Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 april 2014
Met deze brief geeft het kabinet uitvoering aan het verzoek om een brief over de participatiesamenleving,
gedaan door het lid van uw Kamer, de heer Slob, op 26 november 2013 (Handelingen II
2013/14, nr. 28, item 8). Het kabinet duidt het begrip participatiesamenleving tegen de achtergrond van een
aantal maatschappelijke trends, waar de overheid op inspeelt.
Wie om zich heen kijkt, ziet dat mensen van alle leeftijden waar mogelijk volop bezig
zijn hun leven individueel of groepsgewijs in te richten zoals ze dat zelf willen.
Op zichzelf is dat niets nieuws. Ook in het verleden organiseerden mensen zich in
sociale verbanden en namen zij zelf initiatieven om in maatschappelijke noden te voorzien.
Wat de afgelopen tien tot twintig jaar wel is veranderd, is de manier waarop mensen
dit doen. Mensen zijn hoger opgeleid en mobieler en mondiger dan vroeger, en ze beschikken
over meer communicatiemogelijkheden. Hierdoor zijn – naast de traditionele netwerken
van familie, vrienden en buren – andere vormen van interactie tussen groepen opgekomen
bijvoorbeeld via sociale media en andere ICT-toepassingen. In deze moderne horziontale
netwerken doen vaste verbintenissen en hiërarchie er minder toe. Dat heeft gevolgen
voor de manier waarop onze maatschappij zich organiseert en ontwikkelt. Bestaande
instituties verliezen terrein.
Er zijn tal van voorbeelden die de opkomst van deze moderne netwerken illustreren.
Te denken valt aan de sociale media die het mogelijk maken dat via een whatsapp-groepje
het dagelijks bezoeken en verzorgen van een zieke buurvrouw onderling wordt geregeld
of aan de diverse initiatieven van crowdfunding om (internationaal) maatschappelijk
ondernemen op gang te brengen.
Ook zijn voorbeelden van de participatiesamenleving te noemen waarbij niet alleen
mensen maar ook bedrijven en maatschappelijke organisaties zijn betrokken en succesvol
met de overheid samenwerken. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de stichting Academie
van de Stad, waarbij studenten in achterstandswijken buurtwerk verrichten in ruil
voor goedkopere huisvesting in diezelfde wijken. Een voorbeeld in het fysieke domein
is het platform beter benutten waarin Rijk, regio’s en bedrijven samenwerken en innovatieve
maatregelen bedenken om de bereikbaarheid in de drukste regio’s van Nederland te verbeteren.
Weer een mooi ander initiatief waarbij mensen zelf organiseren en de overheid een
faciliterende rol op zich neemt, is decentrale energieopwekking. In de zorg is het
nationaal programma preventie «Alles is gezondheid» een goed voorbeeld van samenwerking
(zowel bij het opstellen als bij het uitvoeren van het programma) tussen Rijk, bedrijven,
gemeenten, zorgverzekeraars en tal van maatschappelijke organisaties. Verder valt
te denken aan integrale wijkteams waarin gemeentelijke en niet-gemeentelijke professionals
gezamenlijk optrekken. Tot slot kan worden gedacht aan Burgernet, waarbij vrijwel
alle Nederlandse gemeenten zijn aangesloten, en initiatieven die door middel van buurtpreventie
inbraken kunnen voorkomen.
De overheid tracht de ontwikkeling van deze nieuwe vormen van participatie te volgen,
maar nog te vaak handelt zij vanuit klassieke hiërarchische verhoudingen (formeel,
probleemgericht, risicomijdend en controleerbaar) en voert zij beleid dat – onbedoeld
– maatschappelijk initiatief verdringt. De consequentie hiervan is dat maatschappelijk
potentieel onbenut blijft. Het kabinet wil echter juist dat de kracht van mensen zo
veel mogelijk bijdraagt aan de welvaart van onze samenleving. We moeten ruimte bieden
voor deze kracht en voorkomen dat de overheid eigen initiatieven en mogelijkheden
van mensen in de kiem smoort. Dit biedt ook kansen om de kwaliteit van voorzieningen
op peil te houden en voorzieningen gericht in te zetten daar waar eigen kracht of
netwerken tekortschieten. Hiermee kan tegelijkertijd de sterke groei van noodzakelijke
overheidsmiddelen van de afgelopen jaren worden gestopt. Om ook in de toekomst goede
voorzieningen voor iedereen beschikbaar te houden, is het eenvoudigweg noodzakelijk
het maatschappelijk probleemoplossend vermogen beter te benutten. Door dat te doen
wordt de kwaliteit van oplossingen doorgaans hoger en zijn de kosten vaak lager.1
Er bestaat geen handboek hoe dit te regelen. Laat staan dat de overheid het van bovenaf
kan opleggen. Soms is de overheid zelf één van de deelnemers aan het proces. In andere
gevallen zal er sprake zijn van een combinatie van regelen op hoofdlijnen, kaders
stellen, het wegnemen van knelpunten in wet- en regelgeving, aan het lokaal niveau
overlaten en loslaten. Ook kan het nodig zijn heel direct te interveniëren, bijvoorbeeld
door middel van handhaving of facilitering.
Daarbij is bijzondere aandacht nodig voor mensen die in de situatie komen dat zij
niet kunnen participeren, omdat zij ziek zijn, geen netwerk hebben of anderszins onvoldoende
toegerust zijn. Het kabinet onderkent het belang dat deze mensen een beroep kunnen
doen op de overheid en benadrukt dat de verzorgingsstaat blijft bestaan. Buiten twijfel
staat dat goede voorzieningen voor een ieder beschikbaar zullen blijven.
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, M. Rutte