33 610 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de loonbelasting 1964, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet in verband met de aanpassing van het fiscale kader voor oudedagsvoorzieningen (Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen)

Nr. 6 VERSLAG

Vastgesteld 24 mei 2013

De vaste commissie voor Financiën belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

 

Blz.

   

Inleiding

2

Achtergrond aanpassing Witteveenkader

5

Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

9

Generatie-effecten

14

Verantwoordelijkheid sociale partners en pensioenfondsbesturen

16

Budgettaire aspecten

16

Uitvoeringsaspecten

17

Administratieve lasten

18

Overig

18

Actuariële berekening Witteveenkader

22

Artikelsgewijze toelichting

24

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen. Deze leden delen het uitgangspunt van de regering dat nog steeds een adequaat pensioen kan worden opgebouwd doordat mensen steeds langer werken. De verhoogde AOW-leeftijd zal ook bijdragen aan een langere deelname van werknemers aan het arbeidsproces. Over het wetsvoorstel hebben genoemde leden wel een aantal vragen ter verduidelijking.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden zijn trots op het Nederlandse collectieve en solidaire pensioenstelsel en willen deze voorziening ook voor de jonge generaties veilig stellen.

De leden van de fractie van de PVV nemen met ongenoegen kennis van dit onzalige kabinetsplan om de fiscaalvrije pensioenopbouw drastisch in te perken middels dit wetsvoorstel. Deze leden hebben enkele vragen.

De leden van de SP-fractie hebben met teleurstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Genoemde leden zijn van mening dat het voorliggend wetsvoorstel lijnrecht staat tegenover de mogelijkheden om een adequaat pensioen op te bouwen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioenen en maximering pensioengevend inkomen.

De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. De leden van de D66-fractie hebben verschillende vragen en opmerkingen over dit wetsvoorstel.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden willen de regering enkele opmerkingen en vragen over het wetsvoorstel voorleggen.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel waarin de regering voorstelt de maximumopbouw- en de premiepercentages van pensioenen te verlagen en het pensioengevend inkomen te maximeren. Deze leden constateren dat dit voorstel een grote invloed heeft op de mogelijkheden van Nederlanders om pensioen op te bouwen. Voor een zorgvuldige behandeling van dit wetsvoorstel ontvangen de leden van de SGP-fractie graag antwoord op de vragen die zij de regering in dit verslag voorhouden.

Inleiding

Wat de leden van de fractie van de PvdA betreft moet de solidariteit tussen generaties, maar ook binnen generaties centraal staan in het Nederlandse pensioensysteem.

De commissie Goudswaard concludeerde in 2010 dat er diverse oplossingen voorhanden waren om het pensioenstelsel schokbestendiger en toekomstbestendiger te maken. De commissie was van oordeel dat er nauwelijks nog rek zat in de premie, maar dat er gekeken zou moeten worden naar een beperking van de ambitie of in het anders omgaan met risico’s, of een combinatie van beide. Genoemde leden zijn van mening dat er met de lopende discussie over het financieel toetsingskader en de maatregelen in het regeerakkoord een goede invulling is gegeven aan deze adviezen van de commissie Goudswaard. Daarnaast spreekt de Tweede Kamer al een aantal jaren over het verhogen van de AOW-leeftijd. Om ook in de toekomst voldoende handen aan het bed en docenten voor de klas te houden, moeten we allemaal langer doorwerken. Het langer doorwerken maakt het volgens deze leden mogelijk om met een lager opbouwpercentage toch tot een ambitie van 70% van het gemiddeld verdiende inkomen te komen. Indexatie van het pensioen blijft onverminderd belangrijk.

De leden van de PvdA-fractie zijn trots op het bereikte sociaal akkoord tussen het kabinet, werkgevers en werknemers. In dit sociaal akkoord is ook opgenomen dat de sociale partners de gelegenheid krijgen tot 1 juni om met alternatief te komen voor of als aanvulling op het voorliggende wetsvoorstel, met een maximaal budgettair beslag oplopend tot structureel 250 mln. De leden van de PvdA-fractie hebben alvast een aantal vragen over voorliggend wetsvoorstel. Dit laat onverlet dat genoemde leden de sociale partners in de gelegenheid stellen om met een alternatief voorstel te komen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke gevolgen de samenloop van voorliggend wetsvoorstel en het nieuwe Financieel Toetsingskader per 1 januari 2015 voor de deelnemers kan hebben voor wat betreft de ambitie van hun pensioen, de zekerheid, de financiering en de risico’s?

In het Pensioenakkoord is premiestabilisatie overeengekomen. Is het aanpassen van de premieniveaus aan de versobering van het fiscale kader in strijd met deze afspraak, vragen genoemde leden?

Sociale partners hebben tot 1 juni 2013 de tijd gekregen om met alternatieve dan wel aanvullende voorstellen te komen op de kabinetsplannen. Het is nog niet bekend wat de uitkomst hiervan zal zijn en wat de uiteindelijke maximering van het Witteveenkader zal worden. De leden van de PVV-fractie vragen of deze wetswijziging dan niet voorbarig is?

De leden van de SP-fractie achten het moment van indiening van het voorliggende wetsvoorstel onjuist gezien het feit dat er gesprekken plaatsvinden met sociale partners over aanpassingen van het wetsvoorstel. Zij zijn van mening dat het negeren hiervan niet bijdraagt aan een zorgvuldige behandeling omdat ingrijpende aanpassingen te verwachten zijn en er dan opnieuw een schriftelijke inbreng noodzakelijk zal zijn. Deze leden vragen waarom er niet voor is gekozen deze gesprekken af te wachten. Zij vragen naar de stand van zake van deze gesprekken.

De leden van de fractie van de SP achten de bezwaren van de Raad van State aangaande de cumulatie van mogelijke maatregelen voor het tweedepijler-pensioen en het voorliggend wetsvoorstel zwaarwegend en vragen de regering het wetsvoorstel terug te trekken.

De leden van de SP-fractie achten het moment van indiening ook niet opportuun gezien de aangekondigde wijzigingen van de Pensioenwet en pensioenreglementen. Genoemde leden hechten er aan om de samenhang hiermee tot uitdrukking te brengen door een gelijktijdige behandeling mogelijk te maken.

Tevens betreuren de leden van de SP-fractie dat het voorliggend wetsvoorstel enkel en alleen tot stand is gekomen om bezuinigingen te realiseren en dat een zorgvuldige behandeling in samenhang met andere wijzigingen van de Pensioenwet om die rede ter zijde is geschoven.

De regering had als doelstelling om alle wetten met meer dan 50 miljoen bezuiniging in 2014 behandeld te hebben in beide Kamers. De leden van de CDA-fractie merken op dat dit het eerste wetsvoorstel met een bezuiniging van meer dan € 500 miljoen is, dat ingediend is, meer dan een half jaar na dit streven. Kan de regering aangeven hoe het tijdschema voor de grote bezuinigingen van het regeerakkoord, het herziene regeerakkoord, het sociale akkoord, het zorgakkoord en alle andere akkoorden er op dit moment uitziet? Mocht de regering in staat zijn om een totaal overzicht te leveren van het vele malen herziene akkoord, dan stellen genoemde leden dat zeer op prijs. Zij bedoelen dan niet zozeer de tekst, maar de bijlage met alle maatregelen en het bedrag dat ieder van deze maatregelen moet opleveren.

De leden van de CDA-fractie verbazen zich, net als vele anderen, over de timing van dit wetsvoorstel. De regering heeft de ambitie om nog dit jaar met een herzien voorstel voor een Financieel Toetsingskader (FTK) naar de Kamer te komen. Dat voorstel, dat voortvloeit uit weer een ander akkoord, het pensioenakkoord 1.0 (en zijn opvolgers) zal mogelijk de pensioenopbouw fors wijzigen. De leden van de CDA-fractie zouden het logischer vinden als ten minste eerst het nieuwe FTK-voorstel op tafel ligt voordat er over gegaan wordt tot aanpassing van het Witteveenkader in het voorliggende wetsvoorstel. Kan de regering aangeven waarom zij voor een omgekeerde volgorde gekozen heeft en kan zij alvast schetsen op welke wijze dit voorstel gevolgen heeft voor het nieuwe FTK? Graag ontvangen deze leden daarover een uitgebreid memo.

De leden van de CDA-fractie missen een diepgaande analyse van wat er gebeurt met pensioengeld. In Nederland hebben we er bewust voor gekozen dat pensioen opgebouwd kan worden vanuit het brutosalaris, dat de ingelegde gelden niet belast worden via de vermogensrendementsheffing en dat de pensioenuitkering belast wordt.

Het huidige pensioenstelsel sluit onvoldoende aan op de moderne arbeidsmarkt en maatschappij. Denk daarbij aan de (sneller dan verwachte) stijging van de levensverwachting, het tempo waarin mensen van baan en sector wisselen en de samenhang met particulier spaargedrag (waaronder opbouw van vermogen via een woning). Hervormingen zijn nodig, juist om het stelsel houdbaar te maken naar de toekomst. Daarbij gaat het niet alleen om aanpassing van het Witteveenkader, maar ook over bijvoorbeeld het financieel toetsingskader en de regels voor pensioenfondsbesturen. De leden van de D66-fractie missen echter een integrale visie van de regering. Er komen nu aparte wetsvoorstellen op de verschillende thema's, maar onbekend is welke samenhang de regering ziet. Deze leden vragen de regering om hierop in te gaan. Kan de visie uiteengezet worden in een brief aan de Tweede Kamer?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat er in het Begrotingsakkoord voor 2013 al de nodige, ingrijpende aanpassingen zijn gedaan aan het pensioenstelsel. Daarnaast hebben pensioenfondsen zich in de afgelopen jaren genoodzaakt gezien om maatregelen te nemen waarmee de pensioenopbouw en de pensioenafspraken zijn versoberd. Genoemde leden beoordelen het onderhavige wetsvoorstel mede in het licht van de genoemde maatregelen en ontwikkelingen en hechten belang aan een eerlijke intergenerationele verdeling van de effecten van een mogelijke aanpassing van de Witteveenkader (intergenerationele solidariteit).

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering aan te geven welke maatregelen (zowel door de overheid als door pensioenfondsen) genomen zijn of zullen worden om de pensioenen aan te passen (te versoberen). Zij wensen graag een beter zicht op de cumulatieve effecten van deze maatregelen, om de voorgestelde aanpassing van het Witteveen-kader beter te kunnen beoordelen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering aan te geven of het uitgangspunt van de Commissie-Witteveen dat de fiscale facilitering van pensioenen volgend is ten opzichte van de maatschappelijke ontwikkelingen in de tweede pijler nog steeds leidend is.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering verwijst naar de situatie van vóór het Witteveen-kader, waarbij sprake was van een open norm, door jurisprudentie zodanig ingevuld dat mocht worden gestreefd naar een pensioenresultaat op de pensioeningangsdatum van 70% van het laatstverdiende loon dat in 40 jaar kon worden opgebouwd (1,75% per dienstjaar). Genoemde leden vragen een nadere onderbouwing van deze open norm van destijds en verzoeken de regering inzicht te geven in de onderliggende jurisprudentie, aangezien deze open norm van vóór het Witteveen-kader nu weer als uitgangspunt wordt genomen voor de aanpassing van het kader.

De leden van de SGP-fractie lezen dat de Raad van State nog veel vragen heeft over de gemaakte keuzes in dit wetsvoorstel, met name over het feit dat de voorgestelde wijzigingen van het Witteveenkader vooruitlopen op wijzigingen van de Pensioenwet en de pensioenreglementen. Kan de regering nader toelichten waarom vooruit wordt gelopen op (de uitkomsten van) het lopende debat over de solidariteit die aan het pensioenstelsel ten grondslag ligt en over de verplichtstelling van het tweedepijler-pensioen? Kan de regering nader beargumenteren waarom zij het niet nodig vindt om het debat pas te voeren nadat alle relevante aspecten van de wijzigingen in het pensioenstelsel ter tafel liggen?

In de memorie van toelichting, wordt expliciet aangegeven dat maatregelen nodig zijn om het pensioenstelsel veilig te stellen voor toekomstige generaties, lezen de leden van de fractie van 50PLUS. Naast het verhogen van de AOW-leeftijd is het verlagen van de opbouwpercentages een van de maatregelen die de regering neemt met het doel de houdbaarheid van de pensioenen veilig te stellen.

De leden van de 50PLUS-fractie vragen zich af of het verlagen van de opbouwpercentages niet haaks staat op de ambitie om het pensioenstelstel toekomstbestendig te houden? Mensen zullen immers, ten gevolge van deze verlaging, minder pensioen gaan opbouwen waardoor de financiële houdbaarheid van pensioenen in de tweede pijler juist nog meer onder druk kan komen te staan in de toekomst. Door de toegenomen levensverwachting neemt het aantal gepensioneerden ten opzichte van het aantal werkenden immers steeds verder toe. Nu deze steeds kleiner wordende groep werkenden ook minder zal gaan afdragen als gevolg van de verlaging van opbouwpercentages lijkt het een logisch gevolg dat het verlagen van de opbouwpercentages ten opzichte van het doel om de pensioenen betaalbaar te houden averechts zal werken.

Achtergrond aanpassing Witteveenkader

Kan de regering aan de leden van de VVD-fractie aangeven hoeveel procent van de werknemers een aanvullend pensioen opbouwt? Kan de regering verder aangeven wat de gemiddelde uittreedleeftijd van werknemers is van de afgelopen 10 jaar? Wat was de uittreedleeftijd tijdens de introductie van het Witteveenkader? Wat is de gemiddelde toetredingsleeftijd tot een pensioenregeling? Hoe heeft deze zich de afgelopen jaren ontwikkeld? Heeft de regering een schematisch overzicht van de levensverwachting van de afgelopen 30 jaar?

De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij inzicht heeft in het aantal pensioenregelingen dat de fiscale ruimte volledig benut? Kan de regering voorts inzicht geven in de reden van de stijging van de kosten van de zogenoemde omkeerregel? In hoeverre heeft dit te maken met een toenemend aantal werknemers dat aanvullend pensioen opbouwt en in hoeverre heeft dit te maken met een toenemend bedrag dat een individueel persoon opbouwt?

Wat is het gemiddelde aanvullend pensioen dat een werknemer in de tweede pijler opbouwt, vragen de leden van de fractie van de VVD aan de regering? Hoeveel procent van de werknemers bouwt een aanvullend pensioen op dat hoger is dan € 100.000?

De leden van de VVD-fractie herkennen zich in de visie van de regering dat door de inperking van het fiscale kader de premies verlaagd kunnen worden. Kan de regering aangeven in welke mate de premies verlaagd (gaan) worden? In onderhavig wetsvoorstel is te zien dat de pensioenpremie door de jaren heen steeds hoger wordt. Is de premie die nu gebruikt wordt toereikend om het toegezegde pensioen waar te maken? Wat is de kans dat er niet gekozen wordt om de premie te verlagen, maar deze in te zetten voor het herstel van de dekkingsgraad van de pensioenfondsen of bijvoorbeeld indexatie? In hoeverre houdt de regering de verlaging van de premies in de gaten? Wat vindt de regering ervan als premies niet dalen? Dit leidt immers tot minder pensioen voor hetzelfde geld en daarmee generatie-effecten. Vindt de regering dit wenselijk?

Welke veronderstellingen van een verlaagde premie liggen ten grondslag aan dit wetsvoorstel, vragen de leden van de fractie van de VVD? Met andere woorden: met welk percentage zal de premie volgens de regering dalen?

De commissie Goudswaard constateerde dat het uitgangspunt dat werknemers aan het eind van hun loopbaan zouden moeten uitkomen op – inclusief AOW – 70% van het eindloon is ontstaan in een periode waarin sprake was van een kostwinnersmodel, dat nu niet meer van toepassing is. Wat vindt de regering van die constatering? Kan de regering een schets geven van de huidige arbeidsmarkt in relatie tot de arbeidsvoorwaarde pensioen, zo vragen de leden van de fractie van de PvdA?

De werkgroep «Fiscale behandeling pensioenen» (Commissie Witteveen) heeft in 1995 29 aanbevelingen geformuleerd over wenselijke en mogelijke aanpassingen in de fiscale behandeling van aanvullende oudedagsvoorzieningen en daarmee samenhangende fiscale regelingen met het oog op de vraag om flexibilisering en individualisering. 18 van deze 29 aanbevelingen konden worden beschouwd als «de heersende maatschappelijke opvatting ter zake». In hoeverre worden deze 18 aanbevelingen nog steeds op een dergelijke manier gekwalificeerd, zo vragen de leden van de PvdA-fractie? Uitgangspunt van de aanbevelingen van de commissie was een budget neutrale operatie. Was dit ook het resultaat, of heef de introductie van het Witteveenkader tot extra budgettair beslag geleid? Zo ja, hoeveel?

Kan de regering aan de leden van de fractie van de PvdA het meest actuele overzicht geven van de levensverwachting en de hieraan gekoppelde AOW-leeftijd zoals in 2012 wettelijk is vastgelegd? Hoeveel jaren moeten jongeren die nu begin twintig zijn extra werken tot zij de voor hen geldende AOW-leeftijd bereiken? In hoeverre kunnen de diverse leeftijdscohorten de verlaging van de maximale opbouwpercentages «goed maken» door langer door te werken? In hoeverre zijn de huidige pensioenambities te evenaren door langer door te werken?

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe hoog de vervangingsratio in 2012 en de tien jaren daaraan voorafgaand was? Hoe verhoudt de Nederlandse vervangingsratio zich ten opzichte van het buitenland?

Wat was de gemiddelde jaarlijkse opbouw (gewogen) in middelloonregelingen tussen 2007 en 2012? Klopt het dat minder dan 10% van de actieve deelnemers in 2012 een pensioenregeling had met het maximale opbouwpercentage van 2,25%? Klopt het dat de opbouwpercentages van ruim 1.400.000 deelnemers – een kwart van alle actieve deelnemers – na 2010 zijn verlaagd van de categorie 2–2,25% naar 1,75–2%? Hoeveel mensen (percentage) hebben de afgelopen 10 jaar een pensioen ter hoogte van 100% eindloon opgebouwd, zo vragen genoemde leden?

Hoeveel fondsen hebben de afgelopen vier jaar de opbouwpercentages verlaagd als onderdeel van hun herstelplannen? Hoe groot was deze verlaging gemiddeld (gewogen)? Hoeveel actieve deelnemers betrof het hier? Zijn er ook fondsen die hun opbouwpercentages hebben verhoogd?

In hoeverre is de regering voornemens de franchise aan te passen? Wat zijn de gevolgen voor deelnemers aan een pensioenregeling waar sprake is van een verlaagde franchise met dito verlaagde opbouwpercentages?

Welke trend laat de gemiddelde toetredingsleeftijd in een pensioenregeling vanaf 2007 zien? Wat was de gemiddelde toetredingsleeftijd in 2012, zo vragen de leden van de fractie van de PvdA?

Het oplopen van de pensioenpremies heeft geleid tot een toename van de kosten van de fiscale facilitering van het aanvullend pensioen. De leden van de PVV-fractie vragen waardoor deze stijging zich, volgens de regering, heeft ingezet?

Met de Wet verhoging AOW- en pensioenleeftijd zijn de fiscaalvrije opbouwpercentages met 0,1% verlaagd met als argument de verhoging van de pensioenrichtleeftijd met twee jaar naar 67. Wat is de achterliggende reden om middels dit wetsvoorstel over te gaan tot verdere opbouwpercentageverlagingen van 0,4% en 0,35% behalve het naar voren halen van belastinginkomsten zoals weergegeven in de Financiële paragraaf, vragen de leden van de fractie van de PVV?

De leden van de fractie van D66 constateren dat het Witteveenkader op twee manieren wordt ingeperkt: via een lager opbouwpercentage en via de aftopping boven € 100.000. Kan de regering nader ingaan op de balans tussen beide maatregelen. Waarom is er bijvoorbeeld niet gekozen voor aftopping bij een lager inkomen en een wat hoger opbouwpercentage, of vica versa?

De leden van de fractie van D66 constateren dat uit de memorie van toelichting blijkt dat de kosten van de omkeerregel stijgen van 13 miljard euro in 2011 naar 15 miljard euro in 2017. Is dat inclusief of exclusief de effecten van dit wetsvoorstel? De leden zijn voorts benieuwd naar de structurele uitgaven aan het Witteveenkader (exclusief de in het wetsvoorstel beoogde bezuiniging)? En hoe kan het dat de beroepsbevolking daalt maar de belastinguitgaven aan het Witteveenkader stijgen? Ligt dat aan de stijgende pensioenpremies?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat mensen tegenwoordig inderdaad langer moeten doorwerken, maar constateren tevens dat jongeren tegenwoordig vaak op latere leeftijd instappen in het arbeidsproces. Zij vragen de regering nader aan te geven van welke opbouwperiode wordt uitgegaan bij werknemers die respectievelijk geboren zijn in 1958, 1968, 1978 en 1988.

De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen de ratio achter de aftopping van het pensioengevend inkomen, maar zij vragen de regering een nadere onderbouwing te geven van de – op het oog arbitraire – grens van 3x modaal, zoals ook gevraagd door de Raad van State. Genoemde leden vragen de regering hierbij ook in te gaan op de adviezen van de verschillende commissies. Zij wijzen de regering er in dit verband op dat de Commissie Dijkhuizen adviseerde een lagere aftoppingsgrens te hanteren.

De leden van de 50PLUS-fractie lezen dat het verlagen van de opbouwpercentages blijkens de memorie van toelichting een verantwoorde stap wordt gevonden omdat mensen enerzijds als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd langer door moeten werken en anderzijds op grond van de in 2007 aangepaste Pensioenwet eerder, te weten met 21 jaar, kunnen beginnen met het opbouwen van hun pensioen. Ondermijnt de regering hiermee niet haar eigen standpunt inhoudende dat het ondanks het verlagen van de opbouwpercentages nog steeds mogelijk is om na 40 jaar werken een pensioen van 70% van het middelloon op te kunnen bouwen? Klaarblijkelijk zijn hier dus meer jaren voor nodig. Kan dit nader uitgelegd worden?

Daarnaast vragen de leden van de 50PLUS-fractie zich af of de regering niet uitgaat van theoretische aannames die geen aansluiting hebben met de maatschappelijke werkelijkheid. Hoeveel mensen beginnen daadwerkelijk al op hun 21e met het opbouwen van pensioen? Is er niet juist een trend gaande op grond waarvan jongeren in verband met studie steeds later beginnen met het opbouwen van pensioen? Bovendien dient rekening te worden gehouden met overige maatschappelijke werkelijkheden zoals het onderbreken van de loopbaan wegens zorgtaken voor kinderen of mantelzorg. Een trend die nadrukkelijk gaande is en zich de komende jaren nog verder voort zal gaan zetten. Als gevolg van het huidige kabinetsbeleid komen meer en meer van deze taken bij de burgers te liggen. Hoe verhoudt dit zich tot elkaar vragen de leden van de 50PLUS-fractie? Bovendien zien we verevening van pensioen bij echtscheiding steeds vaker voorkomen alsmede het niet volledig indexeren van pensioenen in een bepaalde periode. Is hier rekening mee gehouden bij de keuze tot het verlagen van de opbouwpercentages. Zo niet, waarom niet? Kan de regering percentueel gezien aangeven in hoeveel gevallen van de totale pensioenopbouw er sprake is van breuken in de pensioenopbouw?

Bovendien maken de leden van de 50PLUS-fractie zich gezien de hoge werkloosheid onder jongeren en ouderen zorgen over de gekozen timing van dit wetsvoorstel. Heeft de regering bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel hier oog voor gehad? Zou het niet voor de hand hebben gelegen pas tot invoering van het huidige wetsvoorstel over te gaan indien de arbeidsmarkt voor jongeren en ouderen zich heeft hersteld? Het doel om een adequaat pensioen op te kunnen bouwen dient wel een realistisch haalbaar doel te zijn dat niet louter op theoretische aannames is gebaseerd.

Ook vragen genoemde leden zich af of het wel realistisch is om uit te gaan van een gelijkmatige opbouw van een pensioenaanspraak in het licht van een loopbaanontwikkeling die voor velen juist vanwege de bepleitte arbeidsmobiliteit gekenmerkt wordt door onderbrekingen in de arbeidshistorie. Denk bijvoorbeeld aan het opnemen van een sabbatical of enige jaren werkzaam zijn als ondernemer of zelfstandige zonder personeel.

De leden van de 50PLUS-fractie constateren dat het wetsvoorstel vooruit loopt op het nieuwe financiële toetsingskader en mogelijke wijzigingen in de pensioenwet. Waarom heeft de regering voor deze timing gekozen? De leden van de 50PLUS-fractie zouden graag willen weten of toekomstige wijzigingen van de pensioenwet ná verlaging van de opbouwpercentages een ongunstig effect kunnen hebben op de thans door de regering gehanteerde aanname dat verlaging van de opbouwpercentages niet ten koste van een adequate pensioenopbouw gaat?

Gevolgen voor huishoudens

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de regering uitgaat van een toename van de keuzevrijheid voor huishoudens door het inperken van het fiscale kader voor pensioensparen. Dit is een belangrijke rationale achter het wetsvoorstel. Tegelijkertijd is nog volkomen onzeker of deze ruimte voor verschuivingen inderdaad zal ontstaan, omdat het aan pensioenfondsen is om al dan niet de premies aan te passen. Genoemde leden vragen de regering daarom een nadere kwantitatieve onderbouwing te geven van de gevolgen voor huishoudens, in het geval de premies worden verlaagd respectievelijk gelijk blijven.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering een koppeling maakt tussen extra vrije besparingen en aflossing van de hypotheekschuld. Ziet de regering in dit verband ook mogelijkheden om de pensioenpremie in te zetten voor aflossing van de hypotheekschuld?

Gevolgen voor de economie

De regering geeft aan dat de versobering van het Witteveenkader tot een verbeterde concurrentiepositie kan leiden. In hoeverre leidt het aftoppen van de fiscale opbouw boven € 100.000 juist tot een minder aantrekkelijk land om te werken voor de hogere inkomens, zo vragen de leden van de VVD-fractie zich af? Kan de regering een overzicht geven van de pensioenopbouwmogelijkheden in andere landen? Ligt het in de verwachting dat de hogere inkomens een aanvullend pensioen buiten Nederland gaan opbouwen?

Wat betreft de premieruimte zien de leden van de PvdA-fractie, mede in het licht van de recente analyse van De Nederlandsche Bank (DNB), op korte termijn goede mogelijkheden om enerzijds de economie en de koopkracht te stimuleren en anderzijds de begrotingstekorten te reduceren. Het is om deze positieve effecten te realiseren wel zaak dat de lagere opbouw een op een wordt doorgegeven in hogere bruto en nettolonen. Dat zou ook moeten gelden voor het werkgeversdeel van de premies. Hoe denkt de regering hieraan vorm te geven? Hoe kijkt de regering aan tegen de berekeningen van DNB, waarin wordt aangegeven dat het besteedbaar inkomen met maximaal 9 miljard toe kan nemen en het reëel beschikbaar inkomen met 2,4% kan stijgen? Welke verwachting heeft de regering omtrent de omvang hiervan? Is de regering van oordeel dat de inkomsten toenemen als wordt bewogen in de richting van de analyse van DNB en dat de economie sterker kan groeien? Hoe oordeelt de regering over de inschatting dat het begrotingstekort na drie jaar met maximaal 7 miljard (1,1% BBP) kan verbeteren? Hoe verhouden deze berekeningen zich tot de geschatte opbrengst in het Regeerakkoord, vragen de leden van de fractie van de PvdA?

In het jaarverslag 2012 van DNB staat:

«Het nieuwe regeerakkoord bouwt voort op het Septemberpakket door de fiscale ruimte voor pensioenopbouw te beperken tot 1,75% van het jaarlijkse inkomen tot maximaal € 100.000,-. De hierdoor optredende meevallers dienen in eerste instantie te worden gebruikt om premies naar kostendekkend niveau te brengen. Wanneer dit niveau is bereikt, kan de vrijvallende ruimte worden aangewend voor verbetering van de koopkracht van werknemers, zonder dat de concurrentiepositie hieronder lijdt. De ruimte kan ook worden gebruikt om de financiële positie van kwetsbare pensioenfondsen te versterken en bijvoorbeeld kortingen te verkleinen. Wanneer de ruimte wordt aangewend voor verlaging van arbeidskosten of verruiming van pensioenrechten, zullen gunstige invloeden of koopkracht en consumentenvertrouwen niet, of veel minder, optreden.»

De leden van de PvdA-fractie vragen wat precies wordt bedoeld met «premies naar kostendekkend niveau brengen»? Welke van de vier onderdelen van de kostendekkende premie kunnen hieraan bijdragen? In hoeverre kan een opslag op de premie voor herstel gemaximeerd worden?

Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie vragen af of de regering uiteen kan zetten hoe de fiscale inleg voor lijfrente eruit ziet en hoe dat verandert door dit wetsvoorstel? Hoe verhoudt deze ruimte zich tot de ruimte in de tweede pijler?

Kan de regering aangeven of ze verwacht dat pensioenaanbieders de AOW-franchise zullen wijzigen als gevolg van de maximering van het pensioengevend inkomen op € 100.000? Of als gevolg van de verlaging van de opbouwpercentages?

De leden van de fractie van de VVD zijn benieuwd welke regels het kabinet gaat aanpassen aangaande het afkoopverbod. Geldt dit voor de opbouw na 2015 of geldt dit ook voor de opgebouwde waarde voor 2015? Hoe komt de regeling van afkoop er dan uit te zien? In hoeverre geniet het Box 3 vermogen dan nog bescherming in geval van bijvoorbeeld een faillissement? Worden er voorwaarden gesteld aan de afkoop in relatie tot de financiële positie van het fonds?

Hoe kijkt de regering aan tegen de uitbreiding van informatieplicht indien men een pensioenaanspraak splitst in een gedeelte wat wel onder de omkeerregel valt en een gedeelte wat daar niet onder valt. Het gedeelte waar de omkeerregel niet van toepassing is valt in Box 3 en daarmee zullen pensioenuitvoerders dit jaarlijks moeten opgeven aan de belastingdienst, zo vragen deze leden?

De leden van de VVD-fractie hebben een vraag over het bovenmatig gedeelte van de pensioenregeling. De regering geeft aan dat een pensioenfonds een bovenmatig gedeelte van een pensioenregeling alleen mag uitvoeren als vrijwillige regeling. Wat gebeurt er als er sprake is van een bij een pensioenverzekeraar ondergebrachte regeling met een bovenmatig gedeelte waarvan de werkgever met zijn werknemers is overeengekomen dat iedereen verplicht deelneemt. Kan dit met voorliggende wetswijziging of op basis van welke artikelen wordt dit uitgesloten?

Kan de regering ingaan op en uiteenzetten aan de leden van de VVD-fractie hoe dit wetsvoorstel omgaat met de opbouw van partnerpensioen op risicobasis voor en na 1-1-2015?

Als laatste zijn de leden van de VVD-fractie benieuwd hoe de regering omgaat met de groep mensen die op 1 januari 2015 langdurig ziek zijn, nog niet de minimale ziekteperiode van 104 weken hebben waarna ze premievrijstelling krijgen op basis van de premie zoals deze gold op de eerste ziektedag. Met welk artikel wordt de premie aangepast naar het nieuwe Witteveenkader?

De leden van de PvdA-fractie vragen of de afkoopgrens voor pensioenaanspraken door pensioenuitvoerders (navenant) aangepast wordt aan de nieuwe maximale opbouwpercentages? Zo nee, waarom niet?

Kan de regering inzicht geven (cijfermatig) in het omzetten van nabestaandenpensioen in ouderdomspensioen? Bij hoeveel regelingen (inclusief het aantal actieve deelnemers) is dit mogelijk, en hoeveel mensen hebben hier de afgelopen jaren gebruik van gemaakt? Om welke bedragen en percentages van het pensioen gaat het hierbij?

Wat is het effect van voorliggende wet op individuele pensioenregelingen?

Tevens vragen deze leden hoeveel belastingopbrengst jaarlijks weg lekt vanwege een verhuizing naar het buitenland bij pensionering, waarbij de pensioenopbouw onbelast was en de uitkering in een ander land belast wordt? Op welke manier wordt dit tegengegaan?

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het klopt dat een gemiste indexering en/of eventuele verlaging van het pensioen in de periode vóór 1 januari 2015 altijd hersteld mag worden na 1 januari 2015 tot het oorspronkelijke toegezegde niveau? In hoeverre geldt dit voor de niet bestede jaarruimte? Kan partnerpensioen op risicobasis – bij overlijden na 1 januari 2015 – over de periode tot 1 januari 2015 ingekocht worden gebaseerd op het tot 1 januari 2015 geldende maximale opbouwpercentage? Zo nee, waarom niet? Welk effect heeft de maximering van het pensioengevend loon op € 100.000,- voor de hoogte van het partnerpensioen na 1 januari 2015? Geldt deze maximering ook voor het partnerpensioen op risicobasis voor de jaren vóór 2015 waarin de werknemers deelnemers was aan de pensioenregeling, vragen genoemde leden?

In hoeverre komt de solidariteit onder druk te staan als een fiscaal bovenmatige pensioenregeling als vrijwillige regeling afgekocht kan worden, vragen de leden van de PvdA-fractie? Heeft een deelnemer in alle situaties recht op afkoop, ook als hierdoor de financiële positie van het pensioenfonds verslechtert? Is afkoop van een fiscaal bovenmatige pensioenregeling ook mogelijk bij een reeds ingegaan pensioen? Klopt het dat een pensioenfonds, anders dan andere pensioenuitvoerders, een fiscaal bovenmatige pensioenregeling alleen als vrijwillige regeling mag uitvoeren? Is in een fiscaal bovenmatige pensioenregeling bij overlijden van de deelnemer de partner successierecht verschuldigd over het partnerpensioen? Zo ja, waarom wordt de fiscaal bovenmatige pensioenregeling anders behandeld dan een fiscaal zuivere pensioenregeling, waarbij eerst de vrijstelling van de partner wordt verminderd, terwijl ook die regeling onder de Pensioenwet valt, vragen deze leden?

Binnen de diverse generaties bestaan grote verschillen in pensioenopbouw. De leden van de fractie van de PvdA kunnen het voorstel om het inkomen boven € 100.000,- niet langer mee te laten tellen bij het fiscaal gunstig opbouwen van pensioen steunen. In hoeverre kennen pensioenregelingen op dit moment al een maximum voor het pensioengevend salaris? Kan de regering aangeven welke topinkomens onder deze regeling zullen vallen? Valt een directeur grootaandeelhouder bijvoorbeeld wel of niet onder deze aftopping, of een ceo van een multinational, bestuurders van corporaties en zorginstellingen? Genoemde leden vragen of de regering bereid is om tijdig maatregelen te nemen indien blijkt dat mensen met een topinkomen proberen de aftopping te omzeilen?

In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel wordt verder niet concreet aangegeven wat de gevolgen zijn van het verlagen van de maximum opbouwpercentages en van de aftopping van het pensioengevend inkomen voor het te bereiken pensioen in individuele gevallen. De Raad van State merkt dit ook op in haar analyse. De leden van de fractie van de PVV vragen of de regering hier nader op kan ingaan en een gedetailleerd beeld kan geven van de concrete gevolgen van dit wetsvoorstel voor de te bereiken hoogte van het pensioen voor individuele gevallen?

De leden van de SP-fractie constateren dat het aantal jaren waarin pensioen kan worden opgebouwd per persoon kan verschillen en door pensioenbreuken met bijvoorbeeld als aanleiding tijdelijke migratie, tijdelijk werk zonder pensioenopbouw, zzp-ers of werkloosheid in het voorliggende wetsvoorstel onvoldoende zijn meegewogen.

Deze leden vragen wat het huidige gemiddelde opbouwpercentage is dat wordt toegepast bij middelloonregelingen?

De leden van de SP-fractie vragen de regering om een aantal cijfermatig uitgewerkte casussen waaruit duidelijk wordt wat de verlaging van de opbouw tot gevolg heeft voor een werknemer met nu een leeftijd van 20, 30, 40 en 50 jaar met een middelloonregeling uitgesplitst naar een pensioengevend inkomen van € 20.000, € 30.000, € 40.000 en € 50.000. Genoemde leden verzoeken bij deze berekeningen uit te gaan van de gemiddelde pensioengroei over de afgelopen 5 en 10 jaren.

De leden van de CDA-fractie missen een beschrijving van de effecten van de maatregelen op de onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Daarom vragen zij door middel van een realistisch voorbeeld om een toelichting. Stel dat de werkgever en werknemer een middelloonregeling voor de pensioenopbouw hebben afgesproken van 2,1%. Voor het deel tussen 1,75% en 2,1% wordt deze regeling fiscaal bovenmatig per 1 januari 2015.

Begrijpen deze leden nu goed dat indien de partijen geen nieuwe overeenkomst treffen, de regeling per 1 januari 2015 fiscaal bovenmatig wordt voor een deel, en voor dat deel onmiddellijk een facultatieve regeling? Kunnen zowel werkgever als werknemer besluiten om deze regeling niet te continueren?

Indien de regeling gewoon doorgezet wordt, moet er waarschijnlijk een tweede afgezonderd vermogen opgezet worden, vermoeden deze leden, waarover vermogensrendementsbelasting verschuldigd is. Wie betaalt die vermogensrendementsheffing in dit geval, nu eigendomsrelaties op een pensioenregeling niet gedefinieerd zijn? Ofwel, klopt het dat een DB (defined benefit) regeling niet voortgezet kan worden op deze wijze? Wat gebeurt er dus indien de regeling in stand blijft en welke rechten hebben werkgever en werknemer dan om daar eenzijdig van af te wijken, vragen de leden van de fractie van het CDA?

De fiscale staffels voor beschikbare premies worden natuurlijk ook verlaagd. Op zich begrijpen de leden van de CDA-fractie die verlaging, maar zij begrijpen niet waarom de regering deze gelegenheid niet gebruikt om die staffels op dezelfde rekenrente te enten als het Financieel Toetsingskader. Is de regering bereid dit hierbij alsnog te doen om zo een aantal gesignaleerde problemen in één keer op te lossen?

De leden van de CDA-fractie zien dat de regering de limiet van € 100.000,- gekozen heeft. Daarboven kan geen pensioenopbouw meer plaatsvinden. Hoe waarschijnlijk acht de regering het dat deze grens de komende jaren niet constant verlaagd wordt, totdat zij uitkomt op zeg, het maximum dagloon?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat adequate pensioenopbouw het uitgangspunt is. Zij vragen de regering om het begrip «adequaat» te definiëren en daarbij in te gaan op de verschillen tussen generaties. Uit de actuariële berekening (kabinetsbrief 21 mei) blijkt namelijk dat er bij de vervangingsratio gemiddeld loon een verschil zit van 14% (1x modaal) en 20% (2x modaal) tussen werknemers geboren in 1958 en 1988. Voor de werknemers met een hoger inkomen is het verschil nog groter.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering hoe de parameters voor de verlaging van het opbouwpercentage tot stand zijn gekomen. Waarom is hierbij gekozen voor een 40-jarige opbouwperiode?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat in het bestaande Witteveenkader uitgegaan wordt van een pensioen van 70% van het eindloon. In het wetsvoorstel wordt echter uitgegaan van een pensioen van 70% van het gemiddelde loon en 62% van het eindloon. Dit betekent dat er sprake is van een flinke versobering van de pensioenopbouw als gevolg van de voorgestelde aanpassing van het Witteveenkader. Waarom is ervoor gekozen om niet meer uit te gaan van het eindloon, maar van het gemiddelde loon, zo vragen deze leden?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de mogelijkheden die werknemers die naar de huidige maatstaven een pensioentekort hebben, straks nog hebben in de derde pijler om dit tekort in te lopen, aangezien de voorgestelde maatregelen ook van invloed zijn op de derde pijler.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering hoe en in welke mate er bij de voorgestelde aanpassing van het Witteveenkader rekening wordt gehouden met economische tegenwind, waardoor de pensioenaanspraken en -uitkeringen (tijdelijk) kunnen worden verlaagd. Zijn er voldoende buffers ingebouwd, zo vragen deze leden?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het klopt dat iemand met een pensioengevend inkomen boven € 100.000 een specifiek verzoek moet indienen voor toepassing van de omkeerregel voor zijn pensioengevend inkomen tot € 100.000. Is het ook mogelijk om de regeling zodanig vorm te geven dat ook voor deze groep de omkeerregel voor het pensioengevend inkomen tot € 100.000 automatisch van toepassing is, zo vragen genoemde leden?

Een belangrijke veronderstelling die aan het wetsvoorstel ten grondslag ligt, is dat het voor iedereen straks nog mogelijk is in 40 jaar een pensioen van maximaal 70% van het gemiddelde loon te bereiken. De leden van de SGP-fractie vragen of de regering kan motiveren hoe groot de kans is dat de nieuwe norm die in het wetsvoorstel wordt geïntroduceerd in 40 jaar behaald wordt? Klopt het dat bij 40 jaren volledig werken een inkomen (ouderdomspensioen + AOW) van ongeveer: 40 * 1,55% (opbouwpercentage bij eindloon) = 62% bereikt wordt van het laatst verdiende salaris? Klopt het dat het pensioen in veel gevallen in de praktijk toch lager zal uitpakken dan deze theoretische pensioenuitkomst, als ook de volgende omstandigheden worden meegewogen: latere aanvang werk (studie), onderbrekingen in loopbaan of tijdelijk in deeltijd werken (bijvoorbeeld in verband met het verzorgen van kinderen, ouderschapsverlof of mantelzorg), een periode van werkloosheid, en niet volledige indexatie van het pensioen in bepaalde perioden? Kan de regering een inschatting maken van hoeveel mensen te maken zullen krijgen met de financiële effecten van elk van de genoemde omstandigheden, en welke impact dat heeft op het te bereiken pensioen?

De leden van de SGP-fractie vragen de regering of toekomstige gepensioneerden met deze versobering nog een adequaat pensioen kunnen opbouwen, mede gelet op de in de toekomst te verwachten stijging van de zorgkosten. Zowel de belastingopbrengsten uit pensioen als de haalbare eigen bijdragen van gepensioneerden zullen dan minder zijn. Vindt de regering dat hier sprake is van een evenredige verdeling van de lasten tussen verschillende generaties?

Verwacht de regering dat na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel nog veel pensioen opgebouwd zal worden boven de aftopping van € 100.000?

De leden van de SGP-fractie verwachten dat langer doorwerken en uitstellen van pensioen ter compensatie van een laag pensioen vaker zal gaan voorkomen als het voorstel van de regering doorgaat. Dit betekent dat gaandeweg dit uitstel steeds weer opnieuw de 100%-toets plaats moet vinden. Klopt het dat het vrijwel niet voorkomt dat deze 100% bereikt wordt en dat de kans daarop nog verder afneemt door de voorgestelde versobering van de pensioenopbouw? Kan de regering aangeven hoe zij er tegenaan kijkt om uitstel van pensioen eenvoudiger te maken door de 100%-toets te schrappen en het doorwerkvereiste voor uitstel te laten vervallen vanaf de AOW-leeftijd van de deelnemer?

De leden van de SGP-fractie vragen de regering of, en in hoeverre, is voorzien dat de invoering van een maximum pensioengevend inkomen een beperking inhoudt van de mogelijkheid tot inkoop van dienstjaren wegens een pensioentekort. Geldt voor de dienstjaren die worden ingekocht ook de grens van € 100.000? Wordt hier een overgangsregeling voor getroffen?

De leden van de SGP-fractie vragen tevens naar de effecten van dit wetsvoorstel voor werknemers die naar huidige maatstaven een pensioentekort hebben. In hoeverre ondervinden werknemers door de verlaging nadeel doordat zij straks minder mogelijkheden in de derde pijler hebben om dit tekort in te lopen? Zou hier een overgangsregeling voor getroffen kunnen worden, vragen genoemde leden?

Bij het standpunt uit de memorie van toelichting dat een adequate pensioenopbouw het uitgangspunt blijft, sluiten de leden van de 50PLUS-fractie zich in principe aan. Maar kan de regering een nadere definitief geven van de betekenis van «adequaat»? Is het primaire doel van het wetsvoorstel met als doel de opbouwpercentages te verlagen niet de overheidsfinanciën op orde te krijgen? De gevolgen voor de economie, zoals een mogelijke verbetering van de concurrentiepositie voor de werkgevers van Nederland en voor de werknemers een mogelijke stijging van het nettoloon, zijn feitelijk pas interessant indien het verlagen van de opbouwpercentages het opbouwen van een adequaat pensioen niet in gevaar brengt. Bovendien zijn deze gunstige bijeffecten, maar ook de bezuinigingsdoelstelling, geheel afhankelijk van de wijze waarop sociale partners afspraken zullen maken over pensioenpremieafdracht na verlaging van de opbouwpercentages. Hoe kan de regering de onzekerheid hierover wegnemen?

Generatie-effecten

Op welke wijze gaat de regering om met de opmerkingen van de Raad van State over de effecten huidig wetsvoorstel en de toekomstige wijziging van de Pensioenwet in relatie tot bijvoorbeeld de generatie effecten, zo vragen de leden van de VVD-fractie? Welke wettelijke mogelijkheden heeft de regering om te sturen op evenwichtige belangenbehartiging? Ziet de regering hier een risico voor cumulatieve effecten?

Over de doorrekening van het Centraal Planbureau (CPB) hebben de leden van de VVD-fractie ook nog enkele vragen. Het CPB geeft aan de verwachting te hebben dat de premies per saldo met circa 15% zullen dalen. In het rapport is te lezen dat de resterende premie zal worden aangewend voor de indexatie. Welke totale ruimte ontstaat hiervoor? Mogen fondsen ook kiezen om een bepaald deel van de deelnemers, gewezen deelnemers of gepensioneerden te indexeren?

In het antwoord van de regering op het advies van de Raad van State geeft de regering aan dat zij de verwachting heeft dat ongeveer 1/3 deel zal weglekken. Waar is deze 1/3 op gebaseerd? Met een verlaging van de premie van 15% is de verwachting dat de generatie-effecten verwaarloosbaar zijn. Is het mogelijk de effecten in beeld te brengen bij premieverlaging van 10% en 5%? En met welke pensioenleeftijd is in de voorliggende berekeningen gewerkt (in de tekst staat een hogere pensioenleeftijd omdat jongeren een hogere levensverwachting hebben), zo vragen de leden van de VVD-fractie?

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan reageren op de herverdelingseffecten tussen generaties die door Ponds en Lekniute (ESB Pensioenen) in drie scenario’s worden beschreven (premievrijval naar werknemers, premievrijval naar werknemers en werkgevers, en premievrijval blijft in het fonds)?

De leden van de CDA-fractie merkten al vroeg op dat dit een zeer ingrijpende maatregel is in het regeerakkoord en vroegen in de kamerbreed gesteunde motie-Buma (Kamerstuk 33 410, nr. 41) om een berekening van de generatie-effecten. Meer precies was het dictum van de motie:

Verzoekt de regering om, het CPB opdracht te geven, voor 1 april 2013 een studie te doen:

  • naar de transfers tussen generaties in het pensioenstelsel; en

  • naar de netto pensioenen die jongeren kunnen opbouwen in vergelijking met de pensioenen van de huidige gepensioneerden en de huidige vijftigers.

In de CPB-notitie missen deze leden nogal wat zaken en lijkt er zeer systematisch een kant op gerekend te zijn om de effecten te minimaliseren. Zo is bij de netto pensioenen de AOW meegenomen (die niet verandert), is de pensioenleeftijd op 71 gezet voor jongeren in de berekening en is geen rekening gehouden met het belastingstelsel.

Daarom verzoeken deze leden de berekeningen nogmaals te doen en wel zoals in de motie gevraagd is.

Verder verzoeken de leden van de fractie van het CDA alle correspondentie (per brief en per mail) tussen het CPB en de regering over deze notitie aan de Kamer te doen toekomen, zodat zij kunnen beoordelen op welke wijze invulling gegeven is aan de opdracht.

De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat er bij de generatie-effecten twee discussies relevant zijn. Ten eerste de generatie-effecten met betrekking tot «het netto-profijt binnen het pensioenfonds», waarbij vooral de vraag relevant is of de inperking van het Witteveenkader leidt tot een lagere pensioenpremie. De tweede discussie gaat over het «netto-profijt van de overheid» met betrekking tot profijt van de fiscale voordelen in het Witteveenkader voor verschillende generaties. De leden merken op dat de discussie zich in de memorie van toelichting en de CPB-analyse vooral richt op de eerste vraag, terwijl er ook forse generatie-effecten zijn wat betreft het netto-profijt van de overheid. Immers, de inperking van het Witteveenkader gaat uitsluitend ten koste van werkenden. Zij moeten nog gebruik maken van het fiscaal voordelig sparen voor het pensioen via het Witteveenkader. Gepensioneerden hebben dat fiscale voordeel al gehad en ondervinden geen nadeel van de inperking van het Witteveenkader. Kan de regering uitgebreider ingaan op de generatie-effecten met betrekking tot het netto-profijt van de overheid? Wil zij die effecten kwantificeren (in tabel- of grafiekvorm)? En zijn er alternatieven overwogen met evenwichtigere generatie-effecten qua netto-profijt van de overheid?

De leden van de fractie van D66 zien samenhang tussen de inperking van het Witteveenkader en de doorsneepremie. Deze leden zijn benieuwd wanneer de Tweede Kamer de visie over de doorsneepremie zal ontvangen? Voorts zijn de leden benieuwd waarom niet is gewacht op deze visie met het indienen en uitwerken van dit wetsvoorstel?

De leden van de fractie van D66 constateren dat volgens het CPB een deel van de vrijvallende premie zal worden aangewend voor een verbetering van de regeling, bijvoorbeeld via het nabestaandenpensioen. Heeft dit wetsvoorstel invloed op de fiscale ruimte in het Witteveenkader waarbinnen nabestaandenpensioen op opbouwbasis opgebouwd kan worden? Kan de regering dezelfde vraag beantwoorden voor nabestaandenpensioenen op risicobasis? Kan de regering inzicht geven in het aantal pensioenfondsen dat een nabestaandenregeling aanbiedt? Hoeveel daarvan zijn er op risicobasis en hoeveel op opbouwbasis? Hoeveel deelnemers vallen onder een pensioenfonds met een nabestaandenregeling op risicobasis en hoeveel onder opbouwbasis?

De leden van de fractie van D66 merken op dat de premies met 22% zouden dalen volgens het CPB indien de inperking van het Witteveenkader volledig zou terugkomen in lagere premies. Het CPB veronderstelt echter dat de premies met 15% omlaag gaan, omdat een deel van de premieruimte gebruikt zal worden voor indexatie of verbetering van de pensioenregeling. Dat betekent dat 7% van de premie weglekt. Deze leden hebben hierover een drietal vragen. Ten eerste zijn zij benieuwd met hoeveel miljard euro de 7% weglek overeenkomt (verwachting van de jaarlijks totaal weggelekte premie in euro's)? Ten tweede zijn de leden benieuwd op basis van welke feiten/veronderstellingen de aanname van 7% is gemaakt (en in hoeverre uitspraken van verschillende pensioenfondsbesturen dat zij de niet van plan zijn om de premies te verlagen daarbij zijn meegenomen)? Ten derde merken genoemde leden op dat in de CPB-analyse de generatie-effecten in figuur 3.1 en 3.2 voor twee scenario's zijn weergeven: directe aanpassing van de premie en een constante premie. Kan de regering de generatie-effecten presenteren bij de veronderstelde weglek van 7% analoog aan de manier waarop dat in figuur 3.1 en 3.2 is gedaan?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de generatie-effecten zeer sterk afhangen van de mate waarin de pensioenpremies verlaagd zullen worden. De Raad van State stelt terecht dat hier nog veel onzekerheid over is. Het ligt voor de hand dat de pensioenfondsen de ruimte zullen benutten voor verbetering van de dekkingsgraad en het opbouwen van buffers om de kostenstijging als gevolg van de toegenomen levensverwachting te kunnen opvangen. Hiervan zullen vooral oudere werknemers profiteren. Zij vragen de regering aan te geven hoe wordt bewaakt dat de effecten eerlijk zullen worden verdeeld tussen generaties.

Verantwoordelijkheid sociale partners en pensioenfondsbesturen

De regering heeft sociale partners opgeroepen – ter ondersteuning van de koopkracht – de ontstane premieruimte te benutten voor het verlagen van de pensioenpremies, voor zover de financiële positie van het pensioenfonds dit toelaat. De leden van de PvdA-fractie vragen wat de regering hier precies mee bedoelt? Op welke manier gaat de regering monitoren wat er met de premieruimte gebeurt? Deelt de regering het standpunt van genoemde leden dat de te verwachten premieruimte slechts ten goede zou moeten komen aan de actieve deelnemers van een fonds, via een lagere pensioenpremie en/of via een verbetering van de regeling? Is de regering voornemens om gebruik te maken van de mogelijkheid van het stellen van regels (via een algemene maatregel van bestuur, artikel 128, lid 3 Pensioenwet) indien er generatie-effecten dreigen op te treden omtrent de premieruimte? In hoeverre mogen fondsbesturen onderscheid maken bij het indexatiebeleid tussen actieven en inactieven? Welke instrumenten hebben de regering en De Nederlandsche Bank om onwenselijke (generationele) effecten te voorkomen en eventueel aan te pakken, vragen de leden van de fractie van de PvdA?

De leden van de fractie van D66 constateren dat een belangrijke – zo niet cruciale – vraag is of de pensioenpremies ook daadwerkelijk omlaag gaan na eventuele inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. En zo ja, in welke mate. Zij constateren dat de regering in de brief over het sociaal akkoord hierover het volgende schrijft:

«Het kabinet roept – ter ondersteuning van de koopkracht – sociale partners op de door bovenstaande maatregelen ontstane premieruimte te benutten voor het verlagen van de pensioenpremies, voor zover de financiële positie van het pensioenfonds dit toelaat.»

Genoemde leden constateren dat de regering slechts een oproep doet aan de sociale partners om de premies te verlagen. Waarom zijn hier geen harde afspraken over gemaakt tijdens het sociaal akkoord? Was premieverlaging wel de onderhandelingsinzet van de regering? En hoeveel vertrouwen heeft de regering erin dat sociale partners naar deze oproep gaan luisteren?

De leden van de fractie van D66 constateren dat als de vrijvallende premies (na belasting) volledig ten goede komen aan de werknemers, dit volgens DNB een forse impuls aan de Nederlandse economie geeft van 0,6% na vier jaar. Herkent de regering dit cijfer? En is een dergelijk effect ook meegenomen in de doorrekening door het CPB?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar mogelijke maatregelen om te zorgen dat of de aanpassing van het Witteveenkader wel degelijk leidt tot lagere premies of dat de baten van de aanpassing terugvloeien naar de werknemers.

Budgettaire aspecten

De leden van de VVD-fractie vragen de regering of ze het verschil kan verklaren tussen de opbrengsten van de maatregelen in 2017 en de structurele opbrengst?

Genoemde leden vragen zich af op welke wijze (met welke getallen) er rekening is gehouden met het niet volledig doorwerken in lage premies? En wat zijn de effecten op langere termijn bij lagere belastingopbrengsten door lagere pensioenuitkeringen? Wat zijn de effecten op de lagere toeslagen?

Kan de regering aangeven wat het effect is van dit wetsvoorstel op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën, vragen genoemde leden?

Wat is de verwachting van de regering omtrent de verwachte belastinginkomsten, zowel wat betreft het niveau als wat betreft de inkomsten over de tijd? De leden van de PvdA-fractie achten de ingeboekte belastinginkomsten op voorhand niet zeker. Deelt de regering deze inschatting? Welke risico's ziet de regering ten aanzien van de opbrengstenramingen? Hoe is geborgd dat deze risico's zich niet materialiseren en/of worden beperkt?

De leden van de PVV-fractie vragen welk gedeelte van de opbrengst van de versobering van het Witteveenkader voortvloeit uit de maximeringsgrens (bij een pensioengevend loon van meer dan € 100.000) van de premieopbouw? En welk gedeelte is het gevolg van de rest van de voorgestelde maatregelen?

Ook de Raad van State heeft forse kritiek op de voorgestelde wet. Zo is het volgens de Raad van State hoogst onzeker dat de versobering van het Witteveenkader, zoals nu voorgesteld, met zekerheid leidt tot een bezuiniging die minstens zo groot is als door de regering is berekend. Deze leden vragen de reactie van de regering hierop?

De leden van de SP-fractie constateren dat door de omkeerregel de belastinginkomsten in de toekomst plaatsvinden over het uitgestelde loon en het bedrag waarover de heffing plaats zal vinden voorafgaand aan deze heffing heeft kunnen renderen. Deze leden vragen of het juist is dat met het voorliggend wetsvoorstel belastinginkomsten in de toekomst afnemen ten gunste van lagere belastinginkomsten op korte termijn.

De leden van de SP-fractie vragen om een berekening van het totaal aan verwachte belastinginkomsten over het deel van de loonsom dat door de verlaging van het opbouwpercentage ontvangen zal worden.

De leden van de SP-fractie vragen tevens om een berekening van het totaal aan verwachte belastinginkomsten over het deel van het toekomstig pensioen dat niet zal worden opgebouwd door de verlaging van het opbouwpercentage.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen een opsomming van verschillende budgettaire effecten (met name belastingopbrengsten, maar ook besparing op toeslagen) in verschillende scenario’s. Deze leden vragen de regering een uitsplitsing te maken van de budgettaire effecten die zich kunnen voordoen, waarbij uitgegaan wordt van scenario’s waarbij de pensioenpremies niet en wel worden verlaagd.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat de budgettaire effecten zullen zijn indien wordt uitgegaan van een aftopping op het niveau van respectievelijk 2,5 x en 3,5 x modaal.

Uitvoeringsaspecten

De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen over de ingangsdatum van 2015. Weet de regering in hoeverre de aanbieders van pensioenregelingen uit de voeten kunnen met de gewijzigde opbouwpercentages per 2015? Wat zijn de uitvoeringsaspecten voor bijvoorbeeld pensioenverzekeraars (in verband met de grote hoeveelheid verschillende regelingen)? Zijn de pensioenfondsen en verzekeraars in staat om de regelingen tijdig te wijzigen in het automatiseringssysteem? Zijn er uitvoeringsproblemen te verwachten en op welke wijze denkt de regering hier mee om te gaan? Zijn zij in staat om een knip in de opbouw goed vorm te geven? In hoeverre levert dit problemen op bij overdraagbaarheid van pensioenverplichtingen?

De leden van de fractie van D66 merken op dat als een pensioenregeling als fiscaal bovenmatig wordt aangemerkt, deze «onzuiver» is. Een onzuivere regeling komt niet voor fiscale facilitering in aanmerking. Met andere woorden, als de pensioenpremies te hoog zijn dan valt deze pensioenregeling niet onder het Witteveenkader. Kan de regering hier nader op ingaan? Zo zijn de leden zijn benieuwd wie hierop toetst? Is dat DNB? En hoe vaak wordt een pensioenfonds onder de loep genomen? Gebeurt dat periodiek? Voorts merken de leden op dat premieverlagingen afgedwongen zouden kunnen worden via het via het wel of niet onzuiver verklaren van pensioenregelingen. Immers, pensioenregelingen waarbij de premies niet omlaag gaan zouden onzuiver verklaard kunnen worden als het afwegingsmechanisme wordt aangescherpt. Heeft de regering dit overwogen? En kan een onzuivere regeling eigenlijk onder de verplichtstelling vallen?

Administratieve lasten

Door de aftopping komen er wettelijke uitzonderingen op de 100%-norm bij. Een vraag aan de regering van de leden van de VVD-fractie is: hoe vaak bereikt een deelnemer in de huidige situatie de 100%? Wat zijn de administratieve lasten voor de pensioenuitvoerders als deze norm gehandhaafd blijft? In hoeverre is het handhaven van de 100%-norm relevant omdat met de voorgestelde versobering de overschrijding van de 100%-norm veel minder zal voorkomen?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de maatregelen uit onderhavig wetsvoorstel op 1 januari 2015 in werking treden, terwijl de maatregelen uit de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd op 1 januari 2014 in werking reden. Dit leidt ertoe dat alle pensioenregelingen op twee momenten kort na elkaar moeten worden aangepast, met extra administratieve lasten tot gevolg. Is ook overwogen om de verschillende pensioenmaatregelen tegelijkertijd in te laten gaan, zo vragen deze leden?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de pensioenrichtleeftijd met ingang van 1 januari 2014 wordt de verhoogd van 65 jaar tot 67 jaar, en dat de maatregelen uit dit wetsvoorstel per 1 januari 2015 zullen ingaan. Daardoor moeten pensioenregelingen in relatief korte tijd twee maal worden aangepast. Zou de regering willen overwegen de diverse maatregelen tegelijk in te laten gaan, ter voorkoming van onnodige administratieve lasten?

Overig

De leden van de fractie van de VVD zijn benieuwd naar de voortgang van het – door het sociaal overleg vrijgekomen -bedrag van € 250 miljoen dat structureel ingezet kan worden voor de opbouw van het pensioen. Wordt hier enkel nagedacht over het veranderen van opbouwpercentages of worden ook andere mogelijkheden onderzocht. Zo ja, aan welke varianten wordt gedacht? Wanneer het Witteveenkader aangepast wordt, welke opbouwpercentages zijn dan mogelijk als er structureel € 250 miljoen beschikbaar is?

De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij ook andere manieren overwogen heeft om het fiscale kader te beperken? Zo ja, welke? Is bijvoorbeeld nagedacht om de premie die fiscaal gefaciliteerd wordt te maximeren?

De leden van de PvdA-fractie juichen toe dat sociale partners de gelegenheid wordt geboden om met alternatieven te komen. Zij hechten sterk aan het borgen van (intergenerationele) solidariteit, economische en arbeidsmarkteffecten op korte en op lange termijn, koopkrachteffecten, effecten op de overheidsfinanciën en een adequate pensioenvoorziening. Kan de regering aangeven hoe zij eventueel aangeboden alternatieven gelet op de hiervoor genoemde aspecten zal wegen?

De sociale partners hebben in het Sociaal akkoord afgesproken om ten minste twee varianten te willen bekijken als aanpassing op of alternatief voor voorliggend wetsvoorstel. De eerste variant gaat over een pensioenspaarfaciliteit. Wat vindt de regering van deze variant? De tweede variant gaat over het verschuiven in tijd van belastingheffing. Wat vindt de regering van het gedeeltelijk verschuiven van belastingheffing op pensioen van een heffing bij uitkering naar een heffing bij premie-inleg zonder belasting op vermogensrendement? Klopt het dat een maximaal budgettair beslag oplopend tot € 250 miljoen structureel en uitgaande van een maximaal te bereiken opbouwpercentage van 2% zou kunnen leiden tot een premie-inleg van 1,75% uit het brutoloon en 0,25% uit het nettoloon? Zo nee, over welke verhouding gaat het wel, vragen de leden van de fractie van de PvdA?

Een groot aantal ondernemingsraden betrokken bij grote ondernemingspensioenfondsen – waaronder Ahold, Heineken en NS – hebben een brandbrief gestuurd over de maatregelen uit voorliggend wetsvoorstel. Kan de regering een reactie geven op hun genoemde zorgen en hun berekeningen, vragen de leden van de PvdA-fractie? Deze ondernemingsraden stellen als alternatief een vermogensrendementsheffing van 0,2% voor. Heeft een dergelijke heffing dezelfde opbrengst als in het regeerakkoord staat opgeschreven? Zo nee, hoe hoog zou voorgestelde heffing moeten zijn om eenzelfde opbrengst te genereren als het regeerakkoord? Klopt de berekening van de pensioenfederatie dat de voorgestelde heffing tot een stijging van de pensioenpremies met 6% zou leiden? Zo nee, om welke stijging of daling van de pensioenpremies gaat het wel? Klopt het dat in het Deense pensioenmodel sprake is van een vermogensrendementsheffing? Zo ja, hoe werkt deze heffing in Denemarken, vragen genoemde leden?

In hoeverre zou een doorsneepremie met een degressieve pensioenopbouw kunnen bijdragen aan het verminderen van eventuele generatie-effecten?

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering bereid is te kijken naar de huidige kaders van het doorwerkvereiste, om het in deeltijd doorwerken na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd niet te ontmoedigen en oudere werknemers de mogelijk te bieden extra pensioen op te bouwen?

De leden van de SP-fractie vragen of het voorliggende wetsvoorstel aan jongeren- en ouderenorganisaties is voorgelegd. Deze leden vragen indien dat het geval is wat de reacties waren en vragen indien het niet is voorgelegd wat daar de redenen voor waren.

De leden van de CDA-fractie zouden graag een reactie van de regering ontvangen op de commentaren van de pensioenfederatie, die zij volledigheidshalve hieronder herhalen.

  • 1. Kan de regering bevestigen dat een gemiste indexering en/of eventuele verlaging van het pensioen in de periode vóór 1 januari 2015 altijd hersteld mag worden na 1 januari 2015 tot het oorspronkelijke toegezegde niveau?

    Als het de pensioenfondsen financieel gezien beter gaat, kan inhaalindexering en/of het ongedaan maken van een verlaging van pensioen aan de orde zijn. Dan is van belang dat er geen sprake is van een nieuwe toezegging, die kan uitkomen boven het op dat moment geldende maximaal toegestane opbouwpercentage, maar van het volledig nakomen van de oorspronkelijke toezegging.

  • 2. De fiscale maximale pensioenopbouw wordt met ingang van 1 januari 2015 fors verlaagd. Voor het ouderdomspensioen wordt de maximale opbouw verlaagd naar 1,75% (van het salaris) per jaar voor middelloonregelingen en 1,55% voor eindloonregelingen. Het maximale percentage voor partnerpensioen wordt 1,23% respectievelijk 1,09% per jaar. In het wetsvoorstel wordt expliciet aangegeven dat de lagere opbouw geldt vanaf 1 januari 2015; over de periode tot 2015 gelden hogere fiscale opbouwmogelijkheden.

    De vraag is wat dit met name betekent voor de hoogte van het partnerpensioen na 1 januari 2015. Bij een partnerpensioen dat op opbouwbasis is verzekerd, wordt jaarlijks pensioen ingekocht gebaseerd op het dan geldende opbouwpercentage. Bij een partnerpensioen dat op risicobasis is verzekerd, is dat anders. Het partnerpensioen wordt dan pas ingekocht op het moment dat de deelnemer overlijdt. Als het moment van overlijden na 1 januari 2015 ligt, moet het mogelijk zijn om het partnerpensioen over de periode tot 1 januari 2015 in te kunnen kopen gebaseerd op het tot 1 januari 2015 geldende maximale opbouwpercentage. Als dat namelijk niet mogelijk is, kan het partnerpensioen daardoor fors lager worden. Dit terwijl een werknemer al vóór 2015 deelnam aan de pensioenregeling en tot 2015 een hoger maximaal opbouwpercentage gold.

    Kortom, bij partnerpensioen dat jaarlijks wordt opgebouwd blijven de tot 2015 opgebouwde aanspraken gebaseerd op de tot 2015 geldende hogere maximale opbouwpercentages en bij partnerpensioen op risicobasis niet.

    Gevolg is dus dat louter vanwege de wijze waarop het partnerpensioen wordt verzekerd (op risicobasis of op opbouwbasis) er verschil ontstaat in de hoogte van de aanspraken tot 2015.

    Kan de regering bevestigen dat voor het bepalen van de hoogte van het partnerpensioen op risicobasis ook rekening mag worden gehouden met de hogere maximale opbouwpercentages die gelden voor de jaren vóór 2015 waarin een werknemer al deelnam aan de pensioenregeling?

  • 3. Het knelpunt bij punt 2 geldt ook bij de voorgestelde aftopping van het pensioensalaris op € 100.000,-. In de periode tot 1 januari 2015 geldt de aftopping nog niet. Welk effect heeft de aftopping voor de hoogte van het partnerpensioen na 1 januari 2015?

    Kan de regering bevestigen dat voor het bepalen van de hoogte van het partnerpensioen op risicobasis de aftopping niet geldt voor de jaren vóór 2015 waarin een werknemer al deelnam aan de pensioenregeling?

  • 4. Pensioenfondsen mogen op grond van het wetsvoorstel alleen een fiscaal bovenmatige pensioenregeling (zogenaamde netto regeling) uitvoeren als vrijwillige pensioenregeling (in aanvulling op een basisregeling). Het wetsvoorstel stelt daarbij als voorwaarde dat een deelnemer de te verkrijgen aanspraak bij de vrijwillige regeling kan afkopen. De pensioenuitvoerder wordt verplicht de afkoop toe te staan. Op grond van de huidige Pensioenwet mag een vrijwillige regeling door een pensioenfonds alleen worden uitgevoerd als er sprake is van solidariteit (artikel 117 PW).

    Bij DB-regelingen (uitvoeringsovereenkomsten) kan afkoop echter afbreuk doen aan de solidariteit. Immers op het moment dat het de deelnemer uitkomt, kan hij afkopen en zich dus onttrekken aan de solidariteit. Hoe ziet de regering dit?

  • 5. Is de regering van mening dat de collectiviteit geen nadeel mag ondervinden van de afkoop van het netto pensioen als in navolging van punt 4 afkoop bij DB-regelingen toch mogelijk wordt gemaakt? Dus dat afkoop alleen mogelijk is als daardoor de financiële positie van het pensioenfonds niet verslechtert?

  • 6. Kan de regering aangeven waarom een pensioenfonds, anders dan andere pensioenuitvoerders, een fiscaal bovenmatige pensioenregeling alleen als vrijwillige regeling mag uitvoeren?

  • 7. Moet bij een fiscaal bovenmatige pensioenregeling/vrijwillige pensioenregeling het reeds ingegane pensioen ook afkoopbaar zijn?

  • 8. Is het juist dat in een fiscaal bovenmatige pensioenregeling bij overlijden van de deelnemer de partner successierecht verschuldigd is over het partnerpensioen? Bij een fiscaal zuivere pensioenregeling wordt eerst de vrijstelling van de partner verminderd. Waarom wordt de fiscaal bovenmatige pensioenregeling anders behandeld terwijl ook die regeling gewoon valt onder de Pensioenwet?

  • 9. Door de voorgestelde aftopping worden extra uitzonderingen toegevoegd aan het wettelijk maximum dat pensioen niet meer mag bedragen dan 100% van het laatste salaris. Door de aftopping komen er dus wettelijke uitzonderingen op de 100%-norm bij; pensioenuitvoerders moeten dit wel allemaal controleren. In de huidige praktijk komt het echter vrijwel niet voor dat een deelnemer deze 100% bereikt. Toch moet de toets plaatsvinden, wat de uitvoering van de pensioenregeling complexer maakt en onnodige administratieve lasten oplevert. Met de voorgestelde versobering van de jaarlijkse pensioenopbouw zal in de toekomst een ontoelaatbare overschrijding van de 100%-norm al helemaal niet meer voorkomen.

    Is de regering ook van mening dat de 100%-norm kan worden geschrapt, dit om reden van uitvoerbaarheid van de pensioenregeling?

Nu de regering ervoor kiest om meer belasting binnen te halen, vragen de leden van de CDA-fractie of de regering eerst kan aangeven of er geen weglek zit in de pensioenuitkeringen. Genoemde leden stellen vast dat er nu meer dan 312.000 mensen een AOW-uitkering in het buitenland wonen en aldaar belasting betalen, vaak tegen een fors lager tarief dan in Nederland. Deze mensen hebben wel ten volle geprofiteerd van het feit dat zij over de inleg geen premies betaald hebben.

Kan de regering aangeven hoeveel inkomen de Nederlandse staat zou genereren als alle in het buitenland wonende gepensioneerden in Nederland belast zouden worden? En kan zij schetsen op welke wijze de Nederlandse regering ervoor zou kunnen zorgen dat deze mensen alsnog belast worden in Nederland? Immers, staatspensioenen worden in verdragen altijd door het land dat de pensioenen uitkeert belast. Bij private pensioenen worden afspraken gemaakt. Doordat Nederlandse pensioenen privaat zijn en andere pensioenen publiek, loopt Nederland hierdoor veel geld mis.

De leden van de CDA-fractie herinneren de regering er aan dat de Kamer al bij de motie Groot (25 087, nr. 17) van 28 juni 2011 naar deze informatie gevraagd heeft (tweede dictum: verzoekt de regering tevens de Kamer te rapporteren over de omvang van de misgelopen en nog mis te lopen belastinginkomsten als gevolg van pensioenemigratie).

Genoemde leden merken op dat zij graag specifiek vernemen of er plannen zijn om het belastingverdrag met Spanje, dat nog uit 1971 stamt en afgesloten is met het Franco-regime, open te breken. Het is immers het land waar het op een na hoogste aantal mensen met een AOW-uitkering woont en onder dat verdrag mag Spanje alle belasting heffen op pensioenen van Nederlanders die in Spanje wonen (net als overigens op ander sociale zekerheidsuitkeringen uit Nederland).

In het sociaal akkoord is overeengekomen dat:

«Sociale partners hebben aangegeven hier alternatieven voor of aanvullingen op te willen bedenken. Het kabinet geeft voor de uitwerking tot eind mei 2013 de gelegenheid, met een maximaal budgettair beslag van structureel € 250 miljoen.»

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering aan te geven wat dit overleg opgeleverd heeft en hoe zij tegen deze voorstellen aankijkt? Genoemde leden verzoeken de regering om de voorstellen zo spoedig mogelijk met een appreciatie van de regering en een berekening aan de Kamer te doen toekomen.

De leden van de fractie van D66 merken op dat de sociale partners een alternatief mogen verzinnen voor de inperking van het Witteveenkader. Zij hebben hiervoor een budget van 250 miljoen euro meegekregen. Kan de regering ingaan op de laatste stand van zaken met betrekking tot dit alternatief? Waarom is er niet op het alternatief gewacht met de indiending van dit wetsvoorstel? En als er een alternatief komt, wil de regering dit dan weer laten doorrekenen door het CPB? Genoemde leden merken voorts op dat de ondernemingsraden van een groot aantal bedrijven (zoals Ahold, DAF, Océ, NS, KPN, Shell, Rabobank, Philips, Unilever, PostNL, ASML, TNT Express, Essent en Heineken) ook een alternatief hebben gepresenteerd. Kan de regering inhoudelijk reageren op dat voorstel?

Kan de regering aangeven hoe zij aankijkt tegen het voorstel van de (centrale) ondernemingsraden van een heel aantal grote bedrijven om pensioenfondsen vermogensrendementsheffing te laten betalen van 0,2% op het vermogen van de pensioenfondsen, vragen de leden van de fractie van de SGP? Kan de regering bevestigen dat de opbrengst daarvan hetzelfde is als de door de regering voorgestelde maatregel? Klopt het dat de dekkingsgraad daar slechts 0,17% per jaar mee daalt? Klopt het dat de premie door dit plan nauwelijks zal stijgen? Welke voor- en nadelen ziet de regering in dit alternatief voor de pensioenen? Kan de regering inzicht verschaffen in de generatie-effecten van dit plan, vragen genoemde leden?

Actuariële berekening Witteveen (uitvoering motie Krol Kamerstuk 33 566, nr. 36)

Welke conclusies trekt de regering uit de brief en de bijlage met de rekenvoorbeelden van 21 mei jongstleden? Impliceert deze brief dat een pensioen van 70% van het eindloon nog goed tot de mogelijkheden behoort, zo vragen de leden van de VVD-fractie?

Op basis van de uitgevoerde berekeningen, naar aanleiding van de gewijzigde motie Krol, kan volgens de regering worden vastgesteld dat de huidige en toekomstige generaties binnen het Witteveenkader een adequaat pensioen kunnen opbouwen. In individuele gevallen kunnen de uitkomsten vanzelfsprekend afwijken door bijvoorbeeld omstandigheden als een soberder pensioentoezegging, onvolledige diensttijd, achterblijvende financiering of tegenvallende beleggingsresultaten. De leden van de PVV-fractie vragen om hoeveel gevallen de regering denkt dat dit in de toekomst zal gaan? Kan de regering hier nader op ingaan, bijvoorbeeld ook gezien de hoge werkloosheid onder ouderen in Nederland?

De leden van de CDA-fractie zijn stomverbaasd over de actuariële berekeningen die zij ontvingen. Klopt het dat de berekeningen er impliciet vanuit gaan dat alle pensioenregelingen continu geïndexeerd worden? Kan de regering aangeven hoeveel procent van de Nederlandse gepensioneerden een volledige indexatie gehad heeft in de afgelopen vijf jaar? En hoeveel procent dus niet? Acht de regering het eerlijk en realistisch om berekeningen te sturen op basis van volledige indexatie? Mag overigens in het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) van berekeningen uitgegaan worden met volledige indexatie als die niet gegarandeerd is? Als dat niet mag, tikt de Autoriteit Financiële Markten (AFM) de pensioenuitvoerder dan op de vingers?

Graag ontvangen de leden van de CDA-fractie realistische berekeningen gebaseerd op gemiddelde carrièrepaden, waarin mensen helaas ook wel eens werkloos zijn en niet fulltime werken en waarin pensioenen niet altijd geïndexeerd zijn. Tot slot ontvangen deze leden graag berekeningen die door een actuaris zijn gemaakt en gecertificeerd zijn als realistisch en waarheidsgetrouw. Is de regering bereid die beschikbaar te stellen?

De leden van de SGP-fractie vragen de regering waarom in de actuariële berekening voor jongeren uitgegaan wordt van een onafgebroken arbeidsleven van langer dan 40 jaar. Klopt het dat het voor jongeren onmogelijk is om met een diensttijd van 40 jaar een pensioen op te bouwen van 70% van het gemiddelde loon? Kan de regering dezelfde actuariële berekening uitvoeren voor elke doelgroep, waarin voor iedere leeftijdscategorie wordt uitgegaan van een eenzelfde onafgebroken diensttijd van 40 jaar? De stijging van de levensverwachting is immers onzeker? Klopt het dat er bij de berekeningen geen rekening is gehouden met een aftopping op € 100.000 van het jaarsalaris, terwijl ook dat een fiscale beperking is? Zo ja, waarom niet? Kan de regering alsnog een berekening maken waarin hier wel rekening mee is gehouden?

Zoals gezegd wordt de groep werkenden ten opzichte van de gepensioneerden steeds kleiner en lijkt het niet wenselijk de groep werkenden nog minder te laten opbouwen. Toch stelt dit kabinet bij de aankondiging van de maatregel in het regeerakkoord dat het ondanks de verlaging van de opbouwpercentages mogelijk blijft om na veertig jaar werken nog steeds een pensioen op te kunnen bouwen van 70% van het middelloon. Omdat de leden van de 50PLUS-fractie zich zorgen maken dat zulks na veertig jaar werken niet het geval zal zijn, hebben zij de regering verzocht een actuariële berekening te overleggen ter onderbouwing van haar stellingname. Deze is inmiddels door de Kamer ontvangen. De leden van de 50PLUS fractie hebben daar nog de volgende opmerkingen en vragen over.

Ten eerste zijn de aannames die bij de berekening zijn gehanteerd niet duidelijk waardoor controle op de uitkomsten van de berekeningen niet mogelijk is. De aannames die wel vermeld zijn, zijn in ieder geval zo gekozen om tot een zo hoog mogelijk resultaat te komen. Kan de regering de aannames verduidelijken? Er wordt uitgegaan van een pensioenopbouw van langer dan veertig jaar. Hiermee wordt de stelling bevestigd dat men bij veertig jaar werken lager op een lager percentage dan 70% uitkomt. Voor de 25-jarige uit 1988 wordt uitgegaan van 46,5 jaar volledig voltijdwerken. Dit is volgens de leden van de 50PLUS-fractie volstrekt onrealistisch. Gedurende bepaalde perioden niet of slechts ten dele werken zorgt voor lagere uitkomsten. Denk hierbij ook aan mensen die wegens de zwaarte van hun beroep fysiek niet aankunnen.

Verder gaan de berekeningen uit van een optimale, niet realistische situatie. Er wordt uitgegaan van volledige indexatie. Met de huidige stand van de pensioenfondsen is dat in ieder geval de komende vijf tot tien jaar veel te optimistisch. Kan de regering deze te optimistische aanname onderbouwen vanuit het huidige en toekomstige financieel toetsingskader?

In het voorbeeld wordt uitgegaan van altijd volledige indexatie van de rechten met 2%. Als deze ambitie niet zit in het pensioencontract van de deelnemer, of als deze door economische omstandigheden niet geheel gehaald wordt vallen de uitkomsten lager uit.

Voorbeeld voor 25 jarige deelnemer uit 1988:

Stel 50% indexatie (dus 1% per jaar in plaat van 2%)

Uitkomst bij 1x modaal: 72% van laatste salaris wordt 64%

Uitkomst bij 3x modaal: 82% van laatste salaris wordt 65%

(Het effect voor hogere inkomens is groter. Bij lagere inkomens zorgt AOW zolang deze wel meegroeit met de loongroei voor sterkere demping)

Verder is onduidelijk met welke franchise is gerekend en de hoogte van de franchise is essentieel voor de pensioenuitkomsten, met name bij de lagere inkomens tussen minimumloon en modaal. Op pagina 2 van de begeleidende brief bij de actuariële berekening (tweede alinea onderaan) staat:

«waarbij het wettelijk minimumloon als het minimum pensioengevend loon is gehanteerd».

Volgens de leden van de 50PLUS-fractie is deze aanname fiscaal niet toegestaan, omdat altijd met een minimum franchise moet worden gerekend. Voor 2013 is de minimum franchise € 10.940 bij een opbouwpercentage van 1,8% eindloon en 2,05% middelloon. Het gevolg van deze veronderstelling is dat de deelnemer veel meer aanspraken in deze berekening opbouwt dan fiscaal is toegestaan.

Ook is de aanname van de regering dat in het verleden met 2,25% werd opgebouwd discutabel. Deze grens geldt pas met ingang van 2006, daarvoor was de maximumopbouw veel lager, namelijk maximaal 1,75% of lager. Hoe kan deze aanname stand houden in het streven tot een adequate pensioenopbouw te komen?

Tot slot stellen de leden van de 50PLUS-fractie grote vraagtekens bij de gehanteerde prognoses van de levensverwachting. De leden van de 50PLUS-fractie merken op dat rekening gehouden dient te worden met het feit dat dit slechts prognoses zijn, en dat maakt hen daarmee arbitrair. Als de levensverwachting straks toch minder stijgt zullen de uitkomsten er ook ongunstiger uitzien. Immers de actuariële verhoging door uitstel van opgebouwde rechten (met pensioenleeftijd 65, 67, 68, 69, 70) naar de latere ingangsleeftijd is dan ook minder.

Artikelsgewijze toelichting

Kan de regering de leden van de SGP-fractie nader toelichten waarom in artikel II (artikel 10.2a Wet IB 2001) gekozen is voor een aansluiting bij de loonontwikkeling en niet bij de prijsontwikkeling? Voorheen werden de percentages in artikel 3.68 en 3.127 Wet IB 2001 voor de inflatie gecorrigeerd. Wat is er veranderd dat nu de loonontwikkeling logisch wordt gevonden?

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Van Nieuwenhuizen-Wijbenga

De griffier van de commissie, Berck

Naar boven