Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333591 nr. 3

33 591 Goedkeuring van de op 26 juni 2012 te Brussel tot stand gekomen Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds (Trb. 2012, 178)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING1

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt / uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State)

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Op 8 december 2005 publiceerde de Europese Commissie de Mededeling «Een nauwer partnerschap tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika» (Com (2005) 636 final) waarin zij beschrijft op welke wijze de politieke en economische banden tussen de Europese Unie (EU) en Latijns-Amerika versterkt kunnen worden. De Mededeling legt de nadruk op het bevorderen van regionale integratie en duurzame ontwikkeling in Latijns-Amerika. Een onderdeel van deze agenda is het sluiten van associatieovereenkomsten en vrijhandelsakkoorden met (groepen van) landen in Latijns-Amerika.

De Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds (hierna: het Vrijhandelsakkoord) is het eerste vrijhandelsakkoord dat op basis van deze agenda is uitonderhandeld.

Colombia en Peru zijn voor de EU respectievelijk de 41e en 45e handelspartner met een jaarlijks toenemend belang. In de periode 2007–2011 is de handel tussen de EU met Colombia en Peru elk jaar zo’n 12 procent gegroeid. In 2011 vertegenwoordigde de handel een waarde van € 20 miljard. Voor Colombia en Peru is de EU na de VS de tweede handelspartner.

Het Vrijhandelsakkoord is een veelomvattend en evenwichtig akkoord geworden, waarin rekening wordt gehouden met de verschillen in ontwikkeling tussen de EU en Colombia en Peru. In het Vrijhandelsakkoord zijn afspraken gemaakt over de liberalisering van de handel in goederen en diensten, vestiging, elektronische handel, betalingsverkeer, overheidsopdrachten, intellectueel eigendomsrecht, mededinging, technische handelsbelemmeringen, vrijwaringsmaatregelen, sanitaire en fytosanitaire maatregelen en het voorziet in een systeem van beslechting van geschillen over de interpretatie en de toepassing van het akkoord. Daarnaast is een uitgebreide titel opgenomen over Handel en duurzame ontwikkeling. Hierin herbevestigen de EU en Colombia en Peru hun verplichtingen voortvloeiend uit onder meer de fundamentele arbeidsstandaarden van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) en diverse multilaterale milieuovereenkomsten. Verder bevat het Vrijhandelsakkoord afspraken over regionale integratie en laat het akkoord de mogelijkheid open dat andere landen van de Andesgemeenschap zich later bij het Vrijhandelsakkoord aansluiten.

De op 15 december 2003 te Rome tot stand gekomen Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Andesgemeenschap en haar lidstaten (Bolivia, Colombia, Ecuador, Peru en Venezuela), anderzijds (Trb. 2004, 172) is nog niet in werking getreden. Het is daardoor niet mogelijk het Vrijhandelsakkoord daaraan te koppelen. Daarom zijn in het onderhavige verdrag ook afspraken gemaakt over de eerbiediging van de democratische beginselen en de fundamentele rechten van de mens en het tegengaan van de proliferatie van massavernietigingswapens en zijn deze aangemerkt als zogenaamde essentiële onderdelen. Het Vrijhandelsakkoord voorziet in de mogelijkheid om maatregelen te nemen, waaronder de directe opschorting van het akkoord, in het geval van schending door één van de verdragspartijen van een essentieel onderdeel van het Vrijhandelsakkoord.

De vrijhandelsakkoorden tussen de EU en derde landen zijn complementair en ondersteunend aan de multilaterale handelsafspraken in het kader van het op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, met bijlagen 1, 2 en 3 (Trb. 1994, 235), welke organisatie hierna wordt aangeduid als WTO.

Dit betekent dat in deze vrijhandelsakkoorden afspraken worden gemaakt over onderwerpen die in WTO verband nog niet zijn geregeld of waarover discussie binnen de WTO lastig is gebleken. De Europese Commissie heeft in haar Mededeling Europa als wereldspeler: wereldwijd concurreren (COM (2006) 567) van 4 oktober 2006 duidelijk aangegeven dat deze vrijhandelsakkoorden geen struikelblok maar een aanzet moeten vormen voor de onderhandelingen in multilateraal verband.

Eerdere correspondentie van de primair betrokken bewindslieden over het Vrijhandelsakkoord betreft de brieven aan de Tweede Kamer van 9 februari 2007 (Kamerstukken II 2006/2007, 25 074, nr. 142), 11 juni 2007 (Kamerstukken II 2006/2007, 25 074, nr. 144), 31 juli 2008 (Kamerstukken II 2007/2008, 3087), 26 december 2008 (Kamerstukken II 2008/2009, 976), 23 februari 2009 (Kamerstukken II 2008/2009, 29 653, nr. 6), 1 mei 2009 (Kamerstukken 2008/2009, 2412), 11 maart 2010 (Kamerstukken II 2009/2010, 25 074, nr. 167), 30 mei 2011 (Kamerstukken II 2010/2011, 21 501-02, nr. 1066), 10 oktober 2011 (Kamerstukken II 2011/2012, 25 074, nr. 174), 2 maart 2012 (Kamerstukken II 2011/2012, 21 501-02, nr. 1127) en 16 mei 2012 (Kamerstukken II 2011/2012, 21 501-02, nr. 1153).

2. Aard van het akkoord

De terreinen die het Vrijhandelsakkoord beslaat, vallen niet geheel onder de exclusieve bevoegdheid van de EU. Delen ervan vallen onder de gedeelde bevoegdheden van de EU en de lidstaten en sommige delen behoren tot de nationale bevoegdheid van de lidstaten. Het Vrijhandelsakkoord heeft daardoor een gemengd karakter en is gesloten tussen de EU en haar lidstaten enerzijds, en de Republiek Colombia en de Republiek Peru anderzijds.

In relatie tot het Vrijhandelsakkoord is op grond van artikel 3 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) de EU exclusief bevoegd op het terrein van de gemeenschappelijke handelspolitiek en de douane-unie. Artikel 4 van het VWEU bepaalt voor welke gebieden de EU en de lidstaten bevoegdheden delen. Indien in een handelsakkoord bepalingen zijn opgenomen over deze gebieden, zoals bijvoorbeeld vervoer, milieu of energie, is de EU niet exclusief bevoegd, maar is de EU dat met de lidstaten gezamenlijk. Op grond van de AETR doctrine (zaak 22/70 van 31 maart 1971, Commissie/Raad-AETR, Juris. 1971, blz. 63) ontstaat bovendien een exclusieve bevoegdheid voor de Unie zodra op het betreffende beleidsterrein haar interne bevoegdheid is uitgeoefend en de sluiting van een overeenkomst gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen.

Voorts is in artikel 6 van het VWEU nog een aantal terreinen vermeld waar de EU slechts bevoegd is om het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen. Het gaat daarbij om de gezondheidszorg, industrie, cultuur, toerisme, onderwijs, civiele bescherming en administratieve samenwerking.

De Unie is exclusief bevoegd op het terrein van de gemeenschappelijke handelspolitiek en de douane-unie. Voor het overige geldt dat het antwoord op de vraag of de lidstaten exclusief of gedeeltelijk bevoegd zijn, afhankelijk is van de vraag of de EU een interne bevoegdheid heeft uitgeoefend in de vorm van gemeenschappelijke regels op het desbetreffende onderwerp. Voor zover dit niet het geval is, zijn op basis van de in de artikelen 4 tot en met 6 van het VWEU vermelde terreinen, de lidstaten (mede)bevoegd en strekt de goedkeuring van de bepalingen in een handelsakkoord en de sluiting daarvan zich uit over die onderwerpen.

Ten aanzien van de onderhandelingen over en de sluiting van handelsakkoorden betreffende de handel in diensten, de handelsaspecten van intellectueel eigendom en buitenlandse directe investeringen besluit de Raad met eenparigheid van stemmen voor zover het handelsakkoord bepalingen bevat waarvoor het vereiste van eenparigheid van stemmen geldt voor het vaststellen van interne regels. Tevens is eenparigheid van stemmen vereist ten aanzien van de onderhandelingen over en de sluiting van handelsakkoorden indien zij de handel in culturele en audiovisuele diensten of sociale, onderwijs- en gezondheidsdiensten betreffen.

In artikel 111 van het Vrijhandelsakkoord is een aantal onderwerpen op het gebied van vestiging van de werking van het akkoord uitgesloten. Deze uitzonderingen betreffen de winning, vervaardiging en verwerking van nucleair materiaal, audiovisuele diensten, dienstverlening in het luchtvervoer, dienstverlening in het zeevervoer (nationale cabotage) en het verwerken en storten van giftig afval en liggen in de sfeer van eerder vermelde onderwerpen waar een gedeelde bevoegdheid voor de EU en de lidstaten bestaat.

Gelet op de terreinen waarop in beginsel een gedeelde bevoegdheid bestaat, maar waar de EU haar bevoegdheden al heeft uitgeoefend, resteert een klein aantal onderwerpen in het Vrijhandelsakkoord waarvoor (tot op zekere hoogte) een nationale bevoegdheid bestaat voor de lidstaten. Het gaat daarbij om intellectueel eigendom (titel VII), om internationaal zeevervoer (titel IV, hoofdstuk 5, onderafdeling 6), handel en duurzame ontwikkeling (titel IX) en administratieve procedures (titel X). De artikelsgewijze toelichting zal per onderwerp worden aangegeven wanneer sprake is van een bevoegdheid van de lidstaten.

Het Vrijhandelsakkoord bevat ten slotte afspraken over de eerbiediging van democratische beginselen en fundamentele mensenrechten, ontwapening en non-proliferatie van massavernietigingswapens (titel I). Op basis van artikel 21, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is het externe optreden van de EU gericht op het onder meer bevorderen en verspreiden van de beginselen die aan de Unie ten grondslag liggen, waaronder mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de naleving van de beginselen van het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties (Trb. 1945, 253) en het internationaal recht. Op basis van artikel 21, tweede lid, sub b, van het VEU bepaalt en voert de EU een gemeenschappelijk beleid en optreden en beijvert de EU zich voor een hoge mate van samenwerking op alle gebieden van internationale betrekkingen, met onder meer de doelstelling consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van internationaal recht. Hieruit blijkt dat het optreden van de EU in haar betrekkingen met derde landen gericht dient te zijn op onder meer het verspreiden van de mensenrechten. Voorts blijkt uit artikel 21, derde lid, VEU, dat de EU in haar externe optreden de genoemde beginselen dient te eerbiedigen en dient zij deze doelstellingen na te streven. Dit wordt uitgevoerd door de EU en de lidstaten samen, omdat de lidstaten hier ook een zelfstandige rol hebben.

De afspraken inzake non-proliferatie vallen onder het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB) van de EU. De bevoegdheid voor het GBVB is geregeld in artikel 24 van het VEU e.v. De Unie heeft hier een bijzondere bevoegdheid, de Unie kan op het gehele terrein van het GBVB optreden maar alleen als de lidstaten daarmee unaniem instemmen. Ook op het gebied van non-proliferatie hebben de lidstaten een zelfstandige rol.

3. Verloop van de onderhandelingen

Onderhandelingstraject

In mei 2004 werd tijdens de bijeenkomst van staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie, Latijns-Amerika en het Caribisch gebied te Guadalajara (Mexico) overeengekomen dat het strategische doel van de relatie tussen de EU en de Andesgemeenschap zou moeten zijn om tot een gezamenlijk associatieakkoord te komen. Op dat moment richtte de EU zich echter nog volop op de Doha onderhandelingen bij de WTO en gold er een de facto moratorium op vrijhandelsakkoorden. Daarbij kwam dat binnen de Andesgemeenschap nog meer werk verzet moest worden richting regionale integratie om als regio te kunnen onderhandelen. Zo stapte Venezuela in 2006, na onenigheid binnen de regio over het handels- en ontwikkelingsbeleid, uit de Andesgemeenschap.

In 2007 besloten de EU en de overgebleven landen van de Andesgemeenschap (Colombia, Peru, Bolivia en Ecuador) om dan toch te starten met onderhandelingen over een regio-tot-regio associatieakkoord dat een politieke dialoog, samenwerkingsprogramma's en een handelsovereenkomst omvat. De Raad heeft de Europese Commissie hier op 23 april 2007 het mandaat voor gegeven. De Andesgemeenschap accordeerde de start van onderhandelingen spoedig daarna in haar Tarija Verklaring. De eerste officiële onderhandelingsronde is gestart op 17 september 2007 in Bogotá.

Eind 2008 bleek dat de lidstaten van de Andesgemeenschap geen gemeenschappelijk standpunt konden bepalen over de doelstellingen en de inhoud van het handelsgedeelte van het associatieakkoord. Bolivia trok zich daarop terug uit de onderhandelingen. Doordat Bolivia nog wel deel uitmaakte van de Andesgemeenschap had dit tot gevolg dat het spoor ten aanzien van het politieke en samenwerkingsgedeelte van het associatieakkoord apart kwam te lopen van het spoor van het vrijhandelsakkoord, dat nu met individuele leden van de Andesgemeenschap aangegaan zou worden. De besprekingen ten aanzien van het politieke en samenwerkingsgedeelte hebben tot op heden geen nieuw akkoord opgeleverd.

Op 19 januari 2009 keurde de Raad een aangepast onderhandelingsmandaat voor de Europese Commissie goed. De onderhandelingen met Colombia, Peru en Ecuador over het Vrijhandelsakkoord zijn op 9 februari 2009 gestart en tijdens de negende onderhandelingsronde op 1 maart 2010 afgerond. Tussendoor, in juli 2009, heeft Ecuador besloten haar deelname aan de onderhandelingen op te schorten, waardoor het uiteindelijke akkoord alleen tussen de EU en Colombia en Peru is uitonderhandeld.

Voor de onderhandelingen over het Vrijhandelsakkoord zijn dezelfde richtsnoeren aangehouden als voor de onderhandelingen over het aanvankelijk beoogde associatieakkoord. Dit betekent dat tijdens de onderhandelingen over het Vrijhandelsakkoord rekening is gehouden met de doelstelling van regionale integratie van de Andesgemeenschap. Tijdens de onderhandelingen heeft voor Ecuador en Bolivia steeds de mogelijkheid opengestaan om terug te keren naar de onderhandelingstafel. In het Vrijhandelsakkoord is voor lidstaten van de Andesgemeenschap in de mogelijkheid voorzien om alsnog toe te treden.

De lidstaten van de EU werden via het Comité handelspolitiek van de Raad mondeling en schriftelijk regelmatig van het verloop van de onderhandelingen met Colombia en Peru op de hoogte gehouden. Ook het Europees Parlement is via de Commissie Internationale Handel (INTA) regelmatig over de ontwikkelingen geïnformeerd.

Op 23 maart 2011 is het Vrijhandelsakkoord geparafeerd door de hoofdonderhandelaars en op 13 april 2011 door de EU-commissaris voor Handel en de Colombiaanse en Peruaanse ministers voor Handel in Brussel. De ondertekening van het Vrijhandelsakkoord vond plaats op 26 juni 2012 in Brussel.

Discussiepunten

De onderhandelingen met Colombia en Peru over het Vrijhandelsakkoord verliepen in het algemeen voorspoedig. Toch gaf een aantal onderwerpen aanleiding tot discussie: liberalisatie van de handel in bananen, het opnemen van een mensenrechtenbepaling in het Vrijhandelsakkoord met daaraan gekoppeld een opschortingsmechanisme, het toezicht op de implementatie en naleving van de bepalingen in de titel over handel en duurzame ontwikkeling, teruggave van rechten en bescherming van geografische aanduidingen.

De afgelopen decennia heeft het Europees beleid inzake de handel in bananen gezorgd voor geschillen tussen de EU en diverse landen in Latijns-Amerika, waaronder Colombia en Peru. In het kader van WTO zijn alle partijen in 2009 tot afspraken gekomen waaronder de EU zich verplicht om van de tariefquota op bananen af te stappen en op meestbegunstigde basis alleen nog tarieven op importen te hanteren. Onder deze «Overeenkomst van Genève inzake de handel in bananen» (PbEU L 141, 09/06/2010) worden de tarieven in acht jaar van € 148 per metrieke ton teruggebracht tot € 114 per metrieke ton. Onder het Vrijhandelsakkoord wilden Colombia en Peru een betere behandeling voor hun bananenexporten bereiken. De EU wilde hier wel in tegemoet komen, maar moest rekening houden met de impact op de Afrikaanse, Caribische en Stille Oceaan-landen (ACS-landen) en de ultraperifere gebieden (UPG) van de EU die hierdoor hun preferenties zien eroderen. Uiteindelijk is overeengekomen dat de EU haar tarieven voor Colombia en Peru versneld afbouwt naar een tarief van € 75 per metrieke ton in 2020.

Voor de EU (en Nederland) was het essentieel dat in het Vrijhandelsakkoord een bepaling over mensenrechten zou worden opgenomen, met daaraan gekoppeld een opschortingsmechanisme. Colombia wilde de mogelijkheid van opschorting alleen in het geval van «ernstige» mensenrechtenschendingen. Ook wilde Colombia dat voorafgaand aan een opschorting overheidsconsultaties zouden worden gehouden. Aan de wensen van de EU is tegemoet gekomen doordat in het Vrijhandelsakkoord is opgenomen dat onmiddellijk gepaste maatregelen genomen kunnen worden in het geval van schending van essentiële elementen van het Vrijhandelsakkoord. Eerbiediging van mensenrechten is opgenomen als een essentieel element van het Vrijhandelsakkoord. Dit laat de mogelijkheid open om het akkoord op te schorten in het geval van mensenrechtenschendingen.

Ook de wijze van toezicht op de naleving van de afspraken in de titel IX Handel en duurzame ontwikkeling vormde een punt van discussie. Er is intensief overlegd over het instellen van een groep van deskundigen bij een vermeende schending van de afspraken en over de rol van het maatschappelijk middenveld. In het Vrijhandelsakkoord is opgenomen dat kwesties die zich onder de titel Handel en duurzame ontwikkeling aandienen via het door de partijen op te richten subcomité Handel en duurzame ontwikkeling (artikel 280) kunnen worden geadresseerd. Daarnaast hebben partijen het recht om overleg op regeringsniveau op te starten (artikel 283). Indien deze consultaties niet leiden tot een oplossing, kan ieder van de consulterende partijen verzoeken om de instelling van een groep van deskundigen (artikel 284). Deze groep zal een eindverslag met aanbevelingen uitbrengen over het geschil. De betrokken partij dient vervolgens aan te geven hoe de aanbevelingen van het panel opgevolgd worden.

Over de rol van het maatschappelijk middenveld is vastgelegd dat het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling eenmaal per jaar bijeen komt met organisaties uit het maatschappelijke middenveld en met het publiek in het algemeen teneinde kwesties aangaande handel en duurzame ontwikkeling te bespreken (artikel 282). De samenvattingen van deze bijeenkomsten worden openbaar gemaakt. Daarnaast bevat het verdrag de verplichting voor ieder van de partijen om regelmatig te overleggen met vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld.

Voor Colombia en Peru was het toestaan van «teruggave van rechten» (duty drawback) in het Vrijhandelsakkoord essentieel. Teruggave van rechten is een gehele of gedeeltelijke teruggave van invoerrechten voor ruwe grondstoffen of halffabricaten uit derde landen (bijvoorbeeld China) die op de lokale markt (bijvoorbeeld Peru) worden gebruikt voor verwerking in goederen bestemd voor de export (bijvoorbeeld EU). Voor de EU is het niet gebruikelijk dat een dergelijke regeling wordt opgenomen in vrijhandelsakkoorden. In de bestaande handelspolitieke relatie van Colombia en Peru met de EU, waarbij de landen onder het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS) tariefvrij of tegen lagere tarieven naar de EU kunnen exporteren, is de teruggave van rechten wel toegestaan. Na uitgebreide discussie is besloten dat het niet wenselijk is als Colombia en Peru onder het Vrijhandelsakkoord slechter af zouden zijn dan onder het APS-regime. In het Vrijhandelsakkoord is daarom geen verbod op de teruggave van rechten opgenomen.

De EU heeft zich tijdens de onderhandelingen sterk gemaakt voor een hoog beschermingsniveau van Europese beschermde geografische aanduidingen voor landbouwproducten, levensmiddelen, wijnen, gedistilleerde dranken en gearomatiseerde wijnen, zoals Feta en Scotch Whisky. Colombia en Peru waren bereid om hun wetgeving op dit punt aan te passen, maar wensten in ruil hiervoor ook bescherming voor hun geografische aanduidingen. Overeengekomen is dat alle agrarische geografische aanduidingen in alle partijen beschermd worden en dat de EU erkent dat de twee niet-agrarische geografische aanduidingen in het Vrijhandelsakkoord (Guacamayas gevlochten manden en vazen en Chulucanas keramiek) worden beschermd als geografische aanduidingen in het land van oorsprong. Zowel de agrarische als de niet-agrarische geografische aanduidingen zijn te vinden in Bijlage XIII (Lijst van geografische aanduidingen).

4. Beoordeling van het Vrijhandelsakkoord

Inzet Nederland

Parallel aan de onderhandelingen is in opdracht van de Europese Commissie een studie gedaan naar de economische, sociale en milieugevolgen van het Vrijhandelsakkoord. Op basis van de uitkomsten van deze studie heeft Nederland zich ingezet voor een stevige titel IX over Handel en duurzame ontwikkeling. Daarnaast heeft Nederland zich sterk gemaakt om de toegang tot medicijnen te waarborgen. In de titel over intellectueel eigendomsrecht is bepaald dat elke partij, bij het opstellen of wijzigen van haar wet- en regelgeving, gebruik kan maken van de uitzonderingsmogelijkheden en flexibiliteit die worden geboden door de multilaterale overeenkomsten inzake intellectuele eigendom, met name bij het vaststellen van maatregelen om de volksgezondheid en voedselzekerheid te beschermen en de toegang tot medicijnen te waarborgen (zogenoemde «TRIPs flexibiliteiten»).

Daarnaast heeft Nederland zich ingezet voor het opnemen van een mensenrechtenclausule in het Vrijhandelsakkoord en de mogelijkheid van opschorting van het Vrijhandelsakkoord in het geval van mensenrechtenschendingen.

Beoordeling onderhandelingsresultaat

Er is een evenwichtig Vrijhandelsakkoord gesloten dat recht doet aan de Nederlandse inzet. Mede dankzij Nederland zijn de clausules aangaande eerbiediging van de mensenrechten en de non-proliferatie van massavernietigingswapens als «essentiële elementen» opgenomen in het Vrijhandelsakkoord en is een stevige titel over Handel en duurzame ontwikkeling opgenomen met dwingende bepalingen ten aanzien van (onder andere) fundamentele arbeidsnormen met een toezichts- en handhavingsmechanisme.

Tijdens de onderhandelingen is goed rekening gehouden met het ontwikkelingsniveau van de economieën van Colombia en Peru. Met Colombia en Peru is afzonderlijk onderhandeld over tariefschema’s, zodat met beide landen passende afspraken zijn gemaakt. Het Vrijhandelsakkoord biedt nieuwe kansen voor Nederlandse bedrijven, bijvoorbeeld in de zuivelsector, in de telecommunicatiesector en de zakelijke dienstverlening, in Colombia en Peru. Deze kansen komen deels voort uit de tarifaire besparingen die voorvloeien uit de afspraken – het Nederlandse bedrijfsleven zal op termijn jaarlijks ongeveer € 20 miljoen aan heffingen besparen – maar juist ook uit het afbouwen van de non-tarifaire belemmeringen. Wat betreft de Caribische delen van het Koninkrijk is er een minimaal effect van het Vrijhandelsakkoord te verwachten, aangezien het Vrijhandelsakkoord niet op deze eilanden van toepassing is en minder dan vier procent van de handel van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en het Caribische deel van Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) plaatsvindt met Colombia en Peru samen.

Het Vrijhandelsakkoord brengt twee kleine aanpassingen van nationale wet- en regelgeving met zich mee. Ten eerste zal artikel 1 van het Besluit van 23 augustus 1995 ter uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen (Stb. 1995, 406) zodanig worden aangepast, dat wordt aangesloten bij de in het Vrijhandelsakkoord afgesproken periode van toegang voor verkopers van zakelijke diensten uit Peru en Colombia. De in dit artikel vastgelegde maximale duur van vier weken binnen een tijdbestek van 13 weken zal worden verlengd naar een maximale duur van negentig dagen gedurende een tijdbestek van twaalf maanden. Ten tweede zal het Besluit van 23 november 2000 tot uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (Stb. 2000, 497) zodanig worden aangepast dat wordt aangesloten bij de in het Vrijhandelsakkoord afgesproken bepalingen ten aanzien van toegang voor beoefenaars van een vrij beroep. Deze categorie valt niet onder de Wet arbeid vreemdelingen.

De Europese Commissie heeft bij de onderhandelingen rekening gehouden met het communautair acquis. Het Vrijhandelsakkoord is in overeenstemming met de richtsnoeren die de Europese Commissie voor de onderhandelingen van de Raad heeft meegekregen.

Door de geleidelijke, maar vergaande liberalisering wordt voldaan aan artikel XXIV van de op 15 april 1994 te Marrakesh tot stand gekomen Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel 1994 (Trb. 1994, 235); General Agreement on Tariffs and Trade (hierna: GATT). Dit artikel bepaalt dat vrijwel de gehele handel binnen een vrijhandelszone geliberaliseerd moet zijn. Niet is vastgelegd wat precies onder «vrijwel de gehele handel» moet worden verstaan, maar in de praktijk is er overeenstemming dat in een vrijhandelszone binnen een termijn van tien tot twaalf jaar ongeveer 90% van de handel tussen de partijen geliberaliseerd moet zijn. Het Vrijhandelsakkoord met Colombia en Peru voldoet aan dit criterium.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Het Vrijhandelsakkoord bestaat uit veertien titels, ieder onderverdeeld in een aantal aparte hoofdstukken. In totaal telt het Vrijhandelsakkoord 337 artikelen. Daarnaast zijn er veertien bijlagen en een tweetal gezamenlijke verklaringen bij het Vrijhandelsakkoord gevoegd.

PREAMBULE

De preambule begint met het plaatsen van het Vrijhandelsakkoord in een bredere context. Zij wijst op de banden tussen de EU, haar lidstaten en Colombia en Peru en het belang van het versterken hiervan. Vervolgens wordt een aantal belangrijke uitgangspunten van het Vrijhandelsakkoord opgesomd, zoals de gebondenheid van de partijen aan het Handvest van de Verenigde Naties en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Daarnaast noemt de preambule een aantal belangrijke doelstellingen van het Vrijhandelsakkoord, zoals bijdragen aan een harmonieuze ontwikkeling van de regionale handel en de wereldhandel en het bevorderen van economische ontwikkeling en het verbeteren van de levenstandaard. De partijen verbinden zich aan de implementatie van dit Vrijhandelsakkoord op een wijze die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling. Ook is rekening gehouden met het ontwikkelingsniveau van Colombia en Peru.

TITEL I: INLEIDENDE BEPALINGEN

(artikelen 1–11)

In artikel 1 van het Vrijhandelsakkoord wordt bepaald dat eerbiediging van democratische beginselen en de fundamentele rechten van de mens, zoals deze zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en het beginsel van de rechtsstaat, ten grondslag liggen aan het binnenlandse en het buitenlandse beleid van de partijen. Artikel 1 vormt een essentieel onderdeel van het Vrijhandelsakkoord.

In artikel 2 van het Vrijhandelsakkoord is bepaald dat de partijen bij dit akkoord zullen samenwerken om verspreiding van massavernietigingswapens tegen te gaan door te voldoen aan de internationale verplichtingen op dit gebied. De leden 1 en 2 van deze bepaling vormen een essentieel onderdeel van het Vrijhandelsakkoord. In de context van het GBVB is non-proliferatie een centrale beleidsdoelstelling, met name sinds 12 december 2003, toen de EU een Europese veiligheidsstrategie heeft vastgesteld, gevolgd door de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens van 12 december 2003.

Artikel 8 bevat de verplichting voor partijen om alle bepalingen uit het Vrijhandelsakkoord na te leven en de daartoe benodigde maatregelen te treffen. In geval van niet nakoming is er een bindende geschillenbeslechtingsprocedure voorzien. Verder is hierin bepaald dat in geval van schending van een essentieel onderdeel van het Vrijhandelsakkoord een verdragspartij kan besluiten onmiddellijk passende maatregelen te nemen. Onder «passend» wordt verstaan dat de maatregelen proportioneel moeten zijn ten opzichte van de ernst van de schending. Dit biedt de mogelijkheid om de werking van het Vrijhandelsakkoord in het uiterste geval op te schorten in geval van schending van de mensenrechtenclausule of de non-proliferatieclausule.

Daarnaast richten de partijen onder deze titel een vrijhandelszone op tussen de EU en haar lidstaten enerzijds en Colombia en Peru anderzijds, overeenkomstig artikel XXIV van de GATT en artikel V van de in het kader van de WTO op 15 april 1994 te Marrakesh tot stand gekomen Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (Trb. 1994, 235) (hierna: GATS). Het Vrijhandelsakkoord heeft als doel de geleidelijke liberalisering van de handel in goederen en diensten en het doen toenemen van investeringen. Om dit mogelijk te maken, zijn in deze titel tevens als doelstellingen opgenomen: liberalisering van het betalingsverkeer, het openen van de markten voor overheidsopdrachten, de adequate en effectieve bescherming van intellectuele eigendomsrechten, het waarborgen van de vrije mededinging, het instellen van een systeem van geschillenbeslechting, bevorderen van duurzame ontwikkeling en het door samenwerking bijdragen aan de implementatie van het Vrijhandelsakkoord.

Deze titel legt een aantal algemene definities voor het Vrijhandelsakkoord vast. Het toepassingsgebied in de EU strekt zich uit tot het grondgebied waarop ook het VWEU van toepassing is. Verder erkennen partijen regionale integratie als middel om economische en sociale ontwikkeling te bevorderen en wordt het belang van regionale integratie benadrukt voor het vergroten van handelsmogelijkheden en hun integratie in de wereldeconomie.

TITEL II: INSTITUTIONELE BEPALINGEN

(artikelen 12–16)

Voor het toezicht op het functioneren en de uitvoering van het Vrijhandelsakkoord richten de partijen een Handelscomité op dat bestaat uit vertegenwoordigers van de EU en van de Andeslanden die partij zijn bij het Vrijhandelsakkoord. Het Handelscomité komt minimaal één keer per jaar bijeen op het niveau van ministers of de door deze ministers aangewezen vertegenwoordigers. Het Handelscomité neemt beslissingen bij consensus. Deze beslissingen zijn bindend.

Het Handelscomité evalueert de resultaten van het Vrijhandelsakkoord en houdt toezicht op de subcomités die bij dit akkoord worden ingesteld. Het Vrijhandelsakkoord stelt subcomités in op de gebieden van: markttoegang, landbouw, technische handelsbelemmeringen, douane, handelsbevordering en oorsprongsregels, overheidsopdrachten, handel en duurzame ontwikkeling, sanitaire en fytosanitaire maatregelen en intellectuele eigendom. De taakomschrijvingen van de subcomités zijn opgenomen in de betreffende hoofdstukken.

TITEL III: HANDEL IN GOEDEREN

(artikelen 17–106)

Titel III vormt samen met titel IV de kern van het Vrijhandelsakkoord, omdat hierin de voorwaarden worden neergelegd voor de liberalisering van de handel in goederen en diensten. Dit is essentieel voor het tot stand komen van de vrijhandelszone.

Hoofdstuk 1: Markttoegang voor goederen

(artikelen 17–36)

Dit hoofdstuk voorziet in de geleidelijke en wederzijdse liberalisering van de handel in goederen, overeenkomstig de vereisten van artikel XXIV GATT. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de afschaffing van douanerechten en het wegnemen van niet-tarifaire belemmeringen. De partijen verplichten zich in dit hoofdstuk tot het principe van «nationale behandeling». Dit wil zeggen dat geïmporteerde en binnenlands geproduceerde goederen gelijk moeten worden behandeld door elk van de partijen.

Afschaffing van douanerechten

Wat betreft de douanerechten zijn de partijen overeengekomen deze voor het grootste deel te liberaliseren. Hierbij wordt rekening gehouden met het verschil in ontwikkeling tussen alle partijen. De EU liberaliseert de handel in industriële producten en vis volledig bij inwerkingtreding van het Vrijhandelsakkoord. Peru doet dit bij inwerkingtreding voor 80 procent van deze producten en Colombia voor 65 procent. Op termijn zullen Colombia en Peru de handel in industriële producten en vis ook volledig liberaliseren. Landbouwproducten worden aan beide zijden niet volledig geliberaliseerd. De EU exporten van landbouwproducten naar Colombia en Peru zullen in 17 jaar voor 85% tariefvrij zijn. Andersom zal ook de EU haar landbouwmarkt niet volledig openen, onder andere wat betreft gevoelige producten zoals rundvlees, suiker, rijst en rum.

In hoeverre en in hoeveel termijnen de invoerrechten van de producten worden afgeschaft is opgenomen in de tariefschema’s in Bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) van het Vrijhandelsakkoord. Er zijn aparte schema’s voor de handel tussen de EU en Colombia en voor de handel tussen de EU en Peru. Elk product behoort tot een categorie. Per categorie staat aangegeven in hoeverre de douanerechten worden afgeschaft en in hoeveel termijnen dit gebeurt. Elke schema kent zijn eigen categorieën en afkortingen. Als in het schema voor Colombiaanse importen vanuit de EU een product onder categorie «A» valt, betekent dit dat de douanerechten onmiddellijk worden afgeschaft zodra het Vrijhandelsakkoord effectief wordt. Als een product bijvoorbeeld in categorie «C» valt, betekent dit dat het invoertarief na vijf jaar volledig moet zijn afgeschaft. Producten uit categorie «E» zijn uitgezonderd van tariefliberalisering. Daarnaast zijn er producten waarvoor tariefquota worden ingesteld. Deze producten komen alleen tariefvrij de markt op tot een bepaalde hoeveelheid, daarboven mogen er weer douanerechten worden geheven. Alle partijen hebben tariefquota voor een aantal producten afgesproken.

Zo kent de EU in haar markttoegangsschema voor Peru tariefquota die jaarlijks verruimd worden voor diverse vlees-, gevogelte-, zuivel- en rijstproducten.

Wat betreft de EU markttoegang voor bananen vanuit Colombia en Peru kent het Vrijhandelsakkoord in Bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) aparte afspraken. Qua tarieven is afgesproken dat de EU haar invoerheffingen gradueel verlaagd tot € 75 euro per metrieke ton in 2020. Om de toevoer van bananen in de (met name ultraperifere gebieden van de) EU tot 2020 te stabiliseren zijn er jaarlijks toenemende invoervolumes vastgesteld. Wanneer de EU importen van bananen vanuit Colombia en Peru in een gegeven jaar boven het vastgestelde volume uit komen biedt het Vrijhandelsakkoord de EU de mogelijkheid om maximaal drie maanden de invoerheffingen te verhogen. Dit zogenaamde «bananen stabilisatiemechanisme» loopt tot 1 januari 2020.

Oorsprongsregels

Om te kunnen bepalen of een product recht heeft op preferentiële markttoegang onder het Vrijhandelsakkoord zijn in Bijlage II (Met betrekking tot de definitie van het begrip «producten van oorsprong» en methoden van administratieve samenwerking) afspraken gemaakt over oorsprongsregels. De handelspreferenties die de EU, Colombia en Peru elkaar toekennen zijn namelijk alleen van toepassing op «producten van oorsprong» uit deze partijen. Aangezien veel producten bestaan uit onderdelen die uit andere landen geïmporteerd worden, zijn er regels nodig om aan de grens te bepalen wat het land van oorsprong van een product is en of het een preferentiële behandeling krijgt. Hiertoe worden in preferentiële handelsakkoorden afspraken gemaakt over de oorsprongsregels. In Bijlage II liggen daartoe afspraken vast over definities van «producten van oorsprong», territoriale voorwaarden, teruggave of vrijstelling van rechten, bewijs van oorsprong en regelingen voor administratieve samenwerking. Zo valt uit Bijlage II bijvoorbeeld op te maken dat een lederen tas de Colombiaanse oorsprong krijgt als deze is aaneengenaaid en gesneden in Colombia. Het materiaal mag wel van elders geïmporteerd worden.

Om fraude te voorkomen wordt door middel van steekproeven gecontroleerd of de bewijzen van oorsprong echt zijn. Om dit te faciliteren zijn in Bijlage III (Bijzondere bepalingen inzake administratieve samenwerking) afspraken over administratieve samenwerking overeengekomen. Indien een partij herhaaldelijk niet meewerkt aan de verplichting om de oorsprong te controleren kan dit reden zijn om de handelspreferenties voor een of meerdere producten te schorsen.

Wegnemen niet-tarifaire maatregelen

De EU, Colombia en Peru hebben specifieke afspraken gemaakt over het aanpakken van niet-tarifaire belemmeringen. Niet-tarifaire belemmeringen zijn alle handelsbarrières anders dan tarieven en deze kunnen veel verschillende vormen aannemen. De kosten van niet-tarifaire belemmeringen zijn vaak hoger dan tariefkosten en vooral problematisch voor het midden- en kleinbedrijf.

De partijen spreken in het Vrijhandelsakkoord af geen verbod of beperking op de import van goederen afkomstig uit een andere verdragspartij of op de export van een goed naar een andere verdragspartij in te stellen of te handhaven, tenzij anders bepaald in het Vrijhandelsakkoord of in overeenstemming met GATT artikel XI inzake kwantitatieve beperkingen.

De opgelegde vergoedingen en heffingen (andere dan douanerechten) op de invoer van een goed worden beperkt tot de kosten van verleende diensten. De partijen schrijven voor de invoer van goederen van een andere partij geen consulaire formaliteiten voor en maken alle actuele informatie beschikbaar over alle vergoedingen en heffingen, bij voorkeur via internet. De partijen zullen ook geen vergunningsprocedures gebruiken die niet in overeenstemming zijn met de WTO- Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen; een overeenkomst behorend bij Bijlage 1A van de op 15 april 1994 te Marrakesh tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (Trb. 1994, 235) (WTO-Overeenkomst). Staatsondernemingen aan wie de uitoefening van een publieke taak is opgedragen, mogen niet zodanig handelen dat zij de vrije handel tussen de verdragspartijen belemmeren.

Landbouwproducten

Het Vrijhandelsakkoord bevat specifieke bepalen over de handel in landbouwproducten. Op grond van artikel 29 is overeengekomen dat Colombia en Peru de mogelijkheid hebben om voor enkele specifieke landbouwproducten bilaterale vrijwaringsmaatregelen tegen Europese importen in te stellen. De producten waarvoor dit geldt, zijn opgenomen in Bijlage IV bij het Vrijhandelsakkoord en betreffen met name enkele zuivel- en vleesproducten. Een kwantitatieve vrijwaringsmaatregel kan worden opgelegd indien het totale invoervolume voor een bepaald landbouwproduct het daarvoor vastgestelde drempelvolume overstijgt. Ook deze drempelvolumes zijn in Bijlage IV opgenomen. Deze vrijwaringsmaatregel voor landbouwproducten sluit niet uit dat partijen onder artikel 5 van de WTO Overeenkomst inzake de landbouw (behorend bij bijlage 1A van de WTO-overeenkomst) speciale vrijwaringsmaatregelen nemen, zolang het niet parallel plaatsvindt.

Verder kennen Colombia en Peru een systeem van variabele invoerheffingen voor enkele landbouwproducten gericht op het stabiliseren van de prijs van deze producten voor lokale consumenten. In artikel 30 van het Vrijhandelsakkoord wordt geregeld dat de landen dit zogenaamde prijstranchesysteem mogen blijven hanteren. Tegelijkertijd mag de EU haar invoerprijssysteem voor groenten en fruit blijven toepassen (artikel 31). De partijen komen tot slot overeen exportsubsidies voor geheel geliberaliseerde landbouwproducten af te schaffen (artikel 32).

Subcomités

De partijen richten een subcomité Markttoegang op, dat onder andere tot taak heeft de handel in goederen tussen de partijen te bevorderen, en het bespreken van niet-tarifaire maatregelen die de handel in goederen tussen de partijen kunnen beperken (artikel 35). Het op te richten subcomité voor Landbouw houdt toezicht op de naleving van de genoemde afspraken over landbouwproducten (artikel 36).

Hoofdstuk 2: Handelsmaatregelen

(artikelen 37–57)

Het hoofdstuk over handelsmaatregelen bevat bepalingen die verband houden met het gebruik van het handelsdefensieve instrumentarium. Onder het handelsdefensief instrumentarium vallen drie instrumenten: antidumpingmaatregelen, compenserende heffingen en vrijwaringsmaatregelen. In de in het kader van de WTO gesloten overeenkomst betreffende oorsprongsregels (bijlage 1A van de WTO-overeenkomst) zijn hiervoor internationale regels overeengekomen om de door afbouw van douanerechten verkregen markttoegang veilig te stellen en te voorkomen dat met behulp van deze instrumenten nieuwe handelsbelemmeringen worden opgeworpen. De EU en Colombia en Peru herbevestigen hun rechten en verplichtingen die uit de WTO-akkoorden op dit gebied voortvloeien en verbinden zich om het gebruik van handelsmaatregelen tot een minimum te beperken.

Anti-dumping en compenserende maatregelen

Deze maatregelen kunnen genomen worden als er sprake is van dumping (d.w.z. dat de prijs op de thuismarkt hoger is dan op de exportmarkt) of bepaalde subsidies (exportsubsidies, subsidies gekoppeld aan het gebruik van lokale materialen, specifieke subsidies). Daarnaast moet er sprake zijn van schade aan de industrie én van een causaal verband tussen de dumping of subsidie en de geleden schade. Als aan deze drie voorwaarden is voldaan, mag de benadeelde partij antidumpingmaatregelen of, in geval van subsidies, compenserende maatregelen nemen. Deze handelsmaatregelen moeten volgens de toepasselijke WTO-voorschriften worden genomen en een partij die handelsmaatregelen toepast, is verplicht om inzicht te geven in de relevante overwegingen die tot het besluit hebben geleid. De EU en Colombia hebben in aanvulling hierop afgesproken dat de hoogte van het antidumping- of compenserende recht nooit hoger mag zijn dan de werkelijke schade die de industrie heeft geleden en dat bij de afweging over het al dan niet toepassen van dergelijke maatregelen rekening wordt gehouden met industriële gebruikers en importeurs van het onderzochte product.

Vrijwaringsmaatregelen

Onder bepaalde voorwaarden mogen de partijen bilaterale vrijwaringsmaatregelen nemen om hun eigen producenten te beschermen. Dit kan wanneer door de verlaging of afschaffing van een douanerecht, een product uit een andere partij in zulke grote hoeveelheden wordt ingevoerd dat de binnenlandse producenten van soortgelijke producten hierdoor ernstige schade leiden of dreigen te lijden. De mogelijkheid van het opleggen van een bilaterale vrijwaringsmaatregel geldt alleen gedurende de overgangsperiode van het Vrijhandelsakkoord (artikel 48, tweede lid). Deze periode is vastgesteld op tien jaar gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van het Vrijhandelsakkoord (voor producten waarvan de liberalisering meer dan 10 jaar duurt bedraagt de overgangsperiode 13 jaar). Een bilaterale vrijwaringsmaatregel kan bestaan uit een opschorting van de in het Vrijhandelsakkoord voorziene verlaging van het douanerecht op het betreffende goed of uit een verhoging van het douanerecht op dat goed tot het meestbegunstigingsrecht of, indien dat lager is, het basisrecht dat in de lijst van die partij in Bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) staat vermeld. Een bilaterale vrijwaringsmaatregel mag niet langer dan twee jaar worden toegepast (artikel 52). De toepassing kan met hooguit twee jaar worden verlengd. Artikel 45 regelt dat een multilaterale vrijwaringsmaatregel niet tegelijkertijd met een bilaterale vrijwaringsmaatregel op hetzelfde product mag worden toegepast. Het hoofdstuk over multilaterale vrijwaringmaatregelen, afgezien van artikel 45, is uitgezonderd van titel XII (geschillenbeslechting).

Het Vrijhandelsakkoord houdt specifiek rekening met de belangen van de ultraperifere gebieden van de EU en voorziet in artikel 56 in een speciale vrijwaring indien de economische situatie in de ultraperifere gebieden ernstig verslechtert of dreigt te verslechteren als gevolg van toegenomen importen vanuit Colombia en Peru.

Hoofdstuk 3: Douane en handelsbevordering

(artikelen 58–70)

In dit hoofdstuk spreken de EU, Colombia en Peru af hun samenwerking op het gebied van douane en handelsbevordering te versterken. Hun wetgeving, procedures en overheden moeten voldoen aan de doelstellingen van dit hoofdstuk: een effectieve douanecontrole en het bevorderen van het handelsverkeer.

De partijen komen een aantal uitgangspunten overeen om efficiëntie, transparantie en voorspelbaarheid van douaneprocedures en wetgeving op dit gebied te waarborgen. Het Vrijhandelsakkoord biedt hiermee een uitgebreid toetsingskader voor het toepassen van handels- en douanevoorschriften en procedures. De partijen komen overeen om hun handels- en douanewetgeving te baseren op de internationale standaarden op deze gebieden. Ook voorziet dit hoofdstuk in de verbetering van douaneprocedures en de vermindering van documentatievereisten en stelt zij het vereiste van toegankelijke bezwaar- en beroepsprocedures tegen douanebesluiten.

Om de transparantie en rechtszekerheid van douaneprocedures te bevorderen, voorziet dit hoofdstuk in de mogelijkheid om de bevoegde autoriteiten te verzoeken vooraf uitspraak te doen over tariefindeling en oorsprong van goederen (advance rulings). Om grenscontroles te vereenvoudigen en effectiever te maken zijn in dit hoofdstuk bepalingen opgenomen over risicobeheersing, doorvoer, kenbaarheid van wetgeving en wederzijdse assistentie op douanegebied. Verder zullen partijen samenwerken bij de implementatie van de verplichtingen zoals opgenomen in dit hoofdstuk.

Het op te richten subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels ziet onder meer toe op de implementatie en de werking van dit hoofdstuk. Dit comité kan resoluties, aanbevelingen of adviezen formuleren die het noodzakelijk acht voor het bereiken van de in dit hoofdstuk genoemde doelstellingen.

Hoofdstuk 4: Technische handelsbelemmeringen

(artikelen 71–84)

Dit hoofdstuk is grotendeels een herhaling van bestaande WTO afspraken met betrekking tot de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (hierna: TBT-overeenkomst) en bevat enkele aanvullingen hierop. Het hoofdstuk heeft als doel het bevorderen van de handel in goederen en het realiseren van werkelijke markttoegang door betere uitvoering van de TBT-overeenkomst en het voorkomen van technische handelsbelemmeringen in de vorm van onnodige technische voorschriften, normen en procedures voor het beoordelen van conformiteit. Daarnaast heeft dit hoofdstuk ten doel het versterken van de samenwerking op het gebied van grenscontroles en technische regulering. Het hoofdstuk is van toepassing op de technische vereisten en standaarden die de handel in goederen tussen de verdragspartijen kunnen beïnvloeden. De partijen verbinden zich om hun technische regulering te baseren op de internationale standaarden op dit gebied, tenzij deze niet geschikt zijn voor het realiseren van het beoogde doel. Daarnaast zijn afspraken opgenomen over transparantie en notificatieprocedures voor technische voorschriften en mogen partijen ook via de elektronische weg technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingen naar elkaars contactpunten sturen. Wat betreft de conformiteitsbeoordeling verbinden partijen zich eraan dat niet-gouvernementele organen die bij de conformiteitsbeoordeling worden gebruikt met elkaar kunnen concurreren. Verder spreken de partijen af te zullen samenwerken aan het vergroten van de toegang tot elkaars markten en aan initiatieven om de onderlinge handel te bevorderen.

In artikel 81 zijn afspraken gemaakt over het opleggen van een verplichting tot het aanbrengen van merktekens of etikettering op producten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen permanente en niet-permanente etiketten. Een verplichting tot het etiketteren van producten kan alleen worden opgelegd als de informatie op het etiket noodzakelijk is voor de consument, bijvoorbeeld als het product gevaar oplevert voor de gezondheid.

De partijen richten een subcomité Technische handelsbelemmeringen op dat toeziet op de implementatie en de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk met inbegrip van het herzien van dit hoofdstuk in het kader van ontwikkelingen in de TBT-overeenkomst.

Hoofdstuk 5: Sanitaire en fytosanitaire maatregelen

(artikelen 85–104)

Doel van dit hoofdstuk is het beschermen van het leven en de gezondheid van mensen, dieren en planten en tegelijkertijd de negatieve gevolgen van sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS-maatregelen) op de handel tussen de partijen te beperken. Tevens wordt het toepassen van een bijzondere en afwijkende behandeling vergemakkelijkt, doordat er rekening wordt gehouden met de asymmetrie tussen de partijen. Verder is het doel van deze artikelen om de samenwerking tussen partijen op het gebied van dierenwelzijn te versterken. Ook willen de partijen de transparantie vergroten als het gaat om het opstellen van SPS-maatregelen. De partijen bevestigen hun bestaande rechten en verplichtingen ingevolge de in het kader van de WTO gesloten Overeenkomst inzake de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen (onderdeel van de WTO-overeenkomst) (het SPS-verdrag). Tevens erkennen zij de normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de Wereldorganisatie voor diergezondheid en het op 16 april 1929 te Rome tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van planten (Trb. 1932, 219) (IPPC).

Het hoofdstuk voorziet in verplichtingen met betrekking tot transparantie, de uitwisseling van informatie en de gemeenschappelijke ontwikkeling en toepassing van internationale normen. Tevens wordt voorzien in de verplichting tot samenwerking om niet alleen de capaciteiten van een partij ten aanzien van sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden te verbeteren, maar ook om de toegang tot de markt van de andere partij te bevorderen. SPS-maatregelen mogen niet worden gebruikt als ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen. De opgenomen procedures en verzoeken tot aanvullende informatie mogen dus niet gebruikt worden zonder wetenschappelijke of technische redenen om de toegang tot de markt te ontzeggen.

Artikel 98 biedt de mogelijkheid tot het nemen van noodmaatregelen in geval van een ernstig risico voor het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten. Het is de invoerende partij in dat geval toegestaan maatregelen te nemen zonder de andere partij daar van tevoren van op de hoogte te stellen. Wel dient de uitvoerende partij niet later dan één werkdag nadat de maatregel is genomen, geïnformeerd te worden. Voor lopende zendingen dient een passende oplossing gevonden te worden, zodat de handel niet onnodig verstoord wordt.

Ten slotte worden de taken van het op te richten subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen omschreven (artikel 103). Dit subcomité kan onder meer de details van de procedure voor de erkenning van ziekte- of plagenvrije gebieden nader definiëren. Indien zich problemen voordoen bij de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen kunnen partijen dit subcomité met spoed bijeenroepen voor overleg.

Hoofdstuk 6

(artikel 105)

Het asymmetrische karakter van het Vrijhandelsakkoord blijkt onder andere uit de bepalingen in dit hoofdstuk. De partijen erkennen de verschillende niveaus van integratie van de EU enerzijds en de Andesgemeenschap anderzijds. Producten afkomstig uit Colombia en Peru profiteren van het vrij verkeer van goederen binnen de EU. Colombia en Peru zullen zich inspannen om het verkeer van EU goederen binnen de bij dit Vrijhandelsakkoord aangesloten landen van de Andesgemeenschap te vereenvoudigen en dubbele procedures en controles te voorkomen.

Hoofdstuk 7: Uitzonderingen

(artikel 106)

Dit artikel biedt de partijen de mogelijkheid om maatregelen te treffen die de handel kunnen belemmeren, maar noodzakelijk zijn voor onder andere de bescherming van de openbare veiligheid, het leven of gezondheid van mens, dier en plant, nationaal erfgoed en het in stand houden van natuurlijke hulpbronnen en het aantrekken van schaarse goederen. Daarnaast kunnen partijen, onder voorwaarden, de uitvoer van binnenlandse grondstoffen als onderdeel van een prijsstabilisatieprogramma beperken en kunnen maatregelen worden getroffen die van wezenlijk belang zijn voor de verwerving of distributie van producten waaraan een algemeen of plaatselijk tekort bestaat.

TITEL IV: HANDEL IN DIENSTEN, VESTIGING EN ELEKTRONISCHE HANDEL

(artikelen 107–167)

In deze titel zijn de bepalingen opgenomen over de geleidelijke en wederzijdse liberalisering van de handel in diensten, het recht van vestiging en samenwerking op het gebied van elektronische handel. Deze titel bevat ook bepalingen inzake de liberalisering van investeringen en bepalingen die de tijdelijke aanwezigheid van personen voor zakelijke doeleinden regelen.

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

(artikelen 107–109)

In dit hoofdstuk wordt de reikwijdte van de afspraken vastgelegd en worden verschillende definities nader toegelicht. Zo mag niets in deze titel worden uitgelegd als een verplichting tot het privatiseren van overheidsondernemingen en zijn de afspraken niet van toepassing op overheidsopdrachten of op door een partij verstrekte subsidies (artikel 107, tweede en derde lid). De afspraken uit deze titel zijn uitdrukkelijk niet van toepassing op personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een andere partij zoeken of op maatregelen inzake staatsburgerschap, permanent verblijf of werk op permanente basis (artikel 107, zesde lid). De artikelen onder deze titel hinderen de partijen niet om maatregelen te nemen om het tijdelijk verblijf van natuurlijke personen te reguleren.

Daarnaast regelt dit hoofdstuk dat het Handelscomité een werkgroep kan instellen om regelgevingskwesties betreffende vestiging, handel in diensten en elektronische handel te bespreken. Daarnaast kan dit comité voorstellen doen aan Colombia en Peru voor het beschermen van persoonsgegevens en mechanismen aanbevelen die het midden- en klein bedrijf behulpzaam kunnen zijn bij elektronische handel. Verder heeft het comité als taken het verbeteren van de veiligheid van elektronische transacties, het vaststellen van samenwerkingsmechanismen betreffende digitale accreditatie en certificatie voor elektronische transacties en wederzijdse erkenning van digitale certificaten

Hoofdstuk 2: Vestiging

(artikelen 110–116)

Het doel van dit hoofdstuk is het onderlinge vestigingsklimaat en in het bijzonder de wederzijdse voorwaarden voor vestiging, te verbeteren. Onder vestiging wordt verstaan: elk type zakelijke of beroepsmatige vestiging door oprichting, overname of handhaving van een rechtspersoon of de oprichting of handhaving van een filiaal of vertegenwoordiging op het grondgebied van een partij met het doel een economische activiteit te verrichten.

Het hoofdstuk is van toepassing op maatregelen die van invloed zijn op de vestiging van economische activiteiten. Uitgezonderd van toepassing zijn de maatregelen op het gebied van de winning, vervaardiging en verwerking van nucleair materiaal en de productie van of handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel. Eveneens uitgezonderd zijn audiovisuele diensten, nationale cabotage in het zeevervoer, het verwerken en storten van giftig afval, binnenlandse en internationale luchtvervoersdiensten en bepaalde diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten.

De partijen gaan verbintenissen aan ten aanzien van markttoegang voor vestigingen en investeerders uit de andere partij. Deze verbintenissen en de uitzonderingen zijn per subsector van dienstverlening opgenomen in Bijlage VII (Lijst van verplichtingen inzake vestiging). Daarnaast spreken de partijen het principe van nationale behandeling af. Nationale behandeling houdt in dat een verdragspartij bedrijven en investeerders afkomstig uit de andere verdragspartijen niet minder gunstig behandelt dan zijn eigen bedrijven en investeerders.

Artikel 115 garandeert de rechten en verplichtingen van investeerders uit de landen die partij zijn bij dit verdrag ten aanzien van een gunstigere behandeling indien daar in een bestaande of toekomstige internationale investeringsovereenkomst is voorzien. Ten slotte voorziet artikel 116 in een evaluatie van wetgeving over investeringen, het investeringsklimaat en de onderlinge investeringsstromen.

Het Vrijhandelsakkoord bevat geen apart hoofdstuk over investeringen, omdat de onderhandelingen voor dit akkoord vóór de inwerkingtreding van het op 13 december 2007 te Lissabon tot stand gekomen Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Trb. 2008, 11) gestart zijn en de EU op dat moment geen mandaat had om hier over te onderhandelen. Artikel 116 legt de partijen echter wel de verplichting op om hun wetgeving inzake investeringen regelmatig te evalueren. Derhalve zullen Nederland en de EU als partijen bij het Vrijhandelsakkoord aan deze evaluatieverplichting moeten voldoen. De evaluatie vindt voor de eerste maal uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van het Vrijhandelsakkoord plaats en vervolgens met regelmatige tussenpozen. Het evalueren van de nationale wetgeving op het gebied van investeringen valt onder de bevoegdheid van de lidstaten, terwijl de EU uiteraard bevoegd is om bestaande relevante EU regelgeving ten aanzien van investeringen te evalueren.

Hoofdstuk 3: Grensoverschrijdende dienstverlening

(artikelen 117–121)

Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen van partijen die van invloed zijn op grensoverschrijdende dienstverlening, met uitzondering van audiovisuele diensten, nationale cabotage in het zeevervoer, binnenlandse en internationale luchtvervoersdiensten en bepaalde diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten. Onder grensoverschrijdende dienstverlening wordt verstaan het verlenen van een dienst vanaf het grondgebied van een partij op het grondgebied van de andere partij (de dienst gaat de grens over) en het verlenen van een dienst op het grondgebied van een partij ten behoeve van de gebruiker van de diensten uit de andere partij (consumptie in het buitenland). In dit hoofdstuk gaan de partijen verbintenissen aan ten aanzien van markttoegang en nationale behandeling. De specifieke verbintenissen en de uitzonderingen zijn per subsector van dienstverlening opgenomen in de Bijlage VIII (Lijst van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening) bij dit Vrijhandelsakkoord.

Hoofdstuk 4: Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken

(artikelen 122–128)

Dit hoofdstuk voorziet in de mogelijkheid voor bedrijven om personeel in te zetten in hun vestigingen op het grondgebied van de andere partijen. Het hoofdstuk is van toepassing op maatregelen op het gebied van de toegang en het tijdelijke verblijf van stafpersoneel, trainees, verkopers van zakelijke diensten, dienstverleners op contractbasis, beoefenaren van een vrij beroep en korte termijn bezoekers voor zakelijke doeleinden.

Hiertoe staan alle partijen bij het Vrijhandelsakkoord toe dat voor de sectoren die geliberaliseerd worden met betrekking tot het recht van vestiging, investeerders uit de verdragspartijen natuurlijke personen naar hun vestiging mogen overplaatsen, mits die werknemers behoren tot het stafpersoneel of afgestudeerd stagiair zijn. De voorbehouden van de partijen op deze toegang staan opgenomen in Bijlage VII (Lijst van verbintenissen inzake vestiging) en aanhangsel 1 van Bijlage IX (Voorbehouden betreffende de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken). De duur van het tijdelijke verblijf bedraagt voor de EU ten hoogste drie jaar voor binnen een onderneming overgeplaatste personen. Voor Colombia bedraagt de maximale verblijfsduur voor binnen de onderneming overgeplaatste personen twee jaar, welke termijn met een jaar kan worden verlengd. Voor Peru is de maximale duur van de arbeidsovereenkomst drie jaar. De maximale verblijfsduur voor binnen de onderneming overgeplaatste personen is echter één jaar, welke termijn kan worden verlengd als de voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning is verstrekt nog steeds worden vervuld. Voor alle partijen geldt dat het tijdelijk verblijf ten hoogste negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden is voor zakelijke bezoekers en ten hoogste één jaar voor afgestudeerde stagiairs.

Ook ten aanzien van verkopers van zakelijke diensten staan de partijen toegang en tijdelijk verblijf toe voor een periode van ten hoogste negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden. Alle partijen zijn deze verplichting aangegaan voor alle sectoren die worden geliberaliseerd overeenkomstig hoofdstuk 2 (Vestiging) of hoofdstuk 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening), behoudens eventuele voorbehouden in de Bijlagen VII (Lijst van verbintenissen inzake vestiging) en VIII (Lijst van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening). In artikel 1 van het Besluit van 23 augustus 1995 ter uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen (Stb. 1995, 406) is incidentele arbeid door verkopers van zakelijke diensten toegestaan voor arbeid met een maximale duur van vier weken binnen een tijdbestek van 13 weken. Om aan te sluiten bij de afgesproken periode van ten hoogste negentig dagen gedurende een tijdbestek van twaalf maanden, zal het besluit worden aangepast.

Voor dienstverleners op contractbasis staan Colombia en de EU verder toe dat in 21 sectoren deze dienstverleners van de EU respectievelijk Colombia worden toegelaten tot elkaars grondgebied. Het gaat hier bijvoorbeeld om accountants, boekhouders, architecten, artsen, designers en ingenieurs. Peru en de EU staan toe dat in 14 sectoren dienstverleners op contractbasis van de EU respectievelijk Peru worden toegelaten tot elkaars grondgebied. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om accountants, boekhouders, architecten, artsen en verloskundigen. Colombia, Peru en de EU hebben ieder een eigen afweging gemaakt welke sectoren open te stellen voor buitenlandse dienstverleners, op basis van de respectievelijke arbeidsmarktomstandigheden.

Dienstverlening uit hoofde van deze bepalingen is toegestaan onder voorbehoud van een aantal voorwaarden. Bedrijven die een contract hebben gesloten met de andere partij om diensten te verlenen kunnen werknemers bijvoorbeeld voor maximaal zes maanden (binnen een periode van twaalf maanden) naar het grondgebied van deze andere partij sturen. Daarnaast moeten deze dienstverleners al ten minste een jaar lang als werknemer in dienst te zijn en over ten minste drie jaar beroepservaring beschikken. Ook geldt er een universitair opleidingsvereiste.

Voor beoefenaars van een vrij beroep staan Colombia en de EU toe dat in tien sectoren deze dienstverleners van de EU respectievelijk Colombia worden toegelaten tot elkaars grondgebied. Het gaat hier bijvoorbeeld om architecten, ingenieurs, vertalers en tolken. Peru en de EU staan toe dat in acht sectoren beoefenaars van een vrij beroep, zoals architecten, ingenieurs en dienstverleners op het gebied van bedrijfsbeheer, van de EU respectievelijk Peru worden toegelaten tot elkaars grondgebied. Hier geldt eveneens dat Colombia, Peru en de EU ieder een eigen afweging hebben gemaakt welke sectoren open te stellen voor buitenlandse dienstverleners, op basis van de respectievelijke arbeidsmarktomstandigheden.

Dienstverlening uit hoofde van deze bepalingen is toegestaan onder voorbehoud van een aantal voorwaarden. Zo is de duur van het verblijf van de beoefenaar van een vrij beroep maximaal zes maanden (binnen een periode van twaalf maanden). Daarnaast behoren deze dienstverleners al ten minste zes beroepservaring te hebben in de bedrijfstak waarop het contract betrekking heeft en geldt er een universitair opleidingsvereiste. Het Besluit van 23 november 2000 tot uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (Stb. 2000, 497) zal zodanig worden aangepast dat wordt aangesloten bij de in het Vrijhandelsakkoord afgesproken bepalingen ten aanzien van toegang voor deze categorie dienstverleners.

Tot slot streven de partijen, in overeenstemming met hun respectieve wetgeving, naar vergemakkelijking van de toegang van tijdelijke zakelijke bezoekers die zich bijvoorbeeld bezig houden met onderzoek of ontwerp, marketingonderzoek, bezoek aan beurzen en tentoonstellingen en van personeel op het gebied van toerisme. Wanneer voor deze tijdelijke bezoekers de toegang en het verblijf is toegestaan, geldt dit voor maximaal negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden.

Hoofdstuk 5: Regelgevingskader

(artikelen 129–161)

De artikelen in dit hoofdstuk bevatten een kader voor de regulering van wederzijdse erkenning en er worden aanvullende afspraken gemaakt over een aantal specifieke sectoren van dienstverlening, te weten computerdiensten, koeriersdiensten, telecommunicatie diensten, financiële diensten en internationale zeevervoersdiensten.

Afdeling 1: Bepalingen van algemene strekking

(artikelen 129–131)

Deze afdeling omvat een kader voor de regulering van de wederzijdse erkenning van eisen, kwalificaties, vergunningen en andere regelingen die gelden ten aanzien van een dienst of dienstverlener. Het Vrijhandelsakkoord verhindert partijen niet om van natuurlijke personen de benodigde kwalificaties of werkervaring te eisen. De EU en Colombia en Peru moedigen de desbetreffende beroepsorganisaties aan om gezamenlijke aanbevelingen over wederzijdse erkenning te ontwikkelen (artikel 129). De partijen verplichten zich in artikel 130 om informatiepunten op te richten, waar investeerders en dienstverleners informatie kunnen opvragen over maatregelen van algemene strekking of verdragen die betrekking hebben op of gevolgen hebben voor deze titel. Deze informatiepunten worden vermeld in Bijlage X (Informatiepunten betreffende handel in diensten, vestiging en elektronische handel).

In sectoren waar de partijen specifieke verbintenissen zijn aangegaan, draagt elke partij er zorg voor dat maatregelen die van invloed zijn op deze titel op een redelijke, objectieve en onpartijdige wijze worden toegepast. Verder stelt het Vrijhandelsakkoord eisen aan de mate van transparantie over criteria en procedures die verband houden met het verlenen van vergunningen aan en de certificering van dienstverleners. Ook wordt de verplichting opgelegd om gerechtelijke, scheidsrechtelijke of administratieve tribunalen of procedures in stand te houden of in te voeren, waarmee beslissingen over het recht van vestiging, grensoverschrijdende dienstverlening of tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken kunnen worden onderzocht en indien nodig, passende maatregelen kunnen worden genomen.

Afdelingen 2,3,4,5, en 6: specifieke diensten

(artikelen 132–161)

Deze afdelingen bevatten kaders voor de regulering van een aantal specifieke sectoren van dienstverlening: computerdiensten (afdeling 2), post- en koeriersdiensten (afdeling 3), telecommunicatiediensten (afdeling 4), financiële diensten (afdeling 5) en internationaal zeevervoersdiensten (afdeling 6). De reden dat voor deze diensten aparte kaders zijn opgenomen, is dat deze sectoren specifieke kenmerken hebben, waarvoor aanvullende afspraken nodig zijn. In de afdeling over telecommunicatiediensten staan bijvoorbeeld afspraken rondom het afgeven van vergunningen in verband met het toekennen van frequenties en telefoonnummers. Ook waarborgen partijen het vertrouwelijke karakter van telecommunicatieverkeer. Verder moet er een wettelijke procedure zijn op basis waarvan een bindend besluit genomen kan worden ten behoeve van het beslechten van telecommunicatiegeschillen.

Wat betreft financiële diensten regelt het Vrijhandelsakkoord de wederzijdse toelating van financiële ondernemingen. Zo hebben financiële dienstverleners van de andere partij onder dezelfde voorwaarden als eigen financiële dienstverleners toegang tot door openbare instanties geëxploiteerde betalings- en clearingsystemen, alsmede tot voor normale zakelijke transacties beschikbare officiële financierings- en herfinancieringsfaciliteiten (artikel 153). Onder voorwaarden, kan een partij prudentiële maatregelen vaststellen of handhaven, bijvoorbeeld voor het verzekeren van de integriteit en stabiliteit van haar financiële stelsel of individuele ondernemingen (artikel 154). Daarnaast verbinden de partijen zich tot het bevorderen van transparantie van regelgeving en wordt onder meer de procedure om informatie in elektronische vorm uit te wisselen, vereenvoudigd. Alle partijen verplichten zich bovendien tot het naleven van de internationale normen en standaarden met betrekking tot het toezicht op de financiële sector en het tegengaan van witwassen en het financieren van terrorisme.

Artikel 157 (gegevensverwerking financiële dienstverleners) ziet toe op een gedeelde bevoegdheid van de EU en de lidstaten, omdat de wetgeving op dit vlak nog niet volledig geharmoniseerd is.

In het internationale zeevervoer passen beide partijen het principe van nationale behandeling en non-discriminatie toe. Artikel 160, tweede lid, onder b, houdt de verplichting voor partijen in om vaartuigen die de vlag voeren van een andere partij gelijke behandeling toe te kennen. Deze bepaling valt onder de bevoegdheid van de lidstaten. Op dit gebied is namelijk nog geen EU-regelgeving vastgesteld. Hetzelfde geldt voor artikel 160, vijfde lid, van het Vrijhandelsakkoord. Deze bepaling ziet op de toegang tot havendiensten voor dienstverleners in het internationaal zeevervoer afkomstig uit een andere partij.

Hoofdstuk 6: Elektronische handel

(artikelen 162–166)

Dit hoofdstuk is gericht op de bevordering van elektronische handel en bevat samenwerkingsafspraken op het gebied van de vraagstukken die de elektronische handel met zich meebrengt, zoals het erkennen van elektronische handtekeningen, bescherming van persoonsgegevens, behandeling van ongevraagde elektronische commerciële communicatie en consumentenbescherming. Daarbij is afgesproken dat er geen douanerechten worden geheven op doorgifte langs elektronische weg.

Hoofdstuk 7: Uitzonderingen

(artikel 167)

Dit hoofdstuk staat de partijen onder voorwaarden toe maatregelen te nemen in afwijking van de bepalingen in de titel IV (Handel in diensten, vestiging en elektronische handel) en titel V (Lopende betalingen en kapitaalverkeer) op de gebieden: bescherming van de openbare orde, veiligheid en zeden, bescherming van gezondheid van mensen, dieren en planten, in standhouden van niet-levende uitputbare natuurlijke hulpbronnen, bescherming van artistiek, historisch of archeologisch erfgoed, bescherming van privacy en veiligheid en voorkomen van fraude.

TITEL V: LOPENDE BETALINGEN EN KAPITAALVERKEER

(artikelen 168–171)

Deze titel regelt het vrije kapitaalverkeer tussen de partijen. Dit is belangrijk om de uitvoering van dit Vrijhandelsakkoord soepel te laten verlopen. De EU, Colombia en Peru verbinden zich ertoe dat alle betalingen en overboekingen op de lopende rekening van de betalingsbalans gedaan worden zonder beperkingen en kunnen worden verricht in vrij converteerbare valuta. Het kapitaalverkeer dat verband houdt met de bepalingen onder titel IV (Handel in diensten, vestiging en elektronische handel) zal niet worden beperkt. Deze bepalingen vormen in principe geen beletsel voor het nemen van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid en de openbare zeden, de handhaving van de openbare orde en de handhaving van wet- en regelgeving. Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden betalingen en kapitaalbewegingen tussen de partijen ernstige moeilijkheden (dreigen te) veroorzaken voor het monetair beleid of het wisselkoersbeleid kunnen partijen voor een periode van maximaal een jaar vrijwaringsmaatregelen toepassen voor zover deze geen verkapte vorm van bescherming van de eigen industrie inhouden.

TITEL VI: OVERHEIDSOPDRACHTEN

(artikelen 172–194)

In tegenstelling tot de EU zijn Colombia en Peru geen partij bij de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten die zich bevindt bij Bijlage 4 van de WTO-overeenkomst (hierna: GPA). Met de afspraken onder deze titel openen Colombia en Peru hun markt voor overheidsopdrachten verder dan zij tot op heden gedaan hebben voor een derde land. Met het Vrijhandelsakkoord krijgen Europese bedrijven naast toegang tot aanbestedingen van centrale autoriteiten ook de kans om ook op lager (gemeentelijk en provinciaal) niveau op een gelijkwaardige basis mee te dingen naar overheidsopdrachten. De opzet van deze titel is vergelijkbaar met de opzet van de afspraken die met andere landen in het kader van de GPA zijn gemaakt. Het toepassingsbereik van deze titel is begrensd tot overheidsopdrachten die aan een aantal in deze titel en in Bijlage XII (overheidsopdrachten) genoemde voorwaarden voldoen. Zo moet een overheidsopdracht in principe worden opengesteld als deze voldoet aan een minimum drempelwaarde (welke voor de EU overeenkomt met de reeds aangegane verplichtingen binnen de GPA) en wordt aanbesteed door een overheidsorgaan dat in Bijlage XII wordt genoemd.

In deze titel is een aantal algemene maatregelen op het gebied van overheidsopdrachten opgenomen. Zo komen de partijen overeen om elkaars goederen, diensten en dienstverleners nationale behandeling toe te kennen. Verder zijn bepalingen opgenomen om de transparantie van overheidsopdrachten te waarborgen. Deze titel legt onder andere de verplichting op om maatregelen inzake overheidsopdrachten en voorgenomen overheidsopdrachten te publiceren in daarvoor aangewezen media. De bepalingen in deze titel verhinderen de verdragspartijen niet om maatregelen te nemen die nodig zijn voor de bescherming van openbare zeden, orde of veiligheid, de bescherming van de gezondheid van mensen, dieren en planten, van intellectueel eigendom of goederen of van diensten geleverd door gehandicapten of gevangeniswerk. De titel bevat ook regels voor de rechtsbescherming van ondernemers. Hierdoor gelden er bijvoorbeeld minimale vereisten voor het geval dat een ondernemer bezwaar maakt tegen een beslissing van de aanbestedende dienst. Twee voorbeelden hiervan zijn dat de ondernemer snel voorlopige maatregelen moet kunnen laten treffen en dat een beoordeling van een bezwaar onafhankelijk van de aanbestedende dienst moet gebeuren. Het onder het verdrag ingestelde subcomité Overheidsopdrachten kan gebruikt worden voor overleg over eventuele problemen, om informatie uit te wisselen over de mogelijkheden die elk van de partijen biedt op het terrein van overheidsopdrachten of om het toepassingsgebied van deze titel heronderhandelen.

TITEL VII: INTELLECTUELE EIGENDOM

(artikelen 195–257)

De artikelen van deze titel hebben als doel het stimuleren van innovatie en creativiteit en het vergemakkelijken van de productie en commercialisering van innovatieve en creatieve producten. Daarnaast heeft deze titel als doel het bereiken van een toereikende en doeltreffende bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten, die bijdragen aan de overdracht en verspreiding van technologie en bevorderlijk zijn voor het sociaal en economisch welzijn en het evenwicht tussen de rechten van houders en het algemeen belang.

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

(artikelen 195–200)

De bepalingen van deze titel vormen een aanvulling op en zijn een specificatie van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de op 15 april 1994 te Marrakesh tot stand gekomen Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (Trb. 1994, 235) (hierna: TRIPs-overeenkomst) en andere multilaterale overeenkomsten met betrekking tot de intellectuele eigendom waarbij de verdragspartijen partij zijn. De EU, Colombia en Peru herbevestigen hun internationale rechten en verplichtingen op het gebied van de intellectuele eigendom. Voor de toepassing van deze titel worden onder intellectuele eigendomsrechten verstaan: auteursrechten, met inbegrip van auteursrechten op computerprogramma’s en databanken, naburige rechten, octrooirechten, handelsmerken, handelsnamen, modellen, ontwerpen voor schakelpatronen (topografieën), geografische aanduidingen, kwekersrechten en de bescherming van niet openbaar gemaakte informatie.

De partijen erkennen de noodzaak van een evenwicht tussen enerzijds de rechten van de houders van intellectuele eigendomsrechten en anderzijds het algemeen belang, met name ten aanzien van onderwijs, cultuur, onderzoek, volksgezondheid, voedselveiligheid, milieu, toegang tot informatie en de overdracht van technologie. De partijen herbevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van het op 5 juni 1992 te Rio de Janeiro tot stand gekomen Verdrag inzake biologische diversiteit (Trb. 1992, 164).

Deze titel bevat een aantal uitgangspunten voor de bescherming van intellectuele eigendomsrechten. Zo staat het Vrijhandelsakkoord de partijen toe om gebruik te maken van de uitzonderingsmogelijkheden en flexibiliteit die multilaterale overeenkomsten op het gebied van intellectuele eigendom bieden, met name bij het vaststellen van maatregelen om de volksgezondheid en voedselzekerheid te beschermen en de toegang tot medicijnen te waarborgen. Nederland heeft zich in het bijzonder ingezet om de toegang tot medicijnen te waarborgen.

De partijen erkennen het belang van de Verklaring van Doha inzake de TRIPs-overeenkomst en de volksgezondheid, die door de ministeriële conferentie van de WTO op 14 november 2001 werd aangenomen. Verder dragen de partijen bij aan de tenuitvoerlegging en de eerbiediging van het WTO Besluit van 30 augustus 2003 over de uitvoering van punt 6 van de Verklaring van Doha inzake de TRIPs-overeenkomst en de volksgezondheid, alsmede van het op 6 december 2005 te Genève tot stand gekomen Protocol tot wijziging van de TRIPs-overeenkomst (Trb. 2007, 102).

Artikel 197, eerste, tweede en derde lid (intellectueel eigendom en volksgezondheid) vallen onder de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten.

Hoofdstuk 2: Bescherming van biodiversiteit en traditionele kennis

(artikel 201)

De verdragspartijen erkennen de waarde van biologische diversiteit en van de daaraan verbonden traditionele kennis van inheemse volkeren. De partijen bevestigen ook hier hun rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag inzake biologische diversiteit.

Artikel 201 valt onder de gedeelde bevoegdheid van de EU en de lidstaten.

Hoofdstuk 3: Bepalingen betreffende intellectuele-eigendomsrechten

(artikelen 202–233)

In dit hoofdstuk geven de verdragspartijen invulling aan de bepalingen op het gebied van handelsmerken, geografische aanduidingen, auteursrechten en naburige rechten, modellen, octrooien, bescherming van gegevens van bepaalde gereguleerde producten, kwekersrechten en oneerlijke concurrentie. Deze bepalingen zijn voor Nederland en de EU een herbevestiging van reeds aangegane internationale verplichtingen.

Voor Colombia en Peru brengt het hoofdstuk een aantal nieuwe verplichtingen met zich mee. Colombia is in 2012 bijvoorbeeld partij geworden bij het op 27 juni 1989 te Madrid tot stand gekomen Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken (Trb. 1990, 44) en het op 27 oktober 1994 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake het merkenrecht (Trb. 1995, 255), vooruitlopend op de afspraken die in artikel 202 hierover zijn vastgelegd. Peru daarentegen zal, binnen redelijke grenzen, alles in het werk stellen om toe te treden tot het Protocol bij de Schikking van Madrid, en te voldoen aan het Verdrag inzake het merkenrecht. Beide Andeslanden zullen, binnen redelijke grenzen, alles in het werk stellen om toe te treden tot het op 1 juni 2000 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake octrooirecht (Trb. 2001, 120).

Wat betreft geografische aanduidingen biedt het Vrijhandelsakkoord hoge bescherming voor alle geografische aanduidingen zoals genoemd in aanhangsel 1 (Lijsten van geografische aanduidingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, wijnen, gedistilleerde dranken en gearomatiseerde wijnen) van Bijlage XIII (Lijst van geografische aanduidingen), zoals bijvoorbeeld Irish Cream of Roquefort. Ook is bijvoorbeeld Pisco beschermd als authentiek Peruaans product. Nederland heeft geen producten op de lijst.

Van de producten in aanhangsel 2 (Lijsten van geografische aanduidingen andere dan voor landbouwproducten en levensmiddelen, wijnen, gedistilleerde dranken en gearomatiseerde wijnen), van Bijlage XIII (Lijst van geografische aanduidingen) te weten Guacamayas (Colombiaans handwerk) en Chulucanas (Peruaans aardewerk), erkent de EU dat deze worden beschermd als geografische aanduidingen in het land van oorsprong. Middels het op te richten subcomité Intellectuele eigendom kunnen op een later moment geografische aanduidingen aan aanhangsel 1 van Bijlage XIII worden toegevoegd.

Artikel 230, tweede lid (over octrooien) valt onder de bevoegdheid van de lidstaten. Artikel 202, eerste lid (inzake rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het op 20 maart 1883 te Parijs tot stand gekomen Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom (Trb. 1884, 54) en de TRIPs-overeenkomst) valt voor wat betreft de strafrechtelijke bepalingen opgenomen in artikel 61 van de TRIPs-overeenkomst onder de eigen bevoegdheid van de lidstaten.

Hoofdstuk 4: Handhaving van intellectuele-eigendomsrechten

(artikelen 234–254)

De partijen herbevestigen hun rechten en verbintenissen op grond van de TRIPs-overeenkomst, en in het bijzonder deel III daarvan, en voorzien in maatregelen, procedures en rechtsmiddelen voor de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten waarop deze titel van toepassing is. Deze maatregelen moeten snel, doeltreffend en evenredig zijn en zij moeten het maken van verdere inbreuk op intellectuele eigendomsrechten ontmoedigen. Dit hoofdstuk schept voor de partijen geen verplichting om een rechtsstelsel in te stellen voor de handhaving voor intellectuele eigendomsrechten, naast dat voor de rechtshandhaving in het algemeen.

Het instrumentarium voor de handhaving van intellectuele eigendomsrechten omvat civiele en administratieve rechtsmiddelen en procedures. De partijen voorzien in regels omtrent de mogelijkheid voor het opvragen van relevante bancaire-, financiële- of handelsdocumenten (bewijsmateriaal), en de mogelijkheid tot het vragen van een voorlopige voorziening voor het voorkomen of beëindigen van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht. Het hoofdstuk voorziet in maatregelen om een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht te beëindigen, zoals het laten vernietigen van inbreukmakende goederen, het opleggen van een dwangsom of bevelen tot het betalen van schadevergoeding.

Ook is in dit hoofdstuk een afdeling opgenomen over de aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten. De partijen erkennen dat derden voor inbreuk makende activiteiten gebruik kunnen maken van de diensten van tussenpersonen. Om het vrije verkeer van informatiediensten te waarborgen en tegelijkertijd auteursrechten en naburige rechten in de digitale omgeving te handhaven, voorzien partijen in maatregelen die de aanbieders van intermediaire diensten vrijwaren van aansprakelijkheid wanneer deze niet betrokken zijn bij de doorgegeven informatie. Ook leggen partijen aanbieders van deze diensten geen algemene toezichtverplichting op ten aanzien van de informatie die zij doorgeven of opslaan.

Hoofdstuk 5: Overdracht van technologie

(artikel 255)

In dit hoofdstuk komen de partijen overeen informatie en ervaringen uit te wisselen over hun praktijk en beleid op het gebied van overdracht van technologie. In het bijzonder zal aandacht worden geschonken aan het bevorderen van de banden tussen de wetenschappelijke gemeenschappen van de partijen. Ook zullen de partijen gezamenlijke ontwikkelingsactiviteiten op het gebied van onderzoek, innovatie en technologie stimuleren.

Hoofdstuk 6: Samenwerking

(artikelen 256–257)

De partijen komen overeen samen te werken ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de verbintenissen en verplichtingen uit hoofde van deze titel (intellectueel eigendom).

Het op te richten subcomité Intellectuele Eigendom ziet toe op de implementatie van de bepalingen van deze titel. Het subcomité is verantwoordelijk voor de voorstellen betreffende het toevoegen van nieuwe geografische aanduidingen aan de lijst met geografische aanduidingen (Bijlage XIII).

TITEL VIII: MEDEDINGING

(artikelen 258–266)

De partijen erkennen het belang van vrij mededinging en de negatieve effecten die mededinging verstorende activiteiten kunnen hebben op de werking van het Vrijhandelsakkoord. De partijen benadrukken dat zij hun wetgeving op het gebied van mededinging zullen toepassen. Voor de EU en haar lidstaten zijn dit de artikelen 101, 102 en 106 van het VWEU en Verordening (EG) 1/2003 van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEU 2003, L 1) en Verordening (EG) 139/2004 van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PbEU 2004, L 24). Voor Colombia en Peru zijn dit hun binnenlandse wetten inzake de mededinging, in overeenstemming met artikel 260 van dit Vrijhandelsakkoord.

Onder mededinging verstorende praktijken worden verstaan: kartelafspraken, misbruik van machtspositie en concentraties van ondernemingen die de mededinging beperken. De partijen verbinden zich om gepaste actie te nemen tegen deze praktijken. Verder is de verplichting opgenomen om een onafhankelijke mededingingsautoriteit in te stellen voor zover een partij dat nog niet heeft gedaan. De partijen erkennen het belang van samenwerking van hun mededingingsautoriteiten voor de handhaving van hun mededingingswetgeving.

Het Vrijhandelsakkoord staat de verdragspartijen niet in de weg om overeenkomstig nationaal recht monopolies of staatsondernemingen in stand te houden. Deze titel bepaalt dat de wetgeving op het gebied van mededinging ook van toepassing is op staatsondernemingen en monopolies, voor zover dit uitoefening van de hen opgedragen publieke taken niet verhindert. De partijen erkennen het belang van technische assistentie om de doelstellingen zoals neergelegd in deze titel te realiseren. Deze titel valt buiten het toepassingsbereik van Titel XII (geschillenbeslechting) (artikel 266).

TITEL IX: HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING

(artikelen 267–286)

Gezien Agenda 21 van de VN van 14 juni 1992, de Rio Verklaring over milieu en ontwikkeling van de VN van 14 juni 1992, de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van september 2000, de Verklaring van Johannesburg over duurzame ontwikkeling van 4 september 2002 en de Ministeriële verklaring over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk van de Economische en Sociale Raad van de VN van september 2006 herbevestigen de partijen hun verbintenis om zich in te zetten voor duurzame ontwikkeling en voor het welzijn van huidige en toekomstige generaties.

De partijen komen in dit verband overeen om de internationale handel zodanig te bevorderen dat een bijdrage wordt geleverd aan het doel van duurzame ontwikkeling en om ernaar te streven dit in hun handelsbetrekkingen te integreren en tot uiting te laten komen. Dit is in lijn met artikel 3, vijfde lid, van het VEU, op grond waarvan de Unie in de betrekkingen met de rest van de wereld onder meer zal bijdragen tot de duurzame ontwikkeling van de aarde. Het internationaal optreden van de Unie berust, ook voor de gemeenschappelijke handelspolitiek (artikel 205 VWEU), op de algemene beginselen en doelstellingen van het EU-verdrag, waaronder het leveren van een bijdrage tot het uitwerken van internationale maatregelen, ter bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en het duurzaam beheer van de mondiale natuurlijke rijkdommen, teneinde duurzame ontwikkeling te waarborgen.

Deze titel richt zich op alle relevante handelsgerelateerde aspecten van arbeids- en milieukwesties, zonder afbreuk te doen aan het recht van partijen om hun eigen beschermingsniveau en wetgeving en beleid vast te stellen. De partijen benadrukken dat milieu en arbeidsnormen niet mogen worden gebruikt voor protectionistische doeleinden.

Met betrekking tot arbeidsnormen verbinden de partijen zich tot het bevorderen en implementeren van de vier fundamentele arbeidsstandaarden zoals vastgelegd in de Conventies van de ILO, te weten de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve arbeidsovereenkomsten, zoals vastgelegd in het op 1 juli 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen (Trb. 1972, 105), de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid zoals vastgelegd in het op 28 juni 1930 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid (Stb. 1933, 26), de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid zoals vastgelegd in het op 17 juni 1999 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid (Trb. 1999, 177) en de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep zoals vastgelegd in het op 25 juni 1958 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep (Trb. 1962, 41).

De partijen herbevestigen hun betrokkenheid om de in de titel genoemde multilaterale milieuakkoorden in hun wetgeving en praktijk te implementeren. De partijen erkennen het belang van bescherming van biodiversiteit voor duurzame ontwikkeling. De partijen blijven werken om hun doelstellingen op het gebied van bescherming en oprichting van natuurgebieden te halen. De partijen herbevestigen hun verplichtingen, volgend uit het Verdrag inzake biologische diversiteit.

Wat betreft de handel in bosbouw erkennen de partijen het belang van de handhaving van wetgeving op het gebied van bescherming van bossen en het bevorderen van de handel in legale en duurzame bosproducten. In dat kader worden onder andere afspraken gemaakt over de implementatie van de op 3 maart 1973 te Washington tot stand gekomen Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Trb. 1975, 23) met betrekking tot bedreigde houtsoorten, het ontwikkelen van een verificatiesysteem voor de afkomst van houtproducten en het versterken van controle op houtproductie.

Het Vrijhandelsakkoord bevat voorts aparte afspraken over de noodzaak van het op verantwoorde wijze beheren van visstanden en het belang om samen te werken in regionale organisaties voor visserijbeheer om vangsten te controleren en illegale visserij te bestrijden.

Klimaatverandering is voor alle partijen, overeenkomstig het op 9 mei 1992 te New York tot stand gekomen Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1992, 189) en het op 11 december 1997 te Kyoto tot stand gekomen Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1998, 170), een onderwerp van algemene zorg dat een zo groot mogelijke samenwerking vergt. De partijen zullen hun inspanningen met betrekking tot klimaatverandering vergroten en het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen bevorderen.

De partijen verbinden zich om de handel of investeringen niet te bevorderen door het verlagen van beschermingsniveaus waarin is voorzien in hun arbeids- en milieuwetgeving en zullen het effect van de tenuitvoerlegging van de overeenkomst op arbeid en milieu evalueren.

Institutioneel en toezichtmechanisme

De afspraken in deze titel zijn niet onderworpen aan het algemene geschillenbeslechtings-mechanisme van het Vrijhandelsakkoord (Titel XII) (artikel 285, vijfde lid), maar kennen een apart institutioneel- en monitoringsmechanisme voor de tenuitvoerlegging van de titel. De partijen richten een subcomité Handel en duurzame ontwikkeling op, dat toezicht houdt op de uitvoering van deze titel (artikel 280). Zij kan aanbevelingen doen aan het Handelscomité over de implementatie van deze titel. Het subcomité bestaat uit hoge ambtenaren van de overheden van de partijen, verantwoordelijk voor arbeid, milieu of handel. De werkzaamheden van het subcomité zijn gebaseerd op dialoog en samenwerking en het zoeken naar een wederzijds bevredigende oplossing indien zich een probleem voordoet. Verder voorziet het Vrijhandelsakkoord in een consultatiemechanisme dat bewerkstelligt dat vakbonden en milieugroeperingen worden geraadpleegd. Deze groepen kunnen aanbevelingen doen over de implementatie van deze titel en er is voorzien in een jaarlijkse dialoog met het maatschappelijk middenveld over de uitvoering van het Vrijhandelsakkoord.

Indien zich onder deze titel een geschil voordoet, kan dit allereerst door middel van overheidsconsultaties worden geadresseerd. Indien nodig kunnen de partijen de informatie inwinnen bij de personen en organisaties, die deskundig zijn ten aanzien van het onderwerp dat aan de orde is. Als de consulterende partij van mening is dat de kwestie verdere bespreking nodig heeft, kan deze partij het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling verzoeken om bijeen te komen. Het subcomité zal trachten tot overeenstemming te komen over een oplossing voor het probleem.

Als een kwestie niet naar tevredenheid kan worden opgelost door middel van overheidsconsultatie, kan een consulterende partij verzoeken dat een expertpanel bijeenkomt. Iedere partij levert bij de inwerkingtreding van het Vrijhandelsakkoord een lijst met minimaal vijftien onafhankelijke deskundigen op de gebieden zoals geregeld in deze titel. De partijen bij de procedure kiezen ieder een expert van de lijst. Deze twee experts kiezen vervolgens samen een voorzitter. De experts stellen een rapport op over de kwestie, waarin zij aanbevelingen doen voor de oplossing van het probleem. De betrokken partij brengt vervolgens verslag uit aan het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling waarin is weergegeven hoe zij de aanbevelingen gaat implementeren.

Op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, onderdeel e, van het VWEU heeft de Unie met de lidstaten een gedeelde bevoegdheid op het gebied van milieu. Artikel 191, vierde lid, van het VWEU (milieu) bepaalt dat de Unie en de lidstaten, in het kader van deze onderscheiden bevoegdheden, samenwerken met derde landen en bevoegde internationale organisaties. Dit doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van lidstaten om in internationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten. Deze gedeelde competentie geldt voor de artikelen 267, 268, 270, 272 en 275 van dit akkoord.

TITEL X: TRANSPARANTIE EN ADMINISTRATIEVE PROCEDURES

(artikelen 287–294)

Deze titel bevat de bepalingen om te waarborgen dat de maatregelen en de beslissingen die partijen nemen in het kader van de naleving van het Vrijhandelsakkoord transparant zijn. Zo legt deze titel de partijen de verplichting op om wetten, rechtelijke en administratieve uitspraken openbaar te maken.

In deze titel is een aantal voorwaarden opgenomen waaraan administratieve procedures van de verdragspartijen moeten voldoen. De betrokken personen moeten tijdig op de hoogte worden gesteld wanneer een procedure wordt gestart, met daarbij een beschrijving van de aard van de procedure, een verklaring van de bevoegde rechtelijk instantie en een algemene beschrijving van de in geding zijnde onderwerpen.

De partijen moeten voorzien in een mogelijkheid om in bezwaar te gaan tegen overheidsbesluiten over de onderwerpen zoals geregeld in dit Vrijhandelsakkoord. Ook bepaalt deze titel dat de procespartijen de gelegenheid moeten krijgen om hun standpunt toe te lichten. De beslissing moet voldoende gemotiveerd zijn en er moet zijn voorzien in de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen de beslissing.

De partijen verzekeren de transparantie van subsidies op het gebied van de handel in goederen en zullen iedere twee jaar rapporteren over de aard en de omvang van deze subsidies. Dit artikel (293) valt niet onder het geschillenbeslechtingsmechanisme van het Vrijhandelsakkoord. Wel is het mogelijk in het kader van de WTO maatregelen te nemen, zoals bijvoorbeeld het treffen van anti-subsidiemaatregelen of het starten van een WTO geschillenbeslechtingsprocedure.

Het Vrijhandelsakkoord noopt niet tot het verstrekken van vertrouwelijke informatie, waarvan de openbaarmaking de rechtshandhaving zou belemmeren. De bepalingen over rechterlijke, semi-rechterlijke of administratieve procedures (artikelen 291 en 292) behoren tot de bevoegdheid van de lidstaten, aangezien op Europees niveau niet is voorzien in algemene harmonisatie van bestuursrechtelijke procedures van de lidstaten door de EU.

TITEL XI: ALGEMENE UITZONDERINGEN

(artikelen 295–297)

Het Vrijhandelsakkoord kan een partij niet verhinderen om de maatregelen te nemen welke zij noodzakelijk acht voor de bescherming van haar essentiële veiligheidsbelangen. Het Vrijhandelsakkoord heeft geen gevolgen voor belastingverdragen tussen EU-lidstaten en Andeslanden. Ingeval een partij ernstige betalingsproblemen heeft, kan zij handelsbeperkende maatregelen nemen, mits deze van beperkte duur zijn en overeenkomstig de voorwaarden zoals opgenomen in de WTO-overeenkomst worden vastgesteld. Het Handelscomité zal onmiddellijk onderzoek doen naar de betalingsbalans van de partij die een dergelijke beperkende maatregel neemt. De conclusie van het onderzoek zal gebaseerd worden op de beoordeling van de betalingsbalans en de financiële situatie door het Internationaal Monetair Fonds.

TITEL XII: GESCHILLENBESLECHTING

(artikelen 298–323)

De bepalingen inzake geschillenbeslechting zijn een belangrijk instrument van het Vrijhandelsakkoord. Ze zijn gebaseerd op de WTO-procedures en gelijkwaardig aan bepalingen in andere EU-vrijhandelsakkoorden. De nadruk ligt op het vinden van een wederzijds aanvaardbare oplossing voor een geschil alvorens toevlucht te nemen tot het arbitragepanel. De bepalingen doen niets af aan de WTO-rechten en verplichtingen van partijen en hun forumkeuze.

De geschillenbeslechtingsprocedure wordt ingeleid wanneer een partij een andere partij om overleg betreffende een bepaalde kwestie verzoekt. Dit overleg moet worden geopend binnen tien dagen na de datum van het verzoek. Indien het overleg na 30 dagen niet tot overeenstemming leidt, kan de klagende partij een verzoek doen tot instelling van een arbitragepanel, dat uit drie onafhankelijke deskundigen bestaat. Het arbitragepanel zal een hoorzitting houden, die in principe openstaat voor het publiek. Belanghebbende natuurlijke personen of rechtspersonen van partijen kunnen als amicus curiae het panel voorzien van schriftelijke bijdragen.

Na de partijen gehoord te hebben, doet het panel binnen 120 dagen (uiterlijk 150 dagen) na haar instelling een bindende uitspraak. Als na afloop van een redelijke termijn voor naleving van de uitspraak van het arbitragepanel onenigheid bestaat over de vraag of de beklaagde partij de uitspraak heeft opgevolgd, kan de klagende partij het arbitragepanel verzoeken daarover opnieuw uitspraak te doen. Als het panel oordeelt dat de beklaagde partij de afspraken nog steeds niet naleeft, heeft de klagende partij recht op compensatie in de vorm van evenredige sancties. De klagende partij kan er voor kiezen om haar verplichtingen uit dit Vrijhandelsakkoord op te schorten en bijvoorbeeld haar douanerechten voor de andere partij te verhogen tot het voor andere WTO-leden geldende meestbegunstigingsrecht. Bij urgente kwesties zijn de procedures nog korter.

Het geschillenbeslechtingsmechanisme in deze titel geldt voor alle geschillen met betrekking tot de interpretatie en toepassing van deze overeenkomst, tenzij hier een specifieke uitzondering voor is opgenomen. Zo is overeengekomen dat geschillen over antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen (artikelen 37 en met 42), multilaterale vrijwaring (artikelen 43 en met 47, met uitzondering van artikel 45), gunstiger behandeling van goederen als gevolg van de op 26 mei 1969 te Bogotá tussen de regeringen van Bolivia, Colombia, Ecuador, Peru en Venezuela tot stand gekomen Overeenkomst van Cartagena (artikel 105, eerste lid, onderdeel b), mededinging (artikelen 258 en met 266), handel en duurzame ontwikkeling (titel IX, artikelen 267 tot en met 286) en transparantie over subsidies (artikel 293) niet onder de toepassing van titel XII vallen. Voor deze bepalingen zijn specifieke procedures voorzien of bestaan alternatieve mechanismen voor het beslechten van geschillen.

Naast het mechanisme voor het beslechten van geschillen bevat het Vrijhandelsakkoord ook een bemiddelingsprocedure, welke is vastgelegd in Bijlage XIV (bemiddelingsmechanisme voor niet-tarifaire maatregelen). De verdragspartijen kunnen deze procedure gebruiken om met behulp van een bemiddelaar tot een onderling overeengekomen oplossing te komen van markttoegangskwesties die het gevolg zijn van niet-tarifaire maatregelen voor goederen die vallen onder titel III (Handel in goederen). De bemiddelaar wordt in onderlinge overeenstemming aangewezen of door loting vastgesteld. Deze zal een advies verstrekken en een oplossing voorstellen. Het is niet zijn taak om een uitspraak te doen over de conformiteit van de gewraakte maatregel met het Vrijhandelsakkoord of over de legitimiteit van de met de maatregel beoogde beleidsdoelstellingen. Het advies en de voorstellen van de bemiddelaar zijn niet bindend. De bemiddelingsprocedure zal normaliter binnen 60 dagen na de benoeming van de bemiddelaar zijn afgerond.

De bemiddelingsprocedure laat de mogelijkheid van partijen om gebruik te maken van geschillenbeslechting onverlet. Daarbij staat het partijen te allen tijde vrij te besluiten om als alternatieve methode van geschillenbeslechting gebruik te maken van goede diensten, conciliatie en bemiddeling.

TITEL XIII: TECHNISCHE BIJSTAND EN OPBOUW VAN HANDELSCAPACITEIT

(artikel 324–326)

De samenwerking tussen de partijen wordt versterkt om de overeenkomst zo goed mogelijk te gebruiken en de resultaten te optimaliseren. Het belangrijkste doel van deze samenwerking is het stimuleren van duurzame economische ontwikkeling om grotere sociale cohesie te bereiken en armoede te verminderen. De samenwerking richt zich daartoe op het verbeteren en creëren van nieuwe handelsmogelijkheden en innovatie, het bevorderen van de ontwikkeling van het midden- en klein bedrijf en het bevorderen van eerlijke handel, en het toegang bieden tot de handelsvoordelen van het Vrijhandelsakkoord, met name aan de kwetsbaarste productie sectoren. Het Handelscomité zal toezicht houden op de samenwerking en waar nodig, deze bevorderen.

TITEL XIV: SLOTBEPALINGEN

(artikel 327–337)

In deze titel wordt geregeld hoe partijen er mee om zullen gaan als een derde land tot het Vrijhandelsakkoord wil toetreden. Wanneer een derde land tot de EU wil toetreden zal de EU de Andeslanden hiervan op de hoogte en houdt zij de Andeslanden, indien zij daarom verzoeken, op de hoogte van de vorderingen van de onderhandelingen. De EU en de Andeslanden zullen, middels het Handelscomité, de effecten van toetreding van een nieuwe lidstaat op het Vrijhandelsakkoord onderzoeken.

Andersom hebben ook leden van de Andesgemeenschap die geen partij zijn bij het Vrijhandelsakkoord de mogelijkheid om toe te treden tot het akkoord. De EU zal onderhandelen met het verzoekende Andesland over de voorwaarden van toetreding tot het Vrijhandelsakkoord.

De partijen zijn overeengekomen dat elke WTO-bepaling die in het Vrijhandelsakkoord is opgenomen, is opgenomen inclusief alle wijzigingen die op het tijdstip van toepassing van die bepaling in werking zijn getreden.

Het Vrijhandelsakkoord treedt in werking op de eerste dag van de maand nadat de laatste partij haar interne procedure voor goedkeuring van het Vrijhandelsakkoord heeft doorlopen en dit bij de depositaris van het Vrijhandelsakkoord, de Secretaris Generaal van de Raad van de EU, heeft genotificeerd. Het Vrijhandelsakkoord geldt voor onbepaalde tijd.

Vooruitlopend op de formele bekrachtiging van dit Vrijhandelsakkoord kunnen partijen besluiten om deze voorlopig toe te passen. Het artikel inzake ontwapening en non-proliferatie van massavernietigingswapens (artikel 2), de bepaling inzake rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Parijs en de TRIPs-overeenkomst (artikel 202 lid 1) en de bepalingen inzake administratieve procedures (artikel 291 en artikel 292) vallen buiten de voorlopige toepassing.

Bijlagen, aanhangsels en verklaringen

In de Bijlagen worden specifieke artikelen verder uitgewerkt. De Bijlagen bestaan uit aanhangsels waarin bepalingen ten aanzien van respectievelijk de EU, Colombia en Peru zijn uitgewerkt. Daarnaast zijn verklaringen bij het Vrijhandelsakkoord aangenomen.

Bijlagen

Bijlage I – Lijsten inzake tariefafschaffing (zie hierover pagina 8 en 9).

Bijlage II – Met betrekking tot de definitie van het begrip «producten van oorsprong» en methoden van administratieve samenwerking (zie hierover pagina 9).

Bijlage III – Bijzondere bepalingen inzake administratieve samenwerking (zie hierover pagina 9).

Bijlage IV – Landbouwvrijwaringsmaatregelen (zie hierover pagina 10).

Bijlage V – Wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden.

Bijlage VI – Sanitaire en fytosanitaire maatregelen

Bijlage VII – Lijst van verbintenissen inzake vestiging (zoals bedoeld in artikel 114 van deze overeenkomst) (zie hierover pagina 14 en 15).

Bijlage VIII – Lijst van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening (zoals bedoeld in artikel 118 van deze overeenkomst) (zie hierover pagina 14).

Bijlage IX – Voorbehouden betreffende de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken (zie hierover pagina 15).

Bijlage X – Informatiepunten ten aanzien van handel in diensten, vestiging en elektronische handel (bedoeld in artikel 130 van deze overeenkomst) (zie hierover pagina 10).

Bijlage XI – Overeenstemming over punt b) van de definitie van «diensten verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag» als bedoeld in artikel 152 van deze overeenkomst. Deze Bijlage is alleen tussen de EU en Peru van toepassing.

Bijlage XII – Overheidsopdrachten (zie hierover pagina 18).

Bijlage XIII – Lijsten van geografische aanduidingen (zie hierover pagina 19).

Bijlage XIV – Bemiddelingsmechanisme voor niet-tarifaire maatregelen (zie hierover pagina 24).

Gezamenlijke verklaring van Colombia, Peru en de EU

Colombia en Peru mogen de in deze verklaring opgenomen maatregelen blijven toepassen, mits deze maatregelen niet discriminerend zijn of een belemmering voor de handel vormen. Voor Colombia gaat het hierbij om exportcontrole van koffie en edelstenen, belastingheffing op alcoholische dranken en importcontrole van gebruikte auto’s. Voor Peru gaat het om importmaatregelen op het gebied van gebruikte goederen. De noodzaak van deze maatregelen zullen tien jaar na inwerkingtreding van het Vrijhandelsakkoord geëvalueerd worden.

Gezamenlijke verklaring van de EU

In deze verklaring wordt erop gewezen dat landen waar de EU een douane-unie mee heeft verplicht zijn om het gemeenschappelijke douanetarief van de EU over te nemen en om de noodzakelijke maatregelen te nemen en onderhandelingen te openen over wederzijds voordelige afspraken met de betrokken landen. De EU nodigt de ondertekende Andeslanden daarom uit om zo snel mogelijk onderhandelingen te starten met deze landen.

De Bijlagen vormen een integrerend onderdeel van het Vrijhandelsakkoord. De Bijlagen zijn van uitvoerende aard. Wijzigingen van de Bijlagen behoeven, als en voor zover het de competentie van de lidstaten betreft, op grond van artikel 7, onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring, behoudens het bepaalde in artikel 8 van die Rijkswet.

III. VOORLOPIGE TOEPASSING

Vanwege de verschillende ratificatieprocedures van alle partijen, is de verwachting dat de goedkeuring van het Vrijhandelsakkoord één tot twee jaar kan gaan duren. De EU zal daarom overgaan tot voorlopige toepassing van het Vrijhandelsakkoord, in afwachting van de voltooiing van de ratificatieprocedures, zodat het bedrijfsleven en consumenten in de EU, Colombia en Peru alvast profiteren van de voordelen die het Vrijhandelsakkoord voor de handel en duurzame ontwikkeling met zich meebrengt.

In het conceptbesluit nr. …/2012/EU van de Raad betreffende de ondertekening, namens de Unie, en de voorlopige toepassing van de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds (PbEU... L....), worden van voorlopige toepassing uitgesloten de artikelen 2 (ontwapening en non-proliferatie), 202, eerste lid, (inzake rechten en verplichtingen die voortvloeien uit Verdrag van Parijs en de TRIPS-overeenkomst, en 291 en 292 (administratieve procedures). Deze specifieke artikelen raken aan de nationale bevoegdheden en treden pas in werking na expliciete nationale goedkeuring en ratificatie door alle partijen. De overige artikelen kunnen door de EU en Colombia en/of Peru voorlopig worden toegepast, dat wil zeggen voor zover die artikelen onder de competentie van de EU vallen.

IV. KONINKRIJKSPOSITIE

Het Verdrag zal wat betreft het Koninkrijk alleen voor het Europese deel van Nederland gelden, tot welk deel de reikwijdte van het Vrijhandelsakkoord zich beperkt. Vanwege het feit dat Colombia en Peru in de nabije regio liggen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten raakt het verdrag Aruba, Curaçao en Sint Maarten wel in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen. Het verdrag zal derhalve gelijk met de overlegging aan de Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden overgelegd.

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen

De minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans


X Noot
1

Het in opschrift genoemde Tractatenblad 2012, nr. 178 is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer