Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734562 nr. 3

34 562 Voorstel van wet van de leden Van Laar en Dik-Faber ter erkenning van Nederlandse gebarentaal (Wet erkenning Nederlandse gebarentaal)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

I. Algemeen deel

1. Algemeen

Dit wetsvoorstel beoogt de wettelijke erkenning van de Nederlandse Gebarentaal. De Nederlandse Gebarentaal is de moedertaal van in het bijzonder mensen die doof geboren zijn of doof geworden zijn voordat zij de gesproken Nederlandse taal verworven hebben, de zogenaamd vroegdoven, in medische termen benoemd als prelinguaal doven. Het is tevens de moedertaal van mensen die horend geboren zijn en dove ouders hebben. Veel Doven zien de erkenning van de Nederlandse Gebarentaal als een erkenning van hun zijn.

Bij de Nederlandse Gebarentaal gaat het om een taal, waarvoor de regels voor grammatica en de wijze waarop de begrippen en concepten in gebaren uitgedrukt worden, gestandaardiseerd is. Dit proces, waarbij de verschillende gebarentalen die zich in Nederland ontwikkeld hadden tot één landelijke taal gemaakt zijn, is geïnitieerd en ondersteund door de overheid. Er zijn opleidingen voor tolk en docent in de Nederlandse Gebarentaal en er vindt op meerdere plekken taalkundig onderzoek plaats naar gebruik en ontwikkeling van de Nederlandse Gebarentaal. De Nederlandse Gebarentaal is de gestandaardiseerde gebarentaal, met gebaren en grammatica zoals die vastgesteld zijn door het Nederlands Gebarencentrum.

De Nederlandse Gebarentaal wordt ook gebruikt door andere gebarentaligen dan Doven, zoals horende kinderen van Dove ouders, andere familieleden en ouders van dove kinderen, onderwijzers en tolken NGT/NmG. Bovendien is er een tactiele vorm van gebarentaal die gebruikt wordt door doofblinden.

Veel Doven zijn van mening dat zij geen beperking hebben, maar onderdeel zijn van een linguïstische en culturele minderheid. Om die reden wordt Doof met hoofdletter geschreven, zoals ook Nederlands of Fries met een hoofdletter geschreven worden. De Dovencultuur bestaat uit een eigen taal, een gedeelde geschiedenis en specifieke omgangsvormen die beïnvloed worden door het gegeven dat zien en voelen de belangrijkste zintuigen zijn. Omdat deze cultuur belangrijk is voor het vormen van de identiteit, wordt er door Doven veel waarde gehecht aan onderling contact en vereniging.

Het belang van NGT voor doven is voor horenden niet altijd duidelijk. Veel horenden zien een gebarentaal namelijk niet als een volwaardige taal, maar als een «hulpmiddel» voor doven om te communiceren. Het niet erkennen van gebarentaal als een zelfstandige taal, betekent onvoldoende erkenning en ruimte voor de groep mensen voor wie gebarentaal de eerste taal is.

De erkenning van gebarentaal versterkt de positie van de gebruikers van de Nederlandse Gebarentaal. Gebarentaligen die doof zijn, kunnen zich nadrukkelijker beroepen op ondersteuning in hun eigen taal. Wanneer «doof» met een kleine letter geschreven wordt, wordt de medische aandoening doofheid bedoeld. Het wetsvoorstel beoogt de volgende zaken concreet te regelen met betrekking tot de erkenning van de Nederlandse Gebarentaal:

  • 1. Erkenning van de Nederlandse Gebarentaal als officiële taal;

  • 2. Bevordering van gebruik van Nederlandse Gebarentaal door de rijksoverheid, mede door een jaarlijkse rapportage over de staat van de Nederlandse Gebarentaal;

  • 3. Instellen van een Orgaan voor de Gebarentaal (waarin Doven goed vertegenwoordigd zijn) als adviesorgaan, zoals bedoeld in de Kaderwet Adviescolleges en in lijn met het Orgaan voor de Friese taal om de overheid en belangenorganisaties onafhankelijk te kunnen adviseren met betrekking tot het gebruik, de behoeften en ontwikkelingen op het gebied van de Nederlandse Gebarentaal.

2. Achtergrond

Het belangrijkste uitgangspunt van het voorstel van de initiatiefnemers is dat personen die doof zijn, recht hebben op volwaardige en gelijkwaardige deelname aan de samenleving, net als ieder ander. In het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap1 worden daartoe duidelijke uitgangspunten geformuleerd. Dit wetsvoorstel is in lijn met deze uitgangspunten opgesteld.

Van elke 1.000 baby’s die geboren worden is er 1 doof of slechthorend.2 Door ziekte of andere oorzaken wordt nog eens 1 op de 1.000 baby’s op jonge leeftijd doof of slechthorend. In totaal gaat het om ongeveer 30.000 mensen in Nederland, waarvan er bijna 10.000 volledig doof zijn en de Nederlandse Gebarentaal als moedertaal hebben.3 Recent onderzoek naar de Nederlandse situatie noemt dat er tussen 11.900 en 20.400 vroegdoven in Nederland zijn.4

Ongeveer 95% van alle kinderen die doof zijn, heeft horende ouders (en veel personen die doof zijn, krijgen horende kinderen). Dit stelt deze ouders voor een enorme opgave. Zij moeten zich opeens een voor hen nieuwe, visuele, taal eigen maken: de Nederlandse Gebarentaal. Door de Nederlandse Gebarentaal kunnen ze communiceren met hun kind en hun kind optimaal ondersteunen bij de taalverwerving. Ook moeten zij ingrijpende keuzes voor hun kinderen maken over het onderwijs, de zorg, begeleiding en hulpmiddelen voor hun kinderen, zonder dat zij zelf weten hoe het is om doof te zijn. In het VN-verdrag voor mensen met een beperking wordt geconstateerd dat de VN bezorgd is «over het feit dat personen met een handicap ondanks [...] uiteenlopende instrumenten en initiatieven overal ter wereld nog steeds geconfronteerd worden met obstakels die hun participatie in de samenleving als gelijkwaardige leden belemmeren.»

De initiatiefnemers delen die zorg, ook waar het personen die doof of slechthorend zijn in Nederland betreft. De wettelijke erkenning van de Nederlandse Gebarentaal draagt bij aan de volwaardige participatie van deze mensen aan de samenleving, waarmee ook invulling wordt gegeven aan een van de uitgangspunten van het VN-verdrag.

3. Historie erkenning van de Nederlandse Gebarentaal

De afgelopen 15 jaar is meermalen de vraag om wettelijke erkenning van de Nederlandse Gebarentaal naar voren gekomen, waarbij telkens is gekozen voor een pragmatische aanpak en werd ingezet op maatschappelijke en politieke erkenning van de Nederlandse Gebarentaal.

Tussen 1997 en 2012 is er in meerdere brieven van Staatssecretarissen van VWS ingegaan op de voors- en tegens van erkenning van NGT:

  • In 1997 is door de Commissie Nederlandse Gebarentaal in het rapport «Meer dan een gebaar» aangegeven dat de Nederlandse Gebarentaal juridisch verankerd zou moeten worden, naast het nemen van concrete maatregelen om het gebruik van Nederlandse Gebarentaal te bevorderen. Ook in de actualisatie daarvan: «Actualisatie 1997–2011 van het rapport Meer dan een gebaar» geeft het Platform Erkenning Nederlandse Gebarentaal aan juridische erkenning nog steeds belangrijk te vinden.

  • In de Kamerbrief van 20015 heeft de toenmalig Staatssecretaris van VWS aangegeven wat de mogelijkheden zijn, die in «Meer dan een gebaar» zijn beschreven, om de Nederlandse Gebarentaal juridisch te erkennen. Op dat moment zag men onvoldoende mogelijkheden om aan te sluiten bij Nederlandse wetgeving.

  • In een Kamerbrief van 20026 wordt een actieplan beschreven met de maatregelen waarmee de Nederlandse Gebarentaal wordt bevorderd.

  • In de brief van 20047 wordt door de toenmalig Staatssecretaris aangegeven dat de analyse in 2001 was dat de mogelijkheden om de Nederlandse Gebarentaal juridisch te verankeren zeer beperkt zijn en juridische erkenning niet per se noodzakelijk is. Wel gaf zij aan dat het belangrijk is om de taal maatschappelijk goed in te bedden, waarbij politieke erkenning kan helpen (onder andere door het eerder genoemde actieplan). De internationale vergelijking die is uitgevoerd, gaf de Staatssecretaris toen geen nieuwe inzichten.

  • In de brief van 20088 van de nieuwe Staatssecretaris wordt ook een pragmatische richting gekozen; daar waar problemen bestaan, wordt gezocht naar een oplossing. Wel wordt aangegeven dat in verband met het in 2007 ondertekende VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap een analyse zal worden gemaakt van de consequenties van het Verdrag voor de Nederlandse wetten en regelingen. De uitkomst van deze analyse zal gebruikt worden ten behoeve van de memorie van toelichting op de op te stellen Goedkeuringswet en vormt de basis voor de Invoeringswet.

  • In 2010 heeft de ChristenUnie een initiatiefnota uitgebracht, getiteld «Positie doven versterken; Nederlandse Gebarentaal erkennen!», met daarin voorstellen om de positie van personen die doof of zwaar slechthorend zijn en hun taal te versterken. De nota roept op tot formele erkenning van de Nederlandse Gebarentaal door de Nederlandse Gebarentaal als zelfstandige taal vast te leggen in de Grondwet, en ratificatie van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Daarnaast wil het meer aandacht voor de positie van personen die doof of zwaar slechthorend zijn in de zorg, het onderwijs en in overheidscommunicatie.

Het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten heeft in 2012 een rapport uitgebracht over de consequenties van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap voor de Nederlandse wetgeving. Hierin wordt niet aangeven dat wettelijke erkenning van de Nederlandse Gebarentaal noodzakelijk is. Desgevraagd geeft het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten aan dat het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geen nieuwe rechten toevoegt.

4. Erkenning gebarentaal

Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap stelt in lid 21 e.:

«Het gebruik van gebarentalen te erkennen en te bevorderen.»

De Nederlandse Gebarentaal is in Nederland maatschappelijk erkend en met hulp van de overheid gestandaardiseerd, maar niet wettelijk verankerd. In het VN verdrag voor personen met een beperking staat dat landen die dit verdrag ratificeren gebarentalen moeten erkennen. Dit is een van de redenen voor de initiatiefnemers om dit voorstel te doen. Veel Doven wachten al tientallen jaren op deze wet. Zij zien in de wet niet alleen een erkenning van hun taal, maar ook van hun zijn en hun cultuur.

4.1 Taalontwikkeling

De enige volwaardige manier om met een kind dat doof is te communiceren, is door het gebruik van gebaren. De Nederlandse Gebarentaal is daarmee van groot belang voor alle zwaar slechthorende en dove kinderen. Daaraan doet de operatie met een cochleair implantaat (een hulpmiddel waarmee geluid direct wordt omgezet in elektronische stimulering van de hoorzenuw) niks af, ook omdat de werkzaamheid moeilijk te voorspellen is. Horende ouders die een doof kind krijgen, leren de Nederlandse gebarentaal als een compleet nieuwe taal of proberen in ieder geval zoveel mogelijk gebaren uit deze taal zich eigen te maken.

Het is uitermate belangrijk dat dove kinderen in een vroeg stadium Nederlandse Gebarentaal aangeboden krijgen om hun taalontwikkeling op gang te brengen. Voor hen is Nederlandse Gebarentaal de enige mogelijkheid daartoe. Als er in de eerste vijf levensjaren geen volwaardige taal wordt aangeleerd, zal taalverwerving blijvend achterlopen. De taalontwikkeling van kinderen die doof zijn, verloopt gelijk aan die van horende kinderen. Het risico op achterstand in de taalontwikkeling zit vooral in het aanbod en de beschikbaarheid van mensen om hen heen die de Nederlandse gebarentaal beheersen. Het goed beheersen van Nederlandse Gebarentaal voor kinderen die doof zijn, betekent ook dat zij kunnen deelnemen aan de dovengemeenschap, die een rijk cultureel leven kent.

Veel organisaties die zich richten op doven, zijn zich er inmiddels van bewust dat het noodzakelijk is dat hun medewerkers de Nederlandse Gebarentaal goed beheersen. Ook snappen zij dat ze personen die doof zijn in dienst moeten hebben: enerzijds om als rolmodel te fungeren en anderzijds omdat de communicatie tussen hen en de cliënten dan van een hoger niveau is. Horenden kunnen de Nederlandse Gebarentaal pas na jaren training en ervaring op hetzelfde niveau beheersen als Doven. Dit inzicht in het belang van gebarentaal geldt echter nog niet voor alle organisaties die voor en met doven werken.

4.2 Overheidscommunicatie en communicatie met de overheid

Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een beperking stelt in artikel 21b:

«Het aanvaarden en faciliteren van het gebruik van gebarentalen, braille, ondersteunende communicatie en alternatieve vormen van communicatie en alle andere toegankelijke middelen, communicatiemogelijkheden en -formats naar keuze van personen met een handicap in officiële contacten.»

Er zijn ongeveer 15.000 personen die vroegdoof zijn in Nederland. De overheid moet meer aandacht besteden aan hoe zij met personen die Doof zijn communiceert en hoe zij met de overheid kunnen communiceren. Specifiek aan de communicatie met vroegdoven is dat voor hen de Nederlandse Gebarentaal onmisbaar is.

De overheid heeft de taak personen die doof zijn te informeren over voor hen belangrijke zaken op een manier die voor hen te begrijpen is. Ondertiteling of tekst aanbieden is daarbij vaak niet voldoende omdat veel personen die doof zijn in het gesproken en geschreven Nederlands een taalachterstand hebben. De Nederlandse Gebarentaal kent een andere grammatica en gebarentaligen zijn veel sterker op visuele communicatie ingesteld. Hierdoor hebben zij meer moeite met de snelheid van ondertiteling of het begrijpen van tekst dan horende mensen. Daar waar nodig en mogelijk, moet het streven zijn om communicatie dan ook in gebarentaal te bieden. De initiatiefnemers stellen voor te beginnen met het live vertalen van de persconferentie van de Minister-President op vrijdag. Daardoor kunnen alle gebarentaligen recente politieke ontwikkelingen uit de eerste hand volgen.

Ook overheidsdiensten zoals de belastingdienst en 112 moeten bereikbaar en toegankelijk zijn voor dove mensen. Het Orgaan zal hier een stimulerende en controlerende rol in moeten nemen.

4.3 Orgaan voor de Nederlandse Gebarentaal

Dit wetsvoorstel beoogt ook de instelling van een officieel adviesorgaan voor de Nederlandse Gebarentaal zoals dat ter vergelijking ook het geval is voor de Friese taal. Het adviesorgaan rapporteert over behoeften, ontwikkelingen en zienswijzen aangaande de Nederlandse Gebarentaal aan de regering en andere bestuursorganen binnen Nederland. Het adviesorgaan kan daarnaast ondersteuning bieden bij het opstellen van regels en beleidsplannen ten aanzien van de Nederlandse Gebarentaal. Het wetsvoorstel voorziet in de vorming van dit adviesorgaan. Het heeft de voorkeur van de initiatiefnemers dat dit orgaan tevens de Raad van Toezicht is van het Nederlands Gebarencentrum. In die Raad hebben tot nu toe geen gebarentalige Doven zitting. De initiatiefnemers doen een aanbeveling voor de samenstelling van de Raad.

5. Huidige wet- en regelgeving in Nederland

In Nederland gebeurt het volgende ten aanzien van Nederlandse Gebarentaal en andere vormen van communicatie met personen die zwaar slechthorend of doof zijn:

  • In de wetgeving m.b.t. het dovenonderwijs is tweetalig onderwijs en de mogelijkheid van gebarentaal als instructietaal opgenomen.

  • In het reguliere onderwijs is in alle onderwijssoorten de mogelijkheid aanwezig een tolk Nederlandse Gebarentaal mee te nemen voor in principe alle onderwijscontacturen. In het kader van de Wet overige OCW-subsidies is hiervoor een wettelijke vergoedingsregeling getroffen, die wordt uitgevoerd door het UWV.

  • Voor personen met een auditieve beperking zijn er in Nederland regelingen voor de vergoeding van tolken in de onderwijs- en arbeidssituatie en voor de leefsituatie. Het gaat o.a. om tolken Nederlandse gebarentaal, tolken Nederlands met ondersteunende gebaren, schrijftolken en tolken vierhandengebaren.

  • Er is een teksttelefoonvoorziening beschikbaar, die is aangewezen als universele dienst in de Telecomwetgeving. Hierdoor kan iemand met een auditieve beperking met een teksttelefoon communiceren met iemand die kan horen.Voorts wordt de ontwikkeling van technologieën voor tolken op afstand nader verkend.

  • Als het gaat om het medium televisie kan worden gemeld dat de publieke omroep verplicht is 95% van haar programma’s te ondertitelen. De Nederlandse commerciële zenders zijn verplicht ten minste de helft van hun programma’s te ondertitelen (via de pagina’s op teletekst). Op dit moment is ook digitale gebarentechnologie in ontwikkeling, hoewel die waarschijnlijk niet op hetzelfde niveau zal komen als een tolk Nederlandse Gebarentaal.

  • Uit artikel 5 en 6 EVRM volgt, dat ieder die betrokken wordt in een procedure die tot onvrijwillige vrijheidsontneming kan leiden (strafzaken), recht heeft op kosteloze bijstand van een tolk. Dit geldt niet alleen voor een vreemde taal, maar ook voor gebarentaal. Bij verhoor door de politie, rechter-commissaris en tijdens de rechtszaak wordt dus voor de inzet van een kosteloze (gebaren)tolk zorg gedragen.

  • Art. 5 EVRM wordt door de rechtspraak «doorgetrokken» voor procedures op grond van de Wet Bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (vrijheidsontneming), zie HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1495.

  • Hetzelfde geldt in vreemdelingenzaken. Bij asielzaken wordt – tenzij de vreemdeling de Nederlandse taal machtig is – in alle gevallen kosteloos een tolk door de IND ingezet. Het doet er niet toe of het een tolk in een vreemde taal is, of een gebarentolk, of wellicht allebei. Hetzelfde geldt voor reguliere verzoeken tot toelating, zij het dat als van de vreemdeling redelijkerwijs verlangd kan worden dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerst (betrokkene verblijft bijvoorbeeld al vijf jaar legaal in NL), de IND geen zorg hoeft te dragen voor de inzet van een tolk. Dit zal bij een doof persoon anders zijn dus ook in die gevallen is in bijstand van een kosteloze gebarentolk voorzien.

  • Wat betreft de civiele en bestuurszaken bij de rechter geldt in beginsel dat partijen zelf voor een tolk moeten zorgen. Echter, indien iemand op grond van de Wet op de rechtsbijstand in aanmerking komt voor een toevoeging (gesubsidieerde rechtsbijstand), dan wordt ook in die gevallen voor een kosteloze (gebaren)tolk gezorgd.

Voorts zijn verschillende maatregelen genomen om het gebruik van Nederlandse Gebarentaal te bevorderen.

  • Zo financiert het Ministerie van OCW het Nederlands Gebarencentrum (NGc) voor de ontwikkeling en het beheer van de Nederlandse Gebarentaal. Hiermee is gekomen tot een standaardisering van de taal: er is nu sprake van landelijk erkende gebaren en een uniforme grammatica. Het NGc is ook verantwoordelijk voor de ontwikkeling van gebarentaalcursussen voor ouders van dove kinderen en andere belangstellenden, welke door een groot aantal organisaties gebruikt en uitgevoerd worden (onder andere de gezinsbegeleidingsdiensten en welzijnsstichtingen voor mensen met een auditieve beperking).

  • Daarnaast heeft het Ministerie van OCW middelen beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van materiaal voor tweetalig onderwijs (Nederlands en gebarentaal) binnen de scholen voor speciaal onderwijs aan personen met een auditieve beperking. Verder verzorgt de Hogeschool Utrecht (een instelling voor hoger beroepsonderwijs) een opleiding doventolk/leerkracht Nederlandse Gebarentaal.

  • Websites van de overheid moeten voldoen aan de webrichtlijnen die onder andere toegankelijkheid regelen, waarbij ook rekening is gehouden met personen met een visuele, auditieve of fysieke beperking. In de Overheidsbrede implementatieagenda voor dienstverlening en e-overheid (i-NUP) is het implementeren van de webrichtlijnen vóór 2015 als resultaatverplichting voor de mede-overheden opgenomen. Op 1 december 2010 is een nieuwe versie van de webrichtlijnen, versie 2, verschenen.

  • Om overheden genoeg tijd te gunnen hun website binnen het normale investerings-ritme aan te passen hoefden zij pas op 1 januari 2015 aan de eisen voor toegankelijke websites te voldoen. Het Toepassingskader voor de webrichtlijnen geeft aan waaraan zonder meer moet worden voldaan en welke uitzonderingen mogelijk zijn. Dit Toepassingskader is een dynamisch document: het verandert wanneer er andere eisen en technieken komen.

Erkenning Friese taal

In 2014 is de Wet gebruik Friese taal van kracht geworden. Hierin wordt geregeld dat het Fries en het Nederlands de officiële talen zijn in de provincie Fryslân. Wettelijk staat vast dat Friese burgers het recht hebben om in de rechtszaal en in het contact met bestuursorganen hun eigen taal, Nederlands of Fries, te gebruiken. Ook is een Orgaan voor de Friese taal ingesteld, met wettelijke taken ter bescherming en bevordering van het Fries.

Het Orgaan voor de Friese taal ziet toe op de status en het gebruik van het Fries in de provincie. Het adviseert en rapporteert aan bestuursorganen (zoals ministeries, provincie en Friese gemeenten) en rechterlijke instanties. Ook heeft het een agenderende en adviserende functie. Het ziet ook toe op de juiste invulling van het Kaderverdrag voor Nationale Minderheden en op het Europees Handvest voor regionale talen. Het Orgaan telt vijf leden.

6. Regelgeving in het buitenland

Zoals er geen universele gesproken taal is, is er ook geen universele gebarentaal en ook geen gelijke manier waarop taal wettelijk erkend en gefaciliteerd wordt. Ieder land heeft daarom zijn eigen wet- en regelgeving met betrekking tot gebarentaal. In de Europese Unie bestaan 30 gebarentalen, maar bindende regelgeving met betrekking tot gebarentaal ontbreekt. Het Europees Parlement heeft in 1988 een resolutie uitgebracht getiteld «Resolution on Sign Languages for the Deaf» (DOC A2-302/87). Deze resolutie is in 1998 opnieuw uitgebracht in een licht gewijzigde versie.

De resolutie heeft geen expliciet wettelijk of bindend karakter, maar roept vooral op tot erkenning van gebarentaal en de daarmee samenhangende problematiek (zoals het gebrek aan tolken).

Op het niveau van de lidstaten hebben vrijwel alle landen (behalve Bulgarije en Luxemburg) hun nationale gebarentaal wettelijk beschermd. Meestal is dit vastgelegd in aparte wetgeving waarin de rechten van personen die doof of zwaar slechthorend zijn als gebruikers van gebarentaal worden vastgelegd, bijvoorbeeld met betrekking tot onderwijs.

Er zijn vier landen die hun Gebarentaal grondwettelijk hebben erkend: Finland (1995), Portugal (1997), Oostenrijk (2005) en Hongarije (2011). De wetgeving in deze landen verschilt in uitvoering.

In Vlaanderen is in 2006 per decreet de waardering en juridische erkenning van de Vlaamse Gebarentaal als taal van de Vlaamse Dovengemeenschap vastgelegd. Het decreet voorziet ook in een adviescommissie voor de overheid over de Vlaamse Gebarentaal en in verder onderzoek naar de Vlaamse Gebarentaal. Daarnaast is er nog aparte wet- en regelgeving met betrekking tot o.a. de voorziening van tolken, werk en gelijke kansen voor personen die doof of zwaar slechthorend zijn, en onderwijs voor deze personen.

Op 13 mei 2014 is in Denemarken de Deense Gebarentaal officieel erkend, op gelijke voet met het Deens, door middel van een wetswijziging. De Deense Gebarentaal was al impliciet erkend in verschillende wet- en regelgeving met betrekking tot gebarentaal, maar er was nog geen formele wettelijke erkenning. Als onderdeel van de Deense Raad voor Taal wordt nu een Deense Raad voor Gebarentaal opgericht. Deze zal bestaan uit de Minister van Cultuur, twee vertegenwoordigers van de Deense Raad voor Taal, en vertegenwoordigers van de Deense Dovenvereniging, het Ministerie van Onderwijs en Onderzoek, en van het Ministerie van Kinderen en Integratie. De Raad krijgt een jaarlijks budget van ongeveer 130.000 Euro en wordt verantwoordelijk voor onderzoek en informatievoorziening over de Deense Gebarentaal. Er worden geen aparte rechten vastgelegd voor de Deense Gebarentaal en haar gebruikers.

In Nieuw-Zeeland kent men de zogenaamde «Sign Language Act». Deze wet heeft tot doel om het gebruik van Nieuw-Zeelandse Gebarentaal (NZSL) te behouden en promoten. Dit gebeurt o.a. via de formele erkenning van NZSL als formele taal binnen Nieuw-Zeeland. Maar ook door de gebarentaal te ondersteunen bij juridische procedures (zoals rechtszaken), via ondersteuning en bevordering van procedures voor het juridische gebruik en vertaling van gebarentaal. Tot slot dient de wet voor het bieden van richtlijnen over de bevordering en het gebruik van gebarentaal door overheidsinstanties. De wet sluit aan op het VN-verdrag inzake de rechten van mensen met een handicap (artikel 21) zoals eerder in deze memorie beschreven.

7. Financiële gevolgen

Het doel van dit wetsvoorstel is om de Nederlandse Gebarentaal juridisch te erkennen en een orgaan voor de Nederlandse Gebarentaal op te richten, met een wettelijke adviestaak.

De instelling van het Orgaan voor de Gebarentaal en Dovencultuur leidt tot kosten. De kosten van dit orgaan beperken zich tot vacatiegelden en reiskosten. Met zeven leden en enkele bijeenkomsten per jaar zullen de kosten rond de € 10.000 liggen.

De kosten voor het bevorderen van de Nederlandse Gebarentaal moeten gevonden worden binnen bestaande budgetten voor voorlichting en communicatie.

8. Uitvoeringsgevolgen

Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat de uitvoering van deze wet binnen bestaande budgetten en met weinig uitvoeringseffecten plaats moet kunnen vinden.

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

In dit artikel wordt de erkenning van het gebruik geregeld van de Nederlandse Gebarentaal. Op de achtergrond van het gebruik van de Nederlandse Gebarentaal als taal is in het algemene deel van de toelichting reeds ingegaan.

Daarnaast krijgt de Minister van BZK de taak om te bevorderen dat er vaker gebruik gemaakt wordt van de Nederlandse Gebarentaal in het openbaar. Dit heeft een tweeledig doel. Allereerst wordt de communicatie van de overheid hiermee toegankelijker voor personen die doof zijn, maar daarnaast worden personen die doof zijn en hun communicatiebehoeften ook zichtbaarder voor het brede publiek. De taak om het gebruik van de Nederlandse Gebarentaal te bevorderen ziet allereerst op openbare toespraken van de leden van de regering. Dit betreft toespraken van Ministers en Staatssecretarissen. Zaken die voorzien zouden kunnen worden van een tolk Nederlandse Gebarentaal zijn bijvoorbeeld het vragenuurtje of de persconferentie op vrijdag van de Minister-President. Daarnaast krijgt de Minister van BZK tot taak om het gebruik van de Nederlandse Gebarentaal in het bestuurlijk verkeer te bevorderen. Dit ziet op de communicatie van overheidsorganen met burgers.

De Minister dient over het gevoerde beleid jaarlijks aan de Tweede Kamer te rapporteren.

Artikelen 3 tot en met 8

Deze artikelen voorzien in de instelling van een Orgaan voor de Gebarentaal en Dovencultuur. De kern van de taken en bevoegdheden van het Orgaan is de bevordering van de Nederlandse Gebarentaal en Dovencultuur. Deze twee onderwerpen hangen onlosmakelijk met elkaar samen, met de taal als belangrijke drager van de cultuur en de cultuur als samenbindende factor binnen de dovengemeenschap. Dit doel kan door het Orgaan uitgevoerd worden door gevraagd en ongevraagd te rapporteren over de behoeften en ontwikkelingen op de gebieden van gebarentaal en Dovencultuur. Daarbij kan het Orgaan zich niet alleen richten tot de Minister van BZK, maar ook tot andere Ministers en bestuursorganen. Daarnaast kan het Orgaan de Minister van BZK en andere Ministers adviseren over de uitvoering van de wet. Daarmee kan het Orgaan een belangrijke rol krijgen in de ontwikkeling van de Nederlandse Gebarentaal en het gebruik ervan in het land.

Bij de samenstelling van het Orgaan is het voor de initiatiefnemers van belang dat de leden bestaan uit gebarentalige Doven en direct betrokkenen bij de Nederlandse Gebarentaal, zoals ouders die de gebarentaal een plaats geven in de opvoeding van hun kinderen. Dit kunnen zowel horende ouders zijn die de gebarentaal gebruiken in de communicatie met hun dove kind, als Dove ouders die de gebarentaal gebruiken om met hun horende of dove kind te communiceren. Daarnaast dienen personen in het Orgaan zitting te hebben die bijvoorbeeld werkzaam zijn in het onderwijs aan dove kinderen en die de Nederlandse Gebarentaal gebruiken. Tot slot moeten een of meer leden afkomstig zijn uit de categorie onderzoekers en/of docenten van de Nederlandse Gebarentaal. Met de genoemde categorieën zal naar de mening van de initiatiefnemers een breed samengesteld orgaan verkregen worden, dat goede worteling heeft in de Nederlandse Dovengemeenschap en bij andere gebruikers van de Nederlandse Gebarentaal.

Het Orgaan is een adviescollege waarvan de adviestaak niet de hoofdtaak is, als bedoeld in artikel 3 van de Kaderwet adviescolleges. Dit betekent dat de Kaderwet adviescolleges gedeeltelijk van toepassing is op het Orgaan, waarbij met name hoofdstuk 4 van de Kaderwet adviescolleges, dat een regeling bevat inzake de wijze van advisering en standpuntbepaling door een adviescollege, van belang is. Omdat de hoofdstukken 3 (samenstelling en inrichting van adviescolleges) en 5 (begroting en programmering) van de Kaderwet adviescolleges niet van toepassing zijn op het Orgaan, zijn in de artikelen 5, tweede lid, 6 en 7 bepalingen opgenomen over de (duur van de) benoeming, de ondersteuning van het Orgaan en het werkprogramma.

De Wet vergoedingen adviescolleges en commissies regelt de vergoedingen van de leden van het Orgaan.

Artikel 9

Om goed kennis te kunnen nemen van deze nieuwe wet, die voor hun leven impact zal hebben, is het voor Doven noodzakelijk dat ze in Nederlandse Gebarentaal geïnformeerd worden over deze nieuwe wet. Dat zou kunnen in een film op de website van de rijksoverheid.

Van Laar Dik-Faber


X Noot
2

Gehoorverlies van meer dan 40 dB.

X Noot
3

De belangrijkste groepen gebruikers van Nederlandse Gebarentaal bevinden zich in deze groep, met name de groep mensen die doof of zeer slechthorend geboren is. In deze memorie van toelichting bedoelen we over het algemeen deze groepen vanwege het grote aantal gebarentaligen in deze groep. In totaal zijn er ongeveer 1,5 miljoen mensen met een auditieve beperking in Nederland, maar die worden dat over het algemeen op latere leeftijd. Onder mensen die later slechthorend/doof worden bevinden zich veel minder gebruikers van gebarentaal.

X Noot
4

P. Prawiro-Atmodjo, M. Langendoen & C. Tijsseling: Literatuurstudie naar de leefsituatie van vroegdove volwassenen. Koninklijke Kentalis: 2016, pag. 15–16).

X Noot
5

29 juni 2001, TK 2000/2001, 27 400 XVI, nr. 90, nr. 249.

X Noot
6

3 juli 2002, TK 2001/2002, 28 000 XVI, nr. 124.

X Noot
7

9 juni 2004, TK 2003/2004, 29 200 XVI, nr. 249.

X Noot
8

12 augustus 2008, TK 2007/2008, 31 200, nr. 178.