Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201632698 nr. 25

32 698 Hoogwaterbeschermingsprogramma

Nr. 25 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 17 november 2015

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Milieu over de brief van 25 september 2015 inzake Aanbieding van de achtste voortgangsrapportage (VGR8) van het tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP-2) met peildatum 30 juni 2015 (Kamerstuk 32 698, nr. 23).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 16 november 2015. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Van Dekken

Adjunct-griffier van de commissie, Jansma

Vraag 1

Kunnen de grootste verschillen tussen de zevende en de achtste voortgangsrapportage weergegeven worden? Kan dit voortaan bij alle voortgangsrapportages toegepast worden opdat het duidelijker wordt wat er precies is gewijzigd ten opzicht van de vorige voortgangsrapportage? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 1

Bij de samenvatting van de hoofdpunten in de afgelopen verslagperiode (paragraaf 1.2) en de planning met mijlpalen van de lopende projecten (tabel 4) worden, met bijbehorende toelichtingen, de belangrijkste verschillen tussen de voorgaande (7de) en de voorliggende (8ste) Voortgangsrapportage behandeld. In de hoofdstukken 4 (planning) en 6 (financiën) worden de mutaties in de verslagperiode voor planning respectievelijk financiën van het programma verder toegelicht.

Vraag 2

Kan er een overzicht gegeven worden van de uitgaven en ontvangsten voor het HWBP-2 en hoe de aanwending van een surplus wordt voorzien in het geval sprake is van op de ontvangsten achterblijvende uitgaven?

Antwoord 2

Het overzicht van uitgaven en ontvangsten voor het HWBP-2 staat aangegeven in tabel 18 (uitgaven) en tabel 10 (ontvangsten) in de financiële paragraaf van de Voortgangsrapportage. Indien er sprake is van een surplus, dan blijven de middelen beschikbaar voor het programma en de hoogwaterveiligheidsopgave voor nu en in de toekomst. In het kader van de financiering van de nieuwe waterveiligheidsnormen heb ik op 18 juni 2014 met de Unie van Waterschappen afgesproken om eventueel vrijvallende middelen uit het tweede

Hoogwaterbeschermingsprogramma tot 2028 naar rato van de bijdrage van Rijk en waterschappen toe te voegen aan het budget voor het (nieuwe) Hoogwaterbeschermingsprogramma. Het resterende gedeelte wordt aangewend voor de waterveiligheidsopgave binnen het Deltafonds. Hierover vindt periodieke besluitvorming plaats.

Vraag 3

Kunt u een gemotiveerd overzicht geven van alle financiële verschuivingen van en naar andere programma's zoals, maar niet uitsluitend, het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) en het Deltafonds?

Antwoord 3

Er vinden geen andere financiële verschuivingen plaats uit het HWBP-2 anders dan naar het Hoogwaterbeschermingsprogramma en de waterveiligheidsopgave binnen het Deltafonds. Dit is conform de afspraken met de Unie van Waterschappen, zie ook mijn antwoord op vraag 23. Bij Ontwerpbegroting 2016 is in dit kader 150 miljoen uit het budget van HWBP-2 overgeheveld. Hiervan komt (conform de genoemde bestuurlijke afspraken) 100 miljoen euro ten bate van het Hoogwaterbeschermingsprogramma en 50 miljoen euro ten bate van de waterveiligheidsopgaven binnen het Deltafonds. Daarnaast heeft er een overheveling van budget plaatsgevonden vanuit HWBP-2 naar HWBP, als financiële consequentie van de verschuiving van project R2-061 Marken, zuid- en westkade naar HWBP (zie ook mijn antwoord op vraag 8).

Vraag 4

Wordt er bij een afgekeurde waterkering ook gekeken naar de verhouding tussen de eigen verantwoordelijkheid van de water- en hoogheemraadschappen en de hoogte van subsidies die uit wordt gegeven? Zo ja, wat is hiervan de methodiek?

Antwoord 4

Ja, die afweging is onderdeel van de Regeling bijzondere subsidies waterkeren en waterbeheren. Hierin staat bijvoorbeeld dat achterstallig onderhoud aan een waterkering niet voor subsidieverstrekking in aanmerking komt. Het programmabureau HWBP-2 toetst alle subsidieverzoeken aan de uitgangspunten van deze Regeling.

Vraag 5

Wat betekenen de beperkte formele sturingsmogelijkheden van het rijk ten aanzien van het HWBP-2 in de praktijk? Wat kunnen hiervan de financiële gevolgen zijn?

Antwoord 5

De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de individuele projecten binnen het HWBP-2 ligt bij de keringbeheerders. In de praktijk vindt de uitvoering plaats in nauwe afstemming tussen beheerders en programmabureau HWBP-2. Voor wat betreft het benodigde budget zijn er geen consequenties van de genoemde beperkte formele sturingsmogelijkheden van het rijk, en deze worden door mij ook niet verwacht.

Vraag 6

Is de verwachting dat er genoeg beschikbaar budget is voor de oplevering van het totale HWBP-2? Ligt de oplevering op schema?

Antwoord 6

Ja, het is mijn inschatting dat het budget voor de realisatie van HWBP-2 toereikend is. Dat past ook bij mijn besluit om bij Ontwerpbegroting 2016 150M€ vrij te laten vallen uit het budget van het HWBP-2. Conform de inzichten uit VGR8 vindt het einde van de realisatie van vijf projecten plaats na 2017. Dat betekent dat er op dit moment nog een forse en complexe opgave resteert, waarbij met name het tijdig realiseren van de projecten veel aandacht vergt. Ik span mij tezamen met de beheerders dan ook blijvend in om de nu afgesproken planningen te handhaven en mogelijk ook te versnellen.

Vraag 7

Kunnen de implicaties van het steiler maken van het oevertalud eerder dan in maart 2018 duidelijk worden in verband met mogelijke (financiële) risico’s?

Antwoord 7

Nee, op dit moment kan op basis van de tussenresultaten van de pilot voor de zandige proefsectie Houtribdijk nog geen inschatting gemaakt worden van mogelijke (financiële) risico’s. Hiervoor is het inzicht in de meerjarige ontwikkeling benodigd.

Vraag 8

Wat is de reden van verschuiving van het onderzoek meerlaagse veiligheidsoplossingen naar het HWBP? Wat zijn hiervan de financiële consequenties voor het HWBP-2 en HWBP?

Antwoord 8

Het onderzoek naar meerlaagse veiligheidsoplossingen betreft een pilot voor het project R2-061 Marken, zuid- en westkade. De reden dat dit project is verschoven naar het HWBP is dat de noordkade van Marken al onder dit programma valt, zodat een gezamenlijke aanpak kan worden uitgewerkt. Daarbij laten de resultaten naar het onderzoek naar meerlaagse veiligheidsoplossingen zien dat één van de kansrijke oplossingen kort cyclische versterking is, een maatregel die beter past binnen het HWBP (HWBP2 gaat uit van versterkingsopgave conform Life Cycle Costing voor 50 jaar). Met de verschuiving van het project wordt ook het voor dit project beschikbare budget overgeheveld van HWBP-2 naar HWBP.

Vraag 9

Waarom is het project Markermeerdijken Marken, zuid- en westkade uit de scope van het HWBP-2 naar het HWBP overgeheveld? Wat zijn hiervan de financiële consequenties voor het HWBP-2 en HWBP?

Antwoord 9

Zie mijn antwoord op vraag 8.

Vraag 10

Wat is het financiële eindresultaat van de gerealiseerde projecten ten opzichte van de initiële begroting en het laatste voortgangsverslag?

Antwoord 10

Per peildatum 30 juni 2015 bedraagt het positief saldo van het financiële resultaat van de gerealiseerde projecten 68 miljoen euro. Van een aantal van deze gerealiseerde projecten dient de eindafrekening nog plaats te vinden.

Vraag 11

Zijn er op dit moment nog andere dijken in Nederland waar momenteel erosie plaatsvindt en die dus niet stabiel zijn? Zo ja, waar, en wat voor maatregelen worden hier tegen genomen? Is het aanbrengen van steenbestorting om dit probleem te verhelpen een sobere maatregel en voor welke termijn is dit effectief?

Antwoord 11

Risico op instabiliteit (zettingsvloeiing) als gevolg van buitendijkse erosie nabij een kering is een vaker voorkomend probleem dat bijvoorbeeld speelde bij de Dordtse Kil. Momenteel vindt er een brede verkenning plaats naar dit faalmechanisme. Het aanbrengen van bestorting is tot op heden de meest effectieve en sobere maatregel gebleken. De termijn waarvoor deze maatregel effectief is, hangt sterk samen met de lokale omstandigheden waar deze maatregel is toegepast.

Vraag 12

Welke fouten zijn er gemaakt die ertoe hebben geleid dat er in de eerste instantie niet is ontdekt dat de samenstelling van de grond bij de Hoogwaterkering Den Oever grilliger en zandiger was? Kunnen deze problemen ook bij andere projecten voor komen?

Antwoord 12

De grilliger en zandiger samenstelling van de ondergrond bij project Hoogwaterkering Den Oever is geconstateerd bij de verdere uitwerking van het ontwerp bij dit project, waarbij altijd nader grondonderzoek plaatsvindt. Dergelijk grondonderzoek kan in mee- en tegenvallers resulteren. Met uitzondering van project Waddenzeedijk Texel (zie ook mijn antwoord op vraag 24) zijn bij de overige HWBP-2 projecten momenteel geen aanwijzingen voor te verwachten tegenvallers.

Vraag 13

Is er nog steeds zware kritiek jegens het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier ten opzichte van de Markermeerdijk Hoorn-Edam-Amsterdam ondanks de «joint fact finding»? Zo ja, wat zijn momenteel te grootste kritiekpunten op dit dossier? Bent u ook van mening dat er wellicht minder ingrijpende versterking nodig zou zijn?

Antwoord 13

De omgeving van het project Markermeerdijk Hoorn–Edam–Amsterdam kijkt nog altijd kritisch mee naar de uitkomsten van het vervolg op het pompenonderzoek en de nadere planuitwerking van het project. Met de joint fact finding is een belangrijke stap gezet om het vertrouwen te vergroten en de omgeving constructief te betrekken bij het project. Als belangrijkste aandachtspunt zie ik de wens om blijvend samen met omwonenden aan goed inpasbare oplossingen te werken, juist op die locaties waar historische en landschappelijke waarden onder druk staan. Om dit te borgen dient het zorgvuldige omgevingsproces onder regie van het Hoogheemraadschap voortgezet te worden. In het omgevingsproces dient tegelijkertijd aandacht te worden besteed aan realistische verwachtingen; de waterveiligheidsopgave zal onherroepelijk lastige keuzes vergen die gezamenlijk tegemoet getreden moeten worden. De joint fact finding is er mede op gericht om samen met de omgeving de balans te vinden in een zo optimaal mogelijk versterkingsopgave. Als er mogelijkheden zijn om door optimalisaties de dijkversterking te verminderen, dan zullen die op basis van een nadere afweging zoveel als mogelijk worden benut. Op de uitkomsten daarvan kan ik nog niet vooruitlopen.

Vraag 14

Klopt het dat er signalen zijn dat aanzienlijk lagere kosten van pompen wel degelijk realistisch lijken te zijn? Is het dan mogelijk dat de pompen goedkoper kunnen zijn dan de prijzen waarmee Rijkswaterstaat tot nu toe rekende en moet dit dan in de kostenvergelijkingen worden doorgevoerd?

Antwoord 14

Er zijn signalen dat er aanzienlijk lagere kosten van pompen zijn. Binnen de gehanteerde uitgangspunten die gelden voor de onderbouwing volgens de SSK systematiek én de uitgangspunten voor de pompen in deze situatie zijn die aanzienlijk lagere kosten niet realistisch. In het kader van de joint fact finding wordt bezien of met (extra) inzet van pompen op o.a. de Houtribdijk er een lagere versterkingsopgave voor de Markermeerdijken mogelijk is. Rijkswaterstaat baseert zich bij (deze) kostenramingen voor pompen, net als bij andere kostenramingen in een (pre)verkenning, zover mogelijk op daadwerkelijk gerealiseerde projecten. In dit geval op de werkelijke kosten voor tientallen gerealiseerde gemalen/pompen, waarbij op het moment dat er nieuwe gemalen/pompen worden gebouwd deze nieuwe kostengegevens ook worden meegenomen bij toekomstige ramingen. Aanvullend daarop wordt gebruikt gemaakt van kostenramingen volgens de Standaardsystematiek voor Kostenramingen voor de bouw (CROW, 2010). Dit is een breed geaccepteerde methode (door de hele bouwsector en de overheid).

Vraag 15

Wat zijn de risico's, uitgesplitst per projectonderdeel?

Antwoord 15

Van ieder project binnen HWBP-2 zijn bij de beheerders risicoregisters aanwezig, die bijdragen aan actieve beheersing van de risico’s bij deze projecten. Het betreft operationele informatie waarvan ik, in lijn met de afspraken over informatievoorziening aan uw Kamer, de programmabrede hoofdlijnen voor (beheersing van) de risico’s met gevolgen voor tijd en geld voor u inzichtelijk maak in de Voortgangsrapportages.

Vraag 16

Op welke wijze en op welke termijn wordt er zorg gedragen voor het bijspijkeren van de kennis bij beheerders over de omvang en complexiteit bij grote projecten? Waarom is de verwachtingswaarde gelijk gebleven met een gemiddelde van vier maanden terwijl er wel beheersmaatregelen zijn geïntensiveerd en gecontinueerd? Hoe groot is het probleem nu werkelijk?

Antwoord 16

Startpunt voor de beheerste uitvoering van de complexe projecten vormt de inzet en ontwikkeling van goede professionals door de keringbeheerders zelf. Op programmaniveau draagt het centraal gefaciliteerde programma van opleidingen en vakdagen hieraan bij. Daarnaast wordt op dit vlak al langer en voortdurend project specifiek gefaciliteerd vanuit het programmabureau, iets dat ook steeds meer door specifieke kennisnetwerken van beheerders wordt ondersteund. Met name voor de grote complexe projecten die zich nog in de planfase bevinden, hebben beheerders dit risico nog op hetzelfde niveau ingeschat omdat het tijd kost voordat de beheersmaatregelen daadwerkelijk effecten sorteren. Als maat voor de omvang dit risico wordt de verwachtingswaarde in tijd (bij VGR8 4 maanden) en geld (bij VGR8 73 miljoen euro) aangehouden.

Vraag 17

Is er bij de kabel- en leidingbeheerders voldoende kennis aanwezig? Waardoor is de vertraging ontstaan bij de projecten Dijkversterking Spui Oost en Spui West en Eemdijken en Zuidelijke Randmeren?

Antwoord 17

Bij kabel- en leidingbeheerders is naar mijn informatie voldoende kennis aanwezig. Dit laat onverlet dat het tijdig verleggen van kabels en leidingen als risico wordt ingeschat omdat het technisch maatwerk betreft en het intensieve samenwerking en inbedding in de planning van zowel het waterschap als van de netwerkbeheerders behoeft. De genoemde projecten rapporteerden een verhoogde inschatting van dit risico. Dit laat onverlet dat de genoemde projecten op dit moment conform de vigerende planning worden uitgevoerd.

Vraag 18

Hoe kan het dat het risico «Onbekendheden van de ondergrond» uit de top-5 van risico’s met gevolgen voor tijd is verdwenen? Welke maatregelen zijn hiervoor getroffen?

Antwoord 18

Dit risico is door enkele projecten lager ingeschat doordat projecten in de uitvoering vorderen en beheersmaatregelen zijn getroffen om deze risico’s te beheersen. O.a. door het uitvoeren van (extra) grondonderzoeken waardoor er minder onzekerheden zijn omtrent de bodemsamenstelling. Daarnaast zijn andere risico's door projecten hoger ingeschat. Dit tezamen levert een wijziging van de top-5 van risico’s op. Dat neemt niet weg dat er programmabreed aandacht blijft voor de risico’s van onbekendheden in de ondergrond.

Vraag 19

Heeft u heldere doelen gesteld voor het verbeteren van het risico dat de projectorganisatie onvoldoende is toegerust om op beheerste wijze het project te realiseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke en welke deadline is er gesteld?

Antwoord 19

Doel voor mij is om de uitvoering van het programma te realiseren conform de in VGR8 opgenomen planning. Beheersing van het genoemde risico draagt hieraan bij; zie daarbij ook mijn antwoord op vraag 16. Uitgangspunt is om te komen tot een lerende organisatie / een lerend programma.

Vraag 20

Wanneer wordt er een lager risicoprofiel verwacht ten opzichte van de projecten Markermeerdijk Hoorn–Edam–Amsterdam, Waddenzeedijk Texel en de Houtribdijk?

Antwoord 20

Een lager risicoprofiel wordt verwacht op het moment dat voor deze projecten de planfase is afgerond, conform de vigerende planning in VGR8 is dit het geval in 2016.

Vraag 21

Waarom is het beheerrisico gelijk gebleven terwijl er wel projecten zijn afgerond?

Antwoord 21

De financiële verwachtingswaarde van dit risico is gelijk gebleven omdat een aantal grote projecten waar dit risico speelt nog niet is afgerond.

Vraag 22

Bij welke projecten zijn de financiële risico’s groter geworden en wat is de financiële waarde van de toename van het risico per project?

Antwoord 22

Het gaat hierbij veelal om projecten die nog in realisatie zijn en dus om informatie omtrent de financiële projectrisico’s in de ramingen. In lijn met hetgeen is opgenomen in de uitgangspuntennotitie (Kamerstuk 27 625 nr. 195) voor informatievoorziening rond dit programma aan uw Kamer stel ik geen financiële informatie op projectniveau beschikbaar.

Vraag 23

Waarom is besloten tot de verschuiving van 150 miljoen euro van het HWBP-2 budget naar het Deltafonds?

Antwoord 23

In het licht van de geconstateerde positieve spanning tussen raming en budget informeerde ik u reeds bij aanbieding van VGR-6 over het voornemen om budget over te hevelen vanuit HWBP-2 naar het Hoogwaterbeschermingsprogramma (Kamerstuk 32 698, nr. 17). De grondslag van de omvang van de overheveling vormen de «harde projectmeevallers» (meevallers van afgerekende projecten), waarbij ik vooruitkijk tot eind 2016. Dit resulteert in een overheveling van de in VGR8 genoemde 150 miljoen euro. Hiervan komt (conform bestuurlijke afspraken) 100 miljoen euro ten bate van het Hoogwaterbeschermingsprogramma en 50 miljoen euro ten bate van de waterveiligheidsopgaven binnen het Deltafonds. Zie ook mijn antwoorden op de vragen 2 en 3.

Vraag 24

Wat waren precies de wijzigingen in de technische uitvoering en waarom waren de kosten hiervan 11 miljoen euro? Is er een inschattingsfout gemaakt?

Antwoord 24

Nader geotechnisch onderzoek heeft in een aantal secties van het project Waddenzeedijk Texel geleid tot aanvullende inpassingsmaatregelen. Deze maatregelen betreffen het plaatsen van extra damwanden in de bebouwde kom van Oudeschild en het meenemen van de versterking van de havendammen als onderdeel van de versterking.

Vraag 25

Wat is de reden voor het verhogen van het onvoorzien budget voor de Waddenzeedijk Texel?

Antwoord 25

VGR8 rapporteert niet over een verhoging van onvoorzien budget voor project Waddenzeedijk Texel. Tabel 11 rapporteert een resulterend saldo van project onvoorzien van alle lopende projecten van in totaal 11 miljoen euro.

Vraag 26

Kloppen de signalen dat er door Rijkswaterstaat steeds meer wordt getwijfeld aan de huidige rekenmethode van Deltares om de primaire waterkeringen in Nederland door te rekenen? Worden sommige dijken soms te snel onbruikbaar genoemd, met als gevolg dat er veel geld naar dijkverzwaringen gaat? Hoe beziet u de conclusie van een recente dijkbezwijkproef bij De Kaag, waar Plaxis als een goede en efficiënte rekenmethode naar voren kwam?

Antwoord 26

De signalen over twijfel bij Rijkswaterstaat aan rekenmethoden en het te snel onbruikbaar noemen van dijken, kloppen niet. Plaxis is een nieuw instrument met potentie, dat tot op heden is toegepast in een aantal specifieke gevallen en nog verder ontwikkeld wordt. Voor bredere toepassing dient een zorgvuldige nadere beoordeling en uitgebreide validatie van het instrument plaats te vinden. De recente dijkbezwijkproef bij De Kaag draagt bij aan deze ontwikkeling.