Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-201634109 nr. C

34 109 Bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet)

C MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 25 september 2015

1. Inleiding

De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel Erfgoedwet. Zij constateert dat de leden van de verschillende fracties net als de regering het behoud van cultureel erfgoed van groot belang achten en gaat graag in op de gestelde vragen. In onderstaande beantwoording wordt de indeling van het verslag van de commissie gevolgd.

2. Beheer van collecties en monumenten

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om een verduidelijking van het begrip «minimale onderhoudsniveau» in relatie tot onder andere kerken.

Onderhoud is voor het behoud van monumentale waarden van groot belang. Ingrijpende restauraties worden voorkomen met sober en doelmatig onderhoud. Het begrip «minimale onderhoudsniveau» komt als begrip niet in de Erfgoedwet voor. Minimaal onderhoud is op te vatten als die maatregelen die nodig zijn om ernstige schade aan een monument te voorkomen. Zo kunnen gaten in een dak leiden tot schade aan de dakconstructie of andere delen van het gebouw en deze moeten daarom gedicht worden. Maar ook langdurig lekkende goten of andere gebreken waardoor het monument niet meer wind- en waterdicht is, leiden op kortere termijn tot schade. De instandhoudingsbepaling die via artikel 10.18 van de Erfgoedwet is opgenomen, betekent overigens niet dat een eigenaar al bij afbladerende verf op een kozijn aangesproken wordt op achterstallig onderhoud. Dit geldt voor alle categorieën monumenten, ook voor kerken. Bij het antwoord op de vraag van de leden van de SGP-fractie over de instandhoudingsplicht wordt hierop nader ingegaan.

In het onderhavige voorstel wordt (artikel 2.6, lid 5, Rol Minister van OCW) gesteld dat de Minister alleen om niet en zonder belastende voorwaarden cultuurgoederen of verzamelingen aan kan nemen namens de staat. De leden van de CDA-fractie vragen zich af hoe de financiële verplichting tot goed onderhoud dan is geregeld. Hoe is de weigeringsgrond naar aanleiding van amendement nr. 36 verankerd in dit artikel?

Artikel 2.6, vijfde lid, regelt de plicht die de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister van OCW) heeft om cultuurgoederen die voldoen aan de gestelde eisen en die verweesd dreigen te raken, voor de Staat te aanvaarden. Op het moment dat een cultuurgoed aanvaard is, wordt het cultuurgoed opgenomen in de rijkscollectie. Middelen voor beheer en behoud van het betreffende cultuurgoed zullen dan ook komen uit de reguliere middelen voor beheer en behoud van de rijkscollectie. De bij amendement ingevoegde weigeringsgrond komt in beeld als op voorhand te voorzien is dat de beheerskosten in redelijkheid te hoog liggen. De Minister van OCW kan dan een beroep doen op artikel 2.6, zesde lid. In dat geval zal onderbouwd moeten worden dat gezien de kosten het in redelijkheid niet van de Staat te vergen is dat de cultuurgoederen voor de Staat worden aanvaard.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom een definitie van normaal onderhoud inzake monumenten wordt ingevoerd, terwijl deze in de Erfgoedwet niet wordt toegepast. Klopt het dat deze definitie geen gevolgen heeft voor eigenaren, gezien het feit dat het wetsvoorstel geen verplichting tot normaal onderhoud kent?

Het klopt dat in het wetsvoorstel een definitie voor normaal onderhoud is opgenomen. Dit begrip moet worden afgezet tegen het begrip «restauratie». Beide begrippen zijn relevant voor de subsidieverstrekking voor de instandhouding van rijksmonumenten. Voor normaal onderhoud kan de Minister van OCW meerjarige subsidie verstrekken. Hier is een structureel budget voor beschikbaar. Voor restauratie zijn afspraken met provincies gemaakt en verstrekt de Minister van OCW in beginsel geen subsidie. Het begrip normaal onderhoud heeft dus geen relatie met verplichtingen voor de eigenaar.

Wel is bij amendement artikel 10.18 ingevoegd waarmee een verbod tot actieve of passieve verwaarlozing is geregeld.1 Voor eigenaren van rijksmonumenten is het daarmee verboden onderhoud te onthouden aan het monument dat voor de instandhouding noodzakelijk is. Feitelijk betreft dit een codificatie van de mogelijkheden die op grond van jurisprudentie al bestaan om verwaarlozing tegen te gaan. Van belang is daarbij altijd dat tijdig wordt ingegrepen door een gemeente.

Verder vragen de leden van de SGP-fractie hoe de instandhoudingsplicht van eigenaren zich verhoudt tot de norm uit de jurisprudentie dat een eigenaar een monument niet actief of passief mag verwaarlozen? Kan de regering bevestigen dat het behoud van een monument niet verder gaat dan de situaties waarop met passieve of actieve verwaarlozing gedoeld wordt?

De regering beschouwt de instandhoudingsbepaling die via artikel 10.18 van de Erfgoedwet in de Monumentenwet 1988 wordt opgenomen, en die ook in het stelsel van de Omgevingswet is voorzien, als een codificatie van de jurisprudentie op artikel 11 van de Monumentenwet 1988 en artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover het gaat over het verwaarlozen van rijksmonumenten.2 In de brief van 11 juni 2015 van de Minister van OCW als reactie op het desbetreffende amendement van het lid Monasch is dit standpunt ook verwoord.3 De instandhoudingsbepaling is geformuleerd als verbod tot het onthouden van het voor de instandhouding noodzakelijke onderhoud. Naar het oordeel van de regering gaat dit niet verder dan een verbod op actieve of passieve verwaarlozing die het voortbestaan van het monument in gevaar brengt. Dit sluit aan bij de toelichting bij het amendement. In de toelichting staat dat de instandhoudingsbepaling er toe strekt een eenduidige norm vast te leggen dat de eigenaar de plicht heeft om het monument zodanig te onderhouden dat instandhouding gewaarborgd is.4 Met het verbod op actieve of passieve verwaarlozing is dit afdoende geregeld.

3. Aanwijzing als beschermd erfgoed

3.1 Aanwijzing van monumenten en archeologische monumenten

De leden van de CDA-fractie vragen aandacht voor artikel 3.1 (Aanwijzing rijksmonument) in het onderhavige voorstel. Deze leden zijn vooral benieuwd waarom de Minister alleen met overheden in overleg treedt voor aanwijzing tot rijksmonument en bij kerken ook met de eigenaar van de kerk, maar niet per definitie met de eigenaar van andere potentiële rijksmonumenten.

De regering merkt op dat alle eigenaren altijd worden betrokken bij de voorbereiding van de aanwijzing van monumenten als rijksmonument. De aanwijzing van rijksmonumenten wordt voorbereid via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In deze procedure krijgen belanghebbenden (geadresseerden), ofwel de eigenaar en eventueel beperkt gerechtigden, standaard de gelegenheid hun visie te geven op het conceptbesluit tot aanwijzing als rijksmonument. Deze visie kan zowel mondeling als schriftelijk worden ingediend.

De reden van de specifiek benoemde overlegverplichting met de eigenaar van een kerkelijk monument is gelegen in het belang van de vrije belijdenis van godsdienst en levensovertuiging. Deze bepaling was voor het eerst opgenomen in de Monumentenwet van 1961 en de regering acht het belang nog altijd zwaarwegend genoeg om een overlegverplichting te rechtvaardigen. Het college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten worden om schriftelijk advies gevraagd. Het betreft hier het inwinnen van advies over hoe decentrale overheden vanuit hun rol en belangen op lokaal of regionaal niveau tegen de voorgenomen aanwijzing aankijken en niet een overlegverplichting.

3.2 Aanwijzing van cultuurgoederen en verzamelingen

De leden van de CDA-fractie wijzen op artikel 3.7, lid 4, sub a (aanwijzing als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling). Wat is de regering voornemens te doen met goederen die aan de criteria voldoen en die zich niet in Nederland bevinden? Deze leden vragen de regering waarom dit aspect ogenschijnlijk buiten beschouwing wordt gelaten.

Artikel 3.7 geeft de Minister van OCW de bevoegdheid om een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is of van uitzonderlijke schoonheid en dat als onvervangbaar en onmisbaar dient te worden behouden voor het Nederlands cultuurbezit, aan te wijzen als beschermd cultuurgoed. Doel van de aanwijzing is te voorkomen dat bijzondere cultuurgoederen in particulier bezit verloren gaan voor het in Nederland aanwezige cultuurbezit. Een maatregel om er voor te zorgen dat dat niet gebeurt, is dat de eigenaar voor de voorgenomen uitvoer van een beschermd cultuurgoed uit Nederland toestemming van de Minister van OCW (i.c. de inspecteur van de Erfgoedinspectie) nodig heeft en dat de Minister van OCW tegen dat voornemen bedenkingen kan aanvoeren.

Cultuurgoederen die aan de criteria voldoen, maar zich in het buitenland in particulier bezit bevinden, worden niet aangewezen. Zij behoren immers niet (meer) tot het in Nederland aanwezige cultuurbezit. Een aanwijzing zou geen functie hebben omdat deze Nederlandse wetgeving geen rechtskracht heeft in het buitenland. Feitelijk kunnen dan geen beperkingen worden gesteld aan handelingen van de eigenaar. Voorbeelden van cultuurgoederen die niet worden aangewezen zijn bijvoorbeeld een Van Gogh die zich al jaren in de Verenigde Staten bevindt in handen van een Amerikaanse eigenaar of een Mondriaan die door een Nederlandse eigenaar in Frankrijk wordt gekocht. Pas als zij het schilderij naar Nederland brengen kan dit eventueel worden aangewezen. In dat geval is op grond van artikel 3.9, eerste lid, wel de toestemming van de eigenaar nodig. Deze bepaling heeft als achtergrond de handel in kunst niet te veel te belemmeren.

Ten slotte vragen de leden van de CDA-fractie de regering wat bij aanwijzing door de Minister zelf de compensatie tot verplicht onderhoud op een «normaal niveau» richting de eigenaar van dergelijke goederen is. Het lijkt deze leden van belang dat ook op dit punt meer duidelijkheid wordt gegeven aan de betrokkenen.

Bij de aanwijzing tot beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling ontvangt de betreffende eigenaar geen compensatie. Van de eigenaar wordt verwacht dat hij zorgdraagt voor zijn cultuurgoed. Eigenaren van beschermde cultuurgoederen of verzamelingen kunnen wel een beroep doen op de subsidieregeling Bijdrage Wet Behoud Cultuurbezit van het Mondriaan Fonds. Deze subsidieregeling is bedoeld ter ondersteuning van de kosten die met de zorg voor en het behoud van het aangewezen beschermde cultuurgoed gepaard gaan en bedraagt maximaal 60% van de kosten per aanvraag.

3.3 Stads- en dorpsgezichten

De Omgevingswet geeft de Minister van OCW de mogelijkheid een instructie te geven aan een gemeente inzake een beschermd dorps- of stadsgezicht, zo constateren de leden van de SP-fractie. Kan de regering uitleggen wat dit precies inhoudt? Wat is een instructie en in welke gevallen zou het instrument gebruikt kunnen gaan worden? Wat waarborgt de Minister hiermee?

In grote lijnen worden de onderdelen van de omgang met cultureel erfgoed die de fysieke leefomgeving raken, geregeld in het wetsvoorstel voor de Omgevingswet en de overige onderdelen in de Erfgoedwet. De aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht maakt geen onderdeel uit van de Erfgoedwet. Voor de bescherming van stads- en dorpsgezichten is bij uitstek sprake van gebiedsgerichte benadering. Daarom is in het wetsvoorstel voor de Omgevingswet een specifieke grondslag opgenomen voor de instructie tot aanwijzing van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Deze instructie wordt gegeven door de Minister van OCW aan een gemeente en houdt in dat in het omgevingsplan de functie van rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht aan het desbetreffende gebied moet worden gegeven en dat moet worden voorzien in adequate bescherming daarvan. Daarbij moet het omgevingsplan onder andere voorzien in een op de karakteristieken van het stads- of dorpsgezicht afgestemd verbod tot het slopen van bouwwerken. Het behoud van die karakteristieken wordt zo gewaarborgd. Daarmee verschilt de strekking in praktijk niet van de aanwijzing tot beschermd stads- en dorpsgezicht zoals die nu in de Monumentenwet 1988 bestaat.

De verwachting is dat met deze instructie terughoudend zal worden omgegaan. Een van de kernpunten van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg was de meer generieke borging van cultuurhistorische waarden vooraf in het proces van ruimtelijke ordening, waardoor een vermindering van sectorale regelgeving achteraf mogelijk is.5 De regering heeft aangegeven dat de noodzaak van het aanwijzen van nieuwe rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten afneemt, naarmate het belang van de cultuurhistorie zwaarder meeweegt in de bestemmingsplannen, en straks in de omgevingsplannen. Echter als daar aanleiding toe is, bijvoorbeeld in geval van nieuwe beleidsthema’s of ter uitvoering van het Werelderfgoedverdrag, blijft het dus mogelijk om van rijkswege bescherming op te dragen voor stads- en dorpsgezichten.

3.4 Ensembles

Met het amendement op stuknummer 41 zijn de ensembles toegevoegd aan de wet. Onduidelijk voor de leden van de SP-fractie is echter wat nu de juridische status is van de ensembles. Is de regering van mening dat de ensembles nu dezelfde bescherming hebben als het overige cultureel erfgoed? Graag ontvangen de leden van de SP-fractie een toelichting.

Met de invoeging van het amendement op stuknummer 41 is het mogelijk om een rijksmonument samen met cultuurgoederen aan te wijzen als ensemble. De aanwijzing van een ensemble heeft geen rechtsgevolg voor de eigenaar; er geldt geen wettelijke bescherming. Dit blijkt uit artikel 3.13 en uit de toelichting bij het amendement. Ensembles hebben niet dezelfde, maar, naar de aard van het erfgoed, een passende bescherming ten opzichte van het overige cultureel erfgoed. De indieners van het amendement wilden bewerkstelligen dat de kennis over belangrijke ensembles en hun waarde wordt vergroot en de inspanningen voor de bescherming worden ondersteund. De verantwoordelijkheid van gemeenten wordt niet uitgebreid door het amendement, deze blijft alleen gericht op de rijksmonumenten.6 Het amendement schrijft wel voor dat informatie over de aangewezen ensembles wordt gekoppeld aan het rijksmonumentenregister. Daarmee bereikt het amendement dat informatie over belangrijke ensembles breed wordt verspreid. Naast erkenning van dit belangwekkend erfgoed, zorgt de aanwijzing van ensembles door de verbinding met de rijksmonumenten voor bewustwording en kennisdeling. Dit helpt eigenaren bij het behoud van ensembles.

4. Bescherming van erfgoed

Het is de leden van de CDA-fractie nog onvoldoende duidelijk of de voorgestelde wet inderdaad voldoende bescherming biedt om ongewenste vervreemding van cultuurgoederen of collecties te voorkomen. Door de Vereniging Rembrandt, het Prins Bernhard Cultuurfonds en anderen is deze zorg naar voren gebracht en graag willen de leden van de CDA-fractie van de regering horen op welke wijze deze wet de zorg over ongewenste ontwikkelingen kan tegengaan of voorkomen. Ook met het oog op kerkelijk cultureel erfgoed zijn vergelijkbare zorgen geuit omdat het voorliggende wetsvoorstel onvoldoende waarborg zou bieden tegen vervreemding van de tot een interieurensemble behorende onderdelen. Kan worden verduidelijkt dat deze zorg onterecht is en dat het wetsvoorstel hierin wel voorziet?

De Vereniging Rembrandt, het Prins Bernhard Cultuurfonds en anderen hebben hun zorgen geuit dat particulieren en fondsen minder snel geneigd zijn tot schenkingen als de bescherming van cultuurgoederen tekortschiet.7 In de afgelopen eeuw is een aantal incidenten geweest waarin belangrijk openbaar kunstbezit naar het private domein en/of het buitenland dreigde te verdwijnen en soms ook daadwerkelijk verdween.8 Wat de meeste incidenten gemeen hebben, is dat het proces onvoldoende kenbaar en transparant is verlopen, waardoor de zorgvuldigheid van besluitvorming in het geding was. De afgelopen decennia zijn er grote stappen gezet in de bescherming van ons cultureel erfgoed. Zo is de Leidraad Afstoting Museale Objecten en de VNG-Richtlijn afstoting cultuurbezit ontwikkeld. De toepassing daarvan door musea en gemeenten gaat vrijwel altijd goed. De impact van een vervreemding blijft evenwel groot en kan het mecenaat afschrikken, zoals de Vereniging Rembrandt naar voren heeft gebracht. De regering is van mening dat de aangescherpte vervreemdingsprocedure er toe zal leiden dat op transparante en kenbare gronden tot een zorgvuldigere besluitvorming wordt gekomen die op meer draagvlak zal kunnen rekenen. De overheden en publiekrechtelijke rechtspersonen worden immers verplicht om een onafhankelijk advies in te winnen als een vermoeden bestaat dat het cultuurgoed of de verzameling bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis heeft en onmisbaar en onvervangbaar voor het Nederlands cultuurbezit is (artikel 4.18). Bovendien geldt voor het Rijk, de provincies en de gemeenten, dat alle voorgenomen vervreemdingen van cultuurgoederen bekend gemaakt moeten worden (artikel 4.17). Voor cultuurgoederen waarover het bestuur besluit geen advies in te winnen, zoals bij duplicaten of kopieën en waarvan de herkomst bekend is, kan een ieder tot zes weken na de bekendmaking zienswijzen indienen. Bedacht moet worden dat veel cultuurgoederen van overheden in beheer zijn van musea, die hun zorgen omtrent vervreemding ook kenbaar zullen maken waardoor ook de lokale democratie in positie wordt gebracht. Het is van groot belang voor musea die de collecties van overheden beheren dat overheden zich tonen als een betrouwbaar eigenaar. Schenkingen van particulieren en fondsen, erfenissen en legaten vormen van oudsher een belangrijke bron voor de uitbreiding en verbetering van museale collecties en publiek cultuurbezit. Gezien het feit dat in de praktijk in het overgrote deel van de gevallen al zeer zorgvuldig wordt omgegaan met cultuurgoederen, meent de regering dat met het wetsvoorstel afdoende aanvullende waarborgen en transparantie worden geregeld.

Daarnaast uiten de leden van de CDA fractie hun zorg dat het wetsvoorstel te weinig bescherming biedt tegen vervreemding van de tot een interieurensemble behorende onderdelen. De regering is van mening dat roerende zaken, zoals interieurensembles, een meerwaarde voor het historisch karakter van monumenten kunnen hebben. Het wetsvoorstel is uitgebreid met amendement op stuknummer 41, waardoor het mogelijk wordt om monumenten en hun interieurs in samenhang aan te wijzen als ensemble. Hierdoor wordt de kennis over belangrijke ensembles en hun waarde vergroot en worden de inspanningen voor de bescherming van ensembles ondersteund. Ook kerkelijke interieurs die een samenhang hebben met een monumentaal kerkgebouw, kunnen als ensemble worden aangewezen. Als de waarde van het interieur van wezenlijk belang is voor Nederland, kan die collectie worden aangewezen als beschermd cultuurgoed of verzameling op grond van artikel 3.7 van voorliggend wetsvoorstel.

De regering deelt de zorgen van de leden van de CDA-fractie met betrekking tot de toekomst van waardevolle kerkinterieurs. Door het teruglopende kerkbezoek worden steeds meer kerken aan de eredienst onttrokken, waardoor leegstand en sloop dreigen. Vaak lukt het kerken het gebouw een andere functie te geven. In die gevallen is het onontkoombaar om in het kerkelijke interieur aanwezige cultuurgoederen te «vervreemden». De kern is daarbij niet dat het aan juridische waarborgen zou ontbreken. Op grond van de wet kunnen immers cultuurgoederen worden aangewezen. Het is veeleer zaak om kerkbesturen te helpen bij de zorgvuldige omgang met hun bezittingen. Met dat doel is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) samen met religieuze, bestuurlijke, wetenschappelijke en maatschappelijke partijen de Agenda toekomst religieus erfgoed opgesteld.9

Kan de regering eveneens garanderen dat ook kunst van lokaal of regionaal belang voldoende wordt beschermd middels de werking van het voorstel, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Provincies en gemeenten hebben een grote verantwoordelijkheid bij het behoud van cultureel erfgoed. Waar het gaat om de bescherming van erfgoed van lokaal of regionaal belang, kan juist de beoordeling bij uitstek op dit niveau plaatsvinden. Een mooi voorbeeld van de verantwoordelijkheid die gemeenten en de lokale gemeenschap hierin nemen is het behoud van het schilderij van Jan van Goyen voor Dordrecht. Het schilderij dat in handen was van de Nederlandse Staat moest in 2006 terug naar de rechtmatige eigenaar, de erven Goudstikker. Het had toen bijna zestig jaar in het Dordrechts Museum gehangen. Voor de stad was dit schilderij van groot belang en daarom voerde het museum met behulp van de gemeente, vrienden, bedrijfsleven en fondsen de succesvolle actie «Geef Dordrecht zijn gezicht terug». Zo werd dit schilderij voor Dordrecht behouden. Het voorliggend wetsvoorstel biedt de nodige waarborgen om lokale en regionale belangen bij vervreemding van cultuurgoederen tot hun recht te laten komen. Allereerst moeten gemeenten en provincies bij vervreemding van cultuurgoederen alle relevante belangen afwegen, waaronder de belangen voor de desbetreffende gemeenschap. Elke vervreemding door het Rijk, de provincies en de gemeenten moet op grond van artikel 4.17 van de Erfgoedwet worden bekendgemaakt. Het wetsvoorstel geeft daarbij een ieder de gelegenheid om zienswijzen in te brengen als niet al om een onafhankelijk advies wordt gevraagd. Hierbij kunnen lokale en regionale belangen worden ingebracht. Deze inbreng wordt vervolgens betrokken bij het besluit om al dan niet tot vervreemding over te gaan.

Aanvullend kan een gemeente of provincie ook zelf nog nadere regels stellen over de omgang met erfgoed van lokaal of regionaal belang. Op grond van de artikelen 3.16 en 3.17 van het wetsvoorstel kunnen de gemeenteraad en provinciale staten erfgoedverordeningen vaststellen. In een erfgoedverordening kan de gemeenteraad bijvoorbeeld voorschrijven dat het college van burgemeester en wethouders alleen overgaat tot vervreemding als een onafhankelijke commissie is gehoord die een oordeel heeft gegeven over het lokaal belang van het cultuurgoed.

Is de regering het eens met de leden van de fracties van D66 en de PvdA dat wanneer er in de aanhef van paragraaf 4.2 sprake is van «een cultuurgoed van Staat, provincie, gemeente of ander publiekrechtelijke rechtspersoon» in het meteen daarop volgende artikel 4.17, lid 1 (en vervolgens in lid 3 en 4) ook het bestuur van een publiekrechtelijke rechtspersoon gehouden is een voorgenomen besluit tot vervreemding op een door de Minister aangewezen wijze bekend te maken?

Artikel 4.17 over het bekendmaken van voorgenomen besluiten tot vervreemding is blijkens de inhoud alleen van toepassing op het Rijk, provincies en gemeenten. De verplichting tot het vragen van advies van een onafhankelijke commissie uit artikel 4.18 is wel van toepassing op andere publiekrechtelijke rechtspersonen. Zowel het artikel over de bekendmaking van besluiten tot vervreemding als de uitbreiding van de adviesverplichting tot publiekrechtelijke rechtspersonen is door middel van een amendement in het voorliggende wetsvoorstel opgenomen. De indieners hebben ervoor gekozen de uitbreiding tot alle andere publiekrechtelijke rechtspersonen alleen op de adviesplicht te laten zien. De toelichting bij het amendement merkt op dat de adviesplicht beperkt aan de orde zal zijn bij andere publiekrechtelijke rechtspersonen. Het advies dient te worden ingewonnen bij het vermoeden dat het cultuurgoed of de verzameling bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis heeft en onmisbaar en onvervangbaar voor het Nederlands cultuurbezit is. Omdat de cultuurgoederen vaak specifiek gerelateerd zijn aan de historie van de organisatie zelf en niet het Nederlands cultuurbezit, is de verwachting dat daarom de extra verplichting en het verwachte effect in balans zijn.10 Naast het feit dat de bekendmaking van elk voorgenomen besluit tot vervreemding van een cultuurgoed niet geregeld is voor andere publiekrechtelijke rechtspersonen, zou dit ook niet stroken met de balans die de indieners beoogden.

In artikel 4.17, lid 3 wordt het voor vervreemding aangemerkte cultuurgoed verbonden met de vraag of het betreffende cultuurgoed «van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is en onvervangbaar en onmisbaar voor het Nederlands cultuurbezit». De leden van de fracties van D66 en de PvdA zouden graag van de regering willen weten of «Nederlands» hier als «nationaal» gelezen moet worden of dat het hier eerder om een geografische aanduiding gaat, die ook op «onmisbaarheid» in lokale, regionale of institutionele zin kan duiden. Gemeenten, waterschappen of universiteiten hebben cultuurgoederen in bezit die in hun context onvervangbaar en onmisbaar zijn. Is de regering het met de leden van de fracties van D66 en de PvdA eens dat het juist in de geest van de wet is om in het geval van zich in publiek bezit bevindend erfgoed niet het accent te leggen op de vrijheid van handelen van de eigenaar, maar op de beschermwaardigheid van het cultuurgoed zelf? Artikel 3.9 geeft de Minister immers de mogelijkheid ook bezittingen van een particuliere eigenaar onder bepaalde voorwaarden tot «beschermd cultuurgoed» te verklaren.

Voor de procedure rond vervreemding en het verplicht inwinnen van een advies moet «Nederlands cultuurbezit» worden begrepen als cultuurgoederen met een belang op nationaal niveau. In antwoord op de vraag hierboven van de leden van de CDA-fractie in hoeverre ook kunst van lokaal of regionaal belang voldoende wordt beschermd middels de werking van het voorstel, is toegelicht hoe ook andere belangen kunnen worden geborgd. De regering is het met de leden van de fracties van D66 en de PvdA eens dat overheden niet als een reguliere eigenaar gezien moeten worden. Cultuurgoederen in eigendom van overheden en publiekrechtelijke rechtspersonen zijn publiek bezit. Het is daarom van belang dat bij het handelen met dit bezit alle betrokken publieke belangen worden afgewogen. De regering is van mening dat met het voorliggende wetsvoorstel een goede balans is gevonden tussen de handelingsvrijheid van de overheid als eigenaar en de beschermwaardigheid van een cultuurgoed. Bij de beantwoording van de vraag van de leden van de CDA-fractie of de voorgestelde wet voldoende bescherming biedt om ongewenste vervreemding van cultuurgoederen of collecties te voorkomen, is nader ingegaan hoe overheden en publiekrechtelijke rechtspersonen tot een zorgvuldige afweging komen.

Het valt de leden van de fracties van D66 en de PvdA op dat artikel 4.18 in geval van een voorgenomen vervreemding van een cultuurgoed de beslissing om een commissie van onafhankelijke deskundigen in te stellen geheel aan de discretie van de betrokken overheden en publieke rechtspersonen overlaat. Zou het niet de voorkeur verdienen de instelling van zo’n commissie verplicht te stellen en het betreffende advies ook altijd publiek te maken? Artikel 4.21 voorziet alleen in een melding aan de Minister in geval de commissie negatief adviseert over vervreemding. Dat sluit een besluit tot vervreemding overigens in het geheel niet uit. In vervolg op de publicatie van het advies en een voornemen van de publieke eigenaar om tot vervreemding over te gaan zou er voor belanghebbenden, met name organisaties die ten aanzien van behoud van het cultureel erfgoed bewezen het publieke belang te vertegenwoordigen, ook de mogelijkheid moeten zijn om een laagdrempelige bestuursrechtelijke procedure tegen vervreemding van een bepaald cultureel erfgoed aanhangig te maken. De leden van de fracties van D66 en de PvdA vernemen graag van de regering of zij ruimte wil geven aan deze democratische ondersteuning van de betrokkenheid bij het cultureel erfgoed. De leden van de fractie van de VVD wensen dezelfde vragen te stellen.

De regering hecht zeer aan het beschikbaar houden van cultuurgoederen in publiek bezit. De betrokkenheid van burgers en belangengroepen is daarnaast van grote waarde voor het behoud van ons cultureel erfgoed. Vervreemding moet dan ook met de grootst mogelijke zorgvuldigheid geschieden. Relevant is dat het voorgestelde wetsvoorstel geen verbod tot vervreemding inhoudt. Ook geldt dat bij vervreemding niet per definitie de toegankelijkheid in het geding is. Het gaat om het komen tot een zorgvuldige afweging of het cultuurgoed wel of niet bijzondere bescherming dient te genieten. Op de vraag hierboven van de leden van de CDA-fractie in hoeverre het wetsvoorstel voldoende bescherming biedt om ongewenste vervreemding van cultuurgoederen of collecties te voorkomen, is nader ingegaan op de procedure en bekendmaking.

De mogelijkheid om een laagdrempelige, bestuursrechtelijke procedure tegen privaatrechtelijke vervreemding van een bepaald cultuurgoed aanhangig te maken, is in de Tweede Kamer aan de hand van het verworpen amendement onder stuknummer 45 uitvoerig besproken. Overheden verrichten voortdurend privaatrechtelijke handelingen. Voorbeelden zijn de verkoop van grond aan een projectontwikkelaar voor de bouw van kantoren (terwijl die grond sinds lange tijd in gebruik kan zijn als groenstroken of volkstuinen), en de redding van een voetbalstadion door deze aan te kopen. Deze handelingen zijn niet vatbaar voor beroep bij de bestuursrechter en kunnen ook grote maatschappelijke impact hebben. Bij vervreemden van cultuurgoederen acht de regering het van wezenlijk belang dat er maatschappelijk draagvlak wordt gecreëerd voor het besluit. Een zorgvuldige besluitvormingsprocedure draagt daaraan bij. Een verplicht deskundigenadvies bij het vermoeden van bijzondere cultuurhistorische betekenis en onmisbaar en onvervangbaar voor het Nederlands cultuurbezit geeft de gemeenteraad, provinciale staten of de Kamer de gelegenheid en de argumenten om de bestuurder over de vervreemdingsplannen ter verantwoording te roepen en de discussie aan te gaan; dit geeft vorm aan de democratische betrokkenheid bij een besluit tot vervreemding. Bij onduidelijkheid over de waarde van een cultuurgoed past het om een onafhankelijk advies te vragen. Als in een dergelijk geval geen advies wordt gevraagd, kan het democratisch gekozen orgaan het bestuur hierop aanspreken of kan de Minister van OCW overgaan tot vernietiging. De handeling heeft dan immers plaatsgevonden in strijd met de wet.

In de wet wordt er veel verantwoordelijkheid gelaten aan de lokale overheden. Alhoewel deze autonomie begrijpelijk en logisch is, immers niet overal is de rijksoverheid voor nodig, constateren de leden van de fractie van de SP dat de kennis en kunde op het gebied van cultureel erfgoed bij de gemeenten verschillen. Met name bij archeologische vondsten kan dit leiden tot onnodige kosten, of erger: verkeerde procedures. Omdat het niet zinvol en nodig is om in alle gemeenten een deskundige op dit gebied aan te stellen, loopt men het risico dat in verschillende gemeenten het wiel opnieuw wordt uitgevonden. Acht de regering het denkbaar dat zij de VNG vraagt algemene richtlijnen op te stellen, welke de gemeenten houvast bieden bij de omgang van het cultureel erfgoed?

Gemeenten hebben in de loop der jaren veel kennis en expertise opgebouwd op het terrein van het cultureel erfgoed. Sinds de decentralisatie van de monumentenzorg met de Monumentenwet 1988 is de gemeente het bevoegd gezag voor vergunningverlening voor gebouwde en aangelegde rijksmonumenten. De verplichting om in bestemmingsplannen rekening te houden met archeologische waarden (sinds de implementatie van het Verdrag van Valletta in 2007) en cultuurhistorische waarden in den brede (sinds 2012, in het kader van de Modernisering Monumentenzorg) heeft bijgedragen aan de kennisontwikkeling bij gemeenten. Het klopt dat het kennisniveau bij gemeenten verschilt. Daarom is er bijvoorbeeld het Steunpuntennetwerk van de provincies, dat de gemeenten ondersteunt bij hun zorg voor cultureel erfgoed. Wat betreft het archeologiebeleid zijn er verder nog goede voorbeelden van samenwerkende gemeenten, zoals Rotterdam en omliggende gemeenten, en in sommige provincies zoals Gelderland zijn regioarcheologen aangesteld die gemeenten kunnen helpen met hun archeologiebeleid. Gemeenten kunnen verder expertise inhuren op de markt en gebruik maken van de brochures en kennisproducten van de RCE, zoals de digitale handreiking Erfgoed en Ruimte. In overleg met de VNG en het IPO wordt bekeken waaraan daarnaast nog behoefte bestaat voor de ondersteuning van gemeenten.

Is het juist dat de regels voor onttrekking gelden voor het rijk, de provincies en de gemeenten en niet voor de andere publiekrechtelijke instellingen? En indien dit zo is, waarom is dan hiervoor gekozen? Is het niet zo dat bij de onttrekking het erfgoed leidend moet zijn en niet de eigenaar? Graag ontvangen de leden van de SP-fractie de visie van de regering hierop.

Het verplicht inwinnen van een advies bij de vervreemding van een cultuurgoed waarbij een vermoeden bestaat dat het van bijzondere waarde is, geldt voor alle overheidslagen en overige publiekrechtelijke rechtspersonen. Het daarnaast bekendmaken van alle vervreemdingen van cultuurgoederen geldt alleen voor het Rijk, de provincies en de gemeenten. Voor een toelichting op de procedure verwijst de regering naar de antwoorden op de vragen van de leden van de CDA-fractie in hoeverre de wet voldoende bescherming biedt om ongewenste vervreemding van cultuurgoederen of collecties te voorkomen. Voor een toelichting op de verschillen in de procedure tussen de overheidslagen en de overige publiekrechtelijke rechtspersonen, verwijst de regering naar het antwoord op vergelijkbare vragen hierover van de leden van de fracties van D66 en de PvdA.

De regering hanteert het goede principe dat vele ogen meekijken bij de uitoefening van de wet. Terecht, want het veld kent vele kundige organisaties en mensen. Dit maakt het toezicht voor de rijksoverheid ook eenvoudiger. De leden van de SP-fractie begrijpen daarom niet zo goed waarom de regering er niet voor gekozen heeft dat deze private partijen zich op een laagdrempelige wijze kunnen mengen wanneer een in hun ogen onterechte onttrekking dreigt. In de Tweede Kamer haalde een amendement hiertoe net geen meerderheid. De wens blijft echter onverkort staan. Is de regering bereid om te bezien op welke wijze de positie van private partijen op dit gebied versterkt kan worden?

De regering acht het van groot belang dat vele partijen betrokken zijn bij het behoud van cultureel erfgoed en meekijken bij de uitoefening van deze wet. Cultureel erfgoed is immers voor een ieder van belang. Daarom vindt de regering het belangrijk dat bij de vervreemding van cultuurgoederen door overheden draagvlak wordt gecreëerd. Het voorliggende wetsvoorstel biedt hiervoor een waarborg: als geen deskundigenadvies wordt gevraagd, dan kan een ieder inbreng leveren voordat het besluit tot vervreemding wordt genomen. Voor een verdere toelichting verwijst de regering naar het eerder gegeven antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de fracties van D66 en de PvdA.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om inzichtelijk te maken welke verschillen er in het oorspronkelijke wetsvoorstel waren in de voorgestelde procedure ter bescherming van openbaar kunstbezit bij de verschillende overheden en publiekrechtelijke organisaties (paragraaf 4.2). Zij vragen wat de grondslag is voor deze verschillen en of amendement nr. 21 (Pechtold en Dik-Faber) een volledige gelijkstelling bewerkstelligt.

In de huidige wet- en regelgeving zijn geen voorschriften opgenomen over de vervreemding van cultuurgoederen in publiek bezit. Op de vragen van de leden van de CDA-fractie in hoeverre de voorgestelde wet inderdaad voldoende bescherming biedt om ongewenste vervreemding van cultuurgoederen of collecties te voorkomen, is gereflecteerd op de incidenten uit het verleden en de noodzaak die de regering heeft gevoeld om een zorgvuldige besluitvorming te waarborgen. Deze procedure is vervolgens door de leden van de Tweede Kamer met de amendementen op stuknummers 14, 21 en 35 nader aangescherpt.

Bij de vervreemding van belangrijke cultuurgoederen voor het Nederlands cultuurbezit moet op grond van het voorliggende wetsvoorstel altijd een onafhankelijk advies worden gevraagd. Vanwege de proportionaliteit en het verwachte effect was deze verplichting in het oorspronkelijke wetsvoorstel alleen opgenomen voor het Rijk, de provincies en de gemeenten. Met het amendement op stuknummer 21 dat de leden van de ChristenUnie-fractie aanhalen, is deze adviesverplichting uitgebreid tot alle publiekrechtelijke rechtspersonen.

Daarnaast is het wetsvoorstel verder uitgebreid met amendement op stuknummer 14 waarmee provincies, gemeenten en publiekrechtelijke rechtspersonen verplicht worden de Minister van OCW op de hoogte te stellen van een vervreemding dertien weken voor de daadwerkelijke vervreemding. Hiermee wordt voorkomen dat de eventuele vernietiging van een besluit tot vervreemding plaatsvindt nadat een cultuurgoed al is overgedragen. Naast deze uitbreidingen is met amendement op stuknummer 35 aanvullend geregeld dat het Rijk, de provincies en de gemeenten alle voorgenomen vervreemdingen van cultuurgoederen bekend maken. Bovendien kan een ieder tot zes weken na de bekendmaking zienswijzen hierop indienen als het gaat om cultuurgoederen waar geen advies over ingewonnen moet worden. Deze voorschriften zijn niet opgelegd aan de overige publiekrechtelijke rechtspersonen. Voor een nadere uiteenzetting hierover wordt verwezen naar de antwoorden hierboven op vergelijkbare vragen van de leden van de fracties van D66, de PvdA en de SP.

Het huidige wetsvoorstel biedt in geval van vervreemding niet de mogelijkheid tot bezwaar en beroep door belanghebbenden om de onttrekking van kunst aan het openbaar kunstbezit bij de bestuursrechter te toetsen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarop de regering baseert dat de voorgestelde zelfregulering voldoende bescherming biedt en zal blijven bieden. Deze leden wijzen op de zorgen van Vereniging Rembrandt dat het risico op onwenselijke vervreemding van belangrijke cultuurgoederen alsnog plaats kan vinden, ondanks de voorgestelde regeling. Zij vragen de regering om te omschrijven welk belang ze hecht aan de inzet van particuliere organisaties voor het behoud van het culturele erfgoed en hoe de zorgen bij dit wetsvoorstel in kaart zijn gebracht.

Bij de voorbereiding van het voorliggende wetsvoorstel zijn vele belanghebbende partijen gehoord en hebben inspraak gekregen. Er is veel nadruk gelegd op het van buiten het departement halen van kennis en expertise. Dit heeft onder meer geleid tot het organiseren van workshops voor het erfgoedveld waar verschillende erfgoedthema’s in het wetsvoorstel zijn bediscussieerd. Ook zijn er gesprekken geweest met betrokken erfgoedpartijen, zoals de Museumvereniging, individuele musea, de Vereniging Rembrandt, de Mobiele Collectie Nederland, de Bond Heemschut en vele anderen. Eveneens is gesproken met vertegenwoordigers van gemeenten en provincies. Daarnaast heeft een ieder kunnen reageren op een conceptwetsvoorstel dat via internetconsultatie bekend is gemaakt. Al deze inbreng en de aanvaarde amendementen in de Tweede Kamer hebben naar de mening van de regering tot een evenwichtig wetsvoorstel geleid dat een zorgvuldige omgang met ons cultureel erfgoed waarborgt. Het behoud van ons cultureel erfgoed wordt door de betrokkenheid van vele organisaties, beheerders, professionals en vrijwilligers bewerkstelligd. Naast de rol van de overheid bij het behoud, is de rol van die partijen onmisbaar. Op vragen van de leden van de fracties van het CDA en D66 en PvdA is ingegaan op de vervreemdingsprocedure. Ten overvoede geldt dat belangengroepen zeer bereid zijn om hun expertise kenbaar te maken aan een gemeenteraad, provinciale staten en de Staten-Generaal zodat een effectieve democratische controle op het bestuur kan plaatsvinden. Ook kunnen belangengroepen zich altijd tot de Minister van OCW of de Erfgoedinspectie wenden als zij zorgen hebben over het behoud van cultureel erfgoed en de toepassing van de wet.

5. Archeologische monumentenzorg

De mogelijkheid bestaat dat gemeenten op grote archeologische schatten stuiten, zo stellen de leden van de SP-fractie vast. Deze vallen dan onder de lokale verantwoordelijkheid, terwijl de waarde nationaal of zelfs internationaal van groot belang is. Dergelijke grote projecten verdienen in de ogen van de leden van de fractie van de SP de steun van de rijksoverheid. Dat kan door middel van regie, maar ook door de oprichting van een nationaal fonds waarop aanspraak gemaakt kan worden door lokale overheden in deze gevallen. Een dergelijk fonds zou overigens ook prima privaat kunnen worden gevuld, zolang de regie maar op rijksniveau aanwezig blijft. Hoe kijkt de regering hier tegenaan?

Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor een goede zorg van het bodemarchief, ook als het gaat om vondsten van groot belang. De provincie houdt interbestuurlijk toezicht op de taakuitvoering door gemeenten. De Erfgoedwet verandert dit niet.

Door goed en tijdig archeologisch vooronderzoek uit te voeren en daarna zo nodig plannen aan te passen, kunnen gemeenten onverwachte kosten voorkomen. Dit is een vorm van risicobeheersing.11 De gemeenten ontvangen bovendien sinds 2007 structureel € 6,35 miljoen bestuurslastenvergoeding en vanaf 2008 structureel € 1,25 miljoen extra tegemoetkoming excessieve kosten archeologie in het Gemeentefonds.

De regering ziet geen financiële rol voor zichzelf weggelegd wat betreft de reguliere archeologische monumentenzorg. Uit de evaluatie van de Wet op de archeologische monumentenzorg blijkt ook dat dit stelsel goed functioneert.12 De regering heeft uiteraard geen bezwaar tegen de inrichting van een privaat fonds, maar ziet daarbij geen rol voor het Rijk.

De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen op het belang van het in stand houden van het lokale en regionale erfgoed als mededrager van de identiteit van de betreffende gemeenschap. Zij zijn verheugd dat de wet in dit opzicht ook uiting geeft aan die waarde door te spreken over de mogelijkheid van een gemeentelijke of provinciale erfgoedverordening. Zij merken op dat het beleid momenteel ook anderszins tot uitdrukking komt, bijvoorbeeld in bestemmingsplannen. Deze leden vragen op welke wijze de regering overlegt met de decentrale overheden om inderdaad het gewenste doel te bereiken.

Zowel gemeenten als provincies hebben de mogelijkheid om via een gemeentelijke of provinciale erfgoedverordening lokaal en regionaal cultureel erfgoed te beschermen. Dat gebeurt nu al door de aanwijzing van gemeentelijke monumenten en – in enkele provincies – provinciale monumenten. Voor de bescherming van lokaal en regionaal cultureel erfgoed vormen de Erfgoedwet en de Omgevingswet een samenhangend geheel. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de bescherming van het deel van het lokale en regionale cultureel erfgoed dat ziet op de fysieke leefomgeving integraal worden opgenomen in het omgevingsplan. Een erfgoedverordening op grond van de Erfgoedwet kan dan betrekking hebben op de overige zaken die verband houden met het behoud van lokaal of regionaal cultureel erfgoed. Gedacht kan worden aan regels voor aanwijzing van lokaal of regionaal waardevolle cultuurgoederen, beheer en behoud van de gemeentelijke of provinciale collectie of aan de financiering van het behoud van cultureel erfgoed van lokaal of regionaal belang. In overleg met de VNG en het IPO wordt afgesproken op welke wijze het beste bekendheid gegeven kan worden aan de mogelijkheden die de erfgoedwet op dit punt biedt.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen bovendien of met de huidige aanpassingen van de wet en beleidsmatige toezeggingen er als gevolg van deze wet nog risico’s zijn dat gemeentelijke archeologische diensten niet langer kunnen voortbestaan. Hoe is inhoudelijke kennis binnen gemeenten voor de uitoefening van wettelijke taken gewaarborgd? Vindt de regering dat hierbij academische deskundigheid een vereiste is? Deze leden hebben vernomen dat bij een derde van de gemeenten niet duidelijk is of en hoe archeologische kennis wordt betrokken. Deze leden vragen of de instructieregels tot behoud van het culturele erfgoed hier voldoende waarborgen voor bieden en zien dat graag toegelicht.

Een relatief klein aantal gemeenten en provincies beschikt over een eigen archeologische dienst die opgravingen doet. De keuze om zelf actief op te graven is (en blijft) een autonome keuze. In 2014 werd 88% van de opgravingen verricht door bedrijven en 7% door gemeentelijke diensten. Daar waar gemeenten nu een opgravingsvergunning van de Minister van OCW nodig hebben om zelf archeologisch onderzoek te mogen uitvoeren, zullen ze straks daarvoor een certificaat nodig hebben. Door een certificaat te behalen kan een gemeentelijke archeologische dienst dus nog steeds opgravingen verrichten.

De Erfgoedwet geeft, net als de huidige wetgeving, geen voorschriften ten aanzien van inhoudelijke kennis binnen gemeenten. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van hun taken en verantwoordelijkheden. Zij moeten zorgen voor voldoende kennis om tot zorgvuldige belangenafweging en besluitvorming te komen. De instructies, waar de leden van de ChristenUnie-fractie naar verwijzen, zullen worden opgenomen in de (onderliggende) regelgeving van de Omgevingswet. De huidige bepaling in de Monumentenwet 1988 dat rekening wordt gehouden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden wordt hiermee materieel voortgezet. Uit de evaluatie van de Wet op de archeologische monumentenzorg is gebleken dat deze bepaling goed werkt. De huidige wet, en ook de onderliggende regelgeving bij de Omgevingswet, zullen niet voorschrijven op welke wijze gemeenten deze taak moeten uitvoeren. Gemeenten worden hier wel in ondersteund door onder meer kennisproducten die zijn ontwikkeld in het project «archeologie voor gemeenten» van de RCE.

6. Overig

6.1 Archeologische monumentenzorg

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een nadere toelichting op de implementatie van het Verdrag van Valletta (Malta), in het bijzonder waar het gaat om artikel 9 met betrekking tot de publiekseducatie en publiekscommunicatie. Zij begrijpen dat de regering van mening is dat deze zich niet door wetsartikelen laten voorschrijven, maar vooral hun doel bereiken wanneer zij onderdeel zijn van een bewustzijn van de waarde van ons erfgoed. Deze leden merken op dat het doel van het bewustzijn van de waarde van ons erfgoed juist bereikt wordt door publiekseducatie en publiekscommunicatie en dat dit ook de strekking is van het genoemde artikel. Zij zien daarom graag nader toegelicht waarom niet gekozen is voor implementatie. Bovendien vragen ze op welke wijze, ook in financieel opzicht, uitvoering aan dit artikel wordt gegeven.

Het belang van cultuureducatie wordt door de regering, andere overheden, culturele instellingen en scholen in toenemende mate onderkend. De regering verwijst als voorbeeld in dezen naar het programma «Cultuureducatie met kwaliteit». De regering deelt met de leden van de ChristenUnie-fractie dat publiekseducatie en -communicatie zeker bijdragen aan het vergroten van het bewustzijn van de waarde van ons erfgoed. De betrokkenheid van burgers en de inzet van vrijwilligers zijn bovendien van groot belang voor het behoud van en de zorg voor het cultureel erfgoed. Echter, dit laat zich niet in regels vatten. Er is daarom niet gekozen voor implementatie in de vorm van wetgeving, maar door feitelijke verzorging en ondersteuning van educatie en communicatie. Publiekscommunicatie en -educatie specifiek over het bodemarchief wordt voor een belangrijk deel gerealiseerd doordat de verantwoordelijkheid voor de omgang met het bodemarchief bij gemeenten is belegd. Daardoor zijn gemeenten extra gemotiveerd om de betekenis van vondsten lokaal uit te dragen. Gemeenten doen dit volop, getuige de vele berichten in lokale media over opgravingen. Daarnaast maken archeologische opgravingsbureaus in toenemende mate gebruik van social media om te communiceren over hun onderzoeksresultaten. Een andere trend is dat gemeenten en provincies steeds meer inzetten op de beleefbaarheid van archeologie, getuige onder meer de openingen van het Huis van Hilde, DOMunder en Castellum Hoge Woerd.

Door de RCE is samen met de Archeologische Werkgroep Nederland (de koepel van verenigingen voor amateurarcheologen) een handreiking voor gemeenten gemaakt over hoe zij kunnen samenwerken met vrijwilligers. Ook in de Handreiking Erfgoed en Ruimte wordt informatie verstrekt over samenwerking tussen overheid, burgers en vrijwilligers. Daarnaast ondersteunt het Fonds voor Cultuurparticipatie vrijwilligers in de erfgoedsector door middel van diverse regelingen. Ook ondersteunt het fonds het Romeinenfestival, de Maand van de Geschiedenis en de Nationale Archeologiedagen. Met de ondersteuning van het Rijksmuseum voor Oudheden, het nationale museum voor archeologie, worden de oudheid en de archeologie tot leven gebracht. Daarmee geeft de regering ook in financieel opzicht uitvoering aan het artikel uit het verdrag.

6.2 Mobiel erfgoed

In de Tweede Kamer is uitvoerig gesproken over het mobiel erfgoed. Moties hierover (nr. 33 en nr. 47) kregen brede ondersteuning. Graag zouden de leden van de fractie van de SP weten hoe de regering uitvoering gaat geven aan deze moties. Lukt het om de gevraagde informatie voor 1 januari 2016 voorhanden te hebben?

Ter uitvoering van de moties over het mobiele erfgoed zijn al de nodige stappen in nauwe samenwerking met de Stichting Mobiele Collectie Nederland (MCN) gezet. De door de leden genoemde moties gaan over twee zaken; over het onderzoeken van knelpunten in regelgeving en het bevorderen dat de belangen van bezitters van mobiel erfgoed in de toekomst meegewogen worden bij kabinetsbeslissingen (1) en over het ondersteunen van de actualisering, uitbreiding en digitale ontsluiting van het register voor mobiel erfgoed en op basis daarvan een lijst toonbeelden van mobiel erfgoed te maken (2).

Het identificeren en inventariseren van knelpunten in regelgeving voor mobiel erfgoed is gestart. Het betreft sterk uiteenlopende knelpunten op diverse onderwerpen van verschillende departementen. In ieder geval worden de bestaande overlegstructuren van de Omgevingswet, waarin veel regelgeving van verschillende departementen wordt gebundeld, benut om aandacht te vragen voor de geïdentificeerde knelpunten. Zoals gevraagd, zal de regering voor 1 januari 2016 rapporteren aan de Tweede Kamer over de stand van zaken en de voorgestelde aanpak. Uw Kamer zal hiervan een afschrift ontvangen.

Het ondersteunen van de actualisering, uitbreiding en digitale ontsluiting van het register voor mobiel erfgoed door de RCE moet binnen een jaar tot een lijst toonbeelden van mobiel erfgoed leiden. Over deze toonbeeldenlijst heeft de RCE afgelopen zomer intensief overleg gevoerd met de Stichting MCN. De stichting heeft een projectplan gemaakt en de financieringsbehoefte in kaart gebracht. Momenteel wordt dit projectplan verder aangescherpt, waarna een subsidie verstrekt kan worden ter financiering van het project. Daarnaast heeft met de sector overleg plaatsgevonden over de ondersteuning door de RCE voor de actualisering en verdere ontwikkeling van het register voor mobiel erfgoed. De RCE en de Stichting MCN achten het wenselijk om hiervoor een tussenstap in te bouwen en allereerst een plan op te stellen met verschillende scenario’s. Doordat Stichting MCN museale en particuliere eigenaren van mobiel erfgoed samenbrengt en zich samen met de sectorale koepelorganisaties voor vervoer te water, op het spoor, op de weg en in de lucht, inspant om historische vervoersmiddelen te behouden en te presenteren, beslaat de Stichting MCN een breed spectrum binnen het mobiele erfgoed. Het is van belang dat binnen deze vier diverse stromingen van mobiel erfgoed voldoende draagvlak ontstaat voor de verdere uitbouw van het register.

6.3 Immaterieel erfgoed

De leden van de fractie van de ChristenUnie lezen behartigenswaardige woorden in de memorie van toelichting over de instandhouding van het immateriële erfgoed. In de wettekst is daar echter geen weerslag van te vinden. Welke overwegingen hebben er toe geleid om het immateriële erfgoed niet als zodanig in het wetsvoorstel te benoemen? Heeft de regering voornemens tot aanpassing van de wet nadat het Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed een nationale inventaris heeft opgesteld? Zo ja, op welke termijn zijn deze te verwachten en zo nee, waarom niet?

Het Koninkrijk der Nederlanden heeft in 2012 het UNESCO-verdrag inzake de bescherming van immaterieel cultureel erfgoed geratificeerd. Daarmee heeft Nederland zich gecommitteerd het verdrag uit te voeren en vorm te geven aan het levend houden van tradities, gebruiken, rituelen en ambachten.

Een van de belangrijkste verplichtingen van het verdrag op nationaal niveau is het in kaart brengen van het immaterieel erfgoed op het grondgebied van de lidstaat. Het kennisinstituut Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed (VIE) coördineert, met financiële ondersteuning van de Minister van OCW, de totstandkoming van de inventaris. Alleen immaterieel erfgoed dat in een dergelijke inventaris is opgenomen kan worden voorgedragen bij UNESCO. Een commissie van experts van het VIE voert een lichte toetsing uit voor de plaatsing op de inventaris. Nederland heeft er voor gekozen deze inventaris via een laagdrempelige, bottom-up procedure samen te stellen, in overeenstemming met de doelstellingen van het verdrag om respect en waardering te bevorderen voor gemeenschappen, groepen en individuen die het immaterieel erfgoed dragen en door willen geven aan volgende generaties. Hierdoor kan de inventaris op een breed draagvlak rekenen en fungeert het als een instrument van, door en voor het veld. Het levend houden van immaterieel erfgoed is niet te vatten in wettelijke verplichtingen. Met bovenstaande uitvoering van het UNESCO-verdrag wordt op een bij de aard van het erfgoed passende wijze de zorg voor het immaterieel erfgoed geregeld en aan de verplichtingen van het verdrag voldaan.

De Minister van OCW heeft een aantal randvoorwaarden meegegeven voor de ontwikkeling van de inventaris, zoals culturele diversiteit en laagdrempeligheid, maar heeft het tot stand komen ervan op afstand van de overheid vormgegeven.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Kamerstukken II 2014/15, 34 109, nr. 18.

X Noot
2

Zie onder meer de uitspraken in de casus Vlodrop (ABRvS d.d. 1-2-2012, nr. 201101486/1/A2) en Wageningen (ABRvS d.d. 20-8-2014, nr. 201308200/1/A1, ECLI:NL:RVS:2014:3059).

X Noot
3

Kamerstukken II 2014/15, 34 109, nr. 43.

X Noot
4

Kamerstukken II 2014/15, 34 109, nr. 18.

X Noot
5

Kamerstukken II 2009/10, 32 156, nr. 1.

X Noot
6

Kamerstukken II 2014/15, 34 109, nr. 41.

X Noot
7

Volkskrant, cultuurfondsen: «bescherm onze collectie,» 4 september 2015.

X Noot
8

Vereniging Rembrandt, Zorgvuldige omgang met kunst in het publiek domein, mei 2014, p. 26–36.

X Noot
10

Kamerstukken II 2014/15, 34 109, nr. 21.

X Noot
11

Aan de Tweede Kamer is in mei 2013 een publicatie gezonden met voorbeelden van deze en andere lokale maatregelen die genomen worden om de kosten van de archeologie laag te houden (Kamerstukken II 2012/13, 23 156, nr. 46).

X Noot
12

Kamerstukken II 2011/12, 33 053, nr. 3.