Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032123-VI nr. 106

32 123 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2010

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 106 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 mei 2010

1 Inleiding

Tijdens het Algemeen Overleg van de vaste commissie voor Justitie van 5 juni 2007 (Kamerstuk 30 800 VI, nr. 116) heb ik toegezegd u jaarlijks een overzicht te sturen van zaken die het Team Internationale Misdrijven (TIM) van de Dienst Nationale Recherche (DNR) van het KLPD in het jaar daarvoor in behandeling heeft genomen en afgedaan. Op 18 april 2008 heeft u de eerste rapportagebrief ontvangen.1

Ik heb u vervolgens op 9 september 2008 een brief gestuurd waarin ik een ketengericht versterkingsprogramma aankondigde.2 In het daaropvolgend Algemeen Overleg van 10 september en 9 oktober 2008 heb ik u toegezegd de voortgang van het versterkingsprogramma bij de rapportagebrief 2008 te zullen betrekken. Hierover is in de rapportagebrief 2008 voor het eerst gerapporteerd3. Met deze brief informeer ik u, naast de cijfermatige rapportage, over de behaalde resultaten in het kader van het versterkingsprogramma in het jaar 2009.

Tevens wordt u naar aanleiding van het Algemeen Overleg van 24 maart 2010 (kamerstuk 19637, nr. 1341) en het VAO op 21 april 2010 (motie nr. 1339, voorgesteld door het lid Azough) (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 79, blz. 6704–6708) in deze brief eenmalig geïnformeerd over de kennis bij het Team Internationale Misdrijven van het OM en de 1F-unit van de IND met betrekking tot de informatie in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van februari 2000 inzake veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan.

2 Cijfermatige rapportage

De cijfermatige rapportage betreft in de eerste plaats het strafrechtelijke traject met betrekking tot de opsporing en vervolging van internationale misdrijven (IM) in 2009. Het gaat daarbij om de in 2009 door het Openbaar Ministerie en de politie behandelde IM-dossiers, met speciale aandacht voor (in 2009 van de IND ontvangen) 1F-dossiers. In de tweede plaats heeft deze rapportage betrekking op de vreemdelingrechtelijke gegevens in 1F-dossiers.

2.1 Strafrechtelijk traject

In februari 2009 heeft de rechtbank ‘s Gravenhage de Rwandees Mpambara veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf wegens foltering. In het kader van het hoger beroep zijn 30 nieuwe getuigen toegewezen door het Gerechtshof in Den Haag.

In juli 2009 heeft het gerechtshof ‘s-Gravenhage het voormalige plaatsvervangend hoofd van de Afghaanse militaire inlichtingendienst – de heer Faqirzada – vrijgesproken van betrokkenheid bij martelingen. Het hof achtte zijn zogenaamde «command responsibility» niet bewezen. Door het OM is cassatieberoep ingesteld.

In 2009 liepen er 8 opsporingsonderzoeken, waarvan de meeste doorlopen in 2010.

In juni 2009 liet de Hoge Raad de veroordeling van zakenman Van Anraat in stand.

Er zijn twee uitleveringsprocedures gevoerd voor Nederlandse rechtbanken om verdachten van internationale misdrijven uit Nederland te verwijderen naar hun land van herkomst teneinde daar berecht te worden. In beide zaken is cassatie ingesteld. Beide verdachten bevinden zich in detentie.

Er zijn 7 rechtshulpverzoeken afgedaan teneinde bij te dragen aan de opsporing en vervolging van internationale misdrijven in het buitenland.

Twee rechtshulpverzoeken hielden verband met de Tweede Wereldoorlog. Een betrof een Duits strafrechtelijk onderzoek naar Heinrich Boere in verband met Silbertanne moorden in 1943 en 1944. De ander betrof een mogelijk in 1945 bij de Woeste Hoeve gefusilleerde Poolse piloot Czeslaw Oberdak. Deze is in december 2009 in Krakau ceremonieel herbegraven.

Naast de behandeling van nieuwe instroom van 1F-dossiers, zijn er in 2009 73 1F-dossiers herbeoordeeld. Dit heeft in 31 gevallen geleid tot een oriënterend vooronderzoek.

De aanpak van IM valt op hoofdlijnen uiteen in zogenaamde 1F-zaken4 en niet 1F-zaken. In de volgende subparagrafen vindt u over behandelde zaken in beide categorieën de jaarcijfers. Gezien de politiek-bestuurlijke aandacht voor 1F-zaken zijn deze wat meer in detail weergegeven. Een toelichting op terminologie en werkwijze vindt u in de bijlage.

2.1.1 1F-dossiers in 2009

Instroom en verwerking 1F-dossiers

De instroom en verwerking van in 2009 nieuw binnengekomen 1F-dossiers is als volgt:

Totaal aantal 1F-dossiers binnengekomen bij het Openbaar Ministerie in 2009

22

Waarvan

 

– Aantal dossiers opgelegd

11

– Aantal dossiers afgevoerd

1

– Aantal dossiers in behandeling genomen voor oriënterend vooronderzoek

4

– Aantal dossiers nog niet beoordeeld

6

Herbeoordeling 1F-dossiers

In de rapportage van vorig jaar is aangeven dat een aantal dossiers in voorgaande jaren was opgelegd en dat in 2008 een aanvang is gemaakt met het herbeoordelen daarvan. In 2009 zijn 73 dossiers herbeoordeeld5. Dat heeft in 31 gevallen geleid tot de start van een oriënterend vooronderzoek.

Doorlopende behandeling 1F-dossiers

Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat zaken veelal over een langere periode spelen dan het jaar waarin zij nieuw zijn binnengekomen. Onderstaand overzicht laat zien hoeveel 1F-dossiers in 2009 in verschillende stadia in behandeling waren. Hierbij zitten dus ook zaken die in eerdere jaren zijn gestart:

Zaken onder de rechter

3

Zaken in opsporingsonderzoek (nog niet onder de rechter)

2

Zaken waarin een oriënterend vooronderzoek is / wordt uitgevoerd

38

Rechtshulpzaken

0

Totaal

43

2.1.2 Doorlopende behandeling IM-zaken, niet zijnde 1F-dossiers, in 2009

Zoals eerder aangegeven behelst de aanpak van Internationale Misdrijven niet alleen 1F-ers. Ook andere personen die zich schuldig maken aan internationale misdrijven horen nadrukkelijk tot de doelgroep. Onderstaand overzicht laat zien hoeveel van dit soort dossiers in 2009 in verschillende stadia in behandeling waren.

Zaken onder de rechter

2

Zaken in opsporingsonderzoek (nog niet onder de rechter)

6

Zaken waarin een oriënterend vooronderzoek is / wordt uitgevoerd

6

Rechtshulpzaken

7

Totaal

21

2.2 Vreemdelingrechtelijk traject

Het aantal personen aan wie in 2009 in eerste aanleg artikel 1F is tegengeworpen, bedraagt ongeveer dertig6.

Van deze ongeveer dertig vreemdelingen hebben circa twintig personen een openstaande verblijfsprocedure. De overige circa tien personen zijn uitgeprocedeerd inzake asiel. Van hen zijn er minder dan vijf inmiddels ongewenst verklaard (OVR) op grond van de toepassing van artikel 1F. De overige uitgeprocedeerde 1F-ers zijn derhalve (nog) niet ongewenst verklaard.

Voor geen van deze circa tien uitgeprocedeerde 1F-ers bestaat een artikel 3 EVRM beletsel tot uitzetting.

30 personen ten aanzien van wie in 2009 artikel 1F is toegepast

20 personen openstaande procedure

10 personen asiel uitgeprocedeerd

<5 OVR verklaard

±5 (nog) niet OVR verklaard

Het aantal vreemdelingendossiers in de werkvoorraad van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V), waarop artikel 1F van toepassing is, bedroeg eind 2009 circa 210. Het merendeel van de categorie vreemdelingen aan wie artikel 1F is tegengeworpen uit de werkvoorraad van de DT&V heeft de Afghaanse nationaliteit. Een vreemdeling komt in de werkvoorraad van de DT&V na ontvangst van het overdrachtsdossier van de IND.

In 2009 hebben zes vreemdelingen aan wie artikel 1F is tegengeworpen Nederland gedwongen verlaten.

2.2.1 Stand van zaken beoordeling artikel 3 EVRM

In de 1F-notitie van juni 2008 is aangegeven dat in ongeveer 30 1F-zaken is gebleken dat er nog geen beoordeling met betrekking tot artikel 3 EVRM in het besluit is opgenomen en dat deze beoordeling alsnog ter hand is genomen. In deze zaken is het risico op een schending van artikel 3 EVRM alsnog beoordeeld. In de meeste gevallen is dit gebeurd in het kader van een procedure tot ongewenstverklaring.

In krap 30 zaken is de procedure tot ongewenstverklaring en daarmee ook de artikel 3 EVRM toets afgerond. In de enkele overgebleven zaken die nog in behandeling zijn wordt de uitkomst van een extern onderzoek afgewacht alvorens een beslissing te nemen. Van de reeds beoordeelde krap 30 zaken is gebleken dat in ruim 20 zaken artikel 3 EVRM geen beletsel voor terugkeer vormt.

2.2.2. Gezinsleden 1F-ers1

In de brief aan de Tweede Kamer van juni 2008 is gemeld dat aan gezinsleden van 1F-ers, die tien jaar ononderbroken in Nederland hebben verbleven, onder omstandigheden niet langer de contra-indicatie openbare orde/1F zal worden tegengeworpen (zie ook hoofdstuk C4/3.11.4.3 Vreemdelingencirculaire). In dat geval kunnen deze gezinsleden ook op andere verblijfsgronden dan de individuele asielgronden in aanmerking komen voor een verblijfsstatus. Dit betekent dat gezinsleden van 1F-ers, na tien jaren ononderbroken verblijf, ook in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling indien wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.

Het totaal aantal gezinsleden dat in het kader van dit beleid én de Regeling is beoordeeld, bedraagt ongeveer 180. Het aantal gezinsleden dat aan zowel aan de voorwaarden van het nieuwe beleid als aan de voorwaarden van de Regeling heeft voldaan bedraagt krap 100. Zij zijn inmiddels in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling. Het aantal gezinsleden dat niet heeft voldaan aan de gestelde voorwaarden bedraagt ongeveer 60. Het aantal openstaande procedures bedraagt minder dan tien.

Voorts geldt ten aanzien van ongeveer 20 gezinsleden dat de contra-indicatie in de loop van 2009 op grond van het genoemde tienjarenbeleid is komen te vervallen en dat zij hebben voldaan aan de voorwaarden van het door hen beoogde verblijfsdoel. Deze gezinsleden zijn derhalve in het bezit gesteld van een vergunning op andere grond dan in het kader van de Regeling.

2.3 Roulatiesysteem KhAD/WAD

Tijdens het Algemeen Overleg van 24 maart jl. is gesproken over de (on)mogelijkheden van onderzoek ter plaatse naar het bestaan van een functieroulatiesysteem binnen de Khad/WAD. Ik heb daarbij uw Kamer toegezegd deze informatie (nogmaals) schriftelijk kenbaar te maken.

2.3.1 Onderzoek ter plaatse door het KLPD

Tijdens het algemeen overleg met uw Kamer naar aanleiding van de 1F-brief van juni 2008 in september en oktober 2008 hebben wij gesproken over onderzoek ter plekke, in Afghanistan, door het KLPD. Daarbij heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie aangegeven dat het onderzoek dat het KLPD in Afghanistan verricht een strafrechtelijk onderzoek is naar individuele feiten en geen onderzoek naar de werkwijze van een organisatie. Verder heeft zij aangegeven dat dezelfde bezwaren wat betreft bronnenselectie gelden voor het onderzoek dat door het KLPD zou moeten worden verricht, welke zijn gelegen in het tijdsverloop en de nationale en internationale bekendheid. Voor zover strafrechtelijk onderzoek als bijproduct oplevert dat er meer inzicht ontstaat in de KhAD/WAD situatie, dient eveneens met deze bezwaren rekening te worden gehouden.

2.3.2 Informatie 1F-unit

Voorts heeft uw Kamer gevraagd naar informatie die de 1F-unit hierover kan verstrekken.

Uit het algemeen overleg heb ik mogen opmaken dat hier blijkbaar sprake is van een misverstand. Ik acht het van belang recht te zetten dat door de 1F unit geen (afzonderlijk) onderzoek is verricht naar het roulatiesysteem. De werkwijze van de 1F-unit is dat het 1F-gehoor dient om informatie te vergaren over de betrokken vreemdeling, zijn asielverzoek, en de vraag of zijn verklaringen passen in hetgeen algemeen bekend is over een land – als beschreven in onder meer het ambtsbericht – en het daarop gestoelde beleid. Er wordt niet letterlijk gevraagd of er sprake is van een praktijk van systematische roulatie. Indien toepasselijk op de zaak van betrokkene wordt deze aan het eind van het gehoor geconfronteerd met de informatie in het ambtsbericht en het toepasselijke beleid.

3. Voortgang ketengericht versterkingsprogramma opsporing en vervolging internationale misdrijven

Zoals vermeld informeer ik u tevens over de voortgang van het versterkingsprogramma. Het versterkingsprogramma rust op 4 pijlers, te weten een (verdere) professionalisering van de aanpak en werkwijze van de hele keten, het borgen van kwaliteit en expertise, een verhoging van de capaciteit en het verbeteren van het juridische instrumentarium.

Sinds 1 januari 2009 is onder leiding van een programmamanager op programmatische wijze gestuurd op realisatie van de beoogde resultaten.

3.1 Pijler 1: een (verdere) professionalisering van de aanpak en werkwijze van de hele keten

3.1.1. Structuur versterkingsprogramma

In het kader van de verdere professionalisering is eind 2008 een interdepartementale regiegroep samengesteld, waarin vertegenwoordigers deelnemen van de ministeries van Justitie, waaronder de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Openbaar Ministerie en de politie. De regiegroep bewaakt op hoofdlijnen de voortgang van het versterkingsprogramma en schept de randvoorwaarden om gesignaleerde knelpunten op te pakken. De regiegroep is gedurende het jaar 2009 driemaal bij elkaar gekomen.

3.1.2 Internationale ontwikkelingen

Een van de programmasecretarissen heeft vanaf september 2009 6 maanden bij de War Crimes and Crimes Against Humanity Unit van het Canadese ministerie van Justitie gewerkt. Betrokkene heeft een vergelijkend onderzoek gedaan naar de onderscheidenlijke werkwijzen inzake opsporing en vervolging van IM. Gedurende de periode is op zowel strategisch als operationeel niveau kennis en ervaring opgedaan bij alle betrokken ketenpartners in Canada. De hieruit voortvloeiende analyse zal gebruikt worden om de aanpak en werkwijze van de Nederlandse keten verder te professionaliseren.

Nederland heeft zich in 2009 verder ingezet voor het beleggen van bijeenkomsten van het EU-netwerk van contactpunten voor genocide, oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Deze inzet heeft geresulteerd in twee bijeenkomsten in 2009: één op 23 en 24 april 2009 onder Tsjechisch voorzitterschap en één op 7 december 2009 onder Zweeds EU-voorzitterschap. Daarmee is het streven van Nederland om de frequentie van de bijeenkomsten te verhogen van een naar twee keer per jaar voor 2009 gerealiseerd. Voor 2010 is er door het Spaanse EU-voorzitterschap een bijeenkomst gepland voor 27–28 mei 2010. Nederland is betrokken bij de inhoudelijke voorbereidingen van deze bijeenkomst.

In de rapportageperiode is een subsidie toegekend aan een project van het Hague Institute for the Internationalisation of Law (HiiL) en het T.M.C. Asser Instituut voor deelname als outsourcing partner aan het Legal Tools Project van het Internationaal Strafhof. Het Internationaal Strafhof werkt al een aantal jaren aan het opzetten van een zo compleet mogelijke virtuele bibliotheek op het gebied van internationale misdrijven. Het Legal Tools project «aspires to equip users with the legal information, commentaries and software required to work effectively with international criminal law» en wil daardoor de complementariteitgedachte (dat wil zeggen dat de opsporing en vervolging van internationale misdrijven primair bij Staten zelf ligt) internationaal bevorderen. De databank is openbaar en voor iedereen kosteloos toegankelijk. Het bevat rechtspraak van het Internationaal Strafhof en alle internationale tribunalen, nationale rechtspraak, relevante verdragen, nationale wet- en regelgeving en Statuten. Met deze subsidie levert Nederland een inhoudelijke bijdrage aan de Legal Tools en daarmee aan de bevordering van de complementariteitsgedachte van het Internationaal Strafhof.

Nederland heeft deelgenomen aan de bijeenkomst van de beleidsgroep JRR (Justice Rapid Response policy group) in Ottawa die 22–23 februari 2009 heeft plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomst is besloten welke genomineerde deskundigen van participerende staten aan de eerste «pilot training» deel zullen mogen nemen. Van 9 tot 15 mei 2009 hebben de twee voor de eerste ronde geselecteerde leden van het TIM deelgenomen aan de JRR Pilot Training Course die in Berlijn, Duitsland plaatsvond.

Interpol organiseerde 18–20 mei jl. haar vierde expertbijeenkomst inzake genocide, oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. De bijeenkomst werd bezocht door politie, Openbaar Ministerie en rechtercommissarissen uit 35 landen (waaronder Nederland), vertegenwoordigers van de internationale tribunalen en het Internationaal Strafhof en NGO’s. De door de deelnemers van de expertbijeenkomst geformuleerde aanbevelingen liggen op het terrein van de informatie-uitwisseling, met name praktische informatie gerelateerd aan lopende onderzoeken op het gebied van internationale misdrijven.

Op 9–11 november 2009 vond een conferentie plaats rondom het thema «getuigen en slachtoffers» in strafprocessen inzake internationale misdrijven.

Mede op advies van Nederland organiseerde de NGO’s Redress/FIDH een conferentie rondom de vele aspecten van getuigen en slachtoffers in strafprocessen met betrekking tot de extraterritoriale opsporing en vervolging van internationale misdrijven.

Naar aanleiding van een Nederlands tekstvoorstel is de tekst van het Stockholm programma aangevuld met een verwijzing naar het complementariteitsbeginsel, te weten dat alle Staten een verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van de nationale berechting van internationale misdrijven. Daarbij is het EU-netwerk van contactpersonen voor genocide, oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid expliciet genoemd als het forum voor uitwisseling van justitiële informatie en best practices.

Tijdens de Vergadering van de Staten Partijen van het Internationaal Strafhof (ICC-ASP) heeft Nederland zich onder meer nadrukkelijk ingezet voor de bevordering van het complementariteitsbeginsel. De ICC-ASP (18–26 november 2009) en de hervatte sessie (22–25 maart 2010) stonden helemaal in het teken van de Herzieningsconferentie die van 31 mei tot 10 juni 2010 in Kampala, Oeganda plaats zal vinden.

3.2 Pijler 2: het borgen van kwaliteit en expertise

In 2009 zijn de eerste stappen gezet naar het oprichten van een Kennis- en Expertisenetwerk voor Internationale Misdrijven (KIM). Het doel van het KIM is het versterken van de kennis-, expertise- en adviesfunctie bij het LP, de KLPD/DNR en de IND, ten behoeve van een professionele en daadkrachtige aanpak van internationale misdrijven. Door samenwerking binnen het KIM zal de kennis en expertise van LP, KLPD/DNR en IND actief worden gebundeld, geborgd, ontsloten en benut.

Om kennis en deskundigheid vast te houden en te verdiepen zijn er bij het LP enkele functies gecreëerd. Er is in 2009 een ervaren wetenschappelijk medewerker internationale aangelegenheden en begin 2010 een beleidsmedewerker aangetrokken, mede met het oog op de oprichting van het KIM. Daarnaast wordt de formatie spoedig uitgebreid met een documentalist.

Een andere ontwikkeling is de verbetering van de overdracht van zaken van de eerste naar de tweede lijn. De tweede lijn wordt eerder bij onderzoeken in de eerste lijn betrokken, en de zaaksofficier ondersteunt de AG intensief in de beroepsfase, onder meer door als plaatsvervangend AG in zaken op te treden.

Bij het TIM is onder andere geïnvesteerd in opleiding en training van de teamleden. Zo is door een aantal teamleden van KLPD/DNR IM een pilot van de SSR-cursus (Stichting Studiecentrum Rechtspleging) WIM/WOS (Wet Internationale Misdrijven / Wet Oorlogsstrafrecht) bijgewoond. Deze is mede door het OM ontwikkeld.

Bovendien hebben medewerkers van het TIM medio januari 2009 een cursus IM van Interpol bijgewoond. Samen met de 60 collegarechercheurs uit 20 verschillende landen is de wens en noodzaak uitgesproken om regelmatig kennis en ervaring op operationeel niveau uit te wisselen alsmede om voortdurend samenwerkingsmogelijkheden te zoeken.

KLPD/DNR en LP hebben een gedetailleerd en doortimmerd opleidingsplan gemaakt om de specifieke vaardigheden en kennis op dit specifieke werkterrein te vergroten. Het plan zal medio 2010 worden uitgerold.

3.3 Pijler 3: Verhoging van de capaciteit

De beoogde capaciteitsuitbreiding van het TIM in 2009, te weten de realisatie van de 2de tranche uitbreiding met 5 fte, is gerealiseerd. Het team heeft inmiddels een bezetting van 27 fte. De 3de tranche, te weten uitbreiding naar 32 fte, zal flexibel worden ingevuld binnen de bestaande capaciteit van het KLPD, en met gebruikmaking van specifieke expertise ter ondersteuning van de lopende opsporingsonderzoeken. Daar is thans de grootste behoefte aan.

3.4 Pijler 4: het verbeteren van het juridische instrumentarium.

In het kader van het versterkingsprogramma hebben, zoals reeds vermeld in de rapportagebrief 2008, verschillende overleggen en gesprekken plaatsgevonden over de reikwijdte van het huidige wettelijk instrumentarium en de noodzaak en wenselijkheid tot aanpassing ervan. De uitkomsten daarvan hebben geresulteerd in een concept-wetsvoorstel waarin de mogelijkheden om internationale misdrijven op te sporen en te vervolgen worden verruimd. Het concept-wetsvoorstel is op 2 oktober 2009 ter consultatie voorgelegd aan het Openbaar Ministerie, de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten. Tevens heeft internetconsultatie plaats gevonden. De ontvangen adviezen zijn inmiddels verwerkt en het wetsvoorstel wordt een dezer dagen aan de Raad van State ter advisering worden voorgelegd.

Het landelijk parket stelt zich mede ten doel om actief bij te dragen aan de rechtsvorming op dit onontgonnen juridische terrein door in de strafzaken onopgehelderde juridische kwesties uit te procederen. Relevante inzichten en knelpunten hieromtrent zullen worden gedeeld met beleidsmakers en de wetgever.

In het kader van het versterkingsprogramma is ook het internationale juridische instrumentarium op het gebied van de opsporing en vervolging van internationale misdrijven onder de loep genomen. Uit deze analyse is naar voren gekomen dat het bestaande internationale juridische kader voor samenwerking inzake deze misdrijven gevormd wordt door een lappendeken van op onderdelen verouderde verdragen. Op dit moment wordt met het Ministerie van Buitenlandse Zaken bekeken hoe Nederland kan bijdragen aan de verbetering en aanvulling van de geconstateerde lacunes.

4. Conclusie

De eerste resultaten van het versterkingsprogramma beginnen zichtbaar te worden: zo liepen er in 2009 acht opsporingsonderzoeken, ligt er een wetsvoorstel om de grootste juridische obstakels weg te nemen, tekenen de contouren van een Kennis- en Expertisenetwerk IM zich af en zijn de eerste stappen gezet om getuigen in Nederland op te sporen. Hierbij moet aangetekend worden dat opsporing en vervolging alléén geen wondermiddel is. Daarom is een nauwe samenwerking tussen ketenpartners onontbeerlijk en ligt de nadruk, die onder het versterkingsprogramma is ingezet, op de ontwikkeling en gebruik van alle beschikbare instrumenten. Ik verwacht dat deze initiatieven hun vruchten zullen afwerpen in de komende jaren om te zorgen dat Nederland geen schuilhaven is voor verdachten van oorlogsmisdaden, genocide, foltering of misdaden tegen de menselijkheid.

In 2010 zullen de genoemde initiatieven en maatregelen worden voortgezet en nader geïmplementeerd. U zult over de resultaten hiervan voor de zomer van 2011 worden geïnformeerd.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage

Toelichting

De aanpak van internationale misdrijven is complex en arbeidsintensief. Zaken spelen dan ook veelal over een langere periode dan het jaar waarin zij zijn ingestroomd. Een dossier dat eerder is opgelegd, kan bijvoorbeeld in 2009 in opsporingsonderzoek zijn. Verder wordt opgemerkt dat ook zaken die onder de rechter zijn nog veel opsporingsactiviteiten kunnen vereisen, ondermeer ter ondersteuning van het OM en de rechter-commissaris.

Opleggen

Dossiers waarin een tijdelijke belemmering voor opsporing en vervolging aanwezig is, worden opgelegd. Dat betekent dat op deze dossiers op een later tijdstip nadere actie genomen zal worden door KLPD/DNR en OM/LP. Die nadere actie kan bestaan uit het starten van een uitgesteld oriënterend vooronderzoek of herbeoordeling op een later tijdstip. Zoals aangegeven in de rapportage van september 2008 zijn er sinds 1998 ongeveer 500 1F-dossies opgelegd. Daarvan staan er bij de IND ongeveer 200 geregistreerd als zijnde vreemdelingen die onder begeleiding Nederland hebben verlaten. Deze groep wordt niet herbeoordeeld.

Herbeoordelen

Het OM/LP en het KLPD/DNR streven ernaar alle opgelegde 1F-dossiers – als zij niet na enige tijd tot een uitgesteld oriënterend vooronderzoek hebben geleid – opnieuw te beoordelen om te bezien of er na enig tijdsverloop mogelijkheden zijn voor onderzoek die zich eerder niet voordeden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een veranderde veiligheidssituatie in een land of om het beschikbaar komen van nieuwe informatie. Er wordt geen vaste tijdslimiet gesteld voor herbeoordeling, omdat het hier gaat om de vraag of en in hoeverre een situatie is veranderd. Daarnaast betreft het strafbare feiten die niet verjaren, waardoor zaken ook op die grond niet op volgorde van datum hoeven te worden beoordeeld. Opgelegde dossiers worden met enige regelmaat gescreend om te bezien welke dossiers, of groepen van dossiers, al dan niet in onderlinge samenhang het kansrijkst lijken en in eerste instantie voor herbeoordeling in aanmerking komen. Dossiers die zien op een land met een wezenlijk veranderde situatie zullen eerder herbeoordeeld worden dan dossiers die zien op een land waar geen relevante veranderingen hebben plaatsgevonden.

Afvoeren

Bij afvoeren gaat het om dossiers die in beginsel niet tot nadere actie van OM en politie leiden. Er is een permanent beletsel geconstateerd voor een succesvol opsporingsonderzoek, bijvoorbeeld vanwege ontbrekende rechtsmacht of ne bis in idem.

Rechtshulp

Bij rechtshulp gaat het om zaken waarbij aan Nederland gevraagd is om opsporingshandelingen te verrichten betreffende een persoon die ervan verdacht wordt zich schuldig gemaakt te hebben aan een internationaal misdrijf, dan wel om zaken waarin aan Nederland is gevraagd om de uitlevering van een dergelijk persoon. Deze zaken komen dus de vervolging van verdachten van internationale misdrijven buiten Nederland ten goede.


XNoot
1

TK 2006/07, 30 800 VI, nr. 132.

XNoot
2

TK 2007/08, 31 200 VI, nr. 193.

XNoot
3

TK 2008/09, 31 700 VI, nr. 124.

XNoot
4

Dit betreft vreemdelingzaken waarin artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.

XNoot
5

De cijfers 2009 kunnen dossiers bevatten waarbij de herbeoordeling in 2008 is gestart.

XNoot
6

De output van de IND en de input van het OM inzake de 1F-zaken wordt jaarlijks naast elkaar gelegd. Het verschil in het weergegeven aantal zaken dat door de IND is afgehandeld en het aantal 1F-dossiers dat bij het OM is binnengekomen is ondermeer het gevolg van kleine administratieve handelingen. Alle 1F-zaken die de IND afdoet bereiken het OM.

XNoot
1

Peildatum cijfermatige gegevens is 5 januari 2010.