32 647 Levensbeëindiging

D VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 9 september 2021

De leden van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)1 hebben kennisgenomen van het Jaarverslag 2020 van de Regionale toetsingscommissies euthanasie, aangeboden bij brief van 20 april 2021.2 De leden van de Fractie-Nanninga en de leden van de fracties van de ChristenUnie en SGP hebben naar aanleiding hiervan nog enige vragen.

Op 3 juni 2021 is een brief gestuurd aan de Minister voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De Minister heeft op 29 juni 2021 aangegeven dat de afstemming voor de beantwoording meer tijd vergt.

De Minister heeft op 8 september 2021 inhoudelijk gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier voor de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, De Boer

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Den Haag, 3 juni 2021

De leden van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) hebben met belangstelling kennisgenomen van het Jaarverslag 2020 van de Regionale toetsingscommissies euthanasie, aangeboden bij brief van 20 april 2021.3 De leden van de Fractie-Nanninga en de leden van de fracties van de ChristenUnie en SGP hebben naar aanleiding hiervan nog enige vragen.

De leden van de Fractie-Nanninga vragen of het jaarverslag van de Regionale toetsingscommissies euthanasie (RTE) aanleiding geeft om het wetsvoorstel Voltooid leven4 anders te beoordelen. Zo ja, op welke terreinen ziet deze beoordeling dan? Zo nee, kunt u dan aangeven hoe de trends die uit het jaarverslag blijken (toename aantal euthanasiegevallen) het genoemde wetsvoorstel ondersteunen?

In de rapportage van de maatschappelijke dialoog over de laatste levensfase, aangeboden bij brief van 7 januari 20215, wordt gerefereerd aan de politieke discussie rond waardig ouder worden, de huidige reikwijdte en toepassing van de euthanasiewetgeving en het onderwerp voltooid leven. Welke nieuwe inzichten geven de meest recente cijfers uit het jaarverslag? Kunt u aangeven of deze inzichten ook de verdere behandeling van het wetsvoorstel Voltooid leven zullen beïnvloeden?

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben ten eerste een vraag met betrekking tot de voortdurende stijging van het aantal gevallen van euthanasie. In de periode 2007 t/m 2020 is dat aantal gemiddeld met ongeveer 10% per jaar gestegen. Is duidelijk waarom dit aantal blijft stijgen? Wat zijn de dieperliggende oorzaken daarvan? Het antwoord op deze vraag is met name zo belangrijk omdat in de genoemde periode de bekendheid met, de beschikbaarheid van en de kwaliteit van de palliatieve zorg is toegenomen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben tevens een vraag met betrekking tot de ethiek van euthanasie. De commissie-Schnabel heeft in het advies Voltooid leven uit 20166 gewezen op het gevaar dat wettelijke regelingen opgevat kunnen worden als signaal dat op collectief niveau de morele vraag een gepasseerd station is. De leden van deze fractie kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat dat het geval is met betrekking tot euthanasie. Het jaarverslag van de RTE kenmerkt zich door een juridische benadering: is er volgens procedure gewerkt en is daarmee recht gedaan aan wettelijke kaders. Het belang van deze benadering kan niet onderschat worden. Maar is een jaarverslag ook niet juist de plaats om morele vragen te stellen? De leden van deze fractie geven als voorbeeld de casus op pagina 39, die vanuit juridisch oogpunt juist mag zijn, maar geldt dat ook voor de morele vragen? Is het moreel juist een euthanasieverzoek van een patiënt voort te zetten als de echtgenote daar fel tegen is? Ook de casus op pagina 45 roept vragen op. Zijn alle mogelijkheden van palliatieve zorg uitgeprobeerd? Wat was passende zorg in die situatie? Is die vraag gesteld? Kunt u aangeven wat de belangrijkste morele vragen zijn die bij de huidige euthanasiepraktijk gesteld zouden moeten worden? En op welke wijze zou gepoogd moeten worden deze vragen te beantwoorden?

Ten slotte, op 11 mei jl. verliep de deadline van de oproep van ZonMw met betrekking tot de vierde evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding7 Kunt u toezeggen dat bovenstaande vragen ook in die evaluatie worden meegenomen?

De leden van de SGP-fractie vragen, mede met het oog op de geplande vierde wetsevaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, of het niet in de rede ligt een serieus onderzoek te entameren waarin de visies van burgers op het goede sterven wordt geïnventariseerd. Het doel van dit onderzoek zou dan moeten zijn om te onderzoeken (1) wat de onderliggende redenen zijn voor de voortgaande stijging van de euthanasiecijfers, (2) in welke mate burgers euthanasie een aanvaardbaar of zelfs verkieslijk levenseinde vinden, (3) of het publiek van mening is dat we bij euthanasie de grenzen (niet) hebben bereikt dan wel hebben overschreden en (4) wat wij op basis van deze gegevens aan mogelijke toekomstige groeicijfers moeten verwachten. Ziet u de meerwaarde van een dergelijk onderzoek? Zou met een dergelijk onderzoek niet de huidige, inhoudsloze reflectie overstegen kunnen worden: «het is zoals het is», «het wordt zorgvuldig getoetst» en «dit is wat de mensen kennelijk graag willen»? In hoeverre zal in de wetsevaluatie ook aandacht worden gegeven aan dit soort vragen? Bent u bereid om bij de beantwoording van deze vraag ook de overwegingen en voorstellen van expert palliatieve zorg Rob Bruntink te betrekken?8 Deelt u de zorg van deze expert dat evaluaties van de euthanasiewet onbedoeld kunnen uitlopen op «cijferfetisjisme»? Welke van de door Bruntink voorgestelde vragen voor nader onderzoek zijn waardevol om mee te nemen? Op welke wijze?

Mede in het licht van het voorgaande vragen de leden van de SGP-fractie het volgende. Welk effect hebben de ontwikkelingen rond euthanasie op de mensen die géén euthanasie willen? Wat is het oordeel over het onderzoek van Direct Research waaruit blijkt dat 1 op de 9 Nederlanders bang is om een sluiproute naar euthanasie te ontvangen?9 Hoe beoordeelt u deze conclusies en welke consequenties dienen daaraan te worden verbonden? Hoe wordt de angst van deze mensen weggenomen en welke verantwoordelijkheid ligt hier voor het kabinet?

De leden van de SGP-fractie vragen voorts naar nader onderzoek in de relatie tussen palliatieve zorg en euthanasie. De beschikbaarheid van palliatieve zorg is toegenomen, maar is ook sterk afhankelijk van individuele kennis van de zorgverlener. Hoe kan worden verklaard dat én de beschikbaarheid van palliatieve zorg stijgt én het aantal euthanasiegevallen stijgt?

De leden van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag bij voorkeur voor 25 juni 2021.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.A.M. Adriaansens

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 juni 2021

De vragen van de leden van de Fractie-Nanninga en van de leden van de fracties van de ChristenUnie en SGP aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het Jaarverslag 2020 van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (166646.01U) konden tot mijn spijt niet binnen de door u gevraagde termijn worden beantwoord.

De reden van het uitstel is dat de afstemming voor de beantwoording meer tijd vergt.

Ik streef ernaar u voor het einde van uw reces de antwoorden op deze vragen te doen toekomen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 september 2021

Met deze brief reageer ik op de vragen die ik op 3 juli jl. van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport ontving. Het betreft de vragen van de leden van de Fractie-Nanninga en de leden van de fracties van de ChristenUnie en SGP naar aanleiding van het Jaarverslag 2020 van de Regionale toetsingscommissies euthanasie, aangeboden bij brief van 20 april 2021. Ik zal deze vragen per fractie beantwoorden.

De leden van de Fractie-Nanninga vragen of het jaarverslag van de Regionale toetsingscommissies euthanasie (RTE) aanleiding geeft om het wetsvoorstel Voltooid leven anders te beoordelen. Mijn antwoord is dat het jaarverslag 2020 van de RTE niet van invloed is op mijn oordeel en dat van het kabinet over het (initiatief) wetsvoorstel van D66 Wet toetsing levenseindebegeleiding van ouderen op verzoek, dat bij de Raad van State is ingediend voor advies. Het is niet aan het kabinet om over dit wetsvoorstel te oordelen, de Kamer kan zelfstandig over de initiatiefwetgeving beslissen.

Wel heeft het kabinet op basis van de uitkomsten van het onderzoek in opdracht van VWS Perspectieven op de doodswens van ouderen die niet ernstig ziek zijn: de mens en de cijfers met de brief van 25 september 2020 de Tweede Kamer zijn standpunt gegeven en laten weten geen initiatief te nemen tot het verruimen van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) of een andere wettelijke regeling voor hulp bij zelfdoding voor deze ouderen.10 Ook de recente cijfers uit het jaarverslag van 2020 van de RTE werpen geen ander licht op het eerder genoemde kabinetsstandpunt. Uit het jaarverslag blijkt dat het aantal meldingen van euthanasie (6.938) 4,1% van het totaal aantal sterfgevallen bedraagt. Dit sluit percentueel aan bij de trend sinds 2016. Gelet op de algemene demografische ontwikkeling is de afgelopen jaren een gestage stijging van het totaal aantal sterfgevallen te zien. Weliswaar is het aantal meldingen van euthanasie met 9,1% gestegen, maar het totaal aantal sterfgevallen is in 2020 ook, namelijk met 11,0%, gestegen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben ten eerste een vraag waarom het aantal euthanasiemeldingen blijft stijgen, wat de diepere oorzaak daarvan is en hoe zich dit verhoudt tot de toegenomen bekendheid, beschikbaarheid en de kwaliteit van de palliatieve zorg.

Zoals ik in mijn antwoord op vragen van de leden van de Fractie-Nanninga heb aangegeven lijkt de stijging in het absolute aantal meldingen gezien over het totaal aantal sterfgevallen gelijke tred te houden met de algemene demografische ontwikkeling. Als verklaring voor de stijging verwijs ik naar het onderzoek van het Nivel naar de ontwikkelingen in de aantallen euthanasieverzoeken -meldingen.11 Daaruit bleek dat een samenspel van diverse factoren – vergrijzing, verandering in doodsoorzaken, verhoogd draagvlak en veranderingen in de gezondheidszorg – mogelijk van invloed is op de stijging van het aantal verzoeken en meldingen. In mijn reactie op dit onderzoek heb ik aangekondigd in de vierde evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) extra aandacht te besteden aan de ontwikkelingen in het aantal euthanasiegevallen, en met name ook aan de houding van artsen ten opzichte van (het uitvoeren van) euthanasie.12 Voor een antwoord op deze vragen verwijs ik daarom naar de vierde wetsevaluatie die dit najaar van start gaat en waarvan de resultaten in het voorjaar van 2023 worden verwacht.

Naar aanleiding van de vraag hoe de ontwikkeling van de aantallen euthanasieverzoeken en -meldingen zich verhouden tot de toegenomen bekendheid, beschikbaarheid en de kwaliteit van de palliatieve zorg kan ik het volgende zeggen. Vaak wordt gedacht dat goede palliatieve zorg daadwerkelijke verzoeken om euthanasie zou voorkomen. Hiertussen bestaat echter geen 1-op-1 relatie. Goede palliatieve zorg voorkomt uiteraard niet alle verzoeken tot levensbeëindigend handelen, maar het staat ook niet haaks op het inwilligen van dergelijke verzoeken. Kernwaarden van palliatieve zorg zijn dat de zorg wordt geboden met respect voor autonomie van de patiënt, gebaseerd op wederzijds respect, zodat de patiënt zich veilig, gezien en gehoord voelt. De palliatieve zorg wordt afgestemd op de (inter)persoonlijke, culturele en levensbeschouwelijke waarden, normen, wensen en behoeften rondom leven, ziek zijn en sterven van de patiënt en diens naasten.13

De tweede vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie betreft de indruk dat het jaarverslag van de RTE zich kenmerkt door een juridische benadering waarmee recht gedaan wordt aan wettelijke kaders, maar de morele vragen onderbelicht blijven, terwijl het belang daarvan niet onderschat moet worden. Gevraagd wordt naar de belangrijkste morele vragen die bij de huidige euthanasiepraktijk gesteld zouden moeten worden en op welke wijze gepoogd zou moeten worden deze vragen te beantwoorden.

Mijn reactie hierop is dat het wettelijke kader nauw verweven is met het morele kader en niet strikt van elkaar te scheiden is. Recht is gestold moraal en dat is ook terug te vinden in het morele kader dat aan het juridische kader van de Wtl ten grondslag ligt. In moreel opzicht is in de Wtl de balans gevonden tussen de morele waarden de beschermwaardigheid van het leven en barmhartigheid bij ondraaglijk en uitzichtloos lijden. De euthanasiewet is een verdere uitwerking van het morele «conflict van plichten» waarin een arts terecht kan komen. Vanuit de beschermwaardigheid van het leven, hebben artsen een (morele) plicht het leven te behouden. De waarde barmhartigheid komt tot uiting in de plicht van artsen om voor hun patiënten te zorgen en hun lijden weg te nemen of zoveel mogelijk te verminderen. Deze plichten zijn soms niet te verenigen, als voor een patiënt de enige manier om het ondraaglijk lijden te verlichten het beëindigen van het leven inhoudt. Indien er een «conflict van plichten» is heeft de arts via de Wtl de keuze om het leven van een patiënt te beëindigen. Uiteraard op voorwaarde dat de patiënt daartoe ook een vrijwillig, weloverwogen en duurzaam verzoek heeft gedaan. Zelfbeschikking is niet het uitgangspunt van de Wtl geweest, maar een (moreel) houvast en een (juridische) waarborg om te zorgen dat het handelen van de arts niet in gaat tegen de wil van betrokkene. Het is binnen dit morele kader dat de RTE de (ethische) toetsing doet en beoordeelt of bij het verlenen van euthanasie de zorgvuldigheidseisen van de Wtl in acht zijn genomen. Iedere casus is anders en roept specifieke ethische, professionele en juridische vragen, overwegingen en afweging op. Daarom is in elke toetsingscommissie naast een arts en een jurist ook een ethicus als lid aanwezig om de casus te beoordelen. In de derde evaluatie van de Wtl is gebleken dat de multidisciplinariteit in de toetsingscommissies gewaardeerd wordt door de leden van de RTE en dat volgens hen voldoende expertise in de commissies aanwezig is.14

Bovenstaande vragen van de ChristenUnie-fractie sluiten in grote lijnen aan bij de opdrachtomschrijving die de onderzoekscommissie van de vierde evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding meekrijgt. Daarin zal in het juridisch en ethisch onderzoek aandacht zijn voor de ontwikkelingen in de waardering of rol van autonomie en barmhartigheid. De euthanasiewet is zoals gezegd tot stand gekomen naar aanleiding van de roep van artsen om een regeling te treffen, waarmee het voor hen werd toegestaan om uit barmhartigheid een einde te maken aan het ondraaglijk en uitzichtloos lijden van een patiënt op zijn verzoek. Inmiddels lijkt de waarde van autonomie aan belang te hebben gewonnen, zoals ook wordt aangestipt in de derde evaluatie van de Wtl. Hoe deze waarden in de huidige praktijk worden gewogen en of een verschuiving zichtbaar is, kan inzichten bieden in de toekomstbestendigheid van de wet.15

De leden van de SGP-fractie vragen eveneens naar de geplande vierde wetsevaluatie. Zij vragen of het niet in de rede ligt serieus onderzoek te entameren waarin de visies van burgers op het goede sterven worden geïnventariseerd om zo meer zicht te krijgen op de ontwikkeling van de stijgende euthanasiecijfers, de aanvaardbaarheid van en verkieslijkheid voor de keuze van euthanasie, de grenzen aan euthanasie en de ontwikkelingen die in de toekomst te verwachten zijn. Daarbij wijst de SGP-fractie ook op de inzichten en voorstellen van de heer Bruntink, expert op het gebied van palliatieve zorg. Mijn antwoord hierop is dat de opdrachtomschrijving van de wetsevaluatie veelomvattend en onafhankelijk is en u derhalve ervan uit kunt gaan dat de onafhankelijke onderzoekscommissie zich zal verdiepen in het brede spectrum van opvattingen, zorgen en inzichten die in de hele samenleving aanwezig zijn ten aanzien van euthanasie. Dit zal mede aan de hand van onderzoek gebeuren waarin ook de opvattingen in de samenleving zullen worden meegenomen.

De SGP-fractie vraagt in het verlengde van het voorgaande naar het effect van de ontwikkelingen rond euthanasie op de mensen die geen euthanasie willen en vragen een oordeel over een van de uitkomsten van het onderzoek dat is uitgevoerd door Direct Research.16 Hieruit zou blijken dat 1 op de 9 Nederlanders bang is om via een sluiproute euthanasie te ontvangen. Hoe wordt de angst van deze mensen weggenomen en welke verantwoordelijkheid ligt hier voor het kabinet?

Het genoemde onderzoek is een opiniepeiling gehouden onder leden van de NPV17 en een panel van (andere) Nederlanders en geeft geen representatief beeld, maar een indicatie van opvattingen in twee geselecteerde groepen die vooral verschillen in hun opvattingen over euthanasie. Zo vindt slechts 2% van de NPV-leden euthanasie ethisch verantwoord tegenover driekwart van het panel van Nederlanders. De verwijzing naar een van de conclusies waaruit zou blijken dat 1 op de 9 Nederlanders bang is om via een sluiproute euthanasie te ontvangen lijkt selectief en een vertekend beeld te geven. Deze uitkomst wordt door de leden van de SGP-fractie uitgelicht terwijl de respons op andere vragen die een positief licht werpen op vertrouwen in goede zorg in de laatste levensfase (resp. 87% van de NPV leden en 81% van de Nederlanders) achterwege gelaten worden. Elke vijf á zes jaar wordt een evaluatie van de Wtl door een onafhankelijke onderzoeksgroep uitgevoerd. Uit de meest recente derde wetsevaluatie komt naar voren dat de doelen van de Wtl gerealiseerd worden en dat alle actoren tevreden zijn over de inhoud van het functioneren van de wet.18

De leden van de SGP-fractie vragen voorts naar nader onderzoek in de relatie tussen palliatieve zorg en euthanasie. De beschikbaarheid van palliatieve zorg is toegenomen, maar is ook sterk afhankelijk van individuele kennis van de zorgverlener. Hoe kan worden verklaard dat én de beschikbaarheid van palliatieve zorg stijgt én het aantal euthanasiegevallen stijgt?

Deze laatste vraag van de SGP-fractie is mij ook gesteld door de leden van de CU-fractie en daarom volsta ik hier met een verwijzing naar het antwoord dat ik eerder in deze brief aan de CU-fractie heb gegeven.

Ik vertrouw erop uw Kamer hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge


X Noot
1

Samenstelling:

Ganzevoort (GL), Gerkens (SP), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Oomen-Ruijten (CDA), Rombouts (CDA), Bredenoord (D66), Koole (PvdA), De Bruijn-Wezeman (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV), Adriaansens (VVD) (voorzitter), Van der Burg (VVD), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Prast (PvdD), Van Pareren (Fractie-Nanninga) (ondervoorzitter), Prins (CDA), Vendrik (GL), Verkerk (CU), De Vries (Fractie-Otten), Van der Voort (D66), Keunen (VVD), Hermans (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA).

X Noot
2

Kamerstukken I 2020/21, 32 647, C en bijlagen.

X Noot
3

Kamerstukken I 2020/21, 32 647, C en bijlagen.

X Noot
4

Initiatiefvoorstel Wet toetsing levenseindebegeleiding van ouderen op verzoek (kamerstukdossier 35 534).

X Noot
5

Kamerstukken II 2020/21, 32 647, nr. 84 en bijlage.

X Noot
10

Vergaderjaar 2020–2021 II, Kamerstuk 32 647, nr. 81.

X Noot
12

Voortgangsrapportage Medische ethiek, Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, Kamerstuk 34 990, nr. 7.

X Noot
13

Kwaliteitskader palliatieve zorg Nederland, IKNL/Palliactief, 2017.

X Noot
14

Derde evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Kamerstukken II 2016–2017, 31 036, nr. 9.

X Noot
15

Projectomschrijving vierde evaluatie van de Wtl: Subsidieoproep_Wtl_IV.pdf (zonmw.nl).

X Noot
17

NPV – Zorg voor het leven is een christelijke beweging, die de Bijbel als grondslag voor al hun activiteiten erkent en werkt vanuit de overtuiging dat elk leven beschermwaardig is: vanaf het prille begin tot en met het einde. Bron: Over ons – NPV (npvzorg.nl).

X Noot
18

Derde evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Kamerstukken II 2016–2017, 31 036, nr. 9.

Naar boven