Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433716 nr. 10

33 716 Wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op het kindgebonden budget, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet studiefinanciering 2000 en enige andere wetten in verband met hervorming en versobering van de kindregelingen (Wet hervorming kindregelingen)

Nr. 10 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 3 februari 2014

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1

Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:

a. Artikel 7, zesde lid, komt te luiden:

6. Het bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in artikel 12, eerste en tweede lid, wordt verdubbeld indien de verzekerde per kalenderkwartaal een bijdrage levert aan het onderhoud van het kind die meer bedraagt dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag en het kind, bedoeld in het eerste lid, niet tot het huishouden van de verzekerde noch als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort:

a. in verband met ziekte of gebreken van het kind; of

b. in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding aan een school of instelling in de zin van artikel 1, onder b of c, van de Leerplichtwet 1969 waar het kind staat ingeschreven of in verband met het volgen van onderwijs, genoemd in artikel 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 waar het kind overeenkomstig artikel 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 staat ingeschreven of in verband met het volgen van onderwijs aan een vergelijkbare inrichting van onderwijs buiten Nederland waar het kind staat ingeschreven, waarbij:

1°. de verzekerde aantoont dat het kind een bij ministeriële regeling te bepalen beroepsopleiding volgt of als toptalent op het gebied van dans en muziek dan wel als topsporter op tenminste toptalentniveau een bij ministeriële regeling te bepalen school bezoekt voor het volgen van voortgezet onderwijs waardoor de afstand tussen het woonadres van de verzekerde of het woonadres van de ander tot wiens huishouden het kind laatstelijk behoorde en de dichtstbijzijnde instelling of school waar de beroepsopleiding of het voortgezet onderwijs wordt aangeboden meer bedraagt dan een bij ministeriële regeling te bepalen aantal kilometers; of

2°. de verzekerde een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen beroep uitoefent; of

3°. de verzekerde of de ander tot wiens huishouden het kind laatstelijk behoorde in een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen deel van Nederland woont, of de verzekerde aantoont dat hij of die ander in een gebied buiten Nederland woont waarbij niet verwacht kan worden dat het kind op basis van openbaar of eigen vervoer dagelijks heen en weer reist tussen school en het adres van de verzekerde of die ander; of

4°. het het kind betreft van de verzekerde, bedoeld in artikel 7b, vierde lid, onderdelen a en b.

b. Onder vernummering van het zevende en achtste lid tot achtste en negende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

7. Indien de beroepsopleiding of de school, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, niet langer is opgenomen in de ministeriële regeling, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, dan wel indien gedurende de beroepsopleiding of het voortgezet onderwijs, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, een gelijke opleiding of school in die ministeriële regeling wordt opgenomen die valt binnen de afstand, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, blijft de verdubbeling van de kinderbijslag, bedoeld in het zesde lid, van toepassing tot de dag waarop het kind de opleiding of het onderwijs, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, niet langer volgt.

2

Onderdeel G komt te luiden:

G

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt toegevoegd: De aanvraag om het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, wordt ingediend voor 1 december van het kalenderjaar na het kalenderjaar waarover recht op het extra bedrag aan kinderbijslag bestaat.

2. Aan het tweede lid wordt toegevoegd: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de verder bij de aanvraag te verstrekken gegevens.

3. Het derde lid komt te luiden:

3. Het recht op kinderbijslag kan niet vroeger ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. Het recht op kinderbijslag, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, kan niet vroeger ingaan dan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, werd ingediend. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van het in dit lid bepaalde.

3

Na onderdeel H wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ha

Artikel 18, eerste lid, komt te luiden:

1. De Sociale verzekeringsbank betaalt de kinderbijslag en het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kwartaal waarover recht op kinderbijslag bestaat, respectievelijk binnen drie maanden na indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 14, eerste lid, tweede zin.

4

Onderdeel I komt te luiden:

I

Artikel 41a komt te luiden:

Artikel 41a

1. Artikel 7, derde lid, onderdeel a, onder 1°, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de Wet hervorming kindregelingen, blijft tot en met 30 september 2015 van toepassing op het kind dat voor de dag van inwerkingtreding van het in artikel I, onderdeel A, van de Wet hervorming kindregelingen opgenomen artikel 7, zesde lid, voor twee kinderen werd geteld.

2. Artikel 7, derde lid, onderdeel a, onder 2°, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de Wet hervorming kindregelingen, blijft van toepassing tot en met 31 december 2014.

3. Artikel 7, derde lid, onderdeel b, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de Wet hervorming kindregelingen blijft van toepassing op het kind dat voor de dag van inwerkingtreding van het in artikel I, onderdeel A, van de Wet hervorming kindregelingen opgenomen artikel 7, zesde lid, voor twee kinderen werd geteld.

4. Dit artikel vervalt twee jaar na zijn inwerkingtreding.

5

Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

J

Artikel 41b vervalt.

K

Indien het bij koninklijke boodschap van 1 februari 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van enkele socialezekerheidswetten in verband met een andere vormgeving van de exportbeperking in de Algemene Kinderbijslagwet en het regelen van overgangsrecht voor de situatie van opzegging of wijziging van een verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen situatie (Kamerstukken 33 162) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel B, van die wet later in werking treedt dan artikel I, onderdeel J, van deze wet, komt artikel I, onderdeel B, van die wet te luiden:

B

Na artikel 41a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 41b

1. Op de persoon die op grond van een verdrag, de voorlopige toepassing van een verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen situatie in afwijking van artikel 7b recht heeft op kinderbijslag en wiens recht op kinderbijslag uitsluitend zou eindigen als gevolg van de opzegging of wijziging van dat verdrag, de beëindiging van de voorlopige toepassing van dat verdrag dan wel de beëindiging van een daarmee gelijk te stellen situatie, blijft artikel 7b gedurende de eerste twee kalenderkwartalen vanaf de buitenwerkingtreding van het verdrag, de inwerkingtreding van de desbetreffende wijziging respectievelijk de beëindiging van de voorlopige toepassing of de beëindiging van de daarmee gelijk te stellen situatie buiten toepassing.

2. Het eerste lid blijft van toepassing zolang het kind op de eerste dag van de in dat lid bedoelde kalenderkwartalen woont in hetzelfde land als waar hij op de eerste dag van het daaraan voorafgaande kalenderkwartaal woonde en de verzekerde blijft voldoen aan de overige voorwaarden voor het recht op kinderbijslag.

3. Onze Minister deelt mede ten aanzien van welk land, met inbegrip van de dag waarop, een verdrag als bedoeld in het eerste lid zodanig is gewijzigd dat niet langer in afwijking van artikel 7b recht op kinderbijslag kan bestaan, een verdrag als bedoeld in het eerste lid buitenwerking is getreden als gevolg van opzegging dan wel de voorlopige toepassing van een verdrag of een daarmee gelijk te stellen situatie als bedoeld in het eerste lid is beëindigd.

B

Artikel VII wordt als volgt gewijzigd:

1

In onderdeel B vervalt het eerste subonderdeel.

2

In onderdeel C, eerste subonderdeel, vervalt de punt na «artikel 2, zevende lid».

C

Artikel VIII, onderdeel D, eerste subonderdeel, komt te luiden:

1. In het tweede lid wordt «artikel 20, tweede lid, onderdeel b» vervangen door «artikel 20, tweede lid, onderdeel a», wordt «onderdeel c» telkens vervangen door «onderdeel b» en wordt «onderdeel d» vervangen door «onderdeel c».

D

Artikel IX, onderdeel A, tweede subonderdeel, komt te luiden:

2. In het derde lid wordt «onderdelen c, d en e» vervangen door: onderdelen d en e.

E

Artikel XI wordt als volgt gewijzigd:

1

Het tweede subonderdeel komt te luiden:

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «artikel 21, onderdeel a en b» vervangen door «artikel 21, onderdeel a».

2

Er worden twee subonderdelen toegevoegd:

8. In het derde lid, onderdeel a, wordt «artikel 22a, eerste en derde lid» vervangen door «artikel 22a, eerste lid».

9. Onder vervanging van de punt aan het slot van het vijfde lid, onderdeel b, door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. het bedrag waarop de schuldenaar op basis van artikel 2, tweede tot en met zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget maximaal aanspraak zou kunnen maken, verminderd met het bedrag dat krachtens die wet is toegekend of toegekend zou kunnen worden.

F

Artikel XIII vervalt.

Toelichting

Algemeen deel

1 Inleiding

Deze nota van wijziging bevat aanpassingen op drie terreinen. Ten eerste gaat het om aanpassing van de voorwaarden van dubbele kinderbijslag. Het betreft een aanscherping van het recht op dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen. Daarnaast worden twee artikelen in de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) als gevolg van de integratie van de (extra) tegemoetkoming voor ouders van gehandicapte kinderen in de kinderbijslag aangepast. Voorts vindt een correctie van de beslagvrije voet verband houdende met het kindgebonden budget plaats. Tot slot zijn nog enkele technische wijzigingen opgenomen.

2 Aanpassen voorwaarden dubbele kinderbijslag

2.1 Algemeen

Het huidige derde lid van artikel 7 van de AKW (in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen als zesde lid) regelt in welke gevallen ouders recht hebben op dubbele kinderbijslag. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als een kind jonger dan zestien jaar in verband met ziekte uitwonend is. Middels deze nota van wijziging worden de voorwaarden voor het recht op dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen aangescherpt. Dit wijzigingsvoorstel vloeit voort uit de op 10 april 2013 ingediende en kamerbreed aanvaarde motie Azmani-Yucel over het onderwerp dubbele kinderbijslag. Daarbij is geconstateerd dat tot nog toe in de AKW geen eisen worden gesteld aan de noodzaak van het niet thuis wonen in relatie tot de te volgen scholing of opleiding. Gebleken is dat er op basis van de huidige wet en de jurisprudentie geen objectieve maatstaven zijn om een aanvraag voor dubbele kinderbijslag af te wijzen als ouders aangeven dat het kind primair om onderwijsredenen niet thuis woont. De regering acht dit een onwenselijke situatie en vindt het nodig om het causale verband tussen het niet thuis wonen en het volgen van onderwijs in te vullen. Deze wijziging voorziet hierin. Voortaan wordt de noodzaak van het niet thuis wonen van een kind om een opleiding te kunnen volgen centraal gesteld. Met andere woorden: het kind kan de opleiding alleen volgen als het niet meer thuis woont. Het gaat daarbij om de inhoud van de opleiding; de richting van de instelling speelt geen rol bij de beoordeling. Bovendien wordt geëist dat het kind staat ingeschreven op een in de Leerplichtwet 1969 gedefinieerde school of instelling of een daarmee vergelijkbare inrichting van onderwijs buiten Nederland. Dit benadrukt dat het kind schoolgaand is en staat los van de eis dat het 16- en 17-jarige kind moet voldoen aan de kwalificatie-eis zolang het kind de startkwalificatie nog niet heeft behaald.

Tevens wordt voorgesteld de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag voor kinderen van zestien en zeventien jaar gelijk te trekken met de voorwaarden voor kinderen onder de zestien jaar. De regering vindt dat de noodzaak voor het niet thuiswonen van het kind om onderwijsredenen of om de reden van ziekte handicap ook voor kinderen van zestien en zeventien jaar moet gelden en wil de discrepantie die er nu nog bestaat tussen de voorwaarden voor kinderen jonger dan zestien jaar en deze groep opheffen.

Naast de aangescherpte voorwaarden blijven voor het ontvangen van dubbele kinderbijslag de onderhoudsvoorwaarden gelden.

2.2 Aanscherpen van het recht op dubbele kinderbijslag voor onderwijsredenen
2.2.1 Specifieke beroepsopleidingen

In de eerste plaats wordt voorgesteld te regelen dat de dubbele kinderbijslag zich beperkt tot de groep kinderen die een bij ministeriële regeling te bepalen beroepsopleiding volgt die op relatief weinig plekken in Nederland wordt aangeboden. Primair en voortgezet onderwijs zijn meestal in de nabijheid van de woonomgeving van het kind te vinden. Dit gaat niet op voor specifieke beroepsopleidingen die slechts op enkele Regionale Opleidingscentra, Agrarische Opleidingscentra of vakinstellingen gegeven worden. Enkele voorbeelden van dat soort beroepsopleidingen zijn de opleiding tot voedingsoperator, woningstoffeerder en medewerker havenoperaties. De betreffende opleidingen worden gepubliceerd in een ministeriële regeling die jaarlijks wordt herzien aan de hand van een actueel overzicht van beroepsopleidingen. Aan de lijst met relatief weinig aangeboden beroepsopleidingen worden de scholen voor het voortgezet onderwijs met een licentie op basis van de Beleidsregel verstrekking DAMU-licentie VO en de Beleidsregel verstrekking Loot-licentie VO toegevoegd. Op grond van die regelingen kan een DAMU-school of een school met een Loot-licentie, een DAMU- leerling die wordt beschouwd als toptalent op het gebied van dans of muziek respectievelijk een Loot-leerling die wordt beschouwd als topsporter op tenminste toptalentniveau, op onderdelen ontheffen van de inrichtings- en examenvoorschriften. Voor kinderen die als DAMU- of Loot-leerling een dergelijke school bezoeken voor het volgen van voortgezet onderwijs kan dus recht op dubbele kinderbijslag bestaan als ook aan de overige algemene voorwaarden is voldaan.

Voor het samenstellen van de lijst van beroepsopleidingen levert de Dienst Uitvoering Onderwijs jaarlijks de meest recente informatie aan over de aantallen instellingen en de locaties waar de verschillende beroepsopleidingen worden aangeboden. Als dit aantal instellingen onder een bepaald minimum is, is dit aanleiding de opleiding in de lijst op te nemen. Daarnaast wordt via het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de lijst van DAMU-scholen en scholen met een Loot-licentie jaarlijks aangepast. Het is het voornemen de lijst ieder jaar in maart te publiceren. Op die manier kunnen ouders er bij de schoolkeuze rekening mee houden.

Daarnaast moet de locatie van de gekozen opleiding of school van de lijst zich op meer dan een bij ministeriële regeling te bepalen afstand bevinden van het adres waar het kind voordien als eigen kind deel uitmaakte van een huishouden. Wanneer er op de eerdergenoemde lijst een overeenkomstige opleiding of school binnen de nader te bepalen afstand voorkomt, geldt het recht op dubbele kinderbijslag niet. De noodzaak voor het niet thuiswonen van het kind is dan immers niet aanwezig. Dubbele kinderbijslag kan echter ook verstrekt worden voor leerlingen waarvoor weliswaar een school met een DAMU- of Loot-licentie dichterbij het ouderlijk huis ligt, maar waarbij geen vooropleiding wordt geboden voor de gewenste dansspecialisatie of dat de leerling vanwege de specifieke sport een verder van huis gelegen Loot-school bezoekt waardoor hij uit huis gaat wonen. De school die dichterbij huis ligt maar niet de juiste combinatie biedt met het gewenste DAMU- of Loot-onderwijs is dan niet de dichtstbijzijnde school.

Er wordt uitgegaan van het adres waar het kind met beide ouders of een van de beide verzekerde ouders woonde, maar het kan ook zijn dat het kind in het buitenland bij een niet-verzekerde ouder woont, terwijl de andere (wel verzekerde) ouder geen deel uitmaakt van dat huishouden. In dit geval wordt het recht van de verzekerde ouder beoordeeld, wanneer het om afstand gaat, in relatie tot het laatste adres van het kind bij de andere ouder waarvan het vertrekt om elders onderwijs te volgen.

Tevens wordt middels een nieuw zevende lid voorgesteld te regelen dat een kind dat een beroepsopleiding aan een instelling volgt of als Loot- of DAMU-leerling voortgezet onderwijs volgt aan een school die na de jaarlijkse herziening niet meer in de ministeriële regeling voorkomt, de gelegenheid krijgt om de opleiding of school af te maken met behoud van de dubbele kinderbijslag zolang ook voldaan wordt aan de overige voorwaarden. Voor het kind dat gedurende de deelname aan een opleiding of school weer thuis zou kunnen wonen omdat een gelijke opleiding (nieuw) wordt aangeboden binnen de bepaalde afstand vanaf het ouderlijk huis geldt eveneens dat de dubbele kinderbijslag kan worden behouden voor het volgen van de verder weg gelegen opleiding of het bezoeken van de verder weg gelegen school tot het kind het diploma heeft behaald of anderszins heeft beëindigd.

2.2.2 Beroep van de verzekerde

In de tweede plaats is de dubbele kinderbijslag bedoeld voor ouders van wie het beroep met zich meebrengt dat het kind geen onderwijs aan een school of instelling kan volgen als het bij de verzekerde woont. Hiervan is sprake bij de beroepen binnenschipper, kermisexploitant en circusartiest zoals deze zijn opgenomen in de Subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan. Dit wordt nader geregeld in een algemene maatregel van bestuur.

Er wordt voorgesteld te regelen dat het recht op dubbele kinderbijslag in dat geval kan bestaan als het kind primair of voortgezet onderwijs of een beroepsopleiding volgt.

2.2.3 Verzekerden die wonen in een geïsoleerd gebied

Een derde groep die in aanmerking komt voor dubbele kinderbijslag betreft de verzekerden die in een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen deel van Nederland wonen. Deze verzekerden komen in aanmerking voor dubbele kinderbijslag voor alle niveaus van onderwijs. In de praktijk zal het meestal gaan om voortgezet onderwijs en mogelijk beroepsopleidingen die niet ook al op de eerder vermelde lijst zijn opgenomen. Hierbij wordt gedacht aan bewoners van bepaalde Waddeneilanden. Doorslaggevende reden voor de bepaling voor de verzekerden die wonen in die gebieden is dat van de leerling niet verlangd kan worden dagelijks heen en weer te reizen op basis van openbaar vervoer of eigen vervoer naar dit niet nabijgelegen onderwijs. Een en ander wordt nader uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. Het wonen in een geisoleerd gebied in het buitenland is ook beschreven in paragraaf 2.3.

2.2.4 Verzekerden die werkzaamheden verrichten in het algemeen belang en verzekerden die wonen op Aruba, Curaçao, St. Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, St. Eustatius en Saba

In de vierde plaats is het de bedoeling dat het recht op dubbele kinderbijslag kan gelden voor de ouders van het kind dat om onderwijsredenen niet thuis woont omdat de verzekerde in het buitenland woont wegens werkzaamheden in het algemeen belang. Ook hier gaat het om alle niveaus van onderwijs. De mogelijkheid geldt ten aanzien van om onderwijsredenen niet thuiswonende kinderen ook voor de verzekerde inwoners van Aruba, Curaçao, St. Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, St. Eustatius en Saba vanwege de bijzondere band met Nederland.

2.3 Dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen en het buitenland

Voor kinderen van verzekerden die wonen in de Europese Unie, waaronder ook wordt verstaan de Europese Economische Ruimte en Zwitserland (in het vervolg afgekort tot EU), geldt op basis van de Europese Verordening betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels dat de verzekerde recht op kinderbijslag heeft, ook als de gezinsleden in een andere lidstaat wonen, alsof deze in de lidstaat wonen waar de verzekerde woont. Daarnaast bepaalt artikel 5, onderdeel b, van die verordening dat indien de wetgeving van de bevoegde lidstaat rechtsgevolgen toekent aan bepaalde feiten of gebeurtenissen, die lidstaat rekening houdt met soortgelijke feiten of gebeurtenissen, die zich in een andere lidstaat voordoen alsof zij zich op het eigen grondgebied hebben voorgedaan.

Voor kinderen die wonen in verdragslanden buiten de EU gelden deze bepalingen niet.

Dan kunnen de discriminatieverboden in onder andere artikel 1 van de Grondwet, artikel 26 Van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en in het twaalfde protocol bij het EVRM van belang zijn. Aan de eis dat het kind een aangewezen Nederlandse opleiding volgt kan niet worden voldaan door kinderen die buiten Nederland wonen. Daarmee worden meer niet-Nederlandse verzekerden getroffen dan verzekerden met de Nederlandse nationaliteit. Er is geen objectieve rechtvaardigingsgrond om geen dubbele kinderbijslag toe te kennen indien het kind wel een met een aangewezen Nederlandse opleiding vergelijkbare opleiding volgt en wordt voldaan aan de eis dat de afstand tussen het woonadres van de verzekerde – of de ander tot wiens huishouden het kind laatstelijk behoorde – tot de dichtstbijzijnde instelling of school waar de (vergelijkbare) beroepsopleiding wordt aangeboden meer bedraagt dan een bij ministeriële regeling te bepalen aantal kilometers. Dit betekent dat de verzekerde voor het kind in die situatie recht op dubbele kinderbijslag kan hebben. Hetzelfde geldt als het kind een bepaalde school bezoekt voor het volgen van voortgezet onderwijs in verband met zijn muziek- of dansopleiding of zijn sporttraining.

Verder geldt dat als de verzekerde aantoont dat hij, danwel de ander tot wiens huishouden het kind laatstelijk behoorde, in een gebied buiten Nederland woont met een laag aanbod aan onderwijs en waarbij niet verwacht kan worden dat het kind op basis van openbaar of eigen vervoer dagelijks heen en weer reist tussen de school en het adres van de verzekerde of die ander, er voor dit kind ook sprake kan zijn van dubbele kinderbijslag. Van ouders met een kind in het buitenland waarvoor dubbele kinderbijslag kan gelden op basis van de bepalingen in artikel 7, zesde lid, onderdeel b, onder 1° of 3°, wordt verwacht dat zij aantonen dat hun kind een aan de lijst gelijksoortige opleiding volgt of school bezoekt en er geen gelijksoortige opleiding binnen een bepaald aantal kilometers aangeboden wordt of dat er sprake is van het wonen door de ouder(s) in een geϊsoleerd gebied waarbij er niet op een redelijke reisafstand van het woonadres een school of opleiding is. Wanneer dit niet is af te leiden uit bewijsstukken en verklaringen van een officiële instantie zal moeten worden afgegaan op een verklaring van de ouders. Deze bewijsstukken en verklaringen zullen steekproefsgewijs worden gecontroleerd. Dit zal nauwlettend worden gevolgd zodat jaarlijks samen met de SVB de werkwijze met betrekking tot de aanscherping van de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen in het buitenland kan worden geëvalueerd en eventueel worden aangepast.

Zoals al eerder aangegeven komen verzekerden die in het buitenland wonen en werkzaamheden verrichten in het algemeen belang in aanmerking voor dubbele kinderbijslag voor alle soorten onderwijs waarop zij hun kind plaatsen als het kind daardoor niet thuis woont. Het kind moet bij een vergelijkbare inrichting van onderwijs als bedoeld in de Leerplichtwet staan ingeschreven. Dit geldt ook voor de verzekerden die wonen op Aruba, Curaçao, St. Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, St. Eustatius en Saba. Als het om onderwijs in een niet-verdragsland gaat bestaat voor het kind van de verzekerde die werkzaamheden in het algemeen belang verricht alleen recht op kinderbijslag als het kind in hetzelfde land woont als de verzekerde. Dit volgt uit artikel 6 van het Besluit export uitkeringen.

2.4 Gevolgen voor de huidige ontvangers van dubbele kinderbijslag en overgangsrecht

Voor nieuwe gevallen gaan de nieuwe voorwaarden in per 1 januari 2015, de beoogde datum van inwerkingtreding van het voorgestelde gewijzigde artikel 7, zesde lid, AKW. Hiermee wordt een overgangsperiode van minimaal zes maanden vanaf publicatie van het wetsvoorstel beoogd. De ouders die het betreft krijgen door inachtneming van deze overgangsperiode de gelegenheid zich op de nieuwe voorwaarden voor te bereiden. Voor ouders van kinderen onder de zestien jaar die op de dag voor inwerkingtreding dubbele kinderbijslag ontvangen wegens onderwijsredenen en niet aan de nieuwe voorwaarden voor dubbele kinderbijslag voldoen, wordt overgangsrecht voorgesteld dat inhoudt dat de (oude) voorwaarden van het huidige artikel 7, derde lid, AKW van toepassing blijven totdat het lopende schooljaar is afgerond. Voor deze ouders gaan de nieuwe voorwaarden in per 1 oktober 2015.

Voor kinderen die al zestien en zeventien jaar zijn en waarvoor de ouders dubbele kinderbijslag ontvangen op de dag voor inwerkingtreding van het nieuwe zesde lid van artikel 7 AKW wijzigt er niets. Op hen blijven de oude voorwaarden van toepassing totdat de betrokken kinderen 18 jaar zijn geworden. Hiervoor is gekozen omdat voor deze kinderen op dit moment naast de onderhouds-voorwaarden geen andere voorwaarden gelden voor de dubbele kinderbijslag.

3 Technisch aanpassen AKW in verband met de integratie van de (extra) tegemoetkoming voor ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen

Met het onderhavige wetsvoorstel wordt de (extra) tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen (Regeling TOG) geïntegreerd in de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Voor de toekenning van het extra bedrag aan kinderbijslag voor alleenverdieners met thuiswonende gehandicapte kinderen (de huidige TOGplus) is de SVB voornemens het huidige proces van de toekenning van de TOGplus te handhaven, waarin jaarlijks op aanvraag een beschikking wordt afgegeven over de periode van een jaar. Deze beschikking staat los van de beschikking over de (dubbele) kinderbijslag. Aangezien de uitvoeringspraktijk van de extra tegemoetkoming wat betreft de aanvraag en uitbetaling afwijkt van de procedure bij de (dubbele) kinderbijslag hecht de SVB er aan deze afwijkende systematiek niet vast te leggen in lagere regelgeving, maar in de wet in formele zin. Daarom wordt voorgesteld de artikelen 14 en 18 van de AKW aan te passen. De artikelen 14 en 18 van de AKW handelen over de aanvraag en uitbetaling van de kinderbijslag. Daarnaast wordt in artikel 14, derde lid, nog een toevoeging voorgesteld ten aanzien van de met het onderhavige wetsvoorstel in de AKW geïntegreerde tegemoetkoming op grond van de Regeling TOG. Hiermee wordt verduidelijkt dat het recht op dubbele kinderbijslag voor thuiswonende gehandicapte kinderen – conform de huidige tegemoetkoming op grond van de Regeling TOG – niet eerder kan ingaan dan de eerste dag van het kwartaal tijdens welk de aanvraag werd ingediend. De aanpassingen hebben uitsluitend een uitvoeringstechnisch karakter.

4 Correctie beslagvrije voet in verband met het kindgebonden budget

Het onderhavige wetsvoorstel voorziet in de hervorming en versobering van een aantal kindregelingen. In dat verband wordt onder meer de specifieke bijstandsnorm voor alleenstaande ouders afgeschaft en wordt een inkomensafhankelijke alleenstaande-ouderkop geïntroduceerd binnen de regeling van het kindgebonden budget. Deze aanpassing van de bijstandsnormsystematiek heeft ook directe gevolgen voor de berekening van de beslagvrije voet. De basis van de beslagvrije voet bedraagt immers 90% van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm.

Door de boven beschreven wijziging binnen de WWB bedraagt de beslagvrije voet voor een alleenstaande ouder na invoering van het huidige wetsvoorstel 90% van de alleenstaande norm. Dit basis inkomen wordt feitelijk opgehoogd met inkomensbestanddelen waarop een beslagverbod rust, waaronder het kindgebonden budget met de eerder genoemde alleenstaande-ouderkop. Voor de alleenstaande ouder met een inkomen op of onder de in de Wet op het kindgebonden budget opgenomen inkomensgrens (artikel 2, zesde lid), betekent dit dat hij feitelijk bij beslag op het inkomen in ieder geval kan beschikken over 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm plus het maximaal aan hem toekomende kindgebonden budget. Dit is echter anders wanneer de betrokkene een inkomen heeft boven deze inkomensgrens. Het maximaal aan betrokkene toekomende kindgebonden budget wordt dan immers op basis van artikel 2, zevende lid van de wet verlaagd met 7,6% van het bedrag dat het inkomen van betrokkene (en zijn eventuele partner) de inkomensgrens te boven gaat. Dit komt omdat bij de vaststelling van het toetsinkomen – d.w.z. het inkomen waarvan wordt uitgegaan bij de berekening van de verlaging op het kindgebonden budget – geen rekening wordt gehouden met een eventueel beslag op inkomensbestanddelen. Dit zou inhouden dat de betrokkene met een inkomen boven de inkomensgrens bij beslag op het inkomen feitelijk over een beperkter inkomen zou beschikken dan degene die een inkomen of uitkering onder deze inkomensgrens heeft. Dit is onwenselijk.

De regering stelt daarom voor een extra onderdeel aan het vijfde lid van artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toe te voegen. In artikel 475d Rv is geregeld hoe de beslagvrije voet wordt berekend. De basis van de beslagvrije voet bedraagt 90% van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm. Het vijfde lid van artikel 475d Rv bepaalt echter dat deze basis wordt verhoogd met een tweetal correcties, een in verband met woonlasten en een in verband met de kosten van de zorgverzekering. Voorgesteld wordt om hieraan een correctie in verband met het kindgebonden budget toe te voegen. De correctie is zo vormgegeven dat degene die een inkomen heeft boven de inkomensgrens in het kindgebonden budget bij beslag alsnog feitelijk in een vergelijkbare inkomenspositie wordt gebracht als degene in dezelfde positie met een inkomen onder de inkomensgrens.

Ter illustratie een voorbeeld berekening in de situatie van een alleenstaande ouder van 30 jaar met een 10-jarige dochter. Uitgegaan wordt van een alleenstaande norm in de bijstand ad. € 948,18, een inkomensgrens in het kindgebonden budget van € 19.767,00 en een in deze situatie maximaal kindgebonden budget van € 3.832,00 per jaar. Haar feitelijk beschikbaar inkomen indien beslag ligt op het hoofdinkomen is berekend voor de situatie dat betrokkene beschikt over een – voor de vaststelling van de hoogte van het kindgebonden budget bepalend – toetsinkomen van respectievelijk € 16.500,00, € 23.500,00 en € 30.500,00. Correcties in verband met woonlasten en kosten zorgverzekering zijn buiten beschouwing gelaten.

Toetsinkomen

Hoogte kindgebonden budget per maand

Beslagvrije voet

Voorgestelde correctie ivm kindgebonden budget

Aldus beschikbaar inkomen bij beslag op inkomen

€ 16.500

€ 319,33

€ 853,36

€ 0,00

€ 1.149,64

€ 23.500

€ 295,69

€ 853,36

€ 23,64

€ 1.149,64

€ 30.500

€ 251,36

€ 853,36

€ 67,97

€ 1.149,64

5 Uitkeringslasten, uitvoeringskosten, inkomenseffecten en regeldruk

5.1 Uitkeringslasten

Als gevolg van de aanscherping van de voorwaarden voor het verkrijgen van dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen in deze nota van wijziging zullen de structurele uitkeringslasten van de AKW met circa € 0,8 miljoen dalen. Verwacht wordt dat voor ongeveer 750 kinderen het recht op dubbele kinderbijslag vervalt.

De aanpassingen op de andere terreinen hebben geen gevolgen voor de uitkeringslasten.

5.2 Uitvoeringskosten

De initiële uitvoeringskosten worden geraamd op ca. € 346.000. Deze kosten worden vooral veroorzaakt door systeemaanpassing en eenmalige beoordeling zittend bestand. De structurele uitvoeringskosten bedragen ca. € 260.000. Deze kosten hangen samen met extra onderzoek instroom, herhaalonderzoek zittend bestand en bezwaar en beroep.

De aanpassingen op de andere terreinen hebben geen gevolgen voor de uitvoeringskosten.

In onderstaande tabel zijn de wijzigingen in de structurele uitkeringslasten en de uitvoeringskosten opgenomen.

In mln. €

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Structureel

Uitkeringslasten

– 0,4

– 0,6

– 0,8

– 0,8

– 0,8

– 0,8

Uitvoeringskosten

0,4

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

5.3 Inkomenseffecten

Door de eerbiedigende werking van het overgangsrecht voor de groep huishoudens met kinderen van zestien en zeventien jaar treden op het moment van inwerkingtreden van het nieuwe zesde lid van artikel 7 AKW geen inkomenseffecten op.

Huishoudens met kinderen onder de 16 jaar die niet aan de nieuwe voorwaarden voldoen kunnen de dubbele kinderbijslag vanaf 1 oktober 2015 verliezen waardoor er een inkomensverlies kan ontstaan. Huishoudens die hiermee te maken krijgen worden ruim van tevoren geїnformeerd en hebben daardoor de gelegenheid om de situatie van het kind of de uitgaven aan te passen aan respectievelijk de voorwaarden die gaan gelden en de nieuwe financiële situatie van het huishouden.

5.4 Regeldruk

De aanscherping van de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag zorgt voor extra administratieve lasten. Ouders dienen meer gegevens (bijvoorbeeld de naam van de opleiding en het adres) aan de SVB door te geven. Voor 16 en 17 jarigen gaan dezelfde voorwaarden gelden als voor jongere kinderen; hun reden van uitwonendheid dient voortaan ook opgegeven te worden. Voor ouders met kinderen in het buitenland gaat gelden dat zij voortaan niveau en inhoud van de opleiding moeten opgeven. Desgewenst dienen zij daarvoor bijvoorbeeld een verklaring van de school op te vragen. De extra initiële administratieve lasten worden geraamd op 1.500 uur. De structurele administratieve lasten nemen ten opzichte van het onderhavige wetsvoorstel met 1.000 uur per jaar toe. De totale vermindering van de structurele administratieve lasten door de hervorming van de kindregelingen na de tweede nota van wijziging bedraagt circa 70.000 uur.

Daarnaast heeft de toevoeging van een extra correctie binnen de berekening van de beslagvrije voet tot gevolg dat de beslagene de deurwaarder van meer informatie dient te voorzien wil deze de beslagvrije voet correct kunnen vaststellen. Zo dient niet alleen bekend te zijn wat het «gezamenlijke toetsingsinkomen» is, maar ook hoeveel kinderen er zijn en hoe oud die zijn. Op dit moment dient de beslagene in verband met de overige correcties de deurwaarder ook reeds van de nodige informatie te voorzien. In samenspraak met de Koninklijke Beroepsvereniging van Gerechtsdeurwaarders zal worden bezien in hoeverre de algehele uitvraag zo veel mogelijk kan worden gebundeld, zodat de regeldruk voor de beslagene zo veel mogelijk gelijk blijft, dan wel slechts zeer beperkt toeneemt door de huidige voorgestelde wijziging.

6 Ontvangen commentaar

De SVB merkt in haar reactiebrief van 29 januari 20141 over de (aangepaste) tweede nota van wijziging met betrekking tot het onderwerp aanscherping van de voorwaarden voor de dubbele kinderbijslag het volgende op. De SVB geeft aan haar definitieve oordeel pas te kunnen geven als over alle onderliggende regelgeving een uitvoeringstoets is uitgebracht. Verder merkt de SVB op dat alle ouders met kinderen die om onderwijsredenen niet thuiswonen en dubbele kinderbijslag ontvangen te maken krijgen met de aanscherping van de voorwaarden en – door de nieuwe criteria – met een verhoging van de administratieve lasten. De SVB merkt op dat de aangescherpte voorwaarden slecht handhaafbaar zijn in het buitenland en dat er mogelijk verschillen in behandeling zullen zijn bij de handhaving voor kinderen in Nederland en in het buitenland. Ook wijst de SVB erop dat de uitvoering complexer wordt.

In reactie hierop wordt opgemerkt dat zoals gebruikelijk ook bij dit onderwerp een toets aan de SVB wordt gevraagd over de lagere regelgeving. Dat alle ouders met dubbele kinderbijslag voor kinderen die om onderwijsredenen niet thuiswonen te maken krijgen met de aanscherping van de voorwaarden is het gevolg van het invoeren van het noodzakelijkheidsvereiste van het niet thuis wonen. Dit geldt voor alle kinderen. Er zal inderdaad een toename zijn van de administratieve lasten van ouders maar die zal zich meestal beperken tot het aanleveren van bewijsstukken bij de aanvraag bij mutaties en soms bij herhaalonderzoeken, zoals eerder beschreven. Waar mogelijk wordt in het uitvoeringsproces aangesloten bij bestaande informatiestromen, zoals bijvoorbeeld over de schippersinternaten. Dat de voorwaarden voor een kind in het buitenland lastiger handhaafbaar zijn, is inherent aan het feit dat andere landen bijvoorbeeld andere onderwijsstelsels kennen. De Nederlandse situatie moet dan vertaald worden naar de buitenlandse situatie. Daarbij moet worden gebouwd op bewijsstukken aangeleverd door de ouder of soms een verklaring. Hierop vindt steeksproefsgewijze controle plaats.

Tenslotte maakt de SVB nog enkele redactionele en juridische opmerkingen die waar mogelijk zijn verwerkt.

Het aanpassen van de beslagvrije voet is voorgelegd aan de Koninklijke Beroepsvereniging van Gerechtsdeurwaarders (KBvG). Zij hebben met name gewezen op de toenemende regeldruk voor de schuldenaar. Zoals hierboven reeds aangegeven zal in samenspraak met de KBvG worden bezien hoe de regeldruk voor de schuldenaar zo beperkt mogelijk kan worden gehouden.

Artikelsgewijs

A

Onderdeel 1

Met dit onderdeel worden de voorwaarden voor het recht op dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen aangescherpt. Gelijktijdig worden de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag voor kinderen van zestien en zeventien jaar gelijk getrokken met de voorwaarden voor kinderen onder de zestien jaar. Zie voor een uitgebreide toelichting paragraaf 1 tot en met 3 van het algemene deel van deze toelichting.

Onderdeel 2

De toevoeging aan artikel 14, eerste lid, van de AKW ziet op de aanvraag van het extra bedrag aan kinderbijslag (de huidige TOGplus). Het is wenselijk gebleken het moment van de aanvraag op te nemen in de AKW, temeer daar deze afwijkt van de normale procedure die geldt voor de (dubbele) kinderbijslag. De voorgestelde toevoeging komt inhoudelijk overeen met artikel 6, zevende lid, van de Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen (Regeling TOG). De toevoeging aan artikel 14, tweede lid, is reeds opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel en ondervindt met deze nota van wijziging geen aanpassing. Aan artikel 14, derde lid, wordt voorgesteld toe te voegen dat het recht op dubbele kinderbijslag (de huidige tegemoetkoming op grond van de Regeling TOG) niet eerder kan ingaan dan de eerste dag van het kwartaal tijdens welk de aanvraag werd ingediend. Deze toevoeging aan artikel 14, derde lid, komt inhoudelijk overeen met artikel 6, vijfde lid, van de Regeling TOG.

Onderdeel 3

Het eerste lid van artikel 18 van de AKW is zodanig herschreven dat het nu ook ziet op de betaling van het extra bedrag aan kinderbijslag, dat geen kwartaalsystematiek kent. De betaling van de (dubbele) kinderbijslag ondervindt geen wijziging. De betaling van het extra bedrag aan kinderbijslag vindt plaats drie maanden na indiening van de aanvraag.

Onderdeel 4

In het onderhavige wetsvoorstel vervallen de artikelen 41a en 41b omdat deze zijn uitgewerkt. Met deze nota van wijziging wordt voorgesteld artikel 41a te vervangen door een artikel dat het overgangsrecht regelt voor verzekerden die vanwege de aanscherping van de voorwaarden van dubbele kinderbijslag op grond van het voorgestelde artikel 7, zesde lid, de dubbele kinderbijslag zouden verliezen.

In het voorgestelde eerste lid is geregeld dat als het kind waarvoor dubbele kinderbijslag wordt ontvangen op de dag voor inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 7, zesde lid, jonger is dan 16 jaar, het huidige derde lid, onderdeel a, onder 1°, van artikel 7 van toepassing blijft tot en met 30 september 2015.

Met het voorgestelde tweede lid wordt voorkomen dat er een vacuüm van zes maanden ontstaat ten aanzien van de regels over dubbele kinderbijslag voor zieke en gehandicapte kinderen. Het huidige derde lid van artikel 7 AKW waarin deze regels zijn opgenomen vervalt immers per 1 juli 2014 omdat op die datum het met het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde artikel 7 in werking treedt. En het nieuwe zesde lid van artikel 7, waarin de regels over dubbele kinderbijslag voor zieke en gehandicapte kinderen ongewijzigd worden overgenomen, treedt pas op 1 januari 2015 in werking.

In het voorgestelde derde lid is geregeld dat het huidige artikel 7, derde lid, onderdeel b, van toepassing blijft op het kind van 16 of 17 jaar waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van het zesde lid van artikel 7 dubbele kinderbijslag wordt ontvangen. Deze periode duurt hoogstens 2 jaar. Daarom is in het derde lid bepaald dat dit artikel vervalt twee jaar na haar inwerkingtreding.

Zie voor een nadere toelichting tevens paragraaf 4 van het algemene deel van deze toelichting.

Onderdeel 5

In het onderhavige wetsvoorstel vervallen de artikelen 41a en 41b omdat deze zijn uitgewerkt. Omdat artikel 41a nu wordt ingevuld met het overgangsrecht (zie de toelichting bij onderdeel 4), vervalt alleen artikel 41b. Met dit onderdeel wordt dat geregeld.

Onderdeel 6

Met dit onderdeel wordt een samenloopbepaling voorgesteld met het wetsvoorstel tot wijziging van enkele socialezekerheidswetten in verband met een andere vormgeving van de exportbeperking in de Algemene Kinderbijslagwet en het regelen van overgangsrecht voor de situatie van opzegging of wijziging van een verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen situatie (33 162). Dat wetsvoorstel voegt na artikel 41b een artikel 41c toe. Dat moet artikel 41b zijn indien het onderhavige wetsvoorstel, waarbij artikel 41b vervalt, eerder in werking treedt.

B

Onderdeel 1

Met artikel IV, onderdeel A, eerste subonderdeel, van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB (Stb. 2013, 115) is de verwijzing naar artikel 7a van de AKW in artikel 2, eerste lid, van de WKB vervallen. Artikel IV, onderdeel A, eerste subonderdeel, van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB is op 1 juli 2013 in werking getreden (Stb. 2013, 116). Het eerste subonderdeel van artikel VII, onderdeel B, van het onderhavige wetsvoorstel, dat betrekking heeft op de vernummering van artikel 7a van de AKW tot artikel 7aa van die wet, kan daarom vervallen.

Onderdeel 2

In artikel VII, onderdeel C, eerste subonderdeel, is abusievelijk een punt teveel vermeld. Deze punt vervalt.

C en D

De aanpassing van artikel VIII, onderdeel D, subonderdeel 1, en van artikel IX, onderdeel A, subonderdeel 2, zijn wijzigingen van technische aard.

E

De voorgestelde wijzigingen opgenomen in de onderdelen 1 en 2 (ten aanzien van subonderdeel 8) zijn technisch van aard. Met betrekking tot de voorgestelde wijziging opgenomen in onderdeel 2 (ten aanzien van subonderdeel 9) wordt verwezen naar het algemeen deel van deze toelichting.

F

Voorgesteld wordt om het overgangsrecht te laten vervallen. Het hanteren van overgangsrecht zou in deze situatie inhouden dat de afloscapaciteit van de alleenstaande ouder met loonbeslag dan wel de persoon in een minnelijke of wettelijke schuldregeling, zou worden vastgesteld op basis van een alleenstaande oudernorm, terwijl anderzijds de dan eveneens aan hem toekomende alleenstaande-ouderkop vanwege het geldende beslagverbod niet voor de aflossing van schulden kan worden ingezet. Het totaal besteedbaar inkomen van de desbetreffende persoon zou in die situatie door de wetswijziging toenemen met de hem dan toekomende alleenstaande ouderkop. Dit wordt niet wenselijk geacht.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.