Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201833612 nr. 68

33 612 Structuurvisie Windenergie op land

Nr. 68 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2018)

Hierbij informeer ik uw Kamer, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, over de voortgang van de doelstelling uit het Energieakkoord om 6.000 MW aan opgesteld vermogen windenergie op land te realiseren in 2020. Hiertoe bied ik uw Kamer de Monitor Wind op Land 2017 aan1. De monitor is opgesteld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en geeft nationaal, provinciaal en per project inzicht in de stand van zaken en schetst de verwachtingen voor realisatie van windenergie op land in 2020 op peildatum 31 december 2017. Verder stuur ik uw Kamer het plan van aanpak dat het kernteam Wind op Land op verzoek van de voorzitter van de Borgingscommissie van het Energieakkoord heeft opgesteld.

Uitkomsten Monitor Wind op Land 2017

Aan het eind van 2017 stond er in Nederland 3.249 MW operationeel vermogen aan windturbines op land. Dat is goed voor 54% van de doelstelling.

De verwachting is dat het vermogen sterk zal toenemen de komende jaren:

  • Met een groot aantal aanvragen voor SDE+ in 2017 is er een belangrijke stap vooruit gezet (1.810 MW te realiseren vermogen wind op land);

  • Het aantal projecten waarvan de bouw nu in voorbereiding is, is toegenomen met zo’n 1.400 MW.;

  • Ook is een groot aantal projecten een procesfase opgeschoven richting realisatie (zie tabel 1).

RVO concludeert dat het (vrijwel) zeker is dat eind 2020 minstens 5.153 MW windvermogen operationeel zal zijn in Nederland en dat het aannemelijk is dat daarnaast 71 MW geheel of gedeeltelijk wordt gerealiseerd. De monitor geeft verder aan dat de totale projectcapaciteit is gegroeid naar 6.867 MW, zo’n 14,5% hoger dan de doelstelling. Deze extra projectcapaciteit komt voornamelijk door extra projecten in Flevoland, Zuid-Holland en Groningen.

Tabel 1. De Monitor Wind Op Land 2017 laat een grote verbetering zien ten opzichte van de vorige monitor. Projecten zijn opgeschoven van categorie onzeker, naar de categorieën deels en zeker
 

Monitor 2016 (MW)

Monitor 2017 (MW)

Verschil 2016 t.o.v. 2017 (MW)

Verwachte realisatie in 2020: categorie zeker

4.576

5.153

+ 577

Verwachte realisatie in 2020: categorie deels

331

71

– 260

Verwachte realisatie in 2020: categorie onzeker

1093

776

– 317

Extra projectcapaciteit

638

866

+ 228

Totale projectcapaciteit

6.638

6.866

+ 228

De Monitor Wind op Land 2017 laat zien dat er grote verschillen zijn tussen de provincies. Het is voor het eerst dat er twee provincies aangeven dat ze hun provinciale doelstelling niet tijdig zelf zullen realiseren, namelijk Zuid-Holland en Noord-Brabant. Maar ook de provincies Utrecht en Limburg lopen nog achter. De provincie Groningen heeft een sprong voorwaarts gemaakt ten opzichte van de monitor van vorig jaar. De bouw van alle benodigde windparken is in voorbereiding of is al gestart. Ook heeft de provincie Groningen samen met TenneT begin 2018 een scherpere planning afgesproken voor de netaansluiting van de windparken, waardoor het knelpunt bij Delfzijl is opgelost. Groningen zal hiermee haar doelstelling tijdig realiseren. Ook Noord-Holland zal haar doelstelling tijdig realiseren.

Alle betrokken partijen blijven zich inzetten om zoveel mogelijk wind op land te realiseren in 2020 en 2023. Deze inzet blijkt uit de volgende aanpak:

  • 1. De inzet van het kernteam wind op land;

  • 2. Het plan van aanpak wind op land, opgesteld op verzoek van de voorzitter van de Borgingscommissie zoals beschreven staat in de Uitvoeringsagenda 2018;

  • 3. Realisatie van meer hernieuwbare energie in 2023 wanneer de 6.000 MW niet in 2020 gerealiseerd wordt.

1. Inzet kernteam

Versnelling blijft noodzakelijk, waarbij de focus ligt op het toepassen van maatwerk per project. Het kernteam, bestaande uit de ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Infrastructuur en Waterstaat, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Unie van Waterschappen, Netbeheer Nederland, Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA) en Stichting Natuur en Milieu, zet zich hier voor in. Dat dit effect heeft, blijkt uit het feit dat ten opzichte van de Monitor Wind op land 2017 (peildatum 31-12-2017) er al diverse projecten een versnelling hebben doorgemaakt. Hieronder volgen de acties die het kernteam het afgelopen jaar heeft ondernomen om de realisatie van de 6.000 MW te versnellen.

De twee belangrijkste knelpunten zijn lokaal draagvlak en acceptatie en radarverstoring van windturbines. Wat betreft radarverstoring zijn er de afgelopen jaren grote stappen gezet. Zo financiert het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat de extra defensie-naderingsradar op maritiem vliegkamp De Kooy bij Den Helder en een extra radarstation voor Zuidwest Nederland. Dat betekent dat twee projecten in Zeeland naar alle waarschijnlijkheid tijdig gerealiseerd zullen worden, een verbetering ten opzichte van wat er in de monitor staat vermeld. Zeeland zal hierdoor zijn doelstelling tijdig realiseren. Voor Zuidoost-Nederland zoek ik in nauwe samenwerking met Defensie en BZK naar een integrale technische oplossing om de verstoring te verminderen. Op het gebied van draagvlak en acceptatie heeft de Stichting Natuur en Milieu een Green Deal Participatie van de omgeving bij duurzame energieprojecten geïnitieerd met als doel om omwonenden «aan de voorkant» bij duurzame energieprojecten te betrekken. Dit is passend bij de visie op omgevingsmanagement zoals deze is geschetst in de brief «Samen Energieprojecten Realiseren» (Kamerstuk 31 239, nr. 211). Ook gemeenten en provincies hebben geleerd van de processen de afgelopen jaren op onder meer het gebied van draagvlak en acceptatie. Zij gebruiken de geleerde lessen bij de verdere ontwikkeling van wind op land en de ontwikkeling van de regionale energiestrategieën.

In Gelderland zijn de diverse betrokken partijen, waaronder RWS, RVO, TenneT en het Ministerie van EZK, bezig om maatwerk toe te passen bij het Rietkampen/Oosterhout-Park 15 project om zo om te gaan met de nabijheid van een hoogspanningslijn. Limburg heeft besloten om voor een windpark in Venlo een Provinciaal Inpassingsplan (PIP) te gaan maken. Limburg wil kunnen voldoen aan de afgesproken taakstelling die provincies met het Rijk hebben gemaakt. RVO is een pilot gestart om gemeenten te ondersteunen die daar behoefte aan hebben. Daarnaast zijn door RVO masterclasses en werksessies georganiseerd rondom omgevingsmanagement en wind op bedrijventerreinen en zijn zo tientallen deelnemers van gemeenten, provincies en organisaties, waaronder waterschappen en milieudiensten, geïnformeerd en ondersteund.

Naar aanleiding van mijn toezegging op 8 maart 2018 tijdens het plenaire debat over de Nationale Energieverkenning 2017 kan ik melden dat gemeenten geen inpassingsplannen toepassen, dat doen provincies. Na navraag zijn mij geen provincies bekend die zijn gestopt met inpassingsplannen wind op land.

2. Plan van aanpak wind op land 2018

Naar aanleiding van de Nationale Energieverkenning (NEV) 2017 (Kamerstuk 30 196, nr. 559) hebben de Energieakkoordpartijen in de Uitvoeringsagenda 2018 afgesproken dat Rijk, provincies en gemeenten een gecoördineerd plan van aanpak opstellen om de realisatie van wind op land te versnellen. Het plan maakt inzichtelijk welke knelpunten er op projectniveau zijn die de realisatie van wind op land in 2020 dreigen te vertragen en hoe deze knelpunten versneld weggenomen kunnen worden. Elk kwartaal zal het kernteam de voortgang rapporteren aan de voorzitter van de Borgingscommissie, zodat er zo snel mogelijk ingegrepen kan worden wanneer de aanpak van knelpunten vertraging dreigt op te lopen. Met dit plan achten de betrokken partijen het haalbaar dat er meer MW gerealiseerd kan worden in 2020 dan de huidige verwachting van de monitor van minstens 5.153 MW operationeel windvermogen. Hierbij is niet meegerekend dat mogelijk 200 MW van het windpark Fryslân pas na 2020 gerealiseerd kan worden doordat het windpark wacht op de latere uitspraak van de Raad van State.

Dit plan van aanpak laat zien dat alle partijen gecommitteerd zijn en er sprake is van een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ik zal mij dan ook volledig inzetten voor dit plan van aanpak.

3. Op naar 6.000 MW wind op land

Bij sommige partijen van het Energieakkoord bestaan zorgen over de haalbaarheid van de 6.000 MW in 2020 en over de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd personeel. Ik deel deze zorgen en verwacht dat de 6.000 MW in 2020 niet geheel gerealiseerd zal zijn. Dat neemt niet weg dat ik me onverminderd blijf inzetten samen met provincies, gemeenten en de andere betrokken partijen. De toegenomen projectcapaciteit biedt perspectief.

Met de provincies heb ik afgesproken dat, in zoverre de 6.000 MW doelstelling niet tijdig gerealiseerd wordt, het restant van de opgave verdubbeld zal worden. Deze verdubbeling zal dan gerealiseerd worden in de periode 2021–2023. De verdubbeling boven de 6.000 MW kan bestaan uit wind op land, maar mag ook deels met andere vormen van hernieuwbare energie gerealiseerd worden, mits deze additioneel zijn aan het beeld van de Nationale Energieverkenning (NEV). Denk hierbij aan zon-PV en geothermie. Mocht dit aan de orde zijn dan zal het percentage hernieuwbare energie in 2023 verder toenemen dan de volgens de NEV 2017 verwachte 17,3%. Ik ben blij met de toezegging van de provincies dat zij de eventuele restopgave zullen verdubbelen. De Borgingscommissie heeft waardering uitgesproken voor deze afspraak met de provincies.

Tot slot

Wind op land is een complexe opgave. Tegelijkertijd is deze vorm van energieopwekking onmisbaar in de energietransitie. De afgelopen jaren hebben getoond hoe belangrijk het is dat alle betrokken partijen zich gezamenlijk en intensief inzetten voor de realisatie van windprojecten. De totale projectcapaciteit en de verwachte realisatie in 2020 is, ten opzichte van de Monitor Wind op Land 2016, sterk gegroeid. Met behulp van het plan van aanpak en de inzet van het kernteam wordt er gewerkt aan de realisatie van meer opgesteld vermogen wind op land in 2020 dan in de Monitor Wind op Land 2017 is vermeld. Het restant van de opgave in 2020 zal in de periode 2021–2023 dubbel gerealiseerd worden. Dus later dan gepland, maar wel meer dan beoogd.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl