Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201932861 nr. 52

32 861 Beleidsdoorlichting Infrastructuur en Waterstaat

Nr. 52 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 26 juni 2019

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de brief van 21 december 2018 inzake de Beleidsdoorlichting artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s (Kamerstuk 32 861, nr. 42).

De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 24 juni 2019. Vragen en antwoorden, voorzien van een inleiding, zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Agnes Mulder

Adjunct-griffier van de commissie, Schuurkamp

Inleiding

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de 37 vragen1 die de vaste Commissie voor Infrastructuur en Waterstaat op 25 april 2019 heeft gesteld over de Beleidsdoorlichting Artikel 22, Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s2 die ik u op 21 december 2018 heb aangeboden.

Naar aanleiding van de genoemde beleidsdoorlichting heeft de vaste Commissie voor Infrastructuur en Waterstaat op haar procedurevergadering van 6 februari 2019 vijf aandachtspunten benoemd. Op 2 april 2019 heb ik u mijn reactie op die aandachtspunten aangeboden3.

Alvorens ik de 37 vragen beantwoord, ga ik nader in op onderwerpen die in vele vragen terugkomen. Het gaat dan onder andere om de begrippen doeltreffendheid en doelmatigheid, de relatie tussen de beleidsdoorlichting en de onderliggende evaluaties, het onderling vergelijken van de beleidsmatige inzet op diverse risico- en veiligheidsvraagstukken en het integrale afwegingskader «Bewust Omgaan met Veiligheid» in relatie tot het effectief en efficiënt bereiken van maatschappelijke doelstellingen.

Doeltreffendheid en doelmatigheid in relatie tot maatschappelijke doelstellingen

De begrippen doeltreffendheid en doelmatigheid worden gebruikt in relatie tot het effectief en efficiënt bereiken van maatschappelijke doelstellingen en de rol van beleidsinstrumenten daarbij. Doeltreffendheid (effectiviteit) gaat over het bereiken van doelen dankzij het ingezette instrumentarium (zoals bijvoorbeeld wet- en regelgeving). Doelmatigheid gaat over de kosten van de uitvoering (efficiëntie). In het geval van het begrotingsartikel 22 was de maatschappelijke doelstelling in de periode 2011 – 2017: «mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte veiligheid-, milieu- en gezondheidsrisico’s».

Omdat het begrotingsartikel 22 is opgebouwd uit drie artikelonderdelen – veiligheid chemische stoffen, veiligheid biotechnologie en veiligheid bedrijven en transport – is deze doelstelling vertaald naar drie subdoelstellingen («mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte veiligheid-, milieu- en gezondheidsrisico’s als gevolg van blootstelling aan chemische stoffen, als gevolg van biotechnologie toepassingen en als gevolg van activiteiten van bedrijven met gevaarlijke stoffen en transport van gevaarlijke stoffen»).

Onder deze drie artikelonderdelen vallen vele maatschappelijk relevante onderwerpen, zoals de aanpak van zeer zorgwekkende (chemische) stoffen, nanodeeltjes, asbest, genetisch gemodificeerde organismen, BRZO bedrijven en het transport van gevaarlijke stoffen4. Bij al deze onderwerpen wordt met een mix van beleidsinstrumenten getracht de eerdergenoemde doelstelling te bereiken. Hoewel door de aard van de onderwerpen de mix van in te zetten instrumenten verschilt is de aanpak vergelijkbaar. Zo is bijvoorbeeld het doel «mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte veiligheid-, milieu- en gezondheidsrisico’s» voor al deze onderwerpen operationeel gemaakt door het begrip onaanvaardbaar te definiëren als een risico dat groter is dan de kans van 1 op de miljoen (10-6) op overlijden5. Deze 10-6 norm is daarmee het basisbeschermingsniveau dat we sinds de nota «Nuchter Omgaan met Risico’s»6 hanteren voor het maatschappelijk doel dat centraal staat in begrotingsartikel 22.

Dit basisbeschermingsniveau is op instrumenteel niveau veelal vastgelegd in wet- en regelgeving.

In mijn brief van 5 juni 20187 heb ik aangegeven dat dankzij sanering van risicovolle situaties en de inzet op risicobeheersing – met de daar bijbehorende instrumenten – in vrijwel heel Nederland dit basisbeschermingsniveau is gerealiseerd.

Met het evalueren van de effectiviteit van ingezette beleidsinstrumenten, zoals wet- en regelgeving, kan dus in veel gevallen ook de effectiviteit van het beleid, als het gaat om het bereiken van achterliggende beleidsdoel, worden geëvalueerd.

De relatie tussen de beleidsdoorlichting en de onderliggende evaluaties

De beleidsdoorlichting heeft het karakter van een syntheseonderzoek dat gebaseerd is op beschikbare evaluaties. Het onafhankelijk onderzoeksbureau Ecorys, dat deze beleidsdoorlichting heeft uitgevoerd, heeft conclusies getrokken die mede gebaseerd zijn op de analyse van 57 documenten, waaronder vele evaluaties van de diverse beleidsonderwerpen die deel uitmaken van begrotingsartikel 22.

De algemene conclusie van het bureau is, gebaseerd op die onderliggende evaluaties en de eigen onafhankelijke analyse, dat het beleid in zijn algemeenheid doeltreffend is en bijdraagt aan de doelstelling van het begrotingsartikel 22. De doelmatigheid is volgens het bureau over het geheel genomen voldoende tot goed. De onafhankelijk deskundige, prof. dr. J.A. Knottnerus, heeft daarnaast een positief oordeel gegeven over het evaluatieproces en op de bevindingen en aanbevelingen van het onderzoeksbureau.

Op basis van de gedegenheid van de beleidsdoorlichting en het rapport van de onafhankelijke deskundige daarover kan ik niet anders concluderen dan dat ik de conclusies en aanbevelingen serieus moet nemen.

In mijn begeleidende brief bij de aanbieding van de beleidsdoorlichting aan uw Kamer heb ik aangegeven hoe ik de aanbevelingen oppak om de effectiviteit en efficiëntie van het beleid te verhogen. Dit is in het bijzonder van belang omdat er nog belangrijke uitdagingen liggen om de leefomgeving schoner, gezonder en veiliger te maken. Vanzelfsprekend hebben we voor bekende risico- en veiligheidsvraagstukken voor de lange termijn het streven om de veiligheid en gezondheid van de samenleving continu te verbeteren tot een zo hoog mogelijk ambitieniveau waarbij de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie als wenkend perspectief worden gehanteerd, zoals bijvoorbeeld in het Schone Luchtakkoord.

Dit vereist per onderwerp een andere instrumentenmix die desondanks een vergelijkbare aanpak kent. Naast het beheersen en saneren van bestaande risico’s zal vooral ook ingezet worden op het voorkomen van risico’s omdat uiteindelijk voorkomen van risico’s kosteneffectief is.

Het onderling vergelijken van de beleidsmatige inzet op diverse risico- en veiligheidsvraagstukken

Doel van de beleidsdoorlichting is om, conform de kaders van de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE), een goed beeld te krijgen van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid in de periode 2011–2017. Doel van de beleidsdoorlichting is niet om de beleidsinspanningen op de diverse onderwerpen met elkaar te vergelijken. Uiteraard kan de beleidsdoorlichting wel inzichten opleveren die in de komende jaren kunnen leiden tot effectiever en efficiënter beleid op die diverse beleidsonderwerpen. In mijn eerdergenoemde brief van 21 december heb ik dan ook aangegeven welke inzichten dat zijn en hoe ik die laat doorwerken bij de diverse beleidsonderwerpen.

Het integrale afwegingskader «Bewust Omgaan met Veiligheid» in relatie tot het effectief en efficiënt bereiken van maatschappelijke doelstellingen.

Het Ministerie van IenW heeft het instrument «afwegingskader Bewust Omgaan met Veiligheid»8 ontwikkeld om de inspanningen op de diverse beleidsonderwerpen beter uit te kunnen leggen en te verantwoorden. Ook is het mogelijk om met dit instrument de inzet op de diverse beleidsonderwerpen met elkaar te vergelijken zodat het duidelijk wordt waar doeltreffendheid en doelmatigheid verbeterd kan worden. Dit past geheel in mijn streven naar een grotere effectiviteit en efficiëntie van beleid dat gericht is op het realiseren van een schone, gezonde en veilige leefomgeving, die door de inwoners van Nederland ook als zodanig wordt ervaren.

Vraag 1

Hoe kunnen in toekomstige beleidsdoorlichtingen onvoldoende onderbouwde oordelen over doeltreffendheid en doelmatigheid worden voorkomen?

Antwoord 1

De uitgevoerde beleidsdoorlichting laat zien dat op vrijwel alle onderdelen voldoende materiaal beschikbaar was om de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid te kunnen bepalen.

Toch leverde de beleidsdoorlichting ook inzichten op die de effectiviteit en efficiëntie van het beleid kan verbeteren. Ook zijn aandachtspunten naar voren gekomen die het mogelijk moeten maken om toekomstige evaluaties van beleidsonderwerpen die onder het begrotingsartikel 22 vallen nog beter vorm te geven. Het genereren van meer kwantitatief evaluatiemateriaal is daar een onderdeel van. Ik verwijs graag naar mijn eerdergenoemde brieven van 21 december 2018 en 4 april 2019 waar ik in meer detail op die verbeter- en aandachtspunten in ga.

Uiteraard zal ik de uitkomsten van de rijksbrede operatie «Inzicht in Kwaliteit» benutten om de bepaling van de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid, in aanvulling op bovenstaande, nog verder te verbeteren.

Vraag 2

Waarom is in het licht van uw stelselverantwoordelijkheid in deze beleidsdoorlichting niet gekeken naar de doeltreffendheid van de beleidsuitvoering door omgevingsdiensten en lagere overheden?

Antwoord 2

In de beleidsdoorlichting van begrotingsartikel 22 is niet gekeken naar de doeltreffendheid van de beleidsuitvoering door omgevingsdiensten en lagere overheden omdat iedere twee jaar op grond van artikel 5.6 van de Wabo (Wet algemene bepaling omgevingsrecht) al onderzoek wordt gedaan naar de doeltreffendheid van de uitvoering en handhaving van onder andere de basistaken van de omgevingsdiensten. In het vierde kwartaal van dit jaar (2019) wordt het meest recente onderzoek opgeleverd en zal de Kamer hierover geïnformeerd worden.

Vraag 4

Kunt u toelichten waarom u bij de antwoorden op de vragen over de beleidsdoorlichting openbaar vervoer en spoor stelt dat aanbevelingen voor verbetermogelijkheden en alternatieven voor bestaand beleid geen deel uitmaken van een beleidsdoorlichting, terwijl dit een essentieel onderdeel is van de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE)?

Antwoord 4

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar de aan uw Kamer gezonden brief dd. 29 januari 20199 betreffende de beleidsdoorlichting OV en Spoor.

Vraag 5

Kunt u toelichten welke stakeholders zijn betrokken bij deze beleidsdoorlichting?

Antwoord 5

Deze beleidsdoorlichting is in opdracht van mijn Ministerie gegeven aan een extern bureau (Ecorys) met aanvullend onafhankelijk advies van een extern adviseur (Prof. Dr. J.A. Knottnerus). De begeleidingscommissie bestond, naast een aantal betrokkenen vanuit mijn ministerie, uit vertegenwoordigers van de VNG, het IPO, het RIVM, de RVO, het Ministerie van Financiën en de ILT. Verder zijn er interviews geweest met inhoudelijke experts (zie vraag 6).

Vraag 6

Welke organisaties stonden oorspronkelijk in de lijst met geïnterviewde personen in bijlage 1?

Antwoord 6

De geïnterviewde personen bestonden uit vertegenwoordigers van het RIVM, de ILT, RVO, COGEM en de betreffende dossierhouders van het Ministerie van IenW.

Vraag 10

Hoe worden belangenafwegingen en mogelijk tegenstrijdige belangen tussen regeldruk, veiligheid en kosten gewogen in de beleidsdoorlichting?

Antwoord 10

Een beleidsdoorlichting heeft niet tot taak belangen af te wegen. In deze beleidsdoorlichting is dit dan ook niet gebeurd. Het afwegen van belangen is onderdeel van de beleidsvorming bij een beleidsonderwerp. De uitgangspunten en de elementen (waaronder belangen) die daarbij van belang zijn staan beschreven in het integrale afwegingskader voor risicobeleid zoals dat ontwikkeld is in het kader van het programma Bewust Omgaan met Veiligheid waar ik in mijn inleiding naar verwees. De in de vraag genoemde elementen (regeldruk, veiligheid en kosten) zijn daar onderdeel van.

Vraag 11

Onderschrijft u dat de beoordeling van de realisatie van de maatschappelijke doelen een belangrijke functie van beleidsdoorlichtingen is?

Antwoord 11

Ja.

Vraag 12

Waarom zijn toezicht en handhaving door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) buiten beschouwing gelaten in deze beleidsdoorlichting? Hoe groot is het belang van toezicht en handhaving door de ILT voor het bereiken van de maatschappelijke doelstelling?

Antwoord 12

De taken van ILT zijn niet specifiek meegenomen in deze beleidsdoorlichting omdat de uitgaven van de ILT onder een ander begrotingsartikel vallen, namelijk artikel 24. Hierover heeft inmiddels separaat een doorlichting plaatsgevonden.

Ik heb deze beleidsdoorlichting met mijn reactie 12 april jl. naar uw Kamer gestuurd10. In algemene zin kan gezegd worden dat toezicht en handhaving een belangrijke schakel in de beleidsketen is die er voor moet zorgen dat de geldende regels, die gesteld worden om de risico’s te vermijden en de veiligheid te borgen, niet overtreden worden.

Vraag 13

Wordt in de beleidsdoorlichting van begrotingsartikel 24: Handhaving en Toezicht inzicht gegeven in de realisatie van de maatschappelijke doelstellingen voor omgevingsveiligheid en milieurisico’s?

Antwoord 13

Onderwerpen op het beleidsterrein van omgevingsveiligheid en milieurisico’s (begrotingsartikel 22), zoals de Europese Verordening REACH, komen beperkt aan de orde in de beleidsdoorlichting van begrotingsartikel 24 Handhaving en Toezicht. De beleidsdoorlichting artikel 24 heeft, na afstemming van de kernvragen van het onderzoek met de vaste Commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, zich specifiek gericht op de doeltreffendheid, doelmatigheid en governance van de Inspectie Leefomgeving en Transport en heeft zich niet op specifieke beleidsvelden gericht. Er wordt geen inzicht gegeven in de realisatie van de maatschappelijke doelstellingen die bij begrotingsartikel 22 omgevingsveiligheid en milieurisico’s centraal staan. Voorts verwijs ik u graag naar de in antwoord op vraag 12 genoemde brief betreffende de beleidsdoorlichting van artikel 24.

Vraag 14

Hoe verklaart u het positieve oordeel over de doeltreffendheid van het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-stelsel), terwijl de werking van dit stelsel in de praktijk nog niet is aangetoond?

Antwoord 14

De werking van het stelsel is in de praktijk reeds onderzocht en aangetoond. Dit blijkt uit het in 2017 uitgevoerde onderzoek door Berenschot. Een van de conclusies is dat de Wet VTH in korte tijd geleid heeft tot een robuuste uitvoeringspraktijk die een blijvende impuls heeft gegeven aan de uitvoeringskwaliteit van de VTH-taken. Dit rapport en mijn reactie daarop heb ik aan uw Kamer aangeboden op 6 juli 2017 (Kamerstuk 33 118, nr. 96). In het onderzoek naar de kwaliteit van de uitvoering VTH van dit jaar (2019) wordt tevens aandacht besteed aan de evaluatie van een aantal praktijkcasussen. Hiermee wordt de werking van het stelsel in de praktijk verder onderzocht.

Vraag 15

Waarom bevat de beleidsdoorlichting nauwelijks conclusies over en aanbevelingen voor verbetermogelijkheden voor het bestaande beleid? Is het niet zo dat een beleidsdoorlichting uiteindelijk, waar nodig, ook moet leiden tot verbetering van het beleid?

Antwoord 15

Het onderzoeksbureau heeft in zijn conclusies aangegeven dat het beleid in zijn algemeenheid doeltreffend is en bijdraagt aan de doelstelling van het begrotingsartikel. Deze overkoepelende conclusie is getrokken op basis van deelresultaten van de tien uitgewerkte onderwerpen.

Evenwel heeft het bureau voor een drietal beleidsonderwerpen aanbevelingen gedaan voor verbetering van beleid. Het betreft beleid inzake de risico’s van blootstelling aan asbest, het verbeteren van de doelmatigheid van de Atlas Leefomgeving en de aanpak van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) met overheden en bedrijfsleven. Daarnaast heeft het onderzoeksbureau nog vier algemene suggesties opgenomen.

Ik heb in mijn brief van 21 december 2018 aangegeven dat ik deze aanbevelingen en suggesties meeneem bij de verdere aanpak van de beleidsonderwerpen zoals die met begrotingsartikel 22 omgevingsveiligheid en milieurisico’s worden gefinancierd.

Een beleidsdoorlichting is een instrument om de beleidsinspanningen te evalueren. Daarmee kan een verbeterde effectiviteit en efficiëntie worden bereikt alsmede het sneller realiseren van het beoogde maatschappelijk doel dat wordt nagestreefd. De aanbevelingen en suggesties uit de doorlichting helpen bij het realiseren daarvan.

Vraag 16

Welke verbetermogelijkheden voor het beleid voor omgevingsveiligheid en milieurisico’s ziet u zelf?

Antwoord 16

Zoals ik al in mijn antwoord op vraag 15 heb aangegeven worden in het rapport zeven suggesties en aanbevelingen gedaan die ik overneem.

In mijn brief van 5 juni 201811 heb ik aangegeven welke verbetermogelijkheden ik zie in het beleid ten aanzien van omgevingsveiligheid en milieurisico’s. Een transitie van saneren en beheersen naar het voorkómen van milieurisico’s en gevaren is noodzakelijk. Dit brengt automatisch een andere mix van beleidsinstrumenten met zich mee.

Ik heb aangegeven dat we niet kunnen volstaan met alleen het intensiveren van de aanpak die in het verleden goed werkte. Omgevingsveiligheidsproblemen zijn immers geen zuiver technische vraagstukken. Omdat de menselijke factor vaak een belangrijke oorzaak is van incidenten moet qua keuze van beleidsinstrument ook daar nadrukkelijk aandacht voor zijn.

Vraag 17

Is het zo dat er niet voor alle deelonderwerpen voldoende (kwantitatief) evaluatiemateriaal beschikbaar was voor de doorlichting? Zo ja, voor welke deelonderwerpen gold dat?

Antwoord 17

Nee. Er was voldoende kwantitatief materiaal om de beleidsdoorlichting goed uit te voeren. Zoals ik al in mijn inleiding aangaf heeft de beleidsdoorlichting het karakter van een syntheseonderzoek dat gebaseerd is op beschikbare evaluaties. Het onafhankelijk onderzoeksbureau Ecorys, dat deze beleidsdoorlichting heeft uitgevoerd, heeft conclusies getrokken die mede gebaseerd zijn op de analyse van 57 documenten, waaronder vele evaluaties van de diverse beleidsonderwerpen die deel uitmaken van begrotingsartikel 22.

Desondanks zal ik er naar streven om bij de volgende beleidsdoorlichting van begrotingsartikel 22 meer evaluatiemateriaal beschikbaar te hebben omdat daardoor de doeltreffendheid en doelmatigheid van de beleidsinspanningen verder verbeterd kan worden. Een grotere effectiviteit en efficiëntie van beleid zorgt er ook voor dat een schone, gezonde en veilige leefomgeving, die door de inwoners van Nederland ook als zodanig wordt ervaren, sneller gerealiseerd wordt. Uit de beleidsdoorlichting komt in het bijzonder naar voren dat er meer (kwantitatief) evaluatiemateriaal op de deelonderwerpen transport van gevaarlijke stoffen, terugdringen risico’s op zeer zware ongevallen en het BRZO-beleid kan worden ontwikkeld. Dit zal ik dan ook met het oog op de volgende beleidsdoorlichting ter hand nemen.

Vraag 18

Zijn er cijfers bekend van de kosten voor de overheid die bij asbestbranden worden gemaakt, aangezien van de overheid wordt verwacht voor de maximale veiligheid te zorgen? Zo ja, wat zijn deze kosten?

Antwoord 18

Bij asbestbranden hanteren verzekeringen een maximale dekking voor de kosten. Alles wat meer kost, komt voor rekening van de eigenaar en als die niet kan betalen de gemeente. In algemene zin kan opgemerkt worden dat de kosten van het opruimen hoog zijn en in geval van bedrijven hebben zij ook vaak economische schade. De gemeente is het bevoegd gezag bij asbestbranden en mij zijn geen cijfers bekend van de totale kosten voor de overheid. Wel kan ik u melden dat bij de Stichting Salvage (eerste hulp na brand namens verzekeraars) in 2018 180 meldingen zijn gedaan van brand waarbij asbest is vrijgekomen.

Vraag 19

Waarom wordt in de beleidsdoorlichting geen oordeel gegeven over de mate waarin het maatschappelijke doel van het beleid van artikel 22: mens en milieu beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte veiligheid-, milieu- en gezondheidsrisico’s, wordt bereikt?

Antwoord 19

Bij verschillende beleidsdoorlichtingen is gebleken dat de doeltreffendheid van beleid soms moeilijk te bepalen is. Voor de doelmatigheid van beleid blijkt dit zelfs nog lastiger te zijn. Dit is onder andere gebleken uit het onderzoek «Beleidsdoorlichtingen doorgelicht», uitgevoerd door SEO in opdracht van het Ministerie van Financiën12.

Het maatschappelijk doel dat centraal staat in begrotingsartikel 22 «mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte veiligheid-, milieu- en gezondheidsrisico’s» leent zich in deze vorm niet voor een kwantitatieve beoordeling die het mogelijk maakt om de mate van doelbereik weer te geven. Essentieel onderdeel van het doel is immers het voorkómen van incidenten, terwijl het afwezig blijven van incidenten niet achteraf 1 op 1 aan het beleid toegerekend kan worden (causaliteit).

Ondanks bovengenoemde constateringen bleek het beschikbare evaluatiemateriaal, dat in de loop der jaren is verzameld op het gebied van omgevingsveiligheid en milieurisico’s, voldoende geschikt om een goede beleidsdoorlichting te realiseren. Deels is dat het geval omdat het bovengenoemde doel voor de diverse onderwerpen van begrotingsartikel 22 operationeel gemaakt is door het begrip onaanvaardbaar te definiëren als een risico dat groter is dan de kans van 1 op de miljoen (10-6) op overlijden. Ik heb dit in de inleiding nader toegelicht. Anderzijds kan met het evalueren van de effectiviteit van ingezette beleidsinstrumenten, zoals wet- en regelgeving, in veel gevallen ook de effectiviteit van het beleid als het gaat om het bereiken van achterliggende beleidsdoel worden geëvalueerd. Zie daartoe ook mijn antwoord op vraag 20.

Vraag 20

Waarom is uitsluitend naar de realisatie van randvoorwaarden en instrumenten van het beleid gekeken?

Antwoord 20

Met het evalueren van de effectiviteit van ingezette beleidsinstrumenten, zoals wet- en regelgeving, kan in veel gevallen ook de effectiviteit van het beleid en achterliggende beleidsdoelen worden geëvalueerd.

Zo wordt bijvoorbeeld in de beleidsdoorlichting nader ingegaan op het aantal verleende vergunningen voor activiteiten met genetisch gemodificeerde organismen en de voorwaarden waaronder die vergunningen worden verleend (beleidsinstrument vergunningverlening). Geconstateerd is dat in 100% van de verleende vergunningen sprake was van verwaarloosbare risico’s voor mens en milieu. Met andere woorden het beleidsinstrument vergunningverlening zorgde ervoor, door het stellen van de juiste randvoorwaarden aan de vergunde activiteiten, dat er geen activiteiten plaatsvonden met genetisch gemodificeerde organismen die risicovol voor mens en milieu zouden kunnen zijn. Daarmee werd met behulp van het instrument vergunningverlening op een doeltreffende wijze invulling gegeven aan de maatschappelijke doelstelling die in begrotingsartikel 22 centraal staat «mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte veiligheid-, milieu- en gezondheidsrisico’s gevolg van biotechnologie toepassingen».

Vraag 21

Hoe kan de Kamer beoordelen of mens en milieu in de praktijk voldoende beschermd worden tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte veiligheids-, milieuen gezondheidsrisico’s? Hoe kan de Kamer beoordelen of er meer of minder beleid nodig is om het gewenste beschermingsniveau te bereiken?

Antwoord 21

In mijn brief van 5 juni 201813 heb ik aangegeven dat dankzij sanering van risicovolle situaties en de inzet op risicobeheersing – met de daarbij behorende instrumenten – in vrijwel heel Nederland een basisbeschermingsniveau is gerealiseerd. Dit basisbeschermingsniveau is op instrumenteel niveau veelal vastgelegd in wet- en regelgeving en voor veel onderwerpen op het gebied van omgevingsveiligheid en milieurisico’s operationeel gemaakt door de 10-6 norm te hanteren.

Zoals ik in de inleiding heb aangegeven is voor risico- en veiligheidsvraagstukken voor de lange termijn het streven om de veiligheid en gezondheid van de samenleving continu te verbeteren tot een zo hoog mogelijk ambitieniveau waarbij op termijn de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie als wenkend perspectief worden gehanteerd zoals bijvoorbeeld in het Schone Luchtakkoord. In mijn beleid leg ik het accent op preventie, het voorkómen van risicovolle situaties door «safe by design» als uitgangspunt te nemen. In de beleidsdoorlichting zie ik een stimulans daarmee door te gaan.

Vraag 22

Hoe kan de Kamer, conform de doelstelling van een beleidsdoorlichting, beoordelen of er meer of minder beleid nodig is om het gewenste beschermingsniveau te bereiken? Ziet u in de beleidsdoorlichting van artikel 22 aanleiding om het integraal afwegingskader aan te passen? Zo ja, op welke aspecten?

Antwoord 22

Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 21.

Ik zie in de conclusies en aanbevelingen van de beleidsdoorlichting een ondersteuning van het toepassen van het instrument «afwegingskader Bewust Omgaan met Veiligheid»14 om de inspanningen op de diverse beleidsonderwerpen beter uit te kunnen leggen en te verantwoorden. Ook is het mogelijk om met dit instrument de inzet op de diverse beleidsonderwerpen met elkaar te vergelijken zodat het duidelijk wordt waar doeltreffendheid en doelmatigheid verbeterd kan worden. Er is geen aanleiding dit kader aan te passen.

Vraag 23

Hoe verklaart u het positieve oordeel over de doeltreffendheid van het integrale afwegingskader, terwijl geen formele evaluatie voorhanden is en in de beleidsdoorlichting wordt gesteld dat «het integrale afwegingskader de potentie heeft doeltreffend te zijn omdat het bijdraagt aan een gezonde en veilige leefomgeving»?

Antwoord 23

Het integrale instrument «afwegingskader Bewust Omgaan met Veiligheid» wordt gebruikt om beleid doeltreffend en doelmatig vorm te geven. Het is een middel om verantwoord keuzes en een transparante weging te maken waarbij kwantitatieve en kwalitatieve gegevens worden meegenomen. Het gebruik ervan maakt het mogelijk om tot een goede onderbouwing van gekozen doelen en normen te komen. Zoals ik in de inleiding heb aangegeven kunnen met behulp van dit instrument de beleidsinspanningen op de diverse onderwerpen met elkaar worden vergeleken zodat duidelijk wordt waar doeltreffendheid en doelmatigheid verbeterd kan worden.

Dit kader is in een aantal jaren tijd gemaakt, getoetst en uitgeprobeerd.

Het positieve oordeel van de opstellers van de beleidsdoorlichting over de doeltreffendheid van het integrale afwegingskader, terwijl geen formele evaluatie van dit instrument voorhanden is, breng ik in verband met de hierboven beschreven potentie die dit instrument heeft.

Vraag 24

Hoe kunnen de onderzoekers een afwegingskader als doeltreffend beschouwen als volgens de handreiking beleidsdoorlichtingen (RPE artikel 1, lid d) doeltreffendheid gaat over maatschappelijke doelstellingen en niet over instrumenten?

Antwoord 24

Zoals ik in de inleiding heb aangegeven kan met het evalueren van de effectiviteit van ingezette beleidsinstrumenten in veel gevallen ook de effectiviteit van het beleid als het gaat om het bereiken van het achterliggend maatschappelijke doel worden geëvalueerd. In mijn antwoord op vraag 23 heb ik aangegeven dat het instrument «afwegingskader Bewust Omgaan met Veiligheid» een ander soort instrument is dan de instrumenten die direct leiden tot een bijdrage aan het bereiken van een maatschappelijk doel (zie bijvoorbeeld het instrument vergunningverlening in het antwoord op vraag 20). Desondanks blijkt het afwegingskader doeltreffend te zijn omdat het met dit instrument mogelijk is om de inzet op de diverse beleidsonderwerpen met elkaar te vergelijken (zie antwoord op vraag 22). Daarmee is duidelijk waar doeltreffendheid en doelmatigheid verbeterd kunnen worden hetgeen zorgt voor het sneller realiseren van het maatschappelijk doel dat wordt nagestreefd.

Vraag 25

Hoe kunnen de onderzoekers het VTH-stelsel als doeltreffend beschouwen als volgens de handreiking beleidsdoorlichtingen (RPE artikel 1, lid d) doeltreffendheid gaat over maatschappelijke doelstellingen en niet over instrumenten?

Antwoord 25

Met het evalueren van de effectiviteit van ingezette beleidsinstrumenten kan in veel gevallen ook de effectiviteit van het beleid als het gaat om het bereiken van het achterliggende maatschappelijke doel worden geëvalueerd.

Voorts kan ik u melden dat een van de doelstellingen van het herziene VTH-stelsel is het creëren van een veiligere leefomgeving. Door bundeling van kennis en expertise en efficiënt toezicht neemt de kans op een maatschappelijk onaanvaardbaar geachte veiligheid-, milieu en gezondheidsrisico af. Hoewel lastig te toetsen blijkt uit het onderzoek van Berenschot uit 2017 dat de Wet VTH in korte tijd geleid heeft tot een robuuste uitvoeringspraktijk die een blijvende impuls heeft gegeven aan de uitvoeringskwaliteit van de VTH-taken.

Vraag 26

Hoe kunnen de onderzoekers de Atlas Leefomgeving als doeltreffend beschouwen als volgens de handreiking beleidsdoorlichtingen (RPE artikel 1, lid d) doeltreffendheid gaat over maatschappelijke doelstellingen en niet over instrumenten?

Antwoord 26

Zoals ik in de inleiding heb aangegeven kan met het evalueren van de effectiviteit van ingezette beleidsinstrumenten in veel gevallen ook de effectiviteit van het beleid als het gaat om het bereiken van achterliggende maatschappelijke doel worden geëvalueerd.

De belangrijkste doelstelling van het instrument Atlas Leefomgeving is het ontsluiten van informatie over de leefomgeving aan burgers en professionals. Met het verhogen van het kennisniveau van burgers en professionals wordt een bijdrage geleverd aan het operationaliseren van de maatschappelijke dialoog over de mate van veiligheid en gezondheid die gewenst is. Daarmee levert de Atlas Leefomgeving een belangrijke bijdrage aan de invulling van de maatschappelijke doelstelling die ten grondslag ligt van begrotingsartikel 22.

Dat de informatie gebruikt wordt merken onze overheidspartners in situaties waar burgers zich beroepen op informatie die via de Atlas Leefomgeving is verkregen, bijvoorbeeld als het gaat om inspraak.

Vraag 27

Hoe verklaart u dat alleen bij het onderwerp asbest de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid zijn onderbouwd en dit het onderwerp is waarop de desbetreffende onderzoekers eerder onderzoek hebben uitgevoerd (zie literatuurlijst)? Kunt u hierbij ook aangeven wat dit volgens u betekent voor de opzet en kwaliteit van beleidsdoorlichtingen?

Antwoord 27

De doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde asbestbeleid is kwantitatief onderbouwd. Dit komt omdat het voor een groot deel saneringsbeleid is dat goed meetbaar is. Het gaat immers om aantallen gesaneerde wegen en hoeveelheden vierkante meters asbestdaken, hetgeen beter te kwantificeren is dan bijvoorbeeld het aantal vermeden ongelukken met vervoer gevaarlijke stoffen. Ook is eenvoudig te meten, via de verstrekking van subsidies, hoeveel inzet er gepleegd wordt op het saneren en beheersen van het risico van asbest. De overige beleidsonderwerpen van begrotingsartikel 22 zijn grotendeels normatief beleid en zijn minder makkelijk te kwantificeren voor wat betreft het bereikte resultaat.

Dat de onderzoekers die de beleidsdoorlichting hebben uitgevoerd in het verleden ook betrokken waren bij een MKBA onderzoek naar asbestdaken is niet de reden waarom het gevoerde asbestbeleid kwantitatief onderbouwd is.

Vraag 28

Hoe kunnen de onderzoekers het instrument vergunningverlening als doeltreffend beschouwen als volgens de handreiking beleidsdoorlichtingen (RPE artikel 1, lid d) doeltreffendheid gaat over maatschappelijke doelstellingen en niet over instrumenten?

Antwoord 28

Zoals ik in de inleiding heb aangegeven kan met het evalueren van de effectiviteit van ingezette beleidsinstrumenten in veel gevallen ook de effectiviteit van het beleid als het gaat om het bereiken van achterliggende maatschappelijke doel worden geëvalueerd.

In de beleidsdoorlichting wordt nader ingegaan op het aantal verleende vergunningen voor activiteiten met genetisch gemodificeerde organismen en de voorwaarden waaronder die vergunningen worden verleend (beleidsinstrument vergunningverlening). Geconstateerd werd dat in 100% van de verleende vergunningen sprake was van verwaarloosbare risico’s voor mens en milieu. Met andere woorden het beleidsinstrument vergunningverlening zorgde ervoor, door het stellen van de juiste randvoorwaarden aan de vergunde activiteiten, dat er geen activiteiten plaatsvonden met genetisch gemodificeerde organismen die risicovol voor mens en milieu zouden kunnen zijn. Daarmee werd met behulp van het instrument vergunningverlening op een doeltreffende wijze invulling gegeven aan de maatschappelijke doelstelling die in begrotingsartikel 22 centraal staat «mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte veiligheid-, milieu- en gezondheidsrisico’s gevolg van biotechnologie toepassingen».

Vraag 29

Wat heeft doelmatigheid volgens de handreiking beleidsdoorlichting te maken met deze uitspraak van de onderzoekers: «voor de doelmatigheid geldt dat er goed zicht is op de voortgang en het aantal aanvragen en de behandeltijd inzichtelijk zijn»?

Antwoord 29

Goed zicht op de voortgang van het aantal aanvragen en de behandeltijd van vergunningen heeft ertoe geresulteerd dat, mede op basis van diverse evaluaties, het Besluit GGO is aangepast en bedrijven voor een deel van de werkzaamheden de vergunningplicht kunnen vervangen door een plicht tot kennisgeven. Hierdoor is het proces efficiënter en eenvoudiger geworden en komt daarmee tegemoet aan de criteria voor doelmatigheid.

Vraag 30

Hoe kunnen de onderzoekers het instrument van monitoring en omgaan met trends als doeltreffend beschouwen als volgens de handreiking beleidsdoorlichtingen (RPE artikel 1, lid d) doeltreffendheid gaat over maatschappelijke doelstellingen en niet over instrumenten?

Antwoord 30

Zoals ik in de inleiding heb aangegeven kan met het evalueren van de effectiviteit van ingezette beleidsinstrumenten in veel gevallen ook de effectiviteit van het beleid als het gaat om het bereiken van achterliggende maatschappelijke doel worden geëvalueerd.

De instrumenten monitoring en signalering (omgaan met trends) geven informatie over de eventuele (toekomstige) veranderingen in de maatschappij, in de wetenschappelijke kennis en de uitvoeringspraktijk. Bijsturing van beleid op basis van die opgedane inzichten zorgt ervoor dat het beleid ook doeltreffend blijft.

Vraag 31

Kunt u ingaan op de aanbeveling van prof. Knottnerus om veel meer kwantitatief evaluatiemateriaal beschikbaar te maken en de constatering dat er op belangrijke thema’s zoals zware ongevallen, beleid met betrekking tot het Besluit risico's zware ongevallen (BRZO-beleid) en het transport van gevaarlijke stoffen, (te) weinig gegevens beschikbaar waren?

Antwoord 31

De onafhankelijk deskundige, prof. Knottnerus, onderstreept in zijn brief de aanbeveling van het onderzoeksbureau om met het oog op een volgende beleidsdoorlichting meer kwantitatief evaluatiemateriaal te verzamelen op een aantal onderwerpen om zo de doeltreffendheid nog beter te kunnen beoordelen. Het gaat dan in het bijzonder om de onderwerpen zware ongevallen, beleid met betrekking tot het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo-beleid) en het transport van gevaarlijke stoffen.

Ik ben in het algemeen, en bij de genoemde onderwerpen in het bijzonder, voornemens om bij de beleidsontwikkeling en bij toekomstige evaluaties te streven naar een betere meetbaarheid van de beleidsinspanningen.

Evenwel zal het bij een aantal onderwerpen in de praktijk lastig blijven om te komen tot kwantitatief onderbouwde conclusies. Dit geldt bijvoorbeeld bij het relateren van beleidsinspanningen aan vermindering van het aantal incidenten (en daarmee verbetering van omgevingsveiligheid). Dit heeft te maken met het feit dat vermeden risico’s niet goed aantoonbaar zijn en dat causaliteit, zelfs met voldoende kwantitatieve gegevens, niet altijd bewezen kan worden.

Sinds 2013 wordt over majeure risicobedrijven (die onder het Brzo vallen) gerapporteerd in de Staat van de Veiligheid majeure risicobedrijven. Daarin worden de resultaten van overheden en bedrijfsleven gepresenteerd op het gebied van de veiligheidsprestatie van bedrijven. Het gaat daarbij zowel om ongevallen als om overtredingen die niet hebben geleid tot ongevallen maar wel een indicatie zijn voor het veiligheidsniveau binnen de risicovolle bedrijven. De overtredingen worden geclassificeerd naar zwaarte: zeer geringe dreiging, geen onmiddellijke dreiging, onmiddellijke dreiging waarmee het veiligheidsniveau nader wordt bepaald. De cijfers van het bedrijfsleven hebben betrekking op het aantal situaties waarbij onbedoelde lekkages van gevaarlijke stoffen zijn opgetreden (Loss of Primary Containment) en situaties waarbij werktijd verloren is gegaan door verwondingen (Lost Time Injury). Inmiddels zijn nu tijdsreeksen van deze cijfers ontstaan die een beeld van de ontwikkeling van het veiligheidsniveau laten zien. Juist dat beeld is veelzeggend over het veiligheidsniveau, meer dan elk van de jaarlijks verkregen data.

Vraag 32

Bent u voornemens om voor wat betreft het beleid voor het terugdringen van risico's op zeer zware ongevallen kritieke prestatie-indicatoren (KPI’s) op te stellen of een nulmeting te doen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze verwachten?

Antwoord 32

Zoals beschreven bij het antwoord op vraag 31 zijn objectieve gegevens zoals nalevingscijfers en het aantal zware ongevallen beschikbaar. De situatie in 2013 kan beschouwd worden als nulmeting. Vanaf dat jaar worden de ongevallen en overtredingen geregistreerd en gepresenteerd. Ik acht het echter niet haalbaar om KPI’s op te stellen die in kaart brengen hoeveel ongevallen voorkomen zijn. Het streven is altijd om geen zware ongevallen bij Brzo-bedrijven te hebben. Dat is ook het streven van het Programma Duurzame Veiligheid 2030.

Het is echter niet goed mogelijk om een mathematische relatie te leggen tussen maatregelen, zowel genomen door de overheid als door bedrijven zelf, en het veiligheidsniveau.

Vraag 33

Bent u voornemens om bij komende evaluatieonderzoeken meer eenduidig doelmatigheid te definiëren, operationaliseren en meten?

Antwoord 33

In de aanloop naar de volgende beleidsdoorlichting van begrotingsartikel 22 zal ik de inzichten van de rijksbrede operatie «Inzicht in Kwaliteit» benutten om de bepaling van de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid nog verder te verbeteren. Dit betekent dat ik bij de beleidsformulering en uitvoering van de diverse onderwerpen van begrotingsartikelen, maar ook bij de evaluatie van die formuleringen, extra aandacht zal besteden aan het operationaliseren en meten van de doeltreffendheid en doelmatigheid.

Vraag 34

Wat vindt u ervan dat ondanks de gebrekkige onderbouwing er toch overkoepelende conclusies worden getrokken?

Antwoord 34

De algemene conclusie van het bureau is, gebaseerd op onderliggende evaluaties en de eigen onafhankelijke analyse, dat het beleid in zijn algemeenheid doeltreffend is en bijdraagt aan de doelstelling van het begrotingsartikel 22. De doelmatigheid is volgens het bureau over het geheel genomen voldoende tot goed. De onafhankelijk deskundige, prof. dr. J.A. Knottnerus, geeft daarnaast een positief oordeel over het evaluatieproces en op de bevindingen en aanbevelingen van het onderzoeksbureau.

Op basis van de gedegenheid van de beleidsdoorlichting en het rapport van de onafhankelijke deskundige daarover kan ik niet anders concluderen dan dat ik de conclusies en aanbevelingen serieus moet nemen.

Vraag 35

Hoe bent u voornemens om de aanbevolen aangepaste definitie «het realiseren van een schone, gezonde en veilige leefomgeving, die door de inwoners van Nederland ook als zodanig wordt ervaren» qua doeltreffendheid en doelmatigheid te operationaliseren?

Antwoord 35

De aanbeveling om het maatschappelijk doel dat de komende jaren met de financiën van het begrotingsartikel 22 wordt nagestreefd te herformuleren tot: «het realiseren van een schone, gezonde en veilige leefomgeving, die door de inwoners van Nederland ook als zodanig wordt ervaren» heb ik omarmd.

In mijn brief van 5 juni 201815 heb ik aangegeven welke verbetermogelijkheden ik zie voor het beleid ten aanzien van omgevingsveiligheid en milieurisico’s. Dit behelst een transitie van saneren en beheersen naar het voorkómen van milieurisico’s en gevaren. Dit brengt automatisch een andere mix van beleidsinstrumenten met zich mee en dus een andere operationalisering van dit maatschappelijk doel.

De aanpak die ik daarbij voorsta, kenmerkt zich door drie sporen. Het ontwikkelen van instrumenten om risico’s te voorkomen («veilig aan de voorkant»). Het intensiveren van de huidige beleidsaanpak, waarin het beheersen van risico’s een centrale rol speelt. En tenslotte het actief betrekken van de samenleving bij de aanpak van milieurisico’s. In de genoemde brief heb ik die drie sporen verder uitgewerkt.

Vraag 36

Bent u voornemens om de aanbeveling, om te onderzoeken hoe groot de financiële problematiek met betrekking tot asbestdaken is en op welke wijze die kan worden verlicht, over te nemen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hier een uitwerking van verwachten?

Antwoord 36

Zoals met Uw Kamer is besproken bij het Algemeen Overleg Externe Veiligheid van 5 juni jl. is er met het verwerpen van het wetsvoorstel dat een rechtsbasis zou vormen voor een bij AMvB te reguleren asbestdakenverbod, een nieuwe situatie ontstaan. De beleidsdoorlichting is nog gebaseerd op het doorgaan van dat verbod, waarbij de maatschappelijke meerkosten bij een verbod per 2024 door de (geactualiseerde) MKBA op € 882 miljoen werd geschat. Ik heb Uw Kamer toegezegd met de maatschappelijke partners in gesprek te zullen gaan om tot heroriëntatie te kunnen komen en u voor het einde van dit jaar over mijn conclusies te zullen informeren.

Vraag 37

Waarom bevat de beleidsdoorlichting nauwelijks conclusies over en aanbevelingen voor verbetermogelijkheden voor het bestaande beleid?

Antwoord 37

De algemene conclusie van het onderzoeksbureau is, gebaseerd op die onderliggende evaluaties en de eigen onafhankelijke analyse, dat het beleid in zijn algemeenheid doeltreffend is en bijdraagt aan de doelstelling van het begrotingsartikel 22. De doelmatigheid is volgens het bureau over het geheel genomen voldoende tot goed. De onafhankelijk deskundige, prof. dr. J.A. Knottnerus, heeft daarnaast een positief oordeel gegeven over het evaluatieproces en op de bevindingen en aanbevelingen van het onderzoeksbureau.

In de context van deze positieve beoordeling heeft het onderzoeksbureau ook nog drie inhoudelijke suggesties/aanbevelingen gedaan op de onderwerpen «risico’s van blootstelling aan asbest», «de doelmatigheid van de Atlas Leefomgeving» en «de aanpak van zeer zorgwekkende stoffen». Die aanbevelingen worden ter hand genomen.

Vraag 38

In hoeverre is – naast de duidelijke inspanningen om regeldruk te verminderen – ook de regeldruk zelf daadwerkelijk verminderd?

Antwoord 38

De vermindering van de regeldruk is geen onderzoeksonderwerp in het kader van de Regeling Periodiek evaluatieonderzoek. Toch hechtte ik eraan de vermindering van regeldruk te onderzoeken en heb ik continu aandacht voor die vermindering bij het opstellen en wijzigen van regelgeving. Er zijn vooraf geen indicatoren bepaald om de kwantitatieve vermindering van regeldruk te bepalen.

Een verhoudingsgewijs simpele actie om regeldruk en administratieve lasten te verlagen is bijvoorbeeld het opzetten «frontoffice» loketten. In de geëvalueerde periode zijn onder andere voor de vergunningverlening ggo’s het zogeheten «food-feed loket» en het «gentherapie loket» ingericht.

Wat betreft beleid voor de sanering van asbestdaken constateert het onderzoeksbureau dat de regeldruk is verminderd.

In het biotechnologiebeleid is in een aantal gevallen voor het instrument melding gekozen in plaats van vergunning. Dit heeft tot vermindering van de regeldruk geleid.

Vraag 39

In hoeverre wordt de actuele regeldruk door de betrokken partijen als lager ervaren?

Antwoord 39

In de afgelopen jaren is er een duidelijke inspanning gepleegd om de regeldruk te verminderen. Dit laat onverlet dat het mogelijk is dat het resultaat van die inspanning niet als verminderde regeldruk wordt ervaren. Voor concrete voorbeelden van de inspanning om tot verminderde regeldruk en/of administratieve lasten te komen verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 38.

Vraag 40

Wat wordt bedoeld met het beëindigen van informatieverlening over externe veiligheid? Om welke informatieverlening gaat dit allemaal?

Antwoord 40

De onderzoekers hebben enkele bezuinigingsopties geïnventariseerd waaronder het minder gaan communiceren over Externe Veiligheid.

Ik kan u verzekeren dat we niet minder gaan communiceren over Externe Veiligheid gezien het grote maatschappelijke belang om transparant en eenduidig de samenleving op de hoogte te brengen van de nog aanwezige risico’s en de maatregelen om die te verkleinen. Wel worden diverse informatie- en communicatieactiviteiten samengevoegd en geïntegreerd.

Met de komst van de Omgevingswet (met name art. 10.5–10.7 en in de bijlagen VII tot en met X van het Bkl) komt er namelijk ook een nieuw Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV). Het Ministerie werkt samen met de andere overheden aan dit REV. Het REV gaat over het automatisch inwinnen van broninformatie vanuit de keten, tot het beheren en beschikbaar stellen van informatie voor meervoudig gebruik via (onder andere) de eerder genoemde Atlas Leefomgeving.

Vraag 41

Welke andere organisaties leveren ook een financiële bijdrage aan het opkopen van woningen langs risicovolle transportroutes? Kan er per organisatie aangegeven worden welke financiële bijdrage zij leveren?

Antwoord 41

De aankoop van woningen binnen de risicocontouren langs basisnetroutes komt volledig voor rekening van mijn Ministerie. Tot en met 2018 is daarvoor € 7,6 miljoen uitgegeven.


X Noot
1

De 37 vragen zijn als volgt genummerd: 1 t/m 2, 4 t/m 6, 10 t/m 41

X Noot
2

Kamerstuk 31 861, nr. 42 en raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Kamerstuk 31 861, nr. 45

X Noot
4

In de beleidsdoorlichting zijn tien onderwerpen nader uitgewerkt: Programma Bewust omgaan met veiligheid, stoffenbeleid (ZZS/ REACH) en nanomaterialen, sanering asbestdaken, de regisserende en stimulerende rol bij biotechnologie, BRZO, transport van gevaarlijke stoffen, het VTH-stelsel en de Atlas Leefomgeving.

X Noot
5

De 10-6 norm wordt ook wel aangeduid met «maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR)».

X Noot
6

Kamerstuk 28 089 en Kamerstuk 30 300 XI, nr. 15

X Noot
7

Kamerstukken 28 089 en 28 663, nr. 88

X Noot
8

Kamerstuk 28 663, nr. 60; Kamerstuk 28 663, nr. 68; Kamerstukken 28 663 en 28 089, nr. 71;

X Noot
9

Kamerstuk 32 861, nr. 41

X Noot
10

Kamerstuk 32 861, nr.32

X Noot
11

Kamerstuk 28 089 en 28 663, nr. 88

X Noot
12

Kamerstuk 31 865, nr. 126, bijlage 3

X Noot
13

Kamerstuk 28 089 en 28 663, nr. 88

X Noot
14

Kamerstuk 28 663, nr. 60; Kamerstuk 28 663, nr. 68; Kamerstukken 28 663 en 28 089, nr. 71;

X Noot
15

Kamerstuk 28 089, nr. 88