33 118 Omgevingsrecht

Nr. 21 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 16 maart 2016

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft op 21 januari 2016 overleg gevoerd met Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus van Infrastructuur en Milieu over:

  • de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 19 januari 2016 ter aanbieding van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in verband met de herziening van de Beleidslijn kust en enige andere wijzigingen (Kamerstuk 29 383, nr. 252);

  • de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 9 juli 2015 ter aanbieding van het Bestuursakkoord Implementatie Omgevingswet (Kamerstuk 33 118, nr. 19);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu d.d. 7 oktober 2015 inzake de Aanvullingswetten geluid en bodem en integratiewet ammoniak en veehouderij in de Omgevingswet (Kamerstuk 28 663, nr. 64);

  • de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 2 juli 2015 inzake de gevolgen van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over plattelandswoningen en luchtkwaliteit (Kamerstuk 33 078, nr. 12);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu d.d. 29 september 2015 ter toezending van het tussenadvies evaluatie geurregelgeving veehouderij (Kamerstuk 29 383, nr. 244);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu d.d. 27 oktober 2015 inzake de Wet VTH; onderzoeksopzet naar de doeltreffendheid van de regels om een goede kwaliteit van de uitvoering en handhaving te waarborgen (Kamerstuk 33 872, nr. 19);

  • de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 17 november 2015 inzake het Omgevingsloket Online 3 (Kamerstuk 33 872, nr. 20);

  • de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 25 november 2015 inzake het grondbeleid (Kamerstuk 27 581, nr. 53);

  • de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu d.d. 23 november 2015 over de stand van zaken rond de voorgenomen aanpassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (Kamerstuk 33 962, nr. 182).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Van Dekken

De waarnemend griffier van de commissie, Tijdink

Voorzitter: Houwers

Griffier: Jansma

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Houwers, Koşer Kaya, Madlener, Ronnes, Smaling, Van Tongeren, Veldman, Albert de Vries en Wassenberg,

en Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus van Infrastructuur en Milieu.

Aanvang 15.01 uur.

De voorzitter: Ik heet de Minister en de ondersteunende ambtelijke delegatie, de belangstellenden in de zaal, degenen die dit overleg via internet of tv op afstand volgen en de leden welkom. De Minister wil voorafgaand aan het overleg een opmerking maken waar ik haar de ruimte voor geef. Ik wil afspreken om per fractie een spreektijd van vijf minuten en twee interrupties op elkaar te hanteren. Naarmate de leden die interrupties beperken, hebben zij meer ruimte in een tweede termijn.

De heer Ronnes (CDA): Mag ik de commissie vragen of een spreektijd van zes minuten mogelijk is? Er staan nogal wat onderwerpen op de agenda.

De voorzitter: U mag dat zeker vragen en we kunnen dat ook doen, maar de eindtijd blijft 18.00 uur. Daar moet u wel rekening mee houden. De tweede termijn wordt dan gewoon korter. Wellicht dat de leden zich in de interrupties kunnen beperken. Ik zal proberen om hen daarbij to the point te houden.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik vind het altijd heel onbevredigend als we de tweede termijn niet kunnen afronden. Als we allemaal heel veel voorleestijd hebben en geen interrupties, is er geen debat. Ik heb liever ruimte voor het bevragen van elkaar en zeker ook van de Minister.

De voorzitter: Ik kijk even naar de leden. Ik krijg de indruk dat het de voorkeur heeft om het te houden bij die vijf minuten. Mijnheer Ronnes moet dan maar snel spreken of de tekst iets indikken. Ik geef het woord aan de Minister voor een nadere toelichting of vooropmerking.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter, ik maak nu vooral een procedurele opmerking, want straks volgen de inhoudelijke discussies. Tot gisteren stonden voor dit AO Omgevingswet vooral grondbeleid en aanpalende wetten op de agenda. Vanaf gisteren is daar ook de Beleidslijn kust bij gekomen. Aangezien die beleidslijn zowel inhoudelijk als procedureel tot veel verwarring heeft geleid, schets ik nog even hoe die in elkaar zit. Het gaat om een voorhangprocedure. Dat betekent dat de Kamer er iets over kan zeggen voordat de beleidslijn wordt vastgesteld. De beleidslijn bestaat uit veel meer dan de discussie over bebouwing aan de kust. Er staan ook voorstellen in voor de verdere uitwerking van het Deltaprogramma 2015, de Planologische Kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier en onderdelen met betrekking tot het Nationaal Waterplan. Natuurlijk heb ik de enorme discussie en de maatschappelijke onrust gevolgd. Ik schrijf in mijn brief al dat ik geen onomkeerbare stappen zal nemen, maar het lijkt me belangrijk om ook hier helder te zeggen dat ik niet aan het bouwverbod zal tornen. De inspraak gaat om meer dingen dan dit geïsoleerde element. We zullen er straks ongetwijfeld inhoudelijk lang over spreken, maar ik vond het belangrijk om dit vooraf in de richting van de commissie aan te geven.

De voorzitter: Dank u wel voor de toelichting. Ik heb een procedureel punt, waar we in de regel soepel mee omgaan, maar dat ik toch aan de orde wil stellen. Het lid Koşer Kaya is formeel geen lid van deze commissie, maar omdat zij mevrouw Hachchi vervangt, wil zij hier graag spreken. Ik neem aan dat hier geen bezwaar tegen is.

De heer Albert de Vries (PvdA): Voorzitter. De Partij van de Arbeid wil in dit algemeen overleg vooral focussen op het grondbeleid, maar eerst moet ons het volgende van het hart. Wij waren compleet verrast door het onaangekondigde bericht van voor het kerstreces dat alle nationale regels voor de bescherming van de Nederlandse kuststreek worden afgeschaft. Ik kan er kort over zijn: de Partij van de Arbeid vindt onze kust van nationaal belang. Aangescherpte of afgezwakte regels horen thuis in de Nationale Omgevingsvisie. De PvdA wil de deur zelfs niet op een kier openzetten voor projectontwikkelaars in duinen en op stranden. Kortom, wij willen dat de Minister haar voorstel voor zover dat betrekking heeft op de kust terugneemt. Wij hebben uit de pers begrepen dat zij dat niet van plan is en daarom vraag ik alvast een VAO aan om een uitspraak van de Kamer te vragen.

De voorzitter: Dat staat genoteerd.

De heer Madlener (PVV): Het doet mij op zich deugd dat de PvdA zegt onze kust te willen beschermen, maar tegelijkertijd is de PvdA de partij die langs de kust, op een heel zichtbare plek, allemaal windmolens wil bouwen. Kan de PvdA uitleggen waarom zij aan de ene kant de kust wil beschermen en aan de andere kant de kust wil volbouwen met al die windmolens, waardoor ons gevoel van vrijheid aan de kust verpest wordt?

De heer Albert de Vries (PvdA): We voeren deze discussie in elk algemeen overleg met de heer Madlener; dus daar gaan we nog een keer. We vinden de energietransitie van wezenlijke betekenis. Natuurlijk vinden we het belangrijk dat windmolens op een zorgvuldige manier worden geplaatst. Daar is nog steeds discussie over, ook met betrekking tot windmolens op zee. We vinden dat het plaatsen van windmolens met inspraak en zorgvuldigheid moet gebeuren. Dat het moet gebeuren, staat voor ons vast. We vinden windmolens die op een behoorlijke afstand van de kust komen, een aanmerkelijk minder ingrijpend gegeven dan bouwen in de duinen of, zelfs nog erger, op stranden. Ik snap niet dat de heer Madlener deze twee dingen met elkaar vergelijkt, want ze staan echt los van elkaar.

De heer Madlener (PVV): Het gaat hierbij om de beleving van de kust. Je loopt over het strand en kijkt over de oneindige zee. Als het aan de Partij van de Arbeid ligt, kijk je tegen allemaal windmolens aan. Er is gigantisch veel protest. Ik denk dat de mensen die hun handtekening hebben gezet, ook niet willen dat er straks windmolens voor de kust staan. Waarom beschermt de Partij van de Arbeid de kust niet echt en stopt zij niet met het op korte afstand van de kust plaatsen van windmolens? De horecaondernemers op het strand in Zandvoort en andere plaatsen in Noord-Holland zijn doodsbang dat mensen wegblijven omdat al die PvdA-windmolens voor de kust staan.

De heer Albert de Vries (PvdA): Het zijn windmolens van een grote meerderheid in de Kamer. Het beleid verdient prioriteit. Nogmaals, het moet zorgvuldig uitgevoerd worden. Het windpark Borssele en het windpark Gemini in het noorden bedreigen de kust helemaal niet. Daarvoor geldt de discussie niet. Die geldt voor de kust van Noord-Holland en Zuid-Holland. Er moet goed gemonitord worden wat de beste plek is. Daar wordt over gesproken en dat moet zorgvuldig gebeuren. Dat ben ik met de heer Madlener eens. We hebben ook voorbeelden. In Egmond staan windmolens voor de kust en die hebben niet aantoonbaar geleid tot minder recreatie, tot waardedaling van panden of tot andere gevolgen, wat de heer Madlener steeds als argument gebruikt. We kunnen er op een zorgvuldige manier uitkomen. Het gaat nu over iets heel anders, namelijk over de bescherming van de duinen en de stranden en die gaat ons zeer aan het hart.

Voorzitter. Nu de wetgeving over de grondpolitiek integraal herijkt wordt, komt er eindelijk een kans om de bakens in het grondbeleid te verzetten. De PvdA is van mening dat het kabinet met de brief van 25 november die kans laat liggen. Het is niet zo dat er geen positieve punten in de brief staan; natuurlijk zijn die er. Het vereenvoudigen van het onteigeningstraject en het mogelijk maken van stedelijke herverkaveling zijn positieve punten. Van onze kant zijn wij bereid om compromissen te sluiten door ons bijvoorbeeld neer te leggen bij het feit dat de Minister geen verplichte deelname in de herverkaveling wil inbouwen. Dit is een ondergeschikt punt in vergelijking met de hoofdpunten van het grondbeleid, die gaan over zelfrealisatie, waardebepaling, onteigening en de vraag wie het recht op planwinst heeft. Volgens de tijdelijke commissie Huizenprijzen zijn de huidige regels voor grondexploitatie en -onteigening mede debet aan de vastgoedcrisis. De verbondenheid van het zelfrealisatiebeginsel aan het eigendomsrecht heeft ertoe geleid dat er spanning is ontstaan tussen mededinging enerzijds en eigendomsrecht anderzijds. De verwevenheid van de bouw- en grondmarkt heeft de concurrentie in gebiedsontwikkeling verminderd, zegt de commissie.

De Kamer heeft met het aannemen van de motie-Paulus Jansen/Koolmees/Monasch verzocht om de effecten van zelfrealisatie grondig te onderzoeken. Het kabinet heeft deze motie niet uitgevoerd. Minister Blok schoof de bal door naar Minister Schultz en die heeft niets laten onderzoeken of afwegen. De Partij van de Arbeid vindt dit onbegrijpelijk. We doen alles om herhaling van de vastgoedcrisis te voorkomen, maar bij het grondbeleid laat het kabinet het liggen. De Partij van de Arbeid wil dat in de nieuwe grondexploitatiewet de prikkel wordt weggenomen om warme grond of strategisch gelegen panden te verwerven om daarmee het recht op projectontwikkeling te verkrijgen. Het recht op ontwikkeling, zeker voor majeure projecten, moet naar onze mening via eerlijke mededinging tot stand komen. Verder is het voor een goede gebiedsontwikkeling van belang dat winst en verlies op gebiedsontwikkeling gemakkelijker verevend kunnen worden en dat de schadeloosstelling bij onteigening via duidelijke regels en op redelijke gronden plaatsvindt. Nu wordt het eigendomsrecht veelal op kosten van de belastingbetaler of de koper van een huis overgecompenseerd.

Het zou goed zijn om voor plannen van nationaal belang vaker de gedoogconstructie in te zetten. Die wordt nu wel ingezet voor bijvoorbeeld 380kV-transportleidingen, maar niet voor windturbines. De opbrengst voor de grondeigenaar is bij plaatsing van een windturbine gigantisch en wordt betaald uit subsidies, dus door de belastingbetaler. Als verevening mogelijk wordt, komt er geld vrij voor verliesgevende plannen, vooral in de sfeer van herontwikkeling. Wij vinden het idioot dat binnen de huidige regelgeving speculanten hun zakken kunnen vullen, terwijl de belastingbetaler opdraait voor onrendabele toppen in binnenstedelijke projecten. Wij willen een nieuw grondbeleid waardoor het verwerven van bouwclaims voor projectontwikkelaars niet meer interessant is en de prikkel voor gemeenten om zelf grond te kopen wordt weggenomen. Gemeenten moeten geen ondernemer zijn. Bij gebiedsontwikkeling moeten zij volstaan met hun publieke taken: ervoor zorgen dat maatschappelijk gewenste ontwikkelingen van de grond komen en dat de realisatie van private initiatieven gefaciliteerd wordt. Het grondbeleid moet voorkomen dat er door speculatie met potentiële bouwgrond of met mogelijk te herontwikkelen panden ernstige vertragingen van plannen ontstaan, dat freeridergedrag mogelijk is, waarvan prijsopdrijving het gevolg is.

Uitgangspunt voor het nieuwe grondbeleid moet zijn: een faciliterende overheid, eerlijke mededinging bij het verkrijgen van het recht op ontwikkeling, het voorkomen van staatssteun voor onrendabele plannen en het voorkomen van prijsopdrijving en vertraging in gebiedsontwikkeling. Wij hopen dat het kabinet het nieuwe grondbeleid alsnog langs deze lijnen zal vormgeven. De Partij van de Arbeid is te allen tijde bereid om te zoeken naar compromissen, maar kan niet instemmen met het huidige voorstel.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Net voor het kerstreces werd in de vorm van een persbericht een cadeautje richting de VVD en de projectontwikkelaars gestuurd. Vervolgens werd op 31 december, Oudejaarsdag, weer een persbericht de deur uitgedaan met uitleg van het korte bericht dat de kusten volgebouwd worden. In de Q&A staat niet dat het verbod om te bouwen wordt gehandhaafd, maar dat het verbod dat tot voor kort op bouwen bestond, komt te vervallen. Je bent een rund als je met de duinen stunt, zou ik bijna zeggen, maar dat klinkt zo onaardig. Daarom ben ik een actie gestart om alle natuurliefhebbers, die zich ontzettend veel zorgen maken over de duinen, te vragen om ons foto’s te sturen. Daar hebben ze massaal gehoor aan gegeven, want onze prachtduinen mogen niet volgebouwd worden. Voor die ene strandtent is wel een andere oplossing te vinden dan het verbod van tafel te halen.

Ik heb van al die foto's een prachtig boekje samengesteld dat Prachtduinen heet. Ik wil niet dat deze prachtduinen worden vervuild en vervolgens worden volgebouwd. We moeten heel erg voorzichtig zijn. Ik fiets vaak door de duinen en de ongekende vrijheid die je dan voelt, voel je nergens anders. Ik overhandig dit boekje aan de voorzitter. Als mijn collega’s interesse hebben in dit boekje, heb ik ook een exemplaar voor hen.

De voorzitter: Dank u wel. U overhandigt het boekje wel aan mij, maar volgens mij is het de bedoeling om het door te geleiden naar de Minister en dat doe ik bij dezen.

De heer Madlener (PVV): Ik ben blij dat mevrouw Koşer Kaya van onze duinen kan genieten, maar als zij aan het strand staat, zich 180 graden omdraait en dan de zee opkijkt, kijkt ze straks aan tegen de windmolens van D66. Vindt zij ook dat die niet gebouwd moeten worden, zo dicht aan de kust, zodat we als we op het strand lopen niet alleen van de duinen kunnen genieten, maar ook van een vrij en onbelemmerd uitzicht over de oneindige zee?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): De heer Madlener vergelijkt appels met peren. Het gaat over de productie van duurzame energie en het is evident dat die op een heel nette en zorgvuldige manier uitgevoerd moet worden. Het vervuilen van onze kustlijn door die vol te bouwen, is echt van een andere orde.

De heer Madlener (PVV): Er is nooit sprake geweest van het volbouwen van de kust. Het gaat om een strandtent, zodat we aan het strand een kop koffie kunnen drinken. Gelukkig heeft mevrouw Koşer Kaya daar kennelijk geen bezwaar tegen. Het gevoel van het lopen aan het strand en het onbelemmerd de zee op kunnen kijken, is natuurlijk goud waard. Mevrouw Koşer Kaya maakt kennelijk een onderscheid tussen een horecaondernemer, die zij wel een vervuiling van het strand vindt, en de zogenaamde duurzame windmolen die ze belangrijker vindt dan het uitzicht. Dat is onlogisch. Het is een heel slechte keuze van D66 om de windmolens voor de kust te willen bouwen. Is D66 bereid om de kust echt te beschermen en te stoppen met het bouwen van al die windmolens vlak voor de kust?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik wil dit debat graag met de heer Madlener voeren. Ik heb toevallig vandaag gesproken met iemand die heel veel over de Noordzee weet. Die vertelde dat windmolens heel erg goed zijn voor bijvoorbeeld vissen die eromheen een plek kunnen vinden en kunnen groeien. Ik weet dat de partij van de heer Madlener niet zo van de vissen en een schone zee en oceaan is, maar als we dan toch allerlei vergelijkingen maken, kan ik dat ook. Ik wil niet dat de kuststrook volgebouwd wordt met allerlei strandtenten, hotels en vakantiehuisjes voor mensen die veel geld hebben – al is dat prima –, al moet ik de volgende keer de gehele kust affietsen om dat duidelijk te maken.

Mijn vraag aan de Minister is of het verbod op bouwen aan de kust blijft staan of dat zij haar besluit handhaaft? In de uitzending van Nieuwsuur heeft zij dit niet met zoveel woorden gezegd. Ze heeft zich er bij de start van dit debat iets scherper over uitgelaten, maar ik wil klip-en-klaar horen dat het verbod gehandhaafd wordt. Ik stel even geen andere vragen, omdat ik eerst dit antwoord wil hebben.

In de uitzending van Nieuwsuur liet de Minister een foto zien van duinen met een harde bescherming van stenen als kering, naast een foto van een bredere natuurlijke duinvariant met helmgras en een permanente strandtent. Dit is een valse vergelijking. De wijziging in de manier van bescherming heeft niets te maken met het laten vervallen van het bouwverbod. Als de Minister het mooier wil maken, ben ik haar vrouw en dan gaan wij aan de slag, maar gebruik dit niet om het bouwverbod eruit te halen.

Tot slot heb ik nog een opmerking. De motie-Paulus Jansen c.s., met als mede-indieners de leden Koolmees en Monasch, over de effecten op zelfrealisatie is aangenomen en hoort uitgevoerd te worden. Er moet wel een heel bijzondere reden zijn om dit niet te doen. Wat is die bijzondere reden? Als de Minister die niet heeft, hoort deze motie gewoon uitgevoerd te worden.

De heer Smaling (SP): De kust speelt ons allemaal parten, maar er ligt een heel pakket aan brieven over grondbeleid, stedelijke herverkaveling, de ladder, geluid en bodem. Is dat allemaal van geen belang voor D66?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb een debat aangevraagd over de duinen. De commissie heeft besloten om die andere zaken ook bij dit onderwerp te behandelen. Natuurlijk zijn die andere onderwerpen ook belangrijk, maar D66 wil een heel duidelijk signaal geven dat je van de duinen af moet blijven. Natuurlijk had mijn collega Stientje van Veldhoven hier aanwezig willen zijn, maar in dit geval hebben wij ervoor gekozen dat ik aanwezig ben. Een volgende keer komen we over de andere onderwerpen te spreken. Daarvan kan de heer Smaling verzekerd zijn.

De heer Smaling (SP): Met alle respect, want die kust vind ik ook belangrijk, maar vindt mevrouw Koşer Kaya niet dat zij een soort theaterstuk opvoert, terwijl het ministerie moeite heeft gedaan om tempo te maken met al die zaken die bij de Omgevingswet spelen? Mevrouw Koşer Kaya heeft daar werkelijk geen zinnige opmerking over gemaakt. Zijn die zaken in vergelijking met die kusthysterie dermate onbelangrijk dat zij daarvan afziet? Mij verbaast dit echt.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Als het hysterie was, hadden er niet zo veel mensen massaal gereageerd op een onduidelijk persbericht en een tweede, nog onduidelijker bericht. Dit staat nog los van het feit dat de Kamer het eerst had moet vernemen en niet de rest van de wereld. Al die mensen hebben terecht gereageerd. Het boekje met foto's dat ik net aan de collega's heb gegeven, laat wel zien dat het geen hysterie betreft, maar een grote zorg die bij mensen leeft. Die zorg moeten we vandaag wegnemen. Als die zorg onterecht is, kan de Minister dat vandaag aangeven. Zij geeft zelf aan dat zij behoorlijk geschrokken is. Bij mij komt dan de vraag op hoe het kan dat de Minister op zo'n manier over zo'n belangrijk natuurgebied als onze kust communiceert? Dat is niet echt goed gelukt. Dat wilde ik hier komen vertellen.

De heer Wassenberg (PvdD): Voorzitter. De Minister is van plan om het bouwverbod op de kuststrook los te laten. De Partij voor de Dieren zegt daarop, en ik citeer Wim de Bie op Twitter: «Laat de kust met rust.» De Nederlandse kust is van heel grote ecologische waarde. De Minister ziet helaas alleen de economische waarde. Zij noemt namelijk economische activiteit als expliciete motivatie om meer bebouwing toe te staan in het kustgebied. In antwoord op vragen van collega Smaling schrijft zij dat de reden voor opheffing van het bouwverbod ligt in het economisch sterker maken van de kustgebieden. Het gaat er dus om om meer economische activiteiten mogelijk te maken. Ecologie en natuur worden dan opgeofferd voor economie. Anders gezegd: de Minister wil de economie beschermen tegen de natuur.

De Partij voor de Dieren deelt die visie niet. De Nederlandse kust is uniek. Het Nederlandse duinlandschap is een van de gaafste en meest uitgestrekte van Noordwest-Europa. Het gevarieerde landschap van toppen en dalen, droge en natte plekken, gecombineerd met de wisselende voedsel- en kalkrijkdom in de bodem, maakt dat de variatie van planten en dieren heel erg groot is. De Partij voor de Dieren wil die waarden beschermen en is om die reden tegen de versoepeling van de bouwregels. De Minister spreekt over voldoende bescherming via het Natura 2000-beschermingsregime. Dat beschermt echter alleen bepaalde dieren en planten. Waarden als stilte, duisternis, landschappelijke kwaliteit en weidsheid worden niet beschermd door Natura 2000. Dat zou wel moeten gebeuren.

De plannen van de Minister raken niet alleen de natuur. Ook de veiligheid komt in het gedrang. In antwoord op Kamervragen gesteld door de PvdA antwoordt de Minister: «Uit de Nationale Visie Kust (2013, Deltaprogramma) is gebleken dat het kustsysteem op orde en toekomstbestendig is.» Dat is heel mooi, zou je zeggen. Laten we dat in ieder geval zo houden. De reactie van de Minister is echter: als de kust veilig en toekomstbestendig is, kan het wel een tandje minder. Letterlijk schrijft ze in haar antwoord dat er vanuit waterveiligheid minder stringente eisen gesteld kunnen worden. Het moet natuurlijk niet zo zijn dat veiligheid en natuur economische ontwikkeling in de weg staan. Met dit besluit wil de Minister de economie dus niet alleen beschermen tegen de natuur, maar ook tegen de waterveiligheid. Het opheffen van het bouwverbod tast niet alleen het landschap aan, het draagt dus ook niet bij aan de bescherming tegen het water.

Ten slotte bestaat het gevaar dat bebouwing de kwaliteit van het drinkwater in gevaar brengt. Daarover trekt de Stuurgroep Bronnen & Kwaliteit aan de bel. De drinkwatervoorziening is van nationaal belang. Met het voorgenomen besluit krijgen de duingebieden, die belangrijk zijn voor de waterzuivering voor miljoenen Nederlanders, geen nationale bescherming. Als het aan de Minister ligt, is de drinkwatervoorziening straks niet meer dan een van de belangen die moeten worden afgewogen bij de beoordeling van bouwplannen.

De Partij voor de Dieren is tegen het opheffen van het bouwverbod in kustgebieden. Vanuit het oogpunt van de natuur, het landschap, de drinkwatervoorziening en de bescherming tegen het water is het loslaten van het bouwverbod een slecht plan. Dat wij niet alleen in onze bezwaren staan, blijkt uit het feit dat in enkele weken tijd de petitie Bescherm de kust door meer dan 100.000 mensen is ondertekend.

De heer Ronnes (CDA): Voorzitter. Het CDA vindt de kustlijn en de duinen erg waardevol. Het gebied biedt niet alleen ruimte voor de natuur en voor recreatie, maar is ook waardevol, omdat het zorgt voor onze waterveiligheid. Wat ons betreft geen vrijbrief voor de aantasting van het Nederlands duinengebied. We hebben ons afgevraagd of de voorgestelde verschuiving van regels een bedreiging is of juist wenselijk is. Daarbij komen de volgende zaken naar voren. Het CDA acht de provincies en gemeenten in beginsel goed in staat om de ruimtelijke kwaliteit van de kust te borgen en de aanwezige natuur en het landschap te beschermen door aanvullende voorwaarden te stellen aan nieuwe initiatieven aan de kust. Het betreft in feite een klein gebied en het gaat alleen over de bouwplannen buiten de ehs (ecologische hoofdstructuur), Natura 2000-gebieden en de bebouwde kom. Wat ons betreft zijn het geen Belgische toestanden. Als bouwen bijdraagt aan de bescherming tegen het water is het bespreekbaar. De parkeergarage in de duinen in Katwijk is daarvan een goed voorbeeld

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Zegt het CDA dat er een absoluut bouwverbod moet zijn in Natura 2000-gebieden en de ecologische hoofdstructuur?

De heer Ronnes (CDA): Het CDA is op zoek naar een werkbare regelgeving vanuit de wetgeving. Ook het CDA is voorstander van het behoud van het aanzien van de duinen. Er is echter op enkele punten behoefte om ontwikkelingen mogelijk te maken. Uit de enquête van de ANWB blijkt dat 57%, bijna 60%, meer ruimte voor strandpaviljoens wil. Het CDA wil niet dat de gehele kust vol paviljoens staat, maar we moeten de regelgeving kunnen gebruiken om wat we willen mogelijk te maken. Ik heb bij de petitieaanbieding met de vertegenwoordiging van de natuurverenigingen gesproken en die zegt dat zij best bereid is om naar een goed evenwicht te kijken; waar kun je de natuur zijn gang laten gaan en waar wordt een stukje economie opgestart ten faveure van de natuur. Daarbij zijn win-winsituaties te behalen.

De voorzitter: Ik geloof dat het antwoord een ja of nee kan zijn. U gaf een uitgebreid antwoord en ik vraag u om de antwoorden in te perken.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik heb geen antwoord gehad op de vraag of er van het CDA wel of niet gebouwd mag worden in Natura 2000-gebieden of de ehs. Ik interpreteer het antwoord zo dat er van het CDA onder voorwaarden best gebouwd mag worden.

De heer Ronnes (CDA): Mevrouw Van Tongeren had het in haar vraag niet specifiek over Natura 2000-gebieden. Met die gebieden moet je voorzichtig omgaan. De geschiedenis leert dat op heel weinig plekken in Natura 2000-gebieden bouwmogelijkheden tot stand zijn gekomen. Het kan theoretisch wel, maar het gebeurt heel weinig. Misschien is dat een punt waar in het verdere verloop – ik heb begrepen dat de Minister gesprekken gaat voeren met bijvoorbeeld de natuurorganisaties – een aanscherping kan komen waardoor de situatie ontstaat dat er voldoende bescherming is en dat we het aanzien, de waarde waarvoor een breed draagvlak is en waar we voor staan, overeind houden.

De heer Albert de Vries (PvdA): De voorzichtigheid die de heer Ronnes bepleit, is het best gediend bij nationale bescherming. Ik kom uit Zeeland. Hij moet eens weten wat er onder het huidige regime allemaal speelt. Ik noem het heel snel op: bouwen in de duinen van Cadzand, een enorm recreatiepark in het Nollebos van Vlissingen, een ecohotel op de Punt, het bouwen van een toren van 150 meter hoog op de Veerse Dam, permanente strandhuisjes op het Sophiastrand van Kamperland. Is dat de toekomst die wij willen? Ik denk het niet. Er is nationale bescherming nodig. Ik vrees dat er dan ook nog wel eens een dingetje misgaat, maar dan hebben we in ieder geval van bovenaf enige sturingsmogelijkheid. Daar gaat het om. Ik deel de wens van de heer Ronnes tot voorzichtigheid, maar is hij het niet met mij eens dat die voorzichtigheid het best gediend is met nationale bescherming?

De heer Ronnes (CDA): We moeten oppassen dat we niet doorslaan en grijpen naar het meest extreme middel, waardoor we sommige kansen onbenut laten. De heer De Vries noemt een aantal voorbeelden waarvan we allemaal terecht zeggen dat we die niet willen. Het is de vraag of we het beoogde doel behalen als we resoluut nee zeggen. Daarom heb ik een aantal vragen voor de Minister. Ik hoop dat we in het debat tot een lijn komen waarop we elkaar kunnen vinden.

De heer Albert de Vries (PvdA): De heer Ronnes wil vragen stellen aan de Minister, maar de Minister wil buiten beeld blijven en de provincies en gemeenten laten beslissen. De heer Ronnes heeft niks aan vragen aan de Minister als hij instemt met dit plan. Vindt hij het echt wenselijk dat er permanente huisjes op het strand staan, dat prachtige landschap waarvan wij allemaal willen genieten en wat van ons allemaal is? Willen wij dat naar de ratsmodee helpen? De heer Ronnes wil de Minister aanspreken. Daar ben ik blij om, maar houd de kust zoals die is.

De heer Ronnes (CDA): Permanente bewoning willen we absoluut niet. Ik heb begrepen dat de Minister heeft toegezegd dat zij met een aantal partijen gaat spreken. Ik geef haar graag de gelegenheid om te komen met een oplossing die een breed draagvlak kent. Mij is niet gebleken dat de situatie in beton gegoten is. Die is in de toekomst nog best voor discussie vatbaar.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Op dit moment kan er al heel erg veel. Wat niet kan, is mij niet duidelijk, behalve dan dat je geen strandtent kunt openen, maar dat kun je op een gemakkelijkere manier oplossen. De vraag is of je het verbod op bouwen moet loslaten. Daar moet het CDA klip-en-klaar een antwoord op geven.

De heer Ronnes (CDA): Mevrouw Koşer Kaya zal dadelijk horen dat ik dezelfde vragen voor de Minister heb als zij. Ik wil graag de mogelijkheid hebben om met de Minister te debatteren. Ik wil nu geen stelling innemen waarvan ik dadelijk misschien moet zeggen dat die net te ver ging, omdat die kan leiden tot een verenging waardoor zaken die we wel willen, ook niet kunnen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Zoals gewoonlijk zit het CDA in de twijfelfase. Ik geef de heer Ronnes alle ruimte om de vragen te stellen, maar de bottomline is of het verbod uit het besluit gaat of niet. Wat D66 betreft, blijft het verbod gehandhaafd.

De heer Ronnes (CDA): We hebben de volgende vragen aan de Minister. Onder het huidige beleid is het al mogelijk om een groot aantal strandpaviljoens het jaar rond open te houden. Kunnen permanente huisjes nu ook al gerealiseerd worden? Zo ja, wat is er dan nieuw aan de nieuwe regelgeving?

Biedt de Natuurbeschermingswet voldoende bescherming? Grote delen van het duin zijn Natura 2000-gebieden en vallen onder de Natuurwet. Is dit voldoende om de bescherming te kunnen uitvoeren? Zijn provincies voldoende uitgerust om het beleid dat we voor ogen hebben te kunnen uitvoeren? Is het juist dat natuurorganisaties hebben meegepraat over de beleidsvisie op de kust, maar dat het opheffen van het bouwverbod geen onderdeel van deze gesprekken is geweest, laat staan dat zij daarmee hebben ingestemd? In hoeverre biedt het gesprek dat de Minister op 15 februari met de natuurorganisaties heeft ruimte om een bijstelling van het besluit te bewerkstelligen? Hoe wordt het veiligheidsaspect bij permanente strandhuisjes gewogen? Is dat op dezelfde manier als bij het buitendijks bouwen in de uiterwaarden?

Recente uitspraken van de Raad van State over plattelandswoningen wijzen er helaas op dat het aspect van luchtkwaliteit niet opgelost kan worden. Voormalige bedrijfswoningen moeten gewoon getoetst worden aan de luchtkwaliteitsnormen. In de praktijk wordt de Wet plattelandswoning door steeds meer gemeenten terughoudend toegepast. Dat is jammer. Is de Minister voornemens de gemeenten op de voordelen van de wet met betrekking tot leegstand en verrommeling van het platteland te wijzen? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de reparatie of aanpassing van de wet?

Een ander punt betreft de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) en het ICT-onderdeel daarvan. Op 14 september 2015 vond het wetgevingsoverleg over de verbetering van de VTH plaats. Toen is afgesproken dat er een onderzoek komt naar de doeltreffendheid van regels die een goede kwaliteit van de uitvoering en handhaving moeten waarborgen. We hebben daarover een brief gekregen van toenmalig Staatssecretaris Mansveld waarin de aanpak en de planning wordt beschreven. VNG en IPO waren daarbij betrokken. Waarom worden de uitvoerders van de VTH-taken zoals de Omgevingsdiensten en de veiligheidsregio's er niet bij betrokken? Wij zien graag een visie van de Minister op de wijze waarop met uitvoeringsorganisaties wordt omgegaan. Misschien kan het antwoord niet nu volgen, maar later in een brief aangegeven worden?

Wordt ook het ICT-deel van de VTH-taken bij de nieuwe Omgevingswet betrokken? Dat zou logisch zijn, omdat vrijwel alle gegevensuitwisseling digitaal gaat. De Minister meldt dat er sprake is van vertraging van de ICT-infrastructuur, waaronder het Omgevingsloket Online (OLO) 3.0 en het digitaal stelsel Omgevingsrecht, maar ook bij de interactie tussen die systemen. Hoe gaat de Minister om met deze vertraging?

Als de plannen doorgaan, mogen gemeenten, waterschappen, provincies, ministeries straks zelf grond onteigenen. We vinden ook dat de regels voor onteigening van grond eenvoudiger moeten worden, maar of de gekozen route juist is, wordt door ons betwijfeld. Eigendom is een van de meest essentiële waarden van ons rechtssysteem en dermate belangrijk dat er bijzonder veel waarborgen moeten zijn om het eigendom te beveiligen tegen een overheid die dat zomaar afpakt. Het koninklijk besluit, de Kroon, zorgde juist voor die zorgvuldigheid, maar wordt geschrapt. Is dat efficiënter dan de huidige werkwijze? De versimpeling heeft meer weg van een flitsonteigening dan van een zorgvuldig proces. Wij hebben hier onze bedenkingen bij.

Tot slot heb ik een niet onbelangrijke vraag, want er is ooit een kabinet over gevallen. Gaat de Minister uit van de vergoeding van de marktwaarde van het onroerend goed, dus inclusief eventuele verwachtingswaarde, of van de gebruikerswaarde zonder verwachtingswaarde? Doelde de heer De Vries op dit punt toen hij sprak over overcompensatie?

De heer Smaling (SP): Voorzitter. Heel hartelijk dank aan de Minister voor het ontwerpbesluit kustbebouwing. Het heeft een golf van protest doen ontstaan. Ik ben daar heel blij van geworden, want het geeft aan dat de bevolking in groten getale betrokken is bij onze kust. Het is lang geleden dat iets zich voordeed waar mensen zich zo druk over maakten. Mijn advies aan de Minister is simpel: doe het niet en trek dat ding in. Ik geef een aantal redenen waarom ik dat vind.

Projectontwikkelaars staan te trappelen om aan de kust te bouwen. Die gaan voor het snelle geld en dat kun je ze niet eens kwalijk nemen. De Minister zegt dat zij maar een klein beetje bebouwing toestaat, maar we zullen zien dat een volgend kabinet en een volgende Kamer geconfronteerd worden met een situatie waarin grote delen van de kust bebouwd zijn. Het is een sluipend proces: eerst een parkeerplaatsje, dan een paar huisjes erbij, dan een friettent, dan nog een paar huisjes. We moeten het echt niet doen. Cadzand begint al een soort Knokke te worden. De rest van Zeeland moet er niet zo gaan uitzien. Veel strandtenten hebben al een vergunning voor het gehele jaar; dat is dus ook een tegenargument. Een ander tegenargument is dat de duinen van eminent belang zijn voor de drinkwaterwinning, de waterzuivering en de voorraadvorming. De Minister gebruikt Natura 2000 als argument, maar dat houdt geen steek. Natura 2000 is bedoeld om soorten en habitattypen te beschermen. Het gaat erom dat instandhoudingsdoelen van een habitattype overeind worden gehouden. Als je gaat bouwen, leidt dat er alleen maar toe dat je wat vaker met je grasmaaiertje over de duinvegetatie moet rijden om ervoor te zorgen dat die schraal blijft. Die reden telt dus niet.

Ook belangrijk is dat dit alles thuishoort in de Nationale Omgevingsvisie die de Minister nog gaat maken. Als je aankomt met een kustvisie die voornamelijk gaat over waterveiligheid, een Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) die voornamelijk over decentralisatie gaat en een tweede Nationaal Waterplan dat nog behandeld moet worden, zie ik niet waarom dit in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geregeld moet worden. Het allerbelangrijkste is eigenlijk, zoals de Minister zich zal herinneren, dat Maggie MacNeal zong dat ze terug wilde naar de kust. Misschien moet de Minister die liedtekst nog eens bekijken. Zij wilde echt terug naar de kust en niet naar haar appartement aan de kust.

Dank aan de Minister voor alle brieven. Er wordt hard gewerkt. Dat stel ik buitengewoon op prijs. Dit is niet het laatste wat wij lezen over het milieu en grondbeleidszaken. Wat milieuzaken betreft noem ik kort een paar punten. De geluidsproductieplafonds zitten voor een gedeelte al in wat Samen Werken aan de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid (SWUNG) heet. Wat kunnen we verwachten op andere punten, zoals windmolens? Er wordt gezegd dat we de slechtste windmolennormen hebben, waarbij er ook nog sprake is van een saldering. Je kunt in een enorme pokkenherrie zitten, maar dat wordt dan gesaldeerd door de periodes dat er geen wind is. Dat betekent wel dat mensen een groot deel van het jaar overlast hebben. Overschrijdingen, uitzonderingen, worden eigenlijk binnen de normen gehaald. Hebben die overschrijdingen een beperking in ruimte en tijd?

In Kanniewaarzijn, een enig programma, heb ik een casus gezien van een gezin in Bovenkarspel dat zeer gedupeerd werd door onvolkomenheden in de Wet bodembescherming. Gemeente en provincie hadden allebei een rol, maar wezen uiteindelijk naar elkaar en lieten het gezin achter bij de civiele rechter met degene die hun huis had gekocht. Hoe voorkom je dat soort onduidelijkheden in de wet en dat de rollen van de verschillende bestuurlijke lagen zich blijkbaar slecht tot elkaar verhouden?

Mijn fractie vindt de relatie tussen bodem en drinkwater heel belangrijk. Wij zien graag dat bodemnormen en drinkwaternormen zich tot elkaar verhouden. Wil de Minister daar werk van maken? Waar vind je bodemverontreiniging? Er zijn heel veel bodemverontreinigingen die snel gesaneerd moeten worden, maar ze zijn slecht geregistreerd. Kan men die opnemen in een basisregistratie ondergrond, zodat we ze allemaal kunnen vinden? De zorgplicht voor de veiligstelling van drinkwaterbronnen kan niet genoeg benadrukt worden en moet terugkomen in de wetgeving.

Over vergunning, toezicht en handhaving in de Omgevingswet stond eind vorig jaar een aardig artikeltje in Binnenlands Bestuur. «Botsende wetten» heette het. Het ging over het feit dat de Wet VTH mogelijkerwijs slecht is aangesloten op de Omgevingswet, omdat gemeenten al heel erg met hun Omgevingsdiensten aan de slag zijn. Straks moeten ze heel veel Omgevingswetmaterie zelf uitvoeren. Dat gaat ergens schuren. Als de Minister er niet nu op kan reageren, kan zij dan misschien schriftelijk reageren op het artikel van de onvolprezen Saskia Buitelaar?

Met betrekking tot het grondbeleid heb ik gekeken naar mijn motie. Ik ben heel blij dat die is aangenomen, maar we moeten niet vervallen in oude fouten. De Minister begint de brief goed en schrijft dat dit niet mag gebeuren, maar welke punten in de wetgeving onderscheiden zich van de manier waarop het gegaan is? Ik kom ze wel tegen, bijvoorbeeld in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Het is misschien goed als de Minister daar wat over zegt, want het valt formeel onder Binnenlandse Zaken. Welke veranderingen dragen eraan bij dat we straks niet weer in de oude fouten vervallen? Niet in gebruik genomen grond is er ook zo eentje. Over het laten meebewegen van grondprijzen met huizenprijzen zou ik wat meer willen lezen. Constructies voor publiek-private samenwerking (pps) worden in de brief genoemd, maar dat is juist iets waar de accountancy de vinger niet achter krijgt. Moeten we daar niet iets aan doen? In algemene zin moeten er meer checks-and-balances komen. Een actief en een faciliterend grondbeleid zouden naast elkaar kunnen bestaan, maar moet een gemeentelijke rekenkamer dan niet eens in de paar jaar een analyse maken van de manier waarop de gemeente met de grondexploitatie omgaat? Kortom, het doel moet zijn om gemeenten nooit meer in een artikel 12-situatie te brengen en daarover lees ik onvoldoende in de brief.

Tot slot, Fakton heeft de vrijwillige stedelijke herverkaveling geanalyseerd. Wij hebben vragen aan Fakton gesteld. Dat is niet geëigend, maar het zou fijn zijn als de Minister die vragen beantwoordt. Die gaan over de wettelijke transactiekosten bij vrijwillige herverkaveling. Er wordt namelijk een beetje toegewerkt naar conclusies toe.

De voorzitter: U hebt een beetje met de tijd gesmokkeld, maar daar zullen we straks rekening mee houden.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Voorzitter. Een horeca- en recreatieondernemer biedt nu al luxe vier- tot zespersoonsvilla's aan de voet van de duinen aan. De eerste twintig staan er al en de andere komen eraan, zodat men 365 dagen op het strand kan recreëren. Die dingen zijn twee verdiepingen hoog, staan op palen en komen in één lange rij. Collega's hebben voorbeelden gegeven van wat er nu al aan het strand en in de duinen gebouwd wordt. Ik stel nogmaals de vraag aan de Minister: voor welk probleem is het plannetje van december een oplossing? In Nieuwsuur kon de Minister dit niet uitleggen. Zij heeft tijd gehad om het verder uit te denken; wellicht krijgen wij nu een antwoord.

De positieve kant is dat zo'n beetje heel Nederland, van links tot rechts, zich verenigd heeft in een verdediging van onze kust en duinen. Er werd al gememoreerd dat er meer dan 100.000 handtekeningen zijn gezet. Ook organisaties als de ANWB, die normaal gesproken niet radicaal-links is, stellen de vraag of we wel moeten bouwen. Ik waardeer het zeer dat de Minister niet overgaat tot vaststelling van het ontwerpbesluit tot na een debat in de Kamer en na gesprekken met natuur- en milieuorganisaties. GroenLinks vindt echter dat we alleen zandkastelen op de duinen zouden moeten bouwen. Er werd hier wat gezegd over windmolens, maar er worden absoluut geen windmolens in de duinen of op de kust gebouwd. Tenzij de PVV daar plannen voor heeft, maar dat is niet zo voor zover ik weet. Is de Minister bereid de bescherming van de landschappelijke waarde die in Nederland breed gevoeld wordt beter in het ontwerpbesluit te regelen? Of nog beter: is de Minister bereid om het gehele voornemen naar de prullenbak te verwijzen? Is de Minister bereid om het ontwerp in elk geval niet naar de Raad van State te sturen voordat de Kamer erover heeft kunnen debatteren en het overleg met de natuurorganisaties is geweest? Ik heb natuurlijk liever dat zij het niet mogelijk maakt om in de duinen te bouwen, maar als de Minister dit toch wil doen, laat ze dan de zwaarst mogelijke procedure nemen en iedereen de kans geven om de voor- en de nadelen af te wegen. Als je het op enig moment loslaat en het gaat naar provincies en gemeenten, krijg je het nooit meer terug.

De Minister wees op de kaart, die onder andere in Nieuwsuur is gepresenteerd, groene stukken aan waarvan zij zei dat er absoluut niks mee zal gebeuren. Kan de Minister in dit algemeen overleg nogmaals bevestigen dat in de gebieden die zij heeft aangewezen op de kaart, die hier aanwezig is, absoluut geen bouwactiviteit zal plaatsvinden? Of ligt het misschien een stukje genuanceerder?

Wordt dit de nieuwe realiteit als de Omgevingswet in werking treedt? We waren er destijds niet van overtuigd dat de nieuwe wet kwetsbare natuur en milieuwaarden adequate bescherming biedt. Al voor de inwerkingtreding voelt het voor ons als een eerste bevestiging. De wet is er nog niet eens en daar krijgen we het al: aan de kust moet toch veel meer kunnen, er moeten meer strandtenten komen, want we kunnen niet genoeg chocolademelk drinken. De VNG verwacht enorme problemen bij de implementatie van de Omgevingswet. Rechtszekerheid, milieuruimte en woonkwaliteit kunnen niet gewaarborgd worden als tegelijkertijd ruimte moet worden gegeven aan ontwikkelingen en transformaties. De VNG vraagt zich bovendien af of de gemeenten voldoende handvatten hebben op het gebied van gezondheid, integrale benadering en duurzaamheid. Graag krijg ik een reactie van de Minister. Mijn buurman zei het ook al: de beweging rond de controle op het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo) en bedrijven gaat naar de regio en komt bij de gemeente te liggen. Hoe stuur je dat fatsoenlijk aan?

Ook op het platteland dreigt het mis te gaan. Milieudefensie signaleert problemen met de plattelandswoningen en de ontwikkeling van het platteland. Flexibilisering gaat ten koste van normering en het ontbreken van een heldere ondergrens gaat ten koste van volksgezondheid. Denk maar aan de Q-koorts. Ook hierop krijg ik graag een reactie van de Minister. Wonen op het platteland is inmiddels op heel veel plekken allang niet meer idyllisch, maar een kwestie van je neus dichtknijpen als je naast de megastal woont of steeds weer je muren laten herstellen als je in de buurt van een gaswinningsgebied woont.

Het verband tussen bodem en drinkwater werd door mijn buurman helder uitgelegd. Hoe zit het met de combinatie bodem, drinkwater en mijnbouwactiviteiten? In Overijssel is het een actueel probleem. De mijnbouwactiviteiten zorgen voor verontreiniging en de drinkwaterbedrijven trekken aan de bel en zijn bezorgd. Zij willen eigenlijk geen mijnbouwactiviteiten in de omgeving van een drinkwatergebied. Hoe zit het met de aansluiting tussen de Mijnbouwwet en de plannen voor de Omgevingswet?

Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Van Tongeren waarin gevraagd wordt om de omgevingswaarden voor CO2 op te nemen in de concept-AMvB over het Besluit kwaliteit leefomgeving waarover in dit voorjaar de consultatie start? Komen die erin? Het is misschien cryptisch voor de collega's, maar het gaat om de uitspraak van de rechter dat Nederland moet voldoen aan CO2-vermindering. Landschap en omgeving leveren daaraan een grote bijdrage en dat moet wat ons betreft in de AMvB staan. De motie hierover is aangenomen. Legt de Minister die naast zich neer of gaat zij die uitvoeren?

De voorzitter: Tot zover.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Mag ik nog één vraag stellen?

De voorzitter: Een laatste zin.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Is het plan nog steeds om de Natuurwet, waarvan de Minister zegt dat die de duinen beschermt, integraal in de Omgevingswet te schuiven, waardoor je het argument dat de Natuurwet de duinen redt ook kwijt bent?

De voorzitter: Een zin met veel komma's, maar het kon net.

De heer Veldman (VVD): Voorzitter. Normaal gaat het bij een weerbericht over storm aan de kust over bijvoorbeeld windkracht 10, maar nu lijkt het vooral om een storm over de kust te gaan, volgens sommigen met windkracht 12. Als ik goed naar de Minister luister, zei zij net dat zij een breder ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening heeft neergelegd en dat daar een heleboel elementen in zitten. Een van de elementen is de verbodsbepaling voor het bouwen aan de kust. De Minister zegt dat zij dit stuk van het totale besluit wil isoleren waarmee het verbod blijft bestaan. Dat maak ik uit haar woorden op. Ik zie graag dat de Minister bevestigt dat ik dat goed begrijp. Als ik het goed begrijp, is dat voor nu een verstandig besluit. Verstandig omdat het stuk veel bezorgdheid en ongerustheid teweeggebracht heeft en vooral ook veel verwarring. Het is goed om met alle overheden en alle maatschappelijke organisaties die hierbij een rol hebben, in gesprek te gaan over de huidige regels en de manier waarop die werken, en ervoor te zorgen dat bij iedereen duidelijk op het netvlies staat op welke manier onze kust beschermd wordt. We zijn het allemaal met elkaar eens, ook hier aan tafel. Niemand wil dat de Nederlandse kust wordt volgebouwd. Is de Minister bereid om in de gesprekken met al die organisaties en de overheden tot een soort kustpact te komen, zoals we een aantal jaren geleden ook een natuurpact hebben afgesproken? Dan heeft op termijn iedereen helder wat we aan de kust niet willen en niet gaan doen en wat eventueel wel kan.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): De heer Veldman stelt vragen aan de Minister. Vindt de VVD de manier waarop het nu geregeld is goed genoeg? Er is van alles opgenoemd wat gebouwd wordt aan en bij de duinen. Of vindt de VVD dat de regels verder versoepeld moeten worden, het liefst met instemming van de natuur- en milieuorganisaties?

De heer Veldman (VVD): Ik zie heel veel reuring ontstaan over wat er op verschillende plekken achter en op een aantal plekken voor de kust gebeurt. Ik vraag mij af of die reuring past in de discussie. Ik zie allerlei beelden voorbijkomen van bouwplannen achter de kust en daar heeft een aantal mensen hier aan tafel aan bijgedragen. Die plannen zijn volgens mij al geruime tijd de verantwoordelijkheid van gemeenten, want het betreft gemeentelijke grond. Die gemeenten maken de keuze of zij een woonwijk, een vakantiepark, een zwembad of iets dergelijks neerzetten, zoals dat in heel veel andere Nederlandse gemeenten ook gebeurt. Het is een beetje vervuiling van de discussie en dat maakt die niet gemakkelijker. Volgens mij hebben wij het vandaag over het punt dat de Minister het gedeelte over de kust in het besluit wil isoleren en daarom stel ik die vraag aan de Minister. Ik begrijp het zo dat het verbod blijft bestaan. Als dat zo is, is het verstandig om alle verwarring, waaruit de bezorgdheid en ongerustheid voortkomen, weg te nemen en ervoor te zorgen dat we goede en heldere afspraken maken, eenieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid en bijvoorbeeld in de vorm van een kustpact, zodat het angstbeeld dat de Nederlandse kust wordt volgebouwd kan worden weggenomen. Niemand in het land en aan deze tafel wil dat de Nederlandse kust wordt volgebouwd.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Dit is helaas geen helder antwoord. Zegt de VVD dat de opwinding in Nederland en de wens om de kust te beschermen berusten op het feit dat de mensen het niet begrijpen? Zegt de VVD dat de mensen te dom zijn om te begrijpen dat er helemaal niet gebouwd gaat worden? Kan de VVD haar eigen positie aangeven? Ik gaf het voorbeeld van de strandhuisjes. Mag er nu wel of niet op het strand en aan de voet van de duinen, aan de strandkant, gebouwd worden?

De heer Veldman (VVD): Die woorden laat ik aan mevrouw Van Tongeren, net als haar analyse en haar opmerkingen over wat er gebouwd wordt. Zij koppelt dit aan de verbodsbepaling waarover de Minister het heeft, terwijl veel dingen gewoon gebouwd mogen worden en we de verbodsbepaling nu ook hebben. Blijkbaar heeft zij het ook niet helemaal begrepen. Dat is dan jammer, want ook dat maakt de discussie niet gemakkelijker.

De VVD is tegen het volbouwen van de Nederlandse kust. Daar zijn wij helder over. Niet meer en niet minder. Er zijn echter een heleboel andere regels, zoals natuurregels en waterveiligheidsregels, die er op een goede manier voor zorgen dat de kust niet kan worden volgebouwd. Daar is blijkbaar verwarring over, ook hier aan tafel. Laten wij helderheid creëren, zodat mevrouw Van Tongeren het ook begrijpt. Doe dat via een kustpact, zodat we met elkaar de kust op een goede manier kunnen beschermen.

De voorzitter: Ik begrijp dat mevrouw Van Tongeren op dit persoonlijke feit wil reageren. Dat mag, maar wel kort.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Bij een politiek verschil over zoiets belangrijks als bebouwing op de kust, vind ik het niet chic om te zeggen dat iemand die een andere mening heeft het niet begrijpt.

De voorzitter: Dat deed u beiden en ik nodig u uit om elkaars begrip van de situatie te respecteren en vooral uw eigen standpunt toe te lichten. Misschien helpt dat de discussie nog het beste.

De heer Veldman (VVD): Ik geef daar toch nog even een reactie op. Mevrouw Van Tongeren en anderen hier aan tafel geven voorbeelden van zaken die onder de bestaande regels, binnen de bevoegdheid van de gemeenten, uitgevoerd worden. Ook de heer De Vries gaf een trits van dingen die in Zeeland gebeuren. Blijkbaar wil mevrouw Van Tongeren die allemaal aanpassen. Zij zegt nog iets anders over het Barro dat de Minister geïsoleerd heeft en wat gewoon blijft bestaan. Eigenlijk wil ze iets doen aan heel veel regelgeving, die de verantwoordelijkheid van gemeenten is, maar dat is een andere discussie.

De heer Smaling (SP): Ik ben eigenlijk redelijk positief over de inbreng van de heer Veldman en het kustpact. Vindt hij dat je eerst een Nationale Omgevingsvisie moet maken waarin je de kernkwaliteiten van het kustgebied vastlegt, en dat je vervolgens aan de provincies en gemeenten bepaalde vrijheden kunt laten?

De heer Veldman (VVD): Wij moeten nog bepalen wat er opgenomen wordt in de Nationale Omgevingsvisie, die gekoppeld is aan de Omgevingswet. Laten we het daar met elkaar over hebben. Ik kan me iets voorstellen bij wat de heer Smaling zegt. Ik zet er echter de vraag tegenover of we dat voor allerlei andere natuurgebieden in Nederland ook doen. Als we dat doen, wat is dan de waarde van de Natuurwet die we afgelopen december hebben vastgesteld? Die is in werking gegaan en provincies zijn die aan het implementeren. We hebben daarin verantwoordelijkheden overgedragen aan de provincies. Provincies voeren die wet op een heel goede manier uit, wat je kunt zien op de plaatsen waar het beheer van de natuur al bij de provincies ligt. We moeten daarmee rekening houden als we een Nationale Omgevingsvisie opstellen.

De heer Smaling (SP): Dat is een goed punt. Mijn fractie was niet zo blij met de hoeveelheid natuurbeleid die werd gedecentraliseerd. Natura 2000 is echter nog steeds een landelijke verantwoordelijkheid, ook omdat het om een Europese richtlijn gaat. Neem de gemeente Sluis. Die bestaat uit de plaatsen Cadzand en Breskens, die een potentieel grote toeristische aantrekkingskracht hebben, maar ook uit de plaatsen Aardenburg, Oostburg en IJzendijke die krimpproblemen hebben. Je ziet bijna geen kind meer lopen in Oostburg. Zo'n gemeente gaat salderen door de problemen in de het zuidelijke gebied terug te verdienen in het noorden. Ik geef Sluis als voorbeeld, maar die vraag kan zich bij alle kustgemeenten voordoen. Je moet er landelijk voor zorgen dat dit niet gebeurt, want dan verpest je de gehele kust. Ik leg dat voor aan de heer Veldman, een groot decentralisatiefan.

De heer Veldman (VVD): Ik ben het met de heer Smaling eens dat we onze kust niet moeten verpesten. Binnen de verantwoordelijkheid van gemeenten en de provincie moeten we afspraken maken en elkaar daaraan houden. Ook de provincie Zeeland heeft bij monde van gedeputeerde staten gezegd dat men op een aantal hotspots mogelijkheden wil creëren, maar dat dit niet betekent dat men dit overal toestaat. Dat is de feitelijke situatie in Zeeland.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb één simpele vraag. Vindt de heer Veldman dat het verbod op bouwen aan de kust gehandhaafd moet worden?

De heer Veldman (VVD): De Minister zegt dat zij haar besluit over de kust isoleert. Ik begrijp daaruit dat zij het verbod handhaaft. Ik begrijp ook van de Minister dat zij met iedereen in gesprek gaat. D66 zou de Minister een compliment kunnen geven, want volgens mij is D66 bij uitstek de partij die zegt dat men eerst met iedereen in gesprek moet gaan en dat iedereen de ruimte moet krijgen. Zo wordt er op dit moment een plenair debat gevoerd over meer inspraak voor studenten in het onderwijs. Geef de Minister die ruimte. Volgens mij handhaaft zij het verbod.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Dan had de Minister niet in haar besluit het verbod moeten opheffen. Als er al onduidelijkheid is, is die gecreëerd door de Minister. Als zij in gesprek moet gaan, had ze dat moeten doen voordat ze dat besluit nam. Mijn punt is dat isoleren iets anders is dan het handhaven van het verbod op bouwen. Ik wil een simpel antwoord. Is de VVD het met mij eens dat het verbod op bouwen aan de kust gehandhaafd moet worden? Ja of nee?

De heer Veldman (VVD): Er ligt een ontwerpbesluit voor. Daarvan zegt de Minister dat zij daarin het deel over de kust isoleert en het verbod handhaaft. Vervolgens zegt zij dat zij met iedereen in gesprek gaat. Ik roep haar op om in die gesprekken tot een soort kustpact te komen, zodat er heldere en duidelijke afspraken worden gemaakt.

De heer Albert de Vries (PvdA): Ik noemde een hele trits voorbeelden uit Zeeland. De heer Veldman zegt dat de provincie, met de VVD-gedeputeerde aan het hoofd, zo goed is in het bewaken van de kust. Dat rijtje voorbeelden geeft juist aan dat er veel op het spel staat. Het voorbeeld van Sluis, dat de heer Smaling gaf, is heel actueel. De heer Veldman blijft er een beetje schimmig over, maar is hij het met mij eens dat het verstandig is om die uitgangspunten voor de kust in het Nationale Omgevingsplan vast te leggen? Dan kunnen we van alles en nog wat met elkaar afwegen, maar dan doen we dat op het niveau van de totale waarde van dit landschap.

De heer Veldman (VVD): Het is te gemakkelijk om daar nu ja op te zeggen; dat zei ik net ook tegen de heer Smaling. Ik kan me er iets bij voorstellen, maar ik zeg daar geen ja op, al was het maar omdat bijvoorbeeld de Raad voor de leefomgeving en de infrastructuur (Rli) in een recent rapport schrijft, dat er landelijk niet al te veel en te gedetailleerd moet worden vastgelegd. We moeten nog met elkaar in gesprek over de wijze waarop de Nationale Omgevingsvisie eruit gaat zien. Laten we die integraal met elkaar bespreken, met alle onderwerpen die er al dan niet in moeten, maar laten we niet vandaag ergens een punt uithalen en dat er vast inproppen. Dat lijkt mij niet zorgvuldig.

De heer Albert de Vries (PvdA): Zorgvuldig of niet, kijk eens naar de hoeveelheid mensen die zich hier druk over maakt – binnen een week worden er 100.000 handtekeningen gezet – en naar de organisaties die zich hierachter stellen. Ik zie net op de site van Cobouw, dat zelfs de NEPROM (Vereniging van Nederlandse Projectontwikkeling Maatschappijen) zegt dat gemeenten zich niet moeten bemoeien met het bouwen in de kuststrook. Dat zijn nota bene de projectontwikkelaars. Er is een groot draagvlak om dit nationaal te blijven monitoren en regelen. Ik snap dat we daarmee een voorschot nemen op wat er in de omgevingsvisie komt, maar dat hebben wij niet bedacht, maar de Minister, want die is een dag voor het reces met dat plan naar buiten gekomen.

De heer Veldman (VVD): Voorzitter. De Omgevingswet gaat in in 2018. Dat lijkt nog ver weg, maar is dichterbij dan velen denken. Ik ben de afgelopen tijd met veel wethouders in gesprek gegaan. Velen weten nog niet precies wat er op hen afkomt en zeggen te wachten op de AMvB's. We hebben het er tijdens de behandeling van de Omgevingswet over gehad dat er meer is dan de wet alleen. De transformatie van de cultuur van werken vraagt nu al om actie. Er bestaat onduidelijkheid over wat de verschillende bestuurslagen met de komst van de Omgevingswet kunnen en mogen. Het aannemen van de Omgevingswet ziet de VVD als een grote en goede stap voorwaarts, maar met de wet alleen zijn we er niet. De cultuur van werken is belangrijk. Hoe zet de Minister in op de noodzakelijke cultuurverandering? Wat doet zij om lokale bestuurders ervan bewust te maken dat zij nu al aan de slag moeten gaan en hoe zet zij in op meer samenwerking tussen bestuurslagen?

Recentelijk stelde de Raad voor de leefomgeving en de infrastructuur het volgende: «In de uitvoeringsregels (AMvB’s) van de Omgevingswet is nog niet goed geregeld dat gemeenten meer eigen afwegingsruimte krijgen in beslissingen over de leefomgeving. Het is nog onzeker of de wet het werkelijk eenvoudiger en beter maakt voor burgers, bedrijven en gemeenten.» Ik snap dat we met elkaar nog spreken over de ontwerpen, maar het is wel te doen om minder regels, meer transparantie in regelgeving en meer afwegingsruimte. Kan de Minister reflecteren op het signaal dat de Rli afgeeft? Kan zij garanderen dat de uitgangspunten en de doelstellingen van de wet op een goede manier in de AMvB's doorvertaald worden?

De VVD kan zich in hoofdlijnen vinden in de contouren van het grondbeleid die de Minister schetst. Het is een goed streven om het grondbeleid zo veel mogelijk in overeenstemming te brengen met de uitgangspunten van de Omgevingswet, waarvoor het lokale bestuur primair de verantwoordelijkheid draagt. De VVD kijkt kritisch naar de voorgestelde inpassingen in het proces van onteigenen. Een besluit door de Kroon, mede door onze Koning, mag wellicht wat ouderwets lijken, maar het eigendomsrecht is niet voor niets verankerd in de Grondwet en verdient bescherming. Ik heb een aantal vragen aan de Minister over de voorstellen. Is zij met mij van mening dat er een behoorlijke verbeterslag te maken is in het minnelijke traject, het traject dat voorafgaat aan de onteigening en waarin je nog op een fatsoenlijke manier met elkaar in gesprek bent? Zo ja, welke stappen gaat zij hierin zetten? Hoe wordt zeker gesteld dat de potentieel onteigende in kennis gesteld wordt van het voorgenomen besluit van een bestuursorgaan? Ziet het voorgestelde proces er zo uit dat een overheid pas een definitief besluit kan nemen nadat de op te richten landelijke adviescommissie een advies heeft afgegeven? Wordt het overheidsorgaan verplicht om een inhoudelijke motivatie te geven indien een onteigening toch wordt doorgezet bij een negatief advies van die adviescommissie? Wordt het «comply or explain»-principe gehanteerd? Is de Minister bereid om deskundige ondersteuning te regelen voor de onteigende indien deze ondanks een negatief advies toch onteigend dreigt te worden, bijvoorbeeld juridische ondersteuning vanuit de landelijke adviescommissie? Is de Minister bereid een regeling te treffen voor de proceskosten indien een onteigende met een negatief advies van de adviescommissie in de hand de stap naar de bestuursrechter moet maken? Wat wordt de rol van de civiele rechter? Blijft het zo dat het definitieve onteigeningsbesluit pas vastgesteld kan worden nadat de civiele rechter de schadeloosstelling heeft vastgesteld? Kortom, ik begrijp dat de Minister deze beweging wil maken en ik ondersteun deze grotendeels, maar ik wil garanties dat de positie van de onteigende, de eigenaar, er niet op achteruitgaat.

De heer Madlener (PVV): Voorzitter. Dit is hypocrisie ten top van de linkse partijen die nu moord en brand schreeuwen dat de kust volgebouwd wordt, terwijl diezelfde linkse partijen er alles aan doen om in zee, vlak onder de kust, duizenden windmolens te bouwen. Het moet toch niet gekker worden. Straks kunnen we gelukkig wel genieten van onbebouwde duinen, maar kijken we, als we naar de zee kijken, tegen windmolens aan. Dat is de hypocrisie ten top. De PVV wil die windmolens niet. Ik vraag alle linkse partijen om daar nog eens over na te denken. Wat heeft het voor zin om je druk te maken om het ene, terwijl aan de andere kant de kust verpest wordt met windmolens? Ik heb de PvdA en D66 daarop geïnterrumpeerd. GroenLinks zal ongetwijfeld ook zeggen dat duurzaamheid boven kustbescherming gaat. Het moet toch niet gekker worden.

Er worden voorbeelden genoemd als Knokke, Scheveningen, Sluis en Cadzand, waar het allemaal verschrikkelijk zou zijn. Dat is het soms ook – Scheveningen is natuurlijk door de PvdA flink verpest in de afgelopen jaren – maar aan de andere kant wonen er toch ook heel veel mensen met veel plezier aan de kust. Er zijn in Nederland gelukkig maar een paar plekken aan de kust waar is gebouwd, zoals in Sluis en Cadzand. Ga daar eens kijken op een mooie dag. Je kunt over de hoofden lopen. Er lopen ook heel veel GroenLinks-stemmers te genieten en te flaneren. Dat is ook wat waard. We moeten natuurlijk een evenwicht vinden tussen bescherming en recreatie. Mensen hebben daar ook behoefte aan. En Knokke? Men kan ervan vinden wat men wil, het zal geen SP-bolwerk zijn, maar ik zie duizenden Nederlanders genieten van een dagje Knokke. Is dat erg? We moeten niet doen alsof dat allemaal niets waard is. De PVV wil ook de kust beschermen. Ik ben blij dat we zo'n mooie kust hebben. Een vrije kust, je kunt bijna overal vrij lopen, tenzij de organisaties voor natuurlandschappen en -monumenten en zo er hekken omheen hebben gezet. We moeten dat zo houden.

Er is een vraag naar middeldure huurwoningen, met huren boven de liberalisatiegrens. Die vraag wordt onvoldoende ingevuld en het grondbeleid speelt daar een rol in. De corporaties mogen geen huurwoningen meer bouwen en verhuren in dit segment vanaf € 700 tot € 1.000 euro. Hoe bevordert de Minister dat er meer van dit type woningen gebouwd worden? Er zijn investeerders bereid om dit te doen, misschien ook particulieren, maar die komen niet aan bod met het huidige grondbeleid. Is het niet goed om daar eens naar te kijken? Provincies spelen soms een belemmerende rol. De gemeenten willen iets, maar de provincie houdt het tegen. Dat strookt niet met het uitgangspunt dat gemeenten meer te vertellen moeten krijgen over hun eigen grond. Een voorbeeld is de gemeente Lienden die een uitbreidingslocatie in gebruik wil nemen, maar door de provincie verplicht wordt eerst inbreidingslocaties te ontwikkelen. Het gevolg is geen enkele ontwikkeling.

De PVV wil de particuliere woningbouw en een andere bouwcultuur in Nederland bevorderen. Er komt veel meer kwaliteit als veel meer mensen hun eigen huis kunnen bouwen. Dat is in heel veel landen en in heel veel gebieden normaal, maar het lijkt alsof dat in Nederland helemaal vergeten is, vooral in de Randstad waar enorme grote gebieden tegelijkertijd ontwikkeld worden. Dat is jammer. Hoe kunnen we er in het grondbeleid voor zorgen dat particulieren meer baas over eigen tuin zijn? Het aanbod van zelfbouw stagneert. Dat is jammer. Het is een uitgangspunt van het kabinet, maar we hebben kunnen lezen dat het niet van de grond komt en dat heeft alles met het grondbeleid te maken.

Als gemeenten niet meer als grondexploitant optreden, is de vraag over zelfrealisatie van tafel. Zelfrealisatie, het bebouwen van je eigen grond, is natuurlijk het uitgangspunt. Meebetalen aan gemeentelijke voorzieningen is dat ook. Ik wijs op de inbreng van de PvdA. Die stelde een goede vraag. Op dit moment lijkt het net de Postcodeloterij. Op het moment dat de gemeente een gebied aanwijst waar de bestemming gewijzigd wordt, worden mensen blij en vaak in een klap rijk, terwijl de buurman met eenzelfde stukje grond niets mag. Dat is soms moeilijk te verkroppen en te begrijpen. Het gaat om enorme belangen en grote bedragen. Van ons mag het transparanter. De gemeente moet niet als exploitant optreden en niet proberen om zelf grond aan te kopen en op die manier af te romen, want dan krijg je weer andere belangen. Het moet natuurlijk gaan om daar te bouwen waar de beste plek is en niet omdat het toevallig de grond van de gemeente is. Nog steeds zijn veel gemeenten bezig met het vullen van hun eigen zakken door als grondexploitant en -speculant op te treden. Wij vinden dat een ongewenste rol. Kan de Minister daarop ingaan?

De transactiekosten van de stedelijke vrijwillige herverkaveling blijken slechts zeer beperkt nadelig te werken. Wij zien daar niet zo'n groot probleem. Liever zien wij alle kosten en belastingen met betrekking tot ontwikkeling omlaag gaan.

Voorzitter: Albert de Vries

De heer Houwers (Houwers): Voorzitter. In mijn bijdrage pleit ik voor verandering. Allereerst moeten we een verandering aanbrengen in de actieve grondpolitiek van gemeenten. De heer Madlener en de heer De Vries zeiden daar ook wat over. In de huidige situatie zitten gemeenten in een ongewenste spagaat. Gemeenten hebben namelijk grond in eigen bezit en soms conflicteren hun doelen. Ze hebben ideeën en wensen over een optimale maatschappelijke bestemming van de grond, maar daarnaast hebben ze ook het doel om met die grond een zo hoog mogelijke winst te behalen. Dat kan naar mijn mening niet. Nu kan de situatie ontstaan dat de grond heel geschikt is voor laagbouw en dat toch voor hoogbouw wordt gepleit, omdat die profijtelijker is. Ik pleit voor een verandering die eruit bestaat dat de gemeente alleen grond in bezit heeft die zij daadwerkelijk zelf gebruikt, zoals voor een gemeentehuis of sportvelden, maar niet voor de handel. Graag krijg ik een reactie van de Minister op deze onwenselijke spagaat.

In het verlengde daarvan wil ik af van het voorkeursrecht. Vanuit de markt wordt de roep om het afschaffen van het voorkeursrecht steeds sterker. Ik ben het daarmee eens. Op het moment dat gemeenten geen grond bezitten die ze zelf niet gebruiken, is dat voorkeursrecht niet meer nodig. Ook hierop krijg ik graag een reactie van de Minister.

Een volgende verandering heeft betrekking op de plattelandswoningen en in enige mate op woningen aan de rand van industrieterreinen. Ik heb er al eens voor gepleit om die op dezelfde manier te behandelen. Het is spijtig dat dit door fijnstof enzovoort niet zou kunnen. Hoe kunnen we bewerkstelligen dat die woningen door particulieren op een effectieve en gewenste manier worden gebruikt?

Tot slot steun ik de Minister in haar beoogde verandering van de regelgeving met betrekking tot de kustbebouwing. Ik ben het met de Minister eens dat we niet op voorhand moeten zeggen dat er niets kan. Ik heb vertrouwen in gemeenten en provincies. In de Omgevingswet hebben we aangegeven dat we willen delegeren, willen loslaten. Loslaten blijkt misschien toch moeilijker dan we destijds dachten, want het eerste onderwerp dat op deze manier aan de orde komt, trekken we meteen weer naar ons toe. Natuurlijk ben ik ook van mening dat we niet de gehele kustlijn moeten volbouwen met lelijke flatgebouwen, de karikatuur waarmee sommigen het wegzetten, maar we moeten ook niet op voorhand zeggen dat we alles tegenhouden. Kleine bebouwing, bijvoorbeeld in de vorm van strandhuisjes als recreatiewoning, moet op sommige plekken kunnen. Welke verandering heeft de Minister precies voor ogen? Welke verandering blijft nu nog over? Wellicht dat wat meer verduidelijking en overleg ons vooruit kan helpen en op die manier verandering en verbetering tot stand kan brengen.

Voorzitter: Houwers

De vergadering wordt van 16.18 uur tot 16.31 uur geschorst.

De voorzitter: Ik stel voor dat de leden twee keer op de Minister kunnen interrumperen. Het is gebruikelijk dat we dit aan het eind van een blok doen. Het zou zomaar kunnen dat er een groot blok «kust» is. Het is wel zo efficiënt als de leden aan het eind daarvan interrumperen. Ik verzoek de Minister om puntig te zijn in haar beantwoording, zodat we ruimte hebben voor een tweede termijn.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter. Ik begin inderdaad met de Beleidslijn kust, het actueelste onderwerp. Daarna ga ik door op alle grondonderwerpen, die ik in kleinere blokjes behandel.

Zoals ik al aangaf gaat het Barro over meer dan alleen het bouwen op het kustfundament. De Barro-wijziging is eigenlijk tot stand gekomen aan de hand van de Nationale Visie Kust. Die is in 2013 naar de Kamer gestuurd en is ook besproken. Dit is een vervolg daarop. In de Nationale Visie Kust staat dat er ruimte moet zijn voor ontwikkelmogelijkheden. Naar aanleiding daarvan is dit besluit opgesteld en voor de kerst vastgesteld in de ministerraad. Het is niet meteen naar de Kamer gestuurd omdat het een voorhangprocedure is en het is niet geoorloofd, en ik vind het ook niet wenselijk, om de Kamer vier weken de tijd te geven om erop te reageren, terwijl de Kamer wekenlang op vakantie is. Daarom is het op deze manier gegaan.

De voorzitter: Mevrouw Koşer Kaya wil reageren. Ik wil daar eigenlijk niet de ruimte voor geven, omdat we dat aan het eind van het blokje zouden doen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Dit is een punt van orde. De Minister zegt dit elke keer weer en er staat echt in de wet dat er geen minimum is en dat je kunt verlengen. Er staat minstens vier weken en niet exact vier weken. De Minister had daar wel degelijk rekening mee kunnen houden. Ik vind het niet netjes dat dit elke keer als argument wordt gebruikt.

De voorzitter: U mag dat vinden, maar ik vind het iets minder netjes dat u dit als een ordepunt neerzet terwijl het om de inhoud gaat. Ik stel voor dat u uw betoog stopt en dat de Minister verdergaat met haar beantwoording.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Wellicht kan de termijn ook langer zijn. Ik probeer aan te geven dat ik zo'n stuk niet wil inbrengen als de Kamer op reces is, zodat zij er niet op kan reageren. Ik heb het na het reces ingebracht, ook omdat ik niet van tevoren zag aankomen dat hier zo ontzettend veel discussie over zou ontstaan. De Kamer heeft mijn verbaasde reactie gezien. Ondanks het feit dat we tussendoor getracht hebben door middel van Q&A's het beeld recht te zetten, is er een beeld over kustbebouwing ontstaan dat absoluut niet mijn bedoeling was. Ik zal er zo nog wat meer over zeggen, want ik houd ook van de kust zoals die is, mooi en leeg. De essentie was om van «nee» over te gaan op «nee, tenzij», zodat je binnen sterke restricties verstandige keuzes kunt maken. De opzet was niet het beeld dat nu geschetst wordt, maar dat beeld is blijven hangen. De voorbeelden die de Kamer gaf, zijn voorbeelden van dingen die niet mogen op de kustlijn, op het kustfundament, maar die op andere plekken gerealiseerd worden. Tegelijkertijd zijn die voorbeelden dominant in de discussie. Ik ga zo in op de vragen over de specifieke beschermingsniveaus van het kustfundament waardoor ik kan zeggen dat het om een andere situatie gaat. Ik zal de vragen allemaal inhoudelijk beantwoorden. Ik voer de inhoudelijke discussie graag. Tegelijkertijd moet er draagvlak zijn voor datgene waarmee je bezig bent en ondanks het feit dat er diversiteit is in wat de partijen ervan vinden, voel ik dat er onvoldoende draagvlak is. Dat was voor mij de reden om dat deel van het Barro aan te houden en de huidige bouwregels niet wijzigen.

Ik ga nu een ander traject in en ik ga met diverse partijen spreken. Daaruit zullen ideeën voortkomen. Naar aanleiding van alle ophef heb ik twee weken geleden aangegeven dat ik met de partijen om tafel ga. Ik zal ook spreken over de mogelijkheid van een kustpact, of welke naam men er ook aan wil geven, naar analogie van het natuurpact. Daarbij speelt voor een groot deel dezelfde discussie over decentralisatie van verantwoordelijkheden. Het heeft geen haast. Je moet dat goed en grondig doen en goed kijken naar de vorm die je kiest. Het kan vormvrij zijn, want als je besluit wat je wel en niet wilt en dat wilt vormgeven in een structuurvisie of in provinciale ontwikkelingsplannen, zijn daar verschillende mogelijkheden voor. Het zou binnen de Nationale Omgevingsvisie kunnen, maar ook in een provinciale visie. Ik laat dat open voor het verdere traject, maar dan heeft men vast een beeld. Ik doe nu dus niks met het Barro, maar ga met partijen in gesprek en bekijk of we verder kunnen komen. Als dat zo is, kom ik daar op termijn in de Kamer op terug.

De PvdA zei dat de Minister voornemens is om alle nationale regels voor de kust af te schaffen. Dat is absoluut niet wat het voorstel behelst. De kern van de voorgestelde wijziging is dat we van een «nee» naar een «nee, tenzij» gaan. Er is absoluut geen sprake van het afschaffen van alle nationale regels. Het woord «nee» stond en staat voorop, ook als je het hebt over «nee, tenzij». Er is geen sprake van het opheffen van een bouwverbod. Dit heeft veel discussie teweeggebracht. Er wordt in het stuk geschreven over meer ruimte voor bebouwing, wat door allerlei mensen is geïnterpreteerd als het opheffen van het bouwverbod. Dit heeft veel van de onrust veroorzaakt. Het gaat om een ontwerpBarro waarvan ik net zei dat ik dat deel ervan niet doorvoer. Het gaat echter ook over allerlei zaken waar de Kamer zich niet specifiek over uitgesproken heeft, maar die kans krijgt ze nog wel, want het voorhangtraject duurt nog even.

Ik heb geprobeerd om er een tijdlang weinig of niets over te zeggen, want dat doe ik liever in de Kamer. Er was echter zo veel discussie in de pers, dat ik de pers actief te woord heb gestaan en wat beelden heb laten zien van de realisatie van meer ruimte door bebouwing. Een van de beelden waar mevrouw Koşer Kaya aan refereerde, is dat van de Hondsbossche en Pettemer Zeewering. Daarin ziet men mijn lijn ten aanzien van de kust en overigens ook ten aanzien van de rivieren. De Kamer kent het programma Ruimte voor de Rivier dat ik heb gerealiseerd. Het is belangrijk dat als je bouwt, je bouwt met de natuur en probeert die zo mooi mogelijk achter te laten, met oog voor inpassing van de specifieke waarden. De Hondsbossche en Pettemer Zeewering is een voorbeeld van het project ten behoeve van de zwakke schakels langs de kust, waarbij we van een harde bescherming zijn overgegaan naar een mooie natuurlijke bescherming in de vorm van een breder duin en helmgras met daarin een economische activiteit. Dat was de wens vanuit de Nationale Visie Kust: de kust mooier maken, maar ook ruimte bieden voor economische activiteiten. Vandaar dat ik de strandtent heb laten zien.

Er is een relatie met bijvoorbeeld waterveiligheid. De heer Ronnes noemde dat voorbeeld. In Katwijk wilden we vanwege waterveiligheid een heel groot duin realiseren om de zwakke schakel te versterken, maar de huizen die namen als «Zeezicht» hebben en uitkijken over de zee, zouden dan omgedoopt moeten worden tot «Duinzicht» en dat greep toch wel heel erg in op de gemeentelijke wijde blik van Katwijk. Daarom hebben we daar gekozen voor een langlopend duin met daaronder een parkeergarage. Je ziet dus een combinatie van een economische activiteit met waterveiligheid en Katwijk wordt mooier achtergelaten dan het was. De kust mooier maken, zowel in relatie tot waterveiligheid als in relatie tot het combineren van economische activiteiten met natuuraanleg, is voor mij heel belangrijk. Ik kan het niet staven want ik heb het nooit uitgezocht, maar ik heb weleens gedacht dat we met de vele infraprojecten die we ook op het gebied van water uitvoeren, misschien wel meer natuur aangelegd hebben dan via de reguliere natuurbudgetten.

Ik noemde de beschermingsniveaus. Er kan heel weinig op het kustfundament. Je kunt niet zomaar een flat in een duin zetten, want dat heeft effect op de waterveiligheid. We hebben stuifduinen, dus we moeten ervoor zorgen dat we bouwen op palen, zodat het strand vrij kan stuiven. Bij een strandtent of een strandhuisje kun je je daar nog iets bij voorstellen, maar een heel villapark en grote flats, zoals die geschetst werden, zijn niet passend.

Ik heb een kaart in de pers laten zien, die de Kamer ook heeft, waarop je ziet dat het allergrootste deel van de kust, het kustfundament, beschermd is door allerlei natuurregimes. Het zijn er diverse, van de Vogelhabitatrichtlijn tot Natura 2000. Ik heb aangeven dat je daar niet zomaar alles kunt doen. Ik heb niet in Nieuwsuur gezegd dat je er niets kunt bouwen, maar wel dat je er zeer weinig of weinig kunt bouwen. Dat komt omdat er heel sterke restricties voor die gebieden gelden. Dat is terecht. We hebben die restricties met elkaar vastgesteld. De Kamer heeft recentelijk de nieuwe wet over natuurbescherming aangenomen. Bij de wetsbehandeling is rekening gehouden met Europese natuurverplichtingen. De wet is in beide Kamers met overtuiging aangenomen en geeft niet slechts een voldoende, maar een goed beschermingsniveau.

Dan is er het verhaal over de ruimtelijke kwaliteit en wat we daarmee beogen. «Omgevingskwaliteit» is een van de moeilijkst te definiëren begrippen. Op sommige punten hebben we vastgelegd, bijvoorbeeld in een SVIR, welke nationale belangen niet aangetast mogen worden, zoals de nationale erfgoederen. Je kunt die belangen ook op provinciaal niveau vastleggen. De provincie Zeeland heeft meteen gereageerd en gezegd dat er niets verandert, omdat zij net bezig is met de kustvisie waarin zij vastlegt op welke manier de provincie de kust open wil houden door op een beperkt aantal plekken een uitzondering voor bebouwing te maken. Ook Noord-Holland en Zuid-Holland zijn bezig met dit soort activiteiten. Je kunt het ook op nationaal niveau doen. Die discussie zullen we op een gegeven moment voeren. Waar leg je het vast, in een omgevingsvisie of op provinciaal niveau?

Hoe kon deze discussie ontstaan? Ik zeg dat het niet mijn bedoeling was en de buitenwereld zegt dat het een schande is wat ik aan het doen ben. Ik was erdoor verrast. Ik ben wel blij verrast dat er zo ontzettend veel steun voor de kust is. Dat is heel belangrijk, want die is een van onze assets. Als je in het buitenland bent, krijg je weleens te horen dat er een mooi stukje wit strand is en denk je dat het wel iets heel bijzonders, iets bountyachtigs, zal zijn, maar dan is het eigenlijk niet meer dan een heel klein stukje van iets wat wij in Nederland al hebben. Wij hebben gewoon een prachtige, ongerepte kustlijn. Ik ben blij met alle aandacht ervoor en tegelijkertijd ook verdrietig, omdat deze discussie en daarmee heel veel onrust ontstaan zijn.

Wie heeft er aan tafel gezeten om de wijziging mede tot stand te laten komen? De natuurorganisaties maar ook andere organisaties, de gebruikelijke koepelorganisaties, hebben bij ons aan tafel gezeten. In eerste instantie kwamen ze om te praten over de Nationale Visie Kust, die we ook in de Kamer hebben besproken, maar ze kwamen ook om te praten over de Beleidslijn kust. Daar is uitgebreid overleg over geweest. Over de Beleidslijn kust is via de reguliere trajecten contact geweest en men kon bezwaren aanleveren. Dat is niet gebeurd. Het CDA vroeg of ik specifiek over het bouwverbod heb gesproken. De woorden «opheffen van het bouwverbod» komen niet voor in het Barro. Er wordt gesproken over de verruiming van de mogelijkheden om te bouwen, dus van de bouwregels. Men heeft kunnen zien wat er voorlag en daar heeft men niet op gereageerd. Het staat organisaties vrij om daar vervolgens alsnog op terug te komen. Inspraak is er om van tevoren dingen af te stemmen, maar als je het achteraf anders wilt doen, is dat oké.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Een punt van orde, voorzitter.

De voorzitter: Dat kan.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Er worden door de Minister uitspraken gedaan over natuur- en milieuorganisaties en de onderwerpen waarover zij wel of niet hebben overlegd en waarmee zij hebben ingestemd. Deze organisaties zitten niet aan tafel en kunnen hun visie niet geven. Het is lastig als de Minister zich verdedigt door zich te verschuilen achter de woorden dat de milieu en natuurorganisaties het ook prima vonden.

De voorzitter: Dat begrijp ik. Ook hiervan moet ik zeggen dat ik dit niet zozeer beschouw als een punt van orde. U hebt in uw bijdragen ook op verschillende momenten naar anderen verwezen. U hebt straks de tijd om uw mening te geven. Ik stel voor dat de Minister voortgaat met haar inbreng. Als die niet juist of onduidelijk is, kennen we dingen als Twitter enzovoort, waardoor het allemaal heel erg snel duidelijk wordt.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Het is allerminst mijn bedoeling om me te verschuilen. Ik was er zelf niet over begonnen als de heer Ronnes die vraag niet expliciet gesteld had. Die vroeg of dit klopte en dat heb ik aangeven. Ik heb nu gezegd dat organisaties wat mij betreft vrij zijn om betrokken te zijn, niks aan te geven en er later wel iets mee te willen doen. Het kan ook zijn dat ze er niet actief naar gekeken hebben. Er zijn allerlei mogelijkheden. Het laatste wat ik wil doen, is mij hierachter verschuilen. De ontstane discussie is zoals die is en die is mijn probleem, want het gaat om mijn onhelderheid en niet om de hunne.

Er is gevraagd of permanente huisjes nu al mogelijk zijn. Zoals ik in de beantwoording van vragen van het lid Cegerek aangaf, mag er nu op grond van landelijke wetgeving niet gebouwd worden op het kustfundament, op enkele uitzonderingen na. De huidige bebouwing, waaronder die enkele permanente strandtenten, is echt heel beperkt en onder deze regels tot stand gekomen. De wens van de verschillende maatschappelijke partijen was om meer economische activiteiten te kunnen realiseren. Met in gedachten strandtenten en strandhuisjes en niet complete parken en flats, leek mij dat een goede. In het ontwerpBarro blijven verregaande eisen gelden op het gebied van waterveiligheid en andere beschermingsregimes. We kunnen er nog langer en dieper op ingaan, maar ik heb net gezegd dat ik de bouwregels nu niet ga veranderen. Het is dus minder aan de orde.

Er is gevraagd of provincies voldoende uitgerust zijn om het beleid uit te voeren. Ik verwijs naar andere discussies over ruimtelijke ordening, natuurbeleid en dat soort zaken. Als wij vinden dat bepaalde overheidslagen taken goed moeten uitvoeren, moeten wij ze ook uitdagen om hun visies of structuurvisies – in die laag kent men weer andere termen – te expliciteren en goede plannen te maken. De Omgevingswet gaat dit activeren en daagt provincies en gemeenten uit om omgevingsplannen en -visies te maken.

We kunnen heel lang praten over de Beleidslijn kust, maar ik heb geprobeerd het strak te houden, zoals de voorzitter mij vroeg, specifiek op de vragen in te gaan en mijn intentie weer te geven.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik wil het heel precies hebben. Het wordt een beetje onduidelijk. De Minister zegt: ik ga de bouwregels niet veranderen. Betekent dat hetzelfde als de tweet van het Ministerie van I en M waarin staat: laat bouwverbod aan kust in stand. Bedoelt zij dat? Of zit daar ook weer verschil in?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Is het een tweet van nu? Ik zit nu niet te twitteren, zoals men zal begrijpen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Het is een tweet van I en M van een tijdje geleden, van de eerste termijn.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Aan het begin van de vergadering en in mijn betoog heb ik aangegeven dat ik, gezien de discussie en het draagvlak, nu niet torn aan de bestaande bouwregels. Dat deel van het Barro ga ik dus niet wijzigen. Ik heb ook uitgelegd dat het woord «bouwverbod» niet in het Barro voorkomt, maar misschien heeft men dit getweet omdat het in de buitenwereld gaat over een bouwverbod en dit het gemakkelijker maakt. Nogmaals, ik volg de tweets niet. Op de vraag of het hetzelfde is: ik beoog hetzelfde.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): De Minister schreef zelf als antwoord op de vraag wat de extra ruimte precies inhoudt, dat het verbod komt te vervallen. Zij heeft het dan over het verbod op bouwen. Ik ga ervan uit dat de Minister nu klip-en-klaar zegt dat het bouwverbod wordt gehandhaafd.

De voorzitter: In mijn beleving heb ik de Minister dat drie keer horen zeggen en is het een herhaling van zetten, maar als de Minister behoefte heeft om dat nog een keer te doen, mag dat.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik doe het alleen juridisch specifiek en daarom zeg ik: er bestaat geen bouwverbod, we hebben alleen strikte regels. Ten aanzien van de huidige regels is voorgesteld dat we van een «nee» naar een «nee, tenzij» gaan. Ik blijf nu even bij het «nee» zoals het was vormgegeven. Als het woord «bouwverbod» voor de buitenwereld gemakkelijker is, laat ik het dan zo formuleren.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Dit zijn de woorden van de Minister zelf, die zijn niet van de buitenwereld.

De voorzitter: Het is voldoende duidelijk. Volgens mij hebt u nu twee instanties gehad om erover te spreken. Ik verzoek u via de voorzitter te spreken met uw microfoon aan, zodat het voor de mensen die dit ergens anders volgen, ook te volgen is.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Maar ik ben blij, voorzitter.

De voorzitter: Ja, dat heb ik begrepen. Dat mag ook. Hoe meer blije mensen, hoe beter. Misschien wordt mijnheer De Vries ook blij van de vraag die hij nu gaat stellen.

De heer Albert de Vries (PvdA): Ik ben altijd wel een beetje blij, maar bij dit onderwerp iets minder. Vindt de Minister dat zij zorgvuldig met de Kamer is omgegaan door kort voor het reces dat besluit naar buiten te laten komen? Ze wist dat de behandeling in de ministerraad effect zou hebben. Geen enkele partij was geïnformeerd dat dit eraan kwam. Vindt zij dat ze de Kamer serieus genoeg heeft genomen?

In de toelichting op het besluit staat een aantal dingen die de Minister wil: ruimere ontwikkelingsmogelijkheden binnen het kustfundament, decentralisatie van de ruimtelijke ordening van dit deel van ons land en de ruimtelijke kwaliteit niet langer tot de doelen van de nieuwe Beleidslijn kust verheffen. Blijven dat de doelen?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik begin met de vraag over de Kamer. Het Barro was onderdeel van een groter geheel met onder andere het waterplan en een aantal andere elementen en geen specifiek stuk waarover ik een discussie verwachtte, ook niet gezien de aanloop van het stuk. Ik heb geredeneerd dat ik het stuk niet meteen naar de Kamer zou sturen, omdat het niet netjes is om in een reces zo'n voorhangprocedure te starten. Ook dat is geen actief ministerbesluit geweest, maar de gebruikelijke manier waarop we dat doen. Achteraf is er heel veel discussie over ontstaan en als we dat van tevoren hadden geweten, waren we wellicht heel anders met zo'n voorstel omgegaan. Het is een Barro, geen beleidsplan, maar een soort uitvoeringsregel waarvan de aanpassing in de voorhangprocedure wordt opgenomen en waarover de Kamer zich kan uitspreken voordat ik er met andere partijen over spreek. Daarna wordt het Barro pas vastgesteld en stuur ik het naar de Kamer. Als de Kamer dan nog heel grote dingen wil wijzigen, kan zij dat volgens mij doen, maar ik ken niet alle specifieke spelregels daarover. De essentie was niet om de Kamer niet te informeren, maar juist om dat netjes te doen en het stuk na het reces in te brengen.

De tweede vraag was of ik nog steeds achter de elementen sta die in de brief genoemd worden. Ik zou het stuk niet ingediend hebben als ik niet van mening was dat het belangrijk is om meer ruimte te realiseren voor bebouwing aan de kust. Ik sta erachter dat er meer ruimte komt voor ontwikkelingsmogelijkheden en dat dit voor een deel door andere overheidslagen uitgevoerd wordt. Het zal niet allemaal bij de provincies en de gemeenten komen; de waterschappen hebben ook een expliciete rol. Het Rijk heeft een rol met betrekking tot de veiligheid, net als de waterschappen. Het natuurbeleid is al gedecentraliseerd; dat zit dus al bij de provincie. Het heeft echter geen enkele zin om er verder op in te gaan, want ik heb het stuk teruggetrokken. Ik doe het niet. Dat betekent niet dat ik van mening veranderd ben, maar dat ik zie dat er geen draagvlak is en dat er veel meer dan een schets nodig is om duidelijk te maken waar het precies om gaat. Vervolgens moet het draagvlaktraject nog een keer doorlopen worden en dan kan bekeken worden of er überhaupt medestanders te vinden zijn. Het is niet meer aan de orde. Het is ingetrokken.

De voorzitter: Even voor de luisteraars en kijkers: Barro staat voor Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

De heer Albert de Vries (PvdA): Ik heb de Minister gevraagd of het moment van besluitvorming zorgvuldig was ten opzichte van de Kamer. Vond zij het ook zorgvuldig in de relatie met de coalitie? De Minister zegt ten aanzien van de inhoud met zoveel woorden dat zij het bebouwen openhoudt, dat de verantwoordelijkheid voor de bebouwing van de kust uiteindelijk naar de provincies en gemeenten gaat en dat zij het stuk nu terugneemt, maar via een andere weg met die opvattingen naar de Kamer komt.

De voorzitter: Als ik het goed begrijp, maakt de heer De Vries verschil tussen oppositie en coalitie. We hebben echter maar één soort Kamerleden.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik bespreek natuurlijk graag dingen voor met de coalitie, maar dat doe ik alleen als ik denk dat het politiek zo nijpend wordt dat er een probleem kan ontstaan. We kunnen daar allemaal schande van spreken, maar zo gaan die dingen in welke politieke samenstelling dan ook. Nogmaals, dit Barro was wat mij betreft een kleine wijziging en ik ging er niet van uit dat er een zodanig heftige reactie op zou komen. Als ik dat van tevoren had bedacht, had ik niet alleen de coalitie gepolst, maar was ik breder de Kamer ingegaan om te vertellen wat de ideeën en de plannen waren. Ik vind de heer De Vries nog net zo aardig als vroeger, dus het is niet zo dat ik hem bewust heb overgeslagen. Soms ben je je er niet van bewust dat iets bij iemand een andere reactie teweeg brengt dan je van tevoren bedenkt.

De heer De Vries vraagt of ik alsnog de boer opga. Ik ben niet van plan om wat ik heb voorgesteld buiten de Kamer om in een ander tracé te gaan regelen. Zo werkt het niet. Mijn intentie is om met de natuur- en milieuorganisaties – Natuurmonumenten is volgens mij de trekker, maar er zijn ook andere – die ik heb uitgenodigd op 15 februari te bekijken wat de zorg is. De site van Bescherm de kust was al een aantal maanden actief voordat dit concept überhaupt gepresenteerd was en was toen heel erg gericht op de gemeentelijke bouwprojecten. De zorg zit volgens mij vooral bij die projecten. Neem Waterdunen, dat ook door Nieuwsuur in beeld gebracht werd. Dat ligt achter het kustfundament op landbouwgrond die is aangekocht om woningen te realiseren. Men heeft daar 250 hectare nieuwe natuur aangelegd en 40 hectare gebruikt voor woningbouw. Het ligt misschien achter de duinen, maar staat helemaal los van de andere activiteiten.

Ik voel de vraag opkomen over de betekenis van verruiming van bebouwing in het kustfundament; kun je dit soort dingen ook in het kustfundament krijgen? Daar gaan we het met elkaar over hebben. Wat willen we? Hoe willen we dat? Ik kan iets voor ogen hebben, maar kennelijk hebben anderen weer heel andere beelden. Moeten we dit vastleggen? Als we dit vastleggen, hoe leggen we dit vast? Daarna komt pas de vraag over wie het uiteindelijk gaat doen. Sommige dingen liggen al bij andere overheden, zoals het natuurbeleid dat bij de provincies ligt. Waterveiligheid ligt nu bij het Rijk en de waterschappen en ik ga ervan uit dat die daar blijft. Dan blijft de vraag over wie de ruimtelijke kwaliteit gaat bepalen. Dit is ook het antwoord op de vraag van de heer De Vries. Ik ben daar nu niet mee bezig. Ik ben eerst bezig met de punten waarop we elkaar kunnen vinden: wat vinden we mooi, wat vinden we belangrijk en hoe kijken we in Nederland aan tegen onze kust?

De heer Madlener (PVV): Het is goed dat de Minister zich gaat herbezinnen, maar ik ben bang dat ze, nu ze met al die natuurorganisaties om tafel gaat, doorslaat en de recreant vergeet. Ik weet dat sommige GroenLinksers het leuk vinden om met een houten kralenketting om op het naaktstrand te genieten van windmolens op zee en die ruimte moet er op een enkele plek zijn, maar heel veel mensen vinden het ook leuk om 's winters met de hond een wandelingetje te maken, naar een strandtent te gaan en een kop koffie te drinken. In mijn gemeente Rockanje en Oostvoorne hadden we een heel leuk strand waar je met de auto op kon, het autostrand. Dat was een fantastisch gebied dat door een milieuorganisatie op slot is gezet; mensen eruit en er is nu geen bal meer aan. Niemand vindt het meer leuk, niemand komt er nog en niemand wil dat. Het was een heel leuk strand waar iedereen naartoe kon gaan en dat heel toegankelijk was. Dat is gewoon op slot gezet door de natuurorganisaties. We moeten uitkijken dat we niet te veel naar GroenLinks luisteren, want dan gaat heel de kust op slot.

De voorzitter: En dat brengt u tot welke vraag?

De heer Madlener (PVV): Ziet de Minister dat de Nederlandse kust een gebied is waarvan de natuurwaarden moeten worden beschermd, maar dat ook voor de recreant en al die mensen die het 's zomers naar hun zin hebben of willen uitwaaien, toegankelijk moet blijven en niet op slot gezet moet worden door al die natuurorganisaties? Dan slaan we naar de andere kant door. Ziet de Minister dat belang en is zij bereid met recreanten en burgers te praten, die graag willen genieten van het strand?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Je hebt McDonalds drive-ins en je hebt kwaliteitsrestaurants; dat is diversiteit. Onze kust gaat ook diversiteit kennen. Er zijn plekken waar je absoluut helemaal niets wilt en plekken waar ontwikkelmogelijkheden zijn, bijvoorbeeld waar de gemeentelijke bebouwde kom doorloopt in het kustdeel waar iedereen op een klein stukje ligt en de rest gewoon leeg is. Ook recreatieve belangen zijn voor mij belangrijk. Ik sta nog steeds achter mijn beleid om meer economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Die liggen vooral op het recreatieve vlak. Ik noemde niet voor niets de strandtenten en de strandhuisjes en niet de grootschalige economische ontwikkelingen die met andere dingen te maken hebben. Natuurmonumenten heeft in een krantenartikel – veel van deze dingen zijn via de pers gegaan – gezegd dat zij geen bezwaar hebben tegen strandtenten. In het gesprek moet aan de orde komen wat we wel en niet willen en daar horen bepaalde economische of recreatieve ontwikkelmogelijkheden bij. Ik weet niet uit mijn hoofd wie we allemaal aan tafel gevraagd hebben, maar het zijn niet alleen natuur- en milieuorganisaties. Ik heb ook vertegenwoordiging van de VNG, de kustgemeenten en het IPO gevraagd, degenen die verantwoordelijk zijn voor de kust, zodat we meteen kunnen praten over het totaalbeeld. Er zitten dus ook andere partijen aan tafel.

De heer Madlener (PVV): Uiteindelijk gaat het om de Nederlandse burger. Misschien dat dé Nederlandse burger niet bestaat, maar ik weet wel dat er miljoenen Nederlanders, en ook Duitsers, genieten van onze kust en daar willen recreëren. Die kust moet toegankelijk zijn en er moet wat te doen zijn. We kunnen wel beelden schetsen van Knokke – dat de hoogste grondprijs van België kent en een gigantisch commercieel succes is waar duizenden mensen van genieten – maar er moet diversiteit zijn. Ik vraag de Minister om daar aandacht voor te hebben en dat niet uit het oog te verliezen, en in haar angst voor handtekeningen niet te veel naar GroenLinks over te hellen.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik denk niet dat de handtekeningen allemaal van GroenLinksers zijn. De handtekeningen zijn door mensen van links tot rechts gezet. In mijn eigen partij zitten heel veel menen die de natuur en de kust een warm hart toedragen. Het is geen politieke kwestie. De ontstane discussie over de bedoeling is zo groot geworden dat we een stap terugdoen. Dat is voor mij van belang. Het is belangrijk om al die elementen aan de orde te stellen, maar we komen geen stap verder als we geen breed draagvlak kunnen realiseren vanuit diverse partijen.

De heer Wassenberg (PvdD): Ik heb twee vragen die nog niet beantwoord zijn. De ene gaat over de drinkwatervoorziening en de andere over de waterveiligheid. Om met de laatste te beginnen: in de brief van 19 januari schrijft de Minister dat het kustsysteem op orde en toekomstbestendig is en dat er daarom aan waterveiligheid minder stringente eisen kunnen worden gesteld. Betekent dit dat het een tandje minder kan? Het bouwverbod of de bouwregels worden niet versoepeld en dat is belangrijk, maar het gaat ook om de afweging. Betekent het dat de waterveiligheid zo goed is dat het wel een tandje minder kan?

Mijn tweede vraag gaat over de drinkwatervoorziening. Die is van nationaal belang, omdat er miljoenen mensen van afhankelijk zijn. Is de Minister het met mij eens dat je die voorziening niet aan de provincie of gemeente moet overlaten, maar dat die op nationaal niveau geborgd moet zijn?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Laten we beginnen met de waterveiligheid. In het net aangenomen Deltaprogramma 2015 hebben we een duidelijke normering aangegeven voor het veiligheidsniveau per dijkring en aan de kust. Daar kan en mag niet aan getornd worden. Dat is vastgelegd in een wet en we hebben een fonds om dit te realiseren. Vroeger kon eigenlijk niets, omdat we niet wisten wat de precieze effecten waren. De heer Madlener loopt toevallig net even weg, dus durf ik een discussie over windmolens te beginnen. Neem de discussie over windmolens op dijken. Er mocht nooit iets op een dijk, want stel je voor dat er wat zou gebeuren. Nu onderzoeken we of er windmolens op dijken gerealiseerd kunnen worden. De essentie is dat we meer inzicht en duidelijkheid hebben over veiligheid. We weten hoe hoog ons veiligheidsniveau is. Je kunt dus meer combinaties maken die je in het verleden niet kon waarmaken. Aan een parkeergarage in een duin, de nationale waterkering, waren we een aantal jaren geleden gewoon niet begonnen. We hadden daarvan gezegd dat we een traditionele manier hebben om de problemen op te lossen, we hadden een nog hogere duin neergezet en klaar. Daar heeft het mee te maken en niet met een achteruitgang van de waterveiligheid. Ik hoop dat ik de heer Wassenberg daarmee gerust kan stellen.

De heer Wassenberg (PvdD): Ik kom toch even op de formulering. Gisteren hebben we een uitgebreid debat met een partijgenoot van de Minister gehad over de precieze formulering, want die is heel erg belangrijk. De Minister zegt dat er strenge regels zijn, maar dat misschien met andere, moderne technieken zaken binnen de bestaande regels kunnen passen die er vroeger niet binnen pasten. De Minister knikt, dus dat klopt. In de brief met de antwoorden op de vragen van mevrouw Cegerek van de PvdA staat op pagina 2 bij vraag 2 echter: «Daarom kunnen er vanuit waterveiligheid minder stringente eisen gesteld worden.» Dat betekent niet dat we eisen hebben en dat daar meer projecten binnen kunnen passen, maar dat de eisen kunnen worden versoepeld. «Minder stringente eisen», ik kan het niet op een andere manier duiden.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik duid het precies andersom. Je hebt de waterveiligheidsnormen en weet waaraan je moet voldoen. Doordat je meer inzicht hebt en meer kunt, kun je «nee, tenzij» zeggen in plaats van «nee», zoals we dat vroeger deden omdat we het niet wisten, het niet kon en we het niet wilden want stel je voor dat. Vervolgens kun je aangeven onder welke voorwaarden je iets wilt realiseren waarbij de waterveiligheidsnorm niet in het geding komt. Ik kan me voorstellen dat zo'n tekst multi-interpretabel is, maar ik geef de bedoelde interpretatie.

De voorzitter: Na deze tekstexegese gaan we naar de vraag van de heer Smaling.

De heer Smaling (SP): De Minister gaat er sportief mee om, dat wil ik toch even zeggen. Een van de argumenten die zij ook de afgelopen weken benut heeft om toch haar punt te maken, is dat de natuurbeschermingsorganisaties ervoor zorgen dat het niet tot excessieve uitbreiding kan komen. Ik bestrijd dat. De Minister zegt meerdere malen dat de natuurbescherming loopt van de Vogel- en Habitatrichtlijn tot Natura 2000. Volgens mij is dat hetzelfde. Misschien moet ze de directie Natuur van het ene naar het andere ministerie zien te krijgen. Bovendien is er een Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De provincie Noord-Holland bijvoorbeeld heeft een hoeveelheid stikstof in voorraad. Als er een plan wordt gemaakt voor vakantiehuisjes in de duinen, die onder Natura 2000 vallen, en de provincie ontwikkelruimte heeft, dan gaat men aan het bouwen. Tata Steel ligt ook in een Natura 2000-gebied en de steenfabrieken in de uiterwaarden ook. Ik snap niet waarom dat argument zo nadrukkelijk naar voren wordt gebracht, terwijl het geen hout snijdt.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: De fabrieken zijn natuurlijk al langere tijd geleden gebouwd, voordat de regimes er waren. Natura 2000 biedt mogelijkheden voor de bestaande bebouwing. Toen die beschermingsregimes werden gecreëerd, is rekening gehouden met wat er al was en hoefden we niet het gehele land leeg te vegen. Ik gaf aan dat er binnen Natura 2000 mogelijkheden tot bebouwing zijn, maar onder de zeer strikte voorwaarden die de Kamer heeft vastgesteld. Daar zit een beschermend regime in. Daarnaast is de vraag welk ruimtelijk regime men wil realiseren. Wat wil de provincie wel en wat niet? Het is bijzonder dat gedacht wordt dat alles helemaal volgebouwd wordt als het mag volgens de waterveiligheid en van Natura 2000. Dan gaat de heer Smaling ervan uit dat al die lokale bestuurders van welke kleur dan ook, want onze gemeenten en provincies zijn divers bevolkt qua politici, geen enkele waarde hechten aan een lege ruimte, een lege duinenrij of recreatief gebied. Ook daarvoor geldt een extra bescherming: wat is ruimtelijke kwaliteit, wat willen we met een gebied en hoe gaan we dat doen? Ook geldt dat je plannen ter inzage moet leggen, dat er inspraak is en een democratisch proces. Het is niet zo dat iemand stiekem naar binnen kan rijden met zijn trucks en een paar flats kan achterlaten. Er zijn heel veel mitsen en maren. Betekent dit dat er nooit iets kan? Nee, dat betekent dit niet. Als er nooit iets kan, dan moet je inderdaad nee zeggen. Ik vraag me af of dat altijd slim is, want soms is het verstandig om juist wel iets te ontwikkelen, maar dat moet je zorgvuldig en op een goede manier doen; je moet open en transparant zijn en het moet duidelijk zijn dat heel grootse dingen niet kunnen.

De heer Smaling (SP): Waarom wil de Minister het überhaupt? Je hebt een strandpubliek, een duinpubliek en 17 miljoen mensen op een klein oppervlak. De essentie van dat gebied is dat mensen rust in hun hoofd krijgen. Dat draagt bij aan gezondheid en productiviteit. Is dit nog steeds de frustratie van de Minister uit de tijd dat zij wethouder was in Leiden en Minister Pronk, toen Minister van VROM, zich bemoeide met een klein facetje van haar eigen grondportefeuille? Ik krijg mijn vinger er niet achter waarom we dit überhaupt zouden willen.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Nou, dat heeft er toen wel flink ingehakt. Ik heb dat voorbeeld vaker gegeven. Ik geloof er niet in dat je van bovenaf op alle punten van tevoren kunt bedenken dat je iets absoluut niet wilt. Je moet altijd ruimte hebben om een afgewogen besluit te nemen, op welk bestuurlijk niveau dan ook. Je kunt ook op nationaal niveau besluiten tot een «nee, tenzij». Waarom? Omdat de wereld niet altijd is zoals je van tevoren denkt. Neem de monumenten als voorbeeld. Vroeger zeiden we dat je niets aan monumenten mocht veranderen. Het gevolg was dat prachtige gebouwen soms aan het verpieteren waren en dat er uiteindelijk wat meer ruimte kwam voor aanpassingen, mits in overeenkomst met de stijl van het monument en door bijvoorbeeld de gebruikswaarde te veranderen. Dat heeft teweeggebracht dat op heel veel plekken monumenten een nieuw leven gekregen hebben en een economische grond is ontstaan om ze op die manier in stand te houden. Denk aan de forten in de Waterlinie. Die forten stonden allemaal te verpieteren en daar kon je ook helemaal niets mee. In de Waterlinie, die we allemaal heel beschermingswaardig en mooi vinden en waar we graag wandelen, hebben de forten een ontwikkelfunctie gekregen. Daar zijn economische activiteiten ontwikkeld. Er zit kleine horeca in, er zijn tentoonstellingen en soms vestigen kleine architectenbureautjes zich daar. Dat is wat ik voor ogen heb als je gaat van een «nee» naar een «nee, tenzij»; dat je niet van bovenaf alles al denkt te weten, maar dat je ruimte hebt voor een goed, slim en afgewogen besluit. Ik snap tegelijkertijd de onzekerheid: wie neemt dan dat afgewogen besluit en hebben we dat voldoende ingebed? Volgens mij moeten we daarover de komende periode met elkaar de discussie hebben. Er is bijna geen Kamerlid dat zegt dat een strandtent niet mag. Daar zit volgens mij het verschil tussen een verbod en ruimte voor een afweging.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): De Minister heeft met de commissie geconstateerd dat er op dit moment best al het een en ander kan, binnen en buiten Natura 2000-gebied. De Minister wordt gevraagd voor welk probleem dit een oplossing is en dan krijgen we een voorbeeld van verpieterende gebouwen. Vindt de Minister dan dat onze kust op sommige plekken aan het verpieteren is onder het huidige regime en dat zij met haar voorgestelde nieuwe regime, dat nu gelukkig een tijdje uitgesteld wordt, die verpietering tegengaat?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ja. Strandtenten krijgen nu al een tijdelijke ontheffing, maar mogen er maar een paar maanden staan. Dat zijn niet altijd de allermooiste en allerfraaiste gebouwen en dat kan ik me voorstellen als je ze iedere keer moet opbouwen en afbreken. Het kan best zijn dat als iemand een permanente strandtent wil openen en ook in de winter een kop koffie of erwtensoep wil aanbieden, de gemeente of het waterschap eisen stelt aan een mooiere en duurzamere inpassing. Dat is een van de voorbeelden die ik daarvoor gebruik.

Daarnaast is er de Nationale Visie Kust waarin door diverse partijen aangegeven is dat ze iets meer ruimte willen hebben voor toeristische, recreatieve en economische ontwikkeling. Economische ontwikkeling gaat niet over een verdienmodel van een projectontwikkelaar, zoals je nog weleens in deze discussie hoort, maar vooral over de manier waarop je de kust kunt gebruiken. Die dingen had ik voor ogen, toen ik dit voorstelde.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Gemeenten en provincies kunnen een heleboel, tot zij geconfronteerd worden met stevige economische belangen, zoals werkgelegenheid. Als het ene dorp zegt «dat doen we», dan zeggen de buren «dan doen we het ook». Hetzelfde hebben we gezien met bedrijventerreinen. Er zijn een heleboel halfvolgebouwde bedrijventerreinen die verpieteren terwijl een gemeente verderop nog een bedrijventerrein neerzet. Ook kunnen de provincies niet op tegen bedrijven als Thermphos of Moerdijk. Zijn er dingen waarvan de Minister vindt dat de bescherming echt van het Rijk moet komen, bijvoorbeeld in relatie tot de kust? Of vindt zij dat het Rijk slechts een basale rol heeft bij een overstromingsrisico en dat de rest bij lagere overheden belegd kan worden?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: De kern van de discussie betreft het vertrouwen in de diverse overheidslagen. Het is bijzonder dat iedereen zegt dat het allemaal bij het Rijk moet blijven, omdat het dan in goede handen is. Voor hetzelfde geld wordt de PVV bij de volgende verkiezingen de grootste, is de heer Madlener de Minister en kan hij een heel ander besluit nemen, net als mevrouw Van Tongeren een Minister zou zijn die een heel ander besluit zou kunnen nemen. Politieke wisselingen, andere democratische samenstellingen en andere wensen zijn altijd mogelijk of je nu op nationaal, lokaal of provinciaal niveau bezig bent.

Een andere vraag is wat je met elkaar wilt beschermen. Die discussie komt naar voren omdat men daar onvoldoende zicht op heeft. Aan dat traject gaan we de komende periode verder invulling geven. Ik geloof – dat heb ik ook altijd geuit – dat provincies dat heel goed kunnen doen. Net als een plan voor de provinciale landschappen kunnen ze heel goed een provinciaal kustplan maken. Sterker nog, Zeeland is dat aan het doen en dat is over twee jaar klaar. Zeeland geeft bij voorbaat aan dat het niets gaat doen terwijl het bezig is met het provinciale kustplan en dat het met iedereen praat over de manier waarop dat vorm wordt gegeven. Voor de gemeenten geldt hetzelfde. De Omgevingswet gaat ze verlokken tot omgevingsvisies en dergelijke. Dan blijft de vraag over of je er vertrouwen in hebt dat ze het goed doen. Waar gaan ze het belang neerleggen? Is dat bij economische ontwikkeling, het veiligheidsvraagstuk of bij de natuur? Datzelfde geldt voor het Rijk. Wij kijken ook vanuit diverse sectoren en departementen naar dit soort vraagstukken. Nogmaals, de essentie van het vervolgtraject is om met elkaar te praten over wat we beschermingswaardig vinden en over de manier waarop we het ruimtelijke kwaliteitsgebied neerzetten naast de dingen die we al hebben voor de bescherming van natuur en waterveiligheid.

De voorzitter: Ik probeer de tijd een beetje in de gaten te houden. Ik begrijp dat de Minister het nodige wilde vertellen over het ontwerpbesluit dat inmiddels even in de wacht staat. We moeten bekijken hoe we verdergaan, want de Minister heeft nog een aantal andere vragen waarop ze wil antwoorden. Ik wil de leden vragen om terughoudend te zijn met reacties, want anders gaat het ten koste van de tweede termijn. Misschien dat we hiermee het onderwerp «kust» kunnen afronden. Als dat zo is, gaan we door met de beantwoording van de andere punten.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Graag voorzitter, want dat zijn onderwerpen die wél doorgaan. Ik wil best nog wat meer over de kust zeggen, maar ik denk dat de Kamer dat zelf niet wil. Ik probeer er zo snel mogelijk doorheen te gaan, ook al zijn er veel gedetailleerde vragen. Deze antwoorden zijn iets technischer.

Ik ga verder met het kopje «grondeigendom» waarbij zelfrealisatie en onteigening aan de orde komen. Daarna volgt het Rli-advies, de aanvullingswetten geluid en bodem, de implementatie van de Omgevingswet en OLO 3.0, de plattelandswoningen en het kopje «divers», waar de VTH, de Natuurwet en de klimaatvragen inzitten.

Voor grond en onteigening geldt dat wij vinden dat we de motie over zelfrealisatie uitgevoerd hebben. Mijn collega Blok had het afgelopen jaar het voortouw om uitgebreid onderzoek te doen naar zelfrealisatie, ook naar aanleiding van die motie. Ik verwijs in de brief dan ook naar een groot aantal onderzoeken en rapporten die bij de brief zijn gevoegd, zoals het rapport Concurrentie en keuze op de markt voor nieuwe koopwoningen, een vervolgmeting met een update voor de jaren 2013 en 2014. Daarin hebben ik en vooral mijn collega aangegeven dat inperking van zelfrealisatie niet aan de orde kan zijn, omdat je daarmee de bescherming van het eigendomsrecht tegen inbreuken door de overheid aantast. Dat dit niet kan, ligt niet alleen vast in de Grondwet, maar ook in het Europees recht. Daarnaast noemen we een aantal maatregelen waarmee we misbruik van zelfrealisatie proberen tegen te gaan. Ik denk dat dit voor de heer De Vries een belangrijk element is. Het gaat om een rapport uit het verleden waarop ook de toenmalige Minister van VROM, mevrouw Cramer, in juni 2009 een reactie heeft gegeven in het VROM-advies Grond voor kwaliteit. Zij gaf aan dat de onwenselijke effecten van monopolieposities voorkomen moeten worden, maar dat zij niet de mening van de VROM-raad deelde dat tot een heroverweging van het zelfrealisatierecht gekomen moest worden. Zowel in het verleden als in de huidige situatie is er niet alleen uitgebreid naar gekeken, maar ook op gereageerd door de overheden. We hebben steeds aangeven dat we daarmee aan de motie hebben voldaan. Dat het antwoord een ander is dan was gewild, is iets anders dan dat niet aan de motie wordt voldaan.

De heer De Vries zegt dat op het moment dat iemand grond heeft waarop een project gerealiseerd kan worden, die niet voor de marktwaarde gecompenseerd moet worden maar voor de verwervingswaarde of iets daartussenin. Daarmee zorg je ervoor dat iemand die risico genomen heeft – dat kan goed of slecht uitpakken en de afgelopen jaren hebben we gezien dat ontwikkelaars of individuen heel veel verliezen hebben geleden – op een ander moment niet van de winst kan profiteren. Dat gaat voor mij in relatie tot de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens te ver. Er zijn allerlei andere punten van belang om de gemeenten meer handvatten voor het grondbeleid te bieden om kwaliteit af te dwingen en te veel speculaties te voorkomen. De onderscheidende punten zijn dat de financiële regels voor grondexploitaties worden aangescherpt. Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten wordt hiertoe door mijn collega van Binnenlandse Zaken aangepast. De commissie-BBV zal ook een nieuwe notitie over grondexploitatie publiceren. Een paar voorbeelden van aanpassingen zijn dat, om de financiële risico's te verkleinen, grondexploitaties worden gebonden aan een risicotermijn van tien jaar en dat langer durende grondexploitaties alleen zijn toegestaan als gemeenten beheermaatregelen treffen. Volgens mij gingen het verzoek van de heer Smaling over de rekenkamer en de opmerking van de heer Madlener hier ook over en zitten de heren op het gebied van speculaties door gemeenten op dezelfde lijn. Wat dat betreft ontstaan vandaag bijzondere coalities. Daarnaast mogen gemeenten alleen kosten bijschrijven op bouwgrond en exploitatie en niet meer op grond die is aangekocht met het oog op mogelijke toekomstige ontwikkelingen, «de niet in exploitatie genomen gronden», zoals dat nu nog heet. Die niet in exploitatie genomen gronden verdwijnen als aparte categorie en moeten gewoon tegen de verkrijgingsprijs of, als die lager is, tegen de huidige marktwaarde in de boeken opgenomen worden. De heer Houwers vroeg daarnaar. Dit zijn een paar elementen die in het grondbeleid zitten. De Kamer heeft dit allemaal kunnen lezen, maar het kan zijn dat zij met andere onderdelen van dit debat bezig is geweest.

Of de rekenkamer er jaarlijks naar moet kijken, is echt een besluit van de gemeenteraad. Sommige gemeenteraden besluiten daartoe, maar we kunnen het niet nationaal afdwingen. Dat is een bevoegdheid van de gemeenteraad. Tegelijkertijd zijn de gemeenteraden na alle afschrijvingen in de grondbedrijven van de afgelopen jaren een stuk voorzichtiger geworden en hebben ze veel meer inzicht gevraagd. De raden wisten het toen niet, maar dat kunnen ze nu niet meer zeggen. Ze kijken er dus ook actiever naar.

Mogen gemeenten alleen grond in bezit hebben voor zaken als gemeentehuizen? Ik wil een actief grondbeleid van gemeenten niet verbieden. Tegelijkertijd probeer ik het faciliterend grondbeleid te versterken en te verbeteren met al mijn voorstellen, zodat de twee modellen naast elkaar gehanteerd kunnen worden. Een verbod op het kopen van grond past niet bij de ruimte die ik gemeenten wil geven om hun eigen beleid te voeren en toe te passen op de lokale situatie. Handelen op een grondmarkt is bijvoorbeeld een gemeentelijke verantwoordelijkheid waar ik niet in wil treden. Daarnaast speculeren de raden minder door de huidige spelregels en de wijze waarop men dingen kan aftrekken en er gecontroleerd wordt en zijn ze meer gericht op het aankopen van gronden voor te ontwikkelen locaties. De PVV zei, net als de heer Houwers, dat het wenselijk zou zijn als de gemeenten niet of minder als exploitant optreden. Daarvoor geldt dezelfde motivatie. Ik kan en wil ze dat niet verbieden, maar ik wil er wel voor zorgen dat de andere instrumenten voor het faciliterend grondbeleid sterker worden waardoor de markt veel beter kan opereren.

Binnen het grondbeleid ligt de beleidsverantwoordelijkheid voor de bouw van middeldure huurwoningen bij gemeenten. Met de Omgevingswet en de aanvullingswet grondeigendom krijgen gemeenten voldoende instrumenten in handen om de bouw van middeldure woningen mogelijk te maken. Dit is een antwoord op de vraag en zorg van de heer Madlener. Hij heeft ook zorgen of er wel voldoende particuliere woningbouw tot stand komt via de zelfbouw of het particulier opdrachtgeverschap, waar we vroeger veel over spraken. Door het verbeteren van de mogelijkheden van de uitnodigingsplanologie en het faciliterend grondbeleid in de wetgeving worden de mogelijkheden voor marktpartijen en burgers die op dit punt willen ondernemen, verruimd. Met de Omgevingswet en de aanvullingswet grondeigendom krijgen de gemeenten voldoende instrumenten in handen om dit te stimuleren. Ik heb het niet gezien in de cijfers, maar de heer Madlener zal ongetwijfeld onderzocht hebben dat er een afname is geweest. Die kan goed te maken hebben met de economische malaise waardoor de doorstroming überhaupt relatief beperkt was. In ieder geval biedt dit instrumentarium allerlei mogelijkheden om de situatie te verbeteren en daaraan tegemoet te komen.

Er werd gevraagd waarom ik het voorkeursrecht niet afschaf. Hoewel uit de evaluatie naar voren komt dat het voorkeursrecht spaarzaam wordt ingezet, ben ik toch geen voorstander van afschaffing. Het instrument is noodzakelijk om bij een gewenste maatschappelijke ontwikkeling regie te voeren op de grondmarkt. Met voorkeursrecht kan voorkomen worden dat in een vroeg stadium van planvorming grondposities worden ingenomen die de gewenste planvorming bemoeilijken of onmogelijk maken. In een vroeg stadium kan dan voorkomen worden dat de prijs van gronden die nodig zijn voor de gewenste ontwikkeling bewust wordt opgedreven, het speculatie-effect. Het blijft noodzakelijk dat de overheid waar nodig regie kan voeren op de grondmarkt en zo kan bijdragen aan een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in Nederland.

De heer Smaling heeft een aantal vragen over de stedelijke herverkaveling gesteld. Hij heeft behoefte aan extra informatie over het rapport Wettelijke transactiekosten bij vrijwillige stedelijke herverkaveling en heeft een aantal vragen gesteld aan onderzoekers van Fakton, die in mijn opdracht een onderzoek naar de wettelijke transactiekosten bij de vrijwillige stedelijke herverkaveling uitvoeren. Het onderzoek is afgerond en zit als bijlage bij mijn brief. Ik zeg toe dat ik de onderzoekers zal vragen om specifiek op zijn vragen in te gaan.

De heer Albert de Vries (PvdA): De feiten zijn dat de commissie Huizenprijzen een rapport heeft aangeboden. In dat rapport stond heel stellig dat het huidige grondbeleid een oorzaak was van de huidige vastgoedcrisis. Bij de behandeling van dat rapport is een motie aangenomen waarin gevraagd wordt om de effecten van zelfrealisatie grondig te onderzoeken. Op 17 september 2015 – let wel, de motie is op 11 maart 2014 aangenomen – dus anderhalf jaar later schrijft Minister Blok aan de Kamer dat er eind oktober een brief komt van Minister Schultz waarin staat dat de motie wordt uitgevoerd. Ik heb de brief tien keer gelezen, maar ik heb geen passage aangetroffen waarin staat dat er een grondig onderzoek is gedaan naar de effecten van zelfrealisatie. De effecten van zelfrealisatie zijn dat de eigenaar altijd het enige recht heeft om te ontwikkelen, dat er geen mededinging plaatsvindt en dat er geen mogelijkheid is om het beste plan te kiezen. De PvdA vindt het onderzoek heel hard nodig om nieuwe crisissen te voorkomen.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik verwijs in mijn brief naar een groot aantal onderzoeken en naar een aantal rapporten, zoals het rapport Concurrentie en keuze op de markt voor nieuwe koopwoningen, een vervolgmeting en update van wat er in 2013 en 2014 was onderzocht. Ik geef aan waarnaar wij gekeken hebben en waarom ik verdere inperking van zelfrealisatie niet aan de orde vind. Het is niet zo dat iemand die eigen grond heeft altijd een plan kan realiseren, want als hij niet voldoet aan wat de gemeente in haar omgevingsplan heeft vastgesteld en aan de gestelde kwaliteitseisen, is er voor de gemeente een grond om tot onteigening over te gaan. Er zijn mogelijkheden voor een gemeente om een oplossing te bieden als iemand kwaad wil binnen de huidige wetgeving. Daar gaat het ook om, want de zorg van de heer De Vries zit in de vraag wat er gebeurt als er een bestemmingsplan is, maar een eigenaar niets doet of kwaad wil. Ook dat beschrijf ik in mijn brief. Er ligt een onderzoek en er is een rapport over. We geven ook aan wat we willen doen met betrekking tot zelfrealisatie en wat we aanbieden om uitwassen tegen te gaan, maar stellen een grens bij het inperken van de zelfrealisatie, omdat we denken dat de huidige wetgeving voldoende is om uitwassen tegen te gaan en omdat het in strijd is met de Grondwet en het Europees recht om het eigendomsrecht aan te tasten. Ik ben er oprecht van overtuigd dat we de motie beantwoord en uitgevoerd hebben. De heer De Vries vroeg om het grondig te onderzoeken. Dat hebben we gedaan en het gevolg is dat we een aanpassing hebben gedaan en dat we van één punt zeggen dat we dat niet aanpassen. Er is een verschil in de uitkomst, maar de motie zei niet: gij zult het inperken.

De heer Albert de Vries (PvdA): Dit is een merkwaardige discussie die niet eindigt met de conclusie dat het niet kan, maar begint met de vaststelling dat de Minister het niet wil. Past het om op die manier om te gaan met uitspraken van de Kamer? De Partij van de Arbeid hecht er zeer aan dat dit grondig wordt uitgezocht en dat we nadenken over de manier waarop we speculatie in de toekomst kunnen voorkomen. In Amsterdam en Utrecht zien we dat de woningmarkt alweer helemaal over de kop gaat en dat speculatie optreedt. Het is een belangrijk maatschappelijk vraagstuk. Is de mening van de Minister hierbij leidend of het onderzoek dat gedaan is? Ik heb het onderzoek niet aangetroffen, maar als de Minister vindt dat het gedaan is, is het de vraag of het leidend is.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: De onderzoeken en de rapporten zijn bij de brief gevoegd. Het is niet alleen de mening van de Minister en zeker niet de onwil van de Minister, zoals ik proefde uit de woorden van de heer De Vries. Ik gaf aan dat ik er naar mijn stellige overtuiging uitgebreid op ben ingegaan. De heer Blok deed dat ook, vanuit zijn eerste verantwoordelijkheid, maar het is hier besproken omdat in de commissie het grondbeleid aan de orde is. Er zitten instrumenten in het grondbeleid die ervoor zorgen dat de vroegere nadelige effecten, waar de commissie naar verwees, in de toekomst niet meer kunnen optreden of ingeperkt zijn. Over één element verschillen wij van mening: de uitkomst of je zelfrealisatie moet inperken. Los van het feit dat dit onwenselijk is omdat je het eigendomsrecht naar mijn mening aantast, wordt dit gestaafd met de Grondwet en het Europese recht op dit vlak. Ik voer de motie uit, de rapporten liggen er, we trekken beleidsinhoudelijke conclusies en ik neem de Kamer hier uitermate serieus in, maar we komen op dit ene stukje echter niet nader tot elkaar.

De voorzitter: Wellicht krijgt het nog op een ander moment aandacht. Ik heb zomaar het idee.

De heer Smaling (SP): Kan de Minister een inschatting maken van de consequenties van een aantal zaken die doorgevoerd worden? Als je optelt dat in het Besluit begroting en verantwoording niet in exploitatie genomen grond zit, je al die pps-constructies niet meer toestaat en je ook nog een planschade voor krimpgebieden moet betalen, waar kom je dan ongeveer uit, zonder dat gemeenten straks à la Apeldoorn de vierkante meters moeten terugkopen tegen de agrarische waarde? Dit slaat neer bij de burger in de vorm van verhoging van de onroerendezaakbelasting, het sluiten van theaters en zwembaden en het stoppen van onderhoud in de buitenwijken. De financiële consequenties zijn aanzienlijk en daar lees je niets over.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Kwantitatief kan ik dat nu nog niet beoordelen. Dat hangt van de initiatieven af. Ik geef in het grondbeleid meer ruimte voor facilitering in plaats van actief grondbeleid van de gemeente. Daar is behoefte aan. Gemeenten willen af en toe helemaal niet de trekker van een project zijn. Er zijn ook private initiatiefnemers die dat goed kunnen, zodat de gemeente geen kosten hoeft te maken voor onteigening of dat soort zaken. Er komt een groter instrumentarium om dingen mogelijk te maken. De uiteindelijke keuzes in wat men daarvan overneemt en wat men ermee doet, moeten we in de gaten houden.

De heer Smaling (SP): Ik zie het misschien niet goed, maar de gemeente heeft een gemeentelijke begroting met daarin het grondbedrijf. Door wat wordt ingevoerd, kunnen ze nog langer lege bouwkavels in de begroting handhaven, maar kunnen ze de projecten niet doortrekken over een periode van langer dan tien jaar? Dat betekent dat ze heel erg snel moeten gaan waarderen of grond moeten gaan verkopen tegen agrarische waarde. Dat kost klauwen met geld. Zie ik dat goed? Zo ja, hoe lossen we dat op zonder dat de burger uiteindelijk de dupe is?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Of ze realiseren gewoon wat ze van plan waren. De Kamer vond het een gekke zaak dat de gemeenten alles opkochten en in eigen hand hielden en daarmee allerlei initiatieven onmogelijk maakten die op de plank lagen. Dan verzin ik een paar regels waardoor je niet allerlei zaken eindeloos op de plank kan laten liggen, ik bied gemeenten mogelijkheden om aan de private kant de duimschroeven aan te draaien als iemand niets doet en ik zorg ervoor dat gemeenten niet alles eindeloos in eigen bezit houden tot aan het einde der tijden, zodat er niets mogelijk is. Ik bied instrumenten aan beide kanten. Als een gemeente een bestemmingsplan heeft en in het kader van het bestemmingsplan gronden heeft opgekocht, moet het daar ook iets realiseren. Waarom moeten die plannen blijven liggen?

De heer Madlener (PVV): Natuurlijk, er moeten woningen gerealiseerd worden, want er is een toenemende vraag. Maar doe dat het liefst op een kleinschalige manier, dus door particuliere bouw en in de middeldure huursector. De woningstichtingen mogen niet meer investeren in woningen met een middeldure huur, de huur boven de huurgrens. Niemand pakt dat op. Waarom niet? Omdat er geen betaalbare kavels beschikbaar zijn. De gemeenten hebben allerlei afspraken over sociale woningen gemaakt en er zijn woningcorporaties die met maatschappelijk kapitaal op de markt opereren, maar hoe krijgen we het voor elkaar dat de middeldure sector ook van de grond komt? Er is een groeiende vraag en de gemeenten hebben te weinig instrumenten om voor die sector kleinschalige ontwikkelingen mogelijk te maken.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik ben groot voorstander van particulier opdrachtgeverschap, omdat ik denk dat het zorgt voor eigenaarschap en liefde voor een gebied als je zelf bouwt en dat kleinschalig of met een aantal mensen in een wijk doet. Ik woon weliswaar in een heel oud stuk stad, maar daar is eigenlijk particulier opdrachtgeverschap avant la lettre, want alle panden zijn op een verschillende manier binnen rooilijnen, daklijnen en de stedenbouwkundige visie gebouwd. Dat zorgt voor een langduriger schoonheid, die misschien minder verveelt. Ik ben daar voorstander van en ik probeer met de regelgeving meer ruimte daarvoor te scheppen. Ik heb net wat voorbeelden gegeven.

Het andere element gaat over de kosten van grond. Wat schaars is, kost geld. Je hebt de sociale woningbouw en de koop, en je wilt voorkomen dat aan de onderkant van de koop en de bovenkant van de huur ruimte is. De corporaties worden al veel diverser in wat ze aanbieden. Minister Blok heeft ervoor gezorgd dat er meer diversiteit is, omdat de corporaties een aantal delen moesten afstoten voor koop waardoor er in het middensegment zaken vrijkwamen die eerst alleen in het sociale huursegment zaten. Het hangt er een beetje vanaf waar je zit; we hebben in Nederland dure delen die misschien alleen maar duurder worden – dat is bijna niet tegen te gaan – en goedkopere delen. Ik zou niet weten hoe wij de grondprijs moeten drukken. Wij moeten ervoor zorgen dat in verschillende sectoren aanbod gerealiseerd wordt.

De heer Madlener (PVV): Ik wil de Minister toch even corrigeren. Het is juist Minister Blok die ervoor gezorgd heeft dat corporaties in de middeldure huursector niet meer aanbod kunnen realiseren. Daarmee zijn een belangrijke speler en een belangrijk aanbod weggevallen. Wij hoopten op een rijke particulier die een huis voor zijn kind bouwt en het verhuurt of op een kleine investeerder die niet alleen in winkels, maar ook in woningen investeert. Dat kan met de huidige grondprijs niet gerealiseerd worden. Een sociale woning heeft een lage grondprijs en daar worden goedkope kavels voor bedacht, maar voor de middeldure huur is dat niet het geval. Moet er geen instrumentarium komen waardoor de gemeenten gronden kunnen aanwijzen voor deze specifieke bestemming, waardoor het haalbaar wordt? Is de Minister bereid om in die trant mee te denken?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Dat kunnen ze. Ze kunnen in hun bestemmingsplan en straks in hun omgevingsplan aangeven dat bepaalde gebieden een bepaalde bestemming moeten hebben.

De voorzitter: Ik kijk naar de klok. Kan de Minister doorgaan na 18.00 uur? Wat betreft de zaal kan dat, maar kan het ook wat betreft de agenda van de Minister?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ja hoor. Ik heb bewindsliedenoverleg en dan geef ik even door dat ik later kom.

Ik ga snel verder met onteigening. Voor mij is dit, zeker als liberale Minister, een ongelofelijk belangrijk onderwerp. Eigendom en eigendomsrecht is belangrijk, misschien niet alleen voor liberalen, maar voor de brede bevolking. De modernisering van het onteigeningsrecht is op een zodanige wijze gedaan, dat we daarmee de kracht van de bescherming tegen onteigening niet hebben weggehaald.

De heer Veldman vroeg of een overheidsorgaan verplicht wordt om een inhoudelijke motivatie te geven als een onteigening wordt doorgezet bij een negatief advies van de adviescommissie. Wordt het «comply or explain»-principe gehanteerd? Ja, dat volgt uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als een bestuursorgaan afwijkt van een advies van een bij wet ingestelde adviescommissie, moet het die afwijking motiveren. We hebben de adviescommissie expres ingebouwd. De Kroon wordt weggehaald, maar er komen meer mogelijkheden om iets bij de rechter aan de orde te stellen en we hebben voor de zekerheid de adviescommissie ingebouwd. Eigenlijk zit er een dubbel slot op oneigenlijk gebruik.

De heer Veldman vraagt of het voorgestelde proces er zo uitziet dat de overheid pas een definitief besluit kan nemen nadat de op te richten landelijke adviescommissie een advies heeft afgegeven. Het antwoord daarop is ook ja.

De heer Veldman vroeg of ik van mening ben dat er nog een behoorlijke verbeterslag te maken is in het minnelijk traject, voordat er tot onteigening wordt overgegaan en hoe het gesprekstraject om er op een fatsoenlijke manier samen uit te komen eruitziet, en welke stappen daarin gezet worden. Een minnelijk overleg is het belangrijkst. Als men met elkaar besluit iets te doen in de publieke ruimte, moet men eerst bekijken of men partijen daartoe bereid kan vinden en of men draagvlak kan vinden om er gezamenlijk uit te komen en een plan te maken. Onteigening is echt the last resort. In mijn brief geef ik aan dat het uitgangspunt is om waar mogelijk minnelijk te verwerven. Ik krijg geen signalen dat het minnelijk overleg tekortschiet. In de huidige regeling toetst de Kroon of het minnelijk overleg voldoende noodzaak tot onteigening geeft, maar in de nieuwe regeling zal het minnelijk overleg ter toetsing aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd. Daar zit een houvast in. De onafhankelijke adviescommissie zal voorafgaand aan het vaststellen van het onteigeningsbesluit adviseren over het gevoerde minnelijke overleg. Ook de adviescommissie kan zeggen dat men niet eens om tafel heeft gezeten en dat de gemeente eerst meer huiswerk moet doen voordat er verder gepraat wordt over onteigening.

Waarom laat ik de civiele rechter niet langer de onteigening uitspreken? De civiele rechter blijft de schadeloosstelling vaststellen, maar in het nieuwe stelsel is het niet langer nodig dat de civiele rechter de onteigening uitspreekt. In het nieuwe stelsel kan de onteigening worden geëffectueerd als er een onherroepelijk onteigeningsbesluit is en er aan de aanvullende wettelijke voorwaarden is voldaan. De bestuursrechter wordt bevoegd het onteigeningsbesluit te toetsen. Voor de overgang van het eigendom geldt dat er een onherroepelijke planologische grondslag moet zijn, een plaatsopneming voor het vaststellen van de schadeloosstelling is voltooid en het voorschot op de schadeloosstelling is vastgesteld en uitbetaald. Dat zijn belangrijke elementen. Bij de laatste twee speelt de civiele rechter een beslissende rol. Een flitsonteigening is niet mogelijk, omdat dit alles is vastgelegd. Als aan dit samenstel van in de wet vastgelegde en eenduidige voorwaarden is voldaan, volgt uit de wet dat het eigendom bij onteigeningsakte kan overgaan. De vaststelling of aan die voorwaarden is voldaan, is gemakkelijk controleerbaar waarbij geen inhoudelijke afwegingsruimte bestaat. Ik kies er daarom voor om de controle over te laten aan de notaris die bij de eigendomsoverdracht wordt betrokken. Dan bestaat er geen afwegingsruimte, je hebt het gedaan of niet, en dan is het niet nodig om de civiele rechter met zo'n taak te belasten.

Wanneer is de onteigening definitief? Voor het definitief worden van de onteigening zijn zowel de besluitvorming van het bestuursorgaan als de betrokkenheid van de civiele rechter van belang. De onteigening is pas definitief als de onteigeningsakte in de openbare registers wordt ingeschreven. Daarvoor moet het besluit tot onteigening onherroepelijk zijn geworden en moet ook het planologisch besluit dat voor de onteigening plaatsvindt onherroepelijk zijn. De notaris mag pas de onteigeningsakte opmaken nadat de schadeloosstellingsprocedure is gestart en de civiele rechter in deze procedure een voorlopige schadeloosstelling heeft bepaald, die is uitbetaald, en de plaatsopneming is uitgevoerd, zoals ik net ook al zei.

De heer Ronnes vroeg of de verkeerswaarde of de gebruikswaarde gebruikt wordt. Ik handhaaf de verkeerswaarde van een onteigende zaak als uitgangspunt voor de bepaling van de schadeloosstelling. Ik wil geen verslechtering van de vermogenspositie van de onteigende. In mijn ogen is het niet redelijk dat iemand die zijn onroerende zaken moet afstaan voor het algemeen belang een lagere prijs krijgt dan de verkeerswaarde. Het huidige wettelijke stelsel kent een aantal correcties op de verkeerswaarde. Er vindt bijvoorbeeld korting op de verkeerswaarde plaats voor onredelijke verrijkingen van de eigenaar. Die correcties wil ik behouden.

De heer Ronnes vroeg of het efficiënt is om de rol van de Kroon te schrappen. Ik moderniseer de huidige Onteigeningswet en de eerste vraag die ik mij daarbij stelde, was of ik als ik voor het eerst een regeling voor onteigening zou opstellen, zou kiezen voor de onteigeningsprocedure zoals die in de afgelopen 165 jaar is ontstaan. Het antwoord daarop is nee. Aansluiting op het bestuursrecht is een van de uitgangspunten van de stelselherziening, net zoals elk bestuursorgaan de benodigde instrumenten moet krijgen om het omgevingsbeleid uit te voeren. Onteigening is een van die instrumenten. Ik werk daarom een onteigeningsprocedure uit waarbij het bestuursorgaan dat het aangaat het onteigeningsbesluit neemt, in plaats van de Kroon. De procedure van de Kroon is een erfenis uit het verleden, door wetgeving en jurisprudentie ontstaan. Ik sta ervoor in dat de procedure efficiënt zal zijn en net als de huidige procedure voldoende waarborgen biedt voor eigenaren.

De heer Ronnes (CDA): De Minister geeft aan dat zij eigengrondbezit een belangrijk goed vindt en dat we daar zorgvuldig mee om moeten gaan als we tot onteigening overgaan en dat ze het niet meer zo zou doen als we 150 jaar geleden deden. Het steekt het CDA dat het nu lijkt alsof het bestuursorgaan dat in heel veel van de gevallen de plannen maakt, met eenzelfde hamerslag het onteigeningsbesluit kan nemen. We noemen dat «de flitsonteigening». Ik weet dat de Minister achteraf een aantal vangnetten heeft aangebracht, maar in de richting van de grondbezitter zou het netter zijn om een tweetrapsraket in te bouwen, waarbij een bestuurslaag het besluit over een bepaald plan en het voornemen tot onteigening neemt, maar een andere laag dat besluit neemt. In het huidige geval is dat de Kroon. We doen geen recht aan de status van het eigen bezit als we die procedure zo eenvoudig maken dat hetzelfde bestuursorgaan met één hamerslag het besluit kan doorvoeren.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik wil de zorg van de heer Ronnes met betrekking tot een flitsonteigening echt wegnemen. In plaats van de Kroon komen de bestuursrechter, de civiele rechter en de onafhankelijke adviescommissie. Het bestuursorgaan dat verantwoordelijkheid moet dragen voor zijn eigen daden en dus ook het besluit over onteigening kan nemen, moet dat niet alleen gemotiveerd doen, maar het besluit gaat ook langs een aantal partijen die daarop toezien en het aan nationale en internationale verdragen met betrekking tot eigendomsrecht en op de procedure toetsen. Dat is een heel zorgvuldige procedure waarbij degene die het beleid maakt en het onteigeningsbesluit neemt, van tevoren goed moet nadenken of hij dit überhaupt kan maken. Nu kan men het gewoon proberen en het besluit vervolgens naar de Kroon sturen. Misschien dat de afweging aan de voorkant zelfs nog wel sterker wordt.

De heer Ronnes (CDA): Ik voel dat we niet snel op één lijn komen. De Minister geeft aan dat een gemeentebestuur heel erg goed moet motiveren waarom afgeweken wordt van een advies van de commissie, maar het besluit is uiteindelijk altijd van het orgaan dat zelf vaak de planvormer is. In die zin keurt men zijn eigen vlees.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Uiteindelijk is er altijd de toets van de rechter.

De heer Veldman (VVD): Ik had de vraag van de heer Ronnes iets anders gesteld: hoe ziet het proces eruit en wanneer vindt die toetsing plaats? Werkt het straks zo dat een college van burgemeester en wethouders een voorgenomen besluit neemt en dat naar de adviescommissie stuurt, die advies geeft? Begrijp ik goed dat als de commissie negatief adviseert, dat negatieve advies bij het besluit van het college wordt gevoegd, en dat als het college het besluit wil doorzetten, het aan de gemeenteraad gemotiveerd moet omschrijven waarom het afwijkt van het advies, en dat pas daarna de gemeenteraad een besluit kan nemen? Als er een negatief advies ligt, kan ik mij, indachtig de zorg die de heer Ronnes heeft dat het om hetzelfde bestuursorgaan gaat, voorstellen dat het netjes is als de potentieel onteigende juridische ondersteuning krijgt. Die moet dan de stap naar de rechter zetten. Met juridische ondersteuning kan hij bij een negatief advies een goede kans bij een rechter maken.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Het proces is inderdaad zoals de heer Veldman schetst. Als er een negatief advies is van de commissie, zal het college zich daarop moeten beraden. Wil het het besluit toch doorzetten, dan moet het dat gemotiveerd aan de raad voorleggen. Daarna heeft de potentieel onteigende de rechterlijke gang ter beschikking. Ik had inderdaad de vraag over ondersteuning niet beantwoord. Wat mij betreft kan die georganiseerd worden. Misschien wel vanuit de commissie, want die is bedoeld ter bescherming van de onteigende en het serieus nemen van het onteigeningsrecht. Misschien moet het op een andere manier, maar wat mij betreft kan die juridisch ondersteuning plaatsvinden.

De heer Veldman (VVD): Dat is mooi. Ik vroeg ook naar de proceskosten die iemand moet maken. De gang naar de rechter kost geld. Als er een positief advies ligt, hebben ook andere deskundigen ernaar gekeken en moet je er zelf voor gaan, maar als er een negatief advies ligt, kan ik mij voorstellen dat we de potentieel onteigende op alle manieren fatsoenlijk ondersteunen, zowel juridisch als met een vergoeding van de proceskosten.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Gezien de grote ingreep die onteigening is, ben ik bereid om naar de proceskostenkant te kijken. Ik kom met een voorstel. Dat moet geclausuleerd zijn, omdat het niet voor alle processen kan gelden waarbij men met de overheid te maken krijgt. Ik kom met een voorstel over de mogelijkheden terug naar de commissie.

Ik kom op de kortere blokjes, maar dat kortere weet je nooit zeker. Of ze kort zijn hangt van de belangstelling van de commissie af. Komt er advies van de Rli met betrekking tot de Omgevingswet over de vraag of er voldoende afwegingsruimte komt in de AMvB's? Het vergroten van de afwegingsruimte in de AMvB's is een van de doelstellingen. Ik werk daar hard aan en doe die zoektocht samen met maatschappelijke partners, vanzelfsprekend wel binnen de kaders van de Europese regels met betrekking tot gezondheid, veiligheid en milieu en de nationale belangen. Die blijven gewoon gelden. Ik ben wel op zoek naar de afwegingsruimte. Ik ben in de voorbereiding ook in gesprek met partijen, dus het is niet gek dat sommige woordvoerders erop wijzen dat er op sommige punten naar hun mening nog te weinig afwegingsruimte is. Het is een ongoing proces. Soms zal ik ze niet de ruimte geven die ze willen hebben, omdat bijvoorbeeld een nationaal belang of een Europese regel in het geding is. De essentie is dat ik de afwegingsruimte van belang vind.

Hoe kun je dat doen met doelvoorschriften in plaats van middelenvoorschriften? Door instructies, regels, meer open op te schrijven en door in je omschrijvingen bijvoorbeeld «rekening te houden met» in plaats van «in acht nemen» te gebruiken. Ik heb nog veel meer voorbeelden staan, maar die bewaren we voor een andere keer, want we hebben genoeg andere vragen te beantwoorden.

De SP vroeg of de normering voor windmolens verandert en er geluidproductieplafonds aan de orde zijn. De voorstellen voor geluid die in het kader van de Omgevingswet worden uitgewerkt, leiden niet tot een andere normeringssystematiek voor windturbines. Er komen geen specifieke geluidproductieplafonds voor windturbines. De huidige geluidsnormering voor windturbines in het activiteitenbesluit gaat inderdaad uit van een jaargemiddelde blootstelling. Daarbij kunnen over de tijd gezien hogere en lagere geluidsniveaus optreden. Normering via zo'n jaargemiddelde maat heeft een goede relatie met de ervaren hinder. Dat geldt overigens ook voor normering met andere geluidsbronnen.

Er is gevraagd of er een goede afstemming is van bodemnormen op drinkwaternormen. Er zijn twee stelsels normen, een voor drinkwater uit de kraan en een voor grondwaterkwaliteit. Die kunnen naast elkaar bestaan. Op het moment dat moet worden getoetst aan de algemene basisvereisten, wordt uitgegaan van de bodemnormen. Is er een specifiek belang in het geding dat vraagt om een strengere norm, bijvoorbeeld voor drinkwater, dan kan dat. De drinkwaternormen zijn uiteraard strenger dan de bodemnormen.

Mevrouw Van Tongeren vroeg naar de bescherming van het drinkwater bij mijnbouwactiviteiten en de samenloop met de Omgevingswet en de Mijnbouwwet. De Mijnbouwwet betreft een marktordeningswet op grond waarvan vergunningen worden verleend voor opsporing, winning en opslag op regionaal niveau. Een bedrijf krijgt met deze vergunning het alleenrecht voor de uitvoer van activiteiten. Aan de installatie worden vanuit de Mijnbouwwet strenge eisen gesteld. Daarmee wordt voorkomen dat lekkage naar het grondwater plaatsvindt. Voor concrete locaties en specifieke activiteiten is een Omgevingswetvergunning nodig die is gekoppeld aan een concrete locatie, een specifiek winningsplan of een opslagplan. De gemeente heeft de mogelijkheid om voorwaarden in te brengen via het adviesrecht op grond van de Mijnbouwwet en de verklaring van geen bedenking op grond van de Omgevingswet. Daar zit de link met de Omgevingswet, ook al heeft de Mijnbouwwet een heel andere vorm.

De voorzitter: Ik zie dat mevrouw Van Tongeren weg moet en ik excuseer de heer Wassenberg die al eerder vanwege andere verplichtingen weg moest. Mevrouw Van Tongeren heeft een vraag op dit punt en ik geef haar even voorrang omdat zij weg moet.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Dat vind ik heel attent, voorzitter. De Minister gaf een antwoord dat geldt voor een gewone boring, maar in de Mijnbouwwet heeft de gemeente geen adviesrecht. GroenLinks heeft dat met hulp van de PvdA erin proberen te amenderen, maar die amendementen liggen nog bij de Eerste Kamer. Noch de gemeenten noch de waterschappen mogen volgens de huidige wet adviseren. We proberen dat erin te krijgen; het is dus fijn als de Minister vindt dat dit zou moeten kunnen. De vraag gaat vooral over andere installaties, zoals die voor de oliewinning in Schoonebeek. Daar ligt een pijpleiding onder Overijssel. Die ligt niet diep, op een meter of twee, drie. Dat ding lekt op zestien plekken en veroorzaakt mogelijk een gevaar voor de waterwinning, zegt het waterwinbedrijf daar. De vraag gaat dus meer over de randverschijnselen rond de Mijnbouwwet en de waterkwaliteit. Kan daar wat grondiger naar gekeken worden? Ik weet dat het gaat om afstemming tussen Minister Kamp en deze Minister, maar ik wil er graag aandacht voor vragen.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Mevrouw Van Tongeren zei zelf dat de vragen over het adviesrecht nog lopen, dus ik denk dat via de Minister van Economische Zaken het antwoord zal komen op de vraag op welke manier men daarmee omgaat. Ik had het staan als: de gemeente heeft de mogelijkheid voorwaarden in te brengen via het adviesrecht op grond van de Mijnbouwwet en de verklaring van geen bedenking op grond van de Omgevingswet. Een verklaring van geen bedenking zit dan weer in de Omgevingswet. Ik kan er op dit moment geen diepgaander antwoord op geven. Volgens mij voert mevrouw Van Tongeren dit debat ook op een andere plek.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Het gaat om een aansluiting; de Mijnbouwwet moet aansluiten op de Omgevingswet. De bovenste laag van de grond heeft aansluiting op wat eronder gebeurt. Daar kunnen enorme effecten zitten. Dat de amendementen aangenomen zijn in de Tweede Kamer en nog niet door de Eerste Kamer, is iets waaraan de Kamer niets kan doen. Het hangt nog. Het is geen discussie, maar gewoon een procedure. Ik probeer er stelselmatig aandacht voor te vragen dat de Omgevingswet moet aansluiten op de Mijnbouwwet en dat in beide rekening gehouden moet worden met drinkwaterbelangen. Dat is mijn oproep.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voor zover ik weet, sluiten ze op elkaar aan en houden ze ook rekening met drinkwaterbelangen. Sowieso voeren we later nog een discussie over drinkwater, omdat een meerderheid van de Kamer heeft aangegeven dat zij vindt dat dat tot het nationaal belang moet behoren.

De heer Smaling vroeg wat we kunnen doen met betrekking tot een goede registratie van de informatie over de bodem. Bodeminformatie is van groot belang. We moeten ervoor zorgen dat de ingewonnen gegevens ook goed ontsloten worden. De huidige gegevens over milieukwaliteit zijn versnipperd. Er is een grote verscheidenheid aan kwaliteit, uniformiteit en toegankelijkheid van deze gegevens. Rijkswaterstaat, medeoverheden en netbeheerders zijn in 2015 een initiatief gestart om bodeminformatie centraal te ontsluiten. Dat is voorwerk geweest voor het Informatiehuis Bodem en Ondergrond en de Basisregistratie Ondergrond (BRO). Om bovengenoemde reden is ervoor gekozen om gegevens over milieukwaliteit tot nu toe nog niet op te nemen in de eerste tranche van de vijf registerobjecten. Mogelijk doen we dit in de volgende fase, die start na 1 januari 2017, wanneer daarvoor in het werkveld voldoende draagvlak is.

De heer Smaling vroeg hoe je onduidelijkheden in de wet met betrekking tot de taakverdeling voorkomt. Nu is de provincie het bevoegd gezag voor kleine gemeenten. Onder de Omgevingswet wordt dit helderder. De verantwoordelijkheid voor de leefomgeving komt primair bij de gemeenten te liggen. Voor de bodem zal dat niet anders zijn en is er dus geen sprake meer van onduidelijkheid over de rol.

Ik kom op de implementatie van de wet, de OLO's, de plattelandswoning, VTH, de Natuurwet en de klimaatwet. GroenLinks wil een reactie op de zorgen van de VNG over de implementatie. Ik ben samen met de overheden al geruime tijd bezig ervoor te zorgen dat straks iedereen naar de letter en geest van de wet kan werken. Dat betekent een enorme veranderopgave voor gemeenten. Ik vind het dus niet gek dat die daar op sommige punten tegenop zien. Het gaat ze heel veel opleveren. Dat zien ze ook, maar je moet eerst een proces door om daar te komen. Ik wil samen met de koepels faciliteren dat er een goed implementatieprogramma is. Ik zie al heel veel lokale initiatieven. Zo'n 30% van de gemeenten is al bezig om omgevingsplannen te maken voordat de wet überhaupt in werking gegaan is. Ik zie enthousiasme. Ik zal via een voortgangsmonitor jaarlijks, van 2016 tot 2018, de stand van zaken van de implementatie bijhouden.

De heer Ronnes vroeg of de ICT voor VTH betrokken wordt bij het digitale stelsel onder de Omgevingswet. Het digitale stelsel wordt op dit moment ontwikkeld. Daarbij betrekken we via de koepels expliciet de regionale uitvoeringsdiensten (RUD's) en bekijken we bijvoorbeeld via een impactanalyse op welke manier we het digitale stelsel kunnen laten aansluiten op hun processen. Men is daarmee net gestart.

Hoe ga ik om met de benodigde cultuurverandering, vraagt de heer Veldman. Het beeld van de heer Veldman is dat 2018 ver weg lijkt, maar dat er nu al actie nodig is. Er kan nu al worden begonnen, net als gebeurt met integraal werken en brede burgerparticipatie. Ik ondersteun dat met het programma Nu al Eenvoudig Beter. Om de beoogde verandering te bereiken, moet de implementatie zo dicht mogelijk bij de doelgroep gelegd worden. Het is niet zo dat ik zeg «gij zult nu voortaan anders handelen», maar het komt vanuit de gemeenten en provincies zelf. Ik werk samen met de koepels aan een implementatieprogramma en ik beloon en stimuleer de goede voorbeelden, bijvoorbeeld met het opzetten van living labs waar men een en ander kan uitproberen.

Waarom worden de RUD's niet betrokken in het onderzoek dat wordt voorbereid door het IPO en de VNG, vroeg de heer Ronnes. Natuurlijk worden bij het onderzoek ook de gegevens van de RUD's betrokken. Bovendien zijn de Omgevingsdiensten aangehaakt bij de veiligheidsregio's en uitvoeringsdiensten van gemeenten en provincies.

Zijn het wetsvoorstel VTH en de Omgevingswet botsende wetten? Nee, het wetsvoorstel voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving zal de Omgevingswet aanvullen. Via de invoeringswet wordt het wetsvoorstel VTH in de Omgevingswet opgenomen. Het wetsvoorstel legt een stevig fundament voor een uniforme en robuuste uitvoeringsstructuur. In de uitvoeringsdiensten worden kennis en kunde gebundeld. De milieutaak en complexe gevallen worden geborgd door een zogenaamd basistakenpakket. De toegevoegde kwaliteitseisen gelden voor VTH-taken voor het gehele stelsel. Deze aspecten zijn voor het gehele omgevingsrecht van belang en worden opgenomen in de Omgevingswet.

GroenLinks stelde een vraag over de Brzo en de regionale uitvoeringsdiensten en hoe je ervoor kunt zorgen dat deze voldoende op elkaar aansluiten. Er zijn 29 Omgevingsdiensten. Zes Omgevingsdiensten zijn gespecialiseerd in de Brzo-bedrijven en bundelen specifieke kennis. Die zes diensten doen alles op het gebied van Brzo. Dat is dus in één hand.

De heer Ronnes (CDA): Ik kom terug op de uitvoeringsdiensten, de Omgevingsdiensten en de veiligheidsregio's. De Minister gebruikt het IPO en de VNG als het ware als spreekbuis voor de communicatie met de uitvoeringsdiensten. Is het, gezien de impact die dit heeft op de agenda die zij moeten volgen, niet goed om een wijze, een platform, te vinden waarop zij actiever betrokken zijn en hun geluid rechtstreeks kunnen laten horen?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik begrijp dat ze actief betrokken zijn, maar niet in formeel-bestuurlijke zin, omdat dat via het IPO en de VNG, via de bestuurders, gaat. Ik zal nogmaals extra aandacht vragen van de bestuurders opdat ze erop toezien dat de uitvoerende diensten heel concreet hun bijdrage kunnen leveren en hun rol kunnen pakken.

Voor de luisteraars: OLO 3.0 gaat over de ICT-infrastructuur die nodig is om de Omgevingswet straks te laten werken. Dat is inderdaad vertraagd. Ik ben bezig met de voorbereiding van de Omgevingswet en OLO 3.0 was eigenlijk een pakket dat daaraan voorafgaand ingevoerd moest worden. We wilden eerst OLO 3.0 doen en daarna de digitale infrastructuur van de Omgevingswet. Omdat er vertraging is, gaan we ze nu meer in elkaar passen om tijdwinst te realiseren. De planning die wordt uitgewerkt, is gericht op een goede digitale ondersteuning bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het is complex – ik zal daar niet lichtzinnig over doen – want het is ingewikkeld om zo veel vraagstukken in een goed digitaal systeem te zetten. Het allerbelangrijkste is dat er bij de invoering van de Omgevingswet een heel solide basis ligt. Dus liever langzaam beginnen en verder opplussen met een goede betrouwbare basis dan alles in een keer proberen te realiseren en vervolgens een aantal jaren met de gebakken peren zitten. Ik probeer de invoering gezamenlijk op te pakken, zodat we een betrouwbare eerste stap zetten om vervolgens een eventuele uitbouw, als we die wenselijk vinden, in volgende stappen te kunnen doen. Als het in een keer kan, is dat mooi, maar ik ga mezelf en de overheid op dit vlak niet overvragen. Ik heb altijd gezegd dat ik de gemeenten minimaal wil bieden wat ze nu al hebben als we overgaan naar een nieuw systeem.

De heer Veldman (VVD): De Minister zegt dat zij twee trajecten in elkaar gaat schuiven. Dat kan een en ander risicovoller maken. Op ICT-gebied hebben we in het verleden natuurlijk wel wat uitdagingen gezien. We hebben bij de bespreking van de Omgevingswet afgesproken dat in de ontwikkeling en implementatie van het gehele ICT-verhaal van de Laan van de Leefomgeving, nadrukkelijk «go/no go»-momenten ingebouwd worden, zodat we in 2020 niet tegen elkaar zeggen: waren we er maar nooit aan begonnen.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik volg nadrukkelijk de aanbeveling van de commissie-Elias over BIT-adviezen (Bureau ICT-toetsing) op, maar ook de aanbevelingen in bredere zin. Het is zeker een uitdaging om twee trajecten samen te voegen. Ik zal daar nooit lichtzinnig over doen. We hebben het vaak over het beleid, maar de grootste problemen zitten vaak in de uitvoering van het beleid. We kennen diverse andere dossiers op andere departementen waar we het op het punt van het beleid allemaal wel met elkaar konden vinden, maar waar de grote ellende begon toen het vervolgens uitgevoerd moest worden. Ik zit hier bovenop. We volgen de adviezen zoals kiezen voor «go/no go»-momenten, maar als ik wacht en de trajecten apart doe, dan weet ik zeker dat de gewenste basis in 2018 niet geboden kan worden. Het is een complex, interessant traject en we zijn ons ervan bewust dat het niet eenvoudig zal zijn, maar dat het wel wenselijk is.

Ik maak een switch en ga over op de plattelandswoningen. De heer Houwers vroeg hoe de woningen nog effectief kunnen worden benut. Dat is in de eerste plaats een vraagstuk dat decentrale overheden moeten beantwoorden. Ik merk daarbij op dat het nemen van maatregelen om de luchtkwaliteit te bevorderen door het voormalig bedrijf een mogelijkheid is, bijvoorbeeld door bewoning van een voormalige bedrijfswoning mogelijk te maken. Functieveranderingen van dergelijke woningen zullen decentraal moeten worden bezien. Ook de heer Ronnes vroeg naar de stand van zaken met betrekking tot de plattelandswoningen. Ik had ruimte geboden en voor een deel ben ik daarop teruggefloten. Zoals uit mijn brief aan de Kamer blijkt, ben ik gehouden aan de Europese regelgeving voor het toetsen van luchtkwaliteit bij voormalige bedrijfswoningen. Ik kan de wet op dat punt dus niet repareren. Ik heb het bewust voorgesteld, maar ben dus teruggefloten. Dit heeft verder geen gevolgen voor het instrument plattelandswoning als zodanig, want voor bijvoorbeeld geur- en geluidseffecten van het bedrijf bij plattelandswoningen hoeft nog steeds geen toetsing plaats te vinden. De regels voor plattelandswoningen blijven daarmee een waardevol instrument. De inhoud van de Wet plattelandswoningen wordt opgenomen in AMvB's onder de Omgevingswet. Door de Omgevingswet komt er meer ruimte voor lokaal maatwerk. Vanzelfsprekend moet de regeling blijven voldoen aan de uitspraak van de Raad van State en de Richtlijn luchtkwaliteit, maar luchtkwaliteit moet ook onder de Omgevingswet getoetst worden. Dat neemt het nut van de regeling niet weg, want de regels gelden ook voor bijvoorbeeld geluid en geur. Ik wil de regels onder de Omgevingswet dan ook verbreden naar andere voormalige bedrijfswoningen.

De heer Ronnes (CDA): Ik meen me te herinneren dat in dezelfde brief staat dat de Minister in overleg treedt met de VNG over de manier waarop hiermee moet worden verdergegaan. Is er al wat bekend van dat overleg?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik ben regelmatig in gesprek met gemeente en provincie over dit onderwerp. In samenwerking met de VNG kunnen gemeenten voorlichting krijgen over deze wet en de mogelijkheden daarvan. Dat is wat wij met hen besproken hebben.

De heer Veldman (VVD): De Minister heeft aangeven dat zij een analyse gaat maken van de manier waarop andere landen hiermee omgaan. Dat lijkt mij heel verstandig, want ik kan mij niet voorstellen dat wij het enige land zijn dat problemen heeft met de Europese richtlijn. Kan zij daar al iets over melden? Afhankelijk daarvan wil ik bij de Minister neerleggen dat zij hier zo nodig op Europees niveau iets aan moet doen. Het kan niet zo zijn dat als wij een goede wet bedenken, wij erop teruggefloten worden.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik begrijp dat de heer Veldman zegt dat ik dit opnieuw aan de orde moet stellen in Europa. De luchtkwaliteitregelgeving komt daar natuurlijk gewoon vandaan. Ik moet bekijken of dit al aan de orde is gesteld, want ik zit zelf niet in de Raad en ik kan nu niet beantwoorden of het een kansrijk traject is of dat wij het al een keer geprobeerd hebben en daarvoor nul op het rekest hebben gekregen.

Mevrouw Van Tongeren heeft gevraagd naar de bescherming van mensen op het platteland. Ik vind dat ik met de Wet plattelandswoningen zorg voor een evenwicht tussen enerzijds ontwikkeling en vitaliteit van het platteland en anderzijds bescherming van de mensen die daar wonen. Daarmee heb ik het voor provincies en gemeenten decentraal mogelijk gemaakt om te bezien op welk manier deze afwegingen het best gemaakt kunnen worden. Daarvoor moeten de Europese normen voor luchtkwaliteit in acht genomen worden, en moeten geur en geluid worden getoetst en gewogen. Ik heb al aangegeven dat ik in de Omgevingswet de mogelijkheden wil verbreden naar andere bedrijfswoningen, uiteraard met de randvoorwaarden voor luchtkwaliteit die vanuit de richtlijn gelden.

Ik heb nog twee antwoorden liggen en ik lees ze zo snel mogelijk voor om tijd te besparen. GroenLinks vraagt of we nog steeds de Natuurwet integraal in de Omgevingswet laten opgaan. Ja, de wet is aangenomen door de Eerste Kamer. De komende maanden worden besteed aan het in elkaar schuiven van de Natuurwet en de Omgevingswet via een aanvullingswet. Er komt geen hoofdstuk «natuur» in de Omgevingswet. Die wordt netjes in de structuur van de Omgevingswet gepast. Daar is de Omgevingswet ook op voorbereid.

Ook vroeg mevrouw Van Tongeren of ik een omgevingswaarde voor CO2 opneem in de AMvB's. Parijs is natuurlijk een grote internationale doorbraak. We bekijken wat de betekenis is voor Nederland en welke doelstellingen we op lange termijn willen halen. Een vraag of CO2 als omgevingswaarde wordt opgenomen, betrekken we daarbij. Zoals de Kamer weet, is er een initiatiefwetsvoorstel over klimaat aangekondigd door PvdA en GroenLinks. Het is zaak deze dingen niet los van elkaar te zien, maar te bezien op welke manier we tot goede afspraken kunnen komen om onze doelstellingen te halen. Ik kan me heel goed voorstellen dat een nieuw kabinet daar invloed op wil uitoefenen. Dit moet ook bij de klimaatwetgevingsdiscussie aan de orde komen voordat het in de AMvB's wordt vastgelegd.

De voorzitter: Ik denk dat de noodzaak tot een tweede termijn gevoeld wordt. Laten we maximaal een minuut daarvoor nemen en ik hoop dat u het in minder tijd kan.

De heer Albert de Vries (PvdA): Voorzitter. Ik dank de Minister voor de antwoorden. Het is verstandig dat zij het verhaal over de kust uit het Barro teruggenomen heeft. Wij willen dat het beleid voor de kust in de Nationale Omgevingsvisie wordt vastgelegd en daartoe zullen wij een motie indienen.

Met betrekking tot het grondbeleid bestrijdt de Partij van de Arbeid dat de motie van de leden Janssen, Koolmees en Monasch is uitgevoerd. We hebben daar niets van gezien. We kunnen een wet die op de brief van 25 november is gebaseerd, dan ook waarschijnlijk niet steunen. We zijn wel bereid om compromissen te vinden. Als het op een beperkte manier mogelijk wordt om majeure plannen via mededinging tot stand laten komen, onteigening mogelijk is voor particulier opdrachtgeverschap en goedkope en middeldure huur mogelijk wordt gemaakt, dan zijn we een heel eind. Als bewoners niet alleen aangeslagen worden voor plannen die verlies opleveren, maar ook mee kunnen delen in de winst die andere plannen opleveren, zou dat erg helpen. De Partij van de Arbeid is het ermee eens dat we bij de onteigening moeten zorgen voor zorgvuldigheid, maar dat betekent nog niet dat we de hoofdprijs aan de eigenaar geven, want dat gaat ten koste van de bewoner en het kopen van een huis. Over het grondbeleid zullen we geen moties indienen, maar we zijn bereid om compromissen te sluiten.

De kust en het grondbeleid hebben zo veel tijd ingenomen, dat we voorstellen dat de andere belangrijke punten over de Omgevingswet opnieuw geagendeerd worden voor het algemeen overleg van 18 februari.

De voorzitter: Dat is iets voor de procedurevergadering.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Ik dank de Minister voor haar antwoorden. Ik ben blij dat de Minister erkent dat het proces geen schoonheidsprijsje verdient en dat zo veel mensen in het land terechte zorgen hebben gehad. Ik ben ook blij dat het verbod op bouwen aan de kust gehandhaafd wordt en er dus geen verruiming van bouwregels komt. De Minister heeft het over een kustpact. Ik wil niet dat er ineens een achterdeur ontstaat, dus vraag ik hoe dit eruit komt te zien, welke randvoorwaarden eraan worden gesteld en hoe de Kamer daarbij betrokken gaat worden.

De heer Ronnes (CDA): Voorzitter. Heel kort, anders vallen we in herhaling. Ik ben blij met de toezegging van de Minister dat zij even pas op de plaats maakt met het bouwen in de kuststreek. Op het punt van de onteigening zullen wij bij het VAO terugkomen.

De heer Smaling (SP): Voorzitter. Dank aan de Minister. We zijn ook blij met de voorlopige uitkomst van het kustberaad. We zullen de motie die de heer De Vries heeft aangekondigd, steunen. Misschien mag ik zijn pen wel vasthouden en mijn naam eronder zetten. Ook mevrouw Van Tongeren gaf dat soort signalen af. Zij is al vertrokken, al dan niet met medeneming van haar houten kralenketting. Dat laatste heb ik niet gecontroleerd.

Het is inderdaad jammer dat er wat onderwerpen zijn blijven liggen en ik deel de zorg van de heer De Vries, maar dat ligt niet aan de Minister. De Minister heeft er aardig de vaart in. Dat is een goede zaak, maar wij moeten wel in hetzelfde tempo meebewegen en ik ben bang dat wij op het moment iets achterblijven. Al die milieukwesties als geluid, bodem, stank en straks drinkwater lopen niet helemaal synchroon met het tempo van de Minister. Is het zinnig om een tabel te maken, zodat we de oude situatie en de nieuwe situatie kunnen vergelijken qua normstelling? Wordt het versoepeld in het ene geval of verscherpt in het andere geval? Dan krijg je een soort transponeringstabel, zoals bij het vertalen van een richtlijn in nationale wetgeving. Ik raak een beetje het overzicht kwijt over wie nou op een gegeven ogenblik waarover gaat. Wat doet de gemeente, het waterschap, de provincie enzovoort? Er is wel een bestuurlijk akkoord, maar het blijft allemaal wat geaggregeerd.

De heer Veldman (VVD): Voorzitter. De Minister neemt een verstandig besluit over de kust. Ik dank haar voor de antwoorden en de toezeggingen, zoals ik ze maar even lees, op mijn vragen over de juridische ondersteuning en de proceskosten voor potentieel onteigenden.

De Minister zegt over de plattelandswoningen dat zij nog weleens wil kijken naar de ruimte die er in Europa is, maar het maakt uit op welke manier zij dat doet. Als zij in het algemeen kijkt of we in Europa iets aan de luchtkwaliteitsnormen kunnen doen, zal het antwoord misschien gauw nee zijn. Ik kan mij voorstellen dat we in Europa niet alleen gaan kijken, maar ook gewoon aankaarten dat we Europees gaan regelen wat we bedacht hadden met de Wet plattelandswoningen. Ik kan mij niet voorstellen dat andere landen niet tegen precies dezelfde problematiek aanlopen. We hebben een goede wet, maar die is ingeperkt door uitspraken van de Raad van State. Ik vind dat we die wet moeten kunnen uitvoeren en dat de Minister dit in Europa moet regelen.

De heer Madlener (PVV): Voorzitter. D66 en GroenLinks willen de kust helemaal niet beschermen, maar volbouwen met windmolens. Ik zal opnieuw een motie indienen om te bekijken of we dat slechte plan van tafel kunnen krijgen. Het is toch eeuwig zonde als we niet kunnen genieten van een kust die niet volgebouwd is met windmolens.

Ik kom op de wens tot meer middeldure huurwoningen, waarin de corporaties niet meer kunnen voorzien, en meer kleine particuliere ontwikkelingen. De Minister zegt dat er voldoende handvatten komen voor de gemeenten om die te realiseren. Ik ben daar niet van overtuigd. Ik heb de dikke rapporten gelezen, waar ongetwijfeld heel veel geld voor is betaald. Het is heel moeilijk om daaruit te halen op welke manier het in de praktijk gaat gebeuren. Is de Minister bereid om een poging te wagen om dit uit te leggen? Ik geloof de Minister graag op haar woord, maar kan zij nog eens uitleggen, misschien op een A4'tje, hoe het in de praktijk gaat uitpakken? Hoe gaan de gemeenten dit handen en voeten geven?

De voorzitter: Ik kijk naar de Minister of zij direct antwoord kan geven. Dat kan zij. Haar souplesse is buitengewoon.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter, ik heb gewoon honger.

De voorzitter: Wij ook.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter. De heer De Vries geeft aan dat hij blij is dat er een andere lijn is met betrekking tot de bouwregels voor de kust. Over het grondbeleid geeft hij aan in welk deel hij zich niet kan vinden en dat hij bereid is om te zoeken naar openingen. Op de weg naar het VAO moeten we bekijken wat wel en niet tot de mogelijkheden behoort. Ik kan daar nu niet op ingaan of we moeten ter plekke een openlijk coalitieoverleg voeren. Het is niet de eerste keer dat we hierover spreken en ik heb al eerder aangegeven waar mijn grenzen liggen. Het is van belang om te kunnen zien waar je van mening verschilt en dat mag best een keer voorkomen, ook tussen coalitiegenoten.

Mevrouw Koşer Kaya vraagt hoe het kustpact eruit komt te zien. Dat weet ik natuurlijk niet. Ik heb het voorgesteld naar analogie van het natuurpact en ik heb via mijn mensen een beetje gepolst bij Natuurmonumenten of die er wat in zien. Ik heb in de Volkskrant gelezen dat zij dat zelf ook wel willen, volgens mij stond dat er vanmorgen in, maar we zullen ook met andere organisaties spreken, zoals provincies, gemeenten en waterschappen. We moeten eerst maar eens een gesprek hebben over de reden waarom het zo is gelopen en vervolgens over wat we met elkaar willen en wat goede instrumenten zijn. Ik weet dus nog niet hoe het eruit gaat zien en het lijkt mij volstrekt logisch dat ik daarover te zijner tijd met de Kamer verder spreek. Er zullen veel momenten zijn waarop het vorm kan krijgen. We moeten er ook niet in een keer heel erg haast mee maken. Als ik zeg dat ik aan dat onderdeel van het Barro geen invulling geef, hoeft het niet van vandaag op morgen vorm te krijgen.

De heer Smaling vraagt naar milieu, bodem, en geluid en of we een tabel kunnen maken van wie waarover gaat. Bij de voorhang kunnen we een overzicht bieden, zodat die zaken tegelijkertijd gerealiseerd worden. Ik wil geluid en bodem graag ter visie leggen; ik zit er dus een beetje mee welke onderdelen van het grondbeleid we later weer in de commissie willen bespreken en welke onderdelen al door kunnen. Ik geef het signaal dat ik graag met geluid en bodem verder wil gaan en hoor later wel van de commissie.

De heer Madlener heeft aandacht gevraagd voor de bouw van middeldure woningen en de manier waarop die er in de praktijk uit moet zien. De heer De Vries was aan het flirten met de heer Madlener om de zelfrealisatiediscussie te koppelen aan middeldure woningen. Ik ben benieuwd hoe die constructie eruit gaat zien. De heer Madlener wil via een A4'tje inzicht krijgen in de uitwerking voordat hij mij op mijn blauwe ogen gelooft. Ik zal voorbeelden geven bij de indiening van het wetsvoorstel Grondeigendom. Dit is een voorbespreking en we gaan nu over tot het maken van een wetsvoorstel.

Ik sprak voorzichtig over de plattelandswoningen, omdat ik zelf noch in de Landbouwraad noch in de Milieuraad zit waar dit soort elementen worden besproken. Ik zal het aankaarten en bekijken wat de beste weg is om dit te doen. Ik stel dus niet alleen de algemene vraag of het aangepast kan worden, maar zal ook bezien of er enige coalitievorming mogelijk is, ofwel vanuit de landbouwkant, ofwel vanuit de Milieuraadkant. Voor aanpassing van de richtlijn heb je meerdere landen nodig. Er zijn niet veel landen die aangegeven hebben dat deze problematiek bij hen speelt en dat maakt dit complex, zeg ik bij voorbaat. Ik zal bij andere vrienden polsen hoe zij erin zitten.

De heer Madlener (PVV): Ik vroeg specifiek naar twee groepen woningen die onvoldoende gerealiseerd worden. Het gaat om middeldure huurwoningen, en niet om koopwoningen, en om meer kavels voor eigenbouw, dus voor particulier opdrachtgeverschap, voor alle segmenten grondgebonden woningen. Als de Minister specifiek op deze twee groepen kan ingaan, ben ik daar heel blij mee.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: De vraag is duidelijk. We zorgen ervoor dat bij het voorstel die voorbeelden uitgewerkt worden in een memorie van toelichting, een begeleidende brief of in wat voor vorm dan ook.

De voorzitter: Ik dank de Minister voor de beantwoording, de souplesse en het geduld. Ik heb de volgende toezeggingen genoteerd:

  • De Minister zal nochtans geen invulling geven aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening voor zover het het kustgerelateerde gedeelte betreft.

  • De Minister zal naar de proceskosten bij onteigeningsrechtszaken kijken en de Kamer een voorstel hierover doen toekomen.

  • De Minister komt met een uitwerking van de twee groepen woningen waarop de heer Madlener duidde.

De heer De Vries van de Partij van de Arbeid vraagt een VAO aan. We zullen dit aanmelden bij de Griffie met als eerste spreker de heer De Vries. Ik dank iedereen voor zijn geduld en belangstelling.

Sluiting 18.38 uur.

Naar boven