32 140 Herziening Belastingstelsel

AB VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 25 november 2024

De leden van de vaste commissie voor Financiën1 hadden kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Financiën, Fiscaliteit en Belastingdienst van 17 september jl.2 over de stand van zaken van het rechtsherstel box 3 en van de Tweede Kamerbrief van 20 september jl. met de stand van zaken met betrekking tot het toekomstige stelsel in box 3.3

Naar aanleiding hiervan is op 23 oktober 2024 een brief gestuurd aan de Staatssecretaris van Financiën, Fiscaliteit en Belastingdienst, met vragen en opmerkingen van de fracties van GroenLinks-PvdA, PvdD, JA21 en 50PLUS.

De Staatssecretaris heeft op 22 november 2024 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, De Man

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN

Aan de Staatssecretaris van Financiën, Fiscaliteit en Belastingdienst

Den Haag, 23 oktober 2024

De leden van de vaste commissie voor Financiën hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 17 september jl.4 over de stand van zaken van het rechtsherstel box 3 en van de Tweede Kamerbrief van 20 september jl. met de stand van zaken met betrekking tot het toekomstige stelsel in box 3.5 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, PvdD, JA21 en 50PLUS hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.

Vraag van de fractie van de leden van GroenLinks-PvdA

De inwerkingtredingsdatum van het toekomstige stelsel in box 3 staat beoogd per 1 januari 2027. Gezien het risico op verder uitstel hebben de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA één vraag over eventuele (tijdelijke) alternatieven; is het in technische zin haalbaar om op kortere termijn dan de introductie van een stelsel op basis van werkelijk rendement, een zeer eenvoudige vermogensbelasting van een X procent over het vermogen als grondslag, met een forse vrijstelling van Y euro achter de hand te hebben als plan B?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD

De leden van de PvdD-fractie verzoeken u om de te verwachte budgettaire gevolgen en kosten voor het rechtsherstel met betrekking tot box 3 samen te vatten. De cijfers in de miljoenennota (9.831 miljoen euro) komen niet overeen met de cijfers uit de brief van 17 september jl. (9.824 miljoen euro). Kunt u inzichtelijk maken hoe deze gevolgen en kosten worden gedekt?

Hebben de leden van de PvdD-fractie het goed begrepen dat een gedeelte van de dekking op zo’n manier wordt georganiseerd dat ook minima meebetalen aan het rechtsherstel? Zo ja, waarom heeft het kabinet hiervoor gekozen? Bent u het met deze leden eens dat het ongewenst is om dekking hiervoor bij minima te zoeken? Ben u bereid om deze dekking op een andere manier vorm te geven?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van JA21

De leden van de JA21-fractie lezen in uw brief van 17 september jl.6 het volgende: «Aangezien de «niet-bezwaarmakers» niet in aanmerking komen voor een eerste rechtsherstel kunnen zij ook geen geen gebruik maken van de tegenbewijsregeling. Voor deze groep is er nu een «massaal bezwaar plus»-procedure opgestart.» Deze vraag ligt momenteel voor bij de Hoge Raad. Volgens de leden van de JA21-fractie bestaat er een kans dat de Hoge Raad oordeelt dat de «niet-bezwaarmakers» niet in aanmerking komen voor het geëiste rechtsherstel. Dat zou betekenen dat leden van deze groep onrechtmatig zijn belast, maar dat zij toch geen recht hebben op enige vorm van restitutie. Deelt u de mening van deze leden dat dit onherroepelijk leidt tot moral hazard, dat wil zeggen aantasting van de belastingmoraal? Indien u de opvatting van deze leden deelt, kunt u aangeven wat u voornemens bent te doen om de moral hazard te beperken? Indien u het niet met deze leden eens bent kunt u toelichten waarom u denkt dat hier geen morele schade wordt toegebracht aan het systeem en het principe van belastingheffing? Indien de Hoge Raad het geëiste rechtsherstel niet toewijst, bent u dan voornemens stappen te ondernemen om de onterecht aangeslagen belastingbetaler alsnog te compenseren? Indien dit niet het geval is, kunt u toelichten waarom niet? Indien de Hoge Raad het rechtsherstel wel toewijst, hoe gaat u deze kosten dan dekken? Liggen daar al scenario's voor klaar en zo ja, hoe zien dergelijke scenario’s eruit?

Vragen en opmerkingen van het lid van de 50PLUS-fractie

De verjaringstermijn van vijf jaar wordt in acht gehouden. Alleen bezwaarmakers kunnen nog rechtsherstel nastreven voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020. Dat is volgens het lid van de 50PLUS-fractie wel begrijpelijk, maar zouden er niet veel meer bezwaarmakers geweest zijn als men vooraf had geweten van de uitspraak van de Hoge Raad?

Wanneer weet u wat de Hoge Raad vindt van de route «massaal bezwaar plus»? Kan daar nog een actie uit voortkomen waar mensen die eerder geen bezwaar hebben gemaakt dat alsnog kunnen doen? Heeft de regering middelen gereserveerd voor de «massaal bezwaar plus-procedure» of kan hier nog een extra tegenvaller ontstaan?

Welke signalen heeft u dat de uitspraken van de Hoge Raad en het voorgenomen rechtsherstel in box 3, leiden tot het «wakker worden» van een groep gedupeerden die zich eerder niet hebben gemeld? Kunt u zich voorstellen dat een aanzienlijk deel van de doelgroep geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de Hoge Raad in hun voordeel zou beslissen? Temeer omdat het systeem van forfaitaire rendementen al veel langer bestaat, maar ook omdat veel bestuurders en politici zelf verrast waren door de uitspraak, aldus het lid van de 50PLUS-fractie. Heeft u sinds uw aantreden iets gemerkt van actie vanuit bepaalde groepen gedupeerden om alsnog toegang tot rechtsherstel te krijgen?

Kunt u het beeld weerleggen dat vele tienduizenden gedupeerden nooit rechtsherstel zal worden geboden, omdat zij zelf onvoldoende in actie zijn gekomen? Bijvoorbeeld omdat het schadebedrag beperkt is en de betreffende burgers geen vertrouwen hadden in een goede afloop bij de Hoge Raad. Acht u een ruime opvatting van «massaal bezwaar plus» wenselijk of juist niet?

Deelt u de zienswijze van dit lid om volledig en maximaal van het rechtsherstel te profiteren, gedupeerden met veel doenvermogen een duidelijk voordeel hebben ten opzichte van gedupeerden zonder doenvermogen? Kunt u bevestigen dat belastingplichtigen die hun aangiftes uitbesteden aan professionals gemiddeld vaker in aanmerking komen voor rechtsherstel dan degenen die het zelf (moeten) doen/? Wordt dit bijgehouden? Kunt u verder op basis van de data bevestigen dat kleine spaarders met kleine schadeposten het vaker hebben «laten zitten» dan grote spaarders met grote schadeposten? Wordt dit bijgehouden of kan dit modelmatig worden berekend?

Dit lid acht het van belang dat de vergoedingen in het kader van het rechtsherstel evenredig neerslaan op basis van de geleden schade, ongeacht de omvang van het vermogen of van de schade. Is dat mogelijk?

In het verslag van een schriftelijk overleg met de Tweede Kamer7 wordt gesteld dat: «Om redenen van uitvoerbaarheid en doenlijkheid is voorgesteld om de economische huurwaarde van een onroerende zaak forfaitair te bepalen. Een forfait dat gemiddeld genomen de werkelijkheid benadert, pakt nadelig uit voor belastingplichtigen van wie de onroerende zaak in werkelijkheid een lagere huurwaarde heeft dan het gemiddelde. Daarom is in het wetsvoorstel gekozen voor een relatief laag forfait ten opzichte van de gemiddelde brutohuurwaarde. Bij het vaststellen van het te hanteren percentage voor de vastgoedbijtelling is sprake van een afruil. Aan de ene kant bestaat de behoefte aan voorzichtigheid, om ook rekening te kunnen houden met mogelijke individuele omstandigheden waardoor het gemiddelde niet opgaat. Aan de andere kant betekent een laag percentage ook een minder economisch neutrale belastingheffing, omdat er dan een fiscale prikkel ontstaat om (meer) vastgoed in box 3 voor niet-verhuur aan te houden, ten opzichte van verhuur of het aanhouden van andere vermogensbestanddelen.» Kunt u, op verzoek van het lid van de 50PLUS-fractie, een betere onderbouwing geven van de hoogte van de netto vastgoed-bijtelling? Welke juridische kwetsbaarheden kent deze bijtelling, in relatie tot het gebruik van forfaits, waar de rechter in het verleden kritisch is geweest op het gebruik van forfaits in box 3? Wordt het als onredelijk ervaren omdat het vaak niet zal aansluiten bij wat belastingplichtigen als inkomen en draagkracht ervaren? Welke gedragsreacties kunnen optreden bij vastgoedeigenaren voor wie het forfait niet aansluit bij de realiteit? Heeft u de verwachting dat de gekozen vastgoedbijtelling zal leiden tot juridische procedures en daarmee tot rechtsonzekerheid voor belastingplichtigen? Indien dit niet het geval is, waarom niet? Hoe kan de huurwaarde worden gemeten en hoe verhoudt zij zich tot de huurwaarde van verhuurde woningen? Wordt bij de aanpassing van het forfait voorzien in het percentage van de netto vastgoedbijtelling?

Naar aanleiding van uw antwoorden op de vragen van de fractie van GroenLinks-PvdA8 constateert het lid van de 50PLUS-fractie dat de vastgoedbijtelling lijkt op het eigenwoningforfait (0,35 procent over de WOZ-waarde), maar wel veel hoger is. U probeert volgens dit lid het verschil te verklaren door te stellen dat: «Het eigenwoningforfait laag is omdat de eigen woning deels als besteding/ consumptiegoed (bewoning) en deels als belegging/ investeringsgoed wordt beschouwd. De keuze voor een relatief laag forfait ten opzichte van de gemiddelde brutohuurwaarde bij een onroerende zaak in box 3 is gemaakt vanwege het toepassen van een voorzichtigheidsmarge. In box 3 wordt geen rekening gehouden met een bestedingsaspect.» Als in box 3 geen rekening wordt gehouden met het bestedingsaspect, hoe wordt dan voor een huis in box 3 het hoge forfait onderbouwd? Indien dit wel het geval is ontvangt dit lid graag een nadere onderbouwing. Kunt u nader toelichten waar het verhoogde eigenwoningforfait, de zogenaamde villabelasting, met een percentage van 2,65 procent op is gebaseerd? Kunt u voorts toelichten waarom het beleggingsaspect hier een grotere rol speelt of moet spelen? Erkent u dat de villabelasting – die door kabinet Rutte I werd ingevoerd – een louter budgettaire aangelegenheid was en dat andere argumenten zijn toegevoegd om in een onderbouwing te voorzien? Volgens het lid van de 50PLUS-fractie was de noodzaak om geld te vinden destijds leidend. Bent u ervan op de hoogte dat er actief wordt geadviseerd aan belastingplichtigen om bezwaar te maken tegen de villabelasting, omdat hier sprake is van een hogere fictieve bijtelling voor de WOZ-waarde boven de grens van de villabelasting? Waarop is de hogere fictie van het hoge tarief in het eigenwoningforfait gebaseerd en hoe is deze te onderbouwen? Is de villabelasting niet in strijd met het Europees eigendomsrecht, zoals de Hoge Raad dat heeft uitgesproken voor box 3? Indien dit niet het geval is ontvangt dit lid op bovengenoemd punt graag een toelichting.

Het lid van de 50PLUS-fractie benadrukt dat de bijtelling oorspronkelijk was bedoeld om het woonvoordeel van huiseigenaren te belasten en deze kende tot 2009 (toen de villabelasting werd ingevoerd) een plafond. De achterliggende gedachte daarbij was volgens oud-staatssecretaris Bos (PvdA) dat «het voordeel uit eigen woning niet blijft stijgen bij een toenemende waarde van de woning». Dit afnemende grensnut maakt de hogere bijtelling zonder maximum extra dubieus, aldus het lid van de 50PLUS-fracte. Het toptarief na 15 jaar doet geen recht meer aan de bedoeling om heel dure woningen hoger te belasten. De woningwaarde waar het bovenste tarief voor geldt is weliswaar geleidelijk verhoogd van 1 miljoen naar 1,31 miljoen, maar door de veel snellere stijging van de huizenprijzen raakt de villabelasting nu ook de bezitters van heel gewone huizen. Calcasa schatte dat vorig jaar 90.000 huiseigenaren te maken kregen met een hogere bijtelling. Dat was een verzesvoudiging ten opzichte van 2015. Sommige huiseigenaren wonen al tientallen jaren in hetzelfde huis en worden geconfronteerd met een bijtelling die losstaat van hun draagkracht. Wat vindt u van het gevolg dat dezelfde eigenwoning in de Randstad eerder en veel zwaarder wordt getroffen door de villabelasting dan precies dezelfde eigenwoning buiten de Randstad met dezelfde grondoppervlakte en dezelfde vierkante kubieke meters? Kan dit verschil in behandeling onderbouwd worden en zo ja, hoe? Deelt u de achterliggende gedachte van de heer Bos of legt u dit uitgangspunt naast u neer?

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt of u tenminste erkent dat door de afschaffing van de Wet Hillen, huiseigenaren die geen aftrek hebben wél een bijtelling krijgen die bij de huizen die onder de villabelasting vallen, extra hard aankomen? Klopt het dat het kabinet van oordeel is dat een tarief van 36 procent geschikt is? Het is toch bekend dat dit tarief tot stand is gekomen door het amendement-Van der Lee, met een verhoging van 34 procent naar 36 procent?9

De Eerste Kamer heeft bij de motie-Heijnen (BBB) c.s.10 gevraagd om de verhoging van de tarieven van box 2 en 3 met 2 procent, als gevolg van het amendement-Van der Lee, weer ongedaan te maken. Dat is voor box 2 inmiddels ook gebeurd, maar voor box 3 is dat niet gebeurd. In box 3 is het tarief met slechts 100 miljoen euro verlaagd, hetgeen volgens dit lid neerkomt op een verlaging met slechts 0,6 procent naar 35,4 procent. Kunt u aangeven waarom voor box 3 niet is gekozen voor een verlaging met 2 procent, zoals ook voor box 2? Kunt u toelichten dat er geen sprake is van willekeur bij het vaststellen van de tarieven voor box 2 en 3? Waarom kiest u niet voor de nu voorgestelde 35,4 procent, in het Belastingplan 2025?

Wordt bij de beoogde inwerkingtreding van het toekomstige stelsel box 3 per 1 januari 2027 ook rekening gehouden met de doorlooptijd van de behandeling in de Eerste Kamer? Het gaat om een groet stelselherziening van box 3 met tal van voetangels en klemmen, zowel juridisch als qua uitvoerbaarheid. Kan uitgegaan worden van een volledig en volwaardig behandeltraject in zowel de Tweede als de Eerste Kamer? Graag een duidelijk antwoord.

In de beantwoording van vragen van de Tweede Kamerleden van de VVD-fractie11 staat het volgende: «De belangrijkste verschillen zijn dat in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 kostenaftrek wel mogelijk wordt, dat verliesverrekening met andere jaren mogelijk wordt en dat voor onroerende zaken en aandelen in startups en familiebedrijven een vermogenswinstbelasting geldt, in plaats van een vermogensaanwasbelasting. Bij een vermogenswinstbelasting wordt de waardeontwikkeling pas belast bij realisatie zoals verkoop.» Kunt u toelichten waarom voor andere beleggingen dan onroerende zaken niet eveneens wordt gekozen voor een vermogenswinstbelasting? Is dat vanwege een onoplosbaar uitvoeringsprobleem bij banken en de Belastingdienst? Kunt u onderbouwen waarom een vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen niet mogelijk is? Of wordt het meer onwenselijk dan onmogelijk geacht? Gewezen wordt op de motie-Van Rooijen.12 Deze motie vraagt prioriteit te geven aan de vermogenswinstbelasting. Op welke wijze geeft het kabinet gevolg aan deze motie? Erkent u dat een vermogensaanwasbelasting tot een ramp zou kunnen leiden, mede omdat Nederlandse belastingplichtigen van het ene op het andere jaar geconfronteerd worden met aanslagen op basis van niet gerealiseerde rendementen? Heeft u een scherp beeld van de gedrags- en schrikeffecten die een dergelijke systeemwijziging met zich mee kan brengen?

Bij de beantwoording van een vraag van de Tweede Kamerfractie van de VVD over weglekeffecten staat het volgende:13 «Uit een recenter extern onderzoek uit de vakliteratuur volgt dat Nederland niet uit de pas loopt als het gaat om de heffing op een privévastgoedbelegging. Bij de internationale vergelijking van vastgoed in box 3 dat uitsluitend voor eigen gebruik is bestemd, heft Nederland volgens dat externe onderzoek beduidend meer dan andere onderzochte landen. Voor het kabinet is het van belang dat zo snel mogelijk een stelsel wordt ingevoerd waarin het werkelijke rendement van beleggingsvastgoed wordt belast. Het gaat daarbij om zowel het directe rendement, zoals rente en huur, als het indirecte rendement, de waardeontwikkeling van vakantiewoningen.» Als Nederland beduidend meer heft bij vastgoed in box 3 dat is bestemd voor eigen gebruik en daarbovenop ook (veel) meer gaat heffen op beleggingsvastgoed, dan is het volgens het lid van de 50PLUS-fractie vanzelfsprekend dat (het risico op) kapitaalvlucht toe zal nemen. Graag een reactie.

Kunt u tot slot toelichten waarom bij de herstelregelgeving voor een vakantiewoning die niet wordt verhuurd, het eigen gebruik wordt beschouwd als een economisch voordeel dat tot het werkelijk rendement moet worden gerekend?

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien uw reactie met belangstelling tegemoet en bij voorkeur binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, W.T. van Ballekom

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN, FISCALITEIT EN BELASTINGDIENST

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 november 2024

Hierbij bied ik u mijn reactie aan op de vragen en opmerkingen van de fracties van GroenLinks-PvdA, PvdD, JA21, 50PLUS van 23 oktober 204 (uw kenmerk: 175932U) over de brief van 17 september jl. over de stand van zaken van het rechtsherstel box 3 (Kamerstukken I 2024–2025, 32 140, X) en van de Tweede Kamerbrief van 20 september jl. met de stand van zaken met betrekking tot het toekomstige stelsel in box 3 (Kamerstukken II, 2024–2025, 32 140, 206).

De Staatssecretaris van Financiën, Fiscaliteit en Belastingdienst, T. van Oostenbruggen

Beantwoording vragen van de vaste commissie van Financiën van de Eerste Kamer over de brief van 17 september jl. over de stand van zaken van het rechtsherstel box 3 (Kamerstukken I 2024/25, 32 140, X) en de Tweede Kamerbrief van 20 september jl. over de stand van zaken met betrekking tot het toekomstige stelsel in box 3 (Kamerstukken II, 2024/25, 32 140, nr. 206).

Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de fracties van GroenLinks-PvdA, PvdD, JA21 en 50PLUS. Ik houd bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van de vragen en opmerkingen aan zoals die aan mij zijn voorgelegd, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het, gezien het risico op verder uitstel van het toekomstige box 3 stelsel, technisch gezien haalbaar is om op kortere termijn dan de introductie van een stelsel op basis van werkelijk rendement, een zeer eenvoudige vermogensbelasting van een X procent over het vermogen als grondslag, met een forse vrijstelling van Y euro achter de hand te hebben als plan B. Op 20 september 2024 heeft de voormalige Staatssecretaris de Tweede Kamer geïnformeerd over het toekomstig box 3-stelsel.14 In deze brief is aangegeven dat onderzocht wordt welke alternatieven voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingevoerd kunnen worden per 1 januari 2027. Ik verwacht de uitkomsten van het onderzoek op korte termijn, maar uiterlijk voor het einde van het jaar, met uw Kamer te delen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD

De leden van de fractie van de PvdD hebben de brieven van de Staatssecretaris met interesse gelezen. Deze leden hebben enkele vragen.

De leden van de fractie van de PvdD vragen de te verwachte budgettaire gevolgen en kosten voor het rechtsherstel met betrekking tot box 3 samen te vatten en inzichtelijk te maken hoe deze gevolgen en kosten worden gedekt. Deze leden geven aan dat cijfers in de Miljoenennota 2025 (€ 9.831 miljoen) niet overeenkomen met de cijfers uit de brief van 17 september jl. (€ 9.824 miljoen).

De geraamde gederfde opbrengst in box 3 als gevolg van de Hoge Raad uitspraken is opgenomen in de brief van 17 september jl. en bedraagt € 9.824 miljoen. De uitspraken van de Hoge Raad hebben ook een doorwerking op verschillende toeslagen, waaronder de zorgtoeslag. Deze derving is niet opgenomen in de Kamerbrief van 17 september jl., maar is wel onderdeel van tabel 6 in de Miljoenennota 2025. Voor een nadere toelichting van de dekking verwijs ik naar het antwoord op de volgende vraag.

De leden van de fractie van de PvdD vragen of ze het goed begrepen hebben dat een gedeelte van de dekking op zo’n manier wordt georganiseerd dat ook minima meebetalen aan het rechtsherstel. Zo ja, dan rijst de vraag waarom het kabinet hiervoor heeft gekozen. De leden van de fractie van de PvdD vragen of ik het eens ben met deze leden dat het ongewenst is om dekking hiervoor bij minima te zoeken. Tot slot vragen de leden of ik bereid ben om deze dekking op een andere manier vorm te geven.

De budgettaire gevolgen voor het rechtsherstel zijn aanzienlijk. Het kabinet heeft bij de besluitvorming over dekking hiervan een balans gezocht in de prioriteiten gesteld in het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma. In het bijzonder gaat het daarbij om een gedegen financieel beeld, jaarlijkse verbetering van de koopkracht en lastenverlichting voor ondernemers.

Concreet is dekking gevonden voor de kosten in 2025 en 2026 door voorziene lastenverlichtende maatregelen deels uit te stellen en lastenverzwarende maatregelen juist een jaar naar voren te halen. Op deze wijze is het mogelijk financiële dekking te vinden maar op de middellange termijn alsnog de gestelde prioriteiten volledig uit te voeren. De totale budgettaire besluitvorming, inclusief de kosten in box 3, wordt uiteengezet in tabel 6 van de Miljoenennota 2025. De lastenverlichtende maatregelen die deels zijn uitgesteld hadden in het Hoofdlijnenakkoord nog geen specifieke bestemming en het effect van deze aangepaste infasering kan dus niet aan specifieke groepen worden toegerekend.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van JA21

De leden van de fractie van JA21 vragen of het mogelijke oordeel van de Hoge Raad in de «massaal bezwaar plus-procedure» dat de niet-bezwaarmakers niet in aanmerking komen voor het rechtsherstel zal leiden tot moral hazard, ofwel aantasting van de belastingmoraal. Aanvullend vragen deze leden of in het geval van dit mogelijke oordeel van de Hoge Raad het voornemen bestaat om de niet-bezwaarmakers alsnog te compenseren. Ten slotte hebben deze leden vragen over de dekking van dit mogelijke rechtsherstel.

In het verlengde hiervan vraagt het lid van de fractie van 50PLUS of er meer bezwaarmakers geweest zouden zijn als men vooraf had geweten hoe de uitspraak van de Hoge Raad zou luiden. Bovendien vraagt het lid van de fractie van 50PLUS wanneer de Hoge Raad een oordeel zal geven over de route «massaal bezwaar plus». Het lid van deze fractie vraagt of daar nog een actie uit voortkomt waar mensen die eerder geen bezwaar hebben gemaakt dat alsnog kunnen doen, of de regering middelen heeft gereserveerd voor de «massaal bezwaar plus-procedure» en of hier nog een extra tegenvaller kan ontstaan. Tevens vraagt Het lid van de fractie van 50plus naar een reactie op het beeld dat vele tienduizenden gedupeerden nooit rechtsherstel zal worden geboden, omdat zij zelf onvoldoende in actie zijn gekomen. Bovendien vraagt het lid van deze fractie of een ruime opvatting van «massaal bezwaar plus» wenselijk is.

Ik ben het met de leden van de fractie van JA21 eens dat veel belastingplichtigen een juridische uitkomst waarbij geen rechtsherstel wordt geboden aan de niet-bezwaarmakers onrechtvaardig zullen vinden. In reactie op de vraag van het lid van de fractie van 50PLUS: het is niet altijd mogelijk om te voorspellen hoe een uitspraak van de Hoge Raad zal luiden. Het zal van persoon tot persoon verschillen in hoeverre dat meeweegt bij de keuze om al dan niet bezwaar te maken. Op de vraag of het niet bieden van rechtsherstel aan de niet-bezwaarmakers leidt tot aantasting van de belastingmoraal, waaronder ik de mate van bereidheid om aan belastingverplichtingen te voldoen versta, kan ik niet antwoorden. Wel wordt in de praktijk gezien dat bij belastingplichtigen (en hun gemachtigden) het gevoel is ontstaan dat zij tegen elke (juiste) belastingaanslag bezwaar moeten maken om in ieder geval «rechtsverlies» te voorkomen. Hoewel een belastingplichtige recht heeft om gebruik te maken van zijn rechtsmiddelen, is deze ontwikkeling uiteraard niet wenselijk. Ik meen overigens dat deze ontwikkeling kan worden geplaatst in een bredere maatschappelijke ontwikkeling, waarin een duidelijke wens zichtbaar is om te komen tot een meer responsieve omgang met een onherroepelijk geworden overheidsbesluit. Mede wegens deze maatschappelijke ontwikkeling wordt op dit moment onderzoek gedaan naar een vernieuwd formeelrechtelijk heffingssysteem onder de noemer «direct aanpassen». Deze vernieuwing is mijns inziens de passende en benodigde oplossing om het fiscale (proces)recht rechtvaardiger en toekomstbestendig te maken. Voor meer inzicht in de stappen die worden genomen bij «direct aanpassen» verwijs ik graag naar de geconsulteerde beleidsrichting en eerdere brieven.15 Een vernieuwing van het formeelrechtelijk heffingssysteem zal echter geen invloed hebben op de situatie van de niet-bezwaarmakers. Het vorige kabinet is tot het besluit gekomen om aan deze groep belastingplichtigen geen rechtsherstel te bieden,16 mede nadat door de Hoge Raad eerder was geoordeeld dat op grond van huidige wet- en regelgeving aan niet-bezwaarmakers geen op rechtsherstel gerichte compensatie hoeft te worden verleend.17 Hoewel daartoe dus geen juridische verplichting bestaat, is de mogelijkheid om ook niet-bezwaarmakers voor de jaren 2017–2020 een op rechtsherstel gerichte compensatie te bieden wel destijds onderzocht. Gelijkwaardig rechtsherstel overeenkomstig de gedane toezegging in het geval de Hoge Raad toch tot het oordeel komt dat de groep niet-bezwaarmakers recht heeft op rechtsherstel18 – is destijds berekend op € 4,1 miljard, waarvan meer dan de helft terecht zou komen bij belastingplichtigen met een vermogen in box 3 van meer dan € 200.000. Omdat in deze raming niet het aanvullende rechtsherstel (op grond van de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 202419 en 14 juni 202420) is meegenomen, zal gelijkwaardig rechtsherstel waarschijnlijk nog hoger uitvallen. De «massaal bezwaar plus-procedure» is een procedure voor iedereen die geen of te laat bezwaar heeft gemaakt en dus geen rechtsherstel box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 heeft gehad. Het kabinet heeft in het kader van de «massaal bezwaar plus-procedure» toegezegd dat alle niet-bezwaarmakers met box 3-inkomen over de hiervoor genoemde jaren aanspraak kunnen maken op een nadere uitspraak van de Hoge Raad, mocht de Hoge Raad deze belastingplichtigen toch in een nieuwe zaak in het gelijk stellen.21 Het is niet bekend wanneer de Hoge Raad uitspraak zal doen. Het is verder duidelijk dat een arrest in het voordeel van de niet-bezwaarmakers een grote impact zal hebben op de overheidsbegroting en de uitvoering van het rechtsherstel box 3 door de Belastingdienst. Ook het huidige kabinet ziet daarom geen ruimte om bij geen positief oordeel van de Hoge Raad voor de niet-bezwaarmakers alsnog wel tot rechtsherstel over te gaan. Op welke wijze het (toch) verlenen van rechtsherstel zou worden gedekt dient nader te worden onderzocht en behelst ook politieke besluitvorming. Ten slotte merk ik op dat de kans dat de Hoge Raad in de «massaal bezwaar plus-procedure» terugkomt op zijn duidelijke eerdere arrest,22 nog steeds gering wordt geacht. Een extra tegenvaller wordt daarom niet verwacht.

Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie van 50PLUS

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of er signalen zijn dat de uitspraken van de Hoge Raad en het voorgenomen rechtsherstel in box 3, leiden tot het «wakker worden» van een groep gedupeerden die zich eerder niet hebben gemeld. Daarnaast vraagt het lid van deze fractie of het voorstelbaar is dat een aanzienlijk deel van de doelgroep geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de Hoge Raad in hun voordeel zou beslissen en of er actie is ontstaan vanuit bepaalde groepen gedupeerden om alsnog toegang tot rechtsherstel te krijgen.

Voor het aanvullende rechtsherstel naar aanleiding van de juni-arresten van de Hoge Raad23 is sprake van een ruime benadering van de doelgroep, aangezien ook degenen van wie de desbetreffende aanslag op 6 juni 2024 al wel onherroepelijk vaststond, maar op 24 december 2021 nog niet, in aanmerking kunnen komen voor aanvullend rechtsherstel.24 Hierbij geldt wel de voorwaarde dat tijdig – dus binnen de vijfjaarstermijn – een verzoek tot ambtshalve vermindering is of wordt gedaan. Het is mogelijk dat er belastingplichtigen zijn die nog niet «wakker zijn geworden», terwijl ze wel recht hebben op rechtsherstel. Daarom stuurt de Belastingdienst een informatiebrief naar belastingplichtigen die in aanmerking zouden kunnen komen voor rechtsherstel met meer informatie en een duidelijk handelingsperspectief. Vanwege de omvang van de doelgroep is de verzending van de informatiebrieven verspreid over een periode van half oktober tot en met begin november 2024.

Iedereen die recht heeft op herstel krijgt rechtsherstel. De doelgroep die in aanmerking komt voor toepassing van de tegenbewijsregeling is als volgt:

  • Voor de belastingjaren 2021 en later: alle belastingplichtigen met een box 3-inkomen;

  • Belastingjaren 2017 tot en met 2020:

    • belastingplichtigen met een definitieve aanslag met een box 3-inkomen die op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond of daarna opgelegd is én;

    • die tijdig een bezwaar of een verzoek tot ambtshalve vermindering hebben gedaan of dit nog doen.

Een verzoek tot ambtshalve herziening is tijdig wanneer het binnen 5 jaar na het einde van het betreffende belastingjaar is ingediend.

Over de «massaal bezwaar plus-procedure» heeft het kabinet in 2022 al toegezegd dat alle niet-bezwaarmakers met box 3 inkomen over de jaren 2017–2020 aanspraak kunnen maken op een nadere uitspraak van de Hoge Raad, mocht de Hoge Raad de belastingplichtigen in een nieuwe zaak in het gelijk stellen.25 In dat geval zal er dus een ruime benadering gelden.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of ik de zienswijze deel dat om volledig en maximaal van het rechtsherstel te profiteren, gedupeerden met veel doenvermogen een duidelijk voordeel hebben ten opzichte van gedupeerden zonder doenvermogen. Het lid vraagt daarnaast of ik kan bevestigen dat belastingplichtigen die hun aangiftes uitbesteden aan professionals gemiddeld vaker in aanmerking komen voor rechtsherstel dan degen die het zelf moeten doen. Hiernaast rijst de vraag of dit bijgehouden wordt. Verder vraagt het lid of ik op basis van de data kan bevestigen dat kleine spaarders met kleine schadeposten het vaker hebben «laten zitten» dan grote spaarders met grote schadeposten. Ook vraagt het lid of dit bijgehouden wordt of dat dit modelmatig wordt berekend.

Door de Belastingdienst wordt hard gewerkt aan de voorbereidingen van het te bieden rechtsherstel. Onderdeel daarvan is de ontwikkeling van het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement (formulier-OWR) dat voor alle belastingplichtigen die in aanmerking komen voor rechtsherstel beschikbaar komt. Het formulier-OWR zal volgens planning in de zomer van 2025 beschikbaar zijn. Het doel van het formulier-OWR is om de belastingplichtige zoveel mogelijk te helpen en ondersteunen met het opgeven van het werkelijk rendement. Daarbij wordt op dit moment door de Belastingdienst onderzocht op welke manieren zij additionele ondersteuning aan belastingplichtigen kan verlenen bij het invullen van een formulier-OWR. De Belastingdienst heeft geen inzicht in of belastingplichtigen die gebruikmaken van een financiële dienstverlener vaker of minder vaak in aanmerking zullen komen voor rechtsherstel en ook niet of belastingplichtigen met alleen spaar- en banktegoeden gebruik zullen maken van het rechtsherstel.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of de vergoedingen in het kader van het rechtsherstel evenredig neerslaan op basis van de geleden schade, ongeacht de omvang van het vermogen of van de schade. Het werkelijke rendement van de belastingplichtige is de basis voor het geven van rechtsherstel. Als het werkelijke rendement hoger is dan het forfaitaire rendement, is rechtsherstel niet nodig. Als het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, dan zal naarmate het verschil tussen het werkelijke rendement en het forfaitaire rendement groter wordt in de regel ook een groter bedrag aan betaalde belasting teruggegeven worden. Op grond van de juni-arresten van de Hoge Raad26 is niet vereist dat het verschil tussen het forfaitaire rendement en het werkelijke rendement aanzienlijk is. Ook als dit verschil een (betrekkelijk) gering bedrag betreft, kan daarom rechtsherstel nodig zijn.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt om een nadere onderbouwing van de hoogte van de nettovastgoedbijtelling. Het lid vraagt naar juridische kwetsbaarheden daarvan, of het als onredelijk wordt ervaren omdat het vaak niet zal aansluiten bij wat belastingplichtigen als inkomen en draagkracht ervaren, welke gedragsreacties kunnen optreden bij vastgoedeigenaren voor wie het forfait niet aansluit bij de realiteit, of de gekozen vastgoedbijtelling zal leiden tot juridische procedures en daarmee tot rechtsonzekerheid voor belastingplichtigen, hoe de huurwaarde kan worden gemeten en hoe deze zich verhoudt tot de huurwaarde van verhuurde woningen en of bij de aanpassing van het forfait wordt voorzien in het percentage van de nettovastgoedbijtelling. Daarnaast vraagt het lid of (het risico op) kapitaalvlucht zal toenemen wanneer Nederland beduidend meer heft bij vastgoed in box 3 dat is bestemd voor eigen gebruik en daarbovenop ook (veel) meer gaat heffen op beleggingsvastgoed. Verder vraagt het lid om een toelichting waarom bij de herstelregelgeving voor een vakantiewoning die niet wordt verhuurd, het eigen gebruik wordt beschouwd als een economisch voordeel dat tot het werkelijk rendement moet worden gerekend.

De nettovastgoedbijtelling benadert op forfaitaire wijze de economische waarde van de beschikbaarheid voor gebruik (voor verhuur of voor andere doeleinden) van een onroerende zaak. Voor de juridische houdbaarheid van een forfait is het van belang dat het desbetreffende forfait de werkelijkheid benadert. Zoals ik heb opgemerkt bij de beantwoording van eerdere Kamervragen van 50PLUS, zal het echter in veel voorkomende situaties lastig zijn om te bepalen of het vastgoed een aanzienlijk lagere of hogere werkelijke huurwaarde heeft dan de vastgoedbijtelling. Dat geldt zowel voor de Belastingdienst als voor de belastingplichtige zelf. Een object dat niet wordt verhuurd, heeft per definitie geen huuropbrengsten, waardoor het lastig is de exacte huurwaarde te bepalen. Om redenen van uitvoerbaarheid en doenlijkheid is voorgesteld om de economische huurwaarde van een onroerende zaak forfaitair te bepalen via een nieuw wettelijk forfait, de nettovastgoedbijtelling.

Het kabinet beseft dat de vastgoedbijtelling juridisch kwetsbaar is wanneer de huurwaarde in enig jaar lager is dan de vastgoedbijtelling. Daarom is de keuze gemaakt voor een brutohuurwaarde die behoort bij het 10e percentiel, rekening houdend met het gegeven dat een laag percentage tevens een minder economisch neutrale belastingheffing betekent. Het 10e percentiel betekent dat 90% van de woningen een hogere huurwaarde heeft dan de huurwaarde waarmee in het gekozen percentage rekening is gehouden. Hierdoor wordt de situatie bereikt waarin het aantal belastingplichtigen met een aanzienlijk lagere werkelijke huurwaarde dan de vastgoedbijtelling beperkt wordt gehouden. De gedragseffecten en prijseffecten bij onroerende zaken in deze categorie zullen daardoor naar verwachting beperkt zijn. Wanneer bij evaluatie van de nettovastgoedbijtelling een wijziging in de hoogte van de gemiddelde huurwaarde wordt geconstateerd, zal het percentage van de vastgoedbijtelling worden geactualiseerd. Het kabinet is van mening dat de (hoogte van de) vastgoedbijtelling zorgvuldig is vastgesteld, goed verdedigbaar is en niet onredelijk uitwerkt voor belastingplichtigen. Dat neemt niet weg dat het belastingplichtigen vrij staat om bezwaar te maken en eventueel in beroep te gaan tegen de hoogte van hun belastingaanslag.

Zoals ik eveneens heb opgemerkt bij de beantwoording van eerdere Kamervragen van 50PLUS, is in het onderzoek naar de huurwaarderatio door SEO op basis van wél verhuurde woningen een verband geschat tussen woningkenmerken en huur. Kenmerken waarvan gebruik is gemaakt, zijn onder andere gebruiksoppervlak, locatie, bouwjaar, woningtype en wel/niet nieuwbouw. Vervolgens is dit verband toegepast op niet-verhuurde box 3-woningen om op basis van de kenmerken een inschatting te maken van de huurwaarde. De zogenoemde «hedonische» methode die SEO heeft gebruikt om het verband tussen woningkenmerken en woninghuur in te schatten, is de voorkeursmethode van het Europese statistiekbureau Eurostat.

De fiscale behandeling van inkomsten uit vermogen is zeer divers en complete belastingsystemen, rekening houdend met zowel nationale als lokale elementen, laten zich lastig vergelijken. Los daarvan schat het kabinet het risico op kapitaalvlucht bij bezitters van onroerende zaken in box 3 laag in. Dat geldt zowel voor beleggingsvastgoed als voor vastgoed dat is bestemd voor eigen gebruik. De belastingplichtige kan immers zijn vastgoed lastig verplaatsen naar een ander land met een gunstiger belastingklimaat voor vastgoed. Zolang een belastingplichtige fiscaal inwoner van Nederland is, geldt onder het huidige box 3-stelsel het forfait voor andere bezittingen in box 3 dan spaargeld, ongeacht waar de onroerende zaak is gelegen. Wanneer deze belastingplichtige met een onroerende zaak in Nederland zelf fiscaal emigreert, geldt deze heffing eveneens. Uiteraard staat het belastingplichtigen vrij om hun vermogen in andere vermogensbestanddelen te gaan beleggen dan onroerende zaken.

Voor de vraag waarom bij de herstelregelgeving voor een vakantiewoning die niet wordt verhuurd, het eigen gebruik wordt beschouwd als een economisch voordeel dat tot het werkelijk rendement moet worden gerekend, geldt het volgende. Een bezitter van een onroerende zaak kan ervoor kiezen om een onroerende zaak in box 3 te verhuren, of niet. Als hij ervoor kiest deze niet te verhuren maar de box 3-woning beschikbaar te houden voor eigen gebruik, wordt (impliciet) de keuze gemaakt om de huurinkomsten niet te ontvangen. Anders geredeneerd: hij betaalt de huur aan zichzelf. Het (beschikbaar zijn voor) eigen gebruik van deze onroerende zaak heeft voor de bezitter dan economisch gezien een waarde die gelijk is aan de huur die hij in een open markt zou kunnen ontvangen: de huurwaarde. Om deze reden vinden economen (inclusief De Nederlandsche Bank) dat een economisch neutraal belastingstelsel dat huurinkomsten belast, ook deze huurwaarde zou moeten belasten. Dit was ook al aan het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw de heersende leer.

Volgens het lid van de fractie van 50PLUS was de noodzaak om geld te vinden bij de invoering van het verhoogde eigenforfait leidend. Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt om een toelichting waar het verhoogde eigenwoningforfait met een percentage van 2,65 procent op gebaseerd is. Dit lid vraagt verder om een toelichting waarom het beleggingsaspect hier een grotere rol speelt of moet spelen. Dit lid vraagt om de bevestiging dat het verhoogde eigenwoningforfait enkel werd ingevoerd om een budgettaire redenen en dat andere argumenten zijn toegevoegd om in een onderbouwing te voorzien.

De veronderstelling van het lid van de fractie van 50PLUS dat het verhoogd eigenwoningforfait een louter budgettaire aangelegenheid was en dat andere argumenten zijn toegevoegd om in een onderbouwing te voorzien, herkent het kabinet niet. Het verhoogd eigenwoningforfait was wel mede ingegeven door budgettaire overwegingen, zoals altijd het geval is bij het heffen van belastingen.

De eigen woning kan deels als besteding/consumptiegoed (bewoning) en deels als belegging/investeringsgoed worden beschouwd. De ratio achter het verhoogde eigenwoningforfait is dat boven een bepaalde woningwaarde het beleggingsaspect een grotere rol speelt. Bij de behandeling van het wetsvoorstel werd opgemerkt dat het eigenwoningforfait de ontwikkeling op de woningmarkt, met name het topsegment, onvoldoende volgde. De oorspronkelijke grens werd bij € 1 miljoen gelegd, omdat ervan uit werd gegaan dat vanaf dit waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen. Deze grens van € 1 miljoen is door de jaren heen telkens geïndexeerd. Voor het belastingjaar 2024 geldt het verhoogd eigenwoningforfait voor dat deel van de woningwaarde dat uitkomt boven de grens van € 1.310.000.

Het eigenwoningforfait is een percentage van de WOZ-waarde van de eigen woning en maakt onderdeel uit van het inkomen in box 1. Daarbij is het goed om op te merken dat het verhoogd eigenwoningforfait 2,35% bedraagt in plaats van 2,65% en alleen geldt voor de meerwaarde van een woning boven € 1.310.000 in 2024. Voor het deel van de woningwaarde met een WOZ-waarde tot € 1.310.000 geldt een eigenwoningforfait van 0,35%, zie ook de tabel hieronder:

WOZ-waarde meer dan

WOZ-waarde niet meer dan

Eigenwoningforfait

€ 12.500

0%

€ 12.500

€ 25.000

0,10%

€ 25.000

€ 50.000

0,20%

€ 50.000

€ 75.000

0,25%

€ 75.000

€ 1.310.000

0,35%

€ 1.310.000

€ 4.585 + 2,35% van de waarde van de woning boven € 1.310.000

In het rapport «Belastingen in maatschappelijk perspectief: Bouwstenen voor een beter en eenvoudiger belastingstelsel»27 is recentelijk geconstateerd dat het huidige eigenwoningforfait van 0,35% historisch laag is. Ook duurdere woningen hebben hiervan voordeel omdat het forfait van 0,35% wordt toegepast op woningen met een woningwaarde boven € 75.000 en tot € 1.310.000.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of bekend is dat er actief wordt geadviseerd aan belastingplichtigen om bezwaar te maken tegen het verhoogd eigenwoningforfait, omdat er sprake is van een hogere fictieve bijtelling over de WOZ-waarde voor duurdere woningen. Dit lid vraagt waarop de hogere fictie van het hoge tarief in het eigenwoningforfait is gebaseerd en hoe deze te onderbouwen is. Tevens vraagt dit lid of het verhoogd eigenwoningforfait in strijd is met het Europees eigendomsrecht, zoals de Hoge Raad dat heeft uitgesproken voor box 3. Indien dit niet het geval is ontvangt dit lid op bovengenoemd punt graag een toelichting.

Uit berichten in de media komt naar voren dat belastingplichtigen geadviseerd worden bezwaar te maken tegen het verhoogde eigenwoningforfait. De Belastingdienst heeft deze signalen ook ontvangen. Zoals hiervoor al beschreven wordt bij duurdere woningen aangenomen dat het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol speelt. Het kabinet is van oordeel dat het verhoogd eigenwoningforfait binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever blijft om het belastingstelsel in te richten in lijn met de door de wetgever nagestreefde legitieme doelen.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt wat de Staatssecretaris vindt van het gevolg dat dezelfde woning in de Randstad eerder en veel zwaarder wordt getroffen door het verhoogd eigenwoningforfait dan precies dezelfde woning buiten de Randstad met dezelfde grondoppervlakte en dezelfde kubieke meters. Dit lid vraagt of dit verschil in behandeling onderbouwd kan worden en hoe. Ten slotte vraagt het lid van de fractie van 50PLUS of de achterliggende gedachte van de oud-staatssecretaris van Financiën de heer Bos (PvdA) «dat het voordeel uit eigen woning niet blijft stijgen bij een toenemende waarde» wordt gedeeld of niet.

Aangezien het verhoogd eigenwoningforfait geldt voor woningen vanaf een bepaalde WOZ-waarde, worden relatief vaker woningen in duurdere delen van Nederland geconfronteerd met het verhoogd eigenwoningforfait. Zelfs bij woningen met gelijke fysieke kenmerken, zoals grootte en kubieke meters, geldt dat locatie invloed heeft op de marktwaarde. Daardoor is niet iedere even grote woning in Nederland qua marktwaarde vergelijkbaar. Destijds, bij de invoering van het verhoogd eigenwoningforfait, was het kabinet van oordeel dat een plafond niet bijdroeg aan een reële wijze van belastingheffing voor woningen in het topsegment. Daarmee is niet gezegd dat de redenering van de voormalige Staatssecretaris – die het plafond in het eigenwoningforfait heeft ingevoerd – dat het voordeel uit eigen woning niet onbeperkt toeneemt naarmate de waarde niet navolgbaar is. Zoals aangegeven was de ratio voor het verhoogd eigenwoningforfait en het vervallen van het plafond dat de samenstelling van het bestedings- en beleggingscomponent verandert boven een bepaalde woningwaarde. In die zin dat vanaf een bepaald waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen, terwijl de bestedingscomponent een minder grote rol gaat spelen. De beleggingscomponent en daarmee het percentage van het eigenwoningforfait wordt daarmee hoger.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of erkend wordt dat door de afschaffing van de Wet Hillen het verhoogd eigenwoningforfait extra hard aankomt bij huiseigenaren die geen aftrek hebben, maar wél een bijtelling krijgen. In de memorie van toelichting bij de geleidelijke uitfasering van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld is een tabel opgenomen met het effect op het besteedbaar inkomen bij het marginale tarief bij een steeds hogere WOZ-waarde.28 Hieruit blijkt dat een hogere WOZ-waarde per definitie leidt tot een groter effect op het besteedbaar inkomen in absolute termen. Hoe sterk dit effect precies is bij een belastingplichtige met een woning met een waarde van meer dan € 1.310.000 is mede afhankelijk van de persoonlijke situatie van de belastingplichtige. Het is wel van belang om te vermelden dat deze aftrek over een periode van 30 jaar geleidelijk wordt uitgefaseerd en dus volledig zal verdwijnen vanaf 1 januari 2048 en dat er op dit moment nog wel een aftrek is wegens geen of geringe eigenwoningschuld. De aftrek wordt sinds 2019 jaarlijks met 3,33 procentpunt verlaagd en ligt momenteel (jaar 2024) op 80,00%.

Het lid van de fractie van 50PLUS verwijst naar de motie-Heijnen (BBB) c.s.29 waarin het kabinet wordt verzocht om een nadere analyse te maken van de tariefsverhoging van box 2 en box 3 naar aanleiding van het amendement-Van der Lee30 en vervolgens de tarieven vast te stellen rekening houdende met de uitkomsten van de analyse waarbij het globale evenwicht tussen de DGA-ondernemer enerzijds en de IB-ondernemer anderzijds hersteld wordt en ook rekening wordt gehouden met de ondernemersrisico’s van ondernemers. Dit lid vraagt waarom het tarief in box 3 slechts is verlaagd met € 100 miljoen en er niet is gekozen voor een verlaging van 2 procent om de verhoging van de tarieven van box 2 en 3, als gevolg van het amendement-Van der Lee, weer ongedaan te maken. Daarnaast vraagt dit lid om toe te lichten dat er geen sprake is van willekeur bij het vaststellen van de tarieven voor box 2 en 3. Tot slot vraagt dit lid waarom er niet gekozen is voor het percentage van 35,4 procent zoals is voorgesteld in het belastingplan 2025. In het verlengde hiervan vraagt het lid tevens of het klopt dat het kabinet van oordeel is dat een tarief van 36 procent geschikt is. In de Miljoenennota 2025 is aangeven dat de beoogde tariefsverlaging in box 3 uit het hoofdlijnenakkoord, waar € 100 miljoen voor is gereserveerd, wordt teruggedraaid ter dekking van de budgettaire derving als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad over box 3 en Duitse vastgoedfondsen.31

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of bij de beoogde inwerkingtreding van het toekomstige stelsel box 3 per 1 januari 2027 ook rekening is gehouden met de doorlooptijd van de behandeling in de Eerste Kamer. Het kabinet hecht waarde aan een ordentelijk wetgevingsproces waarbij voldoende tijd is om met beide Kamers te spreken over de vormgeving van het nieuwe box 3-stelsel. De afgelopen jaren hebben de voormalige staatssecretarissen zowel de Tweede als de Eerste Kamer meerdere keren per jaar via een Kamerbrief geïnformeerd over de ontwikkelingen in de vormgeving en het proces van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Momenteel ligt het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 voor advisering bij de Raad van State. De volgende stap in het wetgevingsproces is het indienen van het wetsvoorstel – inclusief nader rapport – bij de Tweede Kamer. Uiteraard gaan beide Kamers over hun eigen agenda voor de behandeling van dit wetsvoorstel.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt waarom bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 voor andere beleggingen dan onroerende zaken niet wordt gekozen voor een vermogenswinstbelasting. Verder vraagt dit lid of een vermogenswinstbelasting voor andere beleggingen onwenselijk is of niet wordt toegepast vanwege onoplosbaar uitvoeringsprobleem bij banken en de Belastingdienst. Daarnaast wijst het lid naar de aangenomen motie-Van Rooijen32 waarin het kabinet wordt verzocht om primair de vermogenswinstbelasting onderdeel te laten zijn van de belastinghervorming in box 3. Het lid vraagt op welke wijze het kabinet gevolg geeft aan deze motie. Ook vraagt het lid of een vermogensaanwasbelasting tot problemen zou kunnen leiden omdat belastingplichtigen op basis van niet gerealiseerde rendementen belast worden. Tot slot vraagt het lid of het kabinet een scherp beeld heeft van de gedragseffecten die een dergelijke systeemwijziging met zich mee kan brengen.

In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt voorgesteld om het werkelijk rendement van onroerende zaken en aandelen in startups te belasten via een vermogenswinstbelasting. Hierdoor maakt de vermogenswinstbelasting een belangrijk onderdeel uit van de voorgenomen belastinghervorming in box 3. Voor dit gedeelte van het vermogen in box 3 sluit dit aan bij de motie-Van Rooijen. Voor andere vermogensbestanddelen in box 3 wordt een heffing over het werkelijk rendement via een vermogensaanwasbelasting voorgesteld. Een vermogensaanwasbelasting wordt economisch als een relatief weinig verstorende vorm van belastingheffing op inkomsten uit vermogen gezien. De beslissing om te consumeren of te sparen/beleggen wordt minder verstoord dan in het huidige forfaitaire stelsel omdat werkelijke rendementen op individueel niveau worden belast. Daarnaast treedt het lock-in-effect niet op.

Wel zullen er bij een vermogensaanwasbelasting net als in het huidige box 3-stelsel bij een beperkt aantal belastingplichtigen liquiditeitsproblemen optreden. Er moet immers net als in het huidige box 3-stelsel belasting worden betaald, ook als er geen liquide middelen uit vermogen worden gerealiseerd. Dit kan verstorend werken in de zin dat belastingplichtigen hiermee gestimuleerd worden om te kiezen voor een meer liquide beleggingsmix. Veel belastingplichtigen kiezen overigens al uit zichzelf voor een vermogensmix met liquide middelen, bijvoorbeeld om geplande uitgaven te kunnen doen of om ongeplande uitgaven op te kunnen vangen. Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke omvang van het aantal belastingplichtigen dat te maken zou kunnen krijgen met betalingsproblemen. Dit onderzoek is gevoegd bij de Kamerbrief van 29 september 2022.33 De conclusie is dat het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet geconfronteerd zal worden met betalingsproblemen. Dat geldt zowel voor het huidige box 3-stelsel als voor een toekomstige vermogensaanwasbelasting. Bovendien bieden de huidige betalingsregelingen voor de meeste belastingplichtigen met betalingsproblemen een uitkomst. Zij kunnen hun openstaande belastingschuld alsnog voldoen. Hierbij wordt opgemerkt dat box 3 niet de enige aanleiding hoeft te zijn van de betalingsproblemen. Wanneer belastingplichtigen de belastingaanslag niet binnen de geldende betalingstermijn kunnen voldoen en een betalingsregeling ook géén mogelijkheid is, dan zal de ontvanger overgaan tot het nemen van invorderingsmaatregelen. Daarbij zal zo veel mogelijk maatwerk worden geleverd.

Bij een vermogenswinstbelasting zal de belastingplichtige bij de verkoop van bezittingen de historische aankoopwaarde moeten aanleveren. Dit geldt ook bij de verkoop van aandelen en obligaties. Dat zal veel van het doenvermogen vragen. Daarnaast zullen kosten die gedurende het bezit worden gemaakt, moeten worden bijgehouden. Als de Belastingdienst de historische aankoopwaarde moet kunnen voorinvullen, heeft dat heel veel extra impact op de Belastingdienst. Ook de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB; brief is als bijlage bijgevoegd bij de hiervoor genoemde brief van 29 september 2022) geeft aan dat banken de gegevens die nodig zijn voor een vermogenswinstbelasting niet kunnen leveren. De kosten en complexiteit om over te stappen op een nieuw te ontwikkelen uniform systeem met uitgewerkte toerekening- en rekenregels staan volgens de NVB in geen verhouding tot het doel dat wordt nagestreefd. Vanuit burgerperspectief kan de vermogenswinstbelasting bij de verkoop van een bezitting tot een onaangename verrassing leiden, met name als geen goede administratie is bijgehouden. Bij de verkoop kan bijvoorbeeld ineens een groot bedrag verschuldigd zijn.


X Noot
1

Samenstelling:

Kroon (BBB) (ondervoorzitter), Van Wijk (BBB), Heijnen (BBB), Griffioen (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Crone (GroenLinks-PvdA), Karimi (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van Ballekom (VVD) (voorzitter), Geerdink (VVD), Vogels (VVD), Bovens (CDA), Bakker-Klein (CDA), Aerdts (D66), Moonen (D66), Van Strien (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Apeldoorn (SP), Holterhues (CU), Van den Oetelaar (FVD), Schalk (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)

X Noot
2

Kamerstukken I 2024–2025, 32 140, X.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2024–2025, 32 140, 206.

X Noot
4

Kamerstukken I 2024–2025, 32 140, X.

X Noot
5

Kamerstukken II, 2024–2025, 32 140, 206.

X Noot
6

Kamerstukken I 2024–2025, 32 140, X, pagina 3.

X Noot
7

Kamerstukken II 2023–2024, 32 140, 200, p. 3.

X Noot
8

Idem, p. 4.

X Noot
9

Kamerstukken II 2023–2024, 36 418, 11.

X Noot
10

Kamerstukken I 2023–2024, 36 418, K.

X Noot
11

Kamerstukken II 2023–2024, 32 140, 200, p. 7.

X Noot
12

Kamerstukken I 2023–2024, 36 418, S.

X Noot
13

Kamerstukken II 2023–2024, 32 140, 200, p. 9.

X Noot
14

Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 206.

X Noot
15

Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1354 en Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1290.

X Noot
16

Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 137.

X Noot
17

HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720.

X Noot
18

Kamerstukken II 2022/23, 36 204, nr. 10.

X Noot
19

Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, ECLI:NL:HR:2024:705, ECLI:NL:HR:2024:771, ECLI:NL:HR:2024:756 en ECLI:NL:HR:2024:813.

X Noot
20

Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:855, ECLI:NL:HR:2024:856, ECLI:NL:HR:2024:857 en ECLI:NL:HR:2024:860.

X Noot
21

Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 141.

X Noot
22

HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720.

X Noot
23

HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705.

X Noot
24

Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 205.

X Noot
25

Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 141.

X Noot
26

HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705, r.o. 5.1.7.

X Noot
27

Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 180.

X Noot
28

Kamerstukken II 2017/18, 34 819, nr. 3, p. 2.

X Noot
29

Kamerstukken I 2023/24, 36 418, K.

X Noot
30

Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 11.

X Noot
31

Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 1, p. 48 en 49.

X Noot
32

Kamerstukken I 2023/24, 36 418, S.

X Noot
33

Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 139.

Naar boven