Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201833552 nr. 50

33 552 Slachtofferbeleid

31 568 Staatkundig proces Nederlandse Antillen

Nr. 50 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 augustus 2018

Hierbij zend ik uw Kamer, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met artikel 30 van de Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving, het inspectierapport «Slachtofferhulp in Caribisch Nederland» van de Raad voor de rechtshandhaving (hierna: de Raad1), alsmede mijn reactie daarop.

De Raad constateert dat het in het strafrecht al lang niet meer uitsluitend gaat om het veroordeeld krijgen van de daders. Ook voor slachtoffers is er inmiddels de nodige aandacht.

Eerder, in 2012, heeft de Raad onderzoek gedaan naar slachtofferhulp in Caribisch Nederland2. Met dat onderzoek bracht de Raad een aantal knelpunten in kaart. In dit vervolgonderzoek is de Raad nagegaan in hoeverre zijn aanbevelingen voor het oplossen van die knelpunten zijn opgevolgd. Daarnaast heeft hij in dit vervolgonderzoek, anders dan in 2012, nadrukkelijk de informatieverstrekking door het Korps Politie Caribisch Nederland (hierna: KPCN) en door het openbaar ministerie (OM) aan slachtoffers betrokken. Voorts is de Raad nagegaan in hoeverre er anderszins sprake is van mogelijke knelpunten rond de slachtofferhulp in Caribisch Nederland.

Geconcludeerd wordt dat Caribisch Nederland een actief Bureau Slachtofferhulp (hierna: BSH) kent met bevlogen medewerkers. Ook heeft De Raad geconstateerd dat slachtoffers in Caribisch Nederland minder rechten hebben dan slachtoffers in Europees Nederland. Harmonisatie van die rechten zal volgens de Raad een volgende belangrijke stap voorwaarts betekenen.

Aandacht voor het slachtoffer in het strafrecht en goede slachtofferzorg acht ik van groot belang. Het doet mij dan ook deugd dat de Raad constateert dat dit onderwerp nadrukkelijk aandacht krijgt in Caribisch Nederland. Er zijn sinds het vorige rapport van de Raad al nadrukkelijk stappen voorwaarts gemaakt. Ik realiseer mij echter dat er ook nog onderwerpen zijn die verbetering behoeven. Met de aanbevelingen van de Raad kan ik in grote lijnen instemmen. Hierna geef ik per individuele aanbeveling mijn reactie.

A. Vervolg op aanbevelingen uit 2012

1. Verbeter op korte termijn het aanmeldproces van slachtoffers bij het BSH. Betrek daarbij in ieder geval de vraagstelling door de politie aan slachtoffers alsmede de mogelijkheid ACTPOL aan te passen.

Ik neem deze aanbeveling over. Ik onderschrijf het belang van een goed aanmeldproces voor slachtoffers omdat dit het startpunt is voor het kunnen verlenen van adequate hulp aan slachtoffers die dit wensen. Hoewel de nodige stappen zijn gezet, is verdere verbetering nodig. Ik heb de korpschef gevraagd erop toe te zien dat het proces van de aanmelding op korte termijn wordt aangepast waarbij alle slachtoffers gevraagd wordt of zij bezwaar hebben tegen het doorgeven van hun gegevens aan het BSH. Tevens zal binnen KPCN worden bezien wat de mogelijkheden zijn voor het aanpassen van ACTPOL (het bedrijfsprocessen systeem in gebruik bij KPCN) teneinde het proces van de aanmelding bij BSH te faciliteren en monitoren.

2. Kom tot richtlijnen voor het OM BES met betrekking tot de executie van strafvonnissen waarbij sprake is van veroordeling tot betaling van schadevergoeding ten behoeve van een slachtoffer.

Ik neem deze aanbeveling over. Daarbij dient te worden aangetekend dat er op dit moment nog wordt gewerkt aan de beschrijving en implementatie van het proces. Daarnaast is het van belang te weten dat de situatie op Caribisch Nederland anders is dan die in Europees Nederland. Waar het CJIB in Nederland ondersteunt op dit terrein is van deze ondersteuning op Caribisch Nederland geen sprake. Bovendien speelt een rol dat de executiemodule van het bedrijfsprocessensysteem van het Openbaar Ministerie BES de executie nog niet uniform ondersteunt. Zodra dat wel zo is, kan de werkwijze worden opgenomen in de beschrijving van het proces en de richtlijnen.

3. Zorg voor voldoende kennis op specifiek juridisch terrein binnen het BSH.

Ik neem deze aanbeveling over. De leiding van KPCN, waaronder het bureau ressorteert, is zich bewust van het belang van voldoende juridische kennis binnen het BSH. Het bureau kan waar nodig rekenen op steun vanuit Europees Nederland. Zo zal in de aanloop tot de uitbreiding van het bereik van het Schadefonds Geweldsmisdrijven met Caribisch Nederland3 door het Schadefonds in december 2018 een training worden verzorgd over het bieden van ondersteuning aan slachtoffers bij het doen van een aanvraag.

4. Tref een ongevallenverzekering alsmede een regeling voor een kilometervergoeding voor de vrijwillige medewerkers van het BSH.

Ik neem deze aanbeveling over. Over deze onderwerpen heb ik met de leiding van KPCN contact gehad. Inmiddels is het inkooptraject gestart om te komen tot een ongevallenverzekering voor de vrijwillige medewerkers van het BSH.

De afstanden op de eilanden van CN zijn gering. Daarom achten het hoofd van het BSH en de korpschef van KPCN een kilometervergoeding niet wenselijk. In plaats daarvan is de korpschef van KPCN, na overleg met het hoofd BSH, voornemens deze te verdisconteren in de jaarlijkse vergoeding die de vrijwillige medewerkers van het BSH ontvangen.

B. Additionele aanbevelingen

5. Neem het initiatief tot wetswijziging waardoor ook slachtoffers in CN recht krijgen op indiening van een slachtofferverklaring, op spreekrecht ter zitting alsmede op betaling door de overheid van een voorschot ingeval de veroordeelde niet betaalt.

In de landen Curaçao, Aruba en Sint Maarten ligt een concept nieuw Wetboek van Strafvordering klaar voor behandeling in de Staten. Hierin zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van het slachtoffer, zoals het recht op informatie over zijn rechten en het verloop van de opsporing, vervolging en berechting, het recht op inzage in het strafdossier om te vragen stukken toe te voegen, het recht zich te voegen als benadeelde partij en het spreekrecht.

Zodra de gelijktijdige invoering van dit Caribisch Wetboek van Strafvordering in de landen Curaçao, Aruba en Sint Maarten wordt gerealiseerd, zal worden bevorderd dat zoveel mogelijk gelijktijdig een daarop aangepast Wetboek van Strafvordering voor de BES-eilanden in werking te laten treden. Daarmee zal de gelijkluidendheid van het strafprocesrecht in het Caribisch gedeelte van het Koninkrijk in vergaande mate zijn gewaarborgd en dus ook de slachtofferrechten, zoals door de Raad bepleit, daarbij wijzend op het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Tegelijkertijd zal worden onderzocht of ook de voorschotregeling die reeds in een aantal landen geldt navolging kan krijgen.

6. Stel richtlijnen op met betrekking tot de actieve informatieverstrekking aan slachtoffers door het KPCN en door het OM BES.

Ik neem deze aanbeveling over. Daarbij wil ik opmerken dat op dit moment door OM BES, KPCN en BSH al hard gewerkt wordt aan het actualiseren en stroomlijnen van het slachtofferproces. Allemaal met het oog op adequate slachtofferzorg en dito informatieverstrekking.

7. Handhaaf het BSH vooralsnog als onderdeel van het KPCN maar laat het zich meer als een zelfstandige organisatie profileren zonder directe verwijzing naar het KPCN.

Deze aanbeveling neem ik over. Ik vind een zelfstandige profilering van het BSH van belang en ik zal dit stimuleren. Ik heb de korpsleiding KPCN en de leiding van het BSH gevraagd mij hierover te adviseren. Omwille van de organisatorische robuustheid van het BSH zal het organisatorisch wel ingebed blijven bij het KPCN.

8. Bezie de mogelijkheid van nauwere samenwerking, bijvoorbeeld door middel van een samenwerkingsconvenant, tussen het BSH en Slachtofferhulp Nederland.

Deze aanbeveling neem ik over. Slachtofferhulp Nederland geeft aan open te staan voor een samenwerkingsconvenant met BSH. Tot nu toe is alleen op incidentele basis ondersteuning geboden in de vorm van trainingen ter plaatse, maar Slachtofferhulp Nederland is graag bereid dit verder uit te bouwen en vorm te geven.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Kamerstuk 31 568, nr. 128

X Noot
3

Kamerstukken 33 552 en 31 568, nr. 27