Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2016-201734550 nr. P

34 550 Nota over de toestand van 's Rijks financiën

P BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 december 2016

De Nederlandse economie herstelt gestaag van de economische crisis. Inmiddels groeit de economie al weer tien kwartalen op rij. Nederlanders die tijdens de crisis hun baan verloren vinden weer werk, en vrijwel iedereen heeft wat extra’s te besteden. Helaas is het herstel nog niet voor iedereen voelbaar: er zijn nog steeds te veel mensen die willen werken maar toch geen werk hebben, of die graag meer zouden werken maar geen extra uren kunnen krijgen. Er is dus nog altijd werk aan de winkel. In brede zin heeft het kabinet de werkgelegenheid gestimuleerd door werken lonender te maken en door kwetsbare groepen te ondersteunen bij het vinden van werk1. Ook de verhoging van de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK), de kinderopvangtoeslag (KOT) en introductie van het lage inkomensvoordeel (LIV) helpen meer mensen aan het werk. Sociale partners hebben in het vervolg op de Beleidsagenda 2020 inspanningen geleverd om de arbeidsparticipatie van oudere werknemers en de arbeidsmobiliteit van ouderen substantieel te verbeteren, mede door aandacht in cao’s voor leeftijdsbewust personeelsbeleid, werving en selectie, employability, scholing en arbeidsflexibiliteit.

Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 2015 heeft uw Kamer mij middels de Motie Barth2 verzocht «om in overleg met sociale partners mogelijkheden in kaart te brengen om de arbeidsparticipatie van ouderen en allochtonen te verhogen». Met deze brief informeer ik u over de vorderingen, welke ook besproken zijn met sociale partners.

Dalende werkloosheid en een groter aandeel werkenden

Sinds oktober 2015, toen de Motie-Barth werd aangenomen, is de situatie op de arbeidsmarkt veranderd. De motie stelt dat de «werkloosheid onder ouderen en allochtonen naar verwachting tegen [de] trend in zal blijven oplopen». Dat is gelukkig niet het geval. Zowel vijftigplussers als Nederlanders met een migratieachtergrond profiteren inmiddels ook mee van de aantrekkende economie.

Onder vijftigplussers was de werkloosheid in het eerste kwartaal van 2015 met 7,4 procent het hoogst gedurende de crisis3. Inmiddels is de daling ingezet en is 5,6 procent van de vijftigplussers werkloos in het derde kwartaal van 2016. Het is daarbij goed om te vermelden dat het aandeel vijftigplussers dat werk heeft nu groter is dan tien jaar geleden het geval was4. Daarbij moet wel worden aangemerkt dat ouderen vaker langdurig werkloos zijn dan andere leeftijdsgroepen5.

Een vergelijkbaar beeld tekent zich af onder Nederlanders met een migratieachtergrond. Voor deze groep was de werkloosheid het hoogst in het eerste kwartaal van 2014, toen 14,3 procent werkloos was (18,4 procent voor Nederlanders met een niet-westerse achtergrond). Volgens de meest recente cijfers is op dit moment 9,9 procent van Nederlanders met een migratieachtergrond werkloos (13,4 procent voor hen met een niet-westerse achtergrond)6. Ook onder deze groep is, over een langere termijn, een positieve ontwikkeling zichtbaar in het aandeel werkenden7.

Daarmee zijn we niet klaar. Nederlanders met een migratieachtergrond zijn nog altijd vaker werkloos dan gemiddeld en vijftigplussers ervaren moeite om (weer) aan de slag te komen. Daarom heeft het kabinet de laatste tijd verschillende initiatieven ondernomen die mensen helpen om het heft weer in eigen hand te krijgen.

Perspectief voor vijftigplussers

De langdurige werkloosheid onder vijftigplussers blijft een grote zorg voor het kabinet. Vijftigplussers worden niet vaker werkloos dan mensen in andere leeftijdsgroepen, maar vinden wel moeilijker weer een nieuwe baan als ze eenmaal werkloos zijn geworden. Dit is een structureel probleem dat veroorzaakt wordt door een combinatie van factoren, waaronder het negatieve beeld over vijftigplussers onder werkgevers. Dit terwijl vijftigplussers over het algemeen vitaal, productief en niet vaker ziek zijn dan andere leeftijdsgroepen. Tegelijkertijd is de wendbaarheid van vijftigplussers op de arbeidsmarkt soms beperkt, met name als kennis en vaardigheden niet voldoende bijgewerkt zijn. Daarnaast sluiten de zoekinspanningen van vijftigplussers niet altijd goed aan op de verwachtingen van werkgevers.

De aantrekkende economie en het stijgende aantal vacatures bieden, zoals de cijfers laten zien, kansen. Het kabinet heeft eerder al maatregelen getroffen die vijftigplussers helpen om die kansen om te zetten in werk. Zo is het door de invoering van inkomstenverrekening in de WW altijd lonend om werk te hervatten, ook tegen een lager loon. Daarnaast is de koppeling tussen de leeftijd en de hoogte van de vergoeding (transitievergoeding) bij ontslag sinds 1 juli 2015 losgelaten. Met het «Actieplan 50 Plus Werkt» zijn werkzoekende 50-plussers ondersteund bij het vinden van werk door middel van van netwerktrainingen, plaatsingsfees en scholingsvouchers.

Dit alles is nog niet voldoende. Daarom heb ik de Tweede Kamer op 7 juni 2016 – mede namens sociale partners en in lijn met de motie Barth c.s. – een nieuw actieplan aangeboden: «Perspectief voor vijftigplussers»8. Met dit plan willen kabinet en sociale partners werkloze vijftigplussers ondersteunen om beschikbare kansen nog beter te benutten en hun uitzicht op werk te verbeteren. Ons gezamenlijke streven is om het verschil tussen arbeidsparticipatie van vijftigplussers en de gemiddelde arbeidsparticipatie van andere leeftijdsgroepen zoveel mogelijk te beperken, de kans op langdurige werkloosheid te reduceren, de wendbaarheid van vijftigplussers te verbeteren, de kennis van dit probleem te vergroten en de beeldvorming over de vijftigplussers op de arbeidsmarkt te verbeteren.

Kern van de aanpak is om vijftigplussers te ondersteunen bij het vinden van een nieuwe baan, werknemers wendbaarder te maken op de arbeidsmarkt en werkgevers minder terughoudend te laten zijn bij het aannemen van vijftigplussers. Het actieplan omvat bestaande maatregelen waarvan we hebben gezien dat ze werken, zoals de netwerktrainingen van het UWV en de mobiliteitsbonus, maar ook uit nieuwe maatregelen. De belangrijkste nieuwe maatregelen zijn:

  • het tweede loopbaanadvies;

  • intensieve ondersteuning voor werkzoekenden die het hoogste risico hebben op langdurige werkloosheid;

  • verlagen van de no-risk-polis naar 56 jaar;

  • experimenten naar meer werk m.b.t. latente vacatures;

  • het wegnemen van belemmeringen bij aansluiting tussen vraag en aanbod;

  • en tot slot een campagne om beeldvorming over 50-plussers te verbeteren.

Dit plan wordt uitgevoerd in de jaren 2017 en 2018. In totaal is er 68 miljoen euro beschikbaar voor de uitvoering van het actieplan. Het plan zal goed worden gemonitord en geëvalueerd, zodat we ook in de toekomst weten wat het beste werkt om oudere werklozen te ondersteunen. Voor het einde van het jaar wordt daarover meer informatie verstuurd.

Nederlanders met een migratieachtergrond

Ook de arbeidsparticipatie van Nederlanders met een migratieachtergrond is een belangrijk aandachtspunt. Deze groep komt nog altijd moeilijker aan het werk dan Nederlanders zonder een migratieachtergrond, ondanks een stijgend opleidingsniveau. Brede arbeidsmarktmaatregelen, zoals het lonender maken van werk en het verbeteren van matchen op werk, komen ook deze groep ten goede. Daarnaast heeft het kabinet een aantal maatregelen ondernomen die tegemoetkomen aan de specifieke problemen waar deze groep tegenaan loopt.

Het kabinet maakt bijvoorbeeld werk van het aanpakken van discriminatie op de arbeids- en stagemarkt. Aandacht daarvoor is helaas nog altijd hard nodig: migrantenjongeren moeten bijvoorbeeld 2 tot 3 keer vaker solliciteren voor een stage (BOL) of leerwerkbaan (BBL). Over de maatregelen die op dit gebied getroffen zijn, informeerde ik de Tweede Kamer onlangs in de kabinetsreactie op het KIS-rapport over stagediscriminatie in het mbo9 en de tweede voortgangsrapportage van het Actieplan Arbeidsdiscriminatie10. In de kabinetsreactie op het KIS-rapport worden de activiteiten beschreven die worden genomen om discriminatie en negatieve beeldvorming tegen te gaan. Bij de uitvoering zullen de aanbevelingen uit het KIS-rapport worden meegenomen. In de tweede voortgangsrapportage van het Actieplan Arbeidsdiscriminatie heb ik het «Charter Diversiteit» van de Stichting van de Arbeid onder de aandacht gebracht. Het Charter Diversiteit heeft als doel om organisaties in de publieke en private sector te ondersteunen bij het bewerkstelligen van een diversiteit en inclusie op de werkvloer. Sociale partners onderstrepen daarmee dat diversiteit binnen een organisatie niet alleen een maatschappelijk doel is, maar ook goed is voor bedrijven zelf. De rijksoverheid hecht zeer aan dit initiatief en heeft de Stichting van de Arbeid hier dan ook een subsidie voor verstrekt.

Arbeidsdiscriminatie is niet de enige uitdaging waar Nederlanders met een migratieachtergrond voor staan. Met name migrantenjongeren in achterstandswijken maken, ondanks hun stijgende opleidingsniveau, vaak een slechte start op de arbeidsmarkt. Dat komt bijvoorbeeld doordat ze minder ondersteuning kunnen krijgen van het thuisfront en minder geïnformeerd zijn over de baankansen van opleidingen. Om (migranten)jongeren in achterstandswijken gelijke kansen te geven is City Deal opgestart, waarover ik de Tweede Kamer in november vorig jaar heb geïnformeerd11.

City Deal is een vernieuwend samenwerkingsverband tussen het kabinet en zeven steden, waarin we samenwerken met opleidingsinstellingen, werkgevers, SBB’s, UWV en jongerenorganisaties om de oriëntatie op opleiding en beroep te verbeteren. Dat betekent onder andere dat kinderen op het vmbo op bliksemstage gaan bij verschillende werkgevers, ouders handvatten krijgen om hun kinderen te ondersteunen bij hun studiekeuze en studiekiezers betere informatie voorhanden hebben over de arbeidsmarktkansen van verschillende beroepen. Over een jaar weten we wat werkt en gaan deze oplossingen breder worden uitgezet.

Ten slotte heb ik kennisgenomen van de Motie Strik12, die het kabinet verzoekt «in overleg te treden met de SER om ten behoeve van de komende kabinetsformatie scenario’s en werkwijzen te ontwikkelen om de participatie en carrièremogelijkheden van deze groepen op de arbeidsmarkt te vergroten». Het kabinet zal daarover in overleg treden met de SER13. Dit onderwerp zal ook terugkomen in de jaarlijkse brief waarin de SER wordt geïnformeerd over de onderwerpen die in het daaropvolgende jaar naar verwachting tot een adviesaanvraag aan de SER zullen leiden. Deze brief met SER-adviesvoornemens 2017 zal kort voor of na de kerst verzonden worden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Zie ook de brief «Matchen op werk in de arbeidsmarktregio’s», Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 745

X Noot
2

Eerste Kamer, 2015–2016, 34 300, letter E

X Noot
3

CBS Statline, geraadpleegd op 09-11-2016, niet gecorrigeerd voor seizoensinvloeden.

X Noot
4

Netto arbeidsparticipatiecijfers van Eurostat, 41,4% in 2006 (Q2) en 49,2% in 2016 (Q2).

X Noot
6

Werkloosheidscijfers van CBS Statline, 2014 (Q1) en 2016 (Q2). Een Nederlander met een migratieachtergrond is een persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Een persoon met een niet-westerse achtergrond is iemand van wie het land van herkomst is gelegen in Afrika, Azië (m.u.v. Japan en Indonesië), Latijns-Amerika of Turkije.

X Noot
7

De netto arbeidsparticipatie is onder Nederlanders met een migratieachtergrond gestegen van 57,8 procent in 2006 (Q2) naar 59,9 procent in 2016 (Q2). Onder Nederlanders met een niet-westerse achtergrond is de netto arbeidsparticipatie in dezelfde periode gestegen van 53,9 procent naar 56,6 procent.

X Noot
8

Tweede Kamer, 2015–2016, 29 544, nr. 724

X Noot
9

Tweede Kamer, 2016–2017, 31 524, nr. 300

X Noot
10

Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 748

X Noot
11

Tweede Kamer, 2015–2016, 29 544, nr. 674

X Noot
12

Eerste Kamer, 2016–2017, 34 550, letter E

X Noot
13

De werkagenda van de SER bevat reeds een aantal projecten die aan het doel van de motie-Strik raken. Zie voor de werkagenda de recente SER-verkenning «Mens en Technologie: samen aan het werk» (2016, p. 101), http://www.ser.nl/nl/publicaties/adviezen/2010–2019/2016/mens-technologie.aspx