Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2014-201533519 nr. K

33 519 Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van diverse maatregelen, aangekondigd in de Strategische Agenda Hoger onderwijs, Onderzoek en Wetenschap (Wet Kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs)

K VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 24 april 2015

Bij brief van 10 februari 2015 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het Ontwerpbesluit experiment promotieonderwijs aan de Eerste Kamer aangeboden.1

Dit ontwerpbesluit is besproken in de vergaderingen van de vast commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap2 van 24 februari en 3 maart 2015 en heeft geleid tot een aantal vragen en opmerkingen, dat in de commissiebrief van 6 maart 2015 is opgenomen.

De Minister heeft op 23 april 2015 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Den Haag, 6 maart 2015

Bij brief van 10 februari 2015 hebt u het Ontwerpbesluit experiment promotieonderwijs aan de Eerste Kamer aangeboden.3 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft het ontwerpbesluit besproken in haar vergaderingen van 24 februari en 3 maart 2015. Dit heeft geleid tot een aantal vragen en opmerkingen, die de commissie hierbij aan u voorlegt.

Er verblijven studenten aan de Nederlandse universiteiten die een promotietraject doorlopen gefinancierd met een beurs vanuit een buitenlandse overheid. Wat is nu eigenlijk de status van deze studenten? Wat zijn hun rechten en plichten? Om hoeveel studenten gaat het? Ontvangen de universiteiten hiervoor ook een promotiepremie? Hoe verhoudt dit zich tot de onderhavige discussie? De commissie heeft dezelfde vragen inzake de «private promotiestudent», die feitelijk een fee betaalt voor zijn/haar begeleiding. Ook wil de commissie weten of promotiestudenten wel onderwijs mogen verzorgen. Als dat niet het geval zou zijn, worden hun kansen op de arbeidsmarkt dan niet enorm verkleind?

In de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel Kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs leest de commissie:

«Promotieonderwijs zal – tijdens het experiment maar ook na eventuele definitieve invoering – de andere promotietrajecten niet vervangen. Het zal een van de wegen zijn om te kunnen promoveren, naast die op basis van een arbeidsovereenkomst/aanstelling, met een beurs van een derde instantie of als zogenaamde buitenpromovendus.»4

Bij de behandeling op 8 juli 2013 sprak de Minister uit:

«Hier geldt eigenlijk hetzelfde als bij de honours tracks, namelijk dat er in ieder geval één universiteit is die dit in zijn prestatieafspraken heeft opgenomen. Het is dus wenselijk om te bekijken of zij kunnen voldoen aan hun prestatieafspraken en ook om te kijken wat dit betekent. Uiteindelijk heb ik gezegd dat ik een experiment aanvaardbaar vind. Daarom is het onmogelijk dat instellingen massaal overstappen van werknemers naar promotiestudenten. Wij zullen moeten zien wat dit met zich meebrengt. De VSNU zal met voorstellen komen voor de inrichting van het experiment. Die experimenteer-AMvB zal dan ook bij de Kamer worden voorgehangen.»5

Blijkens de nota van toelichting is het aantal van 2.000 promotiestudenten gekozen omdat dat 10% bedraagt van het totale aantal promovendi. Klopt het dat het in de nota van toelichting genoemde aantal van 20.000 ook de buitenpromovendi omvat? Hoe groot is de groep van werknemer-promovendi? Is dan de verhouding zodanig dat dit nog steeds als een beperkt experiment kan worden beschouwd? Betreft dit aantal van 2.000 het totaal aantal personen dat gedurende de looptijd van het experiment als promotiestudenten kan worden aangesteld? Of moet uit artikel 8, derde lid worden afgeleid dat het gaat om het aantal plaatsen, zodat de facto cumulatief het dubbele aantal personen gedurende de looptijd kan worden aangesteld?

Hoe worden deze maximaal 2.000 plaatsen gefinancierd? Gaat het om extra geld dat het ministerie ter beschikking stelt of komt het geld uit dezelfde bronnen waaruit werknemer-promovendi worden betaald? Indien dit laatste het geval is, gaat dan de invoering van promotiestudenten niet rechtstreeks ten koste van het aantal werknemer-promovendi? En betekent dat niet dat deze invoering feitelijk een directe verslechtering van de rechtspositie van nieuwe promovendi is? Wat is in artikel 12, eerste lid, onder b bedoeld met «internationale beurspromovendi»? Is dit een specifieke categorie? Hoe verhoudt die zich tot de promotiestudent?

De nota van toelichting bij de AMvB beschrijft terecht hoe bij huidige promotietrajecten in toenemende mate sprake is van een opleidingscomponent die door Graduate Schools wordt aangeboden. Nu dat al gebeurt, wat is de meerwaarde voor de promovendus om als promotiestudent te worden ingeschreven in plaats van als werknemer-promovendus? Waarom maakt het voor de internationale vergelijking nog uit als de opleidingscomponent toch al bestaat? Blijkens de nota van toelichting dienen het promotieonderwijs en de financiële ondersteuning zo ingericht te zijn dat de gemiddelde promovendus het promotietraject in die periode kan afronden. Wat gebeurt er met de promotiestudent die dan nog niet klaar is (zoals thans ook vaak het geval is)? Op welke wijze is de «studeerbaarheid» geborgd en welke rechten heeft de promotiestudent op dit punt?

Wat gebeurt er met de positie van promotiestudenten als conform artikel 14 de toestemming wordt ingetrokken of het experiment beëindigd? Verliezen zij dan alle rechten of worden ze automatisch werknemer-promovendus? De nota van toelichting vermeldt in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 9, 10, 11:

«Een belangrijke waarborg voor de promotiestudent is dat deze bij (voortijdig) beëindiging van het experiment het recht heeft om als werknemer zijn promotietraject af te ronden.»

In de tekst van de genoemde artikelen is dit echter niet terug te lezen. Heeft dit citaat uit de nota van toelichting betrekking op artikel 8, vierde lid? En geldt deze bepaling ook wanneer de toestemming voor een specifieke universiteit wordt ingetrokken? Klopt het dat promotiestudenten geen rechten opbouwen (sociale verzekeringen, pensioen) en daardoor op korte en lange termijn financiële consequenties te dragen hebben? Vindt de regering het gewettigd dat een instelling twee promovendi heeft voor vergelijkbare projecten, daarvoor dezelfde promotievergoeding ontvangt, en de ene promovendus een tijdelijk contract als werknemer biedt met alle zekerheden die daarbij horen en de andere promovendus een verbintenis als promotiestudent waarbij al die zekerheden ontbreken? Vindt de regering het gewettigd dat promotiestudenten gemiddeld pas op of na hun 26e sociale zekerheid kunnen gaan opbouwen?

Waarom wordt bij de evaluatie (artikel 13, tweede lid) niet gekeken naar het (verdringings)effect op het aantal werknemer-promovendi? Is de regering bereid dat in de evaluatie mee te nemen? Is de regering bereid bij de evaluatie volgens artikel 13, derde lid, onder c ook te laten vragen hoe de verschillende typen promovendi hun rechtspositie ervaren?

In het licht van deze discussie over de rechtspositie van promovendi vraagt de commissie tevens een reactie van de regering op het volgende voorbeeld met het oog scherper zicht te krijgen op de uitgangspunten en criteria van beleid: de rijksuniversiteit Groningen biedt momenteel een PhD-positie aan met een omvang van 0,9 fte en een looptijd van drie jaar (waarbij een voorbereidende Research Master wenselijk wordt geacht)6. Acht de regering het een goede ontwikkeling dat op deze wijze een PhD-traject van feitelijk 2,7 jaar wordt aangeboden en moet dat beschouwd worden als een haalbaar en realistisch traject? Of betekent het de facto dat de promovendus voltijds werkt tegen 90% salaris en is dat dan een aanvaardbare interpretatie van de regels en rechtspositie van werknemer-promovendi? Navraag leert dat deze promovendi niet worden ingezet voor onderwijstaken, maar past dat bij het werknemer-promovendus-model dat immers ook beoogt werkervaring mogelijk te maken? Zijn er meer voorbeelden van universiteiten die op dergelijke wijze de grenzen van het werknemer-promovendus-model opzoeken?

De commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ziet met belangstelling uit naar uw antwoorden en ontvangt uw reactie graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

De voorzitter van de vaste commissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. de Vries-Leggedoor

BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten

Den Haag, 23 april 2015

De vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van uw Kamer heeft mij in het kader van een schriftelijk overleg op 3 maart een aantal vragen gesteld over het ontwerp-Besluit experiment promotieonderwijs (Kamerstukken I, 2014/15, 33 519). Ik reageer op deze vragen als volgt.

De commissie vraagt wat de status is van de studenten die aan de Nederlandse universiteiten verblijven en die een promotietraject doorlopen, gefinancierd met een beurs van een buitenlandse overheid. Zij vraagt wat de rechten en plichten van deze studenten zijn en om hoeveel studenten het gaat.

Deze studenten zijn aan de Nederlandse universiteiten verbonden om daar te promoveren. Met de beurs van de buitenlandse overheid kunnen zij in hun levensonderhoud voorzien. Komen zij van buiten de EER, dan komen zij naar Nederland via de EU onderzoekersrichtlijn. Op basis van een overeenkomst met de universiteit krijgen deze studenten toegang tot haar gebouwen en faciliteiten. Daarin wordt ook de aansprakelijkheid geregeld. Over de inhoud van de promotie wordt een promotieovereenkomst gesloten. Zij zijn geen werknemer of student. Promovendi als deze kunnen wel onder de werking van het experiment komen te vallen. Dan gaat het over nieuw startende promovendi. Promovendi in een bij de start van het experiment lopend promotietraject kunnen geen promotiestudent worden.

Op dit moment bestaat er geen landelijk overzicht van het aantal promovendi in deze categorie. Die cijfers zullen door de deelnemende universiteiten aan de start van het experiment beschikbaar worden gesteld met als peildatum 1 januari 2016.

De commissie vraagt of de universiteiten hiervoor ook een promotiepremie

ontvangen en hoe zich dat tot de onderhavige discussie verhoudt.

Ja, de universiteiten ontvangen voor de promotie van deze promovendi promotiebekostiging, net zoals voor de promoties van werknemer-promovendi en buitenpromovendi. Als een andere wijze van bekostiging wordt doorgevoerd, zoals aangekondigd in de Wetenschapsvisie 20257, doordat de invloed van de promotieparameter wordt gemaximeerd op 20 procent, dan wordt die ook van toepassing op de promoties van deze promovendi.

De commissie stelt dezelfde vragen inzake de «private promotiestudent», die feitelijk een fee betaalt voor zijn/haar begeleiding.

Ik beschik niet over gegevens over deze «private promotiestudent». De VSNU heeft mij gemeld dat, voor zover private promotiestudenten bij Nederlandse universiteiten aanwezig zijn, dit op basis van universiteit specifieke afspraken gebeurt.

De commissie wil weten of promotiestudenten wel onderwijs mogen verzorgen en of, als dat niet het geval is, hun kansen op de arbeidsmarkt dan niet enorm worden verkleind.

De promotiestudent is niet in dienst bij de universiteit en daarmee geen werknemer van de universiteit. De universiteiten kunnen de promotiestudenten dan ook niet inzetten voor universitaire onderwijstaken. Het promotieonderwijs biedt daarentegen ruimte om, naast studeren en promoveren, een breed palet aan vaardigheden te ontwikkelen die kunnen bijdragen aan de inzetbaarheid van de gepromoveerde werknemer binnen de samenleving. Daaronder valt ook het ontwikkelen van didactische vaardigheden. Onderwijsstages op bijvoorbeeld vwo-scholen zouden deel uit kunnen maken van het promotieonderwijs. Een dergelijke stage biedt de promotiestudent de kans om zich voor te bereiden op een eventuele toekomstige functie in het onderwijs en biedt vwo-scholen de mogelijkheid om in aanraking te komen met een promovendus. Het gaat daarbij nadrukkelijk om een mogelijkheid en niet om een verplichting voor elke promotiestudent.

In de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel Kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs leest de commissie:

«Promotieonderwijs zal – tijdens het experiment maar ook na eventuele definitieve invoering – de andere promotietrajecten niet vervangen. Het zal een van de wegen zijn om te kunnen promoveren, naast die op basis van een arbeidsovereenkomst/aanstelling, met een beurs van een derde instantie of als zogenaamde buitenpromovendus.»8

Bij de behandeling op 8 juli 2013 sprak de Minister uit:

«Hier geldt eigenlijk hetzelfde als bij de honours tracks, namelijk dat er in ieder geval één universiteit is die dit in zijn prestatieafspraken heeft opgenomen. Het is dus wenselijk om te bekijken of zij kunnen voldoen aan hun prestatieafspraken en ook om te kijken wat dit betekent. Uiteindelijk heb ik gezegd dat ik een experiment aanvaardbaar vind. Daarom is het onmogelijk dat instellingen massaal overstappen van werknemers naar promotiestudenten. Wij zullen moeten zien wat dit met zich meebrengt. De VSNU zal met voorstellen komen voor de inrichting van het experiment. Die experimenteer-AMvB zal dan ook bij de Kamer worden voorgehangen.»9

Blijkens de nota van toelichting is het aantal van 2.000 promotiestudenten gekozen omdat dat 10% bedraagt van het totale aantal promovendi.

De commissie vraagt of het klopt dat het in de nota van toelichting genoemde aantal van 20.000 ook de buitenpromovendi omvat.

Het aantal van 20.000 heeft betrekking op het aantal promoties in peiljaar 2011, namelijk 3821. Het betreft de promoties van alle soorten promovendi, werknemer-promovendi, buitenpromovendi en internationale beurspromovendi. Vermenigvuldigd met een gemiddelde promotieduur van vijf jaar, maakt het aantal iets meer dan 19.000. Met een afronding naar boven is het resultaat 20.000. Dit aantal omvat dus ook het aantal buitenpromovendi.

Hoe groot is de groep van werknemer-promovendi, zo vraagt de commissie?

Het aantal werknemer-promovendi aan de Nederlandse universiteiten was volgens cijfers van de VSNU in 2011, het peiljaar, 8707. In 2012 was dat aantal 8710 en in 2013 8702. Van werknemer-promovendi die aan academische ziekenhuizen zijn verbonden zijn geen exacte cijfers voorhanden. Dat aantal wordt geschat op 2000.

Is de verhouding tussen het aantal potentiële promotiestudenten en het aantal werknemer-promovendi zo dat dit nog steeds als een beperkt experiment kan worden beschouwd, zo vraagt de commissie.

Net als bij het experiment BSA in latere jaren, waarin voor de omvang van het experiment op verzoek van de Tweede Kamer is uitgegaan van 10 procent van het totaal aantal in een bepaald jaar ingeschreven studenten, heb ik voor de bepaling van het maximum aantal aan het experiment deelnemende promotiestudenten willen uitgaan van 10 procent van de totale promovendi populatie in een peiljaar. Dat betreft alle soorten promovendi, dus werknemer-promovendi, buitenpromovendi en promovendi die met een beurs van een derde instantie promoveren. Het overgrote deel van de promovendi wordt niet met het experiment geconfronteerd. En het aantal is nog zodanig dat er ruimte is om te experimenteren met verschillende vormen van promotieonderwijs om goede conclusies te trekken, gebaseerd op vragen als: maakt het uit of de promotiestudenten voorkomen bij alle disciplines (wetenschapsgebieden) van de instelling of maar bij één of enkele? Wordt het vooral toegepast bij bepaalde disciplines? Is het een vorm waarmee de internationale promovendi (beter) kunnen worden aangetrokken? Of en welke rol speelt de vormgeving van het onderwijs gedurende het promotietraject?

De commissie vraagt of het aantal van 2.000 het totaal aantal personen betreft dat gedurende de looptijd van het experiment als promotiestudenten kan worden aangesteld of dat uit artikel 8, derde lid, van het ontwerp-Besluit moet worden afgeleid dat het gaat om het aantal plaatsen, zodat de facto cumulatief het dubbele aantal personen gedurende de looptijd kan worden aangesteld?

De bij een universiteit toe te laten promotiestudenten starten uiterlijk in 2018 met hun promotieonderwijs. Deze studenten vullen maximaal 2000 plaatsen. Indien een student het promotieonderwijs (tussentijds) beëindigt, kan zijn plaats worden ingenomen door een nieuwe promotiestudent. Dit betekent dat tijdens het experiment steeds maximaal 2000 promotiestudenten met een promotieonderwijstraject bezig kunnen zijn, maar dat het totaal aantal personen dat promotiestudent is en was aan het eind van het experiment hoger kan zijn omdat tijdens het experiment gepromoveerde promotiestudenten of promotiestudenten die zijn gestopt voordat zij promoveerden, zijn vervangen.

De commissie vraagt verder of het ministerie ter financiering van deze maximaal 2.000 plaatsen extra geld ter beschikking stelt of dat het geld komt uit dezelfde bronnen waaruit werknemer-promovendi worden betaald.

Er wordt geen extra geld ter beschikking gesteld voor de 2000 plaatsen voor promotiestudenten. Het promotieonderwijs en de promotiebeurs worden betaald uit de lumpsum bekostiging die de universiteit van de rijksoverheid ontvangt. De lumpsum is een bedrag waarvan de hoogte wordt vastgesteld door een aantal parameters, die zijn vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit WHW. Met het totale bedrag dat de instelling krijgt, verricht ze het onderwijs, onderzoek en valorisatie. En onder het experiment financiert ze daarmee ook de beurs van de promotiestudent. De instelling heeft bestedingsvrijheid; ze mag zelf de interne verdeling van de gelden bepalen.

Indien het promotieonderwijs wordt bekostigd uit dezelfde bronnen als de werknemer-promovendi, gaat dan de invoering van promotiestudenten niet rechtstreeks ten koste van het aantal werknemer-promovendi, zo vragen de commissieleden.

Uit mijn antwoord op voorgaande vraag blijkt dat de universiteit vrij is in de besteding van de rijksbijdrage. Zij kan dus zelf bepalen hoeveel promovendi zij als werknemer en als promotiestudent aantrekt. Er zal een verschuiving optreden nu deze nieuwe mogelijkheid wordt gecreëerd. Met dit experiment wordt gemeten in hoeverre dat het geval is. Bij de tussenevaluatie na twee jaar wordt onderzocht hoe de deelnemende universiteiten als werkgever met promotieonderwijs omgaan.

Betekent de invoering van promotieonderwijs niet feitelijk een directe verslechtering van de rechtspositie van nieuwe promovendi, vraagt de commissie.

Neen. De universiteit kan nieuwe promovendi aantrekken als werknemer-promovendus, buitenpromovendus, internationale beursstudent en – onder de werking van het experiment – als promotiestudent.

De posities van deze promovendi verschillen van elkaar. De werknemer-promovendus (de voormalig assistent in opleiding) is in dienst van de universiteit en verricht naast de werkzaamheden voor zijn proefschrift over het algemeen ook werkzaamheden voor de universiteit. De werknemer-promovendus is ook binnen het huidige stelsel niet het enige type promovendus. Daarnaast kent Nederland de zogenoemde buitenpromovendus, die meestal niet werkzaam is bij de universiteit. Deze schrijft – onder begeleiding van een promotor – een proefschrift aan de universiteit maar heeft verder geen financiële relatie met de universiteit. Daarnaast zijn er veelal buitenlandse promovendi die promoveren met een beurs van een andere instantie dan de universiteit. Onder deze laatste categorie vallen ook de studenten die aan Nederlandse universiteiten verblijven en een promotietraject doorlopen met een beurs van een buitenlandse overheid. Het experiment wijzigt niets aan de positie van deze categorieën promovendi. Het promotieonderwijs is een extra optie die aan de bestaande promotievormen wordt toegevoegd. Universiteiten behouden de mogelijkheid om werknemer-promovendi en buitenpromovendi en internationale beurspromovendi aan te trekken, maar krijgen de ruimte om binnen het experiment aan een beperkt aantal promovendi een studentenstatus te verlenen. De universiteit zal uit deze vier vormen kunnen kiezen als zij een promotieplaats openstelt. Omdat elke vorm eigen rechten en plichten kent, kan wat voor de ene promovendus een aantrekkelijke vorm is, voor de andere een minder aantrekkelijke vorm zijn. Tussen de verschillende categorieën promovendi is de rechtspositie verschillend vormgegeven.

De commissie vraagt wat in artikel 12, eerste lid, onder b is bedoeld met «internationale beurspromovendi»? Is dit een specifieke categorie en hoe verhoudt die zich tot de promotiestudent?

De internationale beurspromovendus is de promovendus die wordt bedoeld in mijn antwoord op de vraag wat de status is van de studenten die aan de Nederlandse universiteiten verblijven en die een promotietraject doorlopen, gefinancierd met een beurs van een buitenlandse overheid.

De commissie wijst erop dat de nota van toelichting bij het ontwerp-Besluit terecht beschrijft hoe bij huidige promotietrajecten in toenemende mate sprake is van een opleidingscomponent die door Graduate Schools wordt aangeboden. Zij vraagt, nu dat al gebeurt, wat de meerwaarde is voor de promovendus om als promotiestudent te worden ingeschreven in plaats van als werknemer-promovendus. Zij vraagt waarom het voor de internationale vergelijking nog uitmaakt als de opleidingscomponent toch al bestaat.

Promotieonderwijs kan de aantrekkelijkheid van promoveren in Nederland vergroten voor zowel buitenlandse als Nederlandse studenten. Ook al zijn er de laatste decennia aan Nederlandse universiteiten al verschillende opleidingstrajecten ontstaan, het bieden van onderwijs aan promovendi is zeker niet vanzelfsprekend binnen de promotietrajecten, noch is op stelselniveau geformaliseerd dat promotiestudenten recht hebben op onderwijs. In het kader van het Bologna-proces is het streven uitgesproken om de overgang naar het bachelor-mastersysteem te voltooien met het realiseren van een «derde cyclus». Een voordeel van de aansluiting bij deze internationale afspraak is dat het opleidingsklimaat in Nederland meer vergelijkbaar wordt met dat van andere Europese landen die een bachelor-master-Phd studietraject kennen. De herkenbaarheid voor buitenlandse studenten wordt daardoor vergroot. Tegelijkertijd kan een derde cyclus in Nederland de stap naar een promotietraject voor afgestudeerde Nederlandse studenten verkleinen, doordat zij naast de promotie onderwijs blijven volgen. Door, net als in vele andere landen, promotieonderwijs aan te bieden, kunnen universiteiten daarnaast meer promotieposities aanbieden dan nu het geval is. Een ander voordeel is dat deze promotieposities diegenen de kans kunnen geven te promoveren, die op dit moment deze mogelijkheid niet hebben, omdat bijvoorbeeld het onderzoeksvoorstel niet makkelijk in de bestaande onderzoeksprogrammering van een instituut kan worden ingepast. Dat creëert voor jonge creatieve academici de mogelijkheid om innovatief promotieonderzoek te doen waarin zij zeer gedreven zijn. Naar aanleiding van vragen van leden van de PvdA-fractie van de Tweede Kamer heb ik toegezegd meer ruimte voor eigen onderzoeksvoorstellen als vierde doelstelling in het Besluit op te nemen.

Ten slotte kan de promotiestudent omdat hij geen arbeid verricht voor de universiteit veel tijd besteden aan het verrichten van onderzoek en het ontwikkelen van meer generieke vaardigheden. Zo zouden onderwijsstages op vwo-scholen onderdeel uit kunnen maken van het promotieonderwijs.

Binnen het huidige promotiestelsel is weinig rek voor een bredere voorbereiding op de arbeidsmarkt. In de regel heeft een werknemer-promovendus een dienstverband van vier jaar om te promoveren. Het percentage dat binnen deze termijn promoveert is laag. Er is daarom geen ruimte om binnen deze tijd meer aandacht te besteden aan generieke vaardigheden en de voorbereiding op de arbeidsmarkt.

Blijkens de nota van toelichting dienen het promotieonderwijs en de financiële ondersteuning zo ingericht te zijn dat de gemiddelde promovendus het promotietraject in de gebruikelijke periode kan afronden, zo memoreert de commissie. Zij vraagt wat er gebeurt met de promotiestudent die dan nog niet klaar is (zoals thans ook vaak het geval is).

In de regel zal de promotiestudent die nog niet is gepromoveerd binnen de termijn waarbinnen een gemiddelde promovendus het promotietraject kan afronden, dit traject niet meer met een promotiebeurs kunnen afronden. Hij zal, als de universiteit daarmee instemt, het promotietraject nog wel kunnen afronden, maar zal op andere wijze in zijn levensonderhoud moeten voorzien. Dit ligt anders als de instelling dit anders heeft geregeld of als er een bijzondere omstandigheid is die maakt dat hij vertraging oploopt. Onder die omstandigheden kan het traject en de promotiebeurs worden verlengd.

De commissie vraagt op welke wijze de «studeerbaarheid» is geborgd en welke rechten de promotiestudent op dit punt heeft.

De decaan stelt regels voor de inrichting van het promotieonderwijs vast in het plan dat wordt opgenomen in de aanvraag voor deelname aan het experiment. In de aanvraag moet ook het oordeel over het plan van de medezeggenschapsorganen worden opgenomen. De medezeggenschap heeft ter zake van de regels betreffende promotieonderwijs instemmingsrecht.

De commissie vraagt naar de positie van promotiestudenten wanneer conform artikel 14 van het ontwerp-Besluit de toestemming wordt ingetrokken of het experiment wordt beëindigd. De commissie vraagt of promotiestudenten dan alle rechten verliezen of dat ze automatisch werknemer-promovendus worden. En als dit laatste het geval is of dit ook geldt wanneer de toestemming voor een experiment aan een specifieke universiteit wordt ingetrokken.

Ingeval na evaluatie van het experiment wordt besloten af te zien van een wettelijke verankering van promotieonderwijs, dient de universiteit de promotiestudent in staat te stellen om als werknemer-promovendus zijn promotie af te ronden. De universiteit zal de promotiestudent dus in dienst nemen en de bijbehorende kosten voor haar rekening nemen. Hetzelfde geldt voor de promotiestudenten indien het experiment bij een enkele universiteit voortijdig wordt beëindigd.

De commissie wijst op de vermelding in de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 9, 10 en 11.

«Een belangrijke waarborg voor de promotiestudent is dat deze bij (voortijdig) beëindiging van het experiment het recht heeft om als werknemer zijn promotietraject af te ronden.»

Zij merkt op dat dit in de tekst van de genoemde artikelen niet is terug te lezen en vraagt of dit citaat betrekking op artikel 8, vierde lid en of deze bepaling ook geldt wanneer de toestemming voor een specifieke universiteit wordt ingetrokken.

Ja. Onder «beëindiging» in artikel 8, vierde lid, van het ontwerp-Besluit wordt verstaan beëindiging nadat het experiment is afgelopen zonder dat het promotieonderwijs wettelijk wordt verankerd en ook beëindiging als het experiment bij een universiteit voortijdig wordt beëindigd.

De commissie vraagt of het klopt dat promotiestudenten geen rechten opbouwen (sociale verzekeringen, pensioen) en daardoor op korte en lange termijn financiële consequenties te dragen hebben? En vindt de regering het gewettigd dat promotiestudenten gemiddeld pas op of na hun 26e sociale zekerheid kunnen gaan opbouwen, vraagt de commissie?

De positie van de promotiestudent is gelijk aan die van andere studenten. De promotiestudent bouwt daarom tijdens het promotietraject, net als andere studenten, geen aanspraak op sociale zekerheid op. Wel heeft de promotiestudent, naast de beurs die hij ontvangt, aanspraak op een financiële ondersteuning uit het profileringsfonds bij bijzondere omstandigheden, net als andere studenten. Dat kan bijvoorbeeld gaan om ziekte, zwangerschap of bijzondere familieomstandigheden. De financiële consequenties op de lange termijn worden niet alleen beïnvloed door het later beginnen aan de opbouw van aanspraak op sociale zekerheid, maar ook door de extra impuls die het promotieonderwijs geeft aan de verdere loopbaan van de student.

De commissie vraagt verder of de regering het gewettigd vindt dat een instelling twee promovendi heeft voor vergelijkbare projecten, daarvoor dezelfde promotievergoeding ontvangt, en de ene promovendus een tijdelijk contract als werknemer biedt met alle zekerheden die daarbij horen en de andere promovendus een verbintenis als promotiestudent waarbij al die zekerheden ontbreken?

Ja. De trajecten als werknemer-promovendus en promotiestudent worden onder verschillende condities gevolgd maar leiden wel tot hetzelfde leerdoel, namelijk een hoogwaardig promotietraject. Daarom is het gewettigd dat de universiteit dezelfde promotievergoeding ontvangt.

De commissie vraagt mij waarom er bij de evaluatie (artikel 13, tweede lid, van het ontwerpbesluit) niet gekeken wordt naar het verdringingseffect op het aantal werknemer-promovendi.

Zoals in paragraaf 5 van de nota van toelichting wordt beschreven, zal bij de evaluatie van het experiment worden vastgesteld in hoeverre een verdringingseffect van werknemer-promovendi door promotiestudenten zich heeft voorgedaan en wat van een mogelijke verschuiving de voor- en nadelen zijn. Dat is terug te lezen in artikel 13, tweede lid, onder b, waar staat dat bij de evaluatie gemeten wordt of het aantal gepromoveerden en het aantal promovendi ten opzichte van de situatie op 1 januari 2016 verschilt wat betreft type.

De commissie vraagt of ik bereid ben bij de evaluatie volgens artikel 13, derde lid, onder c van het ontwerp-Besluit ook te laten vragen hoe de verschillende typen promovendi hun rechtspositie ervaren.

Ja, daartoe ben ik bereid. In artikel 13, derde lid, onder c, van het ontwerp-Besluit staat dat bij de evaluatie de opvattingen van promotiestudenten en andere promovendi worden betrokken over hun status binnen de universiteit, hun financiële positie en de aansluiting op de arbeidsmarkt. Onder deze noemers kunnen zowel promotiestudenten als werknemer-promovendi de vragen beantwoorden die in de vraagstelling van de commissie besloten liggen.

In het licht van deze discussie over de rechtspositie van promovendi vraagt de commissie tevens een reactie van de regering op het volgende voorbeeld met het oog scherper zicht te krijgen op de uitgangspunten en criteria van beleid:

De rijksuniversiteit Groningen biedt momenteel een PhD-positie aan met een omvang van 0,9 fte en een looptijd van drie jaar, waarbij een voorbereidende Research Master wenselijk wordt geacht10. Acht de regering het een goede ontwikkeling dat op deze wijze een PhD-traject van feitelijk 2,7 jaar wordt aangeboden en moet dat beschouwd worden als een haalbaar en realistisch traject? Of betekent het de facto dat de promovendus voltijds werkt tegen 90% salaris en is dat dan een aanvaardbare interpretatie van de regels en rechtspositie van werknemer-promovendi? Navraag leert dat deze promovendi niet worden ingezet voor onderwijstaken, maar past dat bij het werknemer-promovendus-model dat immers ook beoogt werkervaring mogelijk te maken?

Zijn er meer voorbeelden van universiteiten die op dergelijke wijze de grenzen van het werknemer-promovendusmodel opzoeken?

De situatie die wordt geschetst betreft het aantrekken van een werknemer-promovendus. Het invullen van de rechtspositie van werknemers is aan de universiteit. De universiteiten hebben hierover een CAO met vertegenwoordigers van werknemers afgesloten. De werknemer-promovendus heeft hierin doorgaans een onderwijsstaak, ook al is dat niet verplicht. Hier ga ik dus niet over. Ook staat de casus los van het experiment, dat promotieonderwijs voor studenten betreft.

Ik heb mij over de geschetste casus wel laten informeren door de Rijksuniversiteit Groningen. De Rijksuniversiteit Groningen heeft mij meegedeeld dat de vacature voor 1.0 fte zal worden opengesteld. Er zijn mij geen andere gevallen, bedoeld in de vraagstelling, bekend. Ik zou het ook onwenselijk vinden als dit vaker toegepast zou worden, omdat ik erg hecht aan een breed ingericht promotietraject.

Wat betreft de duur van drie jaar van de aanstelling heeft de Rijksuniversiteit Groningen mij meegedeeld dat deze te maken heeft met het feit dat het promotietraject volgt op een researchmaster. Door de samenhang met de researchmaster kan door het hele traject synergie worden gerealiseerd.

Binnen het experiment is het uitgangspunt dat het promotietraject voor de promotiestudent binnen redelijke termijn af te ronden moet zijn. In paragraaf 3 van de nota van toelichting is verwoord dat er geen voorschriften zijn over een minimum- of maximumduur van het promotieonderwijs maar dat een promotietraject in de regel vier jaar duurt. Hiermee wordt een traject op fulltime basis bedoelt. Belangrijk is tevens te vermelden dat het medezeggenschapsorgaan instemmingsrecht heeft op een aantal regels, onder andere betreffende de inrichting en daarmee ook de duur van het traject. In tegenstelling tot werknemer-promovendi, hebben promotiestudenten uit hoofde van hun studentstatus geen onderwijstaken. In plaats daarvan zullen zij onderwijs volgen. Het volgen van onderwijs is immers een integraal onderdeel van het promotietraject van de promotiestudent. Wel kan het zich bekwamen in didactische vaardigheden onderdeel zijn van het onderwijs door middel van stages, bijvoorbeeld bij vo-scholen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Kamerstukken 2014/15, 33 519, J.

X Noot
2

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Dupuis (VVD), Linthorst (PvdA), Kox (SP), Sylvester (PvdA), Essers (CDA), Engels (D66), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Van Bijsterveld (CDA), Duthler (VVD), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU) Schaap (VVD), De Vries-Leggedoor (CDA) (voorzitter), Lokin-Sassen (CDA), Backer (D66), Ganzevoort (GL) (vice-voorzitter), De Lange (OSF), Koole (PvdA), Sent (PvdA), Vlietstra (PvdA), Van Strien (PVV), Sörensen (PVV), Frijters-Klijnen (PVV), Bruijn (VVD), Gerkens (SP).

X Noot
3

Kamerstukken 2014/15, 33 519, J.

X Noot
4

Kamerstukken I 2012/13, 33 519, C, p. 10.

X Noot
5

Handelingen I 2012/13, nr. 35, item 2, p. 11.

X Noot
7

Kamerstukken I, 2014/2015, 34 000 VIII.

X Noot
8

Kamerstukken I, 2012/13, 33 519, C, p. 10.

X Noot
9

Handelingen I 2012/13, nr. 35, item 2, p. 11.