Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201832813 nr. 194

32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid

Nr. 194 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 juni 2018

Vanaf het begin van dit jaar is het kabinet samen met een groot aantal betrokken partijen aan een grote opgave begonnen: het uitwerken van een Klimaatakkoord waarin afspraken worden vastgelegd over de manier waarop we in Nederland het ambitieuze doel van 49% broeikasgasreductie in 2030 ten opzichte van 1990 gaan bereiken. Alle betrokken partijen hebben deze handschoen met groot enthousiasme en veel ambitie opgepakt. In mijn brief van 23 februari jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 163) heb ik de aanpak geschetst die we hanteren om dit te bereiken en wat daarbij de kabinetsinzet is. Op 8 maart jl. heb ik hierover met uw Kamer gedebatteerd (Handelingen II 2017/18, nr. 59, item 11) en op basis hiervan is de aanpak en de kabinetsinzet nader aangescherpt.

In mijn brief van 23 februari jl. heb ik benadrukt dat ik het belangrijk vind dat het parlement nauw betrokken is bij het proces om te komen tot het Klimaatakkoord. In dat kader heb ik destijds aangeboden om de voorzitter van het Klimaatberaad een technische briefing te laten geven aan uw Kamer. Uw Kamer heeft dit aanbod aangenomen en de voorzitter van het Klimaatberaad heeft deze briefing op

11 april jl. gegeven. Naar aanleiding van deze technische briefing, heeft de voorzitter van het Klimaatberaad een set met schriftelijke vragen beantwoord die ik op 17 mei naar uw Kamer heb doorgeleid (Kamerstukken 32 813 en 30 196, nr. 190).

Op 14 juni a.s. zal de voorzitter van het Klimaatberaad een tweede technische briefing geven.

Uw Kamer heeft daarnaast door middel van de motie van het lid Van der Lee c.s. (Kamerstuk 30 196, nr. 575) gevraagd om medio juni nader geïnformeerd te worden over de algehele voortgang van het Klimaatakkoord. Tevens heeft het lid Van Raan in de Regeling van Werkzaamheden van 22 mei jl. om een brief verzocht hoe de burger verleid kan worden om meer te gaan doen in de klimaattransitie (Handelingen II 2017/18, nr. 83, item 22). Daarnaast heeft de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verzocht om een stand van zaken brief over het klimaatvraagstuk in relatie tot landbouw. Door middel van deze brief geef ik, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, uitvoering aan deze motie en bovengenoemde Kamerverzoeken.

In deze brief schets ik allereerst een beeld van het verloop van de gesprekken aan de vijf sectortafels. Vervolgens beschrijf ik de aanpak die gevolgd wordt met de verschillende dwarsdoorsnijdende thema’s. Daarna ga ik in op de verschillende acties die worden ingezet om de samenleving bij het Klimaatakkoord te betrekken en te bouwen aan draagvlak voor de ambitie en aanpak van het Klimaatakkoord. Tot slot ga ik, zoals gevraagd door de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat in op het vervolgproces tot het einde van dit jaar.

Opzet en voortgang van de sectortafels

De vijf sectortafels vormen het hart van het Klimaatakkoord: hier moeten de afspraken worden gemaakt die invulling geven aan de reductieopgave voor 20301 en ons voorbereiden op de opgave tot 2050. Het kabinet heeft met de opdracht die zij aan de voorzitters heeft gegeven gestuurd op het resultaat, in de wetenschap dat de sectoren van elkaar verschillen en dus ook een aparte aanpak vragen. Zoals ik ook in mijn brief van 23 februari jl. heb aangegeven, hebben de onafhankelijke voorzitters daarom de ruimte om het proces van de sectorale tafels zelf vorm te geven.2 Hieronder ga ik in op de opzet en voortgang aan alle sectortafels.

Gebouwde omgeving

De indicatieve reductieopgave voor 2030 die door de tafel Gebouwde omgeving ingevuld moet worden bedraagt 3,4 Mton. Onderdeel daarvan is het behalen van de ambitie uit het regeerakkoord om 30.000–50.000 woningen per jaar aardgasvrij of aardgasvrij-ready te maken voor het einde van de kabinetsperiode.

Aan de tafel neemt een brede groep aan partijen deel: van energiebedrijven tot de Woonbond, en van Bouwend Nederland tot de geothermiesector. Dit kenmerkt ook de breedte en complexiteit van de opgave waar de gebouwde omgeving voor staat en de belangen die daarbij een rol spelen. De sectortafel heeft rond een aantal cruciale thema’s specifieke werkgroepen ingesteld. Aan deze werkgroepen nemen naast partijen die direct aan de tafel zitten, ook (andere) experts deel. Werkgroepen die zijn ingesteld gaan over financiering, nieuwbouw, wijkgerichte aanpak en duurzame warmte. In dat kader komen onder andere gebouwgebonden financiering, normering van de warmtevraag van gebouwen en de gewenste marktordening van warmtenetten aan de orde. Ook is er aandacht voor het handelingsperspectief voor particulieren voor energiebesparing door middel van isolatie. Daarnaast wordt gesproken over de voorwaarden waaronder gemeenten adequate plannen voor aardgasvrije wijken kunnen opstellen en uitvoeren. Om in de eerste jaren snel vaart te kunnen maken wordt verkend wat de mogelijkheden zijn voor verduurzaming van het vastgoed van woningcorporaties en maatschappelijke partijen en semi-publieke instellingen zoals bij scholen en in de zorgsector. Op basis hiervan kijkt de tafel welke investeringen hiervoor nodig zijn en wat de investeringsruimte is mede gezien de opgaven voor de woningcorporaties op het gebied van beschikbaarheid en betaalbaarheid.

Aandachtspunt voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving is op welke wijze verbinding kan worden gemaakt met circulair bouwen.

De ambitie aan de tafel en de werkgroepen is groot en de sfeer is constructief.

Er is vertrouwen dat men gezamenlijk tot een realistische en vernieuwende aanpak kan komen om de gebouwde omgeving versneld te verduurzamen.

Dat neemt niet weg dat men zich aan de tafel beseft dat het bij de gebouwde omgeving van groot belang is om een aanpak te ontwikkelen waarvoor er in draagvlak in de samenleving is. Dit is een belangrijk aandachtpunt bij de uitwerking van het instrumentarium.

Elektriciteitssector

De indicatieve reductieopgave voor 2030 die door de Elektriciteitstafel ingevuld moet worden bedraagt 20,2 Mton. Daarbij is door het kabinet aangegeven dat het stoppen van elektriciteitsproductie met kolen wel bijdraagt aan deze opgave, maar dat deze niet aan de tafel besproken wordt (Kamerstukken 30 196 en 32 813, nr. 600).

Aan de tafel nemen onder andere energiebedrijven, netbeheerders, mede-overheden, natuur- en milieuorganisaties, vertegenwoordigers van grootverbruikers, vertegenwoordigers van energiecoöperaties, kennisinstellingen, technische industrie en werknemersorganisatie deel. De Elektriciteitstafel neemt door de potentie van elektrificatie in de andere sectoren een centrale plek in het Klimaatakkoord met directe raakvlakken met nagenoeg alle sectoren. De twee technische werkgroepen die door de voorzitter van de Elektriciteitstafel zijn ingesteld zijn ook tekenend voor de grote impact die verwacht wordt van de opgave die aan deze tafel moet worden ingevuld. Er is een werkgroep ingesteld die kijkt naar de systeemvraagstukken die opkomen bij een sterke toename van weersafhankelijke hernieuwbare elektriciteitsproductie en er is een werkgroep ingesteld om de ruimtelijke mogelijkheden en consequenties van hernieuwbare elektriciteitsproductie in kaart te brengen. Deze werkgroepen voeden het gesprek aan de tafel, waarbij in het bijzonder gekeken wordt naar de toekomst van windenergie op zee, hernieuwbare elektriciteitsproductie op land en de mogelijkheden van flexibilisering van het elektriciteitssysteem.

Onder de deelnemers aan de Elektriciteitstafel bestaat veel overeenstemming over de richting die de elektriciteitssector in zal moeten slaan om de opgave voor 2030 en 2050 te kunnen realiseren. Daarbij is voor partijen duidelijk dat een goedwerkende (Noordwest-Europese) elektriciteitsmarkt met een gelijk speelveld uitgangspunt moet zijn. Ook zijn nieuwe samenwerkingsverbanden nodig, bijvoorbeeld rond de ruimtelijke inpassing van hernieuwbare elektriciteitsproductie en het bouwen aan maatschappelijk draagvlak hiervoor. Ook de wijze waarop effectieve nieuwe vormen van samenwerking kunnen worden opgezet tussen de elektriciteitssector en andere sectoren, met name de industrie, is onderwerp van gesprek. Partijen realiseren zich voorts terdege dat de opgave voor de Elektriciteitstafel sterk verbonden is met de regionale (Noordwest-) Europese elektriciteitsmarkt en daarmee met de ontwikkelingen die in buurlanden plaatsvinden. Ook dat wordt in de gesprekken betrokken.

Mobiliteitssector

De indicatieve reductieopgave voor 2030 die door de Mobiliteitstafel ingevuld moet worden, bedraagt 7,3 Mton, waarvan een resultaatverplichting van 5,9 Mton. Daarmee wordt vastgehouden aan de afspraak uit het Energieakkoord dat de uitstoot in de mobiliteitssector in 2030 niet meer mag zijn dan 25 Mton.

De Mobiliteitstafel kent een sterke decentrale structuur. Er is bij de start van deze tafel voor gekozen om zoveel als mogelijk gebruik te maken van bestaande gremia rond verschillende brandstoffen en modaliteiten. De sectortafel dient om deze thematische «subtafels» aan te jagen en te ondersteunen, de uitkomsten uit de subtafels bij elkaar te brengen en te stroomlijnen en partijen aan te sporen zich aan te sluiten bij te maken afspraken. De Mobiliteitstafel heeft zodoende een brede ambitie om alle segmenten van het mobiliteits- en transportsysteem mee te nemen bij het invullen van de opgave. Om in 2050 tot emissieloze mobiliteit te komen die voor iedereen toegankelijk en betaalbaar is en waarbij ook ruimte blijft voor grote goederenstromen, zijn systeemveranderingen nodig op alle onderdelen van het mobiliteitssysteem. Ook in het ontwerp en aanleg van infrastructuur om de uitgangspunten van circulair ontwerp te hanteren. Deze systeemveranderingen raken dan ook alle modaliteiten en partijen. Dit betekent onder meer dat de beleidsaanpassingen voor deze kabinetsperiode moeten voorsorteren op de veranderingen die op de middellange (tot 2030) en lange termijn (tot 2050) moeten plaatsvinden.

Partijen hebben drie invalshoeken gedefinieerd waarlangs ze deze ambitie willen bereiken. Allereerst is er de mobiliteitsgerichte aanpak waarbij transitiepaden per vervoermodaliteit worden gedefinieerd in relatie tot de energiedragers. Hier vindt bijvoorbeeld uitwerking plaats van het streven uit het regeerakkoord (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) om uiterlijk in 2030 alleen nog maar emissieloze nieuwe personenauto’s te verkopen. Om deze doelstellingen te halen, zijn randvoorwaarden zoals voldoende laadpalen, gedifferentieerde parkeertarieven of aanpassing van de fiscaliteit onderwerp van discussie. Ook is hierbij de rol van innovatieve brandstoffen – vooral van belang voor (zwaar) vrachtverkeer en de binnenvaart – aan de orde. Een tweede invalshoek om de CO2-uitstoot fors terug te dringen is een doelgroepgerichte aanpak. De kern daarbij is dat een maatregelpakket tot stand komt welke aansluit bij de doelgroep, zoals de werkgerelateerde mobiliteit of de logistiek. De derde invalshoek betreft de gebiedsgerichte aanpak. Centraal staat de vraag hoe regio’s integraal kunnen bijdragen aan slimme en duurzame mobiliteitssystemen.

De basis voor samenwerking die binnen de Mobiliteitssector is gelegd in het kader van het Energieakkoord werpt zijn vruchten af voor het Klimaatakkoord. Partijen beseffen dat de grootte van de opgave tot vergaande veranderingen moet leiden en werken constructief naar gezamenlijke oplossingen toe. Daarbij erkennen partijen echter ook dat er zaken zijn waarbij de Nederlandse ambities afhankelijk zijn van besluitvorming in Brussel. Europees bronbeleid en de normering van voertuigen hebben een grote invloed op de emissiereductie in Nederland, en liggen tegelijkertijd buiten de invloedssfeer van de partijen aan tafel. Daarnaast zijn er diverse raakvlakken en dwarsverbanden met de andere sectortafels, bijvoorbeeld als het gaat om de beschikbaarheid en inzet van hernieuwbare elektriciteit voor elektrisch vervoer en de mogelijkheden daarvoor ten aanzien van de energie infrastructuur. De beschikbaarheid van waterstof voor diverse vervoersmodaliteiten en de beschikbaarheid van duurzame biomassa voor biobrandstoffen zijn eveneens vraagstukken over de sectoren heen.

Landbouw en landgebruik

De indicatieve reductieopgave voor 2030 die door de tafel Landbouw en landgebruik ingevuld moet worden bedraagt 3,5 Mton CO2 en CO2-equivalenten. Daarvan moet 2 Mton door de landbouw gerealiseerd worden en moet in landgebruik 1,5 Mton worden gerealiseerd. Bovendien is gevraagd in kaart te brengen wat nodig zou zijn om in landgebruik een additionele reductie van 1,7 Mton te realiseren. Waar mogelijk kan het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) worden benut om invulling te geven aan de ideeën die aan de tafel ontstaan ter invulling van deze 1,7 Mton.

De klimaatopgave wordt door alle partijen die aan de tafel Landbouw en landgebruik zitten erkend als één van de belangrijkste uitdagingen voor de komende jaren. De opgave sluit aan op andere verduurzamingsopgaven waaraan de sector werkt, wat maakt dat men naar oplossingen toe kan werken. De tafel pakt de opgave thematisch aan en ondervangt daarmee de grote variatie in de wijze waarop de opgave zal uitwerken in de verschillende sectoren. De daartoe ingestelde werkgroepen zijn uitgebreid met partijen en experts die niet direct aan de tafel deelnemen. Er zijn werkgroepen voor de opgave voor de glastuinbouw, de methaanemissies uit mest en mogelijkheden om via veranderende voedselconsumptie de uitstoot van broeikasgassen in Nederland te reduceren. Ook zijn er werkgroepen die naar slimmer landgebruik kijken, onder andere voor de veenweidengebieden.

De partijen aan de tafel zijn ambitieus en gemotiveerd om de emissiereductie te realiseren. Men beseft dat de klimaatopgave extra eisen stelt bovenop de nu al aanzienlijke eisen. Bovendien gaat het om een sector die opereert in een mondiale markt, waardoor het handelingsperspectief ook wordt beïnvloed. Het toekomstige verdienvermogen van de land- en tuinbouw zal mede bepaald worden door de mogelijkheden om de broeikasgasemissies op lange termijn terug te dringen. Tegelijkertijd is er ook het besef dat juist de innovatiekracht van de Nederlandse land- en tuinbouw ingezet moet en kan worden om dit te realiseren.

Aan de tafel wordt de koppeling gelegd met de circulaire economie, enerzijds omdat de transitieagenda Biomassa en Voedsel die in dat kader is gemaakt veel raakvlakken kent met de klimaatopgave en anderzijds vanuit het besef dat de sectoren veel kunnen bijdragen aan het meer circulair worden van de hele economie.

Industrie

De indicatieve reductieopgave voor 2030 die door de Industrietafel ingevuld moet worden bedraagt 14,3 Mton. Deze opgave raakt ook in het bijzonder aan de ambitie van het kabinet rond circulaire economie, al is die ambitie ook van belang voor andere sectoren.

De aanpak die aan de Industrietafel is gekozen om invulling te geven aan de opgave laat zien dat maatwerk in deze sector van groot belang is. Naast de individuele industriële bedrijven, zitten ook medeoverheden, natuur- en milieuorganisaties en vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties aan tafels. Er zijn vijf regionale werkgroepen en twee industriële werkgroepen. De afspraken die uit deze werkgroepen komen, zullen in grote mate met elkaar moeten samenhangen, maar elke werkgroep kent wel zijn eigen dynamiek. De sectortafel zal de opbrengst van de werkgroepen bij elkaar brengen tot een gedeelde lange termijnvisie voor de transitie in de industrie in 2050 met daarbij een concreet pakket van samenhangende en concrete afspraken voor 2030. Daarbij moet een evenwicht gevonden worden tussen generiek instrumentarium dat alle bedrijven in de sector prikkelt om de komende jaren maatregelen te nemen om hun uitstoot te verminderen, en instrumentarium dat gericht is op het aanjagen van CO2-reducerende maatregelen voor specifieke clusters of bedrijven. Ook innovatie rond procesefficiency en verduurzaming van het grondstoffengebruik in de industrie vereist een specifieke aanpak. Daarnaast wordt gekeken naar randvoorwaarden die nodig zijn voor het realiseren van de verduurzaming van de industrie, waaronder goede infrastructuur voor grondstoffen, elektriciteits- en warmtelevering.

Bij het uitwerken van afspraken aan de Industrietafel is voor alle partijen de internationale context waarbinnen de industrie opereert een aandachtspunt. Nederland en de Nederlandse industrie willen voorop lopen, maar de industrietransitie kan alleen duurzaam slagen als deze internationaal ook wordt ingezet. Daarom is aan de tafel ook aandacht voor het blijven stimuleren van het gunstige Nederlandse vestigingsklimaat en het bevorderen van een gelijk speelveld. Vanuit dat gegeven wordt aan de Industrietafel naar concrete afspraken toegewerkt.

Opzet en voortgang dwarsdoorsnijdende thema’s

In mijn brief van 23 februari jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 163) heb ik aangegeven dat de opgave waar we richting 2030 en 2050 voor staan meer dan tot nu toe gebruikelijk vraagt om een sectoroverstijgende aanpak. Die aanpak moet primair door de tafels zelf onderling uitgewerkt worden waar het onderwerpen betreft die niet alle tafels raken. Dat neemt niet weg dat er ook onderwerpen zijn waarvan duidelijk is dat ze aan alle tafels spelen en die er ook bij gebaat zijn om vanuit een integraal beeld te beschouwen. Vanuit die gedachte worden in het Klimaatakkoord vijf dwarsdoorsnijdende thema’s gehanteerd waarvoor aan alle sectortafels aandacht is, maar waar ook integraal naar gekeken wordt. Op de voortgang rond deze dwarsdoorsnijdende thema’s ga ik hieronder één voor één in.

Financiering

Voor het dwarsdoorsnijdende thema financiering is een speciale taakgroep in het leven geroepen. In deze taakgroep, die wordt voorgezeten dhr. Gerard van Olphen, nemen vertegenwoordigers van de verschillende subsectoren uit de financiële sector (banken, verzekeraars, institutionele beleggers) en Netherlands Investment Agency (NIA) deel. De taakgroep heeft een tweeledige rol. Aan de ene kant is de taakgroep beschikbaar voor vragen vanuit de tafels die gerelateerd zijn aan financiering. Aan de andere kant heeft de taakgroep ook een eigenstandige rol om de tafels (ongevraagd) te adviseren over financieringsvraagstukken.

Op dit moment concentreren de werkzaamheden van de taakgroep zich op het inzichtelijk maken binnen welk kader projecten die een bijdrage kunnen leveren aan de klimaatopgave, gefinancierd kunnen worden door partijen uit de financiële sector. Dat heeft te maken met de eisen van partijen ten aanzien van risicorendement en diversificatie, maar ook met de verschillende vormen van financiering die vereist of gewenst zijn voor specifieke maatregelen. Ten aanzien van de adviserende rol van de taakgroep is er intensief contact tussen de taakgroep en de voorzitters van de tafels. Er is ook een gedeeld beeld dat de taakgroep in deze rol vooral een meerwaarde zal hebben in de tweede helft van het jaar, wanneer de uitwerking van programma’s en projecten nadrukkelijker opgepakt wordt.

Arbeidsmarkt en scholing

Ook voor het dwarsdoorsnijdende thema Arbeidsmarkt en scholing is een taakgroep ingesteld. Deze taakgroep wordt voorgezeten door mevr. Mariëtte Hamer en aan de taakgroep nemen vertegenwoordigers van vakbonden, werkgevers, onderwijsinstellingen en Techniekpact deel. Het SER-advies «Energietransitie en werkgelegenheid» biedt input voor het werk van deze taakgroep3. De taakgroep heeft als opdracht om ontwikkelingen op de arbeidsmarkt die relevant zijn voor de klimaat- en energietransitie te signaleren en te zorgen dat onder meer het SER-advies door de sectortafels op een adequate manier worden meegenomen in hun afspraken en om ervoor te zorgen dat aanbevelingen die het Klimaatakkoord overstijgen doorgeleid worden naar juiste gremia voor verdere bespreking. Daarnaast kunnen de tafels specifieke vragen op het gebied van arbeidsmarkt en scholing aan de taakgroep stellen. De taakgroep is op 1 mei jl. van start gegaan en voor deze taakgroep wordt, evenals de taakgroep Financiering, voorzien dat een belangrijk deel van het werk zich zal concentreren op de uitwerkingsfase in de tweede helft van dit jaar.

Ruimte

Het dwarsdoorsnijdende thema Ruimte is een belangrijk gespreksonderwerp aan alle sectortafels. Alle partijen die bij het Klimaatakkoord betrokken zijn realiseren zich terdege dat de ruimtelijke consequenties van de broeikasgasreductieopgave significant zijn en dat dit bij uitstek in ons dichtbevolkte land tot spanningen kan leiden. Dat maakt het van groot belang dat de ruimtelijke impact van maatregelen aan alle sectortafels goed besproken wordt, maar ook dat hier integraal naar wordt gekeken, zodat zowel de dilemma’s als de kansen zichtbaar worden, zoals de wijze waarop ruimte efficiënt kan worden benut, bijvoorbeeld voor collectieve warmtevoorzieningen en de mate waarin er voor individuele (lokale) oplossingen worden gekozen.

Er zijn aan alle sectortafels ruimtelijk experts ter beschikking gesteld die de tafels kunnen helpen bij het gesprek over de ruimtelijke consequenties van de afspraken waar men aan werkt. Belangrijke uitgangspunten voor deze inzet zijn algemene ruimtelijke principes zoals zuinig en meervoudig ruimtegebruik, het zoveel mogelijk combineren van verschillende opgaven, het bij elkaar brengen van vraag en aanbod en het uitgaan van specifieke kenmerken van gebieden. De ruimtelijk experts hebben bovendien een rol om, vanuit hun kennis over de gesprekken aan de sectortafels, het Klimaatberaad bij te staan bij het vormen van een integraal beeld van de ruimtelijke consequenties van de afspraken aan de tafels.

Ten aanzien van het dwarsdoorsnijdende thema ruimte is voor het kabinet de samenloop met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) een belangrijk aandachtspunt. De ruimtelijk relevante zaken uit het Klimaatakkoord landen in de NOVI. De trajecten van de NOVI en Klimaatakkoord worden om die reden gesynchroniseerd. De NOVI is vervolgens de basis voor de inbedding van de (regionale) klimaat- en energietransitie in de fysieke leefomgeving en voor de doorwerking in andere instrumenten onder de Omgevingswet.

Innovatie

In de opdrachten van het kabinet aan de voorzitters, is gevraagd om afspraken in hun sector te maken op basis van de driedeling: 1) uitrol tot 2030; 2) pilots en demonstratie; en 3) onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Deze decentrale aanpak voor het dwarsdoorsnijdende thema innovatie zorgt er voor dat per sectortafel de benodigde kennis en innovatie-inzet gedefinieerd wordt vanuit de specifieke opgaven waar deze tafels voor staan en betrekking heeft op het gehele innovatieproces.

Om aan alle sectortafels te komen tot een gedeeld beeld over de benodigde kennis- en innovatie-inzet voor de opgave voor 2030 en 2050, zijn er gerichte innovatieteams samengesteld van experts die de tafels kunnen ondersteunen. Deze expertteams bestaan uit wetenschappers, vertegenwoordigers van kennisinstellingen, de topsectoren en de betrokken departementen. De rol van de innovatieteams is om zoveel mogelijk voor de sectortafels inzichtelijk te maken welke inzet op kennis en innovatie er nu al plaatsvindt en de tafel te ondersteunen bij het maken van keuzes over de innovatie-inzet die passen bij de overige afspraken die de partijen maken. Dit zal over de vijf sectortafels heen uitmonden in een integrale kennis- en innovatieagenda voor klimaat en energie behorend bij het klimaatakkoord. Idealiter wordt daarbij toegewerkt naar meerjarige innovatieprogramma’s die in de tweede helft van dit jaar nadere uitwerking kunnen krijgen. Het Klimaatberaad bewaakt de integraliteit van de innovatieprioriteiten van de sectortafels.

Belemmerende wet- en regelgeving

Conform de motie van de leden Yesilgöz-Zegerius en Jetten (Kamerstuk 30 196, nr. 595) is belemmerende wet- en regelgeving als dwarsdoorsnijdend thema aan het Klimaatakkoord toegevoegd ten opzichte van mijn brief van 23 februari (Kamerstuk 32 813, nr. 163). Alle sectortafels is in relatie tot dit dwarsdoorsnijdende thema gevraagd om bij het maken van afspraken specifiek ook te kijken naar alle vormen van wet- en regelgeving die nodig zijn om de opgave te halen en passen in de langetermijntransitie. Het gaat daarbij zowel om bestaande wet- en regelgeving die in de huidige vorm een belemmering vormt, alsook om nieuwe wet- en regelgeving die noodzakelijk wordt geacht om de opgave te realiseren. Het Klimaatberaad ziet toe op de samenhang tussen de afspraken die raken aan wet- en regelgeving.

Aanpak betrekken samenleving en bouwen aan draagvlak

Conform de motie van het lid Agnes Mulder c.s. (Kamerstuk 30 196, nr. 586) beschouwt het kabinet het bouwen aan en behouden van maatschappelijk draagvlak als een belangrijk kader voor de kabinetsinzet. Zoals ik in gesprek met uw Kamer heb aangegeven, is dat een proces van de lange adem en tegelijkertijd een constant aandachtspunt. Vanuit dat oogpunt staat kostenefficiëntie voor mij voorop in het Klimaatakkoord, omdat het beheersbaar houden van de kosten een eerste en belangrijke stap is om draagvlak voor de transitie te krijgen. Dat is echter geenszins voldoende. Om maatschappelijk draagvlak te bouwen en het maatschappelijk eigenaarschap te versterken zet ik daarom verschillende acties in.

Op 26 april jl. (Kamerstukken 32 813 en 30 196, nr. 188) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de globale aanpak die ik samen met de voorzitters van de sectortafels en het Klimaatberaad heb uitgewerkt om de samenleving actief te betrekken bij het Klimaatakkoord, zowel in deze fase van totstandkoming en uitwerking, als de komende jaren in de uitvoering.4 Het actief en effectief betrekken van de samenleving bij het Klimaatakkoord is voor mij cruciaal om te komen tot een akkoord dat de basis vormt voor een breed maatschappelijk eigenaarschap van de opgave. In mijn brief van 26 april jl. heb ik aangegeven daar langs drie sporen aan te werken. Hieronder ga ik op elke van deze sporen nader in. Ook ga ik in op de voortgang van de gesprekken in de brede samenstelling van het Klimaatberaad, waarbij vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties met de voorzitters van gedachten wisselen over de kansen en risico’s voor het draagvlak van het Klimaatakkoord.

Spoor 1: online informatievoorziening

Eind april is de website www.klimaatakkoord.nl gelanceerd. De website wordt beheerd onder verantwoordelijkheid van de voorzitter van het Klimaatberaad en is hét informatiemiddel om op hoofdlijnen iedereen die hierin geïnteresseerd is te informeren over de actuele stand van zaken rond het Klimaatakkoord. Op de website wordt over alle sectortafels informatie gegeven, zijn verdiepende publicaties die aan de tafel benut worden te vinden en wordt antwoord gegeven op de meest gestelde vragen over het Klimaatakkoord.

Daarnaast is er een mogelijkheid voor iedereen om ideeën en suggesties aan te leveren of vragen te stellen. De ideeën en suggesties worden doorgeleid naar de voorzitters en secretarissen van de relevante tafels en alle vragen worden van een individueel antwoord voorzien. Op basis van de gestelde vragen worden bovendien de meest gestelde vragen steeds verder uitgebreid, om zodoende de informatievoorziening zo compleet mogelijk te maken. Daarnaast wordt met enige regelmaat op de website gepubliceerd welke ideeën en suggesties zijn binnengekomen, zodat ook dit ter inspiratie kan dienen voor iedereen.

Spoor 2: betrekken organisaties die niet aan de tafels zitten

Bij de start van de gesprekken over het Klimaatakkoord was het duidelijk dat we met het inrichten van tafels voor de verschillende sectoren nooit volledig recht konden doen aan alle organisaties die een bijdrage kunnen leveren aan de reductieopgave en hier ideeën over hebben. Zodoende zijn er verschillende acties in gang gezet om alle organisaties die dit willen, ook de ruimte te bieden om input te leveren en ook om ze hiertoe actief uit te dagen.

De meest eenvoudige van deze acties is dat de voorzitters van de verschillende sectortafels en de voorzitter van het Klimaatberaad bilateraal met een groot aantal organisaties hebben gesproken om ideeën en suggesties op te halen en dilemma’s te bespreken. Naast inhoudelijke verrijking, leidt dit er ook toe dat er een groter netwerk van partijen is opgebouwd die kunnen bijdragen aan de uitwerking en uitvoering van de afspraken in het Klimaatakkoord.

Daarnaast hebben verschillende tafels ook specifieke bijeenkomsten georganiseerd om een grotere groep partijen te consulteren dan aan de tafel vertegenwoordigd zijn. In de antwoorden op vragen die uw Kamer aan de voorzitter van het Klimaatberaad heeft gesteld, geeft hij aan dat diverse tafels brede bijeenkomsten hebben gehouden om zoveel mogelijk stakeholders te betrekken (Kamerstukken 32 813 en 30 196, nr. 190). Tevens spreekt de voorzitter van het Klimaatberaad met MKB Nederland en Start-Up Delta over wat zij belangrijk vinden in het Klimaatakkoord en hoe zij hieraan kunnen bijdragen. Bovendien is met ondersteuning van mijn ministerie op 5 juni een «MBO-top» georganiseerd, waarbij met 50 MBO-studenten is gereflecteerd op de opgave die met het Klimaatakkoord moet worden gerealiseerd en de bijdrage die zij als aankomende vakmensen op de arbeidsmarkt daaraan kunnen leveren. Ten slotte hebben jongeren die actief zijn in de energie- en klimaattransitie zich georganiseerd aan de tafels en via diverse klankbordgroepen om de dwarsverbanden tussen de tafels te bevorderen.

Spoor 3: betrekken burgers

De aanpak om burgers te betrekken is misschien wel de belangrijkste en tegelijkertijd de meest ingewikkelde kwestie in relatie tot het draagvlak voor het Klimaatakkoord. Ik vind het belangrijk dat burgers in alle fases van het Klimaatakkoord op een zinvolle manier worden gemobiliseerd om het akkoord te verbeteren. Daarbij maak ik het onderscheid tussen de fase tot de zomer, de uitwerking van het akkoord richting het einde van dit jaar en de uitvoering van het akkoord in de komende jaren.

Om in de periode tot de zomer input en reflectie van burgers te krijgen op de transitie die we met het Klimaatakkoord willen bereiken, worden er vijf regionale bijeenkomsten georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomsten, waarvan de eerste op 28 mei heeft plaatsgevonden en de laatste op 15 juni zal plaatsvinden gaat de voorzitter van het Klimaatberaad samen met een voorzitter van een sectortafel en een vertegenwoordiger van een organisatie die de regionale context goed kent in gesprek met geïnteresseerde burgers.

Ter voorbereiding op het proces van verdere uitwerking en uitvoering van het Klimaatakkoord, is onder verantwoordelijkheid van de voorzitter van het Klimaatberaad ook een traject gestart waarin wordt samengewerkt met organisaties die al actief zijn op gebied van het organiseren van burgers, zoals het Nederlands Platform Burgerparticipatie en Overheidsbeleid en Buurkracht. Met hen wordt in de periode van eind mei tot en met half juni via gerichte gesprekken met burgers gewerkt aan een samenhangende aanpak om een actieve bijdrage van burgers in de uitwerking en uitvoering van het Klimaatakkoord een betekenisvolle plek te borgen.

Tot slot wordt vanuit de rijksoverheid gewerkt aan een brede en meerjarige koepelcampagne om burgers te informeren en enthousiasmeren over de bijdrage die zij zelf kunnen leveren aan de reductieopgave en de transitie die we door zullen maken. Daarbij wordt ook met de partners in het Klimaatakkoord en andere stakeholders bezien in hoeverre partijen vanuit hun eigen perspectief ondersteuning en handelingsperspectief aan de burgers kunnen bieden. Met deze koepelcampagne en brede publieksaanpak wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Jetten c.s. (Kamerstuk 30 196, nr. 578).

Voortgang gesprekken Klimaatberaad brede samenstelling

De brede samenstelling van het Klimaatberaad, te weten alle voorzitters en vertegenwoordigers van decentrale overheden, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en jongeren, heeft onder andere als functie om kansen en risico’s voor het bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak te signaleren en hierover te adviseren. Vanuit hun brede blik en expertise zijn deze partijen bij uitstek in staat om te herkennen wat ervoor nodig is om in alle geledingen van de samenleving draagvlak en eigenaarschap voor het Klimaatakkoord te krijgen. Belangrijke aandachtspunten die daarbij opkomen zijn onder andere de ruimtelijke en financiële impact van de transitie voor bedrijven en burgers en de totale lastenverdeling voor burgers en bedrijven.

Vervolgproces

Het streven van alle partijen die bij het Klimaatakkoord betrokken zijn is dat het voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord medio juli gepresenteerd wordt. Dit voorstel bevat een pakket van mogelijke maatregelen waar de direct betrokken partijen zich hard voor willen maken en dat aan het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) wordt gestuurd om gedurende de zomermaanden te worden doorgerekend. Zoals ik in mijn Kamerbrief van 26 april jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 187) heb aangegeven, zal het Centraal Planbureau (CPB) het PBL daarbij op onderdelen ondersteunen en specifiek kijken naar de verwachte effecten op de lasten en de inkomenseffecten van de afspraken. Een afschrift hiervan zal ik ook aan uw Kamer sturen.

Vervolgens zal het kabinet op basis van de doorrekeningen naar verwachting in september een appreciatie van het voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord naar uw Kamer sturen. Op dat moment is een volwaardige discussie mogelijk over de verwachte effecten en de aandachtspunten die in de verdere uitwerking meegenomen moeten worden. Op basis hiervan wordt bezien welke aanvullingen op en/of wijzigingen van de hoofdlijnen eventueel nodig zijn. Dit moet leiden tot een Klimaatakkoord aan het einde van het jaar, waarna opnieuw een doorrekening door het PBL in samenwerking met het CPB zal plaatsvinden.

Met betrekking tot doorrekeningen heb ik in het debat over de kosten van klimaatbeleid van 18 april jongstleden (Handelingen II 2017/18, nr. 75, item 7) aan mevrouw Yeşilgöz en mevrouw Agnes Mulder toegezegd te bekijken wat de mogelijkheden zijn om maatregelen in het kader van klimaatbeleid goed mee te nemen in de koopkrachtplaatjes.

Op dit moment lopen maatregelen in de energiebelasting via de inflatie mee in de koopkrachtberekeningen. Het meenemen van dergelijke maatregelen op zo’n manier dat de koopkrachteffecten ervan apart in de koopkrachtplaatjes van verschillende huishoudens zichtbaar worden is echter gecompliceerd volgens het CPB. In het CPB-achtergronddocument Verkenning inkomenseffecten van energie- en klimaatbeleid van 22 maart 2018 geeft het CPB aan dat de brondata die worden gebruikt voor het maken van de koopkrachtplaatjes (het inkomenspanelonderzoek van het CBS) geen informatie over het energieverbruik van individuele huishoudens bevatten. Een ander databestand (het WoON) bevat dergelijke informatie wel. In WoOn is het inkomen echter niet voldoende uitgesplitst naar de verschillende (fiscale) bestanddelen om een volledig koopkrachtbeeld te schetsen. Dit maakt dat het op dit moment niet mogelijk is om maatregelen in het kader van klimaatbeleid mee te nemen in de koopkrachtplaatjes.

Het is voor het kabinet echter wel mogelijk bij de koopkrachtbesluitvorming rekening te houden met het Klimaatakkoord. Het kabinet beschikt dan immers over door het CPB berekende inkomenseffecten van het Klimaatakkoord voor verschillende inkomensgroepen. Deze kunnen naast de koopkrachtplaatjes van het CPB worden gelegd. Zo kan waar nodig gerichte koopkrachtreparatie plaatsvinden.

In dit kader is ook relevant om te noemen dat het kabinet richting het einde van het jaar onder meer op basis van de uitwerking van het Klimaatakkoord een concept Integraal Energie- en Klimaatplan (INEK) zal opstellen. Het concept INEK wordt gemaakt in het kader van de Europese Energie Unie en de doelen die daarin zijn gesteld. Het concept INEK zal op het moment dat het aan de Europese Commissie wordt verstuurd ook aan uw Kamer worden aangeboden. Vanaf dat moment is er nog een jaar om het INEK te finaliseren in overleg met onze Europese partners en uw Kamer.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes


X Noot
1

Zie voor de opgave de Kamerbrief van 26 april jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 186).

X Noot
2

Op 17 mei jl. (Kamerstukken 32 813 en 30 196, nr. 190) is als bijlage een overzicht gestuurd van alle sectortafels, subtafels en werkgroepen die actief zijn onder het Klimaatakkoord.

X Noot
3

Aangezien het SER-advies en de aanbevelingen worden meegenomen in besprekingen in het Klimaatakkoord komt er geen aparte kabinetsreactie op dit advies.

X Noot
4

Zoals gevraagd in de motie van het lid Agnes Mulder c.s. (Kamerstuk 30 196, nr. 585) specifiek gevraagd om bij de vormgeving van het Klimaatakkoord inwoners en het kleinere bedrijfsleven de mogelijkheid te geven suggesties aan te leveren.