33 292 Nederland als Europees knooppunt van gastransport

B VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 21 november 2013

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken1 hebben kennisgenomen van de door de Minister van Financiën en de Minister van Economische Zaken verzonden brief van 5 juli 2013 in antwoord op vragen over het rapport van de Algemene Rekenkamer inzake de gasrotondestrategie.2

Naar aanleiding van deze antwoorden hebben de leden van de fracties van de PVV en van GroenLinks op 19 september 2013 enkele nadere vragen gesteld aan de Minister van Financiën. Een gelijkluidende brief is gezonden aan de Minister van Economische Zaken.

De Minister van Financiën heeft mede namens de Minister van Economische Zaken op 20 november 2013 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, De Boer

BRIEF AAN DE MINISTER VAN FINANCIEN

Den Haag, 19 september 2013

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van de door u en door de Minister van Economische Zaken verzonden brief van 5 juli 2013 in antwoord op de vragen over het rapport van de Algemene Rekenkamer inzake de gasrotondestrategie.3 Naar aanleiding van deze antwoorden hebben de leden van de fracties van de PVV en van GroenLinks enkele nadere vragen. Aangezien deze vragen betrekking hebben op de portefeuilles van de Ministers van Economische Zaken en van Financiën is een gelijkluidende brief gezonden aan de Minister van Economische Zaken.

PVV

De leden van de PVV-fractie lezen in de antwoorden van de Minister van Financiën dat de raad van bestuur van Gasunie op de hoogte was van alle zes waarderingsscenario’s, waaronder ook de negatieve scenario’s. De raad van bestuur heeft vervolgens besloten om de negatieve scenario’s niet op te nemen in de business case die uiteindelijk werd gedeeld met de raad van commissarissen en de aandeelhouder. De betrokken zakenbank heeft wel gewezen op het risico van het Duitse reguleringskader. Toch heeft men dit ter zijde gelegd. Deze leden vragen welke zakenbank hierbij was betrokken. Het lijkt deze leden onwaarschijnlijk dat de raad van bestuur niet bewust was van de risico’s en zij vragen waarom de raad van bestuur zo gebrand was op de overname. Ook gezien het feit dat er geen sprake was van onzekerheid van levering, zoals de regering aangeeft in de beantwoording van de vragen.

Is de belangrijkste reden tot de overname van BEB, namelijk om leveringszekerheid veilig te stellen, dan nog wel te rechtvaardigen? Naar de mening van deze leden lijkt het erop dat de verkopers Shell en ExxonMobil een zeer goede deal hebben gesloten, is de regering dat met deze leden eens? Stond deze deal op zichzelf of is het mogelijk dat er sprake is geweest van een koppelverkoop?

De Minister van Financiën schrijft voorts dat het besluit tot overname is gebaseerd op ontoereikende informatie. De leden van de PVV-fractie vragen de regering wie verzuimd heeft de juiste informatie door te geven. Was dat de raad van bestuur? Heeft de raad van bestuur alle beschikbare informatie doorgespeeld aan de Minister van Economische Zaken? En heeft de Minister van Economische Zaken alle beschikbare informatie doorgespeeld aan de Minister van Financiën? Beschikte de Minister van Financiën over dezelfde informatie als de Minister van Economische Zaken? En waarom was de regering niet op de hoogte van de waardering van 1.176 miljoen euro op basis van een analyse van vergelijkbare ondernemingen? Wie beschikte wel over deze informatie? En wie had deze informatie aan de regering moeten verstrekken?

De extra afschrijvingen leverden een belastingvoordeel op van 280 miljoen euro. Deelt de regering de mening van de leden van de PVV-fractie dat hieruit geconcludeerd kan worden dat de Nederlandse staat sowieso 280 miljoen euro aan inkomstenderving heeft opgelopen? Deze extra afschrijvingen drukken naar de mening van deze leden op de bedrijfswinst. Is de regering van mening dat dit geen invloed heeft op een efficiënte bedrijfsvoering? Of was het fiscaal of boekhoudkundig aantrekkelijk voor Gasunie om een grote kostenpost te boeken? Kan de regering dit nader toelichten? Staan er wijzigingen op stapel betreffende de tariefberekening? De tarieven worden onder andere beïnvloed door de x-factor, die staat voor de korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering, en de q-factor, die staat voor de kwaliteitsterm die de aanpassing van de tarieven in verband met de geleverde kwaliteit aangeeft. Heeft het uitbreiden van het net geen invloed op de x- en q-factor? Is het niet opvallend dat deze beide factoren al acht jaar een negatieve waarde hebben? Het is dan geen korting, maar een toeslag. Deelt de regering deze stelling?

In 2009 heeft de Duitse toezichthouder voor BEB een individuele doelmatigheidsfactor vastgesteld van slechts 60%, terwijl Gasunie er altijd van was uitgegaan dat deze doelmatigheidsfactor voor BEB aanzienlijk hoger was (tussen 90–100%). BEB heeft in dit verband een afschrijving van 150 miljoen euro geboekt. BEB heeft deze door de Duitse toezichthouder vastgestelde individuele doelmatigheidsfactor aangevochten. In februari 2011 is BEB in het gelijk gesteld. Het terzake in 2009 afgeschreven bedrag van 150 miljoen euro is vervolgens echter niet weer bijgeschreven op het netwerk. Kan de regering aan de leden van de PVV-fractie aangeven waarom deze 150 miljoen euro niet meer is bijgeschreven?

De regering geeft in haar beantwoording aan dat er een gesprek met de Duitse toezichthouder is gevoerd omtrent de toekomstige kaders van de regulering en een analyse is uitgevoerd van mogelijke strategische voordelen en synergie-effecten na de overname. Deze leden vragen de regering wie dat gesprek met de Duitse toezichthouder hebben gevoerd en of daar een verslag van is. Indien daar geen verslag van is, is dat dan niet een vreemde gang van zaken?

GroenLinks

De leden van de GroenLinks-fractie danken de regering voor de beantwoording van de gestelde vragen. De regering antwoordt dat er geen kosten-baten analyse is uitgevoerd met betrekking tot de Gasrotonde, omdat het een strategie betreft en geen project. Deze leden vragen de regering op welke wijze zij vooraf heeft bepaald of deze strategie tot financieel en economisch gunstige resultaten voor Nederland zou leiden. En kan de regering aangeven op welke wijze zij heeft beoordeeld dat de Gasrotonde voor de staatsdeelnemingen Gasunie en EBN tot gunstige resultaten zou leiden?

Het is voor Nederland en de Nederlandse staatsdeelnemingen zeer relevant om vast te stellen waar de gasrotondestrategie en de projecten die binnen deze strategie worden uitgevoerd, momenteel staan in financieel en economisch opzicht. De strategie is gestart in 2005 en loopt tot 2015. De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering om, met het oog op de toekomst, een nadere analyse van winst en verlies van deze strategie en de projecten binnen deze strategie uit te voeren, mogelijk door het CPB. Is de regering bereid deze analyse van winst en verlies uit te laten voeren en de Eerste Kamer daarover te informeren?

De leden van de fracties van PVV en GroenLinks zien met belangstelling uit naar de beantwoording van de door hen gestelde vragen. De vaste commissie voor Economische Zaken verzoekt u om deze brief uiterlijk 17 oktober 2013 te beantwoorden.

Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, E.M. Kneppers-Heynert

BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIEN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 november 2013

De Minister van Economische zaken en ik hebben op 5 juli 2013 schriftelijke vragen beantwoord van leden van uw vaste commissie voor Economische Zaken over het rapport van de Algemene Rekenkamer inzake de gasrotondestrategie4. Naar aanleiding daarvan is op 19 september een gelijkluidende brief met nadere vragen aan beide Ministers gestuurd. Het betreft vragen van de leden van de fracties van de PVV en van GroenLinks.

Als aandeelhouder van Gasunie beantwoord ik hieronder de vragen van de PVV over de Duitse overname door deze staatsdeelneming. De vragen van GroenLinks beantwoord ik namens de Minister van Economische Zaken, die verantwoordelijk is voor de gasrotondestrategie.

PVV

De leden van de PVV-fractie lezen in de antwoorden van de Minister van Financiën dat de raad van bestuur van Gasunie op de hoogte was van alle zes waarderingsscenario’s, waaronder ook de negatieve scenario’s. De raad van bestuur heeft vervolgens besloten om de negatieve scenario’s niet op te nemen in de business case die uiteindelijk werd gedeeld met de raad van commissarissen en de aandeelhouder. De betrokken zakenbank heeft wel gewezen op het risico van het Duitse reguleringskader. Toch heeft men dit ter zijde gelegd. Deze leden vragen welke zakenbank hierbij was betrokken. Het lijkt deze leden onwaarschijnlijk dat de raad van bestuur niet bewust was van de risico’s en zij vragen waarom de raad van bestuur zo gebrand was op de overname. Ook gezien het feit dat er geen sprake was van onzekerheid van levering, zoals de regering aangeeft in de beantwoording van de vragen.

Is de belangrijkste reden tot de overname van BEB, namelijk om leveringszekerheid veilig te stellen, dan nog wel te rechtvaardigen? Naar de mening van deze leden lijkt het erop dat de verkopers Shell en ExxonMobil een zeer goede deal hebben gesloten, is de regering dat met deze leden eens? Stond deze deal op zichzelf of is het mogelijk dat er sprake is geweest van een koppelverkoop?

De Minister van Financiën schrijft voorts dat het besluit tot overname is gebaseerd op ontoereikende informatie. De leden van de PVV-fractie vragen de regering wie verzuimd heeft de juiste informatie door te geven. Was dat de raad van bestuur? Heeft de raad van bestuur alle beschikbare informatie doorgespeeld aan de Minister van Economische Zaken? En heeft de Minister van Economische Zaken alle beschikbare informatie doorgespeeld aan de Minister van Financiën? Beschikte de Minister van Financiën over dezelfde informatie als de Minister van Economische Zaken? En waarom was de regering niet op de hoogte van de waardering van 1.176 miljoen euro op basis van een analyse van vergelijkbare ondernemingen? Wie beschikte wel over deze informatie? En wie had deze informatie aan de regering moeten verstrekken?

De extra afschrijvingen leverden een belastingvoordeel op van 280 miljoen euro. Deelt de regering de mening van de leden van de PVV-fractie dat hieruit geconcludeerd kan worden dat de Nederlandse staat sowieso 280 miljoen euro aan inkomstenderving heeft opgelopen? Deze extra afschrijvingen drukken naar de mening van deze leden op de bedrijfswinst. Is de regering van mening dat dit geen invloed heeft op een efficiënte bedrijfsvoering? Of was het fiscaal of boekhoudkundig aantrekkelijk voor Gasunie om een grote kostenpost te boeken? Kan de regering dit nader toelichten? Staan er wijzigingen op stapel betreffende de tariefberekening? De tarieven worden onder andere beïnvloed door de x-factor, die staat voor de korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering, en de q-factor, die staat voor de kwaliteitsterm die de aanpassing van de tarieven in verband met de geleverde kwaliteit aangeeft. Heeft het uitbreiden van het net geen invloed op de x- en q-factor? Is het niet opvallend dat deze beide factoren al acht jaar een negatieve waarde hebben? Het is dan geen korting, maar een toeslag. Deelt de regering deze stelling?

In 2009 heeft de Duitse toezichthouder voor BEB een individuele doelmatigheidsfactor vastgesteld van slechts 60%, terwijl Gasunie er altijd van was uitgegaan dat deze doelmatigheidsfactor voor BEB aanzienlijk hoger was (tussen 90–100%). BEB heeft in dit verband een afschrijving van 150 miljoen euro geboekt. BEB heeft deze door de Duitse toezichthouder vastgestelde individuele doelmatigheidsfactor aangevochten. In februari 2011 is BEB in het gelijk gesteld. Het terzake in 2009 afgeschreven bedrag van 150 miljoen euro is vervolgens echter niet weer bijgeschreven op het netwerk. Kan de regering aan de leden van de PVV-fractie aangeven waarom deze 150 miljoen euro niet meer is bijgeschreven?

De regering geeft in haar beantwoording aan dat er een gesprek met de Duitse toezichthouder is gevoerd omtrent de toekomstige kaders van de regulering en een analyse is uitgevoerd van mogelijke strategische voordelen en synergie-effecten na de overname. Deze leden vragen de regering wie dat gesprek met de Duitse toezichthouder hebben gevoerd en of daar een verslag van is. Indien daar geen verslag van is, is dat dan niet een vreemde gang van zaken?

Antwoorden op de vragen van de PVV

De zakenbank die Gasunie adviseerde bij de overname was JP Morgan. Hierbij dient aangetekend te worden dat de zakenbank niet verantwoordelijk was voor het onderwerp regulering en hier inhoudelijk dan ook geen bemoeienis mee had.

Voor beantwoording van de vraag, waarom de raad van bestuur (rvb) zo gebrand was op de overname, gelden vooral strategische redenen. De overname paste goed in de gasrotondestrategie om zoveel mogelijk gas door en naar Nederland te laten stromen. Toegang tot meer aanvoerstromen, in dit geval uit Noorwegen en Rusland, zou de leveringszekerheid van gas vergroten en zou tot een meer liquide gasmarkt leiden met druk op de gasprijzen. Mede met het oog op het uitgeput raken van het Slochterenveld was en is deze strategie een publiek belang. Eigendom van aanvoerleidingen geeft invloed op de loop van de gastromen. Gasunie wilde graag een rol in de Noordwest Europese gasmarkt spelen en dat paste in het kabinetsbeleid. De hoogte van het bod werd grotendeels onderbouwd door een waardering op basis van een reguleringsscenario dat de rvb destijds het meest waarschijnlijk achtte. Het bod bevatte een relatief beperkte strategische premie, gebaseerd op verwachte synergie-effecten.

De vraag of de verkopende aandeelhouders van BEB een goede deal hebben gesloten is niet aan mij om te beantwoorden. Het externe onderzoek geeft aan dat de verkopers van BEB mogelijk een eenzijdig en rooskleurig beeld hebben verstrekt. Over de juridische aspecten hiervan heb ik de Tweede Kamer vertrouwelijk geïnformeerd5. In verband met de bescherming van de (proces)positie en de financiële belangen van de staat kan ik daar niet over uitweiden. Wat de leden van de fractie van de PVV bedoelen met koppelverkoop is mij niet bekend. Het ministerie heeft de transactie destijds als geheel op zichzelf staand beoordeeld.

Terecht stellen de leden van de fractie van de PVV vragen bij de rol van de rvb bij het verstrekken van informatie aan de rvc en aan de aandeelhouder. Niemand kan in de toekomst kijken en de rvb had in principe de vrijheid om de volgens hem niet-realistische scenario’s weg te laten. De rvb komt hier een discretionaire bevoegdheid toe. Vanuit de rvb van Gasunie is desgevraagd aangegeven dat de keuze voor de meer optimistische reguleringsscenario’s en daarmee een waardering van BEB boven in de genoemde bandbreedte was ingegeven door verschillende elkaar versterkende beoordelingscriteria: onder andere de door verkopers ter beschikking gestelde financiële en niet-financiële informatie, de veronderstelde technische efficiëntie van het Duitse BEB-netwerk, lage en daarmee veronderstelde concurrerende tarieven van het BEB-netwerk in vergelijking met andere gasnetwerkbedrijven in Duitsland, een gesprek met de Duitse toezichthouder omtrent de toekomstige kaders van de regulering en een analyse van mogelijke strategische voordelen en synergie-effecten na de overname. Sindsdien is gebleken dat de aannames die voortvloeiden uit deze informatiebronnen te optimistisch waren. Ik wil wel aantekenen dat er geen enkele aanwijzing is dat een lid van de rvb persoonlijk belang had bij het weglaten van een scenario of bij een bepaalde uitkomst.

Uiteindelijk gaat het erom dat de aandeelhouder alle relevante informatie ontvangt en dat de rvb verantwoordelijk is voor de selectie daarvan. Overigens is het aandeelhouderschap van deelnemingen geconcentreerd bij het Ministerie van Financiën volgens het destijds al geldende deelnemingenbeleid, met uitzondering van zogenoemde beleidsdeelnemingen. De informatiewisseling over de BEB-transactie heeft daarom alleen met het Ministerie van Financiën plaatsgevonden. Dit ministerie heeft het Ministerie van Economische Zaken als beleidsverantwoordelijke voor het energiebeleid geconsulteerd over de vraag of de overname paste binnen de door de Minister van Economische Zaken geformuleerde beleidskaders. Die afstemming heeft plaatsgevonden.

De potentiële waardering op basis van vergelijkbare ondernemingen van € 1.176 miljoen was niet bekend bij de regering. De analyse dateert van voor de transactie, waardoor relevante informatie over BEB nog niet beschikbaar was en dus niet is meegenomen bij de waardering. De informatie was afkomstig uit een document dat de betrokken partij, op eigen initiatief, gemaakt had met als doel om ingehuurd te worden als zakenbank voor de transactie. Gasunie heeft uiteindelijk een andere zakenbank aangesteld als adviseur.

De door de leden van de fractie van de PVV genoemde € 280 miljoen euro aan extra afschrijvingen leveren een tijdelijk belastingvoordeel op. De belastingeffecten zijn gekoppeld aan de activawaarde. Indien er geen extra afschrijvingen waren geweest was dit voordeel ook opgetreden, alleen in een gematigder tempo, namelijk direct gekoppeld aan de reguliere afschrijvingen. Door de extra afschrijvingen zijn deze belastingvoordelen eerder opgetreden in de tijd. Er is dus sprake van een verschuiving van het belastingvoordeel in de tijd. Volgens de voor alle ondernemingen geldende regels gaat het daarbij hoogstens om een vermindering met het tarief van de vennootschapsbelasting over het genoemde bedrag.

De extra afschrijvingen staan los van de efficiënte bedrijfsvoering en zijn hoofdzakelijk het gevolg van de IFRS boekhoudregels. Op hoofdlijnen geldt dat onder de IFRS boekhoudregels een extra afschrijving moet worden gedaan als de netto contante waarde van de verwachte toekomstige cash flows lager is dan de boekwaarde. Het eventueel aantrekkelijk zijn van een extra afschrijving heeft geen enkele rol gespeeld en, sterker nog, mag ook geen rol spelen. De afschrijvingen zijn gedaan in goed overleg met de externe accountant van Gasunie.

Voor Gasunie Deutschland (GUD) staat het huidige reguleringsmodel vast tot en met 2017. Voor Gasunie Transport Services (GTS) loopt het huidige methodebesluit tot en met 2013. Onlangs heeft de ACM het methodebesluit voor de periode 2014–2016 gepubliceerd. Een negatieve x-factor zou inderdaad betekenen dat het efficiënte kostenniveau aan het eind van de reguleringsperiode hoger wordt vastgesteld. De x-factor is echter al jarenlang positief. Dit is niet opvallend; de methode van regulering zorgt ervoor dat aan het begin van de reguleringsperiode bepaald wordt wat de efficiënte kosten behoren te zijn aan het einde van de reguleringsperiode (eindkosten). Door deze eindkosten te vergelijken met de kosten aan het begin van de reguleringsperiode wordt de x-factor vastgesteld. Vaak vloeit hieruit een positieve x-factor voort omdat het gereguleerde bedrijf zich vrijwel nooit op het efficiënte kostenniveau bevindt; zo zal altijd de (geschatte) generieke door bedrijven te behalen jaarlijkse productiviteitsverbetering ertoe leiden dat het bedrijf efficiënter moet werken.

De leden van de fractie van de PVV vragen naar een afschrijving van € 150 miljoen op het Duitse netwerk in 2009. De genoemde € 150 miljoen euro is later niet meer bijgeschreven omdat voor de publicatie van het jaarverslag 2011 duidelijk is geworden dat het verwachte reguleringsmodel aanzienlijk verslechterd was (met name wat betreft de vooruitzichten voor de zogeheten yardstick regulering) en er derhalve een nog hogere afschrijving gedaan moest worden6.

Het gesprek met de Duitse toezichthouder, waar de leden van de fractie van de PVV naar vragen, is gevoerd door een lid van de toenmalige rvb. Van het gesprek is door Gasunie een verslag gemaakt, dat door de onderzoekers is ingezien.

GroenLinks

De leden van de GroenLinks-fractie danken de regering voor de beantwoording van de gestelde vragen. De regering antwoordt dat er geen kosten-baten analyse is uitgevoerd met betrekking tot de Gasrotonde, omdat het een strategie betreft en geen project. Deze leden vragen de regering op welke wijze zij vooraf heeft bepaald of deze strategie tot financieel en economisch gunstige resultaten voor Nederland zou leiden. En kan de regering aangeven op welke wijze zij heeft beoordeeld dat de Gasrotonde voor de staatsdeelnemingen Gasunie en EBN tot gunstige resultaten zou leiden?

Het is voor Nederland en de Nederlandse staatsdeelnemingen zeer relevant om vast te stellen waar de gasrotondestrategie en de projecten die binnen deze strategie worden uitgevoerd, momenteel staan in financieel en economisch opzicht. De strategie is gestart in 2005 en loopt tot 2015. De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering om, met het oog op de toekomst, een nadere analyse van winst en verlies van deze strategie en de projecten binnen deze strategie uit te voeren, mogelijk door het CPB. Is de regering bereid deze analyse van winst en verlies uit te laten voeren en de Eerste Kamer daarover te informeren?

Hieronder gaat de Minister van Economische Zaken in op bovengenoemde vragen.

Met betrekking tot de vraag van de leden van de GroenLinks-fractie op welke wijze de regering vooraf heeft bepaald of de (gasrotonde)strategie tot financieel en economische gunstige resultaten voor Nederland zou leiden verwijs ik naar de brief van 13 januari 20117 en het verslag van een schriftelijk overleg8, waarin de toenmalige Minister van Economische Zaken de Tweede Kamer een reactie heeft gegeven op het rapport van onderzoeksbureau The Brattle Group naar de economische effecten van de gasrotondestrategie op de Nederlandse economie. De studie gaf inzicht in het verdienpotentieel van de gasrotonde, de kansen en bedreigingen waarop Nederland moet inspelen om de gasrotonde van Noordwest-Europa te kunnen worden en de bijdrage van de gasrotonde aan de voorzieningszekerheid.

In antwoord op de vraag van de fractie van GroenLinks, op welke wijze de regering heeft beoordeeld dat de Gasrotonde voor de staatsdeelnemingen Gasunie en EBN tot gunstige resultaten zou leiden, dient het volgende. Er heeft – behoudens het statutair goedkeuringsrecht van de staat op alle investeringen van Gasunie en EBN boven een bepaalde drempel – geen beoordeling plaatsgevonden door de staat dat de Gasrotonde voor de staatsdeelnemingen Gasunie en EBN tot gunstige resultaten leidt. Uitgangspunt voor de staat is dat de marktpartijen, waaronder staatsdeelnemingen9, op basis van hun eigen overwegingen investeren in de gasrotonde. Het gaat immers om investeringen (behoudens de wettelijke taken van de staatsdeelnemingen, zie hierna) die een eigen commerciële en economische onderbouwing dienen te kennen. Een voorbeeld hiervan is de al eerder genoemde investering van TAQA Energy B.V. die – samen met EBN B.V. – in de gasopslag Bergermeer10 investeert.

De overheid zorgt voor de randvoorwaarden waarbinnen marktpartijen hun afweging maken. Voorbeelden daarvan zijn geharmoniseerde regulering zodat gas makkelijk over de grens kan worden verhandeld, een goed werkende gasmarkt met een goed werkende virtuele handelsplaats (TTF) en de Rijks Coördinatie Regeling.

Ten aanzien van de wettelijke taken van Gasunie Transport Services (GTS) geldt dat zij de taak heeft om zijn gastransportnet te onderhouden en te ontwikkelen op een wijze die de veiligheid, doelmatigheid en betrouwbaarheid van dat gastransport waarborgt en het milieu ontziet. Die wettelijke taken staan los van de gasrotondestrategie, alhoewel zij daaraan natuurlijk wel bijdragen. Datzelfde geldt voor de wettelijke taken van EBN die vooral gelegen zijn in het risicodragend deelnemen in opsporings- en winningsactiviteiten onshore en offshore.

Ten aanzien van de vraag van de leden van GroenLinks welke projecten er thans binnen de gasrotondestrategie door de staatsdeelnemingen worden uitgevoerd verwijs ik naar onderstaande tabellen. Zoals eerder al aangegeven11 kent de Gasrotonde geen gedefinieerd einddoel en derhalve is er ook geen tijdstip waarop de Gasrotonde gereed moet zijn. Derhalve is niet duidelijk waar het jaartal 2015 in de vraag naar verwijst.

Gasunie – Niet-wettelijke activiteiten. Alle onderstaande projecten zijn binnenkort operationeel.

Periode

Project

Gasunie/GTS deelname totaal (in miljard €)

2010–2014

3e Open Season1. Duitse deel2.

 

2014

Uitbreiding Zuidwending3.

0,94

2010–2013

NEL – leiding5

 
X Noot
1

Marktpartijen moeten met vaste regelmaat kunnen inschrijven op uitbreiding van de transportcapaciteit. GTS wordt daarom verplicht tenminste elke twee jaar een open inschrijving («open season») te organiseren voor uitbreiding van transportcapaciteit. Deze open seasons dienen voor grensoverschrijdende aangelegenheden te worden afgestemd met de relevante netbeheerder(s) in het buitenland.

X Noot
2

Het betreft onder andere een verbinding met Denemarken (Ellund)

X Noot
3

Gasopslaginstallatie in het noorden van het land (vijfde caverne)

X Noot
4

Investeringsinformatie anders dan uit jaarverslagen/persberichten zijn – wegens bedrijfsvertrouwelijkheid – niet openbaar.

X Noot
5

Een gaspijpleiding van Greifswald naar Rehden. Deze pijp verbindt Nordstream pijpleiding met het Noord Duitse gasnet. Naar verwachting wordt de NEL leiding per november 2013 operationeel.

EBN – niet wettelijke activiteiten.

Periode

Project

EBN deelname (in miljoen €)

2010–2014

Gasopslag Bergermeer1

326

X Noot
1

Gasopslaginstallatie Bergermeer. Partners EBN en TAQA Energy.

Ten slotte vragen de leden van de GroenLinks-fractie de regering om, met het oog op de toekomst, een nadere analyse van winst en verlies van deze strategie en de binnen deze strategie nog uit te voeren projecten, mogelijk door het CPB. Aangezien het hier geen project betreft maar een strategie is het niet mogelijk om een kosten-batenanalyse of een winst of verlies berekening uit te laten voeren. Noch bij de investeringen in het vrije domein, noch bij de investeringen in het publieke domein kan immers exact worden vastgesteld wat het effect is van de strategie en wat het effect is van andere marktontwikkelingen. Denk bijvoorbeeld aan de schaliegasrevolutie in de Verenigde Staten van Amerika, de «Energiewende» in Duitsland, wisselende panelen in de bronnen van energie (bv. groen gas) en de verdere integratie van de Noordwest-Europese energiemarkt. Kortom; een gasstrategie die zich voortdurend moet aanpassen aan de vigerende marktomstandigheden en -verwachtingen. Gelet op het vorenstaande zie ik geen aanleiding om een nadere analyse van winst of verlies van de gasrotondestrategie en de projecten binnen deze strategie uit te voeren.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Kneppers-Heijnert (VVD) (voorzitter), Terpstra (CDA), Sylvester (PvdA), Essers (CDA) Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Elzinga (SP), Huijbregts-Schiedon (VVD), Koffeman (PvdD), Reuten (SP), Schaap (VVD), Flierman (CDA), Hoekstra (CDA), Van Boxtel (D66), Backer (D66), Vos (GL), De Lange (OSF), Schrijver (PvdA), Postema (PvdA), Vlietstra (PvdA) (vice-voorzitter), Van Strien (PVV), Faber-van de Klashorst (PVV), Ester (CU), Bröcker (VVD), Beckers (VVD), Van Beek (PVV), Gerkens (SP), Koning (PvdA)

X Noot
2

Kamerstukken I 2012–2013, 33 292, A.

X Noot
3

Kamerstukken I 2012–2013, 33 292, A.

X Noot
4

Kamerstukken I 2012–2013, 33 292, A.

X Noot
5

Kamerstukken II, 2012/13, 28 165, nr. 146, p. 46

X Noot
6

Kamerstukken II, 2012–2013, 28 165, nr. 146, p. 30

X Noot
7

Kamerstukken II, 2010/11, 29 023, nr. 79

X Noot
8

Kamerstukken II, 2010/11, 29 023, nr. 80

X Noot
9

Zie ook Kamerstukken I, 2010/11, 29 023, C; Kamerstukken I, 2011/12, 29 023, E

X Noot
10

Kamerstukken I, 2011/12, 29 023, E, blz. 8

X Noot
11

Kamerstukken I, 2011/12, 29 023, E, blz. 4.

Naar boven