Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201432761 nr. 66

32 761 Verwerking en bescherming persoonsgegevens

Nr. 66 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 juli 2014

In mijn brief van 11 februari 2014 over spoofing (Kamerstuk 32 761, nr. 58) heb ik u toegezegd een inventarisatie uit te voeren naar de verschillende aspecten omtrent de aard, omvang en de gevolgen van het gebruik van spoofing, en ik heb u toegezegd om u over de uitkomsten van deze inventarisatie te informeren. In mijn brief van 25 februari 2014 (Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 1266) heb ik u naar aanleiding van vragen van Lid Recourt bericht dat ik ook de aspecten van het spoofen met geheimhoudernummers in deze inventarisatie zal meenemen.

De hierboven aangekondigde inventarisatie is inmiddels afgerond. Met deze brief informeer ik u mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over de uitkomsten.

Zoals ik in mijn brief van 11 februari 2014 heb uitgelegd, is «spoofing» het voordoen als een ander. Bij telefonie houdt spoofing in dat de bellende partij er voor zorgt dat de gebelde partij gefingeerde afzenderinformatie ziet. De persoon die gebeld wordt, ziet dus een ander telefoonnummer dan het echte nummer waarvan de beller vandaan belt.

Er zijn legitieme toepassingen voor spoofing. Zo gebruiken medewerkers van bedrijven spoofing om het algemene nummer van het bedrijf als afzender te geven in plaats van het eigen privénummer. Het is om die reden niet wenselijk om spoofing (en de spoofingsoftware en spoofingdiensten die spoofing mogelijk maken) te verbieden. Daarnaast is gebleken dat telecomproviders spoofing niet op technische wijze kunnen voorkomen of detecteren.

Politie en het Openbaar Ministerie zijn alert op spoofing in strafrechtelijke onderzoeken. De politie heeft mogelijkheden om te verifiëren of een beller gebruikmaakt van spoofing. Verificatie van telefoonnummers en de gebruiker is een belangrijk onderdeel van een strafrechtelijk onderzoek en dat geldt dus ook voor de detectie van spoofing.

Bovendien zullen telecommunicatiegegevens nooit als alleenstaand bewijs worden geaccepteerd. Er zal altijd meer onderzoek moeten worden gedaan en gekeken worden of die gegevens in de rest van de bewijsmiddelen passen. Het is dus niet aannemelijk dat door spoofing personen onterecht als verdachten worden aangewezen.

Spoofing leidt in beginsel niet tot het opnemen van gesprekken van personen van wie het telefoonnummer wordt gespooft. De tap wordt namelijk gezet op het echte telefoonnummer en niet op het door spoofing gefingeerde telefoonnummer.

Ik wil voorop stellen dat spoofing met geheimhoudernummers geen effect heeft op de vertrouwelijkheid van de gesprekken tussen advocaten en hun cliënten. Advocaten kunnen dus veilig bellen met hun cliënten. Spoofing met geheimhoudernummers heeft hierop geen impact.

Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat geheimhoudernummers veelvuldig worden gespooft. Wanneer in een strafrechtelijk onderzoek een vermoeden ontstaat van gebruik van spoofing met geheimhoudernummers dan heeft de politie mogelijkheden om na te gaan of daadwerkelijk gebruik is gemaakt van spoofing. Indien sprake is van spoofing met geheimhoudernummers, dan kunnen passende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat dit verdere gevolgen heeft voor het strafrechtelijke onderzoek. In het belang van de opsporing zal ik niet nader in gaan op de genoemde mogelijkheden en maatregelen.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten