33 951 Herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Reparatiewet BZK 2014)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit wetsvoorstel strekt tot het herstel van wetstechnische gebreken en leemten in een aantal wetten op het terrein van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Wonen en Rijksdienst en op enkele aanverwante terreinen. Die gebreken betreffen in de eerste plaats puur wetstechnische fouten, zoals verschrijvingen, onjuiste verwijzingen, wetswijzigingen waarbij een foutief artikel- of lidnummer werd genoemd, e.d. In de tweede plaats kan het gaan om technische inconsequenties. In de derde plaats worden de Woningwet en de Invoeringswet ruimtelijke ordening gewijzigd. Dit zijn geen puur technische wijzigingen, maar beleidsarme inhoudelijke wijzigingen. In de toelichting bij de Invoeringswet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180) is deze wijziging reeds aangekondigd. Na meerdere gestrande pogingen worden de wijzigingen met de reparatiewet uiteindelijk doorgevoerd.

Hoewel de voorgestelde wijzigingen naar hun aard nauwelijks toelichting behoeven, is ervoor gekozen om bij elke voorgestelde wijziging een korte artikelsgewijze toelichting te geven, teneinde elk misverstand omtrent het karakter en de inhoud van de desbetreffende wijziging uit te sluiten.

Artikelsgewijze toelichting

ARTIKEL I

Deze wijziging is een gevolg van de vernummering van een aantal leden in artikel 15 van de Leegstandwet.

ARTIKEL II

Dit betreft een taalkundige verbetering.

ARTIKEL III

Artikel 7: 252b, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat indien de huurder een verzoek tot huurverlaging als bedoeld in het eerste lid van dat artikel doet, hij gegevens verstrekt met betrekking tot de betrokken huishoudinkomens. Bij regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst wordt bepaald welke gegevens de huurder verstrekt. In artikel 13 van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte is vervolgens bepaald welke gegevens de huurder in dat geval moet verstrekken. Abusievelijk is verzuimd voormelde delegatiegrondslag ook op te nemen ten aanzien de mogelijkheid van de huurder tot het maken van bezwaar tegen een voorstel tot huurverhoging van de verhuurder als bedoeld in artikel 7: 252a, eerste lid, van het BW en waarbij hij zich beroept op een van de gevallen, bedoeld in het zesde lid van dat artikel, en het verzoek van de huurder, bedoeld in artikel 7:253, tweede lid, van het BW (de zogenoemde rappelprocedure). Met de voorgestelde wijzigingen in artikel 7: 253, eerste en tweede lid, van het BW wordt hierin voorzien. Voorts zijn nog enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd.

ARTIKEL IV

Deze aanpassing houdt verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen, zoals geregeld in de wet van 7 februari 2013 (Stb. 2013, 76). Indien die wet reeds in werking is getreden, werkt de aanpassing op grond van de inwerkingtredingsbepaling terug tot het tijdstip waarop de deelgemeenten zijn afgeschaft.

ARTIKEL V

Met deze wijziging komt het artikel in de Invoeringswet ruimtelijke ordening te vervallen dat oorspronkelijk bedoeld was om het laten vervallen van de grondslag om voorschriften van stedenbouwkundige aard in bouwverordeningen op te nemen en het daarmee samenhangende overgangsrecht te regelen. De Invoeringswet ruimtelijke ordening zag echter niet op alle bepalingen van de Woningwet die gerelateerd zijn aan stedenbouwkundige voorschriften en omvatte een te beperkt overgangsrecht. Dit artikel is nooit in werking getreden en kan met het oog op de in deze wet opgenomen wijzigingen en overgangsrecht komen te vervallen.

ARTIKEL VI

Onderdeel A

Dit betreft een taalkundige verbetering.

Onderdeel B

Deze wijziging betreft de codificatie van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, te weten ABRvS 4 oktober 2006, 200606648/1 (Partij van de Waarheid), ABRvS 5 oktober 2006 200606619/1 (VPP-MONGO) en ABRvS 5 oktober 2006, 200606719/1 (Vereniging Islam Democraten). De Afdeling heeft overwogen dat het zich niet met het strikte stelsel van de Kieswet verdraagt, dat een politieke groepering de gelegenheid zou worden geboden een verzoek om registratie aan te vullen tot een tijdstip dat later is gelegen dan de in die Kieswet opgenomen tweeënveertigste dag voor de kandidaatstelling. Gelet op deze strikte procedureregeling dient de in artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting dat het bestuursorgaan de aanvrager de gelegenheid moet geven binnen een door hem gestelde termijn een onvolledige aanvraag aan te vullen, in zo’n geval buiten toepassing blijven voor de daaropvolgende verkiezing.

Onderdeel C

Met deze aanpassing wordt verduidelijkt dat een kandidatenlijst moet worden ingeleverd door een persoon die bevoegd is om deel te nemen aan de desbetreffende verkiezing.

Onderdeel D

De Kieswet regelt dat als de politieke groepering bij de vorige verkiezing een of meer zetels heeft behaald, deze voor de daaropvolgende verkiezing geen ondersteuningsverklaringen hoeft in te leveren en geen waarborgsom hoeft te betalen, en dat deze voorrang heeft bij de nummering van de kandidatenlijsten. Deze voordelen gelden (onder bepaalde voorwaarden) ook als groeperingen gezamenlijk aan een verkiezing deelnemen, ofwel door één (gezamenlijke) lijst met een samengevoegde aanduiding in te leveren, ofwel door te fuseren.

Op grond van de Kieswet gelden deze voordelen echter niet als partijen bij de vorige verkiezing samenwerkten, door met één lijst onder een samengevoegde aanduiding aan de verkiezing deel te nemen, en bij de daaropvolgende verkiezing hun samenwerking intensiveren door te fuseren en derhalve met een nieuwe aanduiding aan deze verkiezing deel te nemen. Hiervoor bestaat geen reden en dit past ook niet in het streven om de samenwerking tussen politieke groeperingen te stimuleren. Dit onderdeel herstelt deze omissie. Voorwaarde is wel dat de gezamenlijke lijst van de samenwerkende politieke groeperingen bij de vorige verkiezing ten minste één zetel haalde, zodat daarmee het draagvlak voor deze lijst is aangetoond.

Onderdelen E

Dit betreft een taalkundige verbetering.

Onderdeel F

De redactie van artikel I 6, eerste lid, onderdeel b, wordt verbeterd. Overeenkomstig de bepaling van artikel H 9 blijkt nu duidelijker dat een kandidaat slechts één instemmingsverklaring hoeft in te leveren als hij zich kandidaat stelt op een lijst die voor meer dan één kieskring is ingeleverd.

Onderdeel G

Er wordt niet verwezen naar een artikellid, maar naar een artikel als geheel. Het woord «lid» wordt daarom uit de bepaling verwijderd.

Onderdeel H

Indien een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State strekt tot geldigverklaring van een kandidatenlijst (een kandidatenlijst die door het centraal stembureau ongeldig was verklaard) wordt deze kandidatenlijst op grond van artikel I 16, tweede lid, door de Afdeling genummerd. Dit lid houdt er echter geen rekening mee dat het centraal stembureau slechts in één of enkele kieskringen een lijst ongeldig kan hebben verklaard, terwijl het de lijst voor een aantal andere kieskringen wel geldig heeft verklaard. In dat geval heeft de lijst al een nummer gekregen van het centraal stembureau en is het onwenselijk als de Afdeling de lijst een nieuw nummer geeft voor die andere kieskringen. Dan zou de lijst in verschillende kieskringen een verschillend nummer hebben. Voorgestelde aanpassing voorkomt dit.

Onderdeel I

In artikel I 17 van de Kieswet is geregeld dat bij de verkiezingen van provinciale staten en de gemeenteraden de kandidatenlijsten die onherroepelijk geldig zijn verklaard, ter inzage worden gelegd. Tegelijkertijd schrijft artikel I 19 van de Kieswet voor dat de kandidatenlijsten moeten worden vernietigd. Het conflict tussen deze normen wordt opgelost door te regelen dat de kandidatenlijsten op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar worden gemaakt, in plaats van dat ze ter inzage worden gelegd. De origineel ingeleverde kandidatenlijsten na de openbaarmaking op internet, kunnen dan worden vernietigd, zoals is voorgeschreven in artikel I 19 van de Kieswet.

Onderdeel J

In artikel J 8, vijfde lid, is geregeld dat in bepaalde gevallen geen vervangende stempas wordt verstrekt. Bijvoorbeeld als de kiezer van de gemeente een kiezerspas heeft ontvangen. Het doel daarvan is te voorkomen dat de kiezer dubbel zou kunnen stemmen.

Strikt genomen volgt uit dit lid dat ook geen vervangende stempas wordt verstrekt, als de kiezer al eerder een vervangende stempas heeft ontvangen. Dit resultaat zou onwenselijk zijn, omdat het buiten de schuld van de kiezer kan liggen dat hij geen vervangende stempas heeft, bijvoorbeeld vanwege een verkeerde postbezorging. Het is bovendien niet bezwaarlijk een tweede vervangende stempas toe te sturen, omdat het volgnummer van de eerste vervangende stempas dan in het register ongeldige stempassen wordt opgenomen. Het risico op dubbel stemmen is daarmee uitgesloten.

Deze omissie wordt daarom hersteld in dit artikel.

Onderdeel K

Dit betreft een taalkundige verbetering.

Onderdeel L

In dit artikel is geregeld dat stembiljetten worden voorzien van de handtekening van de voorzitter van het hoofdstembureau. Dit ligt niet meer voor de hand nu de kandidatenlijsten voortaan bij het centraal stembureau worden ingeleverd en vastgesteld en het op grond van artikel J 21 een verantwoordelijkheid is van de burgemeester om de kandidatenlijsten in gereedheid te brengen. De handtekening van de voorzitter van het centraal stembureau kan hiervoor in de plaats komen.

Onderdelen M en N

Dit betreft een taalkundige verbetering.

Onderdeel O

Per 1 december 2013 komt artikel N 4 van de Kieswet te vervallen. Artikel N 16, tweede lid, verwijst echter nog naar dit artikel. Deze verwijzing moet worden gewijzigd naar artikel N 5.

Onderdelen P en Q

De Kieswet gaat er nog vanuit dat beroep tegen de goedkeuring van geloofsbrieven mogelijk is, doordat in het huidige artikel X 6 staat dat de goedkeuring «onherroepelijk moet zijn». Beroep hiertegen is echter sinds 2002 niet meer mogelijk (Stb. 2001, 705). De term onherroepelijk kan daarom vervallen.

Onderdeel R

Dit betreft een taalkundige verbetering.

Onderdeel S

Uit de Kieswet volgt niet dat het proces-verbaal van de verkiezing van het Europees Parlement moet worden gezonden naar de Tweede Kamer. Deze omissie is hersteld.

Onderdeel T

Dit betreft een wijziging van terminologie in verband met het Verdrag van Lissabon uit 2007.

ARTIKEL VII

Als gevolg van een aantal amendementen bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Leegstandwet in verband met de verruiming van de mogelijkheden voor tijdelijke verhuur bij leegstand van gebouwen en woningen (Kamerstukken 33 436), zijn er enkele technische onvolkomenheden in de Leegstandwet geslopen, die hersteld moeten worden. Daarnaast wordt een aantal leden herschikt zodat de structuur van het artikel wordt verbeterd, hetgeen de leesbaarheid ten goede komt.

De wijziging in het eerste lid is noodzakelijk omdat in het amendement van het Kamerlid Monasch1 een nieuwe voorwaarde is opgenomen bij het verlenen van een vergunning voor te koop staande woningen in artikel 15, derde lid, onderdeel e, van de Leegstandwet, maar abusievelijk verzuimd is deze voorwaarde op te nemen als weigeringsgrond in het vierde lid van dat artikel. Zonder deze wijziging zou hetgeen het amendement beoogt niet worden bereikt.

De tweede wijziging hangt samen met de herstructurering van de leden. De wijzigingen in het tweede tot en met zesde lid en het achtste lid, zijn wenselijk omdat er door de amendementen twee leden zijn ingevoegd met een ongebruikelijke nummering, namelijk lid 4a en lid 5a. Dit wordt hersteld door die leden te hernummeren. Daarnaast worden de huidige leden 4a, 5 en 5a geherstructureerd, vanwege overlappingen in de tekst van de leden. De overige wijzigingen zijn een gevolg van deze vernummering en herstructurering. Inhoudelijk vindt er geen enkele wijziging plaats.

De derde wijziging betreft een wijziging van het huidige zesde lid (negende lid (nieuw)) van artikel 15. Aangezien een vergunning voor een te koop staande koopwoning niet verlengd kan worden, is de verwijzing naar onderdeel e van het derde lid zinledig en deze verwijzing wordt daarom in het negende lid (nieuw) geschrapt.

De vierde wijziging is een gevolg van het feit dat in de ingediende en aangenomen amendementen2 geen rekening is gehouden met het feit dat de vergunningen van rechtswege worden verleend bij niet-tijdig beslissen. Het negende en tiende lid zien op een wijziging van het huidige tiende en elfde lid van artikel 15. Door de voorgestelde wijziging wordt deze tekortkoming hersteld en worden de termijnen bij de van rechtswege verleende vergunning gelijk getrokken met de termijnen zoals die in het zesde tot en met achtste lid (nieuw) zijn bepaald.

De vijfde wijziging betreft twee correcties in het huidige twaalfde lid van de Leegstandwet. Bij amendement3 is dit lid gewijzigd, waardoor de vergunning kan worden ingetrokken bij het verstrekken van onjuiste gegevens bij de aanvraag. Uiteraard kan het verstrekken van onjuiste gegevens bij een verzoek tot verlenging ook leiden tot een intrekking. Daartoe wordt het onderdeel a van dit lid gewijzigd. De wijziging in onderdeel b betreft enerzijds de wijziging van de verwijzing en anderzijds behoort de overeenkomstige toepassingverklaring van artikel 4:20f, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, alleen betrekking te hebben op dit onderdeel en niet op het hele lid. Deze correcties vinden plaats in het elfde lid.

ARTIKEL VIII

Onderdeel A

De inkomensgrenzen, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, en artikel 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte worden jaarlijks op de wijze aangepast zoals is bepaald in artikel 10, tweede lid, van die wet. Daarbij is abusievelijk verzuimd te regelen dat deze aanpassing geschiedt bij ministeriële regeling. Deze omissie is met de voorgestelde wijziging hersteld. Voorts zijn nog enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd.

Onderdeel B

Met de wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van inkomen) (Stb. 89) is een nieuw hoofdstuk IIIa. Bescherming van persoonsgegevens en een nieuw artikel 19a in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte opgenomen. Daarbij is over het hoofd gezien dat er reeds een artikel 19a (in hoofdstuk III. Toetsingscriteria en uitspraken huurcommissie) bestaat. Met het wijzigen van het opschrift van het laatstelijk ingevoegde artikel 19a in artikel 19b wordt deze omissie rechtgezet.

ARTIKEL IX

Na de inwerkingtreding van deze wet berust de Regeling inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2014 op artikel 10, tweede lid, derde volzin, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, daar waar in eerste instantie de grondslag was gelegen in hoofdstuk 3 van het Besluit vermindering verhuurderheffing 2014. Daarmee kan vervolgens dat hoofdstuk komen te vervallen.

ARTIKEL X

De Wet aanpassing waterschapsverkiezingen past de leden in artikel E 11 van de Kieswet aan. Als gevolg daarvan moet de vermelding van artikel E 11 van de Kieswet in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de Tijdelijke experimentenwet stembiljetten en centrale stemopneming ook worden aangepast.

ARTIKEL XI

Dit betreft een wijziging van terminologie in verband met het Verdrag van Lissabon.

ARTIKEL XII

De Wet aanpassing waterschapsverkiezingen regelt dat in artikel 174 van de Waterschapswet wordt bepaald dat de huidige waterschapsbesturen aftreden met ingang van vrijdag 27 maart 2015. Dit moet echter donderdag 26 maart 2015 zijn, omdat op grond van de Kieswet de nieuwgekozen leden dan aantreden. Teneinde te voorkomen dat op 26 maart 2015 de oude leden nog niet zijn afgetreden, terwijl de nieuwbenoemde leden reeds zijn opgetreden, wordt bepaald dat de oude leden met ingang van donderdag 26 maart 2015 aftreden.

ARTIKEL XIII

Onderdeel A

Dit betreft een verwijzing die door eerdere wetswijzigingen niet meer klopt. Met deze wijziging wordt de juiste verwijzing in het artikel opgenomen.

Onderdeel B

Dit betreft een taalkundige verbetering.

ARTIKEL XIV

Onderdelen A en B

In de artikelen 2.3 en 2.18 van de Wet basisregistratie personen is met het begrip «moeder» altijd bedoeld de moeder uit wie het kind is geboren. Om eventuele misverstanden te voorkomen als gevolg van het feit dat een kind sinds de inwerkingtreding van de Wet van 25 november 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Stb. 2013, 480)4 op het moment van de geboorte twee moeders kan hebben, wordt dat nu verduidelijkt.

Onderdelen C tot en met H

De onderdelen C tot en met H beogen enkele taalkundige onvolkomenheden in de Wet basisregistratie personen te herstellen.

Onderdeel I

In onderdeel H worden aan de verwijzing naar het Besluit bevolkingsboekhouding in artikel 4.7, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen het bedoelde artikel en lid toegevoegd. Deze werden ook aangeduid in artikel 142 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, de voorloper van artikel 4.7 van de Wet basisregistratie personen.

ARTIKEL XV

Dit betreft een wijziging van terminologie in verband met het Verdrag van Lissabon.

ARTIKEL XVI

Onderdelen A tot en met D

In de Wet financiering politieke partijen zijn de subsidiebedragen in de wet vastgelegd. Deze bedragen worden jaarlijks met ingang van 1 januari bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de voor de rijksbegroting gehanteerde loon- en prijsbijstelling. Daarnaast vindt op grond van artikel 43 van de Wet financiering politieke partijen (en diens voorloper, artikel 6a van de Wet subsidiëring politieke partijen) sinds 2010 ieder jaar een nadere korting plaats.

De bedragen die nu in artikel 8 staan zijn de bedragen voor 2010. Deze bedragen zijn bij de totstandkoming van de Wet financiering politieke partijen abusievelijk niet aangepast aan het niveau voor 2013 en 2014. Dat gebeurt met de voorgestelde wijzigingen alsnog. Daarnaast is er omwille van de duidelijkheid over de berekening van de subsidiebedragen voor gekozen om ook de bedragen voor de jaren 2011 en 2012 in de wet op te nemen.

Voor het kalenderjaar 2011 zijn de bedragen uit de tweede kolom van onderstaande tabel opgenomen. Dit zijn de bedragen inclusief de korting voor 2010 (5,11%) en de indexering voor 2011 (1,7075%).

Voor het kalenderjaar 2012 zijn deze bedragen vervolgens verlaagd met de korting voor het jaar 2011 (1,39%) en verhoogd met de indexering voor 2012 (1,4105%) (zie de vijfde kolom van onderstaande tabel).

Voor 2013 is op de bedragen voor 2012 eerst de korting voor dat jaar doorgevoerd (1,5%) (zesde kolom) en zijn de uitkomsten daarvan geïndexeerd met het percentage voor 2013 (0,1945%) (zevende en achtste kolom).

Tot slot is op deze laatste bedragen de korting voor 2013 doorgevoerd (1,5%) (negende kolom). De uitkomsten daarvan vormen de basisbedragen voor 2014.

Overzicht bedragen:

Onderdeel E

Deze aanpassing houdt verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen, zoals geregeld in de wet van 7 februari 2013 (Stb. 2013, 76). Indien die wet reeds in werking is getreden, werkt de aanpassing op grond van [de inwerkingtredingsbepaling] terug tot het tijdstip waarop de deelgemeenten zijn afgeschaft.

Onderdeel F

Bij de totstandkoming van de Wet financiering politieke partijen is via een nota van wijziging (Kamerstukken II 2011/12, 32 752, nr. 9), onder vernummering van twee reeds bestaande leden, een lid in artikel 8 (destijds artikel 7) ingevoegd. Daarbij is de verwijzing in artikel 43 naar artikel 8, vierde lid, abusievelijk niet aangepast. Met de voorgestelde wijziging gebeurt dit alsnog.

ARTIKEL XVII

Dit betreft een precisering van de huidige verwijzing in artikel 40, tweede lid, onder d, van de Wet op de parlementaire enquête naar het tweede hoofdstuk van de Wet Bescherming Persoonsgegevens. In de huidige bepaling wordt verwezen naar heel hoofdstuk 2, dat gaat over het verwerken van gegevens in het algemeen. Het gaat hier echter alleen om het verwerken van bijzondere gegevens. Hierover gaat de tweede paragraaf van dit hoofdstuk. Met de toevoeging van «paragraaf 2» wordt voortaan alleen naar de relevante artikelen verwezen.

ARTIKEL XVIII

Dit betreft het herstel van een foutieve verwijzing.

ARTIKEL XIX

Dit betreft een taalkundige verbetering.

ARTIKEL XXI

Bij het voorstel van wet tot aanpassing van de reikwijdte en enige technische wijzigingen van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Aanpassingswet WNT) (Kamerstukken II, 33 715) is aan artikel 1.1 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (hierna: WNT) een nieuwe definitie van «Onze Minister wie het aangaat» toegevoegd. Deze toevoeging is aangeduid met de letter «n», omdat aanvankelijk een onderdeel g zou worden geschrapt en de onderdelen h tot en met n opnieuw geletterd zouden worden. Het oude onderdeel n zou dan onderdeel m worden. Later is besloten dat op de plaats van het oude onderdeel g een nieuw onderdeel zou worden ingevoegd, waardoor het bestaande onderdeel n niet meer als onderdeel m wordt geletterd. De aanduiding van het nieuwe onderdeel n is echter niet meer aangepast, zodat er na inwerkingtreding van de Aanpassinsgwet WNT in artikel 1.1 van de WNT twee onderdelen n staan. Dit wordt in de artikelen I en II gerepareerd, waarbij artikel I ziet op de situatie dat de Aanpassingwet WNT later in werking treedt dan deze reparatiewet en artikel II, waarin de WNT zelf wordt gewijzigd, ziet op de situatie dat de Aanpassingswet WNT al in werking is getreden op het tijdstip dat deze reparatiewet in werking treedt.

ARTIKEL XXII

Dit betreft het herstel van een foutieve verwijzing.

ARTIKELEN XX en XXIII

Met deze wijzigingen worden de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gewijzigd. Daarmee vervalt de grondslag om in gemeentelijke bouwverordeningen stedenbouwkundige bepalingen op te nemen.

Met de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180)) werd aanvankelijk deze mogelijkheid reeds geschrapt. Uiteindelijk is hiervan afgezien, mede omdat bij veel gemeenten vragen rezen over de wijze waarop het parkeren in het bestemmingsplan zou kunnen worden geregeld. Het was de vraag of de flexibele wijze waarop de regeling in de bouwverordening over parkeren was vormgegeven, ook mogelijk is in een bestemmingsplan. Met het expliciet regelen in het Bro wordt voor de praktijk de gevraagde zekerheid geboden.5 Hiermee wordt de in de praktijk gevraagde zekerheid geboden dat ook voor een regeling met betrekking tot het parkeren het opnemen van dergelijke bepalingen in het bestemmingsplan geoorloofd kan zijn. Daarmee zijn de ervaren belemmeringen tegen het opheffen van de mogelijkheid stedenbouwkundige bepalingen op te nemen in de bouwverordening nadrukkelijk weggenomen en kan de grondslag daartoe in de Woningwet alsnog vervallen. Het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB) en de Vereniging Nederlandse gemeenten hebben aangegeven dat zij het een goede zaak vinden dat deze wijziging kan plaatsvinden. Naar aanleiding van hun commentaren is de overgangstermijn vastgesteld op 1 juli 2018.

Met de in onderdeel C van artikel XXII vervatte wijziging komt de wettelijke grondslag voor het kunnen vaststellen van voorschriften van stedenbouwkundige aard in de gemeentelijke bouwverordening in artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet te vervallen. In het verlengde daarvan komen tevens de artikelen 9 en 10 te vervallen. De voorschriften van artikel 9 kunnen vervallen omdat zij de samenloop tussen bestemmingsplanvoorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening betreffen en die samenloop zich door deze wetswijziging niet meer kan voordoen. De voorschriften waaraan in artikel 10 wordt gerefereerd betreffen uitsluitend voorschriften van stedenbouwkundige aard.

De overige onderdelen bevatten technische wijzigingen, het aanpassen van verwijzingen naar leden van artikel 8 en het schrappen van de bewoordingen «stedenbouwkundige voorschriften».

Artikel 11, eerste lid wordt eveneens aangepast. Bij een in de bouwverordening gegeven voorschrift kan sinds 1 april 2012 niet langer worden bepaald dat daarvan kan worden afgeweken bij omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omdat die vergunning vanaf dat moment is vervallen en daar een melding voor in de plaats is gekomen.

Artikel XXIII, onderdeel H, bevat overgangsrecht voor de wijzigingen van de Woningwet. Er is gekozen voor een overgangstermijn van bijna 5 jaar. Het ligt in de verwachting dat gemeenten binnen die periode hun huidige uitvoering op het gebied van stedenbouwkundige voorschriften en bestemmingsplannen kunnen aanpassen aan de nieuwe situatie.

Tot de inwerkingtreding van deze wet is het denkbaar dat een gemeente gebruik maakt van zowel een bestemmingsplan als van stedenbouwkundige voorschriften op grond van de Woningwet. Op die situatie blijft het oude recht van toepassing zo lang voor het betreffende deel van de gemeenten vóór de inwerkingtreding van deze wetswijziging geen bestemmingsplan is vastgesteld of, indien wel een bestemmingsplan is vastgesteld, geen wijziging daarvan is vastgesteld. Echter, indien na inwerkingtreding van deze wetswijziging en voor 1 juli 2018 een bestemmingsplan of een wijziging daarvan wordt vastgesteld, dan is het oude recht niet langer van toepassing. Bij het vaststellen of wijzigen van het bestemmingsplan moeten stedenbouwkundige voorschriften, indien wenselijk is dat die opgenomen worden, in dat bestemmingsplan of gewijzigde bestemmingsplan worden gesteld. Het derde lid bevat de op het terrein van de bouwregelgeving gebruikelijke bepaling dat het oude recht van toepassing blijft op aanvragen (inclusief een eventueel bezwaar of beroep daartegen) om omgevingsvergunning voor het bouwen die vóór de inwerkingtreding van de betreffende wetswijziging zijn ingediend. Dat betekent in dit geval dat het bouwen waarop een vóór de inwerkingtreding van de onderhavige wet ingediende aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, dient te voldoen aan de stedenbouwkundige voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening voor zover de bouwverordening dergelijke voorschriften bevat alsmede dat de in de artikelen 9 en 12, derde lid, opgenomen regelingen voor de eventuele samenloop tussen bestemmingsplanvoorschriften, welstandscriteria en de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening dan op dat bouwen van toepassing zijn. Daarnaast betekent het dat ook artikel 7b, eerste lid, van toepassing blijft op het bouwen in strijd met stedenbouwkundige voorschriften bij omgevingsvergunningen waarvan de aanvraag voor de inwerkingtreding is ingediend.

Het vierde lid bevat de bepaling dat op een aanvraag (inclusief een eventueel bezwaar of beroep daartegen) om een omgevingsvergunning voor het bouwen, ingediend op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet tot 1 juli 2018, waarbij het bouwen plaatsvindt in een gebied waar op het tijdstip van het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning geen bestemmingsplan van toepassing is, eveneens het oude recht van toepassing is. Het oude recht is dus niet langer van toepassing als tussen de inwerkingtreding van deze wet en 1 juli 2018 een bestemmingsplan wordt vastgesteld en de aanvraag op of na de datum van het van toepassing worden van het nieuwe bestemmingsplan wordt ingediend. Op dat moment geldt ten aanzien van die aanvraag dus het nieuwe recht.

In artikel V en XX komen de artikelen te vervallen die oorspronkelijk bedoeld waren om het laten vervallen van de grondslag om voorschriften van stedenbouwkundige aard in bouwverordeningen op te nemen en het daarmee samenhangende overgangsrecht te regelen. Deze zagen niet op alle bepalingen van de Woningwet die gerelateerd zijn aan stedenbouwkundige voorschriften en omvatten een te beperkt overgangsrecht. Deze eerdere artikelen zijn nooit in werking getreden en kunnen met het oog op de in deze wet opgenomen wijzigingen en overgangsrecht komen te vervallen.

ARTIKEL XXIV

1 en 2

Zie hiervoor de toelichting bij de artikelen IV en XVI, onderdeel E.

3

Op 16 maart 2013 zijn de wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van inkomen) en de wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens) in werking getreden. Nu de thans voorgestelde wijzigingen betrekking hebben op die wetten, wordt voorgesteld deze wijzigingen te laten terugwerken tot en met het tijdstip waarop die wetten in werking zijn getreden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok


X Noot
1

Kamerstukken II 2012/13, 33 436, nr. 34.

X Noot
2

Kamerstukken II 2012/13, 33 436, nr. 31 en 22.

X Noot
3

Kamerstukken II 2012/13, 33 436, nr. 34.

X Noot
4

NB: In de tekst wordt ervan uitgegaan dat de Wet van 25 november 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Stb. 2013, 480) reeds in werking is getreden.

X Noot
5

Deze wijziging van het Bro is onderdeel van ontwerp van het Besluit tot wijziging van het besluit omgevingsrecht en diverse andere algemene maatregelen van bestuur in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht dat op 31 oktober 2013 is aangeboden aan de Eerste en Tweede Kamer.

Naar boven