33 576 Natuurbeleid

Z VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 23 maart 2022

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 hebben kennisgenomen van de brief2 van 25 januari 2022, in reactie op de brief van de commissie van 21 december 2022 met vragen inzake de zevende Voortgangsrapportage Natuur. De leden van de fractie van het CDA hebben naar aanleiding hiervan nog enkele nadere vragen.

Naar aanleiding hiervan is op 21 februari 2022 een brief gestuurd aan de Minister voor Natuur en Stikstof.

De Minister heeft op 22 maart 2022 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.

De waarnemend griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Van Luijk

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT / LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de voor Natuur en Stikstof

Den Haag, 21 februari 2022

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief3 van 25 januari 2022, in reactie op de brief van de commissie van 21 december 2022 met vragen inzake de zevende Voortgangsrapportage Natuur. De leden van de fractie van het CDA hebben naar aanleiding hiervan nog enkele nadere vragen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat er geen aanvullende verwervingsinstrumenten zijn, zoals verwoord in de voortgangsrapportage.4 Kunt u dit bevestigen?

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat in het coalitieakkoord is afgesproken om de mogelijkheden voor Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb) te vergroten door langjarige overeenkomsten mogelijk te maken. Deze leden hebben eerder gevraagd om naast 6-jarige contracten agrarisch natuurbeheer ook 10-, 20- respectievelijk 30-jarige contracten, die ingepast kunnen worden in de duurzame bedrijfsvoering, uitvoerbaar te maken. Zij vragen u of daar nieuwe wet- en regelgeving voor nodig is. En zo ja, wat is hiervan de verwachte planning?

In uw beantwoording beschrijft u dat de monitoring van de natuurkwaliteit in Nederland hoofdzakelijk via twee sporen wordt uitgevoerd. Het eerste spoor is het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). SOVON Vogelonderzoek Nederland en de soortenorganisaties, zoals de Vlinderstichting, RAVON en de Zoogdiervereniging werken met het Rijk en de provincies samen in het NEM. Samen met tienduizenden vrijwilligers zorgen zij jaarlijks voor de monitoring op het voorkomen van soorten in de verschillende meetnetten.

Het tweede spoor is de monitoring door de terrein beherende organisaties in het kader van de provinciale Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL). Op basis van deze monitorgegevens worden de trends en verspreidingskaarten van de relevante soorten afgeleid, worden vegetatie- en habitattypenkaarten gemaakt en kwaliteitsbeoordelingen uitgevoerd. De meerjarige meetgegevens die hier uit voortkomen worden gebruikt om de conditie voor soorten en ecosystemen (toestand en trends) te bepalen en de verspreidingskaarten van soorten en ecosystemen te maken.5

De leden van de CDA-fractie vragen u of de bovenstaande meetgegevens ook gebruikt worden bij de staat van de Natura 2000-gebieden. Zo ja, op welke wijze valideert u deze monitorgegevens? Voorts vragen deze leden of u deze wijze van monitoring objectief genoeg acht.

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 21 maart 2022.

Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, L.P. van der Linden

BRIEF VAN DE MINISTER VOOR NATUUR EN STIKSTOF

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 maart 2022

Via de brief van uw vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 februari 2022 heb ik kennisgenomen van de nadere vragen die de leden van de CDA-fractie hebben gesteld naar aanleiding van de zevende Voortgangsrapportage Natuur.

In deze brief beantwoord ik deze nadere vragen.

De Minister voor Natuur en Stikstof, Ch. van der Wal-Zeggelink

170313.04

De leden van de CDA-fractie constateren dat er geen aanvullende verwervingsinstrumenten zijn, zoals verwoord in de voortgangsrapportage en vragen of ik dat kan bevestigen.

Als deze leden hiermee bedoelen dat er geen nieuwe verwervingsinstrumenten zijn geïntroduceerd, dan kan ik dat bevestigen. Er bestaat al een groot en divers scala aan verwervingsinstrumenten, zowel alleen vrijwillig als ook meer verplichtend van aard. Het is aan provincies om, afhankelijk van bijvoorbeeld de situatie in een gebied en de omvang van de restantambities, te kiezen welk instrumentarium ook daadwerkelijk kan en zal worden toegepast.

Het kan dus wel voorkomen dat in een provincie voor het eerst een instrument wordt toegepast dat voorheen niet werd gehanteerd.

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat in het coalitieakkoord is afgesproken om de mogelijkheden voor Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb) te vergroten door langjarige overeenkomsten mogelijk te maken. Deze leden hebben eerder gevraagd om naast 6-jarige contracten agrarisch natuurbeheer ook 10-, 20- respectievelijk 30-jarige contracten, die ingepast kunnen worden in de duurzame bedrijfsvoering, uitvoerbaar te maken. Zij vragen u of daar nieuwe wet- en regelgeving voor nodig is. En zo ja, wat is hiervan de verwachte planning?

Het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) vormt de nationale uitwerking van de zogenaamde «agromilieuklimaatverbintenissen» in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Op grond van artikel 70, zesde lid, van Verordening (EU) 2021/2115 worden dergelijke verbintenissen aangegaan voor een periode van vijf tot zeven jaar.

In het Nationaal Strategisch Plan kunnen lidstaten een langere periode vaststellen voor bepaalde soorten verbintenissen, onder meer door erin te voorzien dat zij na afloop van de eerste periode jaarlijks kunnen worden verlengd, indien een dergelijke langere periode nodig is voor het bereiken of handhaven van bepaalde voordelen voor het milieu of het dierenwelzijn. Hierbij geldt wel dat het toepasselijke rechtskader voor ANLb elke nieuwe programmaperiode van het GLB wordt herzien, hetgeen van invloed kan zijn op de inhoud van de verbintenissen die onder het GLB subsidiabel zijn. In Nederland is het de verantwoordelijkheid van de provincies om de nationale regelgeving met betrekking tot ANLb vorm te geven.

In uw beantwoording beschrijft u dat de monitoring van de natuurkwaliteit in Nederland hoofdzakelijk via twee sporen wordt uitgevoerd. Het eerste spoor is het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). SOVON Vogelonderzoek Nederland en de soortenorganisaties, zoals de Vlinderstichting, RAVON en de Zoogdiervereniging werken met het Rijk en de provincies samen in het NEM. Samen met tienduizenden vrijwilligers zorgen zij jaarlijks voor de monitoring op het voorkomen van soorten in de verschillende meetnetten.

Het tweede spoor is de monitoring door de terrein beherende organisaties in het kader van de provinciale Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL). Op basis van deze monitorgegevens worden de trends en verspreidingskaarten van de relevante soorten afgeleid, worden vegetatie- en habitattypen-kaarten gemaakt en kwaliteitsbeoordelingen uitgevoerd. De meerjarige meetgegevens die hier uit voortkomen worden gebruikt om de conditie voor soorten en ecosystemen (toestand en trends) te bepalen en de verspreidingskaarten van soorten en ecosystemen te maken.

De leden van de CDA-fractie vragen u of de bovenstaande meetgegevens ook gebruikt worden bij de staat van de Natura 2000-gebieden. Zo ja, op welke wijze valideert u deze monitorgegevens? Voorts vragen deze leden of u deze wijze van monitoring objectief genoeg acht.

De meetgegevens van het NEM en van de monitoring in het kader van de SNL dragen bij aan de beoordelingen van lokale instandhoudingsdoelstellingen van (onder andere) de Natura 2000-gebieden. Daarnaast is er soms aanvullende monitoring nodig om de doelen van alle Natura 2000-gebieden te kunnen beoordelen. Dat geldt bijvoorbeeld voor gebieden waarvoor geen SNL-beheersubsidie wordt verleend, zoals een aantal grote wateren of (particuliere) terreinen waarvoor door de eigenaren geen subsidie is aangevraagd of kan worden verleend. Zo wordt voor de grote wateren in beheer van Rijkswaterstaat gemonitord volgens het programma van de Monitoring Waterstaatkundige Toestand des Lands (MWTL). Ook is het soms nodig om in een gebied, in aanvulling op de SNL-monitoring, gericht te monitoren om de staat van het Natura 2000-gebied te kunnen bepalen. De monitoring wordt in het algemeen uitgevoerd met gestandaardiseerde meetnetten en meetprotocollen, waardoor de monitoring op een objectieve wijze plaatsvindt. In dat kader vindt ook de validatie van de waarnemingen (meetgegevens) plaats, waardoor toestand en trends van soorten op een betrouwbare wijze bepaald kunnen worden. Ook de opslag van gegevens in verschillende databases, zoals de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), valideert de gegevens en dit gehele proces zorgt voor de zuiverheid en objectiviteit van waarnemingen. Niettemin is het belangrijk om de werkwijze rondom de monitoring en beoordeling van de Natura 2000-gebieden blijvend te toetsen en wordt de methodiek daarom regelmatig geactualiseerd. Meer informatie hierover vindt u in de Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 20006 die door het Rijk, provincies en terreinbeherende organisaties (TBO’s) gezamenlijk vastgesteld is.


X Noot
1

Samenstelling:

Koffeman (PvdD), Faber-Van de Klashorst (PVV), Van Strien (PVV), Gerkens (SP), Atsma (CDA) (ondervoorzitter), Pijlman (D66), Schalk (SGP), Klip-Martin (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Vos (VVD), Crone (PvdA), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Huizinga-Heringa (CU), Kluit (GL), Van der Linden (Fractie-Nanninga) (voorzitter), Meijer (VVD), Otten (Fractie-Otten), Prins (CDA), Vendrik (GL), Van der Voort (D66), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA) en N.J.J. van Kesteren (CDA).

X Noot
2

Zie verslag schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2021–2022, 33 576, Y.

X Noot
3

Zie verslag schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2021–2022, 33 576, Y.

X Noot
4

Natuur in Nederland. Stand van zaken eind 2020 en ontwikkelingen in 2021. Bijlage bij: Kamerstukken I, 2021–2022, 33 576, X.

X Noot
5

Kamerstukken I, 2021–2022, 33 576, Y, blz. 8.

Naar boven