Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534023 nr. 9

34 023 Goedkeuring van het op 26 mei 2014 te Brussel tot stand gekomen Besluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (Trb. 2014, 157)

Nr. 9 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 april 2015

Op 19 maart jongstleden heeft het lid Omtzigt (CDA) een motie ingediend en vervolgens aangehouden waarin het kabinet wordt verzocht de correspondentie tussen Nederland en de Europese Unie over de naheffing in 2014 openbaar te maken en voorts de Europese Commissie mee te delen dat het kabinet de bezwaren tegen openbaarmaking intrekt (Kamerstuk 34 023, nr. 7).

Het kabinet heeft zich gebogen over de vraag hoe om te gaan met verzoeken van de Kamer tot openbaarmaking van stukken die onderdeel uitmaken van het diplomatieke verkeer en over correspondentie met de Europese Commissie in het bijzonder. Wij schetsen u het algemene kader en de concrete afweging die hierbij wordt gemaakt. Dit mede onder verwijzing naar eerdere antwoorden van de Minister van Financiën van 13 november 2014.1

De informatievoorziening tussen het kabinet en parlement wordt beheerst door de passieve inlichtingenplicht van artikel 68 van de Grondwet en de ongeschreven actieve inlichtingenplicht, en voorts door de vertrouwensregel. Mondelinge of schriftelijke inlichtingen worden verschaft tenzij de verstrekking in strijd is met het belang van de staat. Als een bewindspersoon de gevraagde inlichtingen niet kan of mag verstrekken – of alleen op een andere manier of een ander tijdstip dan was verzocht – zal deze dat motiveren. Niet-verstrekking kan aan de orde zijn in het geval de bescherming van bijvoorbeeld belangen als de betrekkingen van Nederland met andere staten en internationale organisaties, de economische of financiële belangen van de Staat, het belang van opsporing en vervolging, of de bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen in interne stukken, in het concrete geval zwaarder dient te wegen. Voorop blijft staan dat het parlement inzicht dient te krijgen in de relevante feiten en argumenten die ten grondslag liggen aan het beleid.

Veel documenten in het diplomatieke verkeer bevatten informatie die vertrouwelijk is gewisseld met andere landen of internationale instellingen, bijvoorbeeld in besloten overleg. Het zou de Nederlandse positie schaden wanneer er vanuit gegaan moet worden dat deze informatie in Nederland openbaar gemaakt zal worden. Openbaarmaking daarvan zou de noodzakelijke vertrouwelijkheid en effectiviteit van het onderhandelingsproces en (de informatie-uitwisseling in) het diplomatieke verkeer ondermijnen. Het is voorts van negatieve invloed op de wijze waarop Nederlandse diplomaten zich vrij voelen om intern te rapporteren over hetgeen zij vernemen en waarnemen in internationaal overleg en daarover hun weergaven, percepties en inschattingen noteren. Het verstrekken van dergelijke interne rapportages zal zich in het algemeen niet verdragen met een goed functioneren van de diplomatieke dienst en kan het interne besluitvormingsproces op de departementen ernstig verstoren.

In het verkeer tussen kabinet en uw Kamer over diplomatiek contact is het gebruikelijk dat de strekking in Kamerbrieven en in antwoorden op Kamervragen wordt weergegeven. De inzet van het kabinet bij onderhandelingen en de uitkomst van onderhandelingen in Europees verband worden steeds vooraf, waar mogelijk tijdens het proces, en achteraf met uw Kamer gedeeld en verantwoord. Brieven aan de Europese Commissie over de uitvoering van EU-regelgeving maakt het kabinet in voorkomende gevallen openbaar binnen de beperkingen die gelden bij openbaarmaking zoals de regels van de Wet openbaarheid van bestuur en de Eurowob.2 Letterlijke verstrekking van dagelijkse ambtelijke instructies en verslagen is geen onderdeel van het normale verkeer tussen het kabinet en de Kamer. Reguliere correspondentie van de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland met de departementen in Den Haag en tussen Nederlandse ambtenaren en instellingen als de Europese Commissie wordt derhalve niet openbaar gemaakt.

Over de totstandkoming van de EU-naheffing zijn alle relevante feiten en argumenten aan de Kamer overgelegd en heeft de Minister van Financiën verantwoording afgelegd. Verdergaande openbaarmaking van correspondentie met de Europese Commissie dan is gebeurd op grond van de Eurowob acht het kabinet om bovenstaande redenen onwenselijk. Daarom ontraadt het kabinet de motie.

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1187.

X Noot
2

Kamerstuk 21 501-02, nr. 955.