Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433752 nr. 6

33 752 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014)

Nr. 6 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 september 2013

1. Inleiding

In overleg met uw Kamer heb ik de toezegging gedaan om een eind te maken aan de ook voor mij onwenselijk situatie dat voor auto’s met een buitenlands kenteken, die feitelijk ter beschikking staan aan een Nederlands ingezetene, geen Motorrijtuigenbelasting (MRB) wordt betaald1. Dit is niet alleen onwenselijk vanuit het oogpunt van gemiste belastingopbrengsten, maar ook vanuit het oogpunt van gelijke behandeling en de belastingmoraal. Deze vorm van fraude zal daarom ook stevig worden aangepakt. Ik wil toe naar een situatie waarin alle auto-eigenaren die langere tijd wonen en werken en daardoor feitelijk ingezetenen van Nederland zijn, in beginsel MRB en belasting op personenauto’s en motorrijwielen (BPM) betalen.

Nu al geldt dat iemand die de intentie heeft om langer dan vier maanden binnen een periode van zes maanden in Nederland te verblijven, verplicht is zich bij de gemeentelijke basisadministratie (GBA) in te schrijven. Inschrijving bij de GBA betekent dat een hem ter beschikking staande auto met buitenlands kenteken in Nederland moet worden geregistreerd en een Nederlands kenteken krijgt. Vanaf dat moment moet in Nederland de MRB en BPM worden betaald.2 Om er ook op toe te zien dat dit ook wordt nageleefd is voor auto-eigenaren met een buitenlands kenteken een tweeledige aanpak vereist.

Aan wanbetalers moet duidelijk worden gemaakt dat zij op een harde aanpak kunnen rekenen. Tegelijkertijd is belangrijk dat de welwillende belastingplichtige die zich in Nederland vestigt, wordt voorzien van informatie en waar nodig wordt geholpen om aan zijn verplichtingen te (kunnen) voldoen. In deze brief zal ik uiteenzetten hoe ik de optimale mix van enerzijds strikte controle en handhaving en anderzijds informatieverstrekking, wil bereiken. Overigens heb ik in de tussentijd niet stilgezeten en heeft de extra aandacht voor deze groep al bemoedigende resultaten opgeleverd.

Alvorens uiteen te zetten op welke wijze het toezicht nu wordt ingezet en welke intensiveringen nog op stapel staan is het goed om eerst de complexiteit van de materie te schetsen in relatie tot bijvoorbeeld (inter)nationale wet- en regelgeving.

Op grond van een analyse van de problematiek kom ik tot de conclusie dat intensivering van het toezicht nodig is, maar de Belastingdienst daarnaast extra wettelijke armslag nodig heeft om de beoogde effectieve en efficiënte handhaving ook daadwerkelijk te realiseren. De mogelijkheden die ik daar voor zie zal ik aan het einde van deze brief uiteenzetten. Ik zal op zo’n kort mogelijke termijn een eerste aanzet doen als het gaat om aanpassing van nationale wet- en regelgeving. De eerste gelegenheid daartoe is het Belastingplan 2014 dat met Prinsjesdag aan de Tweede Kamer zal worden toegezonden.

2. Probleemschets

Belastingplicht buitenlandse kentekens

Ook buitenlandse kentekens kunnen onder de MRB plicht vallen. Hoofdregel is dat MRB is verschuldigd door de houder van een motorrijtuig. Als houder wordt aangemerkt degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft op de weg in Nederland. Dit leidt in alle gevallen tot een onmiddelijke verschuldigdheid van de MRB tenzij er sprake is van een vrijstelling. Er zijn twee soorten vrijstellingen. Voor ingezetenen kent de wet MRB (op basis van vergunning) een vrijstelling voor houders die werken bij een buitenlands bedrijf of een eigen bedrijf bezitten in het buitenland. We kennen 5.700 van dergelijke vergunninghouders.

Voor niet ingezetenen kent de wet een (wederkerigheids)vrijstelling van op dit moment maximaal één jaar. Deze vrijstelling geldt alleen voor inwoners van landen die zijn aangesloten bij het verdrag van Genève van 18 mei 1956.

Problemen bij heffing

Indien geen sprake is van één van de hiervoor genoemde uitzonderingssituaties en er dus sprake is van de verschuldigdheid van MRB, dient de MRB ook daadwerkelijk te worden betaald. Het toezicht op de naleving van de betaling van MRB is echter niet eenvoudig.

  • Het voornaamste probleem is dat motorrijtuigen met buitenlandse kentekens in Nederland niet geregistreerd staan waardoor er geen koppeling te maken is tussen de in Nederland geregistreerde/woonachtige belastingplichtigen en het motorrijtuig met buitenlands kenteken dat hen in Nederland feitelijk ter beschikking staat. De registratie van een motorrijtuig met een Nederlands kenteken bij de Dienst Wegverkeer (RDW) is in beginsel verplicht voor elke in Nederland ingeschrevene in de GBA.3 Het tijdvak van belastingheffing begint op de dag van de eerste tenaamstelling van het kenteken in Nederland. Vanaf dat moment is een koppeling mogelijk tussen de houder en het in Nederland geregistreerde motorrijtuig. Er zijn hoegenaamd geen problemen bij de heffing van MRB van motorrijtuigen (auto’s) met een Nederlands kenteken (circa 7,4 miljoen personenauto’s en ruim 750.000 bestelauto’s).

  • De belastingplicht voor een auto met een buitenlands kenteken vangt aan op het moment dat met die auto gebruik wordt gemaakt van de openbare weg in Nederland. Bij feitelijke constatering van het weggebruik kan de houder beweren dat de auto van een ander is en slechts incidenteel wordt gebruikt. Handhaving is slechts mogelijk door gegevensuitwisseling met land van herkomst of intensieve controle.

  • Een ingezetene moet eigenlijk voor het gebruik van de weg in Nederland uit eigen beweging aangifte bij de Belastingdienst doen. Dit is niet altijd bekend bij de doelgroep en kan alleen door actieve informatieverstrekking worden gerealiseerd. Slechts 2.500 ingezetenen van Nederland betalen momenteel MRB voor een auto met buitenlands kenteken.

Overigens mogen we niet uit het oog verliezen, dat de overgrote meerderheid van de auto’s met buitenlandse kentekens die in Nederland op de weg rijden niet in overtreding is. Te denken valt aan buitenlandse toeristen en seizoensarbeiders. Verder geldt een onbeperkte vrijstelling voor buitenlanders die in Nederland studeren en voor grensarbeiders4 – gezamenlijk 137.000 personen waarvan een deel over een auto zal beschikken – en voor personen die voor een bepaalde duur in Nederland gedetacheerd zijn (zonder vergunning). Daarnaast wordt voor maximaal twee aaneengesloten weken per jaar vrijstelling verleend als een ingezetene van Nederland met een buitenlands gekentekende auto, bestelauto of motor gebruikmaakt van de Nederlandse weg (mits vooraf aangemeld; in 2012 betrof het 2.696 aanmeldingen). Deze vrijstellingen vloeien voort uit het Europees recht.5

Budgettaire gevolgen

Van de 350.000 arbeidsmigranten in Nederland hebben 113.000 een in Nederland geregistreerde auto en betalen daarmee MRB. Van de overige 237.000 is het afhankelijk van het autobezit en de gemiddelde hoogte van de MRB en BPM per auto om een inschatting te kunnen maken van de misgelopen belasting. De gemiddelde MRB inclusief provinciale opcenten per auto kan worden geschat op € 500 per jaar voor een benzineauto, € 1.500 voor een dieselauto en op € 400 per jaar voor een bestelauto van een ondernemer. De opbrengst van de belasting op personenauto’s en motorrijwielen (BPM) valt niet goed in te schatten aangezien deze afhankelijk is van de CO2-uitstoot en van de leeftijd van de auto en er bovendien een vrijstelling bij verhuizing naar Nederland van toepassing kan zijn.

3. Plan van aanpak

Gelet op de geschetste problemen bij de handhaving zou een intensivering van het toezicht door in te zetten op meer staandehoudingen door de Belastingdienst nauwelijks effectief zijn. Daarom is de mogelijkheid van een interdisciplinaire aanpak van deze problematiek onderzocht, enerzijds met controle en handhaving en anderzijds wetgeving. In dat kader heeft de afgelopen maanden intensief overleg plaatsgevonden met de Ministeries van Infrastructuur en Milieu (I&M) en van Veiligheid en Justitie (V&J) over de inzet van de RDW, politie en de Belastingdienst om een sluitende integrale aanpak te realiseren.

Dit heeft geresulteerd in een pakket maatregelen dat berust op drie pijlers:

3.1

Toezicht

 

a. Aanpak tot op heden

 

b. Intensivering toezicht

3.2

Aanscherping wet- en regelgeving

3.3

Informatie-uitwisseling binnen EU-verband en op basis van bilaterale verdragen

Toezicht is de belangrijkste pijler van het plan van aanpak. Daarbij zal de aanpak die in het verleden reeds zijn succes heeft bewezen verder worden versterkt. De voorgestelde wetgevende maatregelen zijn nieuw en bedoeld ter ondersteuning van het toezicht en maken deel uit van het Belastingplan 2014.

3.1.A Aanpak tot op heden

De Belastingdienst richt zich bij de aanpak van buitenlandse kentekens op de optimale mix van handhavingsinstrumenten, variërend van repressief toezicht tot (gerichte) voorlichting.

Toezicht

In repressief toezicht worden auto’s met een buitenlands kenteken staandegehouden. Dit gebeurt veelal in gezamenlijke acties met politie. Iedereen die vanuit het buitenland voor langere tijd in Nederland verblijft, is zoals gezegd verplicht zich in te schrijven in de GBA en terstond zijn auto onder een Nederlands kenteken te laten registreren.6 Tot de tijd van registratie in Nederland mag het kenteken uit het land van herkomst worden gebruikt.7 De handhaving van de kentekenplicht is primair neergelegd bij de politie en een onderdeel van de reguliere politietaak verkeershandhaving. De politie heeft mede in dat kader te allen tijde de bevoegdheid bestuurders staande te houden. De politie handhaaft bij het niet voldoen aan de kentekenplicht en geeft de gegevens van bestuurders die niet voldoen aan de kentekenplicht door aan de Belastingdienst. Het plaatsen op een referentielijst geschiedt met inachtneming van de richtsnoeren van het College Bescherming Persoonsgegevens. Het kenteken en/of de houder hiervan moeten hiertoe aanleiding geven.

Voor de belastingdienst is het op het moment van staandehouding niet altijd duidelijk of de persoon die op dat moment de beschikking heeft over de auto ook daadwerkelijk in Nederland woont of in aanmerking komt voor een vrijstelling. Het vaststellen van de woonplaats in Nederland is daarbij een vereiste om een naheffing te kunnen opleggen. Dit kan op dit moment vanwege de wettelijke beperkingen alleen worden vastgesteld op grond van individuele feiten en omstandigheden, waarbij de bewijsplicht bij de belastingdienst ligt. Direct een naheffing opleggen is dan momenteel ook niet mogelijk. Om op het moment van staandehouding een succesvol vervolg te kunnen geven aan het vaststellen van de feiten en omstandigheden, krijgt de potentieel belastingplichtige een informatieformulier uitgereikt en wordt zijn kenteken ingescant. Dit biedt de mogelijkheid om in een later stadium nader onderzoek uit te voeren naar de woonplaats.

Voorlichting

Aangezien vrijwillige registratie het meest eenvoudig is, behoort (gerichte) voorlichting tot een belangrijk instrument om de kentekenregistratie onder arbeidsmigranten te verhogen. Immers, indien de belastingplichtige zelf het initiatief neemt, wordt niet toegekomen aan de bewijsrechtelijke problemen die staandehouding opleveren. Zo is er sinds begin 2012 een folder «nieuw in Nederland» vanuit de arbeidsinspectie beschikbaar waarin ook wordt ingegaan op de auto, MRB en registratie.8 Deze folder is er in het Nederlands en 13 andere talen. Ook op de websites van overheid.nl, de RDW en de Belastingdienst is informatie over de auto, registratie en MRB te vinden. Zo is bij de Belastingdienst een folder beschikbaar «In Nederland rijden met een buitenlands kenteken» in het Nederlands, Duits, Engels en Pools. Deze algemene informatie zal in eerste instantie burgers bereiken die actief op zoek gaan naar informatie over dit onderwerp en, afhankelijk van de mate van verspreiding door de desbetreffende instanties, ook goedwillende burgers die niet zelf informatie opzoeken.

Om het effect van voorlichting verder te versterken zijn er door de Belastingdienst diverse extra inspanningen gepleegd om gericht de doelgroep te benaderen. Zo is er gerichte voorlichting gegeven aan arbeidsmigranten gekoppeld aan adrescontroles. De arbeidsmigranten in de leeftijd van 18 tot 65 jaar die zijn ingeschreven in de GBA, zijn actief benaderd via informatieverstrekking. Een deel van deze groep heeft een actieve follow up gekregen door adrescontroles. In het adresonderzoek waren 3.560 adressen uitgezet. Het adresonderzoek heeft uiteindelijk geleid tot 442 vrijwillige registraties. Inmiddels betalen 113.549 (van de totale groep van 350.000) arbeidsmigranten de MRB. De actie is begonnen in maart 2012. Tot en met september 2012 heeft dit 7.000 extra registraties opgeleverd en in de periode tot en met augustus 2013 nog eens 5.000 extra registraties.

3.1.B Intensivering toezicht

De belastingdienst gaat de inspanningen ten aanzien van de buitenlandse kentekens verdubbelen. Door toepassing van de nieuwe wet- en regelgeving kan tevens een aanpak worden ingezet die sneller leidt tot naheffing. De aandacht wordt gericht op drie groepen:

Personen die zich voor het eerst in Nederland inschrijven.

Iedereen die zich in Nederland inschrijft in de GBA of de RNI ontvangt van de Belastingdienst, een informatiepakket en een meldingsformulier auto. Het meldingsformulier auto moet worden teruggezonden aan de Belastingdienst. Na ontvangst van dit formulier worden de (auto)gegevens geregistreerd. Bij diegene die niet reageren wordt een adrescontrole uitgevoerd. Dit leidt ertoe dat van alle nieuw ingeschreven de autogegevens in beeld zijn. De Belastingdienst kan het informatiepakket versturen zodra zij zicht heeft op de nieuwe inschrijving via de direct toegang van de belastingdienst in de GBA. Daarnaast wordt ingezet om per 1 januari 2014 ook gerichte voorlichting direct bij het moment van inschrijving in de Gemeente te bewerkstelligen in plaats van per post achteraf. Wanneer er geen vrijwillige kentekenregistratie plaatsvindt volgt fysieke controle en kan er worden nageheven en/of beboet.

Personen die reeds in Nederland zijn ingeschreven.

Daarnaast is er een bestaande groep arbeidsmigranten in de GBA ingeschreven, waarvan de autogegevens ontbreken. Met betrekking tot deze groep wordt via verkeerscontroles, wijkacties een waarnemingen ter plaatse de koppeling gelegd tussen de auto en de Nederlands ingezetene. De automatic numberplate recognition (ANPR) krijgt daarbij een prominente plaats bij toezicht (de bestaande capaciteit wordt uitgebreid). Wanneer bij controles blijkt dat de (aangehouden) persoon in de GBA is ingeschreven volgt direct een naheffing. De na te heffen belasting wordt berekend vanaf het begin van de dag waarop betrokkene zich heeft ingeschreven in de GBA. In een aantal gevallen zal niet direct naheffing kunnen volgen. Dit betreft de gevallen waarin het vermoeden bestaat dat er recht is op een vrijstelling. In deze gevallen wordt de belanghebbende eerst geïnformeerd. Wanneer op de informatieverstrekking aan belanghebbende geen vrijwillige registratie of een vergunningaanvraag volgt wordt alsnog een naheffingsaanslag opgelegd.

Personen die hier verblijven maar zich niet inschrijven.

In deze doelgroep bevinden zich personen die zich niet laten inschrijven in de GBA of de Registratie niet-ingezetenen (RNI). De belastingdienst zet extra capaciteit in om deze personen in beeld te krijgen. Via samenwerking met grote werkgevers, uitzendbranche, gemeenten en verhuurders zal gerichte voorlichting worden verstrekt aangevuld met fysieke controleacties bij woon- en werklocaties.

Het is de bedoeling dat de niet-compliante groep gaat merken dat blijven rondrijden zonder belasting te betalen onaangename gevolgen heeft. De detectiekans neemt toe en de sanctiekans wordt groter. Daar gaat een preventieve werking vanuit.

De extra inzet van de belastingdienst moet leiden tot een groter aantal voertuigen met buitenlandse kentekens van ingezetenen waarvoor MRB betaald gaat worden. De extra inzet van menskracht leidt tot een verhoging van de uitvoeringskosten van € 1,6 mln. Via de halfjaarsrapportages zal de Kamer worden ingelicht over de effectiviteit van het aangescherpte toezicht en de effectiviteit van de wetswijziging toegelicht in de volgende paragraaf.

Naast de mogelijkheden die de belastingdienst heeft zal de politie bij staandehoudingen in de toekomst meer aandacht gaan besteden aan de handhaving van de kentekenplicht van ingezetenen die nog rijden met een buitenlands kenteken. De technische mogelijkheden daartoe worden steeds groter. Door de groei van de mobiele ict-toepassingen binnen de politie kunnen bij staandehoudingen in dezelfde tijd meer handhavingsaspecten worden gecontroleerd. De handhaving van de kentekenplicht van ingezetenen die nog rijden met een buitenlands kenteken wordt hierdoor geïntensiveerd. Het niet naleven van de inschrijving in het kentekenregister is strafbaar gesteld in artikel 177 van de Wegenverkeerswet 1994, met als sanctie maximaal twee maanden hechtenis of een geldboete van de derde categorie (maximaal € 7.800).

Op het moment van staandehouding is niet duidelijk of persoon die op dat moment de beschikking heeft over de auto in Nederland woont en/of een vrijstelling van toepassing is. Zoals gesteld is de woonplaats in Nederland een van de eisen om te kunnen heffen. Direct een naheffing opleggen is dan ook niet mogelijk. Bij staandehouding wordt derhalve een informatieformulier uitgereikt en wordt bij sterke vermoedens van de woonplaats in Nederland nader onderzoek uitgevoerd.

3.2 Aanscherping wet- en regelgeving

Woonplaatsvermoeden

Naar aanleiding van de motie Van Vliet9 is onderzocht of toekenning van een BSN aan een buitenlandse natuurlijk persoon of rechtspersoon automatisch kan betekenen dat alle motorrijtuigen die aan deze personen in Nederland feitelijk ter beschikking staan in de heffing van MRB worden betrokken. Dit brengt mij tot het voorstel om een woonplaatsvermoeden in de Wet MRB te introduceren. Dit woonplaatsvermoeden houdt in dat een natuurlijk persoon geacht wordt voor de MRB ingezetene van Nederland te zijn indien hij is ingeschreven in de GBA (dus aan hem een BSN is toegekend) of zich had moeten inschrijven in de GBA. Hiermee wordt het MRB- woonplaatsbegrip aangescherpt zodat eerder belastingplicht voor de MRB ontstaat. De belastingplicht vangt aan met ingang van de dag waarop de houder zich heeft ingeschreven of had moeten inschrijven in de GBA zolang het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking staat. Uiteraard blijft het woonplaatsbegrip in de AWR en in het Europese recht gelden. Daarom heeft de belastingplichtige de mogelijkheid aan te tonen dat hij geen ingezetene van Nederland is. Invoering van het woonplaatsvermoeden kan de controle bij aanhouding op de weg vergemakkelijken. Het is voor de Belastingdienst eenvoudiger na te gaan of iemand in de GBA en de eigen bestanden voorkomt dan te onderzoeken of iemand ingezetene van Nederland is.

Moment van inschrijving doorslaggevend voor begin tijdvak

In wezen is het voor de MRB niet relevant of een ingezetene van Nederland een auto met een Nederlands kenteken of met een buitenlands kenteken tot zijn beschikking heeft. Daarom zou iedereen die in Nederland woont en een auto houdt, op dezelfde wijze in de heffing moeten worden betrokken. Voor de ingezetene die een auto met een Nederlands kenteken tot zijn beschikking heeft, wordt voor de ingangsdatum van de belastingplicht aangesloten bij de datum van eerste tenaamstelling van de auto in het Nederlands kentekenregister. Voor de ingezetene die een auto met een buitenlands kenteken tot zijn beschikking heeft, vangt de belastingplicht daarentegen aan op de dag waarop het gebruik van de weg in Nederland start. Een handhavingsprobleem hierbij is, dat de constatering van het weggebruik veel later kan zijn dan de dag waarop het gebruik van de weg in Nederland is gestart. Dit probleem wordt aangepakt door bij controle op de weg het tijdvak van heffing te laten ingaan op het moment dat de houder zich heeft ingeschreven, of had moeten inschrijven, in de GBA. De aanvang van het tijdvak kan afwijken indien de houder aantoont dat het moment waarop de buitenlands gekentekende auto hem ter beschikking stond op een later tijdstip is gelegen dan de inschrijving in de GBA.

Vrijstelling voor niet-ingezetenen verkorten tot zes maanden

Om eerder toe te komen aan de MRB-belastingplicht van buitenlandse houders wordt de huidige vrijstelling van één jaar beperkt tot zes maanden. De termijn van één jaar is ontleend aan het Verdrag van Genève van 18 mei 1956. Het verdrag biedt echter de ruimte om de vrijstelling voor de meeste situaties te beperken tot zes maanden. Op grond van het Europees recht moet in ieder geval een vrijstelling aan niet-ingezetenen worden verleend voor een al dan niet ononderbroken duur van niet meer dan 6 maanden per tijdvak van 12 maanden. Daarnaast geldt binnen de EU een vrijstelling voor studenten (voor de duur van de studie), grensarbeiders en personen met een opdracht voor bepaalde duur.

Ik ben voornemens om, met inachtneming van laatstgenoemde uitzonderingen, de algemene termijn van de vrijstelling in lijn met het internationale recht te beperken tot zes maanden. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat met de auto gebruik wordt gemaakt van de openbare weg in Nederland. Deze wijziging is primair bedoeld om personen die weliswaar in een ander land wonen – hun hoofdverblijf hebben – maar een groot deel van het jaar in Nederland gebruik maken van de weg en soms ook in Nederland verblijven, MRB te laten betalen. Een beperking van de termijn van de vrijstelling zal worden gerealiseerd door een wijziging van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.

3.3 Inlichtingenuitwisseling

Er zijn verschillende ontwikkelingen op het vlak van informatie-uitwisseling met andere landen die mede betrekking kunnen hebben op buitenlands gekentekende voertuigen. Buiten de fiscaliteit gaat het daarbij onder meer om uitwisseling van gegevens op het terrein van de openbare orde, de verkeersveiligheid en de opsporing van strafbare feiten bij voertuigregistratie. Zo zal de uitwisseling van gegevens uit de nationale kentekenregisters tussen EU-lidstaten voor de afhandeling van verkeersovertredingen eenvoudiger worden met de implementatie van de Europese Richtlijn grensoverschrijdende handhaving (2011/82/EU). Boetes voor verkeersovertredingen op buitenlandse kentekens kunnen dan gemakkelijker worden geïnd. Dit is nu nog lastig, omdat de Nederlandse overheid van de meeste kentekens niet de gegevens van de eigenaar kan achterhalen. De richtlijn moet eind dit jaar door de EU-lidstaten zijn geïmplementeerd. De Minister van Veiligheid en Justitie is verantwoordelijk voor de implementatie van deze richtlijn.

Fiscale inlichtingenuitwisseling vindt plaats op grond van de EU-Bijstandsrichtlijn (EU-Richtlijn 2011/16/EU van 15 februari 2011). Nederland kan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten inlichtingen opvragen die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van onze nationale wetgeving met betrekking tot belastingen die door of namens Nederland worden geheven. Deze richtlijn is geïmplementeerd in de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Hierdoor kan de Belastingdienst adresgegevens aan een andere lidstaat van de Europese Unie vragen om een aanslag toe te sturen indien een persoon (al dan niet een gewezen ingezetene) belastingschulden in Nederland heeft. Nederland kan op grond van de EU-invorderingsrichtlijn (EU- Richtlijn 2010/24/EU van 16 maart 2010) een andere lidstaat ook om bijstand bij invordering verzoeken. Deze richtlijn is geïmplementeerd in de Wet wederzijdse bijstand in de Europese Unie bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen. Administratieve- en invorderingsbijstand kan ook worden verzocht met toepassing van het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van 25 januari 1988 (WABB-Verdrag). De wijzigingen uit het protocol op dit vlak worden naar verwachting in 2013 van kracht, waardoor de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingen op het gebruik of het bezit van motorrijtuigen ook voor Nederland onder de reikwijdte van het verdrag gaat vallen. Daarmee heeft de Belastingdienst in ieder geval mogelijkheden tot zijn beschikking om inlichtingen bij andere aangesloten landen op te vragen.

De Staatssecretaris van Financiën, F.H.H. Weekers


X Noot
1

Kamerstuk 33 402, nr. 14, blz. 15–17, nr. 45, nr. 46, blz. 18, 53, 77 en Handelingen II 2012/13, nr. 23, item 14, blz. 85–115.

X Noot
2

Brief van de Minister van IenM van 5 maart 2012 inzake uitvoering aangenomen motie Van Bemmel (PVV), Kamerstuk 29 398, nr. 318.

X Noot
3

Er is slechts één uitzondering. Voertuigen hoeven niet te zijn voorzien van een Nederlands kenteken indien deze deelnemen aan het internationale verkeer. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is dat het voertuig eigendom is van een niet in Nederland gevestigde natuurlijk of rechtspersoon en zich tijdelijk in Nederland bevindt. Voorbeelden zijn (door)reis of werkbezoek in Nederland. De uitzondering voor internationaal verkeer is overigens neergelegd in het Verdrag van Wenen van 8-11-1968, artikel 1, onderdeel b, waar NL partij bij is.

X Noot
4

Volgens het CBS stonden er in het studiejaar 2009/2010 47.000 buitenlandse studenten ingeschreven in het Nederlandse hoger onderwijs (waarvan ruim 40% uit Duitsland). Volgens de CBS-gegevens over grenspendel 2009, gebaseerd op de loonaangiften van werkgevers, waren er ongeveer 90.000 werknemers die in België of Duitsland woonden en in Nederland werkten. Een groot deel daarvan had de Nederlandse nationaliteit.

X Noot
5

Met name Richtlijn 83/182/EEG van de Raad betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (PB L 105 van 23.4.1983, blz. 59).

X Noot
6

Zie voetnoot 3 voor de uitzondering hierop.

X Noot
7

Brief van de Minister van IenM van 5 maart 2012 inzake uitvoering aangenomen motie Van Bemmel (PVV), Kamerstuk 29 398, nr. 318.

X Noot
8

De folder «nieuw in Nederland» van de arbeidsinspectie waarin ook de auto wordt genoemd, of

http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brochures/2011/12/19/nieuw-in-nederland.html

www.newinthenetherlands.nl .

X Noot
9

Kamerstuk 33 402, nr. 37.