schade-uitkering RIV

0

0

0

0

0

500

– 500

Uitgaven Seno-Gom

286

1.809

0

745

824

0

824

               

Opdrachten

             

Kostenvergoeding Atradius DSB

12.126

12.490

11.678

12.895

14.579

12.600

1.979

               

Overige

             

Overige uitgaven

       

54

56

– 2

               

Ontvangsten

350.432

202.684

273.282

236.691

345.093

246.952

98.141

Garanties

             

Premies EKV

43.629

86.471

118.261

117.344

101.760

50.000

51.760

Premies RIV

537

675

789

788

700

1.250

– 550

Premies omzetpolissen

15

0

0

0

0

0

0

Schaderestituties EKV

97.911

80.287

86.736

102.590

227.798

183.202

44.596

Ontvangsten Seno-Gom

185

251

947

1.969

2.335

0

2.335

               

Ontrekking begrotingsreserve Seno-Gom

207.655

34.500

66.049

14.000

12.500

12.500

0

Overige ontvangsten

500

500

500

0

0

0

0

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Beleidsartikel 5 van de begroting IX heeft een jaarlijks plafond waarin is aangegeven voor welk bedrag de Minister jaarlijks nieuwe verplichtingen kan aangaan (brutoplafond). Dit plafond is vastgesteld op € 10,6 miljard voor de gehele faciliteit.

Garantieverplichting EKV (benutting € 6,9 miljard)

In 2016 is er voor € 6,9 miljard aan nieuwe verplichtingen aangegaan, onder het jaarlijkse plafond van € 10 miljard, en is € 6,8 miljard aan verplichtingen vervallen. Over 2016 bedraagt het saldo van nieuwe en vervallen verplichtingen € 44,1 miljoen (inclusief vorderingen als gevolg van schade-uitkeringen). Het uitstaande obligo van de EKV bedraagt in totaal € 15,8 miljard.

Garantieverplichting Regeling investeringsverzekeringen (benutting € 62 miljoen)

In 2016 is € 62,1 miljoen aan nieuwe verplichtingen aangegaan voor de investeringsverzekeringen, onder het jaarlijkse plafond van € 454 miljoen, en is € 72,2 miljoen aan verplichtingen vervallen. Over 2016 bedraagt het saldo van nieuwe en vervallen verplichtingen – € 10,1 miljoen. De aangegane verplichtingen bedragen in totaal € 154,7 miljoen.

Garantieverplichting MIGA (benutting € 0 miljoen)

Het jaarlijkse plafond voor de MIGA bedraagt € 150 miljoen. De MIGA-faciliteit is niet gebruikt en er staan geen verplichtingen uit. Zoals aanbevolen in de beleidsdoorlichting zal het Memorandum of understanding met MIGA worden beëindigd.

Uitgaven

Kostenvergoeding ADSB (+ € 2,0 miljoen)

ADSB heeft dit jaar € 14,6 miljoen ontvangen onder de vergoedingsregeling. Deze vergoeding bestaat voor een deel uit variabele componenten; doordat de premieontvangsten hoger en de schade-uitkeringen lager waren dan geraamd is de kostenvergoeding hoger dan geraamd. Daarnaast is er een nabetaling van de kostenvergoeding over 2015 gedaan aan ADSB op basis van het uiteindelijke (hogere) kasresultaat.

Schade-uitkering EKV (– € 61,0 miljoen)

De schade-uitkeringen zijn lager uitgevallen dan de raming in de begroting. In de begroting 2016 werd deze post op € 74,9 miljoen geraamd terwijl er uiteindelijk slechts € 13,9 miljoen is uitbetaald. In 2016 was ongeveer 55% van het uitstaande obligo direct of indirect gerelateerd aan de olie- of gassector. Ondanks de lage olieprijs, waar al gedurende een langere periode sprake van is, heeft dit nog niet geleid tot extra schades.

Schade-uitkering Regeling investeringsverzekeringen (– € 0,5 miljoen)

Er zijn dit jaar geen schade uitkeringen gedaan onder de Regeling investeringsverzekeringen.

Begrotingsreserve EKV (+ € 157,4 miljoen)

Naar aanleiding van het vernieuwde garantiekader is voor de exportkredietverzekeringsfaciliteit een risicovoorziening ingesteld. In 2016 is er € 157,4 miljoen aan de risicovoorziening toegevoegd; de nieuwe stand komt daarmee op ruim € 365 miljoen.

Ontvangsten

Premies EKV (+ € 51,8 miljoen)

In 2016 zijn de premieontvangsten van de exportkredietverzekeringen hoger uitgevallen dan begroot. Deze overschrijding van de raming komt voort uit de afsluiting van enkele zeer grote transacties waar ten tijde van de begroting nog geen zicht op was.

Premies RIV (– € 0,6 miljoen)

In 2016 zijn de premieontvangsten van de investeringsverzekeringen lager uitgevallen dan begroot.

Schaderestituties EKV (+ € 44,6 miljoen)

Dit jaar is de provenustroom goed op gang gebleven. De ontvangen provenuen bedroegen in 2016 € 227,8 miljoen. De terugbetalingregeling met Argentinië, die tot stand is gekomen in de Club van Parijs, heeft hier met € 110,7 miljoen aan bijgedragen. In totaal is € 141,7 miljoen van de recuperaties tot stand gekomen via de Club van Parijs.

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Streefwaarde

Realisatie

BERB (in € mln.)

> 0

402

Benchmark

A

A

Voor de EKV worden twee prestatie-indicatoren gehanteerd. Beide prestatie-indicatoren, de benchmark en de bedrijfseconomische resultaatbepaling (BERB), bieden informatie over het gelijkwaardige speelveld. De benchmark maakt een vergelijking tussen de producten en de voorwaarden die de Nederlandse faciliteit aanbiedt in vergelijking met de EKV-faciliteiten in andere landen. De BERB geeft het cumulatieve bedrijfseconomische resultaat aan van alle polissen die vanaf 1 januari 1999 zijn afgesloten. Door kostendekkend te opereren en dit ook transparant te presenteren wordt aangetoond dat er bij de Nederlandse EKV geen oneerlijke concurrentie plaatsvindt door middel van te lage verzekeringspremies. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het voorkomen van een internationale race to the bottom.

Uit de benchmark (2016) is naar voren gekomen dat de EKV-faciliteit, op de beleidsonderdelen Landenbeleid, Dekkingsbeleid en Premies, bestand is tegen de concurrentiedruk van andere exportkredietverzekeraars. De Nederlandse faciliteit krijgt in deze vergelijking het eindcijfer A.

Uit de meest recente bedrijfeconomische resultaatbepaling (2016) is naar voren gekomen dat er sinds 1999 een cumulatief resultaat van € 402 miljoen is behaald.

4.6 Btw-compensatiefonds

A. Algemene doelstelling

Gemeenten, provincies en andere regionale openbare lichamen als bedoeld in de Wet op het Btw-compensatiefonds hebben de mogelijkheid om een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Het Btw-CompensatieFonds (BCF) is opgericht om een eind te maken aan de factor btw bij de afweging door decentrale overheden tussen het uitbesteden van werkzaamheden of het uitvoeren ervan door de eigen organisatie. Decentrale overheden kunnen de door hen betaalde btw terugvragen bij het BCF. Daardoor speelt de factor btw geen rol meer bij de afweging tussen inbesteden en uitbesteden bij decentrale overheden. Om btw terug te kunnen vragen bij het BCF, moet de betaalde btw aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moet de btw betaald zijn over een niet-ondernemerstaak en mag geen sprake zijn van verstrekking aan een individuele derde. Voorbeelden van taken waarvoor gemeenten btw kunnen terugclaimen zijn de inzameling van huisvuil, het onderhoud aan gebouwen, het straatbeheer, schoonmaakactiviteiten, archivering, ingenieurswerkzaamheden en groenbeheer.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor en heeft een uitvoerende rol bij:

  • het verstrekken, verzamelen en controleren van de opgaafformulieren en het uitbetalen van de compensabele btw en

  • het beheer van het BCF.

C. Beleidsconclusies

In 2016 hebben zich qua beoogde resultaten geen bijzonderheden voorgedaan. In 2016 is het BCF geëvalueerd. De conclusie van de beleidsdoorlichting18 luidt dat de algemene en operationele doelstelling van het BCF worden behaald: door de invoering van het BCF speelt btw geen rol meer bij de afweging tussen zelf doen of uitbesteden. Hierdoor ontstaat er een grotere vrijheid voor gemeenten en provincies in de keuze tussen in- en uitbesteden en kan er een efficiëntievoordeel worden bereikt. Verder is geconcludeerd dat het plafond niet afdoet aan de effectiviteit van het BCF.

D. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 6 Btw-compensatiefonds (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

Verplichtingen

2.664.772

2.715.812

2.953.836

2.870.250

3.003.566

2.851.726

151.840

               

Uitgaven

2.664.772

2.715.812

2.953.836

2.870.250

3.003.566

2.851.726

151.840

               

(1) Programma-uitgaven

2.664.772

2.715.812

2.953.836

2.870.250

3.003.566

2.851.726

151.840

               

waarvan bijdragen aan gemeenten en kaderwetgebieden

2.360.993

2.413.355

2.614.164

2.546.903

2.618.435

2.515.341

103.094

waarvan bijdragen aan provincies

303.779

302.457

339.672

323.347

385.131

336.385

48.746

               

Ontvangsten

2.664.772

2.715.812

2.953.836

2.870.250

3.003.566

2.851.726

151.840

Uitgaven

Gemeenten declareren in absolute zin meer Btw bij het Btw-compensatiefonds dan provincies. In relatieve zin declareren de provincies echter meer bij het Btw-compensatiefonds. De provincies zijn vooral actief op het gebied van verkeer en vervoer, een uitgavencategorie die veelal voor compensatie van Btw in aanmerking komt. Dit is een mogelijke verklaring voor het feit dat provincies in vergelijking tot gemeenten een relatief groot beroep doen op het Btw-compensatiefonds.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn gelijk aan de uitgaven omdat de terugbetaalde Btw-bedragen tevens belastinginkomsten zijn.

Plafond

Plafond BCF (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2016

2016

2016

Plafond

3.160.935

3.130.917

30.018

W.v. grondslag miljoenennota 2016

3.130.917

   

W.v. overhevelingen i.v.m. taakmutaties

24.169

   

W.v. accres

5.849

   

Uitgaven

3.003.566

2.851.726

151.840

W.v. Gemeenten

2.618.435

2.515.341

103.094

W.v. Provincies

385.131

336.385

48.746

Ruimte onder plafond

157.369

279.190

– 121.791

W.v. Gemeenten

137.190

246.257

– 109.067

W.v. Provincies

20.179

32.933

– 12.754

Het plafond op het BCF is gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds en provinciefonds. Het plafond wordt aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond wordt overschreden, komt het verschil ten laste van het gemeentefonds en provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste van het gemeentefonds en provinciefonds. De toevoeging of uitname moet worden verdeeld over gemeenten en provincies. Er is afgesproken in het Financieel akkoord dit te doen op basis van de verhouding van wat de gezamenlijke gemeenten en provincies in het afgelopen jaar ook daadwerkelijk hebben ontvangen uit het BCF.

Aan de hand van de realisatiecijfers wordt in het FJR (Financieel Jaarverslag van het Rijk) de definitieve ruimte onder het BCF-plafond bepaald. Het verschil tussen de voorlopige afrekening die bij Miljoenennota 2017 heeft plaatsgevonden (€ 219 miljoen) en de definitieve ruimte onder het plafond (€ 157 miljoen), wordt bij Voorjaarsnota verrekend met het gemeentefonds en provinciefonds.

E. Toelichting op de instrumenten

Compensatie

De Belastingdienst is belast met het verstrekken en verzamelen van opgaafformulieren en het compenseren van de Btw over niet-ondernemersactiviteiten.

Controle- en toezichtsbeleid

Bij de uitvoering van de Wet op het Btw-compensatiefonds is een centrale rol toegekend aan de Belastingdienst. Dit vanwege de nauwe relatie tussen de heffing van de omzetbelasting op grond van de Wet op de omzetbelasting en de compensatie van de omzetbelasting op grond van het Btw-compensatiefonds. Uit het oogpunt van eenvoud en doelmatigheid is ervoor gekozen de Wet op het Btw-compensatiefonds in belangrijke mate aan te laten sluiten bij het systeem van heffing van omzetbelasting in de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit betekent onder meer dat de controle van het Btw-compensatiefonds onderdeel uitmaakt van de reguliere controle van de aangiften van omzetbelasting bij gemeenten en provincies. De handelwijze van de Belastingdienst met betrekking tot de opgaven voor het Btw-compensatiefonds is, gezien de nauwe relatie met het systeem van heffing van omzetbelasting, niet anders dan die met betrekking tot de aangifte van omzetbelasting. Dit betekent de mogelijkheid van controle achteraf gedurende een periode van vijf jaar. Inherent aan het systeem van heffing van omzetbelasting (voldoening op de aangifte met slechts beperkte informatie) is dat de controle op de juistheid van de ingediende aangiften achteraf en op basis van risicoafweging plaatsvindt. Dit is ook het geval indien er sprake is van een zogenoemde negatieve aangifte (de voorbelasting overtreft de verschuldigde belasting). Slechts in uitzonderingsgevallen vormt de aangifte van omzetbelasting zelf aanleiding tot het instellen van een boekenonderzoek. Voornoemde handelswijze met betrekking tot het Btw-compensatiefonds betekent dat de Belastingdienst niet per uitkeringsjaar vaststelt in welke mate de uitbetaalde bedragen rechtmatig zijn geweest, maar binnen het algemene handhavingsbeleid zich er op richt om in de actualiteit te beoordelen welke gemeenten en provincies op welke aspecten het meest voor nadere toezichtactiviteiten in aanmerking komen.

De algemene beleidsdoelstelling van de Belastingdienst is het onderhouden en versterken van de compliance bij belastingplichtigen. Hierbij maakt de Belastingdienst gebruik van de mogelijkheden die Horizontaal Toezicht (HT) biedt. Van de 400 gemeenten en provincies zijn er 362 beoordeeld op de mogelijkheden voor HT en is met 164 gemeenten en provincies een individueel toezichtconvenant gesloten. HT werkt een gemeente of provincie zichtbaar aan het onderhouden en versterken van de fiscale beheersing, met als doel het opstellen en indienen van aanvaardbare belastingaangiften en opgaven voor het Btw-compensatiefonds. De Belastingdienst bespreekt met de gemeenten en provincies hoe zij hun verantwoordelijkheid voor naleving van fiscale wet- en regelgeving nemen en zorgdragen voor volledige en juiste aangiften en opgaven. Daarbij krijgt de Belastingdienst zicht op hoe de gemeenten en provincies omgaan met fiscaliteit en of de randvoorwaarden voor een adequate beheersing daarvan zijn ingevuld. De gemeenten en provincies beoordelen vervolgens zelf de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen. De resultaten daarvan delen zij met de Belastingdienst. Met deze informatie bepaalt de Belastingdienst in welke mate gesteund kan worden op de interne beheersing en in hoeverre aanvullende eigen werkzaamheden noodzakelijk zijn. Wanneer daar aanleiding toe is kunnen ook boekenonderzoeken worden ingezet. Dit kunnen volledige boekenonderzoeken zijn waarvan het Btw-compensatiefonds onderdeel uitmaakt of deelonderzoeken die specifiek zijn gericht op de juistheid van de door gemeenten en provincies ingediende opgaven voor het Btw-compensatiefonds. In 2016 zijn 20 specifieke boekenonderzoeken voor het Btw-compensatiefonds bij gemeenten en provincies uitgevoerd. Deze onderzoeken hebben per saldo geleid tot een correctie van ruim € 6,4 miljoen.

Realisatie meetbare gegevens
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Prestatie-indicator (in %)

2013

2014

2015

2016

2016

Percentage gevalideerde gemeenten en provincies voor horizontaal toezicht1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

85

91

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie.

X Noot
1

De prestatie-indicator is ten opzichte van het jaarverslag 2015 gewijzigd (percentage in plaats van aantallen) om beter aansluiting te behouden bij het toezichtsproces zoals de Belastingdienst dat uitvoert. Hiermee wordt eveneens consistentie bereikt met de indicatoren zoals opgenomen in de toelichting bij beleidsartikel 1 Belastingen. De waarde van deze nieuwe indicator werd in 2015 en daarvoor nog niet geregistreerd.

4.7 Beheer materiële activa

A. Algemene doelstelling

Een optimaal financieel resultaat bij het beheren en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Het Rijk bezit materiële activa die nodig zijn voor de realisatie van rijksdoelstellingen. Volgens de Comptabiliteitswet heeft de Minister van Financiën een uitvoerende rol ten aanzien van het (privaatrechtelijk) beheer van de roerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover de verantwoordelijkheid voor dat beheer niet bij of krachtens de wet bij een of meer andere Ministers is gelegd. De Minister van Financiën heeft de uitvoering van deze taak belegd bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ) (Regeling materieelbeheer Rijksoverheid 2006). Daarnaast wordt in het Wetboek van strafvordering (artikel 118 e.v.) en het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen (artikel 1) DRZ aangewezen als bewaarder van inbeslaggenomen voorwerpen (uitgezonderd geld, dieren, wapens). Ook draagt DRZ zorg voor de verwerking (schoning, vernietiging en verwerking grondstoffen) van digitale datadragers van het Rijk. DRZ is daarmee verantwoordelijk voor het vervoeren, bewaren, vernietigen en verkopen van overtollige en in beslaggenomen roerende zaken voor het Rijk.

C. Beleidsconclusies

In 2016 is de vernieuwing van de Regeling Materieel Beheer (RMB) afgerond. Deze dient door de Minister van Financiën in het voorjaar van 2017 vastgesteld te worden en zal tegelijkertijd met de (nieuwe) Comptabiliteitswet 2016 in werking treden. In de herziene RMB is de rol van DRZ als centrale dienst ten aanzien van de afstoot van roerende zaken sterker verankerd. Naast de afstoot van overcomplete goederen zijn ook de aan de Staat vervallen roerende zaken vanuit het beslagproces in de RMB opgenomen. Voor de doelmatigheidsindicatoren wordt verwezen naar het niet-beleidsartikel Apparaat kerndepartement, waar de apparaatsgelden van DRZ zijn opgenomen (onderdeel SG-cluster).

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 7 Beheer materiële activa (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

Verplichtingen

500

– 1.550

350

0

0

306

– 306

               

Uitgaven

500

334

350

0

0

306

– 306

               

Beheerskosten DRZ

500

334

350

0

0

306

– 306

               

Ontvangsten

2.767

2.278

13.807

2

0

1.800

– 1.800

               

Programma-ontvangsten Baten-lastendiensten

             

Vervreemding DRZ

2.767

2.278

13.807

2

0

1.800

– 1.800

E. Toelichting op de instrumenten

Vervreemding DRZ

De realisatie van ontvangsten heeft betrekking op de verkoop van overtollige roerende zaken van de Rijksoverheid (voor zover er geen middelenafspraak gemaakt is). In 2016 was er voor alle betreffende gevallen een middelenafspraak, waardoor er voor dit onderdeel geen realisaties verantwoord dienen te worden op dit begrotingsartikel.

Ontvangsten en uitgaven inzake inbeslaggenomen goederen

Programmagelden inzake de verkoop van inbeslaggenomen goederen worden in 2016 verantwoord bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Bij de Najaarsnota 2016 zijn de budgetten van 2016 overgegaan naar het Ministerie van Veiligheid en Justitie, waardoor er voor 2016 voor dit onderdeel geen realisaties verantwoord worden op dit begrotingsartikel. Bij de Voorjaarsnota 2017 wordt de meerjarige, structurele overboeking geregeld.

Niet uit tabel blijkende budgettaire gevolgen

Middelenafspraken

De Minister van Financiën verzorgt behalve de ingebruikgeving en vervreemding van de eigen (overtollige) roerende zaken ook de ingebruikgeving en vervreemding van (overtollige) roerende zaken van andere Ministers. Wanneer een middelenafspraak is gemaakt met een Minister, dan wordt de opbrengst uit ingebruikgeving en/of vervreemding door deze Minister verantwoord op zijn eigen begroting.

4.8 Financiering staatsschuld

A. Algemene doelstelling

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder een acceptabel risico voor de begroting.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de financiering van de staatsschuld. Het doel is om de schuld tegen zo laag mogelijke kosten met een acceptabel risico voor de begroting te financieren. De wettelijke basis voor deze verantwoordelijkheid is geregeld in de Comptabiliteitswet 200119.

Voor de inrichting van het risicobeleid en het financieringsbeleid baseert de Staat zich onder meer op de internationale richtlijnen voor staatsschuldfinanciering die zijn opgesteld door het IMF20. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn transparantie, afrekenbaarheid en consistentie van beleid en uitvoering. Bij de beheersing van de risico’s wordt niet alleen naar het renterisico gekeken, maar ook naar andere risico’s zoals bijvoorbeeld valutarisico en tegenpartijrisico. Daarnaast dient het beleid bij te dragen aan een goede verhandelbaarheid van Nederlands schuldpapier.

Op basis van bovenstaande uitgangspunten wordt iedere vier jaar het risicokader herzien en vindt de afweging tussen acceptabel risico en kosten plaats. In 2016 is het nieuwe risicokader21 voor de financiering van de staatsschuld ingegaan voor de periode 2016–2019. De belangrijkste elementen van het nieuwe kader zijn een verlenging van de looptijd van de schuldportefeuille en het verminderen van de afhankelijkheid van renteswaps. Dit betekent een voortzetting van de weg die al in de periode 2012–2015 is ingeslagen en is in lijn met de ontwikkelingen in veel andere landen. Voor het beheersen van de risico’s op zowel de lange als de korte termijn zijn twee risicomaatstaven geïntroduceerd: de gemiddelde looptijd van de schuldportefeuille en het renterisicobedrag.

Aan het einde van ieder jaar wordt het financieringsplan opgesteld voor het nieuwe jaar. Deze zogeheten outlook22 wordt in december gepubliceerd. Dit financieringsplan draagt bij aan het bereiken van de twee risicomaatstaven. Hierin wordt uiteengezet hoe de Staat in het komende kalenderjaar de schuldfinanciering zal uitvoeren. De kapitaalmarktfinanciering ligt dan (binnen een bepaalde bandbreedte) voor een jaar vast. Schommelingen in de financieringsbehoefte worden vervolgens opgevangen op de geldmarkt. Deze werkwijze maakt het financieringsbeleid consistent en transparant en draagt bij aan het betrouwbare imago van de Nederlandse Staat op de financiële markten.

Hieronder worden de twee risicomaatstaven en de bijbehorende overwegingen verder toegelicht.

Gemiddelde looptijd schuldportefeuille

De jaren voor 2015 hebben zich gekenmerkt door een toename van de schuld en een afname van de rentestanden tot historisch zeer lage niveaus. Door de looptijd van de schuld te verlengen kunnen relatief lage rentekosten voor langere tijd worden vastgelegd. Een portefeuille met een gemiddelde looptijd van 10 jaar heeft een hoger rentepercentage maar een kleiner renterisico dan een portefeuille met een gemiddelde looptijd van 5 jaar. Het renterisico is kleiner omdat het langer zal duren voordat een rentestijging volledig is doorgewerkt in de schuld. Dit draagt bij aan begrotingsrust.

Voor de jaren 2016–2019 is een streefpad vastgelegd voor de verlenging van de gemiddelde looptijd. Dit streefpad is bepaald door eerst de optimale portefeuille op lange termijn te bepalen. Een aantal rentescenario’s is doorgerekend voor tientallen verschillende schuldportefeuilles. Schuldportefeuilles verschillen van elkaar voor wat betreft de omvang van de schuld die jaarlijks in verschillende looptijden wordt uitgegeven. Voor iedere portefeuille geldt echter de randvoorwaarde dat deze realistisch en bereikbaar is, gelet op de uitgangspunten van het door het Agentschap uitgevoerde financieringsbeleid (transparantie, consistentie en liquiditeit/verhandelbaarheid)23.

Vervolgens is berekend welke schuldportefeuilles eenzelfde of beter toekomstig risicoprofiel hebben dan de portefeuille die zou resulteren bij een voortzetting van het beleid uit de periode 2012–2015. Van de portefeuilles die hieraan voldeden is de portefeuille met de laagste kosten gekozen als basis voor de streefportefeuille. Bij deze afweging is gekeken naar de kosten op de middenlange termijn. De streefportefeuille kent eind 2016 een looptijd van 5,5 jaar en eind 2019 een looptijd van 6,4 jaar. Deze looptijd is in beginsel bereikbaar zonder nieuwe swaps af te sluiten. Dit past bij het uitgangspunt van het nieuwe kader om de afhankelijkheid van swaps te verminderen.

In de evaluatie van het renterisicobeleid is namelijk geconcludeerd dat de omvang van de swapportefeuille leidde tot een aantal nadelige neveneffecten. De lage rentestanden zorgden ervoor dat er dusdanig veel geld als onderpand door tegenpartijen werd gestort dat er minder mogelijkheden waren om schuld uit te geven in reguliere geldmarktinstrumenten. Dit is nadelig voor de liquiditeit van die instrumenten. Verder bemoeilijkt de grote variabiliteit van het onderpand het dagelijkse cash management.

In de praktijk kunnen zich onvoorziene afwijkingen in de looptijd voordoen door de fluctuaties in de schulduitgifte als gevolg van veranderingen in de begroting en in marktomstandigheden. Hierdoor kan in praktijk niet in alle gevallen exact op de looptijd gestuurd worden. Om deze reden zal voor de na te streven looptijd zowel naar boven als naar beneden een marge van 0,25 jaar worden aangehouden.

Het renterisicobedrag

De gemiddelde looptijd is van invloed op het renterisico dat over een langere periode in de begroting gelopen wordt. Het is tevens de verwachting dat met een hogere gemiddelde looptijd een opwaartse renteschok door de tijd heen geleidelijker tot hogere rentelasten in de begroting leidt. Echter, door gemaakte keuzes in het verleden kunnen pieken in het aflosprofiel plaatsvinden. Dit kan leiden tot ongewenste kortetermijnrisico’s.

Om kortetermijnrisico’s te beheersen, is een additionele maatstaf geïntroduceerd. Deze maatstaf, het zogenoemde RenteRisicoBedrag (RRB), is het bedrag waarover in de eerstvolgende 12 maanden de rente opnieuw moet worden vastgesteld. Het renterisicobedrag wordt gemeten als percentage van de totale staatsschuld.

Het renterisicobedrag wordt gemaximeerd op een waarde die realistisch is gezien de omvang en samenstelling van de schuld en die past bij een nagestreefde looptijd van de schuldportefeuille van 6,4 jaar. Bij het huidige schuldniveau moeten ieder jaar minstens twee kapitaalmarktleningen van € 15 miljard geherfinancierd worden. Ook op de geldmarkt, bestaande uit leningen korter dan 1 jaar, moet jaarlijks geherfinancierd worden. Voor de geldmarkt wordt gestreefd naar een omvang van ongeveer € 25 miljard24. Tezamen is dat ongeveer 15% van de staatsschuld. Gedurende een jaar komt hier nog het kastekort uit de begroting bij. Er is uitgegaan van kastekorten van rond 3% van de staatsschuld (circa 1,5% van het bbp).

Het maximale renterisicobedrag is voor de komende periode daarom vastgesteld op 18% van de staatsschuld. Als de maximumwaarde dreigt te worden overschreden, zal worden ingegrepen. Het inkopen van schuld, enige flexibiliteit in de kapitaalmarktuitgifte en aanpassingen in de swapportefeuille zijn hiervoor instrumenten.

C. Beleidsconclusies

a. Overzicht

In 2016 was de financieringsbehoefte van de Staat € 65,1 miljard. Dit bedrag was € 14,4 miljard lager dan voorzien in de begroting (zie onderstaande tabel).

Opbouw en dekking van de financieringsbehoefte van het Rijk in 2016, inclusief (in € mld.)1
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

Financieringsbehoefte:

     

Aflossingen kapitaalmarkt regulier

28,2

28,3

– 0,1

Vervroegde aflossingen DSL’s aflopend in 2017/2018

8,1

8,1

Geldmarkt ultimo 2015

15,2

21,8

– 6,6

Onderpand in contanten ultimo 2015

19,4

20,9

– 1,5

Kasoverschot Rijk 2016

– 5,8

8,5

– 14,3

Totaal

65,1

79,5

– 14,4

       

Dekking door:

     

Kapitaalmarktuitgifte2

28,6

36,8

– 8,2

Overname leningen Propertize

2,4

2,4

Geldmarkt ultimo 2016 (incl. onderpand in contanten)

34,1

42,7

– 8,6

Totaal

65,1

79,5

– 14,4

X Noot
1

In tegenstelling tot de overige tabellen van de Nationale Schuld worden de cijfers in de tabel op kasbasis weergegeven in plaats van op transactiebasis.

X Noot
2

De kapitaalmarktuitgifte is in deze tabel weergegeven op kasbasis. De nominale uitgifte op de kapitaalmarkt was € 26,6 miljard; het overige bedrag betreft de (netto) ontvangsten bij de uitgifte van de leningen.

De financieringsbehoefte is lager uitgevallen doordat zowel in 2015 als in 2016 het kassaldo lager is uitgevallen dan in de begroting werd verwacht. Bij het opstellen van de begroting van 2016 werd het kassaldo van 2015 nog hoger ingeschat, wat is te zien aan de stand van de geldmarkt ultimo 2015. De fluctuaties in het kassaldo worden in een lopend jaar namelijk opgevangen op de geldmarkt en in de tabel is te zien dat de geldmarkt aan het einde van 2015 geringer was dan begroot. Ook het kassaldo voor 2016 werd ten tijde van de begroting nog fors hoger ingeschat.

In 2016 is op de kapitaalmarkt voor € 26,6 miljard aan leningen (nominaal) uitgegeven. Doordat de prijzen van aangeboden obligaties over het algemeen hoger waren dan de nominale waarde (100), is gedurende het jaar een aanvullende bedrag van € 2 miljard aan zogeheten agio door beleggers betaald waardoor in totaal € 28,6 miljard op de kapitaalmarkt is opgehaald. Agio is het bedrag dat een belegger boven de nominale waarde (100) op een lening stort.

De € 26,6 miljard aan kapitaalmarktuitgifte is minder dan het bedrag waarmee in de begroting rekening werd gehouden (€ 36,8 miljard). Het bedrag valt wel binnen de bandbreedte van € 25 tot € 30 miljard die in december 2015 in het financieringsplan25 is opgenomen. In de volgende tabel staat een overzicht van de obligaties die zijn uitgegeven en welke gemiddelde prijs voor deze obligaties is ontvangen. In deze tabel worden alleen de nominale bedragen weergegeven, waardoor de € 2 miljard aan agio niet zichtbaar is. Hierdoor wijkt het totaal van deze tabel (€ 26,6 miljard af van het gerealiseerde bedrag van € 28,6 miljard in de voorgaande tabel).

Schulduitgifte op de kapitaalmarkt 2016

Dutch State Loan (DSL)

Totaal volume1

(in € mld.)

Uitgifte datum

(Resterende) looptijd op uitgiftedatum

(in jaren)

Effectieve rente

(in %)

Effect op rentelasten in 2016

(in € mln.)

«5-jaars»-segment

7,98

     

– 10,18

DSL 2022-01-15 0,00 PCT

4,81

7-6-2016

5,6

– 0,23

– 6,42

DSL 2022-01-15 0,00 PCT

3,16

13-9-2016

5,3

– 0,40

– 3,76

           

«10-jaars»-segment

15,11

     

28,43

DSL 2026-07-15 0,50 PCT

5,72

22-3-2016

10,3

0,44

19,77

DSL 2026-07-15 0,50 PCT

2,86

10-5-2016

10,2

0,36

6,63

DSL 2026-07-15 0,50 PCT

2,39

12-7-2016

10,0

0,04

0,51

DSL 2026-07-15 0,50 PCT

1,87

11-10-2016

9,8

0,15

0,65

DSL 2026-07-15 0,50 PCT

2,28

8-11-2016

9,7

0,27

0,88

           

Overige uitgiftes

3,52

     

31,85

DSL 2033-01-15 2,50 PCT (heropening)

1,36

12-1-2016

17,0

1,28

19,85

DSL 2037-01-15 4,00 PCT (heropening)

1,15

27-9-2016

20,3

0,30

1,53

DSL 2047-01-15 2,75 PCT (heropening

1,01

12-4-2016

30,8

0,99

10,46

           

Totaal

26,61