34 104 Langdurige zorg

29 538 Zorg en maatschappelijke ondersteuning

Nr. 230 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 27 juni 2018

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 1 juni 2018 over het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in verband met enkele maatregelen uit het regeerakkoord (Kamerstukken 34 104 en 29 538, nr. 225) en over de brief van 1 juni 2018 over vormgeving abonnementstarief (Kamerstukken 34 104 en 29 538, nr. 224).

De vragen en opmerkingen zijn op 22 juni 2018 aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 26 juni 2018 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Lodders

Adjunct-griffier van de commissie, Krijger

Inhoudsopgave

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II.

Reactie van de Minister

10

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorliggende ontwerpbesluiten. Mensen die gebruik maken van verschillende vormen van zorg en ondersteuning hebben te maken met een stapeling van eigen betalingen. Genoemde leden steunen de Minister in het aanpakken van deze stapeling en daarmee het toegankelijk houden van zorg en ondersteuning. De voorliggende maatregelen zijn hiervan onderdeel. Zij hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

Introductie abonnementstarief maatwerkvoorzieningen

In 2019 wordt gewerkt met een tussenvorm van het abonnementstarief als eerste stap naar daadwerkelijke invoering per 2020. Ieder huishouden dat gebruik maakt van een of meerdere voorzieningen in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) zal een eigen bijdrage van € 17,50 per vier weken betalen. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister in hoeverre in deze tussenvariant sprake zal zijn van een aanzuigende werking, zoals door sommige partijen wordt benoemd. Deelt de Minister de mening dat de keukentafelgesprekken bij uitstek een oplossing kunnen zijn om de eventuele aanzuigende werking te minimaliseren? Bij iedere aanvraag dient immers een keukentafelgesprek te worden gevoerd waar samen met de hulpvrager, en eventueel diens mantelzorger of cliëntondersteuner, wordt besproken wat iemand zelf kan regelen, al dan niet met behulp van diens omgeving en waar de gemeente kan ondersteunen. Graag de reactie van de Minister, zo vragen genoemde leden.

Verlagen vermogensinkomensbijtelling van 8% naar 4%

De leden van de VVD-fractie zijn verheugd met de maatregel om de vermogensinkomensbijtelling (VIB) voor mensen die gebruikmaken van langdurige zorg te halveren. Genoemde leden zijn immers van mening dat het niet eerlijk is dat mensen die hun hele leven lang hard gespaard hebben, daarvoor «beboet» worden met een fors hogere eigen bijdrage.

Verkorten termijn waarover CAK een eigen bijdrage kan opleggen

Naast de voorliggende maatregel van het verkorten van de termijn worden in opdracht van de Minister maatregelen in de eigen bijdrage keten genomen die ten doel hebben dat het bericht «aanvang zorg» binnen een aantal werkdagen van de zorgaanbieder, via het betreffende zorgkantoor, naar het Centraal Administratie Kantoor (CAK) wordt gestuurd. Deze leden vragen de Minister welke andere maatregelen hier worden bedoeld.

Uitvoerbaarheid

Het CAK verwacht een serieuze toename in het gebruik van de «betalingsregeling in verband met onverkocht huis. Kan de Minister toelichten waarop het CAK deze aanname baseert? Zijn er ook andere oorzaken dan het verkorten van de overgangstermijn? Waarom is deze regeling zo arbeidsintensief dat extra budget nodig is?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de vormgeving abonnementstarief en het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in verband met enkele maatregelen uit het regeerakkoord en hebben hier nog de nodige vragen en opmerkingen over.

Zo willen genoemde leden weten welke maatwerkvoorzieningen vanaf 2019 onder het abonnementstarief vallen. Ook willen zij weten welk deel van de algemene voorzieningen vanaf 2020 onder het abonnementstarief worden gebracht. Gaat het sociale wijkteam bijvoorbeeld ook onder het abonnementstarief vallen?

De invoering van het abonnementstarief leidt naar verwachting tot minder (ongewenste) zorgmijding. De precieze effecten van de introductie van het abonnementstarief zijn lastig in te schatten. Van welke toestroom is uitgegaan? Nadere regels ten aanzien van eigen kracht, gebruikelijke zorg, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociale netwerk kunnen worden vastgesteld. Leidt dit tot grotere inspanningen van kinderen, partners of andere personen uit het sociale netwerk? Kan de Minister een aantal concrete voorbeelden geven van nadere regels die vastgesteld kunnen worden?

De Minister stelt vast dat met het voorliggende voorstel tegemoet wordt gekomen aan de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) verwoorde zorgen, zo lezen genoemde leden. De VNG roept echter op om niet in te stemmen met dit besluit en geeft aan dat alle uitgaven hoger dan € 145 miljoen ten koste zullen gaan van de huidige gebruikers. Deze gebruikers betalen nu al vaak de laagste bijdrage maar krijgen straks wel noodgedwongen soberder voorzieningen. Deze leden zouden dit graag nader toegelicht willen hebben.

Deze leden vragen voorts waarom het Rijk slechts de helft van de invoeringskosten van € 290 miljoen dekt. Deze leden hebben al eerder hun vrees geuit dat de gemeenten de andere helft bij de zorgontvangers zullen weghalen. Dit wordt nu ook bevestigd door de VNG.

De Minister geeft aan dat de maatregel zal leiden tot minder bureaucratie. Het CAK geeft aan dat de administratieve lasten en de complexiteit worden verhoogd en dat reductie van het aantal productcodes en tarieven wenselijk is, maar niet mogelijk binnen de korte implementatietijd. De leden van de PVV-fractie vinden dit onduidelijk. Kan de Minister dit toelichten?

De uitvoering voor de vaststelling en inning in 2019 worden in 2019 bij het CAK belegd. Genoemde leden willen niet nog een persoonsgebonden budget (PGB)-debacle. Is het CAK klaar voor het uitvoeren van deze maatregel?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en een brief over de Vormgeving abonnementstarief. Genoemde leden hebben een aantal vragen over de gevolgen van dit voornemen.

Deze leden hebben begrepen dat het doel van het vast abonnementstarief is dat ook stapeling van zorgkosten wordt tegengegaan, waardoor ook meer middeninkomens – die nu net buiten de boot vallen – in aanmerking komen voor Wmo-voorzieningen. Deze leden vragen op welke wijze uitvoerders, consulenten bij gemeenten en de mensen die het betreft tijdig worden geïnformeerd over de regeling zoals die nu wordt voorgesteld. Deze leden vragen bovendien wat de invoering van het abonnementstarief voor hen betekent. Daarnaast zijn de leden van de CDA-fractie van mening dat mensen die maatwerk nodig hebben, dit ook echt en tijdig krijgen. Worden afspraken gemaakt over het monitoren van deze maatregel? Op welke wijze wordt de toegang tot maatwerkvoorzieningen goed geborgd en wordt voorkomen dat geen onterechte verschuiving naar algemene voorzieningen optreedt?

De leden van de CDA-fractie hebben gemerkt dat de maatregel veel onrust oproept bij gemeenten. Een belangrijke angst die leeft is dat veel meer mensen geconfronteerd zullen worden met de zorgval. Klopt het dat door het abonnementstarief het verschil in eigen bijdragen tussen Wmo 2015 en Wet langdurige zorg (Wlz) groeit? Hoe groot is het gevaar dat mensen daardoor om de verkeerde reden gebruik maken van de Wmo 2015? Voorts vragen genoemde leden hoe de Minister de invoering van een abonnementstarief weegt met een uitgangspunt van de Wmo 2015, dat inwoners wordt gevraagd naar draagkracht bij te dragen, waarbij een beroep wordt gedaan op de eigen kracht van inwoners.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in verband met enkele maatregelen uit het regeerakkoord en de daarbij behorende stukken. Genoemde leden pleiten al langer voor een verlaging van de eigen bijdrage voor langdurig zieken en gehandicapten binnen de Wmo 2015 en de Wlz. Door diverse maatregelen uit het regeerakkoord worden de stapelingen van kosten voor mensen verminderd. Over de uitwerking, de uitvoeringstoets en de budgettaire effecten hebben deze leden nog enkele vragen.

Deze leden constateren met de Minister dat bijna alle huishoudens die eigen bijdragen betalen voor Wmo-voorzieningen ook een deel van het eigen risico in de Zorgverzekeringswet (Zvw) vol maken. De Minister refereert aan een forse verlaging van de eigen bijdrage in de kosten van Wmo-voorzieningen voor veel mensen. Kan de Minister inzichtelijk maken wat deze forse verlaging van eigen bijdragen in een gemiddelde gemeente betekent voor bijvoorbeeld een modale eenverdiener op jaarbasis en een anderhalf keer modaal meerpersoonshuishouden? De leden van de D66-fractie begrijpen dat er een zekere bandbreedte tussen gemeentes bestaat in de hoogte van de eigen bijdrage. Genoemde leden vragen wat de hoogste bestaande eigen bijdrage is voor een modale eenverdiener. Deze leden lezen dat de invoering van het abonnementstarief er toe leidt dat mensen niet meer «afgeschrikt» worden door de hoogte van de eigen bijdrage en daardoor mogelijk niet de ondersteuning ontvangen die nodig is. Net als de Minister vinden deze leden dit ongewenst, daar een goede toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten binnen de Wmo 2015 voor mensen met een beperking een groot goed is.

De leden van de D66-fractie constateren dat de invoering van het abonnementstarief leidt tot een vermindering van administratieve lasten en regelgeving. Juist ook aan de zijde van cliënten van de Wmo 2015. Kan de Minister toelichten welke andere acties hij nog meer gaat ondernemen om de administratieve lasten en regelgeving voor cliënten in de Wmo 2015 te verminderen? Hoe trekt hij hierin samen met gemeentes en cliëntenorganisaties op?

Daar het CAK een belangrijke rol speelt bij de wijziging of invoering van een aantal maatregelen dat in dit schriftelijk overleg aan de orde komt, hechten genoemde leden eraan dat de Minister hen in een vroegtijdig stadium heeft betrokken bij de uitwerking. Deze leden constateren dan ook, dat wellicht mede hierdoor een positief resultaat uit de uitvoeringstoets van het CAK voor 2019 en 2020 is gekomen. Toch stellen zij hierover nog enkele vragen. Zo stelt het CAK dat er risico’s zijn met betrekking tot het verouderde applicatielandschap. De leden van de D66-fractie vragen de Minister dit punt verder toe te lichten. Daarnaast lezen genoemde leden in de brief van de Minister en de toets van het CAK twee verschillende percentages Wmo-cliënten die minder gaan betalen aan eigen bijdragen, zij vragen hierover een opheldering. Deze leden constateren dat aan een aantal randvoorwaarden voldaan moet worden voor een goede implementatie. Het maken van keuzes en prioritering van het CAK is hier een van. Deze leden vragen de Minister of hierdoor andere belangrijke maatregelen, zoals de halvering van de VIB, in gevaar komen. Het gaat deze leden immers om een totaal pakket aan maatregelen waardoor de stapeling van zorgkosten verminderd moet worden, zowel binnen de Wmo 2015 als binnen de Wlz.

Tot slot hebben de leden van de D66-fractie nog enkele vragen over de vormgeving van het abonnementstarief. In de brief wordt gesproken over een monitor om te bezien of er geen «ongewenste effecten voordoen die zich onvoldoende met de huidige wettelijke kaders en gemeentelijk beleid en uitvoering laten beïnvloeden». Genoemde leden zouden graag een verdere toelichting ontvangen op deze monitor. Wat gaat precies gemonitord worden? Hoe gaat deze monitor dat in kaart brengen? Wie beoordeelt of de effecten «ongewenst» zijn en wanneer wordt dit geëvalueerd?

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voornemens van de Minister om stapeling van eigen bijdragen in de (langdurige) zorg en ondersteuning tegen te gaan. Zij staan in principe positief tegenover deze voorstellen, maar hebben daarover nog wel enkele vragen.

Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in verband met enkele maatregelen uit het regeerakkoord

Nota van toelichting

Inleiding

De leden van de GroenLinks-fractie ondersteunen de gedachte dat een stapeling van eigen bijdragen moet worden tegengegaan. Genoemde leden vragen wel of de maatregelen die deze Minister neemt voldoende zijn. Met de invoering van het abonnementstarief wordt het verschil in eigen bijdrage tussen Wmo 2015 en Wlz juist nog groter, ondanks de maatregelen die in de Wlz worden genomen. Daarmee blijft het risico bestaan dat mensen niet de juiste zorg krijgen, omdat zij worden afgeschrikt door de hoge eigen bijdrage in de Wlz. Deze leden vragen of, met dit scenario voor ogen, de risico’s zijn doorgerekend dat cliënten zelf of op aanraden van hun naasten de noodzakelijke overgang naar de Wlz zullen uitstellen.

Verkorten termijn waarover CAK een eigen bijdrage kan opleggen

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat de overgangstermijn van lage naar hoge eigen bijdrage Wlz wordt verkort naar vier maanden, omdat de Minister ook vier maanden een redelijke termijn acht om verplichtingen af te wikkelen. Waar is deze aanname op gebaseerd?

Uitvoerbaarheid

Het CAK geeft aan dat een serieuze toename te verwachten in het gebruik van de «betalingsregeling in verband met een onverkocht huis». De leden van de GroenLinks-fractie vragen of een termijn van vier maanden dan wel realistisch is.

Financiële gevolgen

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat het abonnementstarief Wmo 2015 financiële gevolgen heeft voor gemeenten. Waar zijn de ramingen van deze kosten op gebaseerd? Is met deze raming ook rekening gehouden met de mogelijke toename van het gebruik van Wmo-voorzieningen? Er is nu ook een groep mensen die hun hulp bij het huishouden particulier heeft geregeld, en mogelijk straks aanspraak zal maken op een Wmo-voorziening. Is een inschatting te maken van de grootte van deze groep? Kan bij de monitoring inzichtelijk worden gemaakt welke mensen voorheen zelf hun hulp bij het huishouden betaalden?

De leden van de GroenLinks-fractie constateren ook dat de halvering van de VIB nauwelijks effect heeft op mensen met een laag inkomen. Voor mensen met een laag inkomen is de hoge eigen bijdrage voor Wlz-zorg een enorme belasting. Kan de koopkrachtsituatie van mensen met lage inkomens die een hoge eigen bijdrage betalen voor Wlz-zorg in kaart worden gebracht?

Consultatie

De leden van de GroenLinks-fractie vinden het belangrijk dat goed wordt gemonitord of de invoering van het abonnementstarief leidt tot toename van het gebruik van Wmo-voorzieningen. Genoemde leden zijn van mening dat dit niet mag leiden tot een verschraling van het aanbod. In de nota staat dat in het wetsontwerp een aanpassing is gedaan om indien de aanzuigende werking groter is dan verwacht per algemene maatregel van bestuur (AMvB) nadere regels met betrekking tot het onderzoek vast te stellen. Kan nader worden toegelicht wat dit precies betekent?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

Inleiding

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief Vormgeving abonnementstarief en het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in verband met enkele maatregelen uit het regeerakkoord.

De leden van de SP-fractie zijn blij dat met het voorliggende voorstel eindelijk erkend wordt dat hoge eigen bijdragen leiden tot zorgmijding, waardoor mensen afzien van benodigde zorg en voorzieningen. Genoemde leden zijn tevens blij met het gegeven dat de Minister eindelijk ook de stapeling van zorgkosten erkent. Over de uitwerking van de voorgestelde maatregelen echter zijn deze leden bezorgd en hebben zij nog vele vragen.

Allereerst hebben de leden van de SP-fractie een aantal opmerkingen over het proces van de invoering van een abonnementstarief in de Wmo2015. Genoemde leden vinden de wijze waarop de Minister het abonnementstarief wil inrichten een opmerkelijke keuze. Er wordt eerst een AMvB ingesteld alvorens een wetswijziging dit systeem mogelijk maakt. Hierin voorzien deze leden grote risico’s. Juist in het traject van een wetsbehandeling worden alle voor- en nadelen zorgvuldig afgewogen en krijgen derden de kans hierop te reageren. Het instellen van een AMvB voorafgaand aan het wetstraject vinden deze leden een onverstandige keuze. Deze leden begrijpen dat de Minister deze keuze maakt om aan de stapeling van zorgkosten zo snel mogelijk een einde te maken. Tegelijk brengt dit risico’s met zich mee als het gaat om de extra kosten die gemeenten maken.

Zoals bekend zien de leden van de SP-fractie liever geen eigen bijdrage voor zorg en ondersteuning die mensen nodig hebben, zij zijn van oordeel dat dit een boete op ziek zijn is. Niemand vraagt erom ziek te worden of een beperking te hebben. De stapeling van zorgkosten zou volgens de Minister moeten kunnen worden gerealiseerd door de bevriezing van het eigen risico van € 385, maximering van de eigen bijdrage voor geneesmiddelen op € 250 en maximering van de eigen bijdrage Wmo 2015 op € 17,50. Genoemde leden vinden dat niet ver genoeg ingegrepen wordt om de stapeling van zorgkosten terug te dringen. Waarom wordt het eigen risico niet verlaagd of zelfs afgeschaft? Waarom worden de eigen bijdragen voor geneesmiddelen gemaximeerd op € 250? Wat is de dekking hiervan? Waarom kiest de Minister er niet voor de eigen bijdragen voor geneesmiddelen helemaal af te schaffen? Hoe wil de Minister voorkomen dat fabrikanten de prijzen van geneesmiddelen omhoog schroeven als de Minister toch wel vergoedt boven de € 250? Naast het hele hoge eigen risico en de hoogte van de eigen bijdragen maken mensen die chronisch ziek zijn of een beperking hebben ook veel andere kosten. Denk aan de eigen bijdrage voor gehoorapparaten, de medische pedicure, orthopedische schoenen, steunzolen, de gehandicaptenparkeerkaart, het Valysvervoer, de kosten van een hulphond enzovoorts. De stapeling van al deze zaken maakt dat mensen veel meer geld kwijt zijn naast het eigen risico en eventuele kosten voor geneesmiddelen. Daarnaast begrijpen de leden van de SP-fractie niet dat deze Minister bijdraagt aan de stapeling van zorgkosten door de keuze te maken om paracetamol, vitaminen en mineralen voor chronisch zieken uit het pakket te halen. Kan de Minister een beschouwing geven hoe hij hier tegenaan kijkt in het kader van de stapeling van zorgkosten?

Introductie abonnementstarief maatwerkvoorzieningen

Het abonnementstarief geldt voor maatwerkvoorzieningen en een deel voor algemene voorzieningen. Kan de Minister de vraag van de leden van de SP-fractie beantwoorden in hoeverre voor andere algemene voorzieningen wel een hogere eigen bijdrage gevraagd kan worden. Is dat het geval? Verder vragen genoemde leden in hoeverre mensen straks vaker een eigen bijdrage moeten betalen, aangezien sommige algemene voorzieningen nu gratis aangeboden worden en op een later moment mogelijk niet meer. Kan de Minister hierover een beschouwing geven?

Deze leden vragen de Minister hoe het precies zit als mensen meerdere voorzieningen gebruiken in de Wmo2015. Betalen deze mensen dan voor elke voorziening € 17,50 of geldt dit bedrag voor alle voorzieningen? Voorts vragen deze leden hoe het nu precies zit met de eigen bijdrage voor woningaanpassingen. Is de eigen bijdrage hiervoor ook € 17,50 of wordt dan een hogere eigen bijdrage gevraagd? Deze leden vragen om verduidelijking op dit punt.

Verlagen vermogensinkomensbijtelling van 8% naar 4%

De leden van de SP-fractie vinden het een goed voorstel om de vermogensinkomensbijtelling van 8% naar 4% te verlagen. Genoemde leden vragen de Minister waarom hij de VIB niet in haar geheel heeft afgeschaft.

Genoemde leden vragen de Minister of de verlaging van de compensatie ouderentoeslag niet zal leiden tot een inkomensachteruitgang ten opzichte van de oude situatie. Kan de Minister met voorbeelden aangeven hoe dit werkt en wat betekent dit voor ouderen met een vermogen van bijvoorbeeld rond de € 40.000?

Verkorten overgangstermijn lage naar hoge eigen bijdrage Wlz en beschermd wonen

De leden van de SP-fractie constateren dat zodra mensen naar een zorginstelling gaan, zij niet meer de eerste zes maanden, maar de eerste vier maanden een lage eigen bijdrage betalen. Volgens de Minister is vier maanden voldoende om oude woonlasten af te handelen. Genoemde leden vinden dit geen goed voorstel. In de nieuwe regeling wordt gesteld dat mensen die na vier maanden hun huis nog niet hebben kunnen verkopen, de lage eigen bijdrage kunnen aanhouden en op een later moment het verschil tussen de lage en hoge eigen bijdrage moeten terugbetalen. Deze leden vinden het echt onwenselijk dat hiermee mensen met een schuld opgezadeld worden. Deze leden vragen de Minister waarom precies voor deze maatregel is gekozen en waarom hij mensen met een schuld opzadelt. Ook het CAK voorziet hierin een serieuze toename van het gebruik van de betalingsregeling. Kan de Minister dit nader toelichten? Verder vragen deze lezen hoeveel extra budget hiervoor beschikbaar wordt gesteld.

Het voortzetten van de huidige bijdragesystematiek voor woningaanpassingen brengt risico’s met zich mee, zo lezen de leden van de SP-fractie in de nota van toelichting. Hoe verhoudt zich dit met het door het CAK uitgerekende scenario 1B, dat woningaanpassingen met een aparte eigen bijdrage systematiek kunnen worden uitgevoerd en dat dit een politiek risico met zich meebrengt bij uitleg en verantwoording aan maatschappij en Tweede Kamer, dat kan resulteren in imagoschade voor de Minister en het CAK? Kan de Minister dit nader toelichten?

Uitvoerbaarheid

De leden van de SP-fractie delen de zorgen van het CAK. Met de invoering van een abonnementstarief is er onduidelijkheid over de wettelijke taak van het CAK. Dat zorgt voor onrust onder medewerkers, aangezien banen komen te vervallen. Kan de Minister hierover meer duidelijkheid geven zodat onrust en onzekerheid onder de medewerkers van het CAK zoveel mogelijk kunnen worden weggenomen?

Financiële gevolgen

De leden van de SP-fractie vragen of de Minister gemeenten voldoende compenseert voor het verlies van inkomsten en de verwachting dat meer mensen gebruik zullen maken van Wmo-voorzieningen. Het CPB heeft becijferd dat de kosten van deze maatregel € 190 miljoen bedragen. De Minister compenseert slechts gedeeltelijk. Waarop is het bedrag van € 145 gebaseerd en hoe verhoudt dit zich met de berekeningen van het CPB, zo vragen genoemde leden. Hoe wordt voorkomen dat gemeenten de tekorten moeten opvangen door te snijden in voorzieningen binnen de Wmo 2015 of door het verhogen van eigen bijdragen die niet onder het abonnementstarief vallen? De Minister heeft afspraken gemaakt in het Interbestuurlijke Programma (IBP) maar die afspraken nemen de zorgen over gebrekkige compensatie richting gemeenten niet weg, zo melden ook gemeenten zelf. Deze leden verwachten een uitgebreide reactie over hoe de Minister hier zorgvuldig op ingaat, zonder dit keer te verwijzen naar de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad.

Voorts vragen deze leden de Minister of hij een duidelijk overzicht willen verstrekken met daarin de kosten die op gemeenten afkomen en hoe dit zich verhoudt met de afspraken die zijn gemaakt in het kader van de het Interbestuurlijke Programma (IBP).

De Minister geeft terecht aan dat naar verwachting de verlaging van de eigen bijdrage zal leiden tot een toename van het gebruik van Wmo-voorzieningen. Deze leden vinden dat logisch aangezien mensen minder bang hoeven te zijn voor hoge kosten en de vergrijzing toeneemt. De Minister geeft aan dat als de toestroom groter wordt dan verwacht, bijsturing in de rede ligt. Betekent dit bijsturing in financiële zin, zodat gemeenten extra geld kunnen verwachten? Of worden dan de problemen afgeschoven naar familieleden, mantelzorgers en mensen zelf? Deze leden verwachten een uitgebreide toelichting op dit punt.

Gevolgen voor regeldruk

Gemeenten gaan in het voorliggende voorstel over de inning van de eigen bijdrage. De leden van de SP-fractie vragen welke- en hoeveel extra lasten dit betekent voor gemeentelijke organisaties. Kan de Minister dat nader toelichten?

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

Inleiding

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in verband met enkele maatregelen uit het regeerakkoord en de brief over Vormgeving abonnementstarief. Zij willen de Minister hierover enkele opmerkingen en vragen voorleggen.

Genoemde leden vinden het belangrijk dat de stapeling van de zorgkosten wordt tegengegaan en dat mensen met hoge zorgkosten die hun eigen risico (deels) volmaken op verschillende wijzen tegemoet worden gekomen door de eigen betalingen in de Wmo 2015 en de Wlz en voor geneesmiddelen te verlagen. Zij zijn dan ook voorstander van de maatregelen die de Minister neemt om de stapeling van eigen betalingen te verminderen, daarbij eenverdieners met een chronisch zieke partner extra te ontzien en mogelijk de bureaucratie te verminderen.

Introductie abonnementstarief maatwerkvoorzieningen

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben enkele vragen aan de Minister over de vormgeving en uitvoering van het abonnementstarief Wmo:

  • Kan de Minister aangeven welke Wmo-voorzieningen in 2019 en 2020 allemaal wel en niet onder het abonnementstarief komen te vallen en zo niet, welke tarieven dan wel gaan gelden?

  • Behouden de gemeenten de mogelijkheid om bepaalde algemene voorzieningen gratis aan te bieden?

  • Kan de Minister aangeven wat precies de voorgestelde wijzigingen zijn voor de eigen bijdrage voor woningaanpassingen?

  • Bij welke groep wordt de meeste aanzuigende werking verwacht? Wordt ook een aanzuigende werking verwacht van het op 0 stellen van de eigen bijdrage van alle niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens? Zo ja, hoe verhoudt de verwachte stijging van het beroep op de Wmo 2015 door deze groep zich tot de verwachte stijging bij AOW-gerechtigde huishoudens?

  • Hoe wordt de monitoring van de aanzuigende werking vormgegeven? Hoe wordt hierbij omgegaan met de wijzigingen die stapsgewijs zullen worden ingevoerd in 2019 en 2020? Wordt de toegankelijkheid van de Wmo 2015 ook gemonitord?

  • Hoe vindt de weging plaats of de inning van de eigen bijdrage beter door het CAK of de gemeenten kan plaatsvinden? Voor genoemde leden weegt daarbij zwaar dat cliënten geen problemen mogen ondervinden van een mogelijke verschuiving van het CAK naar gemeenten.

II. Reactie van de Minister

In 2019 wordt gewerkt met een tussenvorm van het abonnementstarief als eerste stap naar daadwerkelijke invoering per 2020. Ieder huishouden dat gebruik maakt van één of meerdere voorzieningen in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) zal een eigen bijdrage van € 17,50 per vier weken betalen. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister in hoeverre in deze tussenvariant sprake zal zijn van een aanzuigende werking, zoals door sommige partijen wordt benoemd. Deelt de Minister de mening dat de keukentafelgesprekken bij uitstek een oplossing kunnen zijn om de eventuele aanzuigende werking te minimaliseren? Bij iedere aanvraag dient immers een keukentafelgesprek te worden gevoerd waar samen met de hulpvrager, en eventueel diens mantelzorger of cliëntondersteuner, wordt besproken wat iemand zelf kan regelen, al dan niet met behulp van diens omgeving en waar de gemeente kan ondersteunen. Graag de reactie van de Minister, zo vragen genoemde leden.

Vanaf 2019 wordt rekening gehouden met een hogere toestroom naar voorzieningen. Op grond van de Wmo 2015 dient de gemeenten een zorgvuldig onderzoek te doen naar de vraag of en hoe iemand vanwege beperkingen in zelfredzaamheid en participatie op ondersteuning van de gemeente is aangewezen. Met dit onderzoek beoordelen gemeenten mede wat de mogelijkheden zijn van mensen om met eigen kracht, inzet van gebruikelijke hulp, door het eigen sociale netwerk, inzet van mantelzorg of inzet van algemene voorzieningen hun zelfredzaamheid te verbeteren of maatschappelijk te participeren. Het kan voorkomen dat uit dit onderzoek blijkt dat cliënten zelf of met behulp van hun netwerk hun beperkingen in de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie kunnen beperken of wegnemen. Het is aan gemeenten om – met inachtneming van de waarborgen voor cliënten op grond van de Wmo 2015 – op basis van het onderzoek te bepalen wie aanspraak kan maken op Wmo-voorzieningen, hierbij staat voorop dat cliënten de ondersteuning krijgen die past bij hun persoonlijke situatie. Het onderzoek biedt daarmee inderdaad een handvat aan gemeenten om te bepalen of de cliënt gezien zijn situatie is aangewezen op ondersteuning vanuit de gemeente.

Naast de voorliggende maatregel van het verkorten van de termijn worden in opdracht van de Minister maatregelen in de eigen bijdrage keten genomen die ten doel hebben dat het bericht «aanvang zorg» binnen een aantal werkdagen van de zorgaanbieder, via het betreffende zorgkantoor, naar het Centraal Administratie Kantoor (CAK) wordt gestuurd. Deze leden vragen de Minister welke andere maatregelen hier worden bedoeld.

In een ministeriële regeling zal ik twee aanvullende maatregelen treffen die het ontstaan van een Wlz-stapelfactuur überhaupt voorkomen. In de eerste plaats wordt de Wlz-uitvoerder verantwoordelijk voor het binnen maximaal één maand indienen van het start-, wijzigings- of eindigingsbericht van de zorgaanbieder bij het CAK. In de tweede plaats worden de Wlz-uitvoerders en het CAK verplicht om periodiek hun administraties langs elkaar te leggen, zodat een onvolledige of onjuiste administratie van gegevens altijd vanzelf en binnen die termijn boven komt drijven. Dit proces dient als doel dat elke ketenpartij over gelijke informatie beschikt om te voorkomen dat de Wlz-verzekerde over een lange periode geen beschikking voor de eigen bijdrage ontvangt of een onjuiste eigen bijdrage betaalt.

Het CAK verwacht een serieuze toename in het gebruik van de «betalingsregeling in verband met onverkocht huis. Kan de Minister toelichten waarop het CAK deze aanname baseert? Zijn er ook andere oorzaken dan het verkorten van de overgangstermijn? Waarom is deze regeling zo arbeidsintensief dat extra budget nodig is?

Deze aanname is gebaseerd op een inschatting van het CAK. Hoewel het CAK niet met zekerheid kan voorspellen in hoeverre het aantal aanvragen van de betalingsregeling precies zal toenemen, zal het naar verwachting aanzienlijk meer zijn dan de 34 aanvragen in 2017. De onzekerheid van het aantal aanvragen hangt vooral samen met fluctuaties in de huizenmarkt. Indien de huizenmarkt zich gunstig blijft ontwikkelen, bestaat de kans dat de toename van het aantal aanvragen beperkt blijft. Daarnaast hangt de toename van het aantal betalingsregelingen af van het aantal nieuwe cliënten dat in het bezit is van een koopwoning. Het verwerken en beoordelen van de betalingsregeling is arbeidsintensief omdat hierover veel klantencontact is, aanvragen handmatig verwerkt en beoordeeld worden en er periodiek gecontroleerd wordt of de woning van de cliënt verkocht is. toename van het aantal aanvragen leidt tot een toename van het aantal benodigde medewerkers. Om alle verwachte aanvragen te kunnen verwerken krijgt het CAK budget beschikbaar voor een aantal gespecialiseerde medewerkers. Verder houdt het CAK de ontwikkelingen in de huizenmarkt en het aantal aanvragen in de gaten zodat het begrote aantal aanvragen (en zo nodig het budget) naar boven of beneden kan worden bijgesteld.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

Zo willen genoemde leden weten welke maatwerkvoorzieningen vanaf 2019 onder het abonnementstarief vallen. Ook willen zij weten welk deel van de algemene voorzieningen vanaf 2020 onder het abonnementstarief worden gebracht. Gaat het sociale wijkteam bijvoorbeeld ook onder het abonnementstarief vallen?

Vanaf 2019 vallen alle maatwerkvoorzieningen onder het abonnementstarief. Vanaf 2020 wordt naast de maatwerkvoorzieningen ook een deel van de algemene voorzieningen onder het abonnementstarief gebracht. Dit geldt in ieder geval voor algemene voorzieningen waarvoor een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan (huishoudelijke hulp en begeleiding). Het is vanuit dit uitgangspunt vervolgens aan gemeenten om lokaal kenbaar te maken (in de verordening) welke algemene voorzieningen onder het abonnementstarief vallen. Of de ondersteuning die via het sociale wijkteam wordt geboden onder het abonnementstarief komt te vallen zal per situatie verschillen. In veel gemeenten is de ondersteuning die vanuit het wijkteam geboden wordt gratis. Gemeenten kunnen deze ondersteuning, ook met de invoering van het abonnementstarief, gratis houden.

De invoering van het abonnementstarief leidt naar verwachting tot minder (ongewenste) zorgmijding. De precieze effecten van de introductie van het abonnementstarief zijn lastig in te schatten. Van welke toestroom is uitgegaan?

De introductie van een abonnementstarief van € 17,50 leidt er toe dat vooraf duidelijkheid wordt gecreëerd en dat mensen die onder de huidige systematiek de bijdrage te hoog vonden (en als gevolg daarvan zorg meden) nu mogelijk wel kiezen om zorg of ondersteuning op grond van de Wmo te regelen. In de raming ten tijde van het Regeerakkoord is uitgegaan van een verwachte toestroom naar voorzieningen van structureel € 155 mln. Inmiddels zijn er bij het CPB nieuwe inzichten in de kosten van het abonnementstarief. Daarin wordt de toestroom naar voorzieningen herberekend op circa structureel € 90 mln. Daarover heb ik uw Kamer in mijn brief van 1 juni 2018 geïnformeerd.

Nadere regels ten aanzien van eigen kracht, gebruikelijke zorg, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociale netwerk kunnen worden vastgesteld. Leidt dit tot grotere inspanningen van kinderen, partners of andere personen uit het sociale netwerk? Kan de Minister een aantal concrete voorbeelden geven van nadere regels die vastgesteld kunnen worden?

De aard van de mogelijke ongewenste effecten en daarmee de te treffen maatregelen van bijsturing zijn op voorhand lastig in te schatten. Met de nadere regels wordt een bevoegdheid gecreëerd die maatwerk kan bieden aan specifieke ongewenste situaties die zich voordoen. Mocht blijken dat de effecten van het abonnementstarief zich in een grotere mate dan vooraf geraamd voordoen, dan zal op basis van de nadere analyse van de ontstane praktijk, bezien worden hoe de mogelijkheid om bij AMvB nadere regels te stellen hiervoor kan en zal worden benut. De AMvB biedt de grondslag om nadere regels te stellen over de beoordeling van het college bij de beslissing tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Gedacht kan worden aan het nader regelen van wat «gebruikelijke hulp» inhoud (vgl. Participatiewet) en waar nodig kan het bestaande begrip «algemeen gebruikelijke voorziening» nader worden geduid. Aanvullend zou kunnen worden geregeld dat diensten die iemand zelf al sinds geruime tijd betrekt en overlappen met de toe te kennen maatwerkvoorziening niet hoeven te worden verstrekt.

De Minister stelt vast dat met het voorliggende voorstel tegemoet wordt gekomen aan de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) verwoorde zorgen, zo lezen genoemde leden. De VNG roept echter op om niet in te stemmen met dit besluit en geeft aan dat alle uitgaven hoger dan € 145 miljoen ten koste zullen gaan van de huidige gebruikers. Deze gebruikers betalen nu al vaak de laagste bijdrage maar krijgen straks wel noodgedwongen soberder voorzieningen. Deze leden zouden dit graag nader toegelicht willen hebben.

De opdracht die de Wmo 2015 aan gemeenten geeft is helder en biedt voldoende waarborgen voor cliënten. De wet verplicht gemeenten na een melding zorgvuldig onderzoek te doen naar de vraag of iemand vanwege beperkingen in zelfredzaamheid en participatie op ondersteuning van de gemeente is aangewezen. Voor degenen voor wie dat na onderzoek het geval blijkt te zijn is verstrekking van een voorziening aan de orde. De actuele jurisprudentie bevestigt het belang van de zorgvuldigheid van het onderzoek. Het is dan ook niet de verwachting dat zij die aanspraak kunnen maken op Wmo-ondersteuning dit als gevolg van deze maatregel niet zullen krijgen.

Daarbij zijn gemeenten naar de huidige inzichten ook voldoende gecompenseerd voor de maatregel (incl. de toestroom naar voorzieningen). Indien er toch ongewenste effecten optreden kan er op dat moment – na analyse van de uitvoeringspraktijk – voor worden gekozen om nadere regels te stellen met betrekking tot het onderzoek.

Deze leden vragen voorts waarom het Rijk slechts de helft van de invoeringskosten van € 290 miljoen dekt. Deze leden hebben al eerder hun vrees geuit dat de gemeenten de andere helft bij de zorgontvangers zullen weghalen. Dit wordt nu ook bevestigd door de VNG.

De kosten van de maatregel zijn door het CPB ten tijde van het Regeerakkoord geraamd om structureel € 290 mln (ondertussen heeft het CPB de kosten herberekend op € 190 mln). Op basis van het Regeerakkoord is structureel € 145 mln toegevoegd aan het Gemeentefonds. Voor het overige deel zijn in het kader van het Interbestuurlijke Programma (IBP) en het accres van het gemeentefonds afspraken gemaakt met gemeenten.

De Minister geeft aan dat de maatregel zal leiden tot minder bureaucratie. Het CAK geeft aan dat de administratieve lasten en de complexiteit worden verhoogd en dat reductie van het aantal productcodes en tarieven wenselijk is, maar niet mogelijk binnen de korte implementatietijd. De leden van de PVV-fractie vinden dit onduidelijk. Kan de Minister dit toelichten?

Op het moment dat het CAK is verzocht een uitvoeringstoets te doen was nog niet duidelijk hoe de vormgeving van het abonnementstarief eruit zou zien. Daarom is het CAK verzocht om meerdere scenario’s te toetsen op uitvoerbaarheid. De passage waar naar wordt verwezen in de vraag van de PVV-fractie heeft betrekking op het scenario waarbij een deel van de voorzieningen (de woningaanpassingen) worden uitgezonderd van het abonnementstarief. Zoals ik heb toegelicht in mijn brief van 1 juni jl.1 is inmiddels gekozen om alle maatwerkvoorzieningen (en een deel van de algemene voorzieningen) onder het abonnementstarief te laten vallen. Er is daarom ook geen sprake van verhoogde administratieve lasten en complexiteit. De eenvoudige vormgeving waarvoor is gekozen zorgt juist voor een reductie van administratieve lasten en complexiteit.

De uitvoering voor de vaststelling en inning in 2019 worden in 2019 bij het CAK belegd. Genoemde leden willen niet nog een persoonsgebonden budget (PGB)-debacle. Is het CAK klaar voor het uitvoeren van deze maatregel?

De uitvoering van de Wmo is voor het CAK geen nieuwe taak, maar vergt aanpassing in een bestaande taak. Het CAK is verzocht om te onderzoeken of de voorgenomen aanpassingen uitvoerbaar zijn. Uit de uitvoeringstoets met betrekking tot het abonnementstarief 2019 die ik 1 juni jl. naar uw Kamer heb verzonden blijkt dat dit het geval is. Hieruit blijkt dat het CAK in staat is de aanpassingen in het systeem ruim voor 1 januari 2019 te kunnen doorvoeren en deze wijzigingen te testen. In 2019 blijft de huidige gegevensuitwisseling ongewijzigd, waardoor de impact van de aanpassingen beperkt is.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

Deze leden hebben begrepen dat het doel van het vast abonnementstarief is dat ook stapeling van zorgkosten wordt tegengegaan, waardoor ook meer middeninkomens – die nu net buiten de boot vallen – in aanmerking komen voor Wmo-voorzieningen. Deze leden vragen op welke wijze uitvoerders, consulenten bij gemeenten en de mensen die het betreft tijdig worden geïnformeerd over de regeling zoals die nu wordt voorgesteld. Deze leden vragen bovendien wat de invoering van het abonnementstarief voor hen betekent.

De invoering van het abonnementstarief zal voor veel mensen een (forse) verlaging betekenen van de bijdrage in de Wmo omdat ze een bijdrage gaan betalen ter hoogte van het huidige minimumbedrag. Met deze verlaging zal de stapeling van zorgkosten worden beperkt. Daarnaast leidt de maatregel tot transparantie voor cliënten: zij weten reeds bij de aanvraag van de Wmo-zorg welke eigen bijdrage in rekening wordt gebracht. Doordat de systematiek sterk wordt vereenvoudigd neemt de bureaucratie af en wordt de kans op fouten (met mogelijke stapelfacturen tot gevolg) beperkt.

Nu de keuzes met betrekking tot de vormgeving van het abonnementstarief gemaakt zijn2 zal ik de komende periode in overleg met VNG, gemeenten, CAK en cliëntenorganisaties invulling geven aan de (voorbereidingen van de) implementatie van het abonnementstarief. Daarbij zal uiteraard ook aandacht zijn voor de Wmo-consulenten en de communicatie naar cliënten zelf.

Daarnaast zijn de leden van de CDA-fractie van mening dat mensen die maatwerk nodig hebben, dit ook echt en tijdig krijgen. Worden afspraken gemaakt over het monitoren van deze maatregel? Op welke wijze wordt de toegang tot maatwerkvoorzieningen goed geborgd en wordt voorkomen dat geen onterechte verschuiving naar algemene voorzieningen optreedt?

Met gemeenten en VNG wordt een monitor uitgewerkt, welke in kaart brengt of en in welke mate sprake is van een hoger dan verwacht gebruik van Wmo-voorzieningen (als gevolg van het abonnementstarief) die zich onvoldoende door gemeentelijk beleid laat reduceren. Daarbij zullen ook de verschillen tussen gemeenten en verschuivingen tussen maatwerk- en algemene voorzieningen worden betrokken.

De leden van de CDA-fractie hebben gemerkt dat de maatregel veel onrust oproept bij gemeenten. Een belangrijke angst die leeft is dat veel meer mensen geconfronteerd zullen worden met de zorgval. Klopt het dat door het abonnementstarief het verschil in eigen bijdragen tussen Wmo 2015 en Wet langdurige zorg (Wlz) groeit? Hoe groot is het gevaar dat mensen daardoor om de verkeerde reden gebruik maken van de Wmo 2015?

Zowel onder de Wmo 2015 als onder de Wlz moet goede zorg en ondersteuning geboden worden. Het abonnementstarief voor Wmo-maatwerk draagt bij aan de toegankelijkheid van de ondersteuning van uit de gemeente. Wanneer de verzekerde is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht kan een Wlz-indicatie worden afgegeven. Vaak is daarbij sprake van een overgang naar een instelling met zorg, maar Wlz-zorg thuis is ook mogelijk. Het kan bij een dergelijke overgang naar de Wlz inderdaad zo zijn dat dit een (forse) verhoging betekent van de eigen bijdrage. Het abonnementstarief versterkt voor mensen met een wat hoger inkomen dit effect. Uiteraard wil ik negatieve prikkels wel zo veel mogelijk wegnemen. In mijn brief van 16 mei jl.3 heb ik daarom aangegeven dat ik verder ga onderzoeken hoe ik de verschillende eigen bijdragen tussen de stelsels beter op elkaar kan laten aansluiten.

Voorts vragen genoemde leden hoe de Minister de invoering van een abonnementstarief weegt met een uitgangspunt van de Wmo 2015, dat inwoners wordt gevraagd naar draagkracht bij te dragen, waarbij een beroep wordt gedaan op de eigen kracht van inwoners.

De uitgangspunten van de Wmo 2015 blijven in tact: maatschappelijke ondersteuning is en blijft, ongeacht het inkomen en vermogen, beschikbaar voor al diegenen die beperkingen hebben in hun zelfredzaamheid of participatie en om die reden zijn aangewezen op ondersteuning en die zich niet kunnen redden op basis van eigen kracht, gebruikelijke hulp of met behulp van het sociale netwerk. De wet blokkeert de toegang tot voorzieningen niet op basis van inkomen of vermogen. Het kan wel zo zijn dat inwoners met hogere inkomens die eerst zelf hulp zouden betrekken nu vanwege de verlaagde tarieven zouden aankloppen bij de gemeente. De gemeente onderzoekt daarbij nog steeds of de voorziening ook nodig is om de beperkingen weg te nemen. Het in de wet voorgeschreven onderzoek van de situatie na melding, waarbij eigen kracht en inzet vanuit het sociale netwerk ook wordt meegewogen, is hierbij van groot belang, op basis hiervan is het aan de gemeenten om een zorgvuldige afweging te maken en – in geval van verstrekking van een voorziening- maatwerk te leveren.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Deze leden constateren met de Minister dat bijna alle huishoudens die eigen bijdragen betalen voor Wmo-voorzieningen ook een deel van het eigen risico in de Zorgverzekeringswet (Zvw) vol maken. De Minister refereert aan een forse verlaging van de eigen bijdrage in de kosten van Wmo-voorzieningen voor veel mensen. Kan de Minister inzichtelijk maken wat deze forse verlaging van eigen bijdragen in een gemiddelde gemeente betekent voor bijvoorbeeld een modale eenverdiener op jaarbasis en een anderhalf keer modaal meerpersoonshuishouden? De leden van de D66-fractie begrijpen dat er een zekere bandbreedte tussen gemeentes bestaat in de hoogte van de eigen bijdrage. Genoemde leden vragen wat de hoogste bestaande eigen bijdrage is voor een modale eenverdiener.

Onderstaande tabel laat de maximale periode bijdragen zien voor een meerpersoonshuishouden (eenverdiener) met een modaal en 1,5 x modaal inkomen. Het betreft de hoogste eigen bijdrage die gemeenten kunnen opleggen bij dit inkomen. Deze eigen bijdrage wordt gevraagd als de zorgkosten van een huishouden hoger zijn dan deze maximale periode bijdrage. Indien dit niet het geval is, is de eigen bijdrage gelijk aan de zorgkosten van het huishouden. Omdat niet-AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens worden uitgezonderd van het abonnementstarief is dit tevens het maximale voordeel dat deze huishoudens ervaren op jaarbasis.

Jaarlijkse maximale periode bijdrage
 

Niet Aow-gerechtigden

 

Meerpersoonshuishouden

 

modaal

104

1,5x modaal

2.353

Het grootste deel van de gemeenten hanteert de landelijke parameters voor het berekenen van de eigen bijdrage. Zoals bekend mogen gemeenten hun parameters voor de eigen bijdrage lager vaststellen dan de landelijke maxima. Op dit moment doen 76 gemeenten dit. Daarnaast kunnen gemeenten bepaalde voorzieningen (bijvoorbeeld begeleiding) uitzonderen van eigen bijdragen.

De leden van de D66-fractie constateren dat de invoering van het abonnementstarief leidt tot een vermindering van administratieve lasten en regelgeving. Juist ook aan de zijde van cliënten van de Wmo 2015. Kan de Minister toelichten welke andere acties hij nog meer gaat ondernemen om de administratieve lasten en regelgeving voor cliënten in de Wmo 2015 te verminderen? Hoe trekt hij hierin samen met gemeentes en cliëntenorganisaties op?

Op 22 mei 2018 heb ik samen met de Minister voor MZS en de Staatssecretaris van VWS het programma «(ont)regel de zorg» gepresenteerd (Kamerstuk 29 515, nr. 424). In dit programma zijn diverse acties opgenomen om de regeldruk voor zorgaanbieders, professionals en cliënten terug te dringen. Bij de uitvoering van de Wmo2015 ligt de focus op het verplicht stellen van de iWmo-standaarden via een ministeriële regeling, het stimuleren van het gebruik van de uitvoeringsvarianten, het organiseren van regeldruksessies en het uitvoeren van een verkenning om het cliëntervaringsonderzoek te versimpelen. VNG, de branches voor aanbieders en cliëntenorganisaties zijn nauw betrokken bij de totstandkoming of de uitvoering van deze acties.

Daar het CAK een belangrijke rol speelt bij de wijziging of invoering van een aantal maatregelen dat in dit schriftelijk overleg aan de orde komt, hechten genoemde leden eraan dat de Minister hen in een vroegtijdig stadium heeft betrokken bij de uitwerking. Deze leden constateren dan ook, dat wellicht mede hierdoor een positief resultaat uit de uitvoeringstoets van het CAK voor 2019 en 2020 is gekomen. Toch stellen zij hierover nog enkele vragen. Zo stelt het CAK dat er risico’s zijn met betrekking tot het verouderde applicatielandschap. De leden van de D66-fractie vragen de Minister dit punt verder toe te lichten.

De risico’s waarop het CAK ingaat in de uitvoeringstoets «invoering vast tarief Wmo 2019» hebben voornamelijk betrekking op de implementatie van het scenario (1B) waarin de woningaanpassing uitgezonderd zou worden van het vaste tarief. In dat scenario zou het CAK twee bijdragesystematieken naast elkaar moeten voeren binnen het verouderde applicatielandschap. Nu besloten is niet tot uitvoering van dit scenario over te gaan, kan het CAK de vaste bijdrage in het huidige systeem doorvoeren met behulp van de in het systeem ingebouwde parameters. Aangezien het gehele proces in 2019 verder ongewijzigd blijft, is de impact in de systemen van het CAK beperkt. Voor een eventuele uitvoering van het abonnementstarief in 2020 zal door het CAK een vereenvoudigde nieuwe applicatie worden gebouwd.

Daarnaast lezen genoemde leden in de brief van de Minister en de toets van het CAK twee verschillende percentages Wmo-cliënten die minder gaan betalen aan eigen bijdragen, zij vragen hierover een opheldering.

In de brief van 1 juni jl. is opgenomen dat 60% van de Wmo-clienten nu reeds de minimale bijdrage betaalt. Dit percentage is correct. Het door CAK gebruikte percentage is gebaseerd op een inmiddels verouderde aanname waarbij niet-AOW gerechtigde meerpersoonshuishoudens ook € 17,50 per vier weken zouden gaan betalen. Inmiddels is besloten dat deze groep vrijgesteld blijft van de eigen bijdrage.

Deze leden constateren dat aan een aantal randvoorwaarden voldaan moet worden voor een goede implementatie. Het maken van keuzes en prioritering van het CAK is hier een van. Deze leden vragen de Minister of hierdoor andere belangrijke maatregelen, zoals de halvering van de VIB, in gevaar komen. Het gaat deze leden immers om een totaal pakket aan maatregelen waardoor de stapeling van zorgkosten verminderd moet worden, zowel binnen de Wmo 2015 als binnen de Wlz.

De verlaging van de VIB en de verkorting van het aantal maanden waarvoor de hoge intramurale bijdrage verschuldigd is van zes naar vier maanden zijn separaat door het CAK getoetst en uitvoerbaar bevonden.

Tot slot hebben de leden van de D66-fractie nog enkele vragen over de vormgeving van het abonnementstarief. In de brief wordt gesproken over een monitor om te bezien of er geen «ongewenste effecten voordoen die zich onvoldoende met de huidige wettelijke kaders en gemeentelijk beleid en uitvoering laten beïnvloeden». Genoemde leden zouden graag een verdere toelichting ontvangen op deze monitor. Wat gaat precies gemonitord worden? Hoe gaat deze monitor dat in kaart brengen? Wie beoordeelt of de effecten «ongewenst» zijn en wanneer wordt dit geëvalueerd?

Met gemeenten en VNG wordt een monitor uitgewerkt, welke in kaart brengt of en in welke mate sprake is van een hoger dan verwacht gebruik voor Wmo-voorzieningen (als gevolg van het abonnementstarief) die zich onvoldoende door gemeentelijk beleid laat reduceren. Daarbij zullen ook de verschillen tussen gemeenten en verschuivingen tussen maatwerk- en algemene voorzieningen worden betrokken.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

Met de invoering van het abonnementstarief wordt het verschil in eigen bijdrage tussen Wmo 2015 en Wlz juist nog groter, ondanks de maatregelen die in de Wlz worden genomen. Daarmee blijft het risico bestaan dat mensen niet de juiste zorg krijgen, omdat zij worden afgeschrikt door de hoge eigen bijdrage in de Wlz. Deze leden vragen of, met dit scenario voor ogen, de risico’s zijn doorgerekend dat cliënten zelf of op aanraden van hun naasten de noodzakelijke overgang naar de Wlz zullen uitstellen.

Dit kabinet neemt een pakket aan maatregelen om de stapeling van eigen betalingen voor zorg en ondersteuning te beperken. Door gerichte maatregelen in elk domein worden de eigen betalingen beperkt en wordt de last van de totale stapeling verminderd. Zowel onder de Wmo 2015 als onder de Wlz moet goede zorg en ondersteuning geboden worden. Het abonnementstarief in voor Wmo-maatwerk draagt bij aan de toegankelijkheid van de ondersteuning van uit de gemeente. Wanneer de verzekerde is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid or permanent toezicht kan een Wlz-indicatie worden afgegeven. Vaak is daarbij sprake van een overgang naar een instelling met zorg, maar Wlz-zorg thuis is ook mogelijk. Het kan bij een dergelijke overgang naar de Wlz inderdaad zo zijn dat dit een (forse) verhoging betekent van de eigen bijdrage. Het abonnementstarief versterkt voor mensen met een wat hoger inkomen dit effect. Uiteraard wil ik negatieve prikkels wel zo veel mogelijk wegnemen. In mijn brief van 16 mei jl.4 heb ik daarom aangegeven dat ik verder ga onderzoeken hoe ik de verschillende eigen bijdragen tussen de stelsels beter op elkaar kan laten aansluiten.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat de overgangstermijn van lage naar hoge eigen bijdrage Wlz wordt verkort naar vier maanden, omdat de Minister ook vier maanden een redelijke termijn acht om verplichtingen af te wikkelen. Waar is deze aanname op gebaseerd? Het CAK geeft aan dat een serieuze toename te verwachten in het gebruik van de «betalingsregeling in verband met een onverkocht huis». De leden van de GroenLinks-fractie vragen of een termijn van vier maanden dan wel realistisch is.

In de jaren na 2013 is de woningmarkt langzaam gaan aantrekken. In de praktijk kunnen mensen dus sneller het huis kwijt dan voorheen het geval was. Als het huis onverhoopt niet wordt verkocht, dan kan bij het CAK een betalingsregeling worden getroffen voor het onverkochte huis. De betalingsregeling is in het leven geroepen nadat de gevolgen van de dip in de woningmarkt van 2008–2013 en de invoering van de vermogensinkomensbijtelling in 2013 nog duidelijk merkbaar waren. De regeling stelt cliënten in staat in de eerste maanden na opname de verantwoordelijkheden rondom de oude woonsituatie af te wikkelen zonder met dubbele woonlasten geconfronteerd te worden. Er heeft een daling plaatsgevonden in het gebruik van de regeling «onverkocht huis». Waar in 2013 de betalingsregeling 136 keer werd aangevraagd, was dit in 2017 nog maar 34 keer van 20.000 cliënten met een koopwoning die van de lage naar de hoge bijdrage zijn gegaan. In de uitvoeringstoets van het CAK wordt inderdaad rekening gehouden met een toename van het gebruik van de regeling omdat het een arbeidsintensief proces betreft waarbij gespecialiseerde werknemers worden ingezet. Met het CAK wordt gemonitord in welke mate het gebruik van de regeling plaatsvindt.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat het abonnementstarief Wmo 2015 financiële gevolgen heeft voor gemeenten. Waar zijn de ramingen van deze kosten op gebaseerd? Is met deze raming ook rekening gehouden met de mogelijke toename van het gebruik van Wmo-voorzieningen?

Het CPB heeft in de raming rekening gehouden met een derving aan eigen bijdragen voor gemeenten, een hogere toestroom naar Wmo-voorzieningen en met een besparing op de uitvoeringskosten als gevolg van de vereenvoudiging van de systematiek.

Er is nu ook een groep mensen die hun hulp bij het huishouden particulier heeft geregeld, en mogelijk straks aanspraak zal maken op een Wmo-voorziening. Is een inschatting te maken van de grootte van deze groep? Kan bij de monitoring inzichtelijk worden gemaakt welke mensen voorheen zelf hun hulp bij het huishouden betaalden?

Het CPB heeft in haar raming de totale toestroom op voorzieningen meegenomen. Er is geen onderscheid gemaakt tussen groepen of specifieke voorzieningen. De monitor brengt in kaart of en in welke mate er sprake is van een hoger dan verwacht gebruik van Wmo-voorzieningen (na invoering van het abonnementstarief). De invulling van de monitor wordt de komende maanden nader uitgewerkt.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren ook dat de halvering van de VIB nauwelijks effect heeft op mensen met een laag inkomen. Voor mensen met een laag inkomen is de hoge eigen bijdrage voor Wlz-zorg een enorme belasting. Kan de koopkrachtsituatie van mensen met lage inkomens die een hoge eigen bijdrage betalen voor Wlz-zorg in kaart worden gebracht?

Onderstaande tabel laat zien wat een wajonger en een Aow-gerechtigde zonder aanvullend pensioen overhouden na het betalen van de eigen bijdrage. Omdat het intramuraal verblijvende cliënten betreft, hoeft uit dit bedrag geen eten en huur te worden betaald.

 

wajong

Aow+

netto besteedbaar inkomen per jaar

12.369

13.686

eigen bijdrage per jaar

– 6.466

– 8.602

vrije ruimte per jaar

5.903

5.084

vrije ruimte per maand

492

424

In de nota staat dat in het wetsontwerp een aanpassing is gedaan om indien de aanzuigende werking groter is dan verwacht per algemene maatregel van bestuur (AMvB) nadere regels met betrekking tot het onderzoek vast te stellen. Kan nader worden toegelicht wat dit precies betekent?

In ter consultatie aangeboden wetsontwerp wordt voorgesteld om het mogelijk te maken om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te kunnen stellen over de beoordeling van het college bij de beslissing tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening (art.2.3.5 Wmo 2015). Hiermee kunnen bijvoorbeeld nadere regels worden gesteld ten aanzien van de eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociale netwerk. Gekozen is voor een brede grondslag omdat de aard van de ongewenste effecten en daarmee de treffen maatregelen van bijsturing op voorhand niet zijn in te schatten. Het besluit biedt mogelijkheden om toetsingscriteria op landelijk niveau uiteen te zetten, aan te scherpen en daarmee gemeenten meer armslag te geven in het beslissen op de noodzaak van het vertrekken van een maatwerkvoorziening. Deze maatregel zal alleen worden ingevoerd als daarvoor op basis van de uitkomsten van de monitor aanleiding is; de maatregel moet gemeenten in staat stellen om – meer dan nu- een hoger dan verwachte benutting van Wmo-voorzieningen tegen te gaan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

Waarom wordt het eigen risico niet verlaagd of zelfs afgeschaft?

De financiering van zorg is in hoge mate gebaseerd op solidariteit van mensen die geen of weinig zorg gebruiken met mensen die (relatief) veel zorg ontvangen. Met het huidige niveau van het verplicht eigen risico wordt een verantwoord evenwicht bereikt tussen de eigen financiële verantwoordelijkheid die van verzekerden gevraagd kan worden en het deel van de zorgkosten dat collectief gefinancierd wordt. Uiteraard is het van belang om oog te blijven houden voor de financiële toegankelijkheid tot zorg voor alle verzekerden. Hiertoe worden verschillende maatregelen genomen om stapeling van zorgkosten te voorkomen, zoals het ongewijzigd laten van het verplicht eigen risico voor de zorgverzekering tot en met het jaar 2021 (zie Kamerstukken 34 104 en 29 538, nr. 199). Daarnaast zijn er compensatiemogelijkheden. Een volledig overzicht van die maatregelen is op 3 november 2016 aan uw Kamer gezonden (Kamerstuk 29 538, nr. 231).

Waarom worden de eigen bijdragen voor geneesmiddelen gemaximeerd op € 250? Wat is de dekking hiervan? Waarom kiest de Minister er niet voor de eigen bijdragen voor geneesmiddelen helemaal af te schaffen? Hoe wil de Minister voorkomen dat fabrikanten de prijzen van geneesmiddelen omhoog schroeven als de Minister toch wel vergoedt boven de € 250?

Met het maximeren van de eigen bijdragen voor geneesmiddelen wil ik gericht de bijbetalingen voor geneesmiddelen voor een verzekerden aanpakken. Zij gaan hierdoor maximaal € 250 per jaar betalen. Dit is één maatregel van het pakket aan maatregelen om de stapeling van eigen betalingen voor zorg te verminderen. Het geheel afschaffen van eigen betalingen voor geneesmiddelen zou ondoelmatig gebruik van geneesmiddelen vergroten. De gestelde vergoedingslimieten voor onderling vervangbare middelen en het preferentiebeleid bieden immers goede prikkels om de kosten te beheersen. De leden van de SP-fractie vragen verder naar de mogelijkheid dat fabrikanten of importeurs de gelegenheid van de maximering van bijdragen zullen aangrijpen om de prijzen van geneesmiddelen te verhogen. Ik verwacht niet dat dit het geval zal zijn, omdat zij zich hierbij mogelijk uit de markt zullen prijzen in het geneesmiddelenvergoedingssysteem. Ik ga de effecten van de invoering van de maximering monitoren en bezien of er ongewenste effecten optreden.

Naast het hele hoge eigen risico en de hoogte van de eigen bijdragen maken mensen die chronisch ziek zijn of een beperking hebben ook veel andere kosten. Denk aan de eigen bijdrage voor gehoorapparaten, de medische pedicure, orthopedische schoenen, steunzolen, de gehandicaptenparkeerkaart, het Valysvervoer, de kosten van een hulphond enzovoorts. De stapeling van al deze zaken maakt dat mensen veel meer geld kwijt zijn naast het eigen risico en eventuele kosten voor geneesmiddelen. Daarnaast begrijpen de leden van de SP-fractie niet dat deze Minister bijdraagt aan de stapeling van zorgkosten door de keuze te maken om paracetamol, vitaminen en mineralen voor chronisch zieken uit het pakket te halen. Kan de Minister een beschouwing geven hoe hij hier tegenaan kijkt in het kader van de stapeling van zorgkosten?

De uitdaging waar we in de zorg voor staan is om de kosten van het verzekerde pakket betaalbaar te houden. Dit doen we door bij het pakketbeheer kritisch te kijken wat er via het basispakket vergoed moet worden. Het Zorginstituut heeft in het Pakketadvies Vitaminen, mineralen en paracetamol geadviseerd om preparaten waarvoor een (nagenoeg) gelijkwaardig geneesmiddel of voedingssupplement verkrijgbaar is zonder recept bij apotheek of drogist, niet langer ten laste van de basisverzekering te vergoeden (bijlage bij Kamerstuk 29 689, nr. 797). De reden hiervoor is dat het geen noodzakelijk te verzekeren zorg betreft gezien de gemiddelde lage kosten en het feit dat er een alternatief beschikbaar is in de vrije verkoop dat vaak goedkoper is. Dit advies is gebaseerd op een afbakening van de collectieve verantwoordelijkheid voor de vergoeding van zorgkosten en een maatschappelijke weging van welke zorgkosten voor eigen rekening kunnen komen en welke zorgkosten niet (meer) gedragen kunnen worden door het individu.

Kan de Minister de vraag van de leden van de SP-fractie beantwoorden in hoeverre voor andere algemene voorzieningen wel een hogere eigen bijdrage gevraagd kan worden. Is dat het geval? Verder vragen genoemde leden in hoeverre mensen straks vaker een eigen bijdrage moeten betalen, aangezien sommige algemene voorzieningen nu gratis aangeboden worden en op een later moment mogelijk niet meer. Kan de Minister hierover een beschouwing geven?

Voor zowel algemene voorzieningen die sowieso onder het abonnementstarief gebracht worden (voorzieningen waarvoor een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan) als voor de overige algemene voorzieningen, geldt dat het niet verplicht is om een bijdrage te vragen. Voorzieningen die nu gratis zijn, kunnen gemeenten ook in de toekomst vrij houden van een bijdrage. Voor algemene voorzieningen die niet onder het abonnementstarief vallen (waarbij geen duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan) kunnen gemeenten – net als nu – een hogere bijdrage vragen. Bij algemene voorzieningen die niet onder het abonnementstarief vallen mag de bijdrage niet hoger zijn dan de kostprijs. Bovendien is het uitgangspunt van de wet dat algemene voorzieningen financieel haalbaar moeten zijn.

Deze leden vragen de Minister hoe het precies zit als mensen meerdere voorzieningen gebruiken in de Wmo2015. Betalen deze mensen dan voor elke voorziening € 17,50 of geldt dit bedrag voor alle voorzieningen?

Dit bedrag geldt voor alle voorzieningen tezamen die onder het abonnementstarief vallen, ongeacht hoeveel voorzieningen mensen afnemen.

Voorts vragen deze leden hoe het nu precies zit met de eigen bijdrage voor woningaanpassingen. Is de eigen bijdrage hiervoor ook € 17,50 of wordt dan een hogere eigen bijdrage gevraagd? Deze leden vragen om verduidelijking op dit punt.

Woningaanpassingen vallen ook onder het abonnementstarief van € 17,50. In de uitvoeringstoets van het CAK is wel een scenario onderzocht waarbij woningaanpassingen uitgezonderd zijn van het abonnementstarief. Om het doel van de maatregel, het beperken van de stapeling van zorgkosten voor de cliënt en het vereenvoudigen van de systematiek voor de cliënt, maximaal te bereiken is er uiteindelijk voor gekozen om woningaanpassingen onder het abonnementstarief te brengen.

De leden van de SP-fractie vinden het een goed voorstel om de vermogensinkomensbijtelling van 8% naar 4% te verlagen. Genoemde leden vragen de Minister waarom hij de VIB niet in haar geheel heeft afgeschaft.

Het kabinet vindt het niet onredelijk om het vermogen mee te wegen als draagkracht voor het betalen van de eigen bijdragen in de langdurige zorg en beschermd wonen. Met de invoering van het abonnementstarief wordt de VIB feitelijk al afgeschaft voor de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen in de Wmo 2015. In het regeerakkoord is opgenomen dat het percentage van 8% wel wordt gehalveerd. Een gehele afschaffing van de VIB voor Wlz-zorg zou onvoldoende rekening houden met de draagkracht van mensen met vermogen. Bovendien zou een dergelijke afschaffing in de Wlz € 110 miljoen extra op jaarbasis kosten.

Genoemde leden vragen de Minister of de verlaging van de compensatie ouderentoeslag niet zal leiden tot een inkomensachteruitgang ten opzichte van de oude situatie. Kan de Minister met voorbeelden aangeven hoe dit werkt en wat betekent dit voor ouderen met een vermogen van bijvoorbeeld rond de € 40.000?

De aanpassing van de ouderentoeslag leidt niet tot een inkomensachteruitgang ten opzichte van de oude situatie. Door het verlagen van de vermogensinkomensbijtelling (VIB)van 8% naar 4% werkt het afschaffen van de ouderentoeslag minder hard door in het bijdrageplichtig inkomen, en dus in de eigen bijdragen. Met voorliggende wijziging wordt de compensatie van de ouderentoeslag hierop aangepast en dusdanig vormgeven dat de huidige en eventuele toekomstige aanpassingen van de VIB de compensatie van de ouderentoeslag automatisch meebeweegt met de aanpassing van de VIB. Hierdoor wordt voorkomen dat bij verlaging van de VIB naar 4% mensen worden overgecompenseerd voor het afschaffen van de ouderentoeslag. Tevens zorgt de wijziging ervoor dat bij eventuele toekomstige veranderingen van de VIB de compensatie automatisch en evenredig meebeweegt.

Onderstaande tabel toont de huidige eigen bijdrage en de eigen bijdrage na aanpassing van de VIB en compensatie ouderentoeslag. Deze zijn weergegeven voor een alleenstaande met uitsluitend Aow en een grondslag sparen en beleggen van respectievelijk € 10.000 en € 40.000. Het heffingsvrije vermogen is € 30.000 in 2018, waardoor een persoon met een grondslag sparen en beleggen van € 10.000 een vermogen van € 40.000 (€ 10.000 + € 30.000) heeft.

 

Grondslag sparen en beleggen

Huidige eigen bijdrage per maand

Eigen bijdrage per maand in nieuwe situatie

Verschil

Aow-gerechtigden

Alleenstaande

       

(alleen) Aow

10.000

682

682

0

(alleen) Aow

40.000

751

701

– 50

Te zien is dat bij een grondslag sparen en beleggen van € 10.000 de huidige eigen bijdrage gelijk is aan de eigen bijdrage na verlaging van de VIB en aanpassing van de compensatie ouderentoeslag. Deze cliënten worden dus zowel in de huidige als in de nieuwe situatie gecompenseerd voor het afschaffen van ouderentoeslag en betalen per saldo geen VIB over hun vermogen.

Bij een grondslag sparen en beleggen van € 40.000 gaat een Aow-gerechtigde € 50 minder per maand betalen. Dit komt omdat deze persoon voordeel heeft van het verlagen van de VIB over het vermogen dat boven een grondslag sparen en beleggen van € 25.000 uit komt. Tot dat bedrag wordt namelijk gecompenseerd voor het afschaffen van de ouderentoeslag.

In de nieuwe regeling wordt gesteld dat mensen die na vier maanden hun huis nog niet hebben kunnen verkopen, de lage eigen bijdrage kunnen aanhouden en op een later moment het verschil tussen de lage en hoge eigen bijdrage moeten terugbetalen. Deze leden vinden het echt onwenselijk dat hiermee mensen met een schuld opgezadeld worden. Deze leden vragen de Minister waarom precies voor deze maatregel is gekozen en waarom hij mensen met een schuld opzadelt. Ook het CAK voorziet hierin een serieuze toename van het gebruik van de betalingsregeling. Kan de Minister dit nader toelichten? Verder vragen deze lezen hoeveel extra budget hiervoor beschikbaar wordt gesteld.

Het aangaan van de betalingsregeling betekend niet dat de cliënt geconfronteerd wordt met een schuld die problematisch is voor de verzekerden. De regeling «onverkocht huis» biedt de mogelijkheid om zonder dubbele woonlasten de eigen bijdrage te betalen. In die gevallen geldt dus wel de «hoge eigen bijdrage», maar wordt nog de «lage eigen bijdrage» een tijd opgelegd, totdat de verzekerde middelen heeft om alsnog de verschuldigde bijdrage te betalen. In het algemeen kan een verzekerde probleemloos de uitgestelde betaling in één keer voldoen als de woning alsnog verkocht is. In de uitvoeringstoets van het CAK wordt inderdaad rekening gehouden met een toename van het gebruik van de regeling omdat het een arbeidsintensief proces betreft waarbij gespecialiseerde werknemers worden ingezet. Het is de vraag of de stijging ook, in de door het CAK ingeschatte mate, zal plaatsvinden. Daarbij hangt onzekerheid over het aantal aanvragen vooral samen met fluctuaties in de huizenmarkt. Indien de huizenmarkt aantrekt/blijft aantrekken bestaat de kans dat de toename van het aantal aanvragen beperkt blijft. Aan het CAK wordt € 136.000 extra budget beschikbaar gesteld voor het afdoen van extra aanvragen. Afhankelijk van de feitelijke aanvragen wordt bezien of dit bedrag ook daadwerkelijk nodig is.

Het voortzetten van de huidige bijdragesystematiek voor woningaanpassingen brengt risico’s met zich mee, zo lezen de leden van de SP-fractie in de nota van toelichting. Hoe verhoudt zich dit met het door het CAK uitgerekende scenario 1B, dat woningaanpassingen met een aparte eigen bijdrage systematiek kunnen worden uitgevoerd en dat dit een politiek risico met zich meebrengt bij uitleg en verantwoording aan maatschappij en Tweede Kamer, dat kan resulteren in imagoschade voor de Minister en het CAK? Kan de Minister dit nader toelichten?

Op het moment dat het CAK is verzocht een uitvoeringstoets te doen was nog niet duidelijk hoe de vormgeving van het abonnementstarief eruit zou zien. Daarom is het CAK verzocht om meerdere scenario’s te toetsen op uitvoerbaarheid. Het CAK heeft daarbij ook onderzocht of het uitvoering kan geven aan een scenario waarin woningaanpassingen uitgezonderd zijn van het abonnementstarief. Zoals ik heb toegelicht in mijn brief van 1 juni jl.5 is inmiddels gekozen om woningaanpassingen gewoon onder het abonnementstarief te laten vallen. Er zijn daardoor geen aanvullende uitvoeringsrisico’s voor de bijdrage van woningaanpassingen

De leden van de SP-fractie delen de zorgen van het CAK. Met de invoering van een abonnementstarief is er onduidelijkheid over de wettelijke taak van het CAK. Dat zorgt voor onrust onder medewerkers, aangezien banen komen te vervallen. Kan de Minister hierover meer duidelijkheid geven zodat onrust en onzekerheid onder de medewerkers van het CAK zoveel mogelijk kunnen worden weggenomen?

Ik realiseer me dat de invoering van het abonnementstarief onzekerheid met zich meebrengt voor het personeel van het CAK. Het personeel van het CAK is met name onzeker over de situatie in 2020, er is namelijk nog geen besluit genomen of het CAK vanaf 2020 uitvoerder wordt van het abonnementstarief. Ik neem voor de zomer een besluit over de uitvoering vanaf 2020, zodat het personeel van het CAK op korte termijn duidelijkheid krijgt.

De leden van de SP-fractie vragen of de Minister gemeenten voldoende compenseert voor het verlies van inkomsten en de verwachting dat meer mensen gebruik zullen maken van Wmo-voorzieningen. Het CPB heeft becijferd dat de kosten van deze maatregel € 190 miljoen bedragen. De Minister compenseert slechts gedeeltelijk. Waarop is het bedrag van € 145 gebaseerd en hoe verhoudt dit zich met de berekeningen van het CPB, zo vragen genoemde leden.

De kosten van de maatregel zijn door het CPB ten tijde van het Regeerakkoord geraamd op structureel € 290 mln (ondertussen heeft het CPB de kosten herberekend op € 190 mln, daarover heb ik uw Kamer in mijn brief van 1 juni 2018 geïnformeerd). Op basis van het Regeerakkoord is structureel € 145 mln. toegevoegd aan het Gemeentefonds. Voor het overige deel zijn in het kader van Interbestuurlijke Programma (IBP) en het accres van het gemeentefonds afspraken gemaakt.

Hoe wordt voorkomen dat gemeenten de tekorten moeten opvangen door te snijden in voorzieningen binnen de Wmo 2015 of door het verhogen van eigen bijdragen die niet onder het abonnementstarief vallen? De Minister heeft afspraken gemaakt in het Interbestuurlijke Programma (IBP) maar die afspraken nemen de zorgen over gebrekkige compensatie richting gemeenten niet weg, zo melden ook gemeenten zelf. Deze leden verwachten een uitgebreide reactie over hoe de Minister hier zorgvuldig op ingaat, zonder dit keer te verwijzen naar de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad.

De opdracht die de Wmo 2015 aan gemeenten geeft is helder en biedt voldoende waarborgen voor cliënten. De wet verplicht gemeenten na een melding zorgvuldig onderzoek te doen naar de vraag of iemand vanwege beperkingen in zelfredzaamheid en participatie op ondersteuning van de gemeente is aangewezen.

Voor degenen voor wie dat na onderzoek het geval blijkt te zijn is verstrekking van een voorziening aan de orde. De actuele jurisprudentie bevestigt het belang van de zorgvuldigheid van het onderzoek. Het is dan ook niet de verwachting dat zij die aanspraak kunnen maken op Wmo-ondersteuning dit als gevolg van deze maatregel niet zullen krijgen.

Daarbij zijn gemeenten naar de huidige inzichten ook voldoende gecompenseerd voor de maatregel (incl. de toestroom naar voorzieningen). Indien er toch ongewenste effecten optreden kan er op dat moment – na analyse van de uitvoeringspraktijk – voor worden gekozen om nadere regels te stellen met betrekking tot het onderzoek. Hiermee kunnen bijvoorbeeld nadere regels worden gesteld ten aanzien van de eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociale netwerk. Gekozen is voor een brede grondslag omdat de aard van de ongewenste effecten en daarmee de treffen maatregelen van bijsturing op voorhand niet zijn in te schatten. Op deze manier wordt een bevoegdheid gecreëerd waarvan gemeenten gebruik kunnen maken en die maatwerk kan bieden aan specifieke ongewenste situaties die zich voordoen.

Voorts vragen deze leden de Minister of hij een duidelijk overzicht willen verstrekken met daarin de kosten die op gemeenten afkomen en hoe dit zich verhoudt met de afspraken die zijn gemaakt in het kader van de het Interbestuurlijke Programma (IBP).

De kosten van de maatregel zijn door het CPB ten tijde van het Regeerakkoord geraamd op structureel € 290 mln (ondertussen heeft het CPB de kosten herberekend op € 190 mln). Het CPB heeft in de raming rekening gehouden met een derving aan eigen bijdragen voor gemeenten, een hogere toestroom naar Wmo-voorzieningen en een besparing op de uitvoeringskosten als gevolg van de vereenvoudiging van de systematiek. Op basis van het Regeerakkoord is structureel € 145 mln. toegevoegd aan het Gemeentefonds. Voor het overige deel zijn in het kader van Interbestuurlijke Programma (IBP) en het accres van het gemeentefonds afspraken gemaakt. Met het IBP is de discussie over de door gemeenten ervaren financiële problematiek in het sociaal domein afgerond en is een streep onder het verleden gezet. Met de door de gemeenten ervaren financiële problematiek wordt gedoeld op: de tekorten sociaal domein, de gebundelde uitkering bijstand, Wsw, kosten beschermingsbewind, de indexering, de nieuwe loonschaal huishoudelijke hulp, het abonnementstarief eigen bijdragen en Veilig Thuis. De afspraken in het kader van IBP zijn terug te vinden in de maartcirculaire van het gemeentefonds: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2018/03/20/gemeenten-en-provincies-krijgen-samen-62-miljard-extra

De Minister geeft aan dat als de toestroom groter wordt dan verwacht, bijsturing in de rede ligt. Betekent dit bijsturing in financiële zin, zodat gemeenten extra geld kunnen verwachten? Of worden dan de problemen afgeschoven naar familieleden, mantelzorgers en mensen zelf? Deze leden verwachten een uitgebreide toelichting op dit punt.

De aard van de toestroom en de mogelijke problemen die dit oplevert is lastig te voorspellen. Daarom is op voorhand niet aan te geven welke bijsturing nodig is. In de wet is een brede grondslag opgenomen om bij AMvB nadere regels te stellen met betrekking tot het onderzoek (art. 2.3.5 Wmo 2015). Hiermee kunnen bijvoorbeeld nadere regels worden gestel ten aanzien van de eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, mantelzorg of andere personen uit het netwerk. Er zou bijvoorbeeld kunnen worden geregeld dat gemeenten diensten die iemand zelf al geruime tijd zelf organiseert en niet hoeven te verstrekken. Als bijvoorbeeld mensen al geruime tijd een huishoudelijke hulp betalen hoeven zij specifiek die hulp niet nog eens van de gemeente te ontvangen. Zij hebben daarvoor dan de financiële draagkracht als hun inkomen gelijk blijft.

Gemeenten gaan in het voorliggende voorstel over de inning van de eigen bijdrage. De leden van de SP-fractie vragen welke- en hoeveel extra lasten dit betekent voor gemeentelijke organisaties. Kan de Minister dat nader toelichten?

U ontvangt voor de zomer een brief over welke partij de vaststelling en inning van de bijdrage vanaf 2020 gaat uitvoeren. Hierbij worden ook de gevolgen voor regeldruk betrokken.

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

Kan de Minister aangeven welke Wmo-voorzieningen in 2019 en 2020 allemaal wel en niet onder het abonnementstarief komen te vallen en zo niet, welke tarieven dan wel gaan gelden? Behouden de gemeenten de mogelijkheid om bepaalde algemene voorzieningen gratis aan te bieden?

In 2019 vallen alleen Wmo-maatwerkvoorzieningen onder het abonnementstarief. Voorgesteld wordt om vanaf 2020 naast de maatwerkvoorzieningen ook een deel van de algemene voorzieningen onder het abonnementstarief te brengen. Dit geldt in ieder geval voor algemene voorzieningen waarvoor een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan (huishoudelijke hulp en begeleiding). Het is vanuit dit uitgangspunt vervolgens aan gemeenten om lokaal kenbaar te maken (in de verordening) welke algemene voorzieningen onder het abonnementstarief vallen. Gemeenten behouden de mogelijkheid om voorzieningen gratis aan te bieden, ongeacht of ze onder het abonnementstarief vallen of niet.

– Kan de Minister aangeven wat precies de voorgestelde wijzigingen zijn voor de eigen bijdrage voor woningaanpassingen?

Woningaanpassingen komen net als andere maatwerkvoorzieningen onder het abonnementstarief te vallen waarbij tevens blijft gelden dat de bijdrage in de kosten van een woningaanpassing van de cliënt de kostprijs die de gemeente ervoor betaalt niet te boven mag gaan.

– Bij welke groep wordt de meeste aanzuigende werking verwacht? Wordt ook een aanzuigende werking verwacht van het op 0 stellen van de eigen bijdrage van alle niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens? Zo ja, hoe verhoudt de verwachte stijging van het beroep op de Wmo 2015 door deze groep zich tot de verwachte stijging bij AOW-gerechtigde huishoudens?

Het CPB heeft in haar raming de totale toestroom op voorzieningen meegenomen. Er is geen onderscheid gemaakt tussen groepen of specifieke voorzieningen. Niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens tot een bijdrageplichtig inkomen van € 35.175 zijn in de huidige systematiek al zijn vrijgesteld van de eigen bijdrage. Het schrappen van de inkomensgrens leidt slechts tot een beperkte toename van deze groep, waardoor de toestroom naar Wmo-voorzieningen voor deze groep naar verwachting beperkt zal zijn.

– Hoe wordt de monitoring van de aanzuigende werking vormgegeven? Hoe wordt hierbij omgegaan met de wijzigingen die stapsgewijs zullen worden ingevoerd in 2019 en 2020? Wordt de toegankelijkheid van de Wmo 2015 ook gemonitord?

De monitor brengt in kaart of en in welke mate er sprake is van een hoger dan verwacht gebruik van Wmo-voorzieningen (na invoering van het abonnementstarief), dat zich onvoldoende door gemeentelijk beleid laat reduceren. Daarbij zullen ook de verschillen tussen gemeenten en verschuivingen tussen maatwerk- en algemene voorzieningen worden betrokken. De verder invulling van de monitor wordt de komende maanden uitgewerkt.

– Hoe vindt de weging plaats of de inning van de eigen bijdrage beter door het CAK of de gemeenten kan plaatsvinden? Voor genoemde leden weegt daarbij zwaar dat cliënten geen problemen mogen ondervinden van een mogelijke verschuiving van het CAK naar gemeenten.

VWS heeft een onderzoeksbureau de opdracht gegeven om de uitvoeringsconsequenties van de verschillende scenario’s (gemeenten/CAK als uitvoerder) in beeld te brengen. Hierbij is het perspectief van de cliënt meegenomen als een belangrijk afwegingscriterium in de uiteindelijke keuze. Ik zal de Tweede Kamer vóór de zomer informeren over de uitkomsten van dit onderzoek en de keuze waar de uitvoering van het abonnementstarief belegd zal worden.


X Noot
1

Kamerstukken 34 104 en 29 538, nr. 224

X Noot
2

Kamerstukken 34 104 en 29 538, nr. 224

X Noot
3

Kamerstuk 29 538, nr. 261

X Noot
4

Kamerstuk 29 538, nr. 261

X Noot
5

Kamerstukken 34 104 en 29 538, nr. 224

Naar boven