Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201932813 nr. 248

32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid

30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid

Nr. 248 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 november 2018

Op 9 oktober 2018 heeft het Gerechtshof Den Haag het hoger beroep van de Staat in de zaak Urgenda/Staat verworpen (Kamerstukken 32 813 en 30 196, nr. 223). Het gevolg van deze uitspraak is dat het reductiebevel, zoals geformuleerd door de Rechtbank Den Haag in de uitspraak van 24 juni 2015, ongewijzigd van kracht blijft. Het kabinet blijft daarom sturen op het halen van 25% broeikasgasreductie in 2020 en zal indien nodig hiervoor aanvullende maatregelen treffen. Hierbij informeer ik u over de beslissing van het kabinet om cassatie aan te tekenen tegen de uitspraak van het gerechtshof.

Anders dan de rechtbank concludeert het gerechtshof dat Urgenda een rechtstreeks beroep kan doen op het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het gerechtshof bepaalt dat uit de artikelen 2 en 8 van het EVRM voortvloeit dat de Staat gehouden is om de broeikasgasuitstoot te reduceren om dreigend gevaar door klimaatverandering te voorkomen. Het gerechtshof bepaalt vervolgens mede op basis van cijfers van het International Panel on Climate Change (IPCC) dat de Staat tenminste 25% reductie in 2020 moet bereiken om te voldoen aan de verplichtingen uit het EVRM. Het beroep van de Staat op het stelsel van machtenscheiding wordt door het hof verworpen omdat het hier gaat om rechtsreeks werkende verdragsverplichtingen (artikelen 2 en 8 EVRM) die voorrang hebben op eventuele nationale (wettelijke) bepalingen.

In deze uitspraak past het hof voor de eerste keer het EVRM rechtstreeks toe op de noodzaak van emissiereductie om de gevaren, die zouden kunnen ontstaan door klimaatverandering, te voorkomen. De conclusie van het gerechtshof dat het EVRM de Staat verplicht tot broeikasgasreductie en de beperkte beleidsvrijheid die de Staat heeft bij het bepalen van de mate van reductie, is naar de mening van het kabinet verstrekkend. Deze lijn kan grote gevolgen hebben voor de vrijheid van (toekomstige) kabinetten om tot klimaatbeleid te komen. De redeneerlijn van het hof kan bovendien gevolgen hebben in vergelijkbare zaken waar de Staat beleidskeuzes moet maken op basis van internationale samenwerking en wetenschappelijk onderzoek. De Urgenda-procedure draait voor het kabinet dan ook niet om het klimaatbeleid of de uitvoering van het vonnis, maar om de vraag op welke wijze beleidskeuzes van de regering juridisch worden getoetst. Het gaat om een principiële kwestie.

Uitvoeren uitspraak

Het kabinet streeft een ambitieus klimaatbeleid na, gericht op 49% broeikasgasreductie in 2030 ten opzichte van 1990, en met een harde doelstelling van 95% reductie in 2050. Het reductiebevel zoals geformuleerd door de Rechtbank Den Haag blijft onverminderd van kracht. Het kabinet blijft dan ook sturen op het halen van 25% broeikasgasreductie in 2020 en zet daarom in op het volledig behalen van de Energieakkoord-doelen. In de Uitvoeringsagenda Energieakkoord van 14 februari 2018 (Kamerstuk 30 196, nr. 573), is aangegeven welke maatregelen genomen zijn om de Energieakkoord doelen te realiseren. Daarnaast treft het kabinet voorbereidingen om eventueel aanvullende maatregelen te nemen teneinde de emissiereductie te realiseren. Begin 2019 zal het Planbureau voor de Leefomgeving een update van de NEV 2017 publiceren die inzicht zal bieden in het doelbereik van het Energieakkoord en de uitvoering van het Urgenda-vonnis. Als uit deze prognose volgt dat er aanvullende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de uitspraak, zal het kabinet deze maatregelen nemen en uw Kamer hierover informeren.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes