34 129 Wijziging van de Politiewet 2012 in verband met de inbedding van de Politieacademie in het nieuwe politiebestel

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 24 juni 2015

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de door de verschillende fracties gestelde vragen en de naar voren gebrachte punten. Graag ga ik hieronder daarop in.

Bij de beantwoording van de vragen is de indeling van het verslag gevolgd. Waar verschillende fracties dezelfde vragen stellen, zijn deze vragen gebundeld beantwoord. Waar vragen over hetzelfde onderwerp op verschillende plekken in het verslag aan de orde komen, worden deze op één, zoveel mogelijk herkenbare plek, in de nota beantwoord. Waar in deze nota over «de Minister» wordt gesproken, wordt de Minister van Veiligheid en Justitie bedoeld.

I ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie vragen of er een minimaal taalniveau bestaat voor mensen om deel te kunnen nemen aan het onderwijs van de Politieacademie.

Om vanuit de politie deel te kunnen nemen aan het onderwijs van de Politieacademie worden de kandidaten onderworpen aan een geschiktheidstoets, waaronder een taalvaardigheidstoets. De kandidaat aspiranten moeten de taalvaardigheidstoets met een voldoende hebben afgesloten. Deze eis is vastgelegd in de Regeling aanstellingseisen politie 2002. Het niveau van deze toets is A2 en B1.1

De leden van de SP-fractie vragen of dit het moment is om de Politieacademie bij de nationale politie onder te brengen. Zij vragen of de nationale politie het op dit moment aankan om de Politieacademie in haar organisatie op te nemen.

De leden van de D66-fractie vragen op welke datum de regering het wetsvoorstel in werking wil laten treden, gelet op de vermelding in de memorie van toelichting dat het streven is het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in werking te laten treden.

De leden van de SP-fractie bedoelen met hun vraag vermoedelijk of dit het moment is om nagenoeg alle sterkte en middelen van de Politieacademie bij de politie onder te brengen. Het streven is om het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk af te ronden om duidelijkheid te scheppen voor de Politieacademie, haar medewerkers en de politie. Het wetsvoorstel voorziet erin dat de inwerkingtreding bij koninklijk besluit wordt bepaald. Op het moment dat het wetsvoorstel de instemming van de Staten-Generaal heeft zal een geschikte datum van inwerkingtreding worden vastgesteld. Deze datum zal in overleg met de Politieacademie en de politie worden bepaald zodat zij in staat zijn de overgang op een ordentelijke wijze te regelen. In de door mij toegezegde herijking van het realisatieplan van de politie kom ik hierop nader terug.

2. Het wetsvoorstel in hoofdlijnen

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Politieacademie haar taken ook kan verrichten voor de Koninklijke marechaussee (Kmar), de rijksrecherche en door de Minister aangewezen categorieën van personen, andere openbare diensten of rechtspersonen die een publiekrechtelijke taak uitoefenen op het terrein van politie, justitie of veiligheid, zoals gemeenten. Deze leden vragen hoe dit wordt ingericht.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts een toelichting op de passage in de memorie van toelichting dat de Politieacademie slechts andere werkzaamheden kan verrichten voor zover het opportuun wordt geacht.

Het bestaansrecht van de Politieacademie ligt in het verzorgen en ontwikkelen van het politieonderwijs, de examinering, het uitvoeren en uitbesteden van toegepast wetenschappelijk onderzoek en in samenhang daarmee, het overdragen van kennis aan de politie en derden. De Politieacademie verricht deze taken ten behoeve van de politie en voor andere personen, openbare diensten of rechtspersonen, die een publiekrechtelijke taak uitoefenen op het terrein van politie, justitie of veiligheid. Daaronder valt bijvoorbeeld het politiekorps voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het is gelet op de door deze partijen uitgevoerde publiekrechtelijke taak wenselijk dat zij, net zoals nu het geval is, politieonderwijs, kennis en onderzoek bij de Politieacademie kunnen afnemen.

De behoefte van deze derden wordt meegenomen in de totale behoeftestelling op basis waarvan de sterkte en middelen worden bepaald die aan de Politieacademie ter beschikking worden gesteld. Deze partijen zijn daarvoor een kostendekkend tarief verschuldigd. Er wordt gestreefd naar een meerjarig stabiele situatie. Hierdoor is het mogelijk dat de door derden te betalen vergoeding voor de kosten, door de Minister meerjarig wordt toegevoegd aan de algemene bijdrage aan de politie ten behoeve van de sterkte en middelen voor de Politieacademie. Deze bijdragen van derden worden zichtbaar gemaakt in de begroting van de politie.

Daarnaast wordt, net zoals op grond van het huidige artikel 3, tweede lid, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, de mogelijkheid geboden dat de Politieacademie andere taken verricht. Deze werkzaamheden dienen samen te hangen met de hiervoor genoemde taken. De werkzaamheden kunnen voorts alleen worden verricht na instemming van de Minister, derhalve wanneer de Minister dit opportuun acht. Daarbij zal de Minister als uitgangspunt hanteren dat de Politieacademie zich primair richt op de uitvoering van de in artikel 74 van de Politiewet 2012 genoemde taken.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de werving van nieuwe politiemedewerkers geen onderdeel meer is van de taken van de Politieacademie, maar dat deze nog wel zelf gaat over de inschrijving en de controle of iemand voldoet aan de eisen om toegelaten te worden. Deze leden vragen of iemand kan worden aangenomen door de politie, maar vervolgens niet wordt doorgelaten tot de Politieacademie.

Dat kan zich niet voordoen. In de Regeling aanstellingseisen politie 2002 is opgenomen dat de vooropleidingseisen voor de politieopleidingen gelijk zijn aan de eisen zoals deze gelden voor het regulier onderwijs; de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). De regeling wordt met het oog op het wetsvoorstel aangepast in die zin dat de Politieacademie de verantwoordelijkheid houdt voor het controleren van deze vooropleidingseisen als onderdeel van de aanstellingseisen voor een aspirant. Indien de kandidaat-aspirant niet voldoet aan de vooropleidingseisen en een toelatingstoets niet met succes heeft afgelegd wordt hij niet aangesteld bij de politie.

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat naast de daling van de budgetten (zowel van het opleidingsbudget van de nationale politie als de rijksbijdrage van het Ministerie van Veiligheid en Justitie) er in 2014 een onderbesteding was van het vastgestelde opleidingsbudget van de nationale politie. Zij vragen op welke wijze het voorliggende wetsvoorstel bijdraagt aan de oplossing van deze problematiek.

Het wetsvoorstel richt zich op het in een vroegtijdig stadium voorspelbaar en inzichtelijk maken van de opleidingsbehoefte en de benodigde opleidingscapaciteit voor de Politieacademie. Er komt een eenduidige meerjarige behoeftestelling op basis waarvan de sterkte en middelen worden bepaald die aan de Politieacademie ter beschikking worden gesteld. Hieromtrent worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld (artikelen 30 en 92, tweede lid, van de Politiewet 2012). Het begrotingsproces is leidend voor dit proces, omdat de benodigde middelen in de begroting van de politie worden vastgesteld. Dit is een verbetering ten opzichte van de huidige situatie waar in de Wet op het LSOP en het politieonderwijs of in de Politiewet 2012 geen vergelijkbare verbinding is tussen de politie en Politieacademie.

Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel worden de sterkte en middelen toegekend aan de Politieacademie op basis van een meerjarige opleidings- en onderzoeksbehoefte, zodat de behoefte aan politieonderwijs, onderzoek en kennis volledig aansluit op de benodigde sterkte en middelen. Hierdoor kan er in de toekomst geen sprake meer zijn van onderbesteding van budgetten. Overigens kan de huidige problematiek niet los worden gezien van de reorganisatie van de politie en de onzekerheid over de toekomstige werkplek van de medewerkers die dit met zich meebrengt.

3. Voorgeschiedenis van het politieonderwijs en de Politieacademie

De leden van de D66-fractie begrijpen dat de regering het merendeel van de constateringen en adviezen van de heer Wallage heeft overgenomen. Deze leden en de leden van de CDA-fractie vragen waarom de regering in afwijking daarvan heeft gekozen voor een model waarin alle mensen en middelen van de Politieacademie overgaan naar de nationale politie, met uitzondering van de directeur en de plaatsvervanger. Voorts vragen de leden van de D66-fractie wat de mogelijke kwetsbaarheden van dit model zijn en hoe ervoor wordt gezorgd dat dit model op termijn feitelijk niet leidt tot een te grote afhankelijkheidsrelatie van de Politieacademie ten opzichte van de nationale politie.

De heer Wallage heeft geconcludeerd dat het beheer van de Politieacademie efficiënter en effectiever valt te regelen. Hij stelt daarom voor om de verantwoordelijkheid voor al het ondersteunend beheer ten behoeve van de Politieacademie bij de politie te beleggen. Zodoende ontstaat meer standaardisatie, uniformiteit en synergie op het gebied van het ondersteunend beheer. Ik heb dit advies overgenomen. De heer Wallage adviseerde ook om de docenten, de onderzoekers en de directe ondersteuners van het primaire proces in dienst van de Politieacademie te houden. Dit is niet overgenomen. Als alle sterkte en middelen worden ondergebracht bij de politie wordt de verbinding tussen de twee partijen verbeterd. Al het personeel is in dienst van dezelfde rechtspersoon en heeft dezelfde rechtspositie. Hiermee wordt de mogelijkheid tot «uitwisseling» van personeel, met name docenten en examinatoren, tussen de politie en de Politieacademie versterkt. Dit heeft een positief effect op de kwaliteit van het onderwijs. Dit model ligt niet ver van het advies van de heer Wallage af omdat de directeur uiteindelijk het gezag heeft over de docenten, de onderzoekers en de directe ondersteuners van het primaire proces. Zij leggen uitsluitend aan hem verantwoording af.

Om ervoor te zorgen dat de directeur van de Politieacademie de (wettelijke) mogelijkheden heeft om een door hem ten behoeve van de kwaliteit van het onderwijs gewenste samenstelling van het personeel te bepalen, is in het wetsvoorstel een aantal waarborgen opgenomen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden eisen gesteld aan de sterkte en middelen die door de korpschef feitelijk ter beschikking worden gesteld. Daarnaast heeft de directeur van de Politieacademie een aanbevelings- en instemmingsrecht bij het aanstellen van nieuw personeel en het selecteren van personeel dat ten behoeve van de Politieacademie politieonderwijs ontwikkelt en verzorgt, kennis ontwikkelt, onderzoek verricht of onderwijsondersteunende werkzaamheden verricht (de primaire processen) of dat werkzaamheden verricht binnen de staf van de Politieacademie. Hij heeft ook een instemmingsrecht bij de selectie van de middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken van de Politieacademie en, ten slotte, bij het beëindigen van het feitelijk ter beschikking stellen van eerder bedoeld personeel en middelen.

Op deze wijze wordt geborgd dat de Politieacademie niet afhankelijk is van de politie voor het uitvoeren van de taken, zoals omschreven in het wetsvoorstel, en dat zij haar status als rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in de WHW kan blijven waar maken.

De leden van de D66-fractie vragen voorts op welke andere punten de regering ervoor heeft gekozen het advies van de heer Wallage niet te volgen en waarom.

In mijn brief van 19 april 2013 is op het advies van de heer Wallage ingegaan en aangegeven welke van de door de hem voorgedragen punten door mij niet zijn overgenomen.2 Het betreft de positie van de raad van toezicht, de uitbreiding van de taken van de politieonderwijsraad (POR) en de aansluiting bij het wettelijk instrumentarium van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om in te grijpen bij onderwijsinstellingen.

De heer Wallage gaat uit van het voortbestaan van een raad van toezicht bij de Politieacademie. In het wetsvoorstel is ervoor gekozen de raad van toezicht te laten vervallen. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen gaat uit van een transparante verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen Minister en een zelfstandig bestuursorgaan. Het kabinetsbeleid3 laat alleen in bijzondere gevallen ruimte voor een extra wettelijke orgaan, zoals een raad van toezicht. Ik ben van oordeel dat er in deze situatie geen sprake is van een bijzonder geval. Daarbij komt dat de taak die de huidige raad van toezicht heeft ten aanzien van het beheer van de Politieacademie na de wetswijziging komt te vervallen.

De heer Wallage stelt verder voor om de «gestructureerde dialoog» over de vraagarticulatie van de politie om tot een strategische behoeftestelling aan opleidingen te komen wettelijk bij de POR te beleggen. Voornoemde dialoog wordt in het wetsvoorstel toebedeeld aan het tripartiet overleg dat in het wetsvoorstel wettelijk is vastgelegd. Voorts past dit niet in de taken van de POR. De POR is een onafhankelijk adviesorgaan dat vrijelijk over het al dan niet aanwijzen van politieopleidingen voor opneming in de kwalificatiestructuur, en de inhoud daarvan, adviseert aan de Minister.

Ten slotte stelt de heer Wallage voor om aan te sluiten bij het wettelijk instrumentarium van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om in te grijpen binnen onderwijsinstellingen. Het door de Politieacademie verzorgde hoger onderwijs valt onder de WHW, zodat het in die wet neergelegde instrumentarium van voornoemde Minister van toepassing is. Een directe vertaling van de in het regulier middelbaar beroepsonderwijs (WEB) bestaande sanctiemogelijkheden van die Minister, zoals het ontnemen van het recht op het verzorgen van een beroepsopleiding of van het recht op examinering van een beroepsopleiding, acht ik niet nodig. De Politieacademie is de enige instantie die politieonderwijs aan de politie verzorgt en ik acht het van wezenlijk belang dat zij de kwaliteit behoudt, en waar nodig verbetert, op het terrein van het politieonderwijs en de onderzoeks- en kennisfunctie. Indien uit onderzoek van de Inspectie Veiligheid en Justitie blijkt dat de kwaliteit van de taakuitvoering door de Politieacademie te kort schiet, beschikt de Minister op basis van het wetsvoorstel en de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen over voldoende sturingsbevoegdheden, zoals het verdelen van sterkte en middelen ten behoeve van de Politieacademie en het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur stellen van eisen aan deze sterkte en middelen. De Politieacademie behoudt evenwel haar onafhankelijkheid voor de uitvoering van de taken.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een toelichting in hoeverre de voorgestelde wetswijzigingen naast de doelstelling om de Politieacademie in het nieuwe politiebestel te integreren, tevens bijdragen aan een oplossing voor de in het rapport-Vogelzang gesignaleerde problemen.

De raad van toezicht van de Politieacademie heeft de heer Vogelzang in 2012 gevraagd advies uit te brengen over «de huidige veranderstrategie Politieacademie 2014 en de te varen koers en oplossingsrichtingen aan te dragen voor de lopende dossiers die stagneren». De adviezen van de heer Vogelzang raken met name de interne bedrijfsvoering. In mijn brief van 8 april 20134 heb ik de adviezen van de heer Vogelzang als volgt samengevat:

  • 1. stel een nieuw college van bestuur aan waarin zowel de vakinhoudelijke politiële inbreng als de onderwijskant is vertegenwoordigd. Daarbij dienen de beide functies direct en definitief ingevuld te worden;

  • 2. creëer rust rondom de Politieacademie; laat geen nadere onderzoeken uitvoeren;

  • 3. haal de vrijblijvendheid uit de relatie politie – Politieacademie;

  • 4. kies als veranderstrategie meer voor een ontwerp dan een ontwikkelaanpak;

  • 5. positioneer kennis, onderzoek en ontwikkeling opnieuw in de organisatie;

  • 6. breng de bedrijfsvoeringstaken van de Politieacademie over naar de politie.

Ad 1. Dit advies heb ik overgenomen door twee nieuwe leden, de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter, aan te stellen waarbij de vakinhoudelijke politiële inbreng en de onderwijskant is vertegenwoordigd. De voorzitter zal na inwerkingtreding van het wetsvoorstel de directeur van de Politieacademie worden en de plaatsvervangend voorzitter diens plaatsvervanger.

Ad 2. In voornoemde brief heb ik aangegeven het advies over te nemen om waar mogelijk rust rondom de Politieacademie te creëren en dat ik hiertoe zal bijdragen door, op basis van meerjarige afspraken, zoveel als mogelijk continuïteit in de instroom te creëren.

Ad 3 en 4. In de brief van 19 april 2013 ben ik nader ingegaan op het advies om de vrijblijvendheid uit de relatie tussen de politie en de Politieacademie te halen en heb daarbij drie punten aangegeven. Het periodiek overleg tussen de Minister, de korpschef en de directeur van de Politieacademie (het zogenoemde tripartiet overleg) wordt bij wet geformaliseerd en met de politie en de Politieacademie is afgesproken dat zij deze overlegstructuur ook structureel vormgeven op de onderliggende tactische en operationele niveaus. De afstemming tussen beleids- en beheerscyclus van de politie en de Politieacademie wordt verbeterd. De komst van één korps betekent dat er een versimpelde eenduidige behoeftestelling kan worden geformuleerd die als input fungeert voor de Politieacademie. Ten slotte wordt de uitwisseling van personeel, met name docenten en examinatoren, tussen de politie en de Politieacademie versterkt doordat nagenoeg alle sterkte en middelen worden ondergebracht bij de politie.

Ad 5. Ten aanzien van de positionering van de onderzoeks- en kennisfunctie heb ik in laatstgenoemde brief aangegeven een strategische onderzoeksagenda in te voeren om het onderzoek meer richting te geven. Deze strategische onderzoeksagenda bevat de richtinggevende thema’s voor de onderzoeksprogrammering van de Politieacademie. De Politieacademie vertaalt de strategische onderzoeksagenda naar een concrete onderzoeksprogrammering. Daarnaast wordt de doorwerking van onderzoek in het onderwijs en de focus en samenhang in het onderzoek verbeterd door de POR op te dragen de Minister te adviseren over de strategische onderzoeksagenda. Hiermee komt de advisering over zowel de kwalificatiestructuur en de politieopleidingen als over de strategische thema’s voor het toegepast wetenschappelijk onderzoek dat door de lectoraten van de Politieacademie wordt uitgevoerd of wordt uitbesteed, in één hand te liggen. De uitbesteding van het toegepast wetenschappelijk onderzoek en de begeleiding van dat onderzoek wordt verzorgd door de POR, onder verantwoordelijkheid van de directeur van de Politieacademie.

Ad 6. De bedrijfsvoeringstaken van de Politieacademie worden ondergebracht bij de politie.

4. De vormgeving van de Politieacademie en de politieonderwijsraad

4.1 Publiekrechtelijke vormgeving Politieacademie en de Kaderwet ZBO´s en 4.2 Waarborgen onafhankelijkheid Politieacademie

De vragen en opmerkingen van leden van de SP-fractie, D66-fractie, CDA-fractie, en ChristenUnie-fractie over de onafhankelijkheid van de Politieacademie geven mij aanleiding om de aan het wetsvoorstel ten grondslag liggende uitgangspunten nogmaals onder de aandacht te brengen. Daarbij ga ik allereerst in op de vraag van de leden van de CDA-fractie naar een nadere onderbouwing van het voorgestelde model. De vragen van leden van verschillende fracties zullen daarbij worden beantwoord.

Het is verheugend te lezen dat de leden van de verschillende fracties het voornemen van de regering onderschrijven om de Politieacademie met behoud van diens onafhankelijkheid in te bedden in het nieuwe politiebestel. De onafhankelijkheid van de Politieacademie is een vereiste voor het behoud van de civiele diplomaerkenning, te weten van de accreditatie door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) van de opleidingen voor hoger onderwijs. Voorts biedt de onafhankelijkheid de mogelijkheid om voor politieopleidingen op een niveau dat overeenkomt met een niveau van de WEB een vrijstelling van de toelatingseisen voor een hbo-opleiding te kunnen krijgen. Hiermee wordt de kwaliteit van het politieonderwijs geborgd. Voorts is dit van belang voor een goed instroom-, doorstroom- en uitstroombeleid van de ambtenaren van politie. De onafhankelijkheid die in ieder geval tot uitdrukking komt doordat er sprake is van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, vormt de basis waaronder de Politieacademie/het politieonderwijs dient te worden vormgegeven, daarmee rekening houdend met de andere uitgangspunten van het wetsvoorstel, te weten:

  • 1. een goede aansluiting van het politieonderwijs bij de politiepraktijk; de wensen van de politie, de voornaamste behoeftesteller van de Politieacademie, dienen snel en adequaat door vertaald te worden naar de beroepsopleidingen van het politieonderwijs;

  • 2. kwalitatief goed politieonderwijs;

  • 3. een onafhankelijke invulling van de kennis- en onderzoeksfunctie;

  • 4. het beheer van de Politieacademie dient efficiënter en effectiever geregeld te worden.

In het voorgestelde model worden nagenoeg alle sterkte en middelen van de Politieacademie ondergebracht bij de politie. Op basis van de totale behoefte aan politieonderwijs, onderzoek en kennis bepaalt de Minister jaarlijks hoeveel sterkte en middelen door de korpschef feitelijk ter beschikking dient te worden gesteld aan de Politieacademie. Met het voorgestelde model wordt het beste aan voornoemde uitgangspunten voldaan, met inachtneming van de eis van onafhankelijkheid.

De korpschef stelt de sterkte en middelen ter beschikking aan de Politieacademie. Het wetsvoorstel voorziet in een aantal waarborgen ten aanzien van het ter beschikking stellen van de sterkte en middelen om de directeur van de Politieacademie zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het politieonderwijs en onderzoeks- en kennisfunctie te kunnen laten waarmaken.

Ten eerste worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur eisen gesteld aan de sterkte en middelen die feitelijk ter beschikking worden gesteld aan de Politieacademie. In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie welke instanties om advies worden gevraagd bij het opstellen van deze algemene maatregel van bestuur antwoord ik dat er in nauw overleg met de Politieacademie en de politie wordt gewerkt aan het formuleren van deze eisen. Andere stakeholders zullen worden geconsulteerd, waaronder de politieonderwijsraad en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In antwoord op de vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie of al kan worden geconcretiseerd welke eisen worden gesteld merk ik allereerst op dat de algemene maatregel van bestuur nog in een voorbereidende fase is. In de memorie van toelichting is reeds gewezen op de in het regulier middelbaar beroepsonderwijs (WEB) bestaande bekwaamheidseisen voor docenten. Voor docenten die politieonderwijs verzorgen op een niveau dat overeenkomt met een niveau, genoemd in de WEB, zullen deze eisen ook gaan gelden. Voor docenten die politieonderwijs verzorgen op een niveau van het hoger onderwijs is het voornemen als eis te stellen dat zij ten minste één niveau hoger zijn opgeleid dan degenen aan wie zij les geven. Voor beide sets van eisen moet nog nader worden bezien of een overgangsvoorziening nodig is. Ten slotte is het voornemen om in de algemene maatregel van bestuur voor te schrijven dat de korpschef en de directeur van de Politieacademie afspraken maken over kwalitatieve en kwantitatieve eisen die worden gesteld aan de ter beschikking te stellen sterkte en middelen.

Ten tweede regelt het wetsvoorstel twee wettelijke bevoegdheden van de directeur van de Politieacademie met het oog op het bepalen van de door hem ten behoeve van de kwaliteit van het politieonderwijs en onderzoek benodigde samenstelling van het personeel: een aanbevelingsrecht en een instemmingsrecht. Het wetsvoorstel regelt een aanbevelings- en instemmingsrecht ten aanzien van het aanstellen, onderscheidenlijk het selecteren van personen die werkzaamheden verrichten ten behoeve van het primaire proces van de Politieacademie of die werkzaamheden verrichten binnen de staf van de Politieacademie. Daarnaast regelt het een instemmingsrecht van de directeur bij het selecteren van de middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken van de Politieacademie en bij het beëindigen van het feitelijk ter beschikking stellen van de personen en middelen.

De leden van de SP-fractie vragen in dit verband in te gaan op het verschil tussen het oordeel van de Afdeling advisering van de Raad van State (Afdeling) en de regering op het punt van de rol van de directeur.

De Afdeling merkt naar aanleiding van het aan haar voorgelegde wetsvoorstel op dat de directeur van de Politieacademie wettelijk geen mogelijkheden heeft om een door hem ten behoeve van de kwaliteit van het onderwijs gewenste samenstelling van het personeel te bepalen. Zij acht de mogelijkheid voor de directeur om een eigen personeelsbeleid te kunnen voeren van wezenlijk belang voor de beoogde onafhankelijkheid van de Politieacademie.

Met de Afdeling onderschrijf ik het belang van de directeur om de door hem gewenste samenstelling te bepalen van het personeel dat voor hem werkzaamheden verricht. Anders dan de Afdeling meent, is daarvoor niet nodig dat het personeel in dienst is bij de Politieacademie. Dit deel van het advies heeft desondanks aanleiding gegeven het in het oorspronkelijke wetsvoorstel opgenomen instemmingsrecht van de directeur uit te breiden met een aanbevelingsrecht. De directeur krijgt hiermee wettelijk een actieve rol bij het bepalen van de samenstelling van het personeel dat ter beschikking wordt gesteld aan de Politieacademie. Het voor de werkzaamheden van de Politieacademie geselecteerde personeel staat voorts onder zijn gezag en wordt door hem op grond van dit gezag functioneel aangestuurd.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze de directeur van de Politieacademie invulling kan geven aan zijn aanbevelings- en instemmingsrecht.

Het wettelijk verankerde aanbevelings- en instemmingsrecht brengt mee dat de directeur van de Politieacademie feitelijk de selectieprocedure voor het aanstellen en het ter beschikking stellen van onder meer docenten, onderzoekers en lectoren, de staf en extern ingehuurde acteurs ter hand neemt. Op basis hiervan doet hij een aanbeveling aan de korpschef. Het instemmingsrecht borgt dat de korpschef geen personen kan aanstellen voor de uitvoering van de taken van de Politieacademie die niet de instemming hebben van de directeur van de Politieacademie.

De zorgen van de leden van verschillende fracties en de door hen aangehaalde personen die aan het woord zijn geweest tijdens het door de vaste commissie gehouden rondetafelgesprek op 11 maart jl. zien met name op de positie van de directeur van de Politieacademie bij het feitelijk ter beschikking stellen van de sterkte. Deze zorgen neem ik serieus. Naar mijn mening wordt met het – aangepaste – model voldoende aan deze zorgen tegemoet gekomen.

De leden van de SP-fractie vragen te reageren op de kwalificatie die de plaatsvervangend voorzitter van de raad van toezicht gaf aan de directeur, te weten «een generaal zonder personeel». Deze leden wijzen er voorts op dat de Afdeling aangeeft dat een vaste staf van docenten de onafhankelijkheid en continuïteit van de Politieacademie bevordert, waardoor het behoud van kwaliteit kan worden gewaarborgd. Zij vragen waarom de regering deze argumenten te licht heeft bevonden om haar keuze op dit punt te herzien.

Om de onafhankelijkheid en continuïteit te bevorderen is niet noodzakelijk dat de medewerkers van de staf in dienst zijn van de Politieacademie. In de memorie van toelichting is aangegeven dat bij de politie een nieuwe ondersteunende dienst wordt ingericht van waaruit personen ter beschikking worden gesteld aan de Politieacademie. Het personeel dat ter beschikking wordt gesteld staat volledig onder het gezag van de directeur die ook nog een instemmingsrecht heeft bij het beëindigen van het ter beschikking stellen van dit personeel. Hiermee wordt de onafhankelijkheid geborgd en de continuïteit bevorderd. De directeur van de Politieacademie is dan ook niet aan te merken als een generaal zonder personeel.

Bij de vraag van de leden van de SP-fractie naar de mogelijkheden van uitwisseling van personeel met behoud van de Politieacademie als onafhankelijke organisatie gaan deze leden vermoedelijk uit van eigen personeel in dienst van die organisatie. Als de Politieacademie eigen personeel in dienst houdt, zullen bij detachering of andere regelingen met het oog op uitwisseling altijd nog afspraken moeten worden gemaakt tussen twee organisaties. Een volledig uniform personeelsbeleid kan in die situatie niet worden bereikt.

De korpschef is in het voorgestelde model de werkgever van het personeel dat werkzaamheden verricht ten behoeve van de Politieacademie. Daartoe komen alle medewerkers van de Politieacademie, met uitzondering van de toekomstige directeur en zijn plaatsvervanger, in dienst van de politie en worden derhalve ambtenaar van politie met een uniforme rechtspositie. Hierdoor kan personeel in beginsel makkelijk worden «uitgewisseld» tussen de politie en de Politieacademie waardoor de overdracht van kennis en cultuuraspecten wordt geoptimaliseerd. Ook kan het politiedocentschap beter dan nu het geval is worden geïntegreerd in de carrièrepaden van de ambtenaren van politie. De door de politie te verzorgen beroepspraktijkvorming, als onderdeel van de politieopleidingen, wordt geoptimaliseerd door de verbeterde verbinding tussen de politie en de Politieacademie.

De leden van de SP-fractie vragen of een directeur en een plaatsvervangend directeur die met zijn tweeën in dienst zijn van de onafhankelijke rechtspersoon afdoende in staat zijn tegenwicht te bieden tegen een grote politieorganisatie. In dit licht vragen zij welke mogelijkheden de regering ziet om te kiezen voor een ZBO met een raad van bestuur en een raad van toezicht. Zij vragen of dit juridisch mogelijk is en of een dergelijk gewichtiger vormgegeven bestuur met onafhankelijk toezicht niet beter in staat is de belangen van onafhankelijk onderwijs en onafhankelijk onderzoek te behartigen.

Het college van bestuur is vervangen door één directeur vanwege de verlichting van de werkzaamheden, omdat nagenoeg alle sterkte en middelen van de Politieacademie zijn ondergebracht bij de politie, en omdat de behoeftestelling van de korpschef een vereenvoudigd aanbod aan politieonderwijs zal opleveren. Deze directeur is een zelfstandig bestuursorgaan. Door te kiezen voor één directeur wordt de verantwoordelijkheid nu duidelijk bij één persoon belegd. Dat het zelfstandig bestuursorgaan bestaat uit één functionaris brengt naar mijn oordeel niet mee dat, zoals de Afdeling heeft aangegeven, dit kwetsbaar is in het licht van de beoogde onafhankelijke positie van de Politieacademie. De bevindingen uit het advies van de heer Vogelzang bevestigen dat een college van bestuur op zich zelf geen garantie biedt dat een bestuur voldoende sturend vermogen bezit.

Wat betreft het laten vervallen van de raad van toezicht wijs ik op het hiervoor aangehaalde kabinetsbeleid ten aanzien van zelfstandige bestuursorgaan.

De belangen van onafhankelijk onderwijs en onderzoek zijn bij één directeur voldoende behartigd.

De leden van de VVD-fractie vragen wat er gebeurt met de huidige docenten en overige medewerkers die werkzaam zijn aan de Politieacademie na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.

Het wetsvoorstel regelt dat het personeel dat in dienst is van de Politieacademie, met uitzondering van de huidige voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van het college van bestuur, op de datum van inwerkingtreding van de wet overgaat in dienst van de politie op dezelfde voet en ook overigens in dezelfde rechtstoestand als waarin het op de dag, voorafgaand aan die datum, werkzaam was.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan uitsluiten dat de korpschef kan verhinderen dat iemand een overstap maakt naar de Politieacademie, behalve wanneer het gaat om de door de regering expliciet genoemde zwaarwegende reden dat iemands integriteit hiermee in het geding komt. Deze leden vragen of er daarnaast nog andere redenen zijn die de regering als zwaarwegend zou kwalificeren. Voorts vragen deze leden ook of de invloed van de korpsleiding op het personeelsbeleid geen negatief effect kan hebben op de onafhankelijkheid van onderzoek. Zij kunnen zich voorstellen dat de situatie zich voordoet dat iemand die voor de nationale politie onwelgevallige onderzoeken doet hierdoor problemen kan ondervinden. Ook kan zich de situatie voordoen dat een persoon die binnen de nationale politie bekend staat als een kritische geest verhinderd wordt de stap te maken naar de Politieacademie. Voorts kunnen deze leden zich voorstellen dat zich zelfcensuur voordoet uit vrees voor consequenties die een kritische beschouwing mogelijk kan hebben, of die vrees terecht is of niet. De leden van de SP-fractie vragen de regering op de geschetste situaties te reflecteren.

Het wettelijk verankerde aanbevelings- en instemmingsrecht brengt mee dat de directeur van de Politieacademie feitelijk de selectieprocedure voor het aanstellen en voor het feitelijk ter beschikking stellen van onder meer docenten, onderzoekers en lectoren, de staf en extern ingehuurde acteurs ter hand neemt. Tussen de korpschef en de directeur van de Politieacademie zullen hierover nadere afspraken worden gemaakt. Het ligt in de rede dat de korpschef alleen bij zwaarwegende redenen, bijvoorbeeld met het oog op de integriteit van de politie, afwijkt van een aanbeveling van de directeur van de Politieacademie. Op dit moment zijn er geen andere zwaarwegende redenen denkbaar. Het wettelijk instemmingsrecht waarborgt dat uiteindelijk alleen de personen die door de directeur van de Politieacademie geschikt worden geacht, feitelijk ter beschikking worden gesteld aan de Politieacademie. Het valt evenwel niet uit te sluiten dat de korpschef verhindert dat iemand een overstap maakt naar de Politieacademie. Indien zich een dergelijke situatie voordoet, ligt het in de rede dat de politie en de Politieacademie als professionele organisaties hierover in overleg treden. Indien noodzakelijk kan het probleem in het wettelijk geregelde tripartiet overleg worden besproken. Van censuur kan overigens geen sprake zijn. Omdat het voor de politie en de maatschappij van belang is dat het toegepast wetenschappelijk onderzoek over de politie of de politietaak, onafhankelijk en met voldoende kritisch vermogen kan plaatsvinden, is in het wetsvoorstel gekozen voor een onafhankelijke, kritische, maar ook efficiënte onderzoeks- en kennisfunctie die ten goede komt van de politie en de politietaak. Daarom vindt dit onderzoek niet door de politie zelf plaats maar door de lectoraten van de onafhankelijke Politieacademie en door uitbesteding aan externen onder gezag van de Politieacademie. De directeur van de Politieacademie stelt zelf, op basis van de strategische onderzoeksagenda, de concrete onderzoeksprogrammering van de Politieacademie vast.

De leden van de SP-fractie en de CDA-fractie vragen de regering in te gaan op de kritiek van de Algemene Rekenkamer. De Algemene Rekenkamer signaleert namelijk dat de behoeftestelling en de beschikbaarstelling van personeel door de korpschef aan de Politieacademie op gespannen voet met elkaar kunnen staan en waarschuwt ervoor dat de behoefte aan politieonderwijs ondergeschikt wordt aan de operationele inzetbaarheid van agenten.

De leden van de SP-fractie vragen voorts of de regering de garantie kan geven dat het nu onderbrengen van de Politieacademie niet ten koste zal gaan van de politiesterkte en/of de kwaliteit van het onderwijs en zo ja, of de regering dan bereid is extra geld beschikbaar te stellen.

De leden van de PvdA-fractie horen graag hoe het samenspel tussen de directeur van de Politieacademie en de korpschef voorkomt dat er bij krapte in de politieorganisatie personeelsleden van de Politieacademie zonder instemming van de directeur weer ingezet worden voor operationele werkzaamheden.

De Minister bepaalt de sterkte en middelen die ter beschikking worden gesteld aan de Politieacademie. Dit wordt vastgelegd in het beheersplan en de begroting van de politie. Het is de verantwoordelijkheid van de korpschef om deze sterkte en middelen feitelijk ter beschikking te stellen aan de directeur van de Politieacademie. Deze sterkte en middelen kunnen niet door de korpschef worden «teruggehaald» om krapte in de politieorganisatie op te vangen.

Met de Politieacademie en de politie is een financieel kader afgesproken. Bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel wordt uitgegaan van 896,9 formatieplaatsen die ter beschikking worden gesteld aan de directeur van de Politieacademie voor het verzorgen van de taken van de Politieacademie, 332,5 formatieplaatsen (inclusief werving en selectie) voor ondersteuning op het gebied van PIOFAH zaken en 21,1 formatieplaatsen als aanvulling op de inrichting van de staf. De sterkte en middelen voor het uitvoeren van de taken van de Politieacademie gaan daarmee niet ten koste van de huidige politiesterkte of van de kwaliteit van het onderwijs. Daarna wordt jaarlijks door de Minister de sterkte en middelen bepaald op basis van de totale behoefte aan politieonderwijs en onderzoek.

De leden van de CDA-fractie vragen of er andere voorbeelden zijn van onafhankelijke onderwijsinstellingen, die zijn vormgegeven als een ZBO dat alleen bestaat uit een directeur en een plaatsvervangend directeur.

Dergelijke voorbeelden zijn mij niet bekend. Overigens wijs ik erop dat de WHW geen voorschriften kent over de omvang van het bestuur van een rechtspersoon voor hoger onderwijs.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de stand van zaken is in het overleg met de Minister van Financiën over een adequate wettelijke regeling van de taak en bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer bij «in natura» bijdragen ten laste van de rijksbegroting.

Het overleg tussen de Minister van Financiën en de Algemene Rekenkamer waarnaar de leden van de CDA-fractie verwijzen, heeft plaatsgevonden in het kader van het wetsvoorstel inzake de modernisering van de Comptabiliteitswet. Dit wetsvoorstel regelt onder meer de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de uitoefening van haar taken. In de hoofdlijnennotitie over de modernisering van de Comptabiliteitswet is aangekondigd dat het wetsvoorstel zal voorzien in een aantal uitbreidingen van de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer waaronder de bevoegdheid tot onderzoek ingeval van bijdragen in natura.5

Bovengenoemd overleg tussen de Minister van Financiën en de Algemene Rekenkamer heeft ertoe geleid dat het wetsvoorstel voor advies aan de Algemene Rekenkamer is voorgelegd. Eind 2014 heeft de Algemene Rekenkamer haar advies over het wetsvoorstel uitgebracht. Het wetsvoorstel is momenteel aanhangig bij de Afdeling.

De leden van de CDA-fractie merken op dat in het wetgevingsoverleg over de politie op 17 november 2014 door de Minister van Veiligheid en Justitie is aangegeven dat het besturingsmodel van de nationale politie aangepast zal worden. Deze leden vragen of de bedoelde aanpassingen nog gevolgen kunnen hebben voor het voorliggende wetsvoorstel.

Het nog aan te passen besturingsmodel bij de politie heeft geen gevolgen voor de wijze waarop sterkte en middelen ter beschikking worden gesteld aan de Politieacademie. De aanpassing heeft dan ook geen gevolgen voor het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de D66-fractie constateren dat met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel de raad van toezicht van de Politieacademie komt te vervallen. Zij vragen welke alternatieven er zijn voor het toezicht houden op de taakuitoefening door de directeur van de Politieacademie en voor het bewaken van de doelstellingen en strategie van de Politieacademie en wie hiervoor gaat zorgen. Deze leden vragen op welke manier de Commissie van toezicht beheer nationale politie hierin en in de controle op het beheer van de Politieacademie een rol kan spelen en waarom dit niet in het wetsvoorstel meegenomen.

De commissie van toezicht beheer politie heeft als taak het beoordelen van de wijze waarop de politie uitvoering geeft aan het door de Minister vastgestelde beleid en de kaders inzake het beheer van de politie en de Minister hieromtrent gevraagd en ongevraagd te adviseren. De commissie is ingesteld bij Instellingsbesluit Commissie van toezicht op het beheer politie.6 Omdat de sterkte en middelen voor de uitvoering van de taken van de Politieacademie door de politie ter beschikking worden gesteld, ziet de taak van deze commissie ook op het ter beschikking stellen van de sterkte en middelen aan de Politieacademie. Groter kan deze rol niet worden in verband met de onafhankelijkheid van de directeur van de Politieacademie.

De taakuitoefening en strategie van de Politieacademie wordt op verschillende wijze «bewaakt».

  • 1. De directeur is verplicht om een kwaliteitssysteem in te voeren waarbij zoveel mogelijk in samenwerking met andere onderwijsinstellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de Politieacademie.

  • 2. Voor het hoger onderwijs is er een extern accreditatie systeem.

  • 3. Door de aansluiting op het regulier onderwijs is vergelijking met het regulier onderwijs mogelijk.

  • 4. De Minister zorgt voor het vaststellen en onderhouden van een samenhangend en gedifferentieerd geheel van kwalificatiedossiers en bijbehorende kwalificaties, waarover de POR adviseert.

  • 5. De POR fungeert voorts als een afstemmingsorgaan tussen de bij het politieonderwijs betrokken organisaties. De brede samenstelling van de POR biedt de mogelijkheid om op systematische wijze en door horizontale afstemming tussen de diverse betrokkenen, de kwaliteit van de politieopleidingen op een hoog niveau te houden.

  • 6. Het van toepassing zijn van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen brengt mee dat de in die wet geregelde sturingsmiddelen ter beschikking staan aan de Minister, zoals de instemming met mandaatverlening aan de directeur van de Politieacademie en de goedkeuring van het bestuursreglement en de besluiten tot vaststelling van de begroting en jaarrekening.

  • 7. De invoering van een, op basis van een advies van de POR, door de Minister vastgestelde strategische onderzoeksagenda, leidt tot meer focus en samenhang van het toegepast wetenschappelijk onderzoek naar de politie en de politietaak.

  • 8. De Inspectie Veiligheid en Justitie houdt toezicht op de uitvoering van de taken door de Politieacademie. Wat betreft het toezicht op de naleving van de WHW voert deze inspectie op basis van een samenwerkingsovereenkomst met de Inspectie van het onderwijs tevens het toezicht, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het onderwijstoezicht, uit.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een nadere toelichting op de invloed die vanuit de politie op de duur van de opleidingen en de toelatingseisen van de Politieacademie kan worden uitgeoefend, bijvoorbeeld indirect door minder mensen ter beschikking te stellen. Deze leden vragen of de gekozen juridische structuur er niet toe leidt dat de sturingsrelaties en de verhouding tussen de korpschef en de directeur van de Politieacademie complexer worden.

Het voorliggende wetsvoorstel regelt dat de Politieacademie een zelfstandige organisatie – een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid – blijft. De directeur van de Politieacademie is verantwoordelijk voor de organisatorische inrichting van de Politieacademie en het verzorgen van het politieonderwijs, de examinering, het doen en uitbesteden van toegepast wetenschappelijk onderzoek en de kennisfunctie. Er is geen hiërarchische relatie tussen enerzijds de Minister en anderzijds de directeur van de Politieacademie en tussen enerzijds de korpschef en anderzijds de directeur van de Politieacademie.

Op basis van de kwalificatiestructuur wijst de Minister de politieopleidingen aan die de Politieacademie kan ontwikkelen en verzorgen. Het is vervolgens aan de Politieacademie om de politieopleidingen zo in te richten dat de student de kwalificatie binnen de studieduur kan bereiken. Voor wat betreft de opleidingen op een niveau dat overeenkomt met een niveau van de WEB bepaalt de Politieacademie de studieduur van de opleiding met inachtneming van die wet. Voorts is vastgelegd dat de vooropleidingseisen zoals deze ook gelden voor het regulier onderwijs onverkort van toepassing zijn om tot een basis politieopleiding te kunnen worden toegelaten. Het voorgestelde model is niet complexer, maar brengt de politie en de Politieacademie dichterbij elkaar, zoals door de heer Vogelzang is geadviseerd.

Zoals hierboven is aangegeven bepaalt de Minister de sterkte en middelen die ter beschikking worden gesteld aan de Politieacademie en is het de verantwoordelijkheid van de korpschef om deze sterkte en middelen feitelijk ter beschikking te stellen aan de directeur van de Politieacademie. Het staat de korpschef niet vrij om naar eigen bevinding minder mensen ter beschikking te stellen.

De leden van de D66-fractie vragen naar een expliciete bevestiging dat met het voorgestelde model wordt voldaan aan in de (beleids)regelgeving voor diplomagelijkwaardigheid voorgeschreven onafhankelijkheid.

Mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bevestig ik dat in het voorgestelde model de vereiste onafhankelijkheid wordt gewaarborgd, hetgeen noodzakelijk is om de civiele diploma-erkenning door accreditatie door de NVAO van de opleidingen voor hoger onderwijs te kunnen behouden.

Gelet op het vorenstaande ben ik dan ook van oordeel dat het wetsvoorstel tezamen met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen voldoende waarborgen biedt voor de onafhankelijkheid van de Politieacademie.

4.3 Inspectiefunctie en Accreditatiefunctie

De leden van de CDA-fractie delen het standpunt van de regering dat de Politieacademie geen interne bedrijfsopleiding behoort te zijn, maar een volwaardige onderwijsinstelling en vragen of een bevoegdheid ter zake van de inspecteur-generaal voor het onderwijs niet voor de hand ligt. De leden van de VVD-fractie en de PvdA-fractie merken op dat de regering heeft geconstateerd dat de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (Inspectie Veiligheid en Justitie7) al een ruime bevoegdheid heeft om te interveniëren bij de Politieacademie en dat er geen behoefte is aan verdere uitbreiding analoog aan de Inspectie van het onderwijs. Deze leden vragen de regering om een toelichting te geven op deze bevoegdheden. Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie hoe de Inspectie Veiligheid en Justitie de statuur van een onafhankelijke onderwijsinspectie met kwaliteitsnormen, periodieke schoolbezoeken en andere eigen observaties krijgt.

De Inspectie Veiligheid en Justitie houdt, gelet op haar brede taak ten aanzien van de politie, toezicht op het politieonderwijs en de examinering. De inspectie houdt reeds toezicht op de politie op grond van de Politiewet 2012 en de Politieacademie op grond van de huidige Wet op het LSOP en het politieonderwijs. In het wetsvoorstel is ervoor gekozen de rol van de Inspectie Veiligheid en Justitie te handhaven. Ten aanzien van de naleving door de Politieacademie van de WHW bij de verzorging van de opleidingen die door de NVAO op grond van die wet zijn geaccrediteerd heeft de Inspectie van het onderwijs een toezichthoudende taak.

Om het toezicht op de geaccrediteerde politieopleidingen zo eenduidig mogelijk uit te voeren hebben de inspecties een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Voor zover het geaccrediteerde opleidingen van de Politieacademie betreft, voert de Inspectie Veiligheid en Justitie tevens het toezicht, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het onderwijstoezicht, uit. Daartoe heeft zij de wettelijke eisen uit de WHW opgenomen in haar Toezichtkader politieonderwijs. Het voorgaande betekent dat de Inspectie Veiligheid en Justitie ten aanzien van de Politieacademie feitelijk «de coördinerend toezichthouder» is en in eerste instantie het toezicht uitvoert op de geaccrediteerde opleidingen van de Politieacademie als rechtspersoon voor hoger onderwijs. Daarnaast houdt zij toezicht op het gehele politieonderwijs. Deze samenwerking doet niet af aan de bevoegdheden van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van de WHW en de bevoegdheden van de Inspectie van het onderwijs om handhavend op te treden op grond van de Wet op het onderwijstoezicht. De inspecties hebben afspraken gemaakt over informatie-uitwisseling en het komen tot onderling afgestemde toetsingskaders, waarbij de wederzijds aanwezige expertise leidt tot versterking van de kwaliteit van het toezicht.

Wat betreft de vraag naar de statuur van een onafhankelijke (politieonderwijs)inspectie wijs ik erop dat met de voorgestelde wijziging van artikel 65 van de Politiewet 2012 de IOOV, in lijn met het huidige artikel 32, tweede lid, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, bij wet wordt opgedragen toezicht te houden op de kwaliteit van de opleidingen en de examinering. De Inspectie Veiligheid en Justitie rapporteert aan de Minister. Er zijn voorzieningen getroffen om de onafhankelijkheid van de taakuitoefening door de Inspectie te waarborgen. Zo worden rapporten, voorzien van een oordeel van de Minister over de inhoud, aan de Tweede Kamer aangeboden. De Inspectie Veiligheid en Justitie legt jaarlijks een plan van werkzaamheden aan de Minister voor, houdende de werkzaamheden die in het kader van artikel 65, eerste lid, van de Politiewet 2012 worden uitgevoerd. Zij is bevoegd tot het verrichten van niet in het jaarplan opgenomen of aanvullende werkzaamheden, nadat daarover met de Minister is overlegd. Jaarlijks stelt zij een verslag op over de uitkomsten van de toezichtswerkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Dit verslag wordt aangeboden aan de Staten-Generaal.

Het verruimen van de mogelijkheden die de Inspectie Veiligheid en Justitie heeft om toezicht te houden is niet nodig. Het overnemen van de in het regulier middelbaar beroepsonderwijs bestaande sanctiemogelijkheden van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die op grond van de Wet op het onderwijstoezicht deels kunnen worden gemandateerd aan de Inspectie van het onderwijs, zoals het ontnemen van het recht op het verzorgen van opleidingen beroepsonderwijs of van het recht op examinering van een beroepsopleiding, acht ik niet nodig. Indien uit onderzoek van de Inspectie Veiligheid en Justitie blijkt dat de kwaliteit van de taakuitvoering door de Politieacademie te kort schiet, beschikt de Minister op basis van het wetsvoorstel en de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen over voldoende sturingsbevoegdheden. Daarnaast kan de Inspectie Veiligheid en Justitie van de Politieacademie verlangen dat binnen nader vast te stellen termijnen de nodige verbeterstappen worden gezet.

De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de Inspectie Veiligheid en Justitie feitelijk de coördinerend toezichthouder is en in eerste instantie het toezicht op de geaccrediteerde opleidingen van de Politieacademie uitvoert. Ook lezen deze leden dat op termijn deze inspectie het toezicht nog meer in lijn ontwikkelt met de wijze waarop de Inspectie van het onderwijs haar toezicht vormgeeft. Deze leden vragen de regering op welke termijn dit gaat gebeuren en wat moet worden aangepast om het toezicht in lijn te brengen met de Inspectie van het onderwijs. Voorts vragen deze leden wat de huidige verschillen zijn en welke gevolgen dit heeft voor het toezicht houden op de geaccrediteerde opleidingen van de Politieacademie.

De Inspectie Veiligheid en Justitie beschrijft zijn werkzaamheden op een bepaald onderwerp in een Toezichtkader. Momenteel werkt de Inspectie Veiligheid en Justitie aan een actualisatie van het Toezichtkader politieonderwijs. Naar verwachting is het Toezichtkader politieonderwijs in de loop van 2015 geactualiseerd. Hierbij benadert zij zoveel mogelijk het toezicht op het regulier onderwijs, met daarbij aandacht voor de specifieke context van het politieonderwijs. Zo wordt er onder andere rekening gehouden met de unieke (monopolie)positie van de Politieacademie als enige instelling die politieopleidingen mag aanbieden aan de politie.

Het huidige toezicht van de Inspectie van het onderwijs is gebaseerd op het principe dat een goede borging van kwaliteit en horizontaal toezicht bij een onderwijsinstelling minder (frequent) toezicht rechtvaardigt. Het toezicht van de Inspectie Veiligheid en Justitie zal in de lijn met het toezicht van de Inspectie van het onderwijs worden aangepast aan de wijze waarop de Politieacademie haar stelsel van kwaliteitszorg heeft ingericht. De Politieacademie is op dit moment druk bezig met de herijking van haar kwaliteitsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Zolang de Politieacademie nog niet beschikt over een goed werkend kwaliteitssysteem zal de Inspectie Veiligheid en Justitie op de huidige wijze het toezichtonderzoek blijven uitvoeren. Voor het houden van toezicht op geaccrediteerde opleidingen heeft dit geen gevolgen.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de NVAO eens in de zes jaar controleert of de hoger onderwijsopleidingen van de Politieacademie voldoen aan de kwaliteitsvoorwaarden van het hoger onderwijs. De Politieacademie vraagt deze accreditaties zelf aan. Deze leden vragen of deze termijn gelijk is aan de termijn bij andere hoger onderwijsopleidingen en wat de gevolgen zijn als de Politieacademie zou nalaten deze accreditatie aan te vragen.

De termijn van zes jaar geldt voor alle geaccrediteerde opleidingen in het hoger onderwijs. De Politieacademie is een rechtspersoon voor hoger onderwijs met geaccrediteerde opleidingen waarop de WHW van toepassing is. Die wet bepaalt dat het besluit van de NVAO tot het verlenen van accreditatie zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het besluit vervalt (artikel 5a.9, zevende lid, van die wet). Het verstrijken van deze termijn leidt er uiteindelijk toe dat de gevolgen die aan accreditatie verbonden zijn komen te vervallen en er geen recht meer is om wettelijke graden te verlenen. De Minister, de Politieacademie en de politie achten dit onwenselijk. Binnen het gestelde wettelijk kader zal de Minister voorkomen dat deze situatie ontstaat omdat de Politieacademie de enige is die politieonderwijs voor de politie mag verzorgen.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de Politieacademie als onderdeel van het kwaliteitssysteem een externe audit dient te organiseren. Zij merken daarbij op dat de Politieacademie weinig gelijken kent in het onderwijsveld. Daarom vragen zij welke andere relevante onderwijsinstellingen bij de externe audit betrokken kunnen worden.

Met onderdeel D van de nota van wijziging is tot uitdrukking gebracht dat alleen artikel 1.18, eerste lid, tweede en derde volzin, van de WHW van overeenkomstige toepassing is. Het organiseren van een externe audit, waarmee het samenstellen van een visitatiepanel (artikel 1.18, derde lid, van de WHW) wordt bedoeld, geldt alleen voor het hoger onderwijs. Een visitatiepanel dat door de instelling wordt samengesteld en waarmee de NVAO moet instemmen, bestaat uit deskundigen. Het betreft vakinhoudelijke deskundigheid, internationale deskundigheid, werkvelddeskundigheid, studentgebonden deskundigheid en visitatie- of auditdeskundigheid. Deze deskundigheden hoeven niet allemaal vertegenwoordigd te zijn in één persoon. Verder dient een panellid recente ervaring te hebben op het gebied van het ontwikkelen of geven van onderwijs. Navraag bij de NVAO wijst uit dat er geen tekort is aan onafhankelijke deskundigen om de beoordeling van de kwaliteit van de politieopleidingen vorm te kunnen geven. In andere landen bestaan vergelijkbare opleidingsinstituten. Zo is er ook in België een opleiding voor politiemensen. Daarnaast kent het vakkenpakket van de opleidingen aan de Politieacademie onderdelen die ook worden verzorgd door andere onderwijsinstellingen.

5. Taken Politieacademie

De leden van de PvdA-fractie, de CDA-fractie en de ChristenUnie-fractie vragen naar de rol van de Politieacademie ten aanzien van de veiligheidspartners van de politie en in hoeverre hiermee in het wetsvoorstel rekening is gehouden. De leden van de PvdA-fractie vragen naar de visie van de regering op dit punt.

De politie maakt deel uit van meerdere veiligheidsketens, zoals de strafrechtsketen en de keten van de fysieke veiligheid. De verwachting is dat in de toekomst de samenwerking van de politie met haar ketenpartners verder zal intensiveren. Voorstelbaar is dat als gevolg hiervan het onderwijs ten behoeve van deze ketenpartners meer in samenhang zal worden georganiseerd. Ik vind het van belang dat de Politieacademie kan samenwerken met deze ketenpartners en haar kennis en kunde aan hen en aan anderen kan aanbieden. Deze visie is in het wetsvoorstel als volgt veranderd. De directeur van de Politieacademie heeft een eigen budget voor het aangaan en verbeteren van samenwerkingsverbanden (zie artikel 95, eerste lid, onder c, van de Politiewet 2012). Artikel 74 biedt de ruimte voor de Politieacademie om die taken uit te voeren voor ketenpartners. Daarnaast blijft het mogelijk dat de Politieacademie, na instemming van de Minister, overige werkzaamheden kan verrichten. Met de instemming van de Minister wordt tot uitdrukking gebracht dat de Politieacademie zich ten aanzien van haar taken primair dient te richten op de politie en de openbare diensten of rechtspersonen die een publiekrechtelijke taak uitoefenen op het terrein van politie, justitie of veiligheid. De toestemming van de Minister is gebaseerd op een aantal voorwaarden die apart of samen bepalend zijn:

  • 1. de werkzaamheden dienen samen te hangen met de in artikel 74 genoemde taken van de Politieacademie;

  • 2. er dient een veiligheidsbelang of een ander publiek, openbaar, maatschappelijk belang mee gemoeid te zijn;

  • 3. voor de werkzaamheden dienen de afnemende partijen een marktconform tarief, ten minste de integrale kostprijs te betalen;

  • 4. de werkzaamheden dienen onderdeel te zijn van een voorspelbare en stabiele behoeftestelling die meegenomen wordt in de meerjarige totale opleidingsbehoefte en waarvan het beslag op de opleidingscapaciteit duidelijk is.

De behoefte van derden aan politieonderwijs en kennis en onderzoek wordt meegenomen in de totale behoeftestelling op basis waarvan de sterkte en middelen worden bepaald die aan de Politieacademie ter beschikking worden gesteld. Deze partijen zullen daarvoor een kostendekkend tarief verschuldigd zijn. Er wordt gestreefd naar een meerjarige stabiele situatie. Zowel de behoeftestelling van de politie als die van derden dient in principe meerjarig van aard te zijn. Hierdoor is het mogelijk dat de door derden te betalen vergoeding voor de kosten, door de Minister meerjarig wordt toegevoegd aan de algemene bijdrage aan de politie ten behoeve van de sterkte en middelen voor de Politieacademie. Deze bijdragen van derden worden zichtbaar gemaakt in de begroting van de politie.

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de korpschef in de schriftelijke inbreng voor het rondetafelgesprek in de Tweede Kamer stelde dat hij voldoende mensen en middelen ter beschikking zal stellen, maar dat hij zelf de mensen wenst in te roosteren én de sterkte wil kunnen inperken als het gaat om het leveren van diensten in de keten. Deze leden vragen of dit strookt met de beoogde onafhankelijkheid van de onderwijsfunctie van de Politieacademie.

In zijn bijdrage stelt de korpschef dat de leveringsplicht van sterkte en middelen begrensd moet zijn. De leveringsplicht wordt begrensd door de koppeling aan een meerjarige opleidingsbehoefte en de hieraan gerelateerde opleidingscapaciteit. De opleidingsbehoefte is onderdeel van de begroting en het beheersplan van de politie. De verdeling van de sterkte en middelen wordt pas door de Minister vastgesteld als hij de korpschef hierover heeft gehoord.

De opvatting dat de korpschef zelf de mensen die ter beschikking worden gesteld aan de Politieacademie wenst in te roosteren, berust op een misverstand. De korpschef heeft in zijn inbreng voor het rondetafelgesprek: «Tot slot wordt de beslis- en overlegstructuur tussen het Korps en de PA eenduidiger, zowel op operationeel, tactisch als strategisch niveau en wordt de afstemming en samenwerking tussen het Korps en de PA eenvoudiger. Bijvoorbeeld op het gebied van inroosteren van medewerkers in de dienst of op de opleiding en het uitwisselen van personeel (mensen uit de praktijk voor de klas en vice versa)». Het inroosteren van personeel dat ter beschikking is gesteld aan de Politieacademie is een verantwoordelijkheid van de directeur van de Politieacademie.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Inspectie Veiligheid en Justitie het onderzoek naar de parate kennis van politiepersoneel in de praktijk al heeft afgerond. Is het waar dat de Inspectie Veiligheid en Justitie al enige tijd geleden een rapport heeft afgerond waarin naar voren komt dat er grote achterstand is op het gebied van adequate kennis op het gebied van wetgeving en bevoegdheden? De kwaliteit van het politieonderwijs moet naar de mening van deze leden dan ook een voorwerp zijn van aanhoudende zorg.

Bij brief van 24 maart jl. heb ik het rapport van de Inspectie Veiligheid en Justitie van december 2014 aangeboden aan de Tweede Kamer met daarbij mijn beleidsreactie op het onderzoek.8 De Inspectie Veiligheid en Justitie concludeert dat er duidelijk winst te boeken is op het niveau van de parate kennis van de politieambtenaren werkzaam in de basispolitiezorg. Daarnaast concludeert zij dat de borging van die parate kennis in en door de politie ontbreekt. In voornoemde brief geef ik aan dat het beeld dat uit het rapport naar voren komt door de korpschef en mij wordt herkend. Om de eenheid op het terrein van de vakbekwaamheid van het politiepersoneel te borgen heb ik aangegeven, samen met de korpschef, de invoering van een bijpassend integraal kwaliteitssysteem voor vakbekwaamheid te onderzoeken en voor te bereiden. In de aanloop naar dit integrale kwaliteitssysteem worden alvast de onderstaande twee aspecten aangepakt. In de bestaande gesprekscyclus tussen leidinggevende en medewerkers wordt het niveau van vakbekwaamheid van de medewerker besproken. Als dit niet voldoende is, worden in dit gesprek afspraken gemaakt over de wijze waarop het juiste niveau bereikt kan worden.

Tijdens het algemeen overleg van 9 april jl. hebben wij hierover gesproken.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering de oproep van het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie beoordeelt dat aan de interne kwaliteitszorg en kwaliteitsborging van de Politieacademie geen afbreuk mag worden gedaan. Is die interne kwaliteitszorg in het voorliggende wetsvoorstel voldoende geborgd?

Het is wat betreft de regering uiteraard zo dat aan de interne kwaliteitszorg en kwaliteitsborging van de Politieacademie geen afbreuk mag worden gedaan. Dat is als gevolg van het wetsvoorstel ook niet het geval. De in artikel 1.18 van de WHW neergelegde voorschriften over de interne kwaliteitszorg zijn onverkort van toepassing op de Politieacademie voor wat betreft het hoger onderwijs. Het voorgestelde artikel 98 van de Politiewet 2012 strekt ertoe de in artikel 1.18, eerste lid, gestelde voorschriften ook te laten gelden voor de overige door de Politieacademie te ontwikkelen en verzorgen opleidingen.

De leden van de VVD-fractie merken op dat in het voorgestelde artikel 98 Politiewet 2012 is opgenomen dat de directeur van de Politieacademie er zorg voor draagt dat wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van de werkzaamheden van de Politieacademie. Zij vragen door wie deze beoordeling wordt uitgevoerd.

Deze bepaling ziet op het onderwijs, niet zijnde de door de NVAO geaccrediteerde opleidingen in hoger onderwijs, zoals de politieopleidingen op een niveau dat overeenkomt met een mbo-niveau en de niet op de kwalificatiestructuur gebaseerde opleidingen. In het voorgestelde artikel 98 is ervoor gekozen om net als voor de hoger onderwijsopleidingen de verantwoordelijkheid voor de interne kwaliteitszorg bij de instelling zelf, de Politieacademie, te beleggen. De Inspectie Veiligheid en Justitie ziet toe op de beoordeling door de directeur van de kwaliteit van de werkzaamheden van de Politieacademie.

De leden van de D66-fractie erkennen dat er een spanningsveld bestaat tussen de vereiste onafhankelijkheid van het onderwijs en de aansluiting op de beroepspraktijk van de politie en vragen wat volgens de regering een goede balans is tussen academische onafhankelijkheid en praktijkverbondenheid. Hoe wordt dit doel bereikt en op welke manier wordt dit gemeten?

In het wetsvoorstel is gekozen voor een optimale verbinding met de beroepspraktijk, met behoud van de onafhankelijkheid van het onderwijs. De vereiste onafhankelijkheid is wettelijk vastgelegd door de Politieacademie als zelfstandige rechtspersoon te behouden, conform de WHW, met aan het hoofd een directeur als zelfstandig bestuursorgaan in de zin van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Daarnaast is de praktijkverbondenheid geborgd doordat de Politieacademie primair op basis van de behoeftestelling van de korpschef het politieonderwijs en onderzoek en kennis ontwikkelt en verzorgt.

Er zijn meerdere instrumenten om de kwaliteit van het onderwijs van de Politieacademie te meten. Kortheidshalve verwijs ik naar de hierboven gegeven opsomming over hoe de taakuitoefening en strategie van de Politieacademie wordt «bewaakt».

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een toelichting waarom taken op het gebied van bijvoorbeeld de kwaliteit en inhoud van het onderwijs bij de nationale politie worden belegd, en niet bij de Politieacademie. Deze leden vernemen graag hoe wordt zorggedragen dat initiatieven op het gebied van innovatie binnen de nationale politie voldoende zijn gekoppeld aan de leeromgeving van de Politieacademie.

Taken op het gebied van de kwaliteit en inhoud van het onderwijs liggen bij de directeur van de Politieacademie en niet bij de politie. In zoverre is dus sprake van een misverstand. De directeur van de Politieacademie is verantwoordelijk voor de organisatorische inrichting van de Politieacademie en het verzorgen van het politieonderwijs, de examinering, het doen en uitbesteden van toegepast wetenschappelijk onderzoek en de kennisfunctie.

De korpschef is de grootste behoeftesteller van politieonderwijs en de grootste afnemer ervan. De Politieacademie ontwikkelt en verzorgt in het nieuwe model primair op basis van de behoeftestelling van de korpschef het politieonderwijs. Het afstemmen van vraag en aanbod en een eenduidige vraagarticulatie door de politie verbetert de aansluiting van het politieonderwijs op de politiepraktijk. Uitgangspunt van het gekozen model is dat de wensen van de politie snel en adequaat vertaald worden naar het politieonderwijs.

5.1 Politieonderwijs

De leden van de PvdA-fractie, de CDA-fractie, de ChristenUnie-fractie en de D66-fractie hebben vragen over de inzet van aspiranten in de praktijk. Zij vragen hoe gewaarborgd wordt dat een inzet tijdens de praktijkvorming passend is. De leden van de PvdA-fractie vernemen graag of de directeur van de Politieacademie zeggenschap heeft over de invulling van de praktijkvorming en hiermee een te volwaardige inzet kan worden voorkomen

Met voornoemde leden deel ik de opvatting dat de beroepspraktijkvorming van groot belang is voor de opleiding van ambtenaren van politie. De opleiding voor aspiranten is duaal van aard. De student start zijn opleiding tijdens zijn opleidingsdeel. Hij volgt dan een onderwijsprogramma. Uitgangspunt is dat opleidingsdelen bestaan uit contacturen (lesuren onder begeleiding van een docent) en zelfstudie-uren, waarin studenten individueel of met andere studenten studieactiviteiten verrichten voor de opleiding. De opleidingsdelen worden afgewisseld met de beroepspraktijkvorming. Tijdens de beroepspraktijkvorming moeten de studenten de competenties (kwalificaties) die zij zich tijdens de opleiding op school eigen hebben gemaakt, verder ontwikkelen en toepassen in de praktijk. De beroepspraktijkvorming bestaat uit praktijk- of werkuren. Het gaat hierbij om daadwerkelijke uitoefening van de politietaak in het kader van de opleiding. De student werkt aan leeropdrachten en verricht werkzaamheden voor de politie die passen bij de verworven competenties.

In het wetsvoorstel zijn meerdere waarborgen opgenomen om ervoor te zorgen dat de inzet van de aspiranten tijdens het praktijkdeel passend is.

  • 1. De Politieacademie biedt in samenwerking met de politie het politieonderwijs aan.

  • 2. Aan het beroepspraktijkvormingsdeel ligt een overeenkomst ten grondslag. Deze overeenkomst wordt gesloten door de Politieacademie, de student en de politie. Voor het duaal hoger onderwijs volgt dit uit de WHW. Voor de inhoud van deze overeenkomst wordt voor het overige politieonderwijs de lijn zoals vastgelegd in de WHW gevolgd.

  • 3. De directeur van de Politieacademie kan nadere regels omtrent het praktijkvormingsdeel opnemen in de onderwijs- en examenregeling.

Bij deze waarborgen wordt voor wat betreft de duur van het praktijkgedeelte aangesloten bij de eisen zoals deze gelden in het regulier onderwijs.

In reactie op de vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie, de D66-fractie en de CDA-fractie waarom er niet voor is gekozen om studenten pas over te laten gaan naar de nationale politie nadat zij hun diploma hebben behaald antwoord ik dat aspiranten tijdens het praktische opleidingsdeel de politietaak uitvoeren. Om daartoe bevoegd te zijn, dienen zij te zijn aangesteld bij een organisatie die de politietaak mag uitvoeren, zoals de politie.

Ten aanzien van de vraag van de leden van de D66-fractie over het meetellen van de politiestudenten in de sterkte heb ik u laatstelijk geïnformeerd bij brief van 15 mei 20139. Medewerkers in opleiding, waaronder dus ook aspiranten, worden volledig (voor 100% van hun aanstelling) meegeteld in de operationele sterkte. Medewerkers in opleiding van de politie worden volledig meegeteld omdat conform de definitie van operationele sterkte deze personen een functie hebben waarin direct contact is met de burger en/of waarin een directe inhoudelijke bijdrage aan de primaire politietaak wordt geleverd.

De leden van de PvdA-fractie vernemen graag waarom er niet voor is gekozen de WEB van toepassing te laten zijn op het onderwijs op mbo-niveau. Deze leden vragen voorts wat voor effecten dit heeft op de externe erkenning van deze opleidingen.

In 1999 is de keuze gemaakt om het politieonderwijs te laten verzorgen door een zelfstandig opleidingsinstituut en niet bij reguliere onderwijsinstellingen onder te brengen. De inpassing van het politieonderwijs in het regulier onderwijs werd destijds en wordt ook thans niet wenselijk geacht, gezien het geweldsmonopolie van de politie. Door de geheel eigen aard en identiteit van de politieorganisatie heeft de politie een bijzondere positie in de samenleving en dient het opleidingsinstituut een aparte positie in het Nederlands onderwijsstelsel te hebben.

Dat de WEB op het politieonderwijs op mbo-niveau niet van toepassing is neemt niet weg dat deze politieopleidingen eveneens worden afgesloten met een examen ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt. Deze diploma’s kunnen in het regulier onderwijs leiden tot vrijstellingen of toelating tot een hbo-opleiding. De beslissing tot toelating is aan de hbo-instelling.

De leden van de SP-fractie vragen de regering in te gaan op de waarde van een diploma dat gehaald is op de Politieacademie in haar nieuwe vorm. Volgens deze leden kan de Politieacademie door haar nieuwe positie in de praktijk steeds meer verworden tot een bedrijfsopleiding. Dat zou wat betreft voornoemde leden ongewenst zijn. Ook mevrouw Faber (burgemeester van de gemeente Zaanstad, bij het rondetafelgesprek aanwezig namens de regioburgemeesters) benoemde dit risico tijdens het rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over het wetsvoorstel. Zij stelde dat het de vraag is of de Politieacademie als breed opleidingsinstituut voldoende gewaarborgd is. Daarnaast geven deze leden aan dat de Afdeling vaststelt dat de Politieacademie teveel het karakter krijgt van een bedrijfsopleiding. Voornoemde leden vragen de regering of zij de gesignaleerde risico’s onderkent en wat zij gaat doen om te voorkomen dat dit risico zich in de praktijk voordoet. Zij vragen of het wetsvoorstel voldoende voorziet in het voorkomen dat de Politieacademie veel meer het karakter krijgt van een bedrijfsopleiding.

Het doel van het wetsvoorstel is het borgen van de kwaliteit van het politieonderwijs, de onderzoeks- en kennisfunctie, met behoud van de onafhankelijke positie van de Politieacademie. De onafhankelijkheid is een eis die de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt aan een rechtspersoon voor hoger onderwijs, wat de Politieacademie is. Uit dien hoofde kan zij wettelijke graden verlenen aan degenen die geaccrediteerde politieopleidingen voor hoger onderwijs met succes hebben afgerond. Voorts biedt de onafhankelijkheid de mogelijkheid om met de diploma’s van een politieopleiding op een niveau dat overeenkomt met een niveau van de WEB, net als in de huidige situatie, vrijstelling van de toelatingseisen voor een hbo-opleiding te kunnen krijgen. Bij de keuze van de voorgestelde constructie is uitdrukkelijk meegenomen dat de uitgangspunten zoals geformuleerd in «Politieonderwijs 2002» behouden blijven.

De zorg van de Afdeling richtte zich op de rol van de directeur van de Politieacademie ten opzichte van het personeelsbeleid. Daartoe is de verantwoordelijkheid van de directeur uitgebreid met het aanbevelingsrecht bij de aanstelling en selectie van personen die werkzaamheden verrichten voor de Politieacademie.

De WHW stelt eisen ten aanzien van de kwaliteit van de hoger onderwijsopleidingen. Wat betreft de opleiding op een niveau dat overeenkomt met een niveau van de WEB wordt, nog meer dan nu het geval is, aangesloten bij die wet, hetgeen de borging van kwaliteit van die opleidingen ten goede komt.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten of en hoe de betrokkenheid van het openbaar ministerie bij het onderwijs op de Politieacademie vorm krijgt.

Het openbaar ministerie is als lid vertegenwoordigd in de POR die de Minister adviseert over de kwalificatiestructuur en de strategische onderzoeksagenda.

5.2 Kennis en onderzoek

De leden van de PvdA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat toegepast wetenschappelijk onderzoek niet door de politie zelf uitgevoerd mag worden, maar alleen door of namens de Politieacademie. Graag willen zij weten op welke wijze de keuze gemaakt wordt om onderzoek uit te besteden of in eigen huis uit te voeren.

De politie en de maatschappij zijn erbij gebaat dat het toegepast wetenschappelijk onderzoek over de politie of de politietaak, onafhankelijk en met voldoende kritisch vermogen plaatsvindt. Daarom vindt dit onderzoek niet door de politie zelf plaats maar door de lectoraten van de onafhankelijke Politieacademie. De uitbesteding van het toegepast wetenschappelijk onderzoeken en de begeleiding van die onderzoeken wordt verzorgd door de POR, onder verantwoordelijkheid van de directeur van de Politieacademie. De Politieacademie blijft daarnaast onderzoek uitvoeren gericht op het functioneren en het innoveren van het politieonderwijs. Deze onderzoeken staan los van de strategische onderzoeksagenda. Het doel van deze onderzoeken is de kwaliteit van het politieonderwijs te borgen.

Het is aan de directeur van de Politieacademie om in het onderzoeksprogramma de keuze te maken of onderzoek wordt uitbesteed of in eigen huis wordt uitgevoerd.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe ervoor wordt gezorgd dat binnen de Politieacademie de nadruk op onderwijs ligt en het onderzoek ten dienste staat van het trekken van praktische lessen. Zij vragen voorts of onder het onderzoek van de Politieacademie onderzoek valt naar innovaties bij politiemethoden, zoals het rechercheren door allochtone rechercheurs, trainingsprogramma´s en een andere invulling van noodhulp. In hoeverre wordt dergelijk praktisch onderzoek nu en in de toekomst uitgevoerd op de Politieacademie?

Het grootste deel van de sterkte en middelen wordt ter beschikking gesteld voor het verzorgen en ontwikkelen van politieonderwijs. De overige sterkte en middelen worden gebruikt voor toegepast wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van de politiepraktijk en het politieonderwijs. De thema’s van het toegepast wetenschappelijk onderzoek zijn opgenomen in de strategische onderzoeksagenda. Met deze agenda wordt meer focus en samenhang aangebracht in de onderzoeken naar de politie. Hiermee wordt beoogd de doorwerking van de resultaten van de onderzoeken in het onderwijs en in de praktijk te verhogen.

Het verrichten van praktisch onderzoek blijft een verantwoordelijkheid voor de politie zelf.

De leden van de SP-fractie maken zich zorgen over het waarborgen van onafhankelijk onderzoek door de Politieacademie. Zij vragen, mede onder verwijzing naar het advies van de Afdeling, of het een verstandige keuze is om de korpschef en de Minister een grote stem te geven in het vaststellen van de strategische onderzoeksagenda. Dat gebeurt weliswaar na advies van de POR aan de Minister, maar wordt daarmee de onafhankelijkheid wel voldoende gewaarborgd, zo vragen deze leden. Zij vragen daarbij of de regering de academische vrijheid noodzakelijk acht en zo ja, of die vrijheid niet enkel volledig kan worden gewaarborgd door de Politieacademie volledig de vrije hand te geven met betrekking tot het vaststellen van een onderzoeksagenda.

De leden van de D66-fractie vragen waarom de strategische onderzoeksagenda door de Minister wordt vastgesteld en of de regering erkent dat dit de vrijheid van het onderzoek zou kunnen bemoeilijken. Zij vragen voorts of de regering bereid is om dit alsnog aan te passen en zo nee, of de regering het met de Afdeling eens is dat het minder verstrekkend zou zijn als de Minister wensen kenbaar kan maken ten aanzien van het (laten) doen van onderzoek in plaats van de vaststelling van de onderzoeksagenda.

Ik hecht er sterk aan dat meer focus en samenhang komt in het toegepast wetenschappelijk onderzoek van de Politieacademie en een betere doorwerking van de uitkomsten van dat onderzoek naar de praktijk, zonder te treden in de vrijheid van het onderzoek van de Politieacademie. Dat aan de Politieacademie als instelling in de zin van de WHW de academische vrijheid in acht wordt genomen, volgt met zoveel woorden uit die wet.

Zoals in reactie op het advies van de Afdeling is aangegeven, bevat de strategische onderzoeksagenda de strategische thema’s, en daarmee slechts de hoofdlijnen, voor de komende periode. Hiermee wordt richting gegeven aan het onderzoeksprogramma dat door de directeur van de Politieacademie wordt vastgesteld. Voorts wil ik benadrukken dat de Politieacademie ook naast het onderzoeksprogramma toegepast wetenschappelijk onderzoek kan verrichten. De strategische onderzoeksagenda heeft hierop geen betrekking.

Ik deel dan ook niet het standpunt van de Afdeling dat de vaststelling van de strategische agenda de vrijheid van het onderzoek zou kunnen bemoeilijken en dat de bevoegdheid van de Minister tot het stellen van kaders zoals voorgesteld, te verstrekkend is.

Volgens de leden van de SP-fractie is een andere mogelijkheid de onderzoeksagenda vast te laten stellen door de POR. Ook dat zou meer onafhankelijkheid waarborgen dan de constructie zoals die nu is vormgegeven. Deze leden vragen de regering op die mogelijkheid in te gaan.

De vaststelling van de strategische onderzoeksagenda door de POR zou tot een onwenselijke wijziging van de positionering van deze raad leiden. De POR is in het wetsvoorstel gepositioneerd als adviseur van de Minister over de kwalificatiestructuur, de politieopleidingen en de strategische onderzoeksagenda. Voorts fungeert hij als een afstemmingsorgaan tussen de bij het politieonderwijs betrokken organisaties. Tevens verzorgt de POR de uitbesteding van het toegepast wetenschappelijk onderzoek en de begeleiding van dat onderzoek onder verantwoordelijkheid van de directeur van de Politieacademie.

De leden van de SP-fractie vragen waarom het gegeven dat de doorwerking van het onderzoek van de Commissie Politie en Wetenschap beperkt is meteen reden zou moeten zijn om deze commissie af te schaffen. Dit argument komt genoemde leden niet als doorslaggevend voor. Dat gegeven hoeft namelijk niet enkel gelegen te zijn in het functioneren van de commissie en het nut van het onderzoek dat wordt gedaan. Het kan evengoed zijn dat de politie zich onvoldoende rekenschap geeft van het gepubliceerde onderzoek. Deze leden vragen de regering in het licht van die opmerkingen verder in te gaan op de oorzaak van het gegeven dat onderzoek van de Commissie Politie en Wetenschap onvoldoende doorwerkt in de politiepraktijk.

In het algemeen geldt dat het complex is om onderzoek te laten doorwerken. Niet elke onderzoek is daarvoor geschikt. Uit evaluaties van de Commissie Politie en Wetenschap uit 2004 en 2009 volgt dat de doorwerking van onderzoek in het onderwijs moet worden versterkt en meer focus en samenhang in het onderzoek noodzakelijk is. Om dit aan te pakken wordt voorgesteld om het onderzoek en onderwijs dichter bij elkaar te brengen. Door de taak van de Commissie Politie en Wetenschap onder te brengen bij de POR wordt de samenhang van de onderzoeken met de politieopleidingen versterkt. De POR adviseert de Minister immers over de kwalificatiestructuur, maar ook over de strategische onderzoeksagenda. Daarnaast zijn in de POR, naast de politie, de stakeholders van de politie in de strafketen vertegenwoordigd. Daarmee hebben de adviezen van de POR een breed draagvlak. De POR gaat bij onderzoeken met betrokkenen in gesprek over de mogelijkheden en verantwoordelijkheden bij doorwerking van de resultaten van het onderzoek naar het onderwijs en de politiepraktijk. Om de continuïteit van de werkzaamheden te borgen wordt het huidige ondersteunend bureau van de Commissie Politie en Wetenschap samengevoegd met het secretariaat van de POR (6,2 formatieplaatsen).

6. Samenspel tussen de korpschef, de directeur van de Politieacademie en de Minister

6.1 De behoeftestelling

De leden van de VVD-fractie vragen hoe er ruimte kan worden gecreëerd om in te kunnen spelen op actualiteiten die de behoefte aan onderwijs (onvoorzien) veranderen, gelet op de meerjarige behoeftestelling. Ook vragen zij hoe eventuele (onvoorziene) fluctuaties in vraag en aanbod worden opgevangen. Voorts vragen zij hoe in dit wetsvoorstel is gewaarborgd dat er voldoende middelen beschikbaar zijn voor postinitiële opleidingen.

De korpschef is de grootste behoeftesteller van politieonderwijs en de grootste afnemer ervan. De Politieacademie ontwikkelt en verzorgt in het nieuwe model primair op basis van de behoeftestelling van de korpschef al het politieonderwijs (het huidige initiële én postinitiële onderwijs). Het afstemmen van vraag en aanbod en een eenduidige vraagarticulatie door de politie verbetert de aansluiting van het politieonderwijs op de politiepraktijk. De wensen van de politie kunnen op basis van deze werkwijze snel en adequaat worden opgenomen in het politieonderwijs. Deze wensen kunnen zijn opgenomen in de meerjarige behoeftestelling of kunnen snel en adequaat op korte termijn worden ingevuld door de capaciteit van de nieuw in te richten ondersteunende dienst bij de politie (van waaruit personeel beschikbaar wordt gesteld aan de Politieacademie) deels te laten bestaan uit een zogenoemde flexibele schil. De flexibele schil is bedoeld om tijdelijke veranderingen in vraag naar en aanbod van politieonderwijs, onderzoek en kennis op te vangen, waarbij de kernbezetting intact blijft. Dit geldt ook voor wensen van derden, waaronder ook het gezag en de Minister. Door het onderbrengen van de sterkte en middelen van de Politieacademie bij de politie worden er 896,9 formatieplaatsen toegevoegd die ter beschikking worden gesteld aan de directeur van de Politieacademie voor het onder zijn gezag verzorgen van de taken van de Politieacademie en worden 332,5 formatieplaatsen toegevoegd voor ondersteuning op het gebied van PIOFAH zaken (inclusief werving en selectie) en 21,1 formatieplaatsen als aanvulling op de inrichting van de staf korpsleiding.

De leden van de SP-fractie vragen of met de inbedding van de Politieacademie in de nationale politie zich niet het risico voordoet dat het politieonderwijs één van de prioriteiten wordt op het lijstje waar tussen moet worden gekozen. Zij hebben die zorg omdat de verleiding altijd zal bestaan voor die besparing te kiezen die op korte termijn geen direct effect zal hebben. Politieonderwijs is een dergelijke bezuiniging. Zij vragen of de regering dat erkent. Voorts vragen zij of de regering dan ook erkent dat de gevolgen op de langere termijn des te groter zullen zijn, namelijk een minder goed opgeleide politie met alle risico’s voor de samenleving en politiemensen zelf van dien. Hoe wordt voorkomen dat dit risico zich in de praktijk voordoet? Een mogelijkheid die deze leden daarvoor zien is door het budget voor het politieonderwijs binnen de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie apart te bestemmen. Deze leden vragen de regering een oordeel op dit punt en welke voor- en nadelen zij hierin ziet.

Voor de professionaliteit van de politie is goed en hoogwaardig politieonderwijs van essentieel belang. De politie is toegerust met het geweldsmonopolie en kent een omvangrijke sanctioneringsmacht. Hoogwaardig politieonderwijs is niet alleen van belang voor de politie, de ambtenaren van politie en het gezag, maar ook voor de burgers, de politiek en de maatschappij als geheel. Binnen de totale beschikbare middelen op de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is geld beschikbaar voor goed en hoogwaardig onderwijs. Om te voorkomen dat de politie gaat bezuinigen op het opleidingsbudget zijn de volgende waarborgen. Op basis van de opleidingsbehoefte stelt de Minister de sterkte en middelen vast die ter beschikking worden gesteld aan de Politieacademie. Ten behoeve van de vaststelling van de jaarrekening en het jaarverslag van de politie zal de korpschef worden gevraagd de sterkte en middelen die hij feitelijk ter beschikking stelt aan de Politieacademie inzichtelijk te maken. Bij of krachtens artikel 30, tweede lid, van de Politiewet 2012 (het Besluit financieel beheer politie) worden regels gesteld omtrent onder meer de jaarrekening en het jaarverslag van de politie. De directeur van de Politieacademie legt in zijn jaarverslag verantwoording aflegt over de inzet van alle sterkte en middelen, inclusief hetgeen de Politieacademie ter beschikking gesteld heeft gekregen van de politie (bij of krachtens artikel 95, vierde lid).

Ik ben niet voornemens om aparte bedragen in de begroting van het ministerie te bestemmen voor het door de politie ter beschikking stellen van sterkte en middelen aan de Politieacademie. Het apart bestemmen van het budget voor politieonderwijs in de begroting van het ministerie heeft namelijk geen toegevoegde waarde.10 Op basis van de opleidings- en de onderzoeksbehoefte stel ik de sterkte en middelen vast die de korpschef feitelijk ter beschikking moet stellen aan de Politieacademie. Deze bijdrage wordt dus jaarlijks door mij vastgesteld.

De leden van de SP-fractie vinden het zorgelijk dat de korpschef verantwoordelijk is voor het beschikbaar stellen van de middelen voor de Politieacademie. In de memorie van toelichting valt te lezen dat de korpschef in staat wordt gesteld om de beschikbare sterkte en middelen voor de Politieacademie optimaal in te zetten. Dit roept bij deze leden de vraag op of de onafhankelijkheid van de Politieacademie voldoende gewaarborgd is. Bovendien draagt ook dit het risico in zich dat de Politieacademie bij een tekort aan geld een op het oog gemakkelijke prooi zal zijn om geld aan te onttrekken ten bate van de overige onderdelen van de nationale politie. Genoemde leden vragen of de regering die vrees deelt en hoe zij gaat voorkomen dat zich dit voordoet.

Ik deel deze vrees niet. De Minister stelt de begroting en het beheersplan van de politie vast en daarmee de sterkte en middelen voor de directeur van de Politieacademie. De korpschef heeft de verantwoordelijkheid om deze sterkte en middelen voor de Politieacademie feitelijk ter beschikking te stellen met inachtneming van de bij of krachtens het wetsvoorstel gestelde eisen; de eisen aan sterkte en middelen alsmede het aanbevelings- en instemmingsrecht van de directeur van de Politieacademie. Doordat alle middelen onderdeel zijn van één begroting kunnen middelen efficiënter in worden gezet zoals gedeelde huisvesting, één standaard voor kantoorautomatisering, één inkoop e.d. Dit levert efficiëntie voordelen op. Zoals hierboven is aangegeven dient de korpschef ten behoeve van de vaststelling van de jaarrekening en het jaarverslag van de politie de sterkte en middelen die hij feitelijk ter beschikking stelt aan de Politieacademie inzichtelijk te maken.

De leden van de D66-fractie ontvangen graag een overzicht van de meerjarige behoeftestelling van de nationale politie, zowel voor initieel als voor postinitieel onderwijs, en de behoeftestelling van andere partijen die politieonderwijs en onderzoek van de Politieacademie willen afnemen. Ook verzoeken deze leden dat hierbij de verwachte benodigde sterkte en middelen voor het kunnen uitvoeren van de taken van de Politieacademie worden meegenomen.

De beschikbare opleidingscapaciteit voor de directeur van de Politieacademie op «dag één» is bekend. Zo zijn er 896,9 formatieplaatsen beschikbaar voor het onder het gezag van de directeur van de Politieacademie verzorgen van politieonderwijs, kennis en onderzoek. Daarnaast wordt nu bij meerdere partijen, waaronder de politie, de onderwijsbehoefte en de behoefte aan onderzoek en kennis geïnventariseerd. Deze behoefte wordt in een meerjarig perspectief geplaatst. De sterkte en middelen voor de totale opleidings- en onderzoeksbehoefte worden opgenomen in het beheersplan en begroting van de politie (het ontwerpbeheersplan en de ontwerpbegroting wordt als bijlage gevoegd bij de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie).

Op basis van de totale behoefte aan politieonderwijs en onderzoeken van de politie en die van derden bepaalt de Minister jaarlijks hoeveel sterkte en middelen door de korpschef feitelijk ter beschikking dient te worden gesteld aan de Politieacademie. Het wetsvoorstel voorziet middels het begrotingsproces in transparantie van de sterkte en middelen die ter beschikking worden gesteld aan de Politieacademie voor de uitvoering van de taken.

6.2 Beleids- en beheerscyclus van de politie

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat het voor goed onderwijs en een werkbaar beheer van zeer groot belang is dat de vraag over de jaren heen voorspelbaar en relatief constant is. Op die manier kan er een organisatie worden opgebouwd die voldoende continuïteit heeft. Daarom horen deze leden graag op welke manier binnen de meerjarige behoeftestelling een gelijke spreiding over jaren aangehouden wordt en hoe pieken in de uitvoering voorkomen kunnen worden.

De politie werkt met het instrument van een strategische personeelsprognose. Om ook in de toekomst de juiste mensen op de juiste plaats te krijgen werkt de politie al jaren met het kwantificeren van personeelsstromen. In 2012 is bovendien een belangrijke start gemaakt met het bepalen van de toekomstig gewenste kwalitatieve samenstelling van het personeelsbestand op basis van de te verwachten maatschappelijke vraagstukken en arbeidsmarkt- en veiligheidsvraagstukken. In samenwerking met het gezag, het maatschappelijk middenveld en de veiligheidspartners is zodoende een beeld gevormd hoe de politie van de toekomst eruit kan zien en wat daarin de belangrijkste ontwikkelrichtingen zijn. In de komende jaren zal jaarlijks als onderdeel bij de beleids- en beheercyclus van de politie worden bepaald welke maatregelen moeten worden genomen om de toekomstig gewenste personeelssamenstelling te realiseren. Bepaalde fluctuaties kunnen niet worden voorkomen, maar hierop kan via deze weg wel voortijdig worden geanticipeerd.

De leden van de SP-fractie en de D66-fractie maken zich zorgen over de financiën die ter beschikking zullen staan van de Politieacademie. Volgens de leden van de SP-fractie is voldoende geld noodzakelijk om goed en onafhankelijk onderwijs te geven en goed en onafhankelijk onderzoek te kunnen doen. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering onderkent dat de budgetten voor het opleiden van politiemensen en de feitelijke besteding daarvan in de laatste jaren onder de huidige wet onder operationele druk zijn komen te staan. De leden van de D66-fractie vernemen graag hoe de regering ervoor zorgt dat de daling van de budgetten de kwaliteit van de politie niet in gevaar brengt.

Ik heb uw Kamer al gemeld dat het onderwijsbudget voor de Politieacademie de komende jaren terugloopt naar circa 146 mln. in 2018.11 Dit budget is voldoende om het politieonderwijs te kunnen verzorgen. In overleg met de Politieacademie en de politie is dit financieel kader tot stand gekomen.

De situatie rond het politieonderwijs is de afgelopen jaren veranderd met de komst van de nationale politie. Voorheen waren er 26 korpsen en de VtSPN die elk afzonderlijk met hun onderwijsbehoefte naar de Politieacademie gingen. Door de komst van één politie is er één behoeftestelling die de inrichting van het onderwijs effectiever en efficiënter maakt. Door deze meer eenduidige behoeftestelling is het mogelijk gebleken om in het aanbod de veelheid aan opleidingen terug te brengen en dubbelingen eruit te halen.

Wel constateer ik dat in het licht van de huidige fase in de realisatie van de nationale politie er een teruggang is in de onderwijsbehoefte van de politie. Dat is begrijpelijk en gezien de fase van de reorganisatie van de politie slechts tijdelijk.

De leden van de SP-fractie vragen de regering in dit kader in te gaan op de problemen die er zijn met het opleiden van observatieteams, waar het Algemeen Dagblad op maandag 9 maart jl. over berichtte. Zij vragen of de regering kan verklaren dat de plekken wel besteld werden door de nationale politie, maar de schoolbanken leeg bleven. Voorts vragen zij de regering uiteen te zetten bij welke opleidingen binnen de Politieacademie zich ditzelfde probleem nog meer voordoet. Dit probleem moet wat de leden van de SP-fractie betreft worden opgelost. Maar bovenal moet worden voorkomen dat dit probleem zich in de toekomst weer zal voordoen.

In mijn antwoord op Kamervragen van het lid Kooiman over het bericht dat de aanwas van gespecialiseerde agenten stokt (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 1651) heb ik toegezegd de Tweede Kamer voor de zomer 2015 nader te informeren over de stand van zaken bij de intekening voor het postinitiële onderwijs.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering ervoor gaat zorgen dat de instroom van studenten gelijkmatig en grotendeels voorspelbaar verloopt. Deze leden constateren dat dit noodzakelijk is voor een goed functionerende Politieacademie en kwalitatief goed politieonderwijs. Genoemde leden vragen of de regering die garantie kan geven en of dit wetsvoorstel in die garantie voorziet.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze het voorliggende wetsvoorstel bijdraagt aan de oplossing van het probleem van een ongelijkmatige instroom bij de Politieacademie, zowel in het initieel als in het post-initieel onderwijs.

Het wetsvoorstel beoogt een jaarlijkse behoeftestelling naar politieonderwijs, onderzoek en kennis en een jaarlijkse behoeftestelling van de directeur van de Politieacademie aan welke sterkte en middelen nodig zijn voor het kunnen uitvoeren van de taken van de Politieacademie. Deze twee zijn onderdeel van het beheersplan en de begroting van de politie die de Minister vaststelt. In het wetsvoorstel wordt de opleidingsbehoefte direct gekoppeld aan de opleidingscapaciteit.

6.3 Beleids- en beheerscyclus van de Politieacademie

De leden van de PvdA-fractie menen dat de directeur van de Politieacademie in alle vrijheid zijn behoeftestelling dient te omschrijven om de verantwoordelijkheid voor kwalitatief goed politieonderwijs waar te kunnen maken. Graag horen deze leden of zij kunnen controleren hoe de behoeftestelling tot daadwerkelijke verstrekking wordt vertaald en hoe daarmee de kwaliteit gewaarborgd kan worden.

De behoeftestelling naar politieonderwijs en de behoeftestelling van de directeur van de Politieacademie aan sterkte en middelen die nodig zijn om te voorzien in de opleidingsbehoefte zijn onderdeel van het beheersplan van de politie (en de begroting van de politie voor wat betreft de middelen die nodig zijn om aan de behoefte te voldoen). De ontwerpbegroting en het ontwerpbeheersplan worden als bijlage bij de begroting van het ministerie aan de Staten-Generaal gezonden.

Omtrent de behoeftestelling van de korpschef en van de directeur worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld.

Ook vragen de leden van de PvdA-fractie of er gebruik wordt gemaakt van bekostigingsnormen en benchmarks uit andere onderwijssectoren om objectief te kunnen beoordelen of de behoeftestelling realistisch is.

Voor het bepalen van bekostigingsnormen wordt gebruik gemaakt van normen en benchmarks uit andere onderwijssectoren en van eigen historische normen.

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd welke verhouding de regering voor ogen heeft tussen kernbezetting en flexibele schil, gelet op het feit dat de vaste kernbezetting belangrijk is om op langere termijn goed onderwijs te kunnen bieden.

De ter beschikking te stellen sterkte voor het uitvoeren van de taken van de Politieacademie kent een stabiele formatie (896,9 formatieplaatsen). Deze stabiele formatie is voldoende voor het leveren van kwalitatief goed onderwijs en onderzoek. Daarnaast is er een flexibele schil. De flexibele schil bestaat uit ambtenaren uit andere onderdelen van de politie en personen die extern worden ingehuurd, die onder andere kunnen worden ingezet als (gast)docent, examinator of acteur. Deze flexibele schil maakt het mogelijk om bij een grotere behoefte aan onderwijs of onderzoek de continuïteit en kwaliteit te garanderen.

6.4 Tripartiet overleg

De leden van de CDA-fractie vragen welke toegevoegde waarde de wettelijke basis van het zogeheten tripartiet overleg tussen de Minister, de korpschef en de directeur van de Politieacademie heeft. Zij vragen of betrokkenen in de regel niet gewend of niet bereid zijn met elkaar te overleggen.

Met het voorliggende wetsvoorstel wordt de Politieacademie dicht bij de politie geplaatst. Dit leidt tot een nauwere samenwerking tussen beide instellingen, waarvoor ik uiteindelijk verantwoordelijk ben. Uit hoofde van mijn dubbele verantwoordelijkheid voor enerzijds het beheer van de politie en anderzijds de kwaliteit van het politieonderwijs, is het tripartiet overleg met beide partijen, de Politieacademie en de politie, geboden. Met het wettelijk vastleggen van het tripartiet overleg wordt tot uitdrukking gebracht dat het overleg niet vrijblijvend is. In het overleg worden de punten afgestemd waar de taken van de politie en de Politieacademie en de verantwoordelijkheid van de Minister elkaar raken.

Overigens vindt dit overleg reeds nu al frequent plaats.

De leden van de D66-fractie vinden het een goede ontwikkeling dat het tripartiet overleg in het wetsvoorstel is opgenomen. Zij vragen op welke manier onafhankelijke organen zoals de POR, de Commissie van toezicht beheer nationale politie of de Inspecties advies kunnen uitbrengen over de in het tripartiet overleg besproken onderwerpen. Mogen ze aanwezig zijn bij het overleg? Zo ja, hoe wordt dit in het wetsvoorstel geregeld? Zo nee, waarom niet? Is de regering het met deze leden eens dat onafhankelijkheidswaarborgen en wederzijdse controle goed wettelijk dienen te worden geregeld en niet alleen op basis van persoonlijk vertrouwen?

In het tripartiet overleg wordt, zoals in het voorgestelde artikel 97 van de Politiewet 2012 staat beschreven, overleg gevoerd over de werking van de regels bij of krachtens het nieuwe hoofdstuk 8. In het overleg kunnen adviezen van bijvoorbeeld de POR, de Commissie van toezicht op het beheer politie of de inspectie worden geagendeerd. Voor zover noodzakelijk wordt geacht kunnen zij worden uitgenodigd aanwezig te zijn. Een expliciete wettelijke regeling is hiervoor niet nodig.

7. Vermindering administratieve lasten, financiële gevolgen en efficiencyvoordelen wetswijziging

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat de Politieacademie nog een aantal financiële taakstellingen te verwerken heeft. Zij vragen hoe een onafhankelijke behoeftestelling zich verhoudt tot het doorwerken van historische budgetten.

Uit de behoeftestelling die de politie tot op heden heeft geformuleerd, volgt dat het huidige onderwijsaanbod wordt gereduceerd en binnen het toekomstige budget door de Politieacademie kan worden verzorgd. Door een meer eenduidige behoeftestelling is het immers mogelijk gebleken om in het aanbod de veelheid aan opleidingen terug te brengen en dubbelingen eruit te halen.

De leden van de PvdA-fractie hebben vernomen dat er zorgen bestaan over de samenloop van de vorming van het Politiedienstencentrum (PDC) en de reorganisatie van de Politieacademie. De zorgen bij het personeel van de Politieacademie is dat het PDC al bemenst is op het moment dat de beheersafdeling van de Politieacademie gereorganiseerd is. Daardoor zijn er twijfels of deze medewerkers een gelijke kans op een nieuwe functie hebben. Deze leden vragen of de regering kan toezeggen dat de medewerkers van de Politieacademie een gelijke kans maken bij overgang van hun taken naar het PDC.

De leden van de D66-fractie hebben naar aanleiding van de reacties van de politie en het college van bestuur van de Politieacademie gemerkt dat er spanning zit op het tempo van de reorganisatie. Waar de nationale politie mogelijk een pas op de plaats maakt, wil de Politieacademie tempo houden bij het realiseren van de veranderingen binnen de Politieacademie. Laatstgenoemde leden vernemen graag hoe deze inspanning wordt opgelost en welke planning kunnen beide partijen van de regering verwachten.

Er wordt gewerkt aan een plan van aanpak over de wijze waarop de noodzakelijke reorganisatie van de Politieacademie en de overdracht van de sterkte en middelen naar de politie in het kader van het wetsvoorstel worden vormgegeven. De onderbrenging van de PIOFAH-taken is hier onderdeel van. Over de precieze uitwerking ben ik nog in overleg met alle betrokken partijen. In de door mij toegezegde herijking van het realisatieplan van de politie kom ik hierop nader terug.

8. Evaluatie van de Politieacademie

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of in de evaluatie, naast de doelmatigheid en doeltreffendheid, ook specifiek zal worden ingegaan op de realisatie van de aanbeveling uit de rapporten van de heer Wallage en de heer Vogelzang en op oplossingen voor mogelijke nieuwe knelpunten.

Ik zeg u toe dat in de eerste vijfjaarlijkse evaluatie op grond van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen ook specifiek zal worden ingegaan op de realisatie van de aanbeveling van de heer Wallage en de heer Vogelzang voor zover deze in het wetsvoorstel zijn overgenomen.

9. Reacties op het wetsvoorstel

De leden van de PvdA-fractie constateren dat met het wegvallen van de raad van toezicht bij de Politieacademie een manier wegvalt om de legitimiteit van de keuzes van de Politieacademie te toetsen aan de standaarden en wensen die er leven bij de belangenhouders. Deze leden constateren dat de POR aangeeft een rol te kunnen spelen in deze horizontale dialoog, die bij het toezicht op de kwaliteit van onderwijs van belang is. Graag horen voornoemde leden van de regering of ze hierin een taak ziet weggelegd voor de POR en wat hiervan de meerwaarde kan zijn.

Inderdaad ligt hier een adviserende rol voor de POR, die ook breed is samengesteld, namelijk een burgemeester, een lid van de leiding van de politie en twee politiechefs, een lid van het openbaar ministerie, twee vertegenwoordigers vanuit de politievakorganisaties, een vertegenwoordiger van het beroepsonderwijs, een vertegenwoordiger van het hoger onderwijs, de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger en een onafhankelijk lid dat deskundig is op het terrein van het toegepast wetenschappelijk onderzoek. In het wetsvoorstel is voorzien in voldoende waarborgen om de legitimiteit van de keuzes van de directeur van de Politieacademie te toetsen aan de standaarden en wensen die er leven bij de belangenhouders. De legitimiteit en de kwaliteit van de uitvoering van de taken van de directeur van de Politieacademie wordt bijvoorbeeld mede geborgd door de kwalificatiestructuur. In de kwalificatiestructuur worden de benodigde bekwaamheden voor de uitoefening van het beroep of functie beschreven. De kwalificatiestructuur wordt op advies van de POR jaarlijks door de Minister vastgesteld. Daarbij ziet de POR toe op de aansluiting van de politieopleidingen op het regulier onderwijs. Bovendien biedt de brede samenstelling van de POR de mogelijkheid om op systematische wijze en door horizontale afstemming tussen de diverse betrokkenen, de kwaliteit van de politieopleidingen op een hoog niveau te houden. Daarnaast houdt de Inspectie Veiligheid en Justitie toezicht op de kwaliteit van de opleidingen en de examinering, voor wat betreft de geaccrediteerde opleidingen van de Politieacademie geschiedt dit tevens op grond van artikel 3 van de Wet op het onderwijstoezicht. De Inspectie Veiligheid en Justitie en de Inspectie van het onderwijs rapporteren aan uw Kamer.

Voor de legitimiteit en de kwaliteit is de directeur verplicht om een kwaliteitssysteem te voeren waarbij zoveel mogelijk in samenwerking met andere onderwijsinstellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de Politieacademie,

Een andere waarborg is het externe accreditatiesysteem voor hoger onderwijs.

De leden van de D66-fractie vragen of de regering kansen ziet voor een wettelijke verankering van het principe «een leven lang leren» zoals voorgesteld door prof. A.B. Hoogenboom tijdens het rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over het voorliggende wetsvoorstel.

De werkgever en werknemer zijn beiden verantwoordelijk voor het op peil houden van de vakbekwaamheid. Het wetsvoorstel ziet niet op die verantwoordelijkheid, maar schept wel de optimale randvoorwaarden voor het politieonderwijs om deze verantwoordelijkheid vorm te kunnen geven.

De leden van de D66-fractie willen net als de Centrale Ondernemingsraad van de politie en de Algemene Rekenkamer graag inzicht krijgen in de feitelijke financiële erfenis van de Politieacademie en de financiële risico’s bij de overgang naar de nationale politie. Is de regering bereid deze informatie voor de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?

De financiële risico’s bij de Politieacademie zijn in kaart gebracht. Naar aanleiding hiervan zijn enkele financiële risico’s naar voren gekomen, te weten een kwantitatieve overbezetting en een kwalitatieve onderbezetting. Deze risico’s zijn gezamenlijk door mij, de politie en de Politieacademie gekwantificeerd. De voorzitter van het college van bestuur van de Politieacademie stuurt op het voorkomen van deze risico’s en deze risico’s worden gevolgd in het tripartietoverleg. Daar waar nodig zal ik de Kamer hierover informeren.

Overigens wijs ik erop dat door middel van de door een accountant op te stellen verklaring (zie artikel IV, onder B, onder 2, van het wetsvoorstel) uitsluitsel wordt verkregen omtrent de onder de overgang begrepen rechten en verplichtingen alsmede de waarde daarvan. Op het tijdstip van inwerkingtreding van het wetsvoorstel zal hetgeen overgaat naar de politie zichtbaar worden op de begroting van de politie. De ontwerpbegroting van de politie wordt als bijlage bij de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan de Staten-Generaal gezonden.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

De taaltoets die bij de selectie van kandidaten wordt gebruikt is gebaseerd op het Common European Framework for the reference of languages» (CERF). De toets richt zich op de taalvaardigheid en de praktische toepassing ervan. De volgende kwalificaties zijn van toepassing: A1 (laagste niveau), A2, B1, B2, C1, C2 (hoogste niveau). Het taalvaardigheidsonderzoek wordt niet afgenomen bij de kandidaat-aspirant die, indien tot aanstelling zou worden overgegaan, de basis politieopleiding gaat volgen op het kwalificatieniveau 5/EQF 6 of 6/EQF 7 (zie artikel 4, tweede lid, tweede volzin, van de Regeling aanstellingseisen politie 2002).

X Noot
2

Kamerstukken II 2013/14, 29 628, nr. 388.

X Noot
3

Kamerstukken II 2013/14, 25 268, nr. 83.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2012/13, 29 628, nr. 378.

X Noot
5

Kamerstukken II 2012/13 33 670, nr. 1, blz. 12.

X Noot
6

Zie ook het nader rapport bij het voorstel van wet tot wijziging van de Politiewet 2012 in verband met de positie van de korpschef en van de regioburgemeester alsmede enkele andere verbeteringen (Kamerstukken II 2011/12, 33 368, nr. 4, blz. 7).

X Noot
7

Met ingang van 1 januari 2012 zijn de twee onder verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie vallende diensten, belast met het houden van toezicht, (de Inspectie van voor de Sanctietoepassing en de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid) organisatorisch samengevoegd tot de Inspectie Veiligheid en Justitie. Bij afzonderlijk wetsvoorstel wordt de oorspronkelijke benaming aangepast.

X Noot
8

Kamerstukken II, 2014/15, 29 628, nr. 513.

X Noot
9

Kamerstukken II 2012/13, 29 628, nr. 395.

X Noot
10

Zie ook mijn reactie op de vragen van deze leden over het opnemen van meerdere artikelen met betrekking tot de politie in de departementale begroting (Kamerstuk 29 628, nr. 505, blz. 6–7).

X Noot
11

Kamerstukken II, 2014/15, 29 628, nr. 475.

Naar boven