Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-201433619 nr. C

33 619 Wijziging van de Wet op de jeugdzorg en enkele andere wetten, houdende vaststelling van een grondslag voor het stellen van kwaliteitseisen over beroepsoefenaren werkzaam in de jeugdzorg en voor het aanwijzen van een kwaliteitsregister

33 811 Oprichting Stichting Kwaliteitsregister Jeugdzorg

C1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 25 februari 2014

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport2 heeft in haar vergadering van 14 januari 2014 gesproken heeft over de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 december 2013, waarin hij mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie reageert op de brief van de commissie voor VWS van 6 december 2013.3 Naar aanleiding daarvan heeft zij de Staatssecretaris op 14 januari 2014 per brief een nadere reactie gestuurd.

De Staatssecretaris heeft op 19 februari 2014 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, De Boer

BRIEF AAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Den Haag, 14 januari 2014

In haar vergadering van 14 januari 2014 heeft de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) gesproken over uw brief van 16 december 2013, waarin u mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie reageert op de brief van de commissie voor VWS van 6 december 2013.4 Naar aanleiding daarvan bericht zij u als volgt.

A – Oprichting Stichting Kwaliteitsregister Jeugdzorg5

De oprichting van de Stichting Kwaliteitsregister Jeugdzorg (hierna: de Stichting) in maart 2013 dient te worden aangemerkt als het «doen oprichten», in de zin van artikel 34 van de Comptabiliteitswet 2001 (CW 2001), van een privaatrechtelijke rechtspersoon door de Staat. In haar brief van 6 december 2013 heeft de commissie uitgesproken het een ontoelaatbare ontwikkeling te achten dat bij die oprichting geen toepassing is gegeven aan de in artikel 34 CW 2001 voorgeschreven voorafgaande parlementaire betrokkenheid. Aldus is haar de mogelijkheid ontnomen in een vroegtijdig stadium op grond van die bepaling desgewenst te verzoeken nadere inlichtingen te verstrekken of het oordeel uit te spreken dat de voorgenomen rechtshandeling – in casu de oprichting van een stichting – een voorafgaande machtiging bij wet behoeft.

De commissie heeft u gevraagd een verklaring te geven over de bij de oprichting gevolgde procedure en zich het recht voorbehouden na ontvangst van die verklaring een nadere reactie te geven op dit onderwerp.

Hoewel u in uw verklaring van 16 december 2013 opmerkt dat het niet uw bedoeling is iets af te doen aan de parlementaire betrokkenheid bij het oprichten van de Stichting, stelt de commissie helaas vast dat er volgens uw verklaring thans geen andere mogelijkheden resteren dan achteraf inlichtingen te vragen of opmerkingen te plaatsen. De mogelijkheid om eventueel een voorafgaande machtiging bij wet te verzoeken – naar het oordeel van de commissie een essentiële parlementaire bevoegdheid – is door de gevolgde procedure thans een gepasseerd station.

Zoals de commissie in haar brief van 6 december jl. reeds heeft opgemerkt is zij doordrongen van het belang van verdere professionalisering van de jeugdzorg. Dat neemt niet weg dat zij het ontoelaatbaar acht indien de door u genoemde versnellingsambitie uit het regeerakkoord tot gevolg heeft dat wettelijk vastgelegde voorafgaande parlementaire bevoegdheden niet worden gerespecteerd.

De commissie verzoekt u dan ook uiteen te zetten of u mogelijkheden ziet deze omissie volledig te herstellen. Indien u deze mogelijkheden niet aanwezig acht, verzoekt zij u in een overtuigend gemotiveerd betoog in te gaan op de gevolgen van het feit dat in het voorliggende geval geen toepassing is gegeven aan de in artikel 34 CW 2001 voorgeschreven voorafgaande parlementaire betrokkenheid.

Verder vraagt zij, vanwege mogelijke precedentwerking van de thans gevolgde procedure, van u de garantie dat in alle toekomstige gevallen waarin sprake is van het oprichten, mede-oprichten of doen oprichten door de Staat van een privaatrechtelijke rechtspersoon onverwijld en volledig toepassing wordt gegeven aan de in artikel 34 CW 2001 bedoelde parlementaire betrokkenheid. In dit verband verwijst zij naar de zeer onlangs door de Minister van Financiën bij de Tweede Kamer ingediende zesde wijziging van de CW 2001.6 Dat wetsvoorstel regelt onder andere een uitbreiding van de voorhangprocedure bij de Staten-Generaal ter zake van bepaalde privaatrechtelijke rechtshandelingen door het Rijk.

In het beleidskader voor het oprichten van stichtingen7, in december 2006 gepresenteerd door de toenmalige Minister van Financiën, stelde kabinet zich op het standpunt dat het Rijk in beginsel geen betrokkenheid moet hebben bij het oprichten van stichtingen. Het beleidskader is bestemd voor uitzonderingsgevallen waarin de stichtingsvorm toch gewenst is.

Teneinde een goede beoordeling van de voorliggende rechtshandeling mogelijk te maken ontvangt de commissie graag de integrale resultaten van de door uw ministerie uitgevoerde toetsing aan het beleidskader voor het oprichten van stichtingen. Ook verneemt zij graag – mede gelet op de onlangs ingediende zesde wijziging van de CW 2001 – of het Ministerie van Financiën daarbij is geraadpleegd en welke alternatieven voor de oprichting van de Stichting zijn overwogen.

Ten slotte verzoekt de commissie u om, zodra mogelijk, de aan de erkenningsvoorwaarden aangepaste statuten alsmede een rapportage inzake de definitieve opzet van de Stichting aan de Kamer te doen toekomen.

In verband met zijn primaire verantwoordelijkheid voor de naleving van de Comptabiliteitswet 2001, zal een afschrift van deze brief worden gezonden aan de Minister van Financiën.

B – Voorhang wijziging Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg8

De commissie heeft in haar brief van 6 december jl. gesignaleerd dat met het voorgehangen ontwerpbesluit wordt vooruitgelopen op toekomstige wetgeving. Een ontwikkeling die door de Eerste Kamer blijkens correspondentie9 tussen Eerste Kamer en regering als onwenselijk wordt aangemerkt. De commissie ziet in uw reactie geen aanleiding terug te komen op het door haar gemaakte voorbehoud om op het ontwerpbesluit te reageren, tot uiterlijk twee weken nadat de Eerste Kamer de finale besluitvorming over wetsvoorstel 33 61910 heeft afgerond en in het kader van de behandeling van dat wetsvoorstel met de regering van gedachten heeft kunnen wisselen over de professionalisering van de jeugdzorg.

De commissie ziet uw reactie met belangstelling tegemoet en verzoekt u uiterlijk 30 januari 2014 een reactie aan de Kamer te doen toekomen.

Voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, T.M. Slagter-Roukema

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 februari 2013

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van uw Kamer heeft in haar vergadering van 14 januari 2014 mijn reactie11, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, besproken op de brief van 6 december 2013 van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Uit deze bespreking volgen een aantal schriftelijke constateringen en verzoeken waarop ik in deze brief, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zal reageren.

Uw vragen alsmede de vragen van de Tweede Kamer over het volgen van de procedure van artikel 34 Comptabiliteitswet 2001 (CW 2001) doen mij terdege beseffen dat in het geval van de Stichting Kwaliteitsregister Jeugdzorg (hierna: de Stichting) de wettelijke procedure niet juist is gevolgd met als gevolg dat de Stichting een feit is en daarmee de wettelijk vastgelegde parlementaire bevoegdheden van uw Kamer niet zijn gerespecteerd. Ik kan u bevestigen dat er, op deze uitzondering na, onder mijn bewind bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport conform de daarvoor geldende procedures is gehandeld bij het (doen) oprichten van privaatrechtelijke rechtspersonen.

Indien in de toekomst privaatrechtelijke rechtspersonen (mede) worden opgericht danwel sprake is van het doen oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon, zal ik zorg dragen voor een juiste uitvoering van de procedure van artikel 34 CW 2001.

Hiermee heb ik ook gereageerd op het verzoek van de commissie om de garantie dat in alle toekomstige gevallen waarin sprake is van het oprichten, mede oprichten of doen oprichten door de Staat van een privaatrechtelijke rechtspersoon onverwijld en volledig toepassing wordt gegeven aan de in artikel 34 CW 2001 bedoelde parlementaire betrokkenheid.

Aan mij is verder gevraagd uiteen te zetten of ik mogelijkheden zie om de omissie volledig te herstellen, of om in een betoog in te gaan op de gevolgen van het feit dat in het voorliggende geval geen toepassing is gegeven aan de voorafgaande parlementaire betrokkenheid conform artikel 34 CW 2001.

Zoals ik hiervoor al heb aangegeven is de Stichting opgericht. Volgens de huidige statuten kan ontbinding plaatsvinden door een besluit van het bestuur van de Stichting. De Staat heeft daarin geen bevoegdheden.

Als het bestuur van de Stichting thans al zou besluiten om de Stichting te ontbinden, zal met inachtneming van artikel 34 CW 2001 opnieuw een stichting worden opgericht. Gezien de tijd die doorgaans met deze procedures gemoeid is, zal het professionaliseringstraject aanzienlijk vertraagd worden. Het is dan zelfs de vraag of het kwaliteitsregister jeugd bij de inwerkingtreding van de Jeugdwet operationeel is.

Met de commissie onderschrijf ik het belang van verdere professionalisering van de jeugdzorg en ben ik van mening dat deze vertraging onwenselijk is voor het verdere professionaliseringstraject.

U vraagt mij aan te geven wat de gevolgen zijn van het feit dat geen toepassing is gegeven aan artikel 34 CW 2001.

Doordat de Stichting reeds is opgericht voordat de mededeling over de oprichting aan de beide kamers der Staten-Generaal is gedaan, is er – naast het gevolg dat niet meer een voorafgaande machtigingswet kan worden verlangd – geen mogelijkheid meer voorafgaand aan de oprichting van de Stichting inlichtingen te vragen. Het vorenstaande sluit niet uit dat thans nog alle inlichtingen kunnen worden gevraagd en opmerkingen worden gemaakt en dat die kunnen worden betrokken bij de politieke besluitvorming over de wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg. Zolang de mogelijkheid tot erkenning niet wettelijk is geregeld, verschilt de positie van de Stichting niet van een willekeurige, reeds bestaande rechtspersoon waarmee door de overheid overleg wordt gevoerd om mogelijk na voltooiing van de beleidsvorming een rol te spelen bij de uitvoering hiervan. De binding tussen de Staat en de Stichting in de vorm van een erkenning van het kwaliteitsregister jeugd kan eerst ontstaan indien de wet in een mogelijkheid tot erkenning voorziet. Daarvoor dient eerst de politieke besluitvorming rond eerder bedoelde wijzigingsbesluit te worden afgerond.

Tevens vraagt uw commissie mij om de integrale resultaten van de door mijn ministerie uitgevoerde toetsing aan het Kader voor stichtingen. Ook verneemt uw commissie mede met het oog op de eerder genoemde wijziging van de CW 2001, of het Ministerie van Financiën is geraadpleegd en welke alternatieven voor de oprichting van de Stichting zijn overwogen.

In de aanloop naar besluitvorming in de ministerraad over het besluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg en de mededeling omtrent de betreffende de Stichting is er ambtelijk overleg gevoerd met de betrokken ministeries, waaronder het Ministerie van Financiën. Gelet op het Kader voor stichtingen heb ik het Ministerie van Financiën om eventuele opmerkingen over de stichting verzocht. Dit verzoek is gedaan nadat de Stichting was opgericht. Zowel het verzoek alsmede de reactie van het Ministerie van Financiën treft u als bijlagen12 bij de brief aan.

In mijn bijgevoegde brief aan het Ministerie van Financiën wordt ingegaan op de vraag of er publiekrechtelijke alternatieven zijn overwogen. In de brief zet ik uiteen waarom niet is gekozen voor (aansluiting bij) een publiekrechtelijk register zoals in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). De reden dat niet gekozen is voor aansluiting bij het BIG-register is dat dit register beperkt is tot beroepen in individuele gezondheidszorg. De jeugdzorg valt grotendeels buiten dit domein, maatschappelijk werk wordt bijvoorbeeld niet tot de individuele gezondheidszorg gerekend. Een andere reden dat niet gekozen is voor een publiekrechtelijk register is dat, anders dan in de individuele gezondheidszorg, de jeugdzorg in de beginfase van de beroepsvorming verkeert. Publieke regulering van een beroep is pas mogelijk als een beroep in zekere mate uitgekristalliseerd is. Deskundigheid, opleidingseisen en het toetreden van nieuwe beroepen worden dan immers bij of krachtens een wet vastgelegd en zijn nadien niet eenvoudig aan te passen. De vraag naar geregistreerde jeugdprofessionals moet die beroepsvorming stimuleren. Juist in deze fase van de beroepsontwikkeling is flexibiliteit geboden. Tegelijkertijd verbetert de kwaliteit van de zorg. Ik zie daarom vooralsnog voornamelijk een rol voor de beroepsbeoefenaren zelf, wanneer het bijvoorbeeld gaat om toelating tot of verwijdering uit het kwaliteitsregister. Daarbij komt de al eerder aangehaalde ambitie uit het regeerakkoord Rutte II om de professionalisering in de jeugdzorg te versnellen. Via een privaatrechtelijke stichting kan deze op korte termijn worden gerealiseerd. Een alternatief zoals een ZBO of een agentschap sluit niet aan bij de fase van beroepsvorming in de jeugdzorg en bij de versnellingsambitie.

In paragraaf 1.4 en paragraaf 2 van de nota van toelichting bij de thans voorgehangen wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt toegelicht welke mogelijkheden zijn onderzocht voor de juridische uitwerking van een systeem van registratie met tuchtrecht als sluitstuk en wordt duidelijk waarom uiteindelijk gekozen is voor de oprichting van een stichting.

De drie betrokken beroepsverenigingen13 hebben aangegeven over te willen gaan tot de oprichting van een stichting die een beroepsregister inricht. Aanvankelijk hadden zij het voornemen registratie en tuchtrecht per beroepsgroep strikt gescheiden te organiseren rond de registers van de betrokken beroepsverenigingen. Ten behoeve van de duidelijkheid voor de burger en een eenvormige ontwikkeling van de door een stichting te organiseren tuchtrechtspraak, is er in overleg met STIPJ (stuurgroep implementatie professionalisering jeugdzorg) voor gekozen de registratie en daaraan te verbinden gevolgen te organiseren rond één centraal register, het kwaliteitsregister jeugd.

Zodra dit mogelijk is zal ik voldoen aan het verzoek van uw commissie om de aan de erkenningsvoorwaarden aangepaste statuten aan uw Kamer te doen toekomen, alsmede een rapportage inzake de definitieve opzet van de Stichting.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn


X Noot
1

De letter C heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 33 619.

X Noot
2

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Dupuis (VVD) (vice-voorzitter), Linthorst (PvdA), Slagter-Roukema (SP) (voorzitter), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Quik-Schuijt (SP), Reuten (SP), De Vries-Leggedoor (CDA), Flierman (CDA), Barth (PvdA), Martens (CDA), vac. (CDA), Scholten (D66), Backer (D66), Ganzevoort (GL), De Lange (OSF), Ter Horst (PvdA), Beuving (PvdA), Frijters-Klijnen (PVV), Van Dijk (PVV), De Grave (VVD), Bröcker (VVD), Beckers (VVD), Van Beek (PVV), Bruijn (VVD), Koning (PvdA)

X Noot
5

33 811, A/1

X Noot
6

33 837, 2

X Noot
7

25 268, 42

X Noot
8

33 619, A

X Noot
10

Aanpassingen van de Wet op de jeugdzorg en enkele andere wetten ten behoeve van de professionalisering van de jeugdzorg (33 619)

X Noot
11

Brief van 16 december 2013 (Kamerstukken I 2013/14, 33 619, B)

X Noot
12

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffie nr. 154047.04

X Noot
13

De beroepsverenigingen zijn de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW), de Nederlandse Vereniging Van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO) en het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP).