Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333605-IV nr. 6

33 605 IV Jaarverslag en slotwet Koninkrijksrelaties 2012

Nr. 6 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 7 juni 2013

De vaste commissie voor Koninkrijksrelaties heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het Rapport van de Algemene Rekenkamer bij het Jaarverslag 2012 van Koninkrijksrelaties (Kamerstuk 33 605 IV, nr.2).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 6 juni 2013. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Recourt

De griffier van de commissie, De Lange

1

Hoe gaat u er voor zorgen dat er een betere afstemming komt met de vakministers, met name daar waar er problemen zijn met het financieel beheer van hun uitgaven aan Caribisch Nederland?

Antwoord: Er vindt voldoende interdepartementale coördinatie plaats. Naast de weken van Caribisch Nederland die twee keer per jaar georganiseerd worden, vindt onder voorzitterschap van het ministerie van BZK maandelijks op ambtelijk niveau interdepartementaal overleg plaats. Daarbij worden departementsoverschrijdende problemen door de betrokken departementen gezamenlijk opgepakt waarbij mijn ministerie doorgaans een signalerende en initiërende functie heeft. Dit geldt ook voor de door de Rekenkamer gesignaleerde problemen aangaande het financieel beheer van een drietal departementen in Caribisch Nederland. Inmiddels is ambtelijk gesproken met de betreffende ministeries. Er zijn daar de afgelopen jaar grote verbeteringen in het financieel en materieel beheer doorgevoerd. Deze ontwikkeling wordt in 2013 doorgezet.

2

Hoe kan het dat de voortgangsrapportage van de Vereffeningscommissie nog altijd onvoldoende inzichtelijk is? Waarom is er nog geen zicht op mogelijke vorderingen? Hoe lang is deze commissie al bezig?

Antwoord: De Vereffeningscommissie (vier leden: Curaçao, Sint Maarten, Nederland en voorzitter (Curaçao) alsmede een ambtelijk secretaris (Nederland)) is 7 maanden later dan beoogd (29 april 2011) gestart met werkzaamheden.

De Vereffeningscommissie is een onafhankelijke commissie. De commissie heeft uitgebreide tussenrapportages uitgebracht aan mij en de Ministers van Financiën van Curaçao, Sint Maarten. De verslagen van de vergaderingen van de commissie zijn eveneens toegezonden. De Vereffeningscommissie heeft in haar zittingsperiode veel werk verricht aan het beoordelen van door derden ingebrachte vorderingen en claims op het land Nederlandse Antillen. Daarmee heeft de commissie bereikt dat vele bedrijven niet in liquiditeitsproblemen zijn gekomen. In totaal zijn oude schulden van de Nederlandse Antillen ten bedrage van 60 miljoen NAf afgehandeld. Daarnaast heeft de commissie diepgaand onderzoek gedaan naar de inventarisatie en waardering van de verschillende posten in de boedelbalans.

Tenslotte kan ik vermelden dat de boedelscheiding van het APNA vrijwel gereed is, zodat de nieuwe Pensioenfondsen voldoende middelen hebben om aan hun verplichtingen te voldoen.

3

Wanneer komt er een verbeterplan voor de structurele problemen met onvolkomenheden in het financieel beheer? Kan er binnen BZK meer helderheid komen over de verdeling van taken en rollen in het toezicht op Koninkrijksrelaties? Waarom is er gedurende het jaar onvoldoende aandacht voor het proces van de totstandkoming van het jaarverslag?

 

Antwoord: In april 2013 is een verbeterplan vastgesteld en is van start gegaan met de verbetering van het totstandkomingproces van het jaarverslag en de structurele verhoging van de kwaliteit van het financieel beheer bij Koninkrijksrelaties.

Een onderdeel van het verbeterplan omvat de uitwerking van de verdeling van de rollen en verantwoordelijkheden. De oorzaken voor de onvolkomenheden in het financieel worden genoemd op blz. 7 van het rapport van de Rekenkamer over Koninkrijksrelaties. Zij komen in hoofdzaak neer op onvoldoende aandacht gedurende het jaar voor het beheer van verplichtingen, voorschotten en andere saldibalansadministraties. Hierdoor moeten er aan het einde van het jaar onnodig veel correcties worden uitgevoerd. Met de ingezette verbeteringen ga ik er overigens vanuit dat de geconstateerde problemen nog dit jaar grotendeels zullen zijn opgelost.

4

Hoe kan het dat het nog altijd niet bekend is of de gelden van de samenwerkingsprogramma’s, die in 12 jaar ca. € 0,5 mrd. hebben gekost, goed zijn besteed? Hoe vaak zal de Kamer over de evaluatie geïnformeerd worden?

Antwoord: Het Onderwijs en Jongeren Samenwerkingsprogramma (OJSP), het samenwerkingsprogramma Institutionele Versterking van het Bestuur (IVB) en het Sociaal Economisch Initiatief (SEI) zijn in 2011 tussentijds geëvalueerd. De evaluatierapporten zijn naar de Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2010–2011, 31 568, nr. 84, Kamerstukken II, 2011–2012, 31 568, nr. 90 en Kamerstukken II, 31 568, nr. 88). Om uitvoering te geven aan de aanbevelingen uit de evaluatierapporten en het laatste deel van de samenwerkingsprogramma’s zo goed mogelijk vorm te geven, zijn actieplannen opgesteld die eveneens aan de Kamer zijn gestuurd (Kamerstukken II, 2011–2012, 31 568, nr. 90 en Kamerstukken II, 2011–2012, 31 568, nr. 118). In 2015 zal een eindevaluatie van de samenwerkingsprogramma’s plaatsvinden.

5

Wat zijn de afspraken en richtlijnen die met SONA, AMFO en FDA zijn opgesteld?

Antwoord: In 2012 heeft een tussentijdse evaluatie bij FDA plaatsgevonden. Hierin is gekeken naar de effectiviteit van het «systeem» FDA in samenwerking met Aruba, het realiteitsgehalte van de ambities voor de laatste uitvoeringsjaren en de wijze van rapporteren aan de subsidieverstrekker. Na afloop van het samenwerkingsprogramma zal in 2016 een eindevaluatie worden gehouden. Op dit moment bereidt een ambtelijke werkgroep een bestuurlijk overleg voor tussen de Arubaanse minister-president en mij over de herprioritering van de projecten binnen FDA en nadere afspraken over de wijze van verantwoording gedurende de resterende periode van de samenwerking tussen Aruba en Nederland in FDA. Met AMFO is afgesproken dat eind 2013 de projecten worden afgesloten zodat een eindafrekening plaats kan vinden evenals een eindevaluatie in 2014. Met SONA is in 2012 een nieuwe beheersovereenkomst en controleprotocol ondertekend. In de beheersovereenkomst van SONA evenals die van de andere stichtingen zijn de afspraken neergelegd over de begroting, het financieel beheer en de wijze van rapporteren naar BZK.

6

Waarom ontbreekt vaak de onderbouwing van mutaties, waardoor er een onjuist en onvolledig beeld van de begrotingsuitvoering kan ontstaan? Functieroulatie en onvoldoende capaciteit nemen toch niet weg dat mutaties onderbouwd moeten worden?

Antwoord: Het klopt inderdaad dat een mutatie duidelijk beargumenteerd en van de juiste informatie moet worden voorzien. Door de personele veranderingen en een aanzienlijke inkrimping van de directie Koninkrijksrelaties na de transitie van 10-10-10 is de historische kennis op de verschillende beleidsterreinen niet meer aanwezig. De juiste onderbouwing van mutaties komt daardoor moeilijker tot stand. Het gevolg hiervan is dat de onderbouwing vaak kwalitatief niet aan de eisen van het financieel beheer voldoen. In april 2013 is een verbeterproject van start gegaan, waarbij zowel directie KR, de centrale directie FEZ en de decentrale controlafdelingen, als de Auditdienst Rijk betrokken zijn. In dit project wordt een verbeterplan uitgewerkt gericht op het verbeteren van het totstandkomingsproces van het jaarverslag en structurele verhoging van de kwaliteit van het financieel beheer bij Koninkrijksrelaties. Uiteraard wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de verbetermaatregelen die centraal worden doorgevoerd teneinde het financieel beheer binnen het gehele kerndepartement te verbeteren.

7

Kunnen de doelmatigheid en de resultaten van de samenwerkingsmiddelen alsnog vastgesteld worden? Hoe gaat u de controle hierop verbeteren?

Antwoord: De landen in het Caribische deel van het Koninkrijk zijn verantwoordelijk voor een goede uitvoering van de projecten en programma’s. SONA is verantwoordelijk voor het toezicht op het beheer van de programma’s en de daaronder vallende projecten door USONA. BZK is op programmaniveau tezamen met de landen in het Caribische deel van het Koninkrijk verantwoordelijk voor de uitvoering van de programma’s en daarmee gesprekspartner voor de landen op programmaniveau als het gaat om het bespreken van de voortgang, eventuele bijsturing en het goedkeuren van herallocaties. Dit gebeurt door middel van gestructureerde overleggen op ambtelijk en bestuurlijk niveau waar de diverse zaken in overleg met de USONA directie en het SONA bestuur worden besproken. Om inzicht te krijgen in de doelmatigheid en de resultaten van de samenwerkingsmiddelen op programmaniveau zal ik daarom een eindevaluatie van de samenwerkingsprogramma’s uit laten voeren. De eindevaluaties zullen voor een groot deel voortbouwen op de tussentijdse evaluaties die reeds zijn uitgevoerd en naar de Kamer gezonden. Zie tevens mijn antwoord op vraag 4.

8

Waarom verloopt het proces van het verkrijgen van voortgangsrapportages zo traag? Welke maatregelen gaat de minister treffen om ervoor zorgen dat hij tijdig over de juiste informa-tie over programma’s beschikt?

 

Antwoord: De voortgangsrapportages van SONA en AMFO worden conform de afspraken die hierover gemaakt zijn, tijdig aangeleverd. Mede naar aanleiding van de tussentijdse evaluatie van het FDA in 2012 heb ik eind 2012 aan de minister-president van Aruba laten weten dat wat mij betreft de voortgangsrapportages worden opgesteld op basis van een aantal indicatoren (beoogde en bereikte resultaten, risico’s en haalbaarheid). Tijdens het bestuurlijk overleg in juni 2013 zal ik hierover nadere afspraken maken. In de tussenliggende periode is een ambtelijke werkgroep aan de slag om meer inzicht in de voortgang van de FDA te creëren zodat de prioritering van de projecten binnen FDA vastgesteld kunnen worden en de stichting in staat wordt gesteld tot een goede afronding en verantwoording van de bestede middelen te komen.

9

Kan de minister rapporteren over de stand van zaken bij de Vereffeningscommissie? Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat de rapportages transparant en volledig zijn?

Antwoord: Zoals eerder vermeld: de boedelbalans is in september 2013 voor 95% compleet en zal worden aangeboden aan de rechtsopvolgende ministers.

Eind 2013 biedt de commissie aan de drie betrokken ministers van Curaçao, Sint Maarten en Nederland haar eerste adviezen aan betreffende de toedeling van de activa en passiva alsmede over de vereffening van over- en onderbedeling.