Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2016-201733987 nr. H

33 987 Voorstel van wet van de leden Swinkels, Recourt en Van Oosten tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken

H BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTIITE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 februari 2017

De leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie hebben in hun verslag over het initiatiefwetsvoorstel van de leden Swinkels (D66), Recourt (PvdA) en Van Oosten (VVD) tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken (Kamerstukken I 2015/16, 33 987, F) aanvullende vragen gesteld, waarvan enkele ook aan de regering. Graag beantwoord ik hieronder de aan de regering gestelde vragen. Vanwege de vragen over de fiscale gevolgen van het initiatiefwetsvoorstel geschiedt de beantwoording mede namens de Staatssecretaris van Financiën.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Opbrengst uitgewonnen goederen

De leden van de VVD-fractie merken op dat uit de memorie van antwoord van de initiatiefnemers (Kamerstukken I, 2016/17, 33 987, C) en de brief van 31 oktober 2016 van de Minister van Veiligheid en Justitie (Kamerstukken I, 2016/17, 33 987, D), waarin wordt verwezen naar zijn brief van 11 oktober 2016 (Kamerstukken II, 2016/17, 33 987, nr. 28), lijkt te volgen dat de initiatiefnemers en de Minister verschillende standpunten innemen in de situatie dat er sprake is van een faillissement van één van de echtgenoten waarbij zowel privéschuldeisers als gemeenschapsschuldeisers betrokken zijn. Deze leden willen weten of «buiten de boedel» in de passage op p. 4–5 van de brief van 11 oktober 2016 is bedoeld dat de helft van de opbrengst naar het privévermogen van de andere (niet-gefailleerde) echtgenoot gaat en niet meer tot de faillissementsboedel behoort.

Onder verwijzing naar de brief van 11 oktober 2016, waarin is gereageerd op de door de Tweede Kamer aangenomen motie Van Nispen (Kamerstuk II, 2015/16, 33 987, nr. 22), is dit inderdaad met de woorden «buiten de boedel» bedoeld.

Volledigheidshalve merk ik op dat de brief van 11 oktober 2016 ziet op het geval waarin een privéschuldeiser van een van de echtgenoten verhaal zoekt op een goed dat tot de gemeenschap behoort. Die brief had geen betrekking op de situatie dat naast privéschuldeisers ook gemeenschapsschuldeisers zich willen verhalen op goederen van de gemeenschap. Anders dan het verhaal van privéschuldeisers op een goed van de gemeenschap, is het verhaal van gemeenschapsschuldeisers niet beperkt tot de helft van de uitgewonnen executieopbrengst. In de situatie dat zowel privéschuldeisers van een van de echtgenoten als gemeenschapsschuldeisers zich verhalen op goederen van de gemeenschap (in faillissementssituaties of daarbuiten) zal de opbrengst van de uitgewonnen gemeenschapsgoederen moeten worden verdeeld onder de verschillende schuldeisers, waarbij dus alleen ten aanzien van de privéschuldeisers rekening moet worden gehouden met het voorgestelde artikel 96 lid 3 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Indien de opbrengst van de uitgewonnen gemeenschapsgoederen geheel wordt aangewend voor de voldoening van de gemeenschapsschuldeisers, heeft artikel 1:96 lid 3 BW geen effect, zoals de initiatiefnemers ook stellen op p. 10 van hun memorie van antwoord.

Vermogen waarmee overnamerecht kan worden uitgeoefend

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of het overnemen van een gemeenschappelijk goed door een echtgenoot, ingeval een privéschuldeiser van de andere echtgenoot zich op dat goed wil verhalen, uitsluitend met eigen liquide middelen mag geschieden en niet met door die echtgenoot geleend geld.

Volgens de regering moet de echtgenoot die van het overnemingsrecht in het voorgestelde artikel 1:96 lid 3 BW gebruik wil maken, daarvoor ook een lening kunnen afsluiten. Het overnemingsrecht is bedoeld om een goed dat in de gemeenschap is gevallen, veilig te stellen tegen een daarop verhaalzoekende privéschuldeiser van de andere echtgenoot. De echtgenoot/niet-schuldenaar kan geen gemeenschapsvermogen aanwenden om het gemeenschapsgoed tegen uitwinning te beschermen, maar moet de helft van de waarde van het goed financieren met vermogen waarop de privéschuldeiser van de andere echtgenoot zich niet kan verhalen. Het begrip «eigen vermogen» in het voorgestelde artikel 1:96 lid 3 BW vat de regering op in de zin dat het moet worden onderscheiden van «gemeenschapsvermogen», en dus niet in de zin dat met «eigen vermogen» alleen eigen geld is bedoeld. De initiatiefnemers lijken in de nota naar aanleiding van het verslag te hebben gesuggereerd dat een gemeenschapsgoed alleen kan worden overgenomen met privéspaargeld. Tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer is van de zijde van de initiatiefnemers echter op een soortgelijke vraag bevestigd dat voor het gebruik maken van het overnemingsrecht ook een privélening kan worden afgesloten (Handelingen II, 2015/16, 77, item, p. 28). De regering onderschrijft dit.

Voorlichting

Verder vragen de leden van de VVD-fractie hoe de Minister tegen de voorlichtingstaak van de overheid op dit terrein aankijkt, hoever die taak strekt en op welke wijze de Minister aan die taakvervulling wil vormgeven.

De regering vindt heldere voorlichting van essentieel belang. De regering zal ervoor zorgdragen dat de informatie over het huwelijksvermogensrecht op de website van de rijksoverheid aangepast en uitgebreid wordt. In de actieve voorlichting ziet zij primair een taak weggelegd voor de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie om de informatie over de gevolgen van het sluiten van een huwelijk aan te passen en voldoende beschikbaar te stellen. Ook ziet de regering een belangrijke rol voor de gemeenten. Gemeenten maken nu ook op hun website melding van de vermogensrechtelijke gevolgen van het sluiten van een huwelijk bij de informatie over het trouwen binnen hun gemeente, soms door met een link te verwijzen naar andere relevante websites waar meer informatie te vinden is. Een van deze websites is de website van de rijksoverheid.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

Fiscale aspecten

De leden van de CDA-fractie menen dat veel keuzes worden bepaald door de fiscale gevolgen van het huwelijksvermogensregime. In dat verband vragen deze leden alsnog antwoord te geven op de eerder gestelde vraag1 of het wettelijke bewijsvermoeden aanleiding zou kunnen geven tot ongewenst fiscaal gedrag en daarbij de waarschuwingen te betrekken die prof. mr. Huijgen tijdens de deskundigenbijeenkomst heeft gegeven.

Het antwoord op deze vraag is, zoals eerder is toegelicht2, dat het wettelijke bewijsvermoeden van het in het initiatiefwetsvoorstel opgenomen artikel 1:94 lid 8 BW niet kan leiden tot ongewenst fiscaal gedrag. Professor Huijgen is tijdens de deskundigenbijeenkomst niet ingegaan op het wettelijke bewijsvermoeden. Wel heeft hij erop gewezen dat het niet fiscaal aantrekkelijk is om bij een overlijden te constateren dat de erflater of erflaatster een fors privévermogen had. Dit is een terecht punt, maar dat is niet nieuw. Indien de erflater een fors privévermogen had, kan dat voortkomen uit erfenissen of schenkingen met uitsluitingsclausule. Ook kan er in het verleden zijn gekozen voor een beperkte gemeenschap vanwege bijvoorbeeld ondernemerschap van de echtgenoot.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie om in het bijzonder in te gaan op enige vragen inzake de eigenwoningregeling. Deze leden leggen onder verwijzing naar het artikel van R. Stam in het Vakblad Financiële Planning3 van september 2016 een aantal specifieke voorbeelden aan de regering voor. Ook vragen deze leden enkele fiscale vragen die eerder door de fractie van het CDA in de Tweede Kamer zijn gesteld, te beantwoorden. Daarbij vragen deze leden, wat het vergoedingsrecht van artikel 1:87 van het BW betreft, wat de fiscale consequenties in het door hen geschetste voorbeeld zijn. Deze leden vragen voorts hoe de regering de toepassing van artikel 13 van de Successiewet 1956 in combinatie met het wetsvoorstel ziet. Daarnaast vragen deze leden of gehuwden voortaan heffing van erfbelasting kunnen voorkomen en of dat ook de bedoeling is. Verder vragen zij wat dit wetsvoorstel betekent voor de toepassing van artikel 25 en 26 van de Successiewet 1956. Met betrekking tot de terbeschikkingsstellingsregeling en de fiscale doorschuifregelingen vragen deze leden om alsnog in te gaan op de daarover door de Tweede Kamer gestelde vragen. Ten slotte vragen deze leden of er bereidheid is tot een geïntegreerde benadering van het huwelijksvermogensrecht en het fiscale recht (in het bijzonder de inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting).

Aan het initiatiefwetsvoorstel zijn, zoals in de brief van 30 maart 2016 van mijn ambtsvoorganger is toegelicht, geen nieuwe fiscale gevolgen verbonden.4 Een groot deel van de fiscale vragen van de leden van de CDA-fractie is daarmee beantwoord.

Bij de behandeling van het Belastingplan 2017 hebben de leden van de fractie van het CDA in de Tweede Kamer de Staatssecretaris van Financiën gevraagd om te reageren op dezelfde voorbeelden van de eigenwoningregeling en hun vragen over de vergoedingsvordering naar aanleiding van een artikel van prof. dr. mr. E.J.W. Heithuis. Daarop heeft de Staatssecretaris van Financiën in zijn brief van 10 november 20165 toegezegd dat hij de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk zal informeren, zodat de gevraagde duidelijkheid voor de inwerkingtreding van het initiatiefwetsvoorstel wordt verkregen. Het streven is de reactie in maart van dit jaar naar de Tweede Kamer te sturen. Op mijn verzoek zal de Staatssecretaris van Financiën uw Kamer een kopie van zijn reactie aan de Tweede Kamer sturen. Verder heb ik met de Staatssecretaris van Financiën afgesproken dat hij in zijn reactie ook zal ingaan op de fiscale consequenties in het door de leden van de CDA-fractie geschetste voorbeeld van het vergoedingsrecht van artikel 1:87 BW.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

  • 1. De leden van de SP-fractie vragen om een reactie op het betoog van prof. mr. Huijgen dat – samengevat – geldstromen de eigendomsverhoudingen gaan bepalen en tijdens het huwelijk allemaal door elkaar heen lopen. Naarmate het huwelijk langer duurt, wordt het hierdoor moeilijker om de gemeenschap af te wikkelen. Zij vragen om een reactie hierop.

    Het is aan de echtgenoten zelf om goed bij te houden hoe geldstromen tijdens het huwelijk lopen. De praktijk leert echter dat echtgenoten dit zelden doen en het initiatiefwetsvoorstel verplicht hen daartoe ook niet. Wanneer echtgenoten geen administratie ten aanzien van hun vermogens bij houden en zij het privékarakter van een bepaald goed niet (meer) kunnen aantonen, geldt het bewijsvermoeden van het voorgestelde lid 8 van artikel 1:94 BW (thans het zesde lid). Dit bewijsvermoeden houdt in dat als geen van de echtgenoten kan aantonen dat een goed tot diens privévermogen behoort, het desbetreffende goed als een gemeenschapsgoed wordt aangemerkt. Het bewijsvermoeden heeft daarmee een belangrijke functie bij het voorkomen van problemen bij de afwikkeling van een huwelijksgemeenschap.

  • 2. De leden van de SP-fractie merken op dat sinds eind jaren vijftig en begin jaren zestig alle huwelijkse voorwaarden geleidelijk van het type zijn geworden van uitsluiting, eventueel van beperkte gemeenschap van inboedel en van een periodiek en nog veel later een finaal verrekenstelsel. Volgens deze leden sluit het initiatiefwetsvoorstel hier niet op aan, omdat er niets finaals in zit en vragen om een reactie hierop.

    De constatering dat het door de initiatiefnemers beoogde standaardstelsel geen finaal verrekenstelsel inhoudt, is juist. Dat is een keuze van de initiatiefnemers. Indien echtgenoten uitsluiting wensen, een beperkte gemeenschap van inboedel of een ander periodiek of finaal verrekenstelsel, kan daarin worden voorzien bij huwelijkse voorwaarden. Dat is nu ook zo.

  • 3. De leden van de SP-fractie vragen ook wat de noodzaak is voor een beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen, mede gelet op het feit dat er in Nederland maar relatief weinig vermogensvorming is.

    De initiatiefnemers willen met hun wetsvoorstel de wettelijke gemeenschap van goederen beter laten aansluiten bij hetgeen de meerderheid van de bevolking volgens de initiatiefnemers als wenselijk beschouwt en bij wat internationaal bezien naar het oordeel van de initiatiefnemers meer gangbaar is. Het wijzigen van het basisstelsel in het huwelijksvermogensrecht is daarmee vooral een politieke keuze. Als die keuze wordt gemaakt, is dat onafhankelijk van de omvang van het vermogen, zoals dat nu ook het geval is.

  • 4. De leden van de SP-fractie vragen waarom de initiatiefnemers een verschuiving voorstellen van één naar drie vermogens, en bijvoorbeeld niet kiezen voor de variant van twee vermogens waarvoor nu regelmatig in huwelijkse voorwaarden wordt gekozen (uitsluiting van iedere gemeenschap en periodiek of finaal verrekenen). Zij vragen waarom het initiatiefwetsvoorstel beter aansluit bij de huidige praktijk.

    Voor een reactie op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord op de voorgaande vraag. In aansluiting daarop merk ik op dat een stelsel van twee of drie vermogens ook nu al voorkomt, bijvoorbeeld wanneer een of beide echtgenoten een gift of een erfenis ontvangt waaraan een uitsluitingsclausule is verbonden. De gift of erfenis valt dan niet in de huwelijksgemeenschap, maar blijft privé. Dit levert ook twee vermogens op. Overigens staat het initiatiefwetsvoorstel er niet aan in de weg dat mensen er straks voor kiezen om in hun huwelijkse voorwaarden te kiezen voor een regime van uitsluiting van iedere gemeenschap. In die zin laat het initiatiefwetsvoorstel de huidige praktijk onverlet.

  • 5. De leden van de SP-fractie vragen waarop de suggestie is gebaseerd dat de beperkte gemeenschap de emancipatie zal aanjagen.

    De stelling dat het initiatiefwetsvoorstel de emancipatie zal bevorderen, laat ik voor rekening van de initiatiefnemers. De praktijk zal moeten uitwijzen of deze premisse bewaarheid wordt.

  • 6. De leden van de SP-fractie vragen naar de kern genomen of een beperkte gemeenschap invloed heeft op het tijdstip waarop vrouwen kinderen krijgen en op het aantal kinderen. Zij willen weten of een beperkte gemeenschap niet juist spanningen in de huwelijken opleveren omdat de vrouw om haar economische positie moet denken.

    Mij zijn geen studies bekend waarin een directe correlatie wordt gelegd tussen het door echtgenoten gekozen huwelijksgoederenregime en het aantal kinderen dat men al dan niet krijgt. Hetzelfde geldt voor het al dan niet bestaan van spanningen binnen het huwelijk.

  • 7. De leden van de SP-fractie vragen of met het initiatiefwetsvoorstel niet teveel de «Randstad-maat» wordt opgelegd en wat er mis mee is als de man en de vrouw de gezinstaken en het vermogen samen willen delen. Deze leden willen weten wat de noodzaak is van de invoering van een beperkte gemeenschap van goederen.

    Met betrekking tot de noodzaak van het initiatiefwetsvoorstel verwijs ik graag naar mijn reactie op de derde vraag van de genoemde leden. Het initiatiefwetsvoorstel staat er niet aan in de weg dat mensen hun huwelijk naar eigen inzicht inrichten.

  • 8. De leden van de SP-fractie vragen om een reactie op de stelling van mr. Subelack dat er op basis van het initiatiefwetsvoorstel straks drie vermogens zijn, die op papier allemaal duidelijk gescheiden zijn, maar dat in de praktijk mensen zich niet aan die scheiding houden. Als mensen getrouwd zijn, gaat er over en weer vermogen van de ene naar de andere kant, wat niet zo’n probleem is zolang zij getrouwd zijn. Het wordt een veel groter probleem als mensen uit elkaar gaan of als bij overlijden een kind zijn aandeel in het privédeel van de vader opeist. Dan ontstaan verschrikkelijke discussies om er achter te komen wat er met het privévermogen is gebeurd, aldus mr. Subelack.

    Echtgenoten kunnen tijdens het huwelijk bijhouden hoe geldstromen verlopen, maar worden daartoe niet verplicht. Het bewijsvermoeden van artikel 1:94 lid 6 BW – dat in het initiatiefwetsvoorstel wordt verplaatst naar het achtste lid – fungeert als een belangrijk vangnet. Het bewijsvermoeden is er juist op gericht om complexe discussies tussen (ex-)echtgenoten te voorkomen over de vraag of een bepaald goed tot het privévermogen van een echtgenoot gerekend moet worden dan wel in de gemeenschap van goederen valt. Als geen van de echtgenoten kan aantonen dat een goed aan hem in privé toebehoort, wordt het desbetreffende goed als een gemeenschapsgoed aangemerkt.

  • 9. De leden van de SP-fractie stellen naar aanleiding van de bijdrage van mr. Subelack tijdens de deskundigenbijeenkomst een vraag over de voorgestelde voorhuwelijkse onderneming en de redelijke vergoeding die een echtgenoot aan de gemeenschap moet betalen voor de door de echtgenoot/ondernemer geleverde kennis, arbeid en vaardigheden. Zij vragen of de voorgestelde open norm voldoende duidelijk is voor mensen die een keuze maken voor het wettelijk basisstelsel. Ook vragen zij of niet of niet kan worden aangesloten bij de uitkeringstest van artikel 2:216 BW.

    Het voordeel van een open norm is dat echtgenoten daaraan zelf invulling kunnen geven en daarbij rekening kunnen houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder het belang en de continuïteit van de onderneming na uitkering van een vergoeding aan de gemeenschap. Bij de inkleuring van de open norm kunnen echtgenoten die dat willen ook aansluiting zoeken bij artikel 2:216 BW. De uitkeringstest van artikel 2:216 BW kan dan worden beschouwd als de ondergrens van de redelijke vergoeding. Als de vergoeding van de echtgenoot/ondernemer voor de kennis, vaardigheden en arbeid die de ondernemende echtgenoot tijdens het huwelijk voor de onderneming heeft aangewend, tot gevolg heeft dat de onderneming niet in staat is om haar opeisbare schulden te betalen, is de vergoeding niet redelijk meer. Zou de staat van de onderneming niet van invloed zijn op de redelijkheid van de vergoeding, dan kan de vergoeding ertoe leiden dat de onderneming in betalingsproblemen komt of zelfs failliet gaat. Het belang en de continuïteit van de onderneming zijn aldus geïncorporeerd in de open norm van de redelijke vergoeding. Overigens plegen echtgenoten die een onderneming drijven vaak al huwelijkse voorwaarden op te maken ter bescherming van de andere echtgenoot tegen schuldeisers van de onderneming. In die huwelijkse voorwaarden zal dan ook meestal wel een bepaling worden opgenomen over de vergoeding aan de gemeenschap voor de arbeidsinspanningen van de echtgenoot/ondernemer.

  • 10. De leden van de SP-fractie merken op dat als een voorhuwelijkse schuld, een hypotheekschuld, van één van de echtgenoten tijdens het huwelijk wordt afgelost met inkomen van één of beide echtgenoten tijdens het huwelijk, er geen ruimte meer is om tot verrekening of deling van de kosten te komen na afloop of bij beëindiging van het huwelijk, omdat de Hoge Raad al heeft uitgemaakt dat dit onmiddellijk gedaan had moeten worden. Zij vragen of echtgenoten zich hiervan bewust zijn.

    Als kosten van de huishouding worden betaald met gelden die afkomstig zijn uit privévermogen van een echtgenoot, ongeacht of dit voorhuwelijks privévermogen is of privévermogen dat op een later tijdstip is gevormd, wordt op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad aangenomen dat het recht op vergoeding van de gelden na maximaal een jaar verwerkt raakt. Dat betekent dat deze gelden niet pas jaren later, als het huwelijk een einde neemt, alsnog vergoed moeten worden. Dat is anders als het gaat om de voldoening van een voorhuwelijkse hypotheekschuld voor de financiering van een woning. Op grond van artikel 1:96 BW heeft een echtgenoot die een gemeenschapsschuld voldoet uit zijn privévermogen recht op een vergoeding, in overeenstemming met de in artikel 1:87, tweede en derde lid, BW opgenomen beleggingsleer. De rechtspraak van de Hoge Raad waarnaar wordt verwezen ziet alleen op rechtsverwerking van vergoedingsvorderingen met betrekking tot de kosten van de huishouding. De voldoening van een hypotheekschuld valt daar niet onder.

  • 11. De leden van de SP-fractie vragen naar de kern genomen in hoeverre een echtgenoot zichzelf onbewust benadeelt ten opzichte van de andere echtgenoot als tijdens het huwelijk geldstromen niet worden geadministreerd.

  • 12. Onder verwijzing naar de bijdrage van prof. mr. Huijgen tijdens de deskundigenbijeenkomst stellen de leden van de SP-fractie een soortgelijke vraag vanuit een andere invalshoek, te weten de situatie dat een van de echtgenoten wél een administratie met betrekking tot zijn privévermogen bijhoudt, maar de andere niet, waardoor diens privévermogen in de gemeenschap valt en voor de helft naar de andere, wel administrerende echtgenoot wordt toegetrokken. Voor een advocaat of notaris is dit niet meer te redresseren, de zwakkere echtgenoot zal op dit gebied hierdoor benadeeld kunnen worden en het kan het wantrouwen tussen echtgenoten tijdens het huwelijk voeden. De leden vragen om een reactie hierop.

    Mijn antwoord op de vragen 11 en 12 luidt dat dergelijke casuïstiek zich nu ook kan voordoen. Ook nu komt het voor dat geen staat van aanbrengsten wordt gemaakt, een van de echtgenoten geen administratie voert en er tijdens het huwelijk geen verrekening plaatsvindt bij gebrek aan kennis hieromtrent of ter vermijding van discussies over de geldstromen. Ik verwijs naar het voorbeeld waarin een echtgenoot een erfenis ontvangt waarbij in het testament een uitsluitingsclausule is opgenomen, maar de echtgenoot deze geheel ten goede laat komen aan de gemeenschap. In de huidige praktijk kan zich ook het geval voordoen dat op de erfenis van de ouders van een van de echtgenoten een uitsluitingsclausule rust, maar de ouders van de andere echtgenoot geen uitsluitingsclausule in hun testament hebben opgenomen. De erfenis van de ene echtgenoot valt dan niet in de gemeenschap en blijft privé, terwijl de erfenis waarop geen uitsluitingsclausule rust wel aan de gemeenschap toekomt en, al dan niet bedoeld, voor de helft aan de andere echtgenoot toevalt. Ook in het huidige stelsel kunnen zich dus onevenwichtigheden voordoen. Verschillen in deskundigheid tussen echtgenoten of in nauwgezetheid ten aanzien van de administratie zullen niet nieuw zijn na invoering van de beperkte gemeenschap van goederen.

    Echtgenoten hebben een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de vermogensverschuivingen binnen hun huwelijk. Voor aanstaande echtgenoten is vooral van belang dat zij bewust zijn van de vermogensrechtelijke consequenties die het door hun voorgenomen huwelijk met zich brengt. Goede voorlichting is in dat kader van groot belang. Graag verwijs ik hieromtrent naar mijn antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie over de voorlichtingstaak van de overheid.

  • 13. De leden van de SP-fractie menen dat het in de lijn der verwachting ligt dat echtgenoten bij een beperkte gemeenschap, net zoals bij het periodiek verrekenbeding, geen administratie zullen voeren en zullen terugvallen op de fictie van het bewijsvermoeden van artikel 1:94 BW. Zij vragen waarvoor deze hele exercitie dan wordt gedaan.

    Het zal zeker voorkomen dat een administratie deels of helemaal niet zal worden gevoerd. Dat kan een bewuste keuze van de echtgenoten zijn of het gevolg van onachtzaamheid. In beide gevallen geldt het bewijsvermoeden als wettelijk vangnet. Dat is een nuttige voorziening die de rechtszekerheid tussen echtgenoten dient en daarmee een duidelijke meerwaarde heeft.

  • 14. De leden van de SP-fractie vragen of het initiatiefwetsvoorstel meer juridische procedures over vergoedingsrechten oplevert met daarmee gepaard gaande kosten en extra belasting voor de rechterlijke macht.

    Concrete indicaties hiervoor heb ik niet. Ook nu komen in de praktijk discussies voor bij de afwikkeling van een huwelijk.

  • 15. De leden van de SP-fractie merken op dat het initiatiefwetsvoorstel afwijkt van andere stelsels in Europa en vragen waarom er niet eerst voor gekozen is om meer eenvormigheid in Europa te bewerkstelligen.

    Afgezien van de vraag of de Europese Unie de bevoegdheid toekomt om het materiële huwelijksvermogensrecht in deze mate te harmoniseren, is de Nederlandse inzet er niet op gericht om Brussel de invulling van ons huwelijksgoederenrecht te laten bepalen.

  • 16. De leden van de SP-fractie vragen of het na de wijziging van het basisstelsel nog mogelijk is om de standaard beperkte gemeenschap van goederen om te zetten naar de algehele gemeenschap van goederen.

    Ingevolge artikel 1:114 BW kunnen huwelijkse voorwaarden ook tijdens het huwelijk worden opgemaakt. Deze mogelijkheid wordt door het initiatiefwetsvoorstel niet gewijzigd. Omzetting van een beperkte gemeenschap in een algehele gemeenschap blijft derhalve mogelijk.

  • 17. De leden van de SP-fractie vragen onder verwijzing naar de bijdrage van prof. mr. Huigen tijdens de deskundigenbijeenkomst naar de kern genomen of het wenselijk is dat de herkomst van de middelen waarmee goederen tijdens het huwelijk worden gefinancierd, steeds moet worden vastgelegd.

    Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor heb gezegd over het wel of niet administreren van geldstromen, de eigen verantwoordelijkheid van echtgenoten in deze en het bewijsvermoeden dat als vangnet fungeert wanneer een geschil tussen echtgenoten ontstaat over de vraag of het goed tot het privévermogen van een van de echtgenoten behoort. Ik voeg hier aan toe dat bij het aangaan van grote financiële verplichtingen, zoals de aankoop van onroerend goed, al dan niet met behulp van de openbare registers door echtgenoten veelal zal kunnen worden teruggehaald met welke middelen het goed is gefinancierd. Daarbij is het uiteraard verstandig over grote financiële transacties onderling goede afspraken te maken. Voorts wijs ik erop dat niet elk huwelijk verzandt in discussies over geldstromen en eigendomsverhoudingen, en dat complexe afwikkelingsproblemen zich – helaas – altijd wel in meer of mindere mate kunnen voordoen.

  • 18. Naar aanleiding van de opmerkingen van mr. Breederveld hebben de leden van de SP-fractie voorts een vraag over het overnamerecht in het voorgestelde artikel 1:96 lid 3 BW. De leden vragen of een echtgenoot ook met geleend geld van het overnamerecht gebruik kan maken en of het overnamerecht ook gegarandeerd is in een faillissementssituatie.

    Met betrekking tot de vraag of een echtgenoot voor het gebruik maken van deze bevoegdheid geld mag lenen van bijvoorbeeld diens familie, verwijs ik naar mijn bevestigende antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD-fractie.

    Voor de vraag of het overnamerecht ook is gegarandeerd in faillissementssituaties verwijs ik graag naar de brief van 11 oktober 2016 van mijn ambtsvoorganger. Daarin is opgemerkt dat de andere echtgenoot/niet-schuldenaar met gebruik van het hem toekomende recht de helft van de waarde van een gemeenschapsgoed met eigen vermogen aan de gemeenschap kan vergoeden, waarna dat goed uit de boedel wordt getild en een privégoed van die echtgenoot wordt. De curator in het faillissement van een in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot zal na inwerkingtreding van het voorgestelde lid 3 van artikel 1:96 BW rekening moeten houden met de positie van de andere echtgenoot/niet-schuldenaar en met diens recht. Ik voeg hier volledigheidshalve aan toe dat dit overnemingsrecht geldt voor zover niet ook gemeenschapsschuldeisers zich op dat goed verhalen. Zoals ik op een vraag van de leden van de VVD-fractie heb geantwoord, heeft het voorgestelde artikel 1:96 lid 3 BW geen beschermende werking bij verhaal van gemeenschapsschuldeisers op goederen van de gemeenschap. Met betrekking tot de verdeling van de uitgewonnen goederen van een failliete echtgenoot bevat de wet ook geen expliciete regel dat eerst de privéschuldeisers van de failliet of juist de gemeenschapsschuldeisers door de curator moeten worden voldaan.

  • 19. De leden van de SP-fractie vragen wat de fiscale gevolgen zijn van het initiatiefwetsvoorstel bij overlijden van de partner voor de langstlevende en hoe dit zich verhoudt tot de fiscale rechtspositie die de langstlevende nu heeft.

    Zoals in de brief van 30 maart 2016 van mijn ambtsvoorganger is toegelicht, zijn aan het initiatiefwetsvoorstel geen nieuwe fiscale gevolgen verbonden.

    De fiscale gevolgen bij het overlijden van de partner voor de langstlevende zijn, net als nu, afhankelijk van het door de echtgenoten gekozen huwelijksgoederenregime. Hierbij is nog van belang op te merken dat het gekozen huwelijksvermogensregime tijdens het huwelijk kan worden aangepast door het opstellen van huwelijkse voorwaarden, evenals dat onder het huidige huwelijksvermogensrecht mogelijk is. Wanneer bijvoorbeeld na de inwerkingtreding van het initiatiefwetsvoorstel echtgenoten trouwen op basis van de standaard beperkte gemeenschap van goederen en tijdens het huwelijk alsnog kiezen voor de algehele gemeenschap van goederen, kan er sprake zijn van een verschuiving van een vermogensbestanddeel van de – op dat moment – rijkere naar de armere echtgenoot. Er is dan echter geen sprake van een belaste schenking, omdat het vermogensbestanddeel het vermogen van de echtgenoot/schenker nog niet definitief heeft verlaten. Kortom, ook na de inwerkingtreding van het initiatiefwetsvoorstel blijven alle mogelijkheden bestaan die nu op grond van het huwelijksvermogensrecht bestaan om de huwelijksgoederengemeenschap (nader) te regelen.

  • 20. De leden van de SP-fractie vragen in essentie naar de overweging van de initiatiefnemers om ook het gezamenlijke voorhuwelijkse vermogen van de echtgenoten in de huwelijksgemeenschap te laten vallen. Deze leden merken op dat prof. mr. Nuytinck in zijn brief van 19 december 2016 aan uw Kamer heeft geschreven dat door de voorhuwelijkse gemeenschap toch in de huwelijksgemeenschap te laten vallen, de initiatiefnemers een onnodige inbreuk maken op hun eigen hoofdregel dat aanbrengsten ten huwelijk privé behoren te blijven. Onder verwijzing naar een artikel van M.C.J.M. Hermus6 schrijft prof. mr. Nuytinck voorts dat dit het wetsvoorstel inconsistent maakt. De leden van de SP-fractie merken verder op dat het in de opvatting van prof. mr. Nuytinck mogelijk is dat de niet-gefailleerde echtgenoot de onverdeelde helft van de voorhuwelijkse eenvoudige gemeenschap terugneemt uit de failliete boedel onder toepassing van het voorgestelde artikel 61 Faillissementswet (Fw) dat de verscherpte bewijsregels hiervoor schrapt. De leden vervolgen daarop dat in de visie van het initiatiefwetsvoorstel de voorhuwelijkse eenvoudige gemeenschap volledig in de nieuwe huwelijksgemeenschap valt en daarmee geheel ten prooi aan de faillissementscrediteuren op grond van artikel 63 Fw, dat in het initiatiefwetsvoorstel niet gewijzigd wordt.

    De hierop door de leden van de SP-fractie gevraagde reactie betrek ik graag bij mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de PvdA-fractie hieronder.

  • 21. Voortbouwend op de vorige vraag, willen de leden van de SP-fractie weten of de initiatiefnemers bereid zijn om de beide nota’s van wijziging (Kamerstukken II, 2015/16, 33 987, nrs. 11 en 18), waarin het gezamenlijke voorhuwelijkse vermogen en de gezamenlijke voorhuwelijkse schulden in de huwelijksgemeenschap vallen, op dit punt ongedaan te maken.

    Dit is ter keuze van de initiatiefnemers. Wel merk ik op dat in de brief van 31 oktober 2016 is aangegeven dat de gemaakte keuzes in de nota’s van wijziging naar het oordeel van de regering de eenvoud van het nieuwe stelsel bevorderen.

  • 22. De leden van de SP-fractie vragen of de echtgenoot van een failliet gevrijwaard moet blijven van (faillissements)verhaal op de helft van de gemeenschapsgoederen indien en voor zover die echtgenoot voor het ontstaan van de gemeenschapsschulden niet verantwoordelijk is.

    Ingevolge artikel 1:96 lid 1 BW kunnen voor een schuld van een echtgenoot, ongeacht of deze in de gemeenschap is gevallen, zowel de goederen van de gemeenschap als eigen goederen van die echtgenoot worden uitgewonnen. Op de goederen van de gemeenschap kunnen dus zowel de privéschuldeisers van ieder van de echtgenoten verhaal zoeken als de gemeenschapsschuldeisers. Voor zover door een gemeenschapsschuldeiser verhaal wordt gezocht op een goed dat in de gemeenschap is gevallen, heeft het voorgestelde derde lid van artikel 1:96 geen beschermende werking. Ik verwijs voor een nadere toelichting naar mijn reactie op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD-fractie.

    Ook met betrekking tot de opmerking van de leden van de SP-fractie dat de initiatiefnemers en de regering een andere uitleg lijken te hebben gegeven aan de werking van het voorgestelde artikel 1:96 lid 3 BW in geval van faillissement, verwijs ik graag naar hetgeen ik daarover heb opgemerkt naar aanleiding van een soortgelijke vraag van de leden van de VVD-fractie.

  • 23. De leden van de SP-fractie vragen om een reactie op de suggestie van prof. mr. Nuytinck om de wet zo aan te passen dat het faillissement van een in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot van rechtswege tot ontbinding van de huwelijksgemeenschap leidt.

    Ook deze vraag beantwoord ik graag tezamen met een soortgelijke vraag van de leden van de PvdA-fractie hieronder.

  • 24. De leden van de SP-fractie vragen ten slotte waarom het voorgestelde artikel 1:96 lid 3 BW – evenals artikel 61 Fw – niet voor alle huwelijken gaat gelden, maar alleen van toepassing wordt op huwelijken die na de inwerkingtreding van het initiatiefwetsvoorstel worden gesloten.

    De initiatiefnemers hebben bij de eerste nota van wijziging ervoor gekozen het overgangsrecht ter zake van artikel 1:96 lid 3 BW te laten aansluiten bij de hoofdregel van het initiatiefwetsvoorstel (eerbiedigende werking voor bestaande huwelijken). Het voorgestelde artikel 1:96 lid 3 BW betreft een nieuwe regeling over het verhaal van schulden die zozeer samenhangt met de voorgestelde, beperkte gemeenschap dat deze keuze begrijpelijk is. Ook vanuit het oogpunt van rechtszekerheid voor (privé)schuldeisers valt deze keuze te billijken.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

Het voorstel om de voorhuwelijkse eenvoudige gemeenschap in de wettelijke huwelijksgemeenschap te laten vallen

Onder verwijzing naar de brief van 11 oktober 2016 van mijn ambtsvoorganger merken de leden van de PvdA-fractie op dat het systeem van de Faillissementswet onverlet laat dat door de bij nota van wijziging aangebrachte wijziging in het initiatiefwetsvoorstel de nadelige, materiële gevolgen van het faillissement van een in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot ook gaan gelden voor de voorhuwelijkse eenvoudige gemeenschap. Deze leden verwijzen voorts naar de brief van prof. mr. Nuytinck van 19 december 2016 waarin onder meer wordt opgemerkt dat met het laten vallen van de voorhuwelijkse eenvoudige gemeenschap in de nieuwe huwelijksgemeenschap een onnodige inbreuk wordt gemaakt op de hoofdregel van de initiatiefnemers dat aanbrengsten ten huwelijk privé behoren te blijven. Volgens de aan het woord zijnde leden betreft het in geval van een faillissement van een van de echtgenoten ook een nadelige inbreuk op het uitgangspunt van het initiatiefwetsvoorstel.

De leden van de PvdA-fractie vragen om een reactie. Die geef ik hieronder tezamen met mijn antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie onder punt 20.

Met betrekking tot het laten opgaan van het gezamenlijke voorhuwelijkse vermogen in de huwelijksgemeenschap ingevolge de nota van wijziging, is in de brief van 31 oktober 2016 opgemerkt dat deze wijziging bijdraagt aan de eenvoud van het nieuwe stelsel. Naast de vanaf de aanvang van het huwelijk ontstane gemeenschap van goederen bestaat niet langer een eenvoudige gemeenschap van mede-eigendom tussen de echtgenoten waarvan de aandelen ieder in het eigen privévermogen van de echtgenoten vallen. Daarmee zullen op de verschillende aan de echtgenoten gezamenlijk toebehorende goederen ook niet langer twee afzonderlijke wettelijke regimes van toepassing zijn (vgl. artikel 3:189 BW).

Zoals in de brief van 31 oktober 2016 ook is opgemerkt, heeft de bij nota van wijziging gekozen aanpassing tot gevolg dat het gemeenschapsvermogen potentieel meer goederen omvat die onder het toepassingsbereik van artikel 63 Fw vallen. Hoewel in dit opzicht aan de keuze van de initiatiefnemers een nadelig gevolg kleeft voor de echtgenoot van de failliet, blijft de eenvoud van het nieuwe stelsel hiermee gediend. Een echtgenoot zal als gevolg van het faillissement van de andere echtgenoot overigens altijd nadelige gevolgen ondervinden ten aanzien van de goederen die de echtgenoten gezamenlijk toebehoren, of deze nu vallen in een eenvoudige gemeenschap dan wel in de huwelijksgemeenschap. Ook een in eenvoudige gemeenschap van mede-eigendom toebehorende woning kan immers niet voor de helft door de andere echtgenoot worden teruggehaald op grond van het in het initiatiefwetsvoorstel versoepelde artikel 61 Fw. Voor gemeenschapsschuldeisers geldt overigens dat deze zich ook kunnen verhalen op het privévermogen van de andere echtgenoot.

Ook vragen de leden van de PvdA-fractie om in te gaan op de suggestie van prof. mr. Nuytinck om – in de geest van de door de Tweede Kamer aangenomen motie Van Nispen – artikel 1:99 lid 1 BW zodanig te wijzigen dat het faillissement van een echtgenoot een grond wordt voor ontbinding van de huwelijksgemeenschap, teneinde de niet-gefailleerde echtgenoot verder te beschermen dan alleen maar door middel van wijziging van artikel 61 Fw.

Deze vraag beantwoord ik tezamen met vraag 23 van de leden van de SP-fractie.

In de brief van 11 oktober 2016 aan de Tweede Kamer – naar aanleiding van de motie Van Nispen – is niet gekozen voor een automatische ontbinding van de huwelijksgemeenschap op het tijdstip van faillietverklaring van een van de echtgenoten.

De faillietverklaring van een echtgenoot is het gevolg van betalingsonmacht van deze echtgenoot jegens derden en kan niet als neveneffect hebben dat de huwelijksgemeenschap van echtgenoten van rechtswege wordt ontbonden. Wanneer het aanvragen van een faillissement van een in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot zou leiden tot wijziging van het tussen echtgenoten gekozen huwelijksgoederenregime, ontstaat vervolgens rechtsonzekerheid met betrekking tot de vraag welk regime daarvoor in de plaats komt of van toepassing wordt na het einde van het faillissement. De suggestie om de wet aan te passen ter verdere bescherming van de echtgenoot/niet-schuldenaar tegen het verhaal van privéschuldeisers van de andere echtgenoot, gaat er voorts aan voorbij dat de aanvragers van het faillissement ook alleen uit gemeenschapsschuldeisers kunnen bestaan. Automatische ontbinding van de huwelijksgemeenschap als gevolg van het faillissement biedt in dat geval niet de beoogde bescherming aan de andere echtgenoot.7 Ook leidt de ontbinding van de huwelijksgemeenschap na een faillissement van een van de echtgenoten ertoe dat de huwelijksgemeenschap moet worden verdeeld. Het van rechtswege samenvallen van de afwikkeling van het faillissement door de curator en de verdeling van de huwelijksgemeenschap tussen de echtgenoten kan tot complexe vraagstukken aanleiding geven.

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok


X Noot
1

Kamerstukken I, 2016/17, 33 987, B, p. 12.

X Noot
2

Kamerstukken I, 2016/17, 33 987, D, p. 5.

X Noot
3

R. Stam, «De eigenwoningregeling onder het nieuwe huwelijksvermogensrecht», VFP 2016/9.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2015/16, 33 987, nr. 13.

X Noot
5

Kamerstukken II, 2016/17, 34 552, nr. 38, p. 19.

X Noot
6

M.C.J.M. Hermus, Voortgang wetsvoorstel 33987 inzake beperking gemeenschap en wijziging van de Faillissementswet, EB 2017/3.

X Noot
7

Echtgenoten kunnen ook gezamenlijk in staat van faillissement worden verklaard.